Mensenrechten kunnen niet ‘overruled’ worden door een gerechtelijke uitspraak

De uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – aan Bed/Bad/Brood mag de voorwaarde van medewerking aan terugkeer naar land van herkomst gesteld worden – lijkt een overwinning voor de staatssecretaris en voor bijvoorbeeld de burgemeester van Amsterdam, maar is het niet. Mensenrechten kunnen niet overruled worden door een gerechtelijke uitspraak.
Mensenrechten zoals onderdak, voedsel (in dit geval vertaald in bed, bad en brood) zijn namelijk objectieve rechten. Zij zijn gedurende duizenden jaren ontstaan en zij leven in de hoofden en de harten van de mensen. Zij bestaan zonder verdragen, wetten, hoven, zelfs zonder en al lang vóór De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Deze Universele Verklaring, het Europese Hof, allerlei wetten, zijn hulpmiddelen, zijn zelfs nodig om de objectieve rechten van de mens in praktijk te brengen. Maar zij kunnen deze objectieve rechten van de mens nooit inperken.

Mag je aan een objectief recht voorwaarden stellen? Bijvoorbeeld aan: Een mens heeft recht op voedsel. Nee, daar mag je geen voorwaarde aan verbinden. 
Maar als je zegt: Elk mens moet voedsel verstrekt worden, dan valt daar wel een en ander over te zeggen. Dat elk mens recht heeft op voedsel wil namelijk niet zeggen dat hem dit zonder meer en altijd zonder tegenprestatie moet gegeven worden.
Degene die hem dit voedsel verstrekt mag een compensatie voor zijn inspanning en voor zijn kosten vragen. Er mag dus een voorwaarde gesteld worden.
Maar dat wil niet zeggen dat de gever ook zonder meer deze voorwaarde mag bepalen. De voorwaarde of tegenprestatie mag niet tegen de wet ingaan en evenmin tegen het belang van degene die het voedsel ontvangt. Dit laatste is vooral ook van belang voor een vluchteling die als voorwaarde voor voedsel krijgt opgelegd om mee te werken aan zijn terugkeer naar het land van herkomst. De medewerking aan terugkeer kan tegen zijn belang ingaan.
Als de hongerige niet in staat is te betalen voor het voedsel of in staat is een redelijke, voor hem en voor de gever, wederdienst te leveren, moet deze mens toch van voedsel voorzien worden. Want voedsel is een mensenrecht. Of negatief geformuleerd: een mens mag een ander mens niet laten creperen.
Als een overheid van een vluchteling wil eisen om, in ruil voor voedsel en onderdak, mee te werken aan zijn terugkeer, dan moet deze overheid op de eerste plaats in elk afzonderlijk geval zichzelf afvragen of het redelijk is dit te eisen.
Als de vluchteling verklaart dat hij graag mee zou willen werken aan zijn terugkeer maar dat niet kan omdat hij kan aantonen dat er in zijn land van herkomst oorlog of onderdrukking heerst, of dat hij persoonlijk gevaar loopt of een trauma heeft, of dat hij dat niet kan omdat hij geen identiteitspapieren heeft en deze ook niet kan verkrijgen, dan moet deze ´verklaring van in principe mee willen werken´ beschouwd worden als het voldoen aan de voorwaarde van medewerking aan terugkeer.
Als een vluchteling niet in staat is terug te keren, moet hij basisvoorzieningen krijgen om een menswaardig bestaan te leiden.
Daar kan geen Europees Hof, geen regering, geen staatssecretaris, geen burgemeester omheen.
En geen sociaalvoelend mens zal deze fundamentele mensenrechten laten aantasten. Deze sociaalvoelende mens zal de op straat gezette, door de overheid aan zijn lot overgelaten vluchteling blijven helpen, en ook uiteindelijk deze tekortschietende overheid ter verantwoording roepen en verantwoordelijk stellen.

 

De zelfdoding van ‘vreemdelingen’ in de roman Mijn liefde is scharlakenrood

(van de achtercover: Vele jaren later, in een tijd van nieuw terrorisme, kijk Kitty – inmiddels dakloos en verslaafd – terug op hun revolutionaire jaren. In plaats van lid van het internationale rode leger, zoals ze spottend zegt, is ze nu lid van het leger der hopelozen. Maar ze blijft lachen.

Deel 3 Kitty
2003

Na het volgende wordt het me te veel. De jonge Marokkaan loopt me
voorbij als ik uit de douche kom. Daarna wordt het een clichéscène uit
een film. Ik zie de Marokkaan met zijn rug naar me toe voor het raam
staan. Ik ga terug de douche in om mijn handdoek te pakken. Als ik op-
nieuw naar het raam kijk is het leeg.
Ik vraag me af of ik een plof heb gehoord. Ja, denk ik, maar ik wist
niet wat het was. Ik ren naar het raam en kijk naar beneden, de jongen
beweegt nog.
De volgende dag zie ik hoe de schoonmaakster met zeepsop en
daarna met bleek het dikke bloed probeert weg te schrobben. Het is in
de steen getrokken en gaat niet weg. Dan komt er iemand naar buiten
en pakte een paar handen wit zand uit de zandbak en gooit dat over de
rode plekken in de tegels. Dat moet, want vlakbij is een kinderspeelplaats,
daar komt ook het zand vandaan.
De Marokkaanse familie komt langs en maakt de leiding van het
tehuis verwijten: hij was toch niet voor niets hier, u wist toch dat hij
psychische moeilijkheden had! Hoe kan iemand zomaar uit het raam
springen? Waarom hangt er wel een net in het trappenhuis en is het
raam gewoon open? Dat net is er ook pas gekomen nadat er iemand aan
de buitenkant van de omheining is gaan hangen, weet ik.
Een heel jong Marokkaans moedertje, dat een zus zou kunnen zijn,
komt ook naar het tehuis. Misschien om wat spullen op te halen, mis-
schien om te horen wat er is gebeurd, misschien om te kijken naar de
plek.
Ikzelf krijg een aanval, het duurt vijf dagen voor ik er weer uitraak.
Net uit mijn crisis bekijk ik een in de zaal genomen foto van een
164
groepje bewoners.
De jonge Marokkaan zit op de achtergrond, een beetje in de schaduw.
Was hij thuis weggelopen, was hij het huis uitgezet? De jongen zei
weinig, niks eigenlijk. Wist dat jonge moedertje wel iets van hem?
Ik bekijk het gezicht met een vergrootglas en schrik ontzettend. De
jongen is de enige die me recht aankijkt, uitdrukkingsloos.

(….)

Door een kier van de deur die altijd openstaat omdat hij bang is opgesloten
te zijn – dat heeft hij overgehouden uit Bosnië, zegt men er steeds
bij – heb ik hem wel gezien maar gedacht dat hij zat te bidden. Met het
touw om zijn hals is hij op zijn knieën gezakt en door het touw in een
knielende houding gebleven. Zijn begeleider heeft hem samen met de
politie los moeten knopen. Hij is de laatste tijd een magere lijdzame
man geweest die soms uren op zijn maatschappelijk werker zat te wachten
zonder te protesteren. Misschien kwam dat door de medicijnen, of door
de vordering van zijn ziekte. Want maanden daarvoor had hij zich
nog wel eens kwaad gemaakt, was uit zijn vel gesprongen en had met
een mes gedreigd. Die kwade man in hem was al eerder doodgegaan
of doodgemaakt. Het laatste zetje heeft hij nu zelf gegeven. Daarmee
is voor de bewoners die een verdieping lager onder de douches wonen een
probleem opgelost, namelijk het water dat door het plafond kwam als
hij douchte. Hij laat eigenlijk maar één probleem achter: wie er voor de
kosten zou opdraaien voor de repatriëring van zijn lichaam naar Bosnië.
Maar daarvoor wordt via een truc een potje gevonden. En zo wordt
een trend voortgezet. Naarmate hij minder lastig werd, was steeds de
vindingrijkheid hem te helpen toegenomen.
Voor mij is dit duidelijk een filmbeeld: de man die door de kier van
de deur zichtbaar is en geknield lijkt te zitten bidden. De camera die inzoomt
en de werkelijkheid laat zien. Het lijkt een cynische persiflage op
de Sire-reclame die ogenschijnlijk een biddende, buigende Turk toont
die in werkelijkheid een besnorde stratenmaker in actie blijkt te zijn.

Uit Mijn liefde is scharlakenrood, roman van Meurs A.M

Verklaring van Hashim, 33 j, vluchteling uit Soedan van WijZijnHier (WAH), 6 jaar in NL, 3 jaar in de asielprocedure, 3 jaar erbuiten, overleden door zelfdoding op 5 juli 2016 in Amsterdam

‘Zo geraakte ik in een oneindige beweging van draaikolken, met het gevoel geen normaal bestaan te hebben, en stierf elke intellectuele ambitie in slow motion in mij als gevolg van mijn wrede ervaringen en lijden.’ (uit Statement van Hashim gepubliceerd op 24 juni 2014)

Zie aub ook het laatste
Statement van Hashim d.d. 1 juni 2016  uit SPREAD THE WORDS, gedaan in april 2016. Het eerste statement deed Hashim in 2014 tijdens The march for freedom van Brussel naar Straatsburg. Ik ben een vluchteling werd gepubliceerd werd op 25 juni 2014 in de voorloper van SPREAD THE WORDS, Freedom not Frontex. In april 2016 zag Hashim een metgezel van De Mars voor de vrijheid terug en deed bij die gelegenheid zijn tweede statement. In het internetmagazine SPREAD THE WORDS werd en wordt dagelijks in meerdere talen een statement van een vluchteling opgenomen. De Nederlandse vertaling van de statements van Hashim wordt daar nu ook toegevoegd.

WAHStatementHashim24062016

Ik ben een vluchteling

Hashim, 33 j, vluchteling uit Soedan van WijZijnHier (WAH), 6 jaar in NL, 3 jaar in de asielprocedure, 3 jaar erbuiten, overleden door zelfdoding op 5 juli 2016
Ik ben een vluchteling

Ik ben een vluchteling.
Ik verliet mijn land om veiligheidsredenen
en vanwege de politieke maatregelen,
ik vluchtte voor een politiek
die de menselijkheid geweld aandoet.
Ik kwam naar Europa
omdat Europeanen geloven in mensenrechten,
die daar al lang geleden zijn ingesteld.
Ongelukkig genoeg
heb ik me tegenover zeer ernstige problemen
geplaatst gezien
nadat ik in Griekenland was geraakt.
Onderdeel hiervan is de onderdrukking
van mensen met een zwarte huid,
het schenden van de mensenrechten
van een vluchteling.
Er bestaan geen mensenrechten
voor vluchtelingen in Griekenland.
Zoals dat van huisvesting,
werk en medische verzorging.
Zelfs in de basisbehoefte aan
voldoende voedsel om in leven te blijven
wordt niet voorzien,
noch geniet je bewegingsvrijheid
binnen het land.
Het ergst, alle wegen voor vluchtelingen
om te integreren
in het normale maatschappelijke leven
in Europa
zijn geblokkeerd,
en lange tijd leed ik daar
onder de uitzonderlijk zware omstandigheden.
Wat me er toe dwong
naar een ander Europees land
te vertrekken,
een dat zou voorzien in
betere mensenrechten voor vluchtelingen.
Maar jammer genoeg
zijn er geen grote verschillen
tussen de landen in Europa.
Als het gaat om het schenden en onderdrukken
van het recht van een vluchteling,
het vertragen en uitstellen van de procedure
en het verstrekken van verblijfspapieren voor vluchtelingen,
het unfair en ongelijk toepassen van het burgerrecht,
en het verhinderen van vluchtelingen om vrij te integreren
in de Europese maatschappij.
Als het gaat om het brengen van vluchtelingen
in wrede omstandigheden,
in isolatiekampen weg van de burgers
en het normale leven.
Zo geraakte ik in een oneindige beweging van draaikolken,
met het gevoel geen normaal bestaan te hebben,
en stierf elke intellectuele ambitie
in slow motion in mij
als gevolg van mijn wrede ervaringen en lijden.
Nadat ik in Nederland asiel had aangevraagd,
is daar de niet te rechtvaardigen
afwijzing van mijn asielverzoek,
waarna ik ben geconfronteerd met de wrede werkelijkheid
van het eindeloze lijden van het zonder papieren
in Europa zijn,
dat erin bestaat altijd subject te zijn
van controle op basis van huidskleur,
van in de gevangenis te worden geworpen
en voor lange tijd in een detentiecentrum.
En terwijl ik als vluchteling geen enkele toegang heb
tot een normaal leven,
mij elke vorm van psychologische stabiliteit ontbreekt,
levend in voortdurende angst
om elk moment gearresteerd te worden
door een van de immigratieagenten
of andere autoriteiten belast met
het controleren van vluchtelingen,

bekruipt mij het gevoel
dat ik gevlucht ben
voor onderdrukking
om in een ander soort onderdrukking
terecht te komen.

STATEMENT VAN HASHIM, gepubliceerd in het Arabisch, Engels en Frans in het internetmagazine FREEDOM NOT FRONTEX d.d. 24 juni 2014: https://freedomnotfrontex.noblogs.org/post/2014/06/24/statement-هاشم/ Nederlandse vertaling
Meurs A.M. www.meursam.nl

Alicia Keys zingt We are Here

Ik ben een vluchteling. Ik verliet mijn land om veiligheidsredenen  en vanwege de politieke maatregelen,  ik vluchtte voor een politiek die de menselijkheid geweld aandoet. Ik kwam naar Europa omdat Europeanen geloven in mensenrechten, die daar al lang geleden zijn ingesteld. Ongelukkig genoeg heb ik me tegenover zeer ernstige problemen geplaatst gezien nadat ik in Griekenland was geraakt. Onderdeel hiervan is de onderdrukking van mensen met een zwarte huid, het schenden van de mensenrechten van een vluchteling. Er bestaan geen mensenrechten voor vluchtelingen in Griekenland. Zoals dat van huisvesting, werk en medische verzorging. Zelfs in de basisbehoefte aan voldoende voedsel om in leven te blijven wordt niet voorzien, noch geniet je bewegingsvrijheid binnen het land. Het ergst, alle wegen voor vluchtelingen om te integreren in het normale maatschappelijke leven in Europa zijn geblokkeerd, en lange tijd leed ik daar onder de uitzonderlijk zware omstandigheden. Wat me er toe dwong naar een ander Europees land te vertrekken, een dat zou voorzien in betere mensenrechten voor vluchtelingen. Maar jammer genoeg zijn er geen grote verschillen tussen de landen in Europa. Als het gaat om het schenden en onderdrukken van het recht van een vluchteling, het vertragen en uitstellen van de procedure en het verstrekken van verblijfspapieren voor vluchtelingen, het unfair en ongelijk toepassen van het burgerrecht,  en het verhinderen van vluchtelingen om vrij te integreren in de Europese maatschappij.  Als het gaat om het brengen van vluchtelingen in wrede omstandigheden, in isolatiekampen weg van de burgers en het normale leven. Zo geraakte ik in een oneindige beweging van draaikolken, met het gevoel geen normaal bestaan te hebben, en stierf elke intellectuele ambitie in slow motion in mij als gevolg  van mijn wrede ervaringen en lijden. Nadat ik in Nederland asiel had aangevraagd, is daar de niet te rechtvaardigen afwijzing van mijn asielverzoek, waarna ik ben geconfronteerd met de wrede werkelijkheid van het eindeloze lijden van het zonder papieren in Europa zijn, dat erin bestaat altijd subject te zijn van controle op basis van huidskleur, van in de gevangenis te worden geworpen en voor lange tijd in een detentiecentrum. En terwijl ik als vluchteling geen enkele toegang heb tot een normaal leven, mij elke vorm van psychologische stabiliteit ontbreekt, levend in voortdurende angst om elk moment gearresteerd te worden door een van de immigratieagenten of andere autoriteiten belast met het controleren van vluchtelingen, bekruipt mij het gevoel dat ik gevlucht ben voor onderdrukking om in een ander soort onderdrukking terecht te komen.

STATEMENT VAN HASHIM, gepubliceerd in het Arabisch, Engels en Frans in het internetmagazine FREEDOM NOT FRONTEX d.d. 24 juni 2014: https://freedomnotfrontex.noblogs.org/…/statement-%D9%87%D…/

Zie dus ook:
Statement van Hashim d.d. 1 juni 2016  uit SPREAD THE WORDS

En ook:  De zelfdoding van ‘vreemdelingen’ in de ‘opvang’ in Mijn liefde is scharlakenrood.

Screbrenica of de mandaad (nav rechtsgang Dutchbatters om ‘onmogelijke missie’)

30 juni 2016: Twaalf veteranen van Dutchbat III stellen de Nederlandse staat na ruim twintig jaar bij de rechter aansprakelijk, omdat ze op een ,,onmogelijke missie” zijn gestuurd.
In juni 1996, 20 jaar geleden, schreef ik het toneelstuk Screbrenica of de mandaad. Het verscheen in drie afleveringen in april, mei en juni 1997 in de nummers 1, 2 en 3 van HetWerk, literair kladschrift van Meurs A.M. Het is samen met andere spelen voorjaar 2006 in boekvorm verschenen onder de titel Spelen bij uitgeverij de Graal te Turnhout. Deze uitgeverij is opgeheven. Voor huidige verkrijgbaarheid: zie onderaan.

De gevangenneming  van de Bosniërs en de scheiding van de vrouwen door de Serviërs vond plaats in een enclave en onder het oog van Nederlandse blauwhelmen die namens de VN de bewoners van Srebrenica hadden moeten beschermen. In het derde en laatste bedrijf van het toneelstuk SREBRENICA OF DE MANDAAD leest u wat de aanloop tot en de massamoord van 8000 Bosnische mannen door de Serviërs doen in de hoofden van een Nederlandse JONGE SOLDAAT en een OUDERE MILITAIR. De GENERAAL is een Serviër.
SPELENKAFTVOOR040106B1kopie

DERDE BEDRIJF

Kort voor de genocide van Srebrenica. De resten van een loods vol kogelgaten en bloedvlekken, boven de hoofden van de personages hangt een brug. De militairen hebben hun mouwtjes karikaturaal hoog opgeschoven, ze doen steeds tussendoor wat lichaamsoefeningen, hun bodycultuur steekt schril af tegen de onzichtbare vermagerde en verpauperde bevolking.

De OUDERE MILITAIR en de JONGE SOLDAAT laden een vrachtwagen met grote blikken, dozen en kratten uit.

JONGE SOLDAAT Hoe was het in Bratunac, majoor? Weer zo in de watten gelegd door die Serviërs, majoor? U bent de hele nacht weggebleven, majoor.

OUDERE MILITAIR Onvoorstelbaar, jongen. Wat die lui je voorschotelen, eten, wijn… Om van de zaken waar ik als hoofd van een gezin geen gebruik wens te maken maar te zwijgen.

JONGE SOLDAAT U bent gelukkig getrouwd, hè majoor?

OUDERE MILITAIR Maar ja, je koopt dan ook in een keer voor 25000 mark. Daar willen ze wel wat tegenover stellen.

JONGE SOLDAAT (kijkt geïnteresseerd in een half geopende doos) Ze schijnen ook aan de Moslims te verkopen, maar die kunnen natuurlijk nooit de prijs betalen die wij geven, majoor. (Haalt een blikje bier uit de doos) Bavaria, dat is toch uit Breda, majoor.

OUDERE MILITAIR Wat ze aan ons niet kwijt kunnen slijten ze aan de plaatselijke bevolking. Nou, die willen wel na die maandenlange blokkades.

JONGE SOLDAAT (houdt de doos omhoog, leest) “Dutchbat, speciale zending.” Zouden ze ons onze eigen spullen durven verkopen, majoor?

OUDERE MILITAIR (antwoordt niet, kijkt naar SOLDAAT HERMAN, die in trainingsbroek en een gebloemd overhemd, de mouwen extreem hoog opgerold, onopvallend het toneel op is komen schuifelen) Hoezo ben jij in burger? Heb jij soms iets gepro­beerd? Kijk maar uit. Ze hebben het recht je als spion zonder meer te liquideren. Als guerillero trouwens ook.

JONGE SOLDAAT Ja eigenaardig. Beide partijen maken gebruik van spionnen, maar ze vinden het nodig zo verontwaardigd te doen over die van de tegenpartij dat ze menen het recht te hebben deze zonder meer neer te schieten.

SOLDAAT HERMAN Na ze eerst gemarteld te hebben om nog zoveel mogelijk te weten te komen natuurlijk.

JONGE SOLDAAT Natuurlijk. Een riskant beroep, spion.

SOLDAAT HERMAN Maar wel goed betaald.

JONGE SOLDAAT Toch geen vluchtpoging gedaan, hè Herman?

SOLDAAT HERMAN (scherp) Als ik een vluchtpoging doe, dan lukt ie ook. Dan ben ik vertrokken.

JONGE SOLDAAT Rustig maar, ‘t kon zijn dat ‘t je allemaal teveel werd. ‘t Valt niet mee om maandenlang opgesloten te zijn en niet met verlof te kunnen. Wij hebben het daar ook moeilijk mee.

SOLDAAT HERMAN Zoals ik zei, ik ben geen mietje. Als ik weg wil, ben ik weg. (Haalt zijn uniform, legt zijn pistool en een dikke portemonnee uit zijn broek, wrijft liefkozend over de portemonnee terwijl de JONGE SOLDAAT zegt)

JONGE SOLDAAT Had jij trouwens niet veel meer kleren aan daar­straks?

(Er rennen enkele gestaltes over de hangbrug)

SOLDAAT HERMAN Verrek, dat waren Moslims! Die haal ik terug! (pakt een machinepistool en gaat, nog steeds in trainingsbroek, achter ze aan over de hangbrug, de anderen kijken hem hoofdschuddend na)

OUDERE MILITAIR Moet jij niet eens proberen weg te komen? Je neemt gewoon een voertuig mee. Ik heb liever dat het jou lukt dan Herman. Die durf ik niet bij me thuis langs te sturen.

JONGE SOLDAAT Ik wil de zaak hier niet in de steek laten.

OUDERE MILITAIR Kom zeg, normaal was je allang met verlof geweest.

JONGE SOLDAAT Stil, daar is ie weer.

SOLDAAT HERMAN (komt op met enkele verouderde geweren, gooit ze op de grond) Waren zogenaamd op jacht.

OUDERE MILITAIR Die mensen zíjn op jacht. Ze hebben niets te eten. Die lui zijn wanhopig. Er zijn al meer dan tien mensen van honger omgekomen!

SOLDAAT HERMAN Ik hou me aan het mandaat: ontwapen iedereen binnen de compound.

JONGE SOLDAAT Heb jij al één Serviër een wapen afgenomen?

SOLDAAT HERMAN Nee, maar dat doet niets af aan het principe.

(Er gaat een mijn af. Daarna is het even doodstil. Dan klinkt een jongemeisjesstem:)

JONGEMEISJESSTEM (buiten beeld) Zijn jullie daar, schatjes van me. Lieve Hollandertjes! Wij waren met ons tweeën gekomen om jullie te verwennen en wat brood en cigaretten van jullie te krijgen. Maar nu mijn zusje op een mijn is gelopen, wil ik jullie vragen mij een keer extra te neuken, zodat ik de begrafenis kan betalen. Doen jullie dat, lieve hollandertjes van me?

OUDERE MILITAIR (Overstuur) Ga weg! Ga terug! Loop midden op de weg. Hier zijn brood en cigaretten. Kom niet terug! (pakt een brood en een pakje cigaretten, wil ze gooien, maar wordt tegengehouden door SOLDAAT HERMAN die nog maar half is aangekleed)

SOLDAAT HERMAN Zonde! (halveert het brood, pakt een paar cigaretten uit het pakje) Zou marktbederf zijn. Ik kom eraan, schatje! (gaat af)

JONGE SOLDAAT (mompelt) O god, laat hem op een mijn lopen voor hij bij dat meisje is. (Blijft staan luisteren, sluit zich dan bij de OUDERE MILITAIR aan die woest verder gaat met het lossen van de vrachtwagen. Na een poosje) Misschien moet ik inderdaad hier weg voor ik een van mijn eigen mensen vermoord. (Ze lossen de vrachtwagen. SOLDAAT HERMAN komt terug en trekt wellustig zijn trainingsbroek op) Had je die cigaretten en dat brood niet zo kunnen geven?

SOLDAAT HERMAN Ik neem wat ze aanbiedt, zij krijgt wat ze vraagt. Ik blij met haar kutje, zij blij met het brood. Ik ben lief tegen haar. Wat wil je nog meer! Bovendien vrij ik veilig. Ook voor mezelf en mijn meisje thuis trouwens.

JONGE SOLDAAT Je bent een schoft.

SOLDAAT HERMAN De Serviërs snijden haar borsten en haar schaamlippen af! Want, zeggen ze, dat deden de Ustasja’s in de Tweede Wereldoorlog ook met de Servische vrouwen.

JONGE SOLDAAT Klootzak, moet ze soms blij zijn dat jij dat niet doet?

SOLDAAT HERMAN Gelul, ik doe gewoon wat iedere man zou doen en betaal ervoor wat ervoor staat. Als de prijs omhoog gaat betaal ik meer. We weten precies wat we aan elkaar hebben. Niet meer en niet minder. De rest is schijnheiligheid. Bovendien heb ik haar zus begraven. De stukken bij elkaar geraapt en begraven. Moest terplekke gebeuren. Zie ik jou nog niet doen. Ben je vast ook te fijngevoelig voor. Ik heb er een extra beurt voor gekregen. Maar daar deed ik het niet voor. Ik had echt met haar te doen. Ik heb ook mijn zwakke kanten. En nou, shit, wil ik een pils.

(Er sluipen, nu van de andere kant, gewapende gestaltes over de brug)

OUDERE MILITAIR Serviërs, zie je zo, aan de wapens en hun hele stijl: goed getraind. (Er wordt over hun hoofden heen geschoten) Ik moet toegeven dat ik de verdwaalde kogels van de Moslims voor ons gevaarlijker vind dan het gerichte vuur van de Serviërs.

JONGE SOLDAAT Moet je er niet achteraan, Herman?

(heviger artillerievuur)

OUDERE MILITAIR De mensen zitten daar op elkaar gepakt. Dat kan nooit missen.

JONGE SOLDAAT Ik voel me niet op mijn gemak.

SOLDAAT HERMAN Dat zijn je vrienden, man! (luistert naar het schieten, grinnikt) Ik geloof dat ik eens ga kijken of er in de stad iets te beleven valt. (af)

(De OUDERE MILITAIR en de JONGE SOLDAAT zitten elkaar een poosje aan te kijken)

JONGE SOLDAAT (staat op) Ja, ik denk dat ik het moet proberen.

OUDERE MILITAIR Wacht ( af en meteen terug met een klein pakje).Geef dit voor me af. (Drukt hem even tegen zich aan)

(JONGE SOLDAAT af. De OUDERE MILITAIR raakt in een crisis vol drukke bewegingen en wanhoopsgebaren maar maakt geen geluid, gaat dan zitten, zegt voor zich uit:) Jezus in de hof van Getsemane… (plechtig) Kunt gij dan niet één uur met mij waken? (stilte)

JONGE SOLDAAT (komt verslagen op, geeft de OUDERE MILITAIR het pakje terug) Herman is erger, staat vastgebonden aan een lantaarnpaal de verschrikkelijkste dingen te schreeuwen. Als zo dadelijk mét de Serviërs ook de pers komt, gaat dat de hele wereld rond. We moeten hem doodschieten. Ik geef me op als vrijwilliger.

SOLDAAT HERMAN (buiten beeld schreeuwend) Jullie hebben de verkeerde! Ik sta aan jullie kant! Ik heb een hekel aan Moslims. Het zijn geen mensen! Het zijn scharminkels! Haal me hier weg! Ik vecht met jullie mee! Geef me Arkan! Dat is een man naar mijn hart. Stelletje dienstplichtigen die me hier vastgeketend hebben. Ik wil Arkan zien! Arkan! Was ik Serviër zou ik een Arkan zijn! Arkan! Weg met de NAVO! Fuck de NATO! Maak me los, Arkan! Maak je vriend los, Arkan!

(Het schieten neemt in hevigheid toe, dan klinkt er marsmuziek en wordt een ijzeren gevaarte in de vorm van een hoge steile tent op wielen het toneel op getrokken. Het heeft ijzeren pinnen als een fakirbed en in het midden van een de zijden is een opengesneden varken gespiest)

OUDERE MILITAIR Jezus, de GENERAAL komt eraan!

GENERAAL (komt autoritair op) Zo, majoor. Wij moeten even wat dingen regelen. Tussen haakjes, ik heb vers vlees voor je meegebracht. Mijn jongens komen morgen binnen en ik verwacht dat jij je er buiten houdt. Ik bedoel dat niet een van je mannen per ongeluk begint te schieten, uit plichtsbesef of zo. Daarginds heb ik een oude tank neergezet, daar mogen jouw landgenoten een luchtaanval op uitvoeren. Dus blijf uit de buurt. Dat is van hogerop zo geregeld. Grote politiek, majoortje. Nog wat, een van jouw gasten staat daar de hele tijd te schreeuwen – weinig militaire discipline trouwens –  die krijg je zo terug. Zo, neem het vlees mee, nee op je nek. (tegen JONGE SOLDAAT) Help even. Morgen rekenen we wel af.

(Legt samen met de JONGE SOLDAAT het varken op de rug van de OUDERE MILITAIR, de JONGE SOLDAAT ondersteunt de OUDERE MILITAIR, samen gaan ze af, de GENERAAL kijkt goedkeurend en zelfvoldaan in het rond, zijn ‘standaard’ wordt van het toneel getrokken en hijzelf gaat daarna met ferme pas af)

OUDERE MILITAIR (komt verslagen op met JONGE SOLDAAT) Niet te geloven dat dat dezelfde man is die me gisteren in Bratunac zo voorkomend heeft behandeld. Hij was toen wel in burger.

SOLDAAT HERMAN (komt op) Misverstand. Het was een misverstand. Als ze geweten hadden wie ik was, hadden ze het niet gedaan, zeiden ze. Kom, ik heb goeie zin. Morgen zijn ze hier en wij kunnen naar huis. Zet de tv even aan: RTL 4. (…kijkt naar tv buiten beeld) Tjee, hun jeugd afgenomen, willen liefst zo ver mogelijk weg, niemand doodschieten… En wij dan! Wij hier voor ze de kastanjes uit het vuur halen. Mooi niet! Eerst zij, dan wij! Als we er dan toch allemaal aan moeten. Maar wat klets ik. (Staat op, gaat met vinger over een grote rode vlek op de muur van de loods, ruikt aan zijn vinger) Slechte verf trouwens. Morgen is het afgelopen. We hebben wat te vieren. Niet in het minst mijn behouden terugkeer natuurlijk. (Ze drinken, de OUDERE MILITAIR en de JONGE SOLDAAT aanvankelijk met tegenzin. SOLDAAT HERMAN zet telkens flarden van het lied ‘Wij houden van oranje’ in, geleidelijk aan beginnen de anderen mee te zingen, ze worden sentimenteel)

OUDERE MILITAIR Mijn vader had in Indonesië gevochten, kwam terug, dacht een baantje te krijgen. Maar hij kon kolen gaan sjouwen! Ja, een paar jaar later, toen hadden ze hem weer nodig. Toen kwamen ze aan de deur. Voor Korea. Om het Vrije Westen te verdedigen.

JONGE SOLDAAT Libanon, o Libanon, het liefste wat ik heb zit in Libanon.

SOLDAAT HERMAN Ik was de beste op de oefenbaan, eigenlijk was ik in alles de beste. Ik had álles kunnen bereiken in het leger. Als ik die mietjes niet was tegengekomen. Handen van het lijf, zei ik nog. Maar ze dachten dat ik een grapje maakte. Maar met zulke dingen lach ik niet. Ik heb ze vreselijk in elkaar geramd. Er was niets aan te doen. Ik moest het gewoon doen.

BODYBUILDER (staat plotseling daar in camouflagetenue dat zijn figuur goed doet uitkomen) Goedenavond.

OUDERE MILITAIR U bent vroeg, u bent de eerste.

SOLDAAT HERMAN (kijkt bewonderend, raakt de bovenarmen van de BODYBUILDER aan) Tjee, wat een spieren, daar zitten wat oefenuurtjes in! De superioriteit straalt er toch vanaf, zeg nou eerlijk. Als je dit ziet kun je toch niet volhouden dat die Moslims gelijkwaardig zijn, dat ze dezelfde rechten hebben. ‘t Is toch in één oogopslag duidelijk wie hier de baas moet zijn.

BODYBUILDER Ik ben Moslim. Ik kom jullie een voorstel doen.

SOLDAAT HERMAN Moslim? Met zo’n lichaam, dat bestaat niet!

BODYBUILDER (richt zich tot de OUDERE MILITAIR) De zaak is ernstig. Ik ben commandant Pilav. Morgen doen de Cetniks een beslissende aanval. We denken een kans te hebben als Dutchbat zijaanzij met ons wil vechten.

(De JONGE SOLDAAT kijkt hoopvol, de OUDERE MILITAIR schrompelt in elkaar, SOLDAAT HERMAN zegt verontwaardigd)

SOLDAAT HERMAN Wat!

BODYBUILDER (Gaat ernstig verder) U, wij allemaal weten wat er gebeurt als we ons overgeven. U bevindt zich hier bij een loods waar al eerder massa-executies hebben plaatsgevonden. Alle mannen zullen worden afgeslacht. Net als in de andere plaatsen die de Cetniks hebben veroverd. Iedereen kan dit weten, want het is overal gebeurd. Als u niet samen met ons vecht, zult u medeverantwoordelijk zijn voor de moord op duizenden mannen.

JONGE SOLDAATIk wil vechten!

(De OUDERE MILITAIR lijkt nog verder in elkaar te krimpen)

SOLDAAT HERMAN Shit, wat een klerezooi!

(Er klinken voetstappen en geweerschoten vlakbij, de BODYBUILDER duikt de coulissen in)

OUDERE MILITAIR (dronken) Er moet iets gebeuren. We hebben te weinig steun. Er moet iets gebeuren dat de Amerikaanse politieke opinie achter Clinton gaat staan. En dat de Russen de Serviërs moeten laten vallen. Zoiets als op de markt van Sarajevo. We moeten ze tot iets provoceren waardoor er een ommekeer ontstaat. Enkele tientallen levens om duizenden te redden. (Jankt) Hoe moet ik het thuis uitleggen als mijn jongens niet terugkomen? (Begint te zingen:) ’De machtigste koning van storm en van wind is de arend geweldig en groot.’

SOLDAAT HERMAN (zingt aanvankelijk mee) Shit, ik ben ervandoor. Straks laat ik mijn hachie voor iets waar ik totaal niet achtersta. Dat zou ik mezelf erg kwalijk nemen.

JONGE SOLDAAT Dat is een fascistenlied.

OUDERE MILITAIR Dat zongen we vroeger al bij het kampvuur en bij de wandelclub. Je kon er prachtig op marcheren. De wandelclub van het gekkenhuis won trouwens altijd de eerste prijs. Die waren door niks afgeleid en gingen kaarsrecht en fier 25 kilometer lang de paden en lanen door.

SOLDAAT HERMAN (verdwijnt, stilte, de OUDERE MILITAIR neuriet, dan buiten beeld schreeuwend) Kleremoslims, laat me door. Herman laat zich niet tegenhouden. Niet door een stelletje schapeneukers. Jullie zijn het niet waard dat we voor jullie opkomen. Weg met de ayatolla’s! Ga uit de weg, stelletje fundamentalisten! Herman gaat door! (Er klinkt een schot, stilte, de OUDERE MILITAIR en de JONGE SOLDAAT kijken elkaar aan)

(Hevige beschietingen, lichtflitsen, geren over de hangbrug, de OUDERE MILITAIR en de JONGE SOLDAAT gaan in dekking, dan laat de brug aan een kant los en dondert naar beneden. Het wordt stil, er klinkt marsmuziek, de ‘standaard’ met een open gesneden varken erop wordt het toneel opgetrokken en achter op het toneel, het varken richting publiek, neergezet. De GENERAAL komt op en begint meteen het toneel met roodwitte plastic linten in ‘corridors’ te verdelen, zegt tegen de OUDERE MILITAIR en de JONGE SOLDAAT die opgesprongen zijn:)

GENERAAL Hier help even mee. Hier de vrouwen, daar de mannen. (Pakt de helm van het hoofd van de OUDERE MILITAIR en zet hem op, drukt zijn eigen helm op het hoofd van de OUDERE MILITAIR, gaat naar de coulissen en roept) Kom maar, jullie zijn hier veilig. Verenigde Naties hier, kom maar. Ja, u hier, ja en u daar. Prima.

(Er komt een schijnbaar eindeloze stroom van mannen en vrouwen op gang, die opkomen, via de uitgezette ’gangen’ lopen en weer afgaan. Telkens als er een man is afgegaan klinkt er een schot. De OUDERE MILITAIR staat stram in de houding en salueert met op zijn hoofd de helm van de GENERAAL.)

Ons volk is blij, majoor. Ze schieten in de lucht. Ze zijn terug op hun geboortegrond. Ze zijn blij, majoor!

(De GENERAAL blijft de mensen lokken en indelen)

Ja, kom maar, u daar en u daar. ‘t Gaat goed zo. Verenigde Naties ja, komt u maar hoor. In spin de bocht gaat in, uit spuit de bocht gaat uit. Zo was het toch, hè majoor?

(De JONGE SOLDAAT krimpt bij elk schot in elkaar alsof hijzelf geraakt wordt. Een salvo machinegeweervuur, doorgaand terwijl de lichten uitgaan. Stilte )

EINDE

EPILOOG 

Terwijl de lichten zijn aangegaan, het publiek eventueel klapt en de acteurs buigen, doet de JONGE SOLDAAT plotseling een stap naarvoren, er klinkt een schot, de JONGE SOLDAAT krimpt in elkaar, doet nog een stap naarvoren, weer een schot, krimpt weer in elkaar, nog een stap, maar stoot dan een woedende schreeuw uit, draait zich om en rent op de OUDERE MILITAIR en de GENERAAL af, deze doen een stap opzij om hem door te laten, maar hij sleurt ze met gespreide armen op hun keelhoogte achterwaarts mee en spiest ze ieder aan een kant naast het varken op de ‘standaard’. Dan blijft hij er hijgend even naar kijken. Het licht gaat uit. De acteurs blijven in het donker doodstil op hun plek staan. Vóór de zaallichten aangaan zijn ze verdwenen en KEREN NIET TERUG.

_________________

(c) juni 1996, 2005 Meurs A.M

Verkrijgbaarheid: bestellen  en  Boekwinkeltje Wonderland.

ROME, met in mijn hoofd When I paint my masterpiece (and Botticelli’s niece)

ROME, met in mijn hoofd When I paint my masterpiece (and Botticelli’s niece)

Net door de poort onder de gebouwen door, met in mijn hoofd voortdurend de Bob Dylan song ‘When I paint my masterpiece’, realiseerde ik me schrikkend dat ik een militair in een kantoortje was gepasseerd , en dat wat ik eerst voor ‘hallo’ had gehouden ook ‘halt!’ kon geweest zijn,  en hield ik met ingetrokken nek mijn pas in, voor de zekerheid,  en ook om vooral niet de indruk te wekken dat ik voor dat ‘halt!’ wegvluchtte, wat dodelijk kon zijn.
Er gebeurde niets, het moest ‘hallo’ geweest zijn. Op de vraag van de receptioniste of ik professor, wetenschapper, leraar, schrijver, of tenminste journalist was, durfde ik niet te zeggen ‘schrijver’ en probeerde mijn lafheid te verbergen met het grapje ‘allemaal’. De receptioniste schonk me goedmoedig de korting.
Naast de receptie stond op een paar meter afstand een opvallend klein vrouwtje me al een tijdje toe te lachen telkens wanneer ik in haar richting keek. De gids is een  gidsje, dacht ik, van ongeveer 50 jaar oud en niet groter dan 145 centimeter. In een uniformpje met een zwarte rok en een blauwe blouse, met zwart gelakte schoenen en glad donker geverfd haar. Ze droeg een zwart gerande bril. Ze glimlachte steeds en sprak alleen Italiaans. Ze stapte met afgemeten passen voor me uit, keek telkens om of ik volgde. Ze hield de zware deur met haar kleine lijfje open en zei ‘grazie’ wanneer ik de deur van haar overnam. Ze bracht me naar de overkant van een binnenplaatsje, draaide dan op haar hakken naar rechts en maakte een armgebaar in de richting van ‘Het perspectief’. We bevonden ons 10 meter van een zuilengalerij met daarachter een pad tussen rechthoekig geschoren hagen met op het einde het beeld van een romein met helm.  De afstand tot de romein leek 100 meter, hij leek 1 meter 80. Maar ik had gelezen dat het geheel  niet meer dan 9 meter diep was en de romein nog  geen 90 centimeter hoog. ‘Unbelievable,’  zei ik zoals van me verwacht werd tot het vrouwtje. Zij glimlachte stralend.

Perspectief

Op het binnenplaatsje stonden twee rijk beladen sinaasappelbomen. En er waren minstens twee katten. In de boom zat een vogel die schreeuwend de kat uitdaagde. Die sprong dan tegen de boom terwijl de sinaasappels vielen. Het vrouwtje bracht me naar binnen naar de zalen met honderden jaren oude schilderijen, tafels, kasten, vazen en beelden. Een oude man en vrouw verwelkomden me. De man wees naar een stapel catalogi in verschillende talen. Elke kleine zaal had een eigen stapel . Mijn oog viel meteen op een schilderij van een kardinaal in een fel rood kleed. Het kwam me bekend voor. Het moest ergens voor gebruikt zijn,  een boek of een film. Als ik naar de schilderijen van de Vlaamse en Hollandse schilders keek, viel me op dat ze opvallend helder en scherp waren geschilderd.
Toen ik moe van een hele dag lopen op een bank onder een raam had plaatsgenomen kwam een jonge vrouw de luiken sluiten en moest om ze te vergrendelen op een stoel gaan staan om bij het haakje te kunnen. Terwijl zij zich rekte stond plotseling het gidsje in de deuropening en rekte zich  schijnbaar onwillekeurig met de vrouw mee. Betrapt draaide het kleine vrouwtje zich dan bruusk om en verdween.
In de poort groette ik luid de militair. Met opnieuw het lied van Bob Dylan in mijn hoofd dacht ik aan het kleine gidsje. Nu iedereen weg was en het licht nog goed installeerde het vrouwtje op het binnenplaatsje een camera met zelfontspanner, bukte zich maar een heel  klein beetje om onder het koord voor de Prospettiva door te gaan en stelde zich op achter de romein aan het eind van het plantsoentje. Met haar 145 centimeter torende ze hoog uit boven de nog geen 90 centimeter van de romein.  Op de foto keek ze die avond naar een diepe galerij met daarachter een plantsoen en op wel 100 meter afstand een grote stoere krijger met achter hem een reuzin.

Ik zong zacht hardop: ‘Everything will be different, when I paint my masterpiece.’

Bob Dylan and the Band When I paint my masterpiece           

Reversed Ispahan: flying for those in power in EU the British meet the same people in power at home

Reversed Ispahan: flying for those in power in EU the British meet the same people in power at home

THE GARDENER AND DEATH

A Persian Nobleman:

This morning, with a face turned pale from fright,

My gardener rushed in, “Sir, if I might!

“At work, just now, I stopped to take a breath,

And looked up from the roses. There stood Death.

“Startled, I quickly left the work I’d planned,

But saw full well the menace of his hand.

“Lend me a horse and I will make it run.

Before night falls I’ll be in Ispahan!”

This afternoon (I’d long since watched him flee),

I chanced on Death beneath a cedar tree.

When he just stood there in his cloak of grey,

I asked about the threat he’d made that day.

He smiled, “It was not threat as he surmised.

I raised my hand because I was surprised,

“To find a man here working in the sun,

Whom I must fetch tonight in Ispahan.”

P.N. van Eyck [Pieter Nicolaas van Eyck] (1887-1954)

Translation from the Dutch by David Colmer

HET OMGEKEERDE ISPAHAAN: Vluchtend voor de machthebbers van de EU komen de Britten thuis dezelfde machthebbers tegen

HET OMGEKEERDE ISPAHAAN:
Vluchtend voor de machthebbers van de EU komen de Britten thuis dezelfde machthebbers tegen.

DE TUINMAN EN DE DOOD

Een Perzisch Edelman:

Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: “Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!” –

Van middag (lang reeds was hij heengespoed)
Heb ik in ’t cederpark de Dood ontmoet.

“Waarom,” zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
“Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?”

Glimlachend antwoordt hij: “Geen dreiging was ‘t,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen ‘k ’s morgens hier nog stil aan ’t werk zag staan,
Die ‘k ’s avonds halen moest in Ispahaan.”

P.N. van Eyck ( 1887-1954 )

Zonder hem echt te kennen was ik blij dat hij er was

HoflandZonder hem echt te kennen was ik blij dat hij er was en tevreden met hoe hij was. Ik heb nog nooit zoveel achter elkaar van hem gelezen als vandaag, misschien wel anderhalf A4tje. Met alles wat ik over hem zeg doe ik hem dus onrecht; dat is niet de bedoeling maar wel een feit. Hij was voor mij toch vooral een journalist’s journalist, zoals je writer’s writers hebt als Joyce en Faulkner. Degenen die vandaag zijn leven en dood becommentariëren bewijzen dat opnieuw. Karel van het Reve was in tegenstelling tot zijn broer Gerard ook zo iemand voor me. Natuurlijk neem ik me voor, nu zijn werk voltooid is, dat werk geleidelijk te gaan lezen. Maar dan moeten die andere journalisten hem wel levend houden, anders ben ik bang dat ik het weer vergeet. Met Karel van het Reve is mij, en dus hem, dat overkomen. Zie je nou wel, hoe meer ik over H. J. A. Hofland schrijf, hoe meer ik hem onrecht doe. Al zal dat hem worst wezen.

CINECLUB (Vrijheidsschool, Black Pantheracties) in de roman Mijn liefde is scharlakenrood

CINECLUB (Vrijheidsschool, Black Pantheracties) in de roman Mijn liefde is scharlakenrood Cineclub organiseerde in februari 1970 de Vrijheidsschool en Black Pantheracties; dit naast het vertonen van de door haar gemaakte Maagdenhuisfilm, films over de The Black Panthers, stakingen in Frankrijk, Flins, en meer. We lezen hoe T met Cineclub in aanraking komt en al meteen de volgende dag met de Maagdenhuisfilm naar Gent afreist met de bedoeling de film daar aan studenten te vertonen. Maar die studenten blijken bij de mijnwerkersstaking in Belgisch Limburg te zitten die dan al 6 weken duurt. T reist dan maar door naar Hasselt. De volgende ochtend om 6 uur worden ze allemaal voor de mijn in Waterschei opgepakt en opgesloten.

 

Uit de roman MIJN LIEFDE IS SCHARLAKENROOD van Meurs A.M.
1e deel De jongeman T
Uit Hoofdstuk 1966 – 1969 De bewustwording van T

(pag. 60)
De Olympische spelen voor gehandicapten op de radio, in de krant een

vrouwtje in de banken van de avondschool voor volwassenen. Janken.

Zijn haar begint langzamerhand zijn schouders te raken.

De briefkaart die hij naar het ministerie van Defensie heeft gestuurd

om te protesteren tegen de verhoging van de defensie-uitgaven met 225

miljoen gulden heeft niet geholpen. In een café op de Prins Hendrikkade,

vlakbij de Schreierstoren, praat hij met een directeur van een reclamebureau

die de reclame wel zou willen vervangen door voorlichting,

maar wat moet je voor voorlichting geven over van Dam chips?, en die

vindt dat je geen kritiek mag leveren als je geen pasklare oplossing achter

de hand hebt. En verder heeft hij gepraat met een meneer die veel

reisde en in een concentratiekamp had gezeten en omdat hij dat nooit

meer wilde meemaken die 225 miljoen erbij wilde.

61

In Biafra sterven dagelijks 8 tot 10 duizend mensen. Zou hij niet

eens moeten informeren wat hij kan doen? Zijn krantenknipsel met

“Nieuwe actie voor ontwikkelingshulp” kan hij wel van de muur halen.

Het staat in geen verhouding. Moet hij zich dan alleen met Biafra,

Vietnam, Tsjecho-Slowakije, Mexico, Zuid-Amerika, Portugal, Griekenland,

Spanje, studentenrevoluties, Rusland, China enzovoort bezighouden?

Eindelijk heeft hij iets om op zijn schuine dakwand te prikken; talrijke

feiten over Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië: hele kampongs

uitgemoord, gevangenen vermoord (ga maar even pissen in de

kali), martelen (draden van de veldtelefoon op testikels en dan draaien

aan de slinger), het als cadeau verpakte hoofd van een vrijheidsstrijder

als verjaardagspresentje voor de commandant, enzovoort, enzovoort.

Naast het artikel over de oorlogsmisdaden van de Nederlanders hangt

hij een artikel van een Tilburgse professor met kritiek op het huidige

kapitalisme. Maak economie ondergeschikt aan de mens, niet andersom.

Het is zijn eerste demonstratie. Het is geen demonstratie van meer

dan 10.000 mensen met als leus: “Stop de bombardementen.” Het is

de maandelijkse, radicale demonstratie van enkele duizenden mensen,

de demonstranten van het eerste uur met leuzen als “Johnson moordenaar”

en nu “Nixon moordenaar” en “Viva Vietcong!”, “Amerikanen

uit Vietnam” en “Ho, Ho, Ho Chi Minh!” Ze worden nog steeds lastig

gevallen en geprovoceerd door de politie, het wordt ze verboden naar

het Amerikaanse Consulaat op het Museumplein te gaan. Als ze dat

toch doen worden er charges uitgevoerd. T moet vluchten. Thuis bekijkt

hij de pamfletten die hij in zijn hand geduwd heeft gekregen. Hij staat

in het trappenhuis te wachten tot het water op het gastoestel heeft gekookt

en leest ondertussen het verfrommelde stencil. De buurman met

het sluike haar komt de trap op, mompelt goedenavond en loopt achter

hem langs het gangetje in naar zijn kamer. Opeens denkt T: ik heb die

man de afgelopen uren ergens gezien! Het is een pamflet van Cineclub,

T gaat een paar dagen later in een buurthuis naar een film over het

slachten van koeien in Argentinië. Het is gruwelijk hoe de koeien aan

hun einde komen. Hij tekent de petitie. Daarna krijgt hij regelmatig

62

post van Cineclub. Hij wordt vegetariër. Hij heeft wel veel meer tijd

nodig om te koken. Het is toch weer een stap verder op de weg naar het

gelijkschakelen van zijn gedrag met zijn ideeën.

De 20-jarige student Jan Palach heeft zich op het Wenceslasplein

in Praag in brand gestoken uit protest tegen de Russische bezetting

van Tsjecho-Slowakije. Zijn begrafenis wordt een stille demonstratie

van 100.000 mensen. De zelfverbranding een paar weken later van een

andere student wordt door de media in Praag afgedaan als de daad van een psychopaat. Kafka, janken.

 

Uit Hoofdstuk 1969 – 1970 Dit is het begin…

(……) (pag. 71)

In de zomer zijn er dus de processen tegen de Maagdenhuisbezetters, de

wraking van de rechters, daarna het hoger beroep in Den Haag, waarbij

de kans op actie nihil wordt geacht en waar niemand naar toe gaat. In

november 1969 ontvangt T een schrijven van Cineclub. Het is een met

carbonpapier gemaakte doorslag van een brief, zijn naam en adres zijn

er origineel boven getypt, en achter het Beste van de doorslag staat zijn

naam weer origineel, de onleesbare handtekening is met blauwe vulpen

geschreven. Er zitten 2 volledig vol getypte stencils in folioformaat bij

over de activiteiten, de plannen en de financiële problemen van Cineclub.

Voortaan zullen ze geen club meer zijn die films maakt en verhuurt

maar een politieke actiegroep waarbij de film in dienst staat van de politieke

actie. Een kantje is gewijd aan de Maagdenhuisfilm. Het doorslagbriefje

begint als volgt: “Beste T, Tijdens een Maagdenhuisvoorstelling

in Amsterdam heb je je bij ons opgegeven om met Cineclub mee te

72

werken. Donderdagavond om 20.00 uur is er op ons adres een eerste

bijeenkomst. We kunnen dan bespreken wanneer je een keer met de

Maagdenhuisfilm mee naar scholieren, werkende jongeren of andere

groepen kan gaan. Tevens zullen we je op de hoogte brengen van onze

verdere activiteiten… (enzovoort). Bel alstublieft op als je niet kan…

Hij belt op, hij is nog niet zo ver. Voortaan ontvangt hij regelmatig

rondschrijvens van Cineclub.

In Chicago wordt bij een politie-inval in het kantoor van de Black

Panthers hun leider Fred Hampton gedood. Het Congres van de VS

maakt bekend dat na onderzoek is gebleken dat in Zuid-Vietnam het

peloton van luitenant Calley tijdens een search and destroy-actie 102 burgers

van het gehucht My Lai heeft vermoord. Het Nederlands Pastoraal

Concilie spreekt zich uit voor de ontkoppeling van priesterschap en

celibaat. De bisschoppen nemen dit standpunt over. Kardinaal Alfrink

wordt door paus Paulus VI maandenlang aan het lijntje gehouden en

tenslotte niet te woord gestaan. Als tegenwicht tegen de progressieve

standpunten van de Nederlandse bisschoppen zal de paus aan het eind

van het jaar de conservatieve kapelaan Simonis tot bisschop benoemen.

Een storm van protest steekt op. In 1983 zal Simonis aartsbisschop

worden en niet lang daarna ook kardinaal. In 2010 zal hij in opspraak

komen vanwege zijn gezegde Wir haben es nicht gewusst als reactie op

het seksueel misbruik van jongeren door geestelijken. Velen wijten dit

misbruik mede aan het verplichte celibaat.

Eind januari krijgt T bericht dat Cineclub in de tweede week van februari

onder de vlag “Vrijheidsschool” een week houdt waar scholieren

dag en nacht terecht kunnen, hun eigen school organiseren, films kijken

en discussiëren over medezeggenschap, de maatschappij, Vietnam en

Black Panthers. Er is veel te doen en er is veel geld nodig, iedereen

wordt opgeroepen solidair te zijn en mee te werken.

Israël bombardeert een staalfabriek bij Cairo. Er vallen 70 doden.

Ruim een maand geleden heeft Israël 5 kanonneerboten, die door haar

besteld waren maar ondertussen onder een Frans wapenembargo vallen,

in het geheim uit de haven van het Franse Cherbourg ‘ontvoerd’. De

73

Israëlische militaire attaché is daarop het land uitgezet en enkele hooggeplaatste

Fransen zijn ontslagen.

T gaat vrijdagavond naar De Vrijheidsschool in H88, een studentensociëteit.

“Ga maar zitten,” zegt men daar, “er begint zo een film. Hij

gaat over stakingen in Frankrijk, hoe daar scholieren en studenten de

arbeiders ondersteunen.” Er zitten zo’n vijftien mensen naar de film te

kijken. Opeens gaat de deur open, er valt een lichtbundel in het zaaltje.

De stem van een vrouw: “Wat zijn jullie aan het doen? Zitten jullie

met zijn allen hier lekker film te kijken? We hadden toch afgesproken

dat we dat niet meer zouden doen. Film zou ondergeschikt zijn aan de

actie. Het is niet de bedoeling dat de actiegroep ook film kijkt. Hoe

zit het met de spandoeken voor morgen?” De film wordt stilgezet, het

licht gaat aan. Een man van midden twintig komt naar voren. “Eh…

excuses voor de onderbreking. Maar Joke heeft wel gelijk. De nieuwe

lijn van Cineclub is inderdaad dat film niet op zichzelf mag staan maar

acties moet ondersteunen. Misschien is het goed dat de leden van de

actiegroep Vrijheidsschool inderdaad de demonstratie van morgen gaan

voorbereiden. Ze krijgen de film dan een andere keer te zien.” Vier jongeren

verlaten het zaaltje. De film komt weer op gang.

Bij de demonstratie de volgende dag zijn er zo’n 50 jongeren, voornamelijk

scholieren. Er zijn 5 spandoeken gemaakt, de jongeren op

de voorste rij houden met zijn achten het spandoek ALLE MACHT

AAN HET VOLK vast. De demonstratie krijgt cachet doordat er een

politieman te paard voor en een achter de demonstranten gaat. Ze willen

door de Jordaan, want daar woont de arbeidersklasse, denken ze,

maar dat mag niet, ze worden telkens door politiemannen teruggejaagd,

ze blijven daarom aan de rand van de Jordaan op de Prinsengracht, er

is geen hond op straat. Maar de vanuit een laag standpunt genomen

foto’s van de demonstratie leveren later indrukwekkende beelden op. ’s

Avonds is er evaluatie en actiebespreking. Opeens zegt iemand: “Maar

wie moet er morgen met de Maagdenhuisfilm naar Gent?” Een dag

later, een zondag, zit T al voor de middag in de trein naar Gent om de

Maagdenhuisfilm daar voor studenten te gaan vertonen.

74

Op het contactadres treft hij op de eerste verdieping een jongeman en

een jonge vrouw, studenten. “He?” zegt het studentenpaar dat opendoet

nadat hij een aantal keer heeft aangebeld. “He? Wanneer is dit afgesproken?”

Alle studenten zitten bij Mijnwerkersmacht in Hasselt om de

mijnwerkersstaking die al zes weken duurt te ondersteunen. De twee

zien eruit alsof ze, nu iedereen weg is, nog even terug in bed zijn gekropen.

“Aha,” zegt T. Hij hoopt dat ze zo verstandig zijn geweest om de

deur pas open te doen nadat ze allebei waren klaargekomen. Eerlijk gezegd

ziet zij eruit alsof dat wel gelukt is. Maar híj kijkt T toch een beetje

kwaad aan. Hij moet het maar als een training beschouwen, denkt T: ga

voor je DING, wat er ook gebeurt, wie er ook aan de deur staat. Het had

ook de B.O.B., de Veiligheidsdienst, kunnen zijn die hen maandenlang

had opgesloten, hadden ze helemaal geen seks meer kunnen hebben, ze

mochten blij zijn dat het T was. Hij drinkt een kop koffie in een keuken

die in een punt toeloopt naar een balkondeur. Hij belt met Cineclub, stelt

voor ook naar Hasselt te gaan, daar te vertellen van de Vrijheidschool en

solidariteit te betuigen en bij terugkomst verslag te doen van de staking.

De student staat te knikken, die wil hem zo gauw mogelijk weg hebben.

T besluit om de film in een kluis in Gent te laten als hij hoort dat er

geen mogelijkheid is om die in Hasselt te vertonen. Hij komt bovendien

pas om 21.30 uur aan en ze zijn daar druk met de voorbereiding van de

bezetting van de mijnen morgenochtend. In zijn schrijfblocje noteert hij

de vertrek- en aankomsttijden van de trein, ook die van morgen vanuit

Hasselt via Gent weer naar Amsterdam, en het adres in Hasselt: Isabellastraat

  1. Zijn trein vertrekt om 19.34 uur, op het station schrijft hij er

het nummer bij van het kluisje waar hij de film in stopt: nr. 18.

Tegen tienen arriveert hij op het aangegeven adres in Hasselt. Derde

Wereldbeweging staat er op de étalageruit. Zijn bezoek is aangekondigd.

Ze gaan een trap op en wijzen hem waar hij in een keukentje

koffie kan pakken en een boterham smeren. Er zal zo een vergadering

beginnen over de bezetting van de mijnen morgenochtend, ze moeten

voor 5 uur bij de mijnen zijn. Hij zal in het begin van de vergadering

de gelegenheid krijgen zich voor te stellen en zijn komst toe te lichten.

75

De voorzitter is een student met een pokdalig gezicht die een klein model

mijnwerkershouweel als voorzittershamer hanteert. Hij stelt enkele

agendapunten voor, vraagt of er onder de 15 aanwezigen meer voorstellen

zijn, ze moeten wel uitsluitend met de bezetting van morgenochtend

te maken hebben, morgenavond is er een nieuwe vergadering

waarin ook andere zaken aan de orde kunnen komen. Hij onderbreekt

de sprekers, verwijst ze naar het betreffende agendapunt of naar morgen,

waakt voor herhalingen.

De bezetting van de mijnen morgen is een idee van het Permanent

Komitee, een organisatie van mijnwerkers en middenstanders onder

leiding van Gerard Slegers. Het argument is dat de arbeiders betaald

moeten worden als ze in de mijnen zijn, het zou een oplossing zijn

voor de uithongering die nu plaatsvindt omdat er geen lonen en ook

geen stakingsuitkeringen worden betaald omdat de syndikaten de staking

niet steunen. Mijnwerkersmacht, onze organisatie van mijnwerkers

en studenten en scholieren, steunt de bezetting maar staat er kritisch

tegenover. Op de eerste plaats het argument van de bezetting. Er zijn

mensen die zeggen dat de mijnwerkers niet betaald worden als ze in de

mijn zijn maar alleen als ze werken. Of is dat veranderd na de mijnramp

van Marcinelle in 1956 toen er 262 dode mijnwerkers in de mijn

lagen en de nabestaanden geen uitkering kregen omdat de mijnwerkers

wel in de mijn waren maar niet werkten? Er werd pas uitbetaald toen,

soms na maanden, de lijken naar boven waren gehaald. Dat lijkt een

regel die gericht is tegen ondergrondse stakingen en bezettingen. Is dat

inderdaad ondertussen veranderd? Een probleem van een bezetting is

dat, als stakers in de mijn zijn en werkwilligen proberen over te halen

de productie lam te leggen, de moeilijkheden die daarmee gepaard gaan

of opgeroepen worden en de ravage die eventueel ontstaat, door provocateurs

gebruikt kunnen worden om de rijkswacht te hulp te roepen.

De mijnwerkers zitten dan als ratten in de val. Daar staat tegenover

dat de rijkswacht er nu ook al is. Tenslotte is er de organisatie van de

bezetting. Slegers van het Permanent Komitee heeft de bezetting niet

serieus voorbereid, hoewel hij zegt dat alles is geregeld. Bovendien heeft

hij het plan van de bezetting meteen in de gazet laten zetten, zodat de

76

tegenpartij is voorbereid. Het is zeker dat Slegers een eigen organisatie

gaat opbouwen, gebaseerd op naamsbekendheid, op roem. Wij moeten

zeer concreet aangeven waarom hij in feite niets doet. Wij moeten ons

voorbereiden op de strijd op langere termijn, op die van na de staking

en na de bezetting. Wij moeten het bilan (dat woord wordt vaak gebuikt,

T moet straks vragen wat het precies betekent) opmaken van de

strijd tot nu toe. Wij moeten feiten verzamelen over het syndikaat, over

het Permanent Komitee, de Rijkswacht, de solidariteit. Wij moeten ons

voorbereiden en richten op de politisering van de strijd. Dit kan echter

alleen langs zeer concrete dingen. Ik stel voor dat we vanaf morgen tien

nieuwe mensen, uit jeugdgroepen, scholieren en studenten, bij elke mijn

zetten. Behalve voor solidariteit en ter aanmoediging van de bezetting

zullen ze daar zijn om een enquete te doen naar loon, geneeskundige

verzorging, werkvoorwaarden en werkverhoudingen. Iedere mijn belt

morgenvroeg voor 9 uur naar Waterschei, Waterschei belt naar Hasselt.

T krijgt na de vergadering van Ludo Martens, want die blijkt de

voorzitter te zijn, twee tijdschriften: BEWEGING, 1e jaargang, nr. 8/9

en LA CAUSE DU PEUPLE, 3e jaargang nr. 16 van 6 februari 1970.

Het laatste blad draagt een kop van Mao. T herinnert zich dat het verboden

werd in Frankrijk en dat je toen foto’s in de krant zag waarop

Sartre met het blad colporteerde.

Van eén uur tot half vier ’s nachts ligt T onder zijn jas op een van de

bureau’s die in een kamer naast de vergaderkamer bij elkaar zijn gezet.

Hij is niet alleen in huis maar de meesten hebben toch blijkbaar een

slaapplaats elders gevonden. Hij is nog onder de indruk van de gedisciplineerde

vergadering. In gedachten bereidt hij het verslag voor dat hij

mondeling en schriftelijk zal brengen aan de Vrijheidsschool. Om half

vijf ’s morgens rijden ze in een busje naar de mijn van Waterschei.

Maandag 16 februari 1970 om half zes rijdt te Waterschei een bus van

de Rijkswacht in op een groep van vijf a zes mensen die opzij van de

openbare weg staan te praten. Uit de bus springen vijf mannen in gevechtsuniform

die hen insluiten en schreeuwen: “Passen!” Honderd meter

van hen vandaan, aan de poort van de mijn, staan andere jongelui

77

met een spandoek, er worden pamfletten uitgedeeld. De jongelui aan de

openbare weg moeten in de overvalwagen stappen. Enkele honderden

meters verder moeten ze overstappen in een kleiner busje. Er worden

bij hen twee plastic tassen, een met een spandoek en een met verf, in

beslag genomen. Ook de jongelui aan de poort worden opgepakt en

naar het bureau van de B.O.B. in Genk gebracht. De bezetting van de

mijnen van Waterschei en Winterslag is gelukt. Behalve dat de Rijkswacht

iedereen die zich binnen 150 meter van de mijnpoorten bevindt

arresteert, probeert zij ook de bevoorrading van de “ondergronders” te

verhinderen. Het Rode Kruis weigert zich met de bevoorrading bezig

te houden zolang er geen noodtoestand is en zal pas na drie dagen in

actie komen.

Zo formuleert T het voor het Informatiebulletin van de Vrijheidsschool.

Maar als hij erover vertelt gaat het als volgt: “We waren met ons

busje tot aan de poort van de mijn gereden en hadden daar vier mensen

achtergelaten, twee met het spandoek en twee voor het uitdelen van de

pamfletten. De chauffeur had ons aan de openbare weg afgezet en was

veiligheidshalve met het busje weggereden. We waren dus al weer meer

dan honderd meter van de mijn verwijderd toen een overvalwagen op

ons inreed, de mannen eruit sprongen en ons insloten. Ze schreeuwden

om de passen. Ik had alleen mijn identiteitskaart van de Nederlandse

Spoorwegen op zak. ‘Verdoeme, ne Hollander,’ zei een rijkswachter, ‘wa

komde hier doen, goddoeme, is er bij jullie al nie rotzooi genoeg?’ ‘Zijde

gij de Jezus?,’ zei een andere rijkswachter, doelend op mijn lange haar

en baard. Ik werd verantwoordelijk gesteld voor het spandoek en de verf

die ze in beslag namen. Ook in het busje waarin we over moesten stappen

zei een rijkswachter: ‘Waarom blijfde nie ginder, goedverdoeme!’

Hij bekeek mijn foto. ‘Waarom hebt ge gene baard hier?’ ‘Omdat het erg

lang geleden is dat die foto is gemaakt,’ zei ik.” Het nabootsen van het

dialect van de rijkswachters is een succes in Amsterdam. Hij hoort dat

Ard Schenk wereldkampioen schaatsen is geworden.

In het arrestantenlokaal zijn ze met tientallen, met veel meer dan ze bij

de mijn in Waterschei waren. De Rijkswacht heeft waarschijnlijk bij

78

alle mijnen iedereen die voor de poort stond opgepakt. Een man gaat

vanachter een bureau hen aan zitten kijken. Het zal wel als intimidatie

bedoeld zijn. Ze negeren hem, sluiten hun ogen en doen een dutje.

“Gaat het wel goed met u?” vraagt iemand aan de man. Ze hebben geen

enkele moeite om in slaap te vallen, ze hebben maar weinig slaap gehad

en T dan nog op een bureau.

MIJNWERKERS doen gevaarlijk, zeer ongezond en slecht betaald

werk, hoewel ze vroeger de best betaalde arbeiders waren. Ze hebben net

als de scholieren niets over hun eigen toestand te vertellen. Ze nemen

het niet langer en komen eerst hier en daar in opstand door middel van

een “wilde staking”, die in het begin door de machtige, met de mijneigenaars,

de staalconcerns, samenwerkende vakbonden wordt ingedamd

met het argument dat de Collectieve Arbeidsovereenkomst pas later

verloopt. Eis dat de situatie in België op je school behandeld wordt. Jij

geeft de feiten die je weet. Duizenden scholieren in België hebben dit

ook gedaan. Ze hebben over de toestand gediscussieerd, waarbij ze de

leraren met hun kennis van de feiten verbluften en zeiden dat de mijnwerkers

door directe actie hun belangen moesten behartigen, los van de

met de machtige concerns verbonden vakbonden. Lees voor je eerste

informatie en als handleiding voor discussie Het Informatiebulletin van

de Vrijheidsschool. Maar lees vooral ook het uitgebreide bulletin van de

mijnwerkers/scholieren/studenten zelf: MIJNWERKERSMACHT/

ARBEIDERSMACHT. De Vrijheidsschool heeft het voor je.

Het wordt langzaam licht. Blijkbaar moet de tijd naar de normale

kantoortijd overbrugd worden. Rond half negen komen er wat meer

mensen binnen, ze werpen een blik in het lokaal. “Zo, dat is goed druk

hier. D’r zijn er een paar vroeg op pad geweest.” “Maar die van ons waren

ze toch te vroeg af,” zegt een andere politiebeambte in burger. Er

is herkenningscontact tussen de mannen van de B.O.B. en een vinnige

studente met rood haar. Ze noemen haar “het rooi Jeanne d’Arcske”.

“Zijde gij daar ook weer?“ “Ge krijgt ons nie klein,” zegt ze. Ze draagt

een rok met een panty eronder. Ze zeggen lachend tegen haar: “En niet

weer vanalles in uw broekkousen verstoppen he, want we kennen u en

we vinden het.” Als de agenten weg zijn – toen de “dagploeg” opkwam

79

is de man die hen zat aan te kijken het lokaal uit gegaan – haalt het

rooi Jeanne d’Arcske enkele papiertjes te voorschijn en begint erop te

kauwen. Dan ziet T haar slikken, hij slikt onwillekeurig mee. Hijzelf

scheurt de velletjes met aantekeningen van de reis via Gent naar Hasselt

en van de vergadering van de vorige avond uit zijn schrijfblokje en

verbergt ze ergens anders in zijn kleding.

Het verhoor wordt afgenomen in een gewoon kantoorlokaal. Hij moet

op het bureau zijn zakken en zijn tasje leegmaken. Terwijl de man die

zich heeft voorgesteld als luitenant Goossens – een bekende naam, kan

T niet nalaten te zeggen, Paul Goossens is dan al een bekend studentenleider

– door zijn spullen gaat, kijkt T om zich heen. Aan de andere

bureau’s zitten mannen gewoon te werken, hij lijkt een van de weinigen

te zijn die wordt verhoord. “Ah, dit zijn uw spreekbeurten,” zegt luitenant

Goossens terwijl hij door T’s notitieblokje kijkt. De tijdschriften

die hij de vorige avond van Ludo Martens heeft gekregen worden beide

in beslag genomen. T maakt er een aantekening van in het notitieblokje

dat hij terug heeft gekregen. Vreemd dat ze dat niet in beslag nemen.

Hoe hij aan de tijdschriften komt? Bij de Derde Wereldbeweging was

een literatuurtafel, daar heeft hij ze gekocht. Het adres van de Derde

Wereldbeweging is een bekend adres, het staat op veel publicaties, heeft

hij gezien. Het verhoor wordt onderbroken, hij moet een foto laten maken.

Hij vraagt of hij kan weigeren. Ze – de meneer die hen heeft aan

zitten kijken is er nu ook bij – zeggen dat dit in België niet kan. T zegt:

“Ik onthoud dus dat ik heb gevraagd of ik kon weigeren en dat u nee

hebt gezegd.” “Ja, okay, “ zeggen ze. “Kan ik met de Nederlandse ambassade

telefoneren?” vraagt T. “Dat is niet nodig,” zeggen ze. Er wordt

een foto gemaakt terwijl hij onder een meetlat staat, met zijn naam en

geboortedatum aan zijn voeten. De geboortedatum is fout, ziet hij. Hij

zegt dat hij vriendelijk zal lachen. “Je kunt lachen of schreeuwen, het is

net wat je wilt,” zegt verhoorder Goossens. T lacht vriendelijk, hij weet

dat schreeuwen in dit geval huilen betekent. Hij bedankt de fotograaf

lachend voor de moeite. Die lacht terug. “Ge zijt wel demonstratief,”

zegt de heer Goossens. “Ik wil het de mensen persoonlijk niet moeilijk

80

maken, ’t is de organisatie waar ik de pest aan heb,” zegt T.

In het begin van het verhoor is de sfeer gemoedelijk. Hij krijgt koffie.

“Hé, den deze woont in de rosse buurt in Amsterdam, hij nodigt ons

uit, is dat niks voor jou?” T heeft inderdaad gezegd: “Kom maar een eens

pintje pakken als u in de buurt bent.”

T vertelt van de Vrijheidsschool, hij vertelt niet van de Maagdenhuisfilm,

hij zou studenten in Gent (hij heeft immers een retourtje

Gent-Amsterdam in zijn portemonnee) gaan vertellen van de Vrijheidschool.

Die waren naar Hasselt. Hij ook naar Hasselt, nu met het idee

de Vrijheidsschool te gaan vertellen wat scholieren en studenten deden

voor de mijnwerkers. “Een hoop rotzooi maken,” zegt de luitenant. “Als

die opruiers er niet waren, waren ze hier allang weer aan het werk. Ze

moesten wel, want ze hadden niet te eten. Maar nou met die ophalingen…

en wat schieten ze ermee op? ’t Is alleen rekken, behoorlijk eten

met zijn allen thuis kunnen ze er niet van. Ze kunnen dit toch nooit

winnen, jongen, en ondertussen lijden ze honger, en die studenten hebben

altijd wel iets achter de hand, dat zijn geen kinderen van mijnwerkers,

die kunnen bij hunne papa en mama gaan eten. Vertel mij niks,

mijn eigen vader werkte in de mijn, iedereen die ik ken werkt in de

mijn of heeft ermee te maken. En nu zijn een aantal lui zoals jullie die

ergens anders vandaan komen, en gij dan nog uit Holland verdoeme,

wa komde hier doen, man!, die de hele toestand hier nie kennen, de

boel een bietje aan het opruien. Ge maakt alles alleen maar meer kapot,

besefte da wel?”

“Kan ik met de ambassade bellen?” vraagt T opnieuw. Goossens gaat

even weg. “We gaan u een poosje vastzetten,” zegt hij als hij terugkomt.

“Wat is de aanklacht?” vraagt T. “Kan ik de ambassade bellen?” Er komt

een rijkswachter in uniform bij. “We geven hem zijn spullen voorlopig

terug en sluiten hem op in het kot buiten,” zegt Goossens. “Dat ventje

werkt op mijn zenuwen.”

Vlak voor de luitenant de deur van de cel achter T sluit zegt deze:

“Als ik u niet meer zie moet ge toch dat pintje eens komen pakken in

Amsterdam.” “Jaja,” zegt de luitenant, T ziet aan zijn gezicht dat het

hem niet meer lekker zit.

81

De cel waarin hij vanaf een uur of tien, deze dag is vroeg begonnen,

wordt opgesloten is buiten en heeft een tralievenster zonder glas. Het

is er koud. Buiten ligt wat sneeuw, het is rond het vriespunt. Op een

betonnen brits ligt een grijze deken zoals ze op zijn werk gebruiken bij

het laden van de vrachtwagens, om wasmachines, kachels, koelkasten te

kunnen schuiven. Hij hangt vol zand. In zijn plastic tasje zit nog steeds

zijn schrijfblokje en zijn pen. De blaadjes die hij eruit heeft gescheurd,

over de bijeenkomst van de vorige avond, het nummer van de kluis in

Gent, zijn reis, zitten nog ergens in zijn kleren verstopt. Hij laat ze daar

nog even zitten, je weet maar nooit. Hij is ze te slim af geweest, denkt

hij voldaan. Als hij, zittend op de brits met de vuile deken om zich heen

geslagen, noteert: “Verslag Genk, cel” heeft hij het idee dat de revolutie

nu echt is begonnen. Rustig en vastberaden zal hij zijn ervaringen vastleggen

en als die hier niet konden dienen om de mijnwerkers vooruit te

helpen, zouden ze dienen voor de strijd van de scholieren in Amsterdam.

De revolutie is internationaal en ongrijpbaar en zelf voelt T zich

op dit moment nagenoeg onaantastbaar. Dit denkt hij tussendoor terwijl

hij de ervaringen van die dag neerkriebelt in een voor anderen onleesbaar

handschrift. Ook dat heeft zijn functie. Zijn benen zijn na een

uur zo door en door koud dat hem niets anders overblijft dan met kleren

en schoenen aan en met opgetrokken knieën op zijn zij onder de vuile

deken te gaan liggen en zo de verdere gebeurtenissen af te wachten.

De vakbonden noemen de staking een WILDE STAKING: een

staking niet gesteund en georganiseerd door de vakbonden, die dan ook

de arbeiders niet betalen uit de met geld van de arbeiders gespekte stakingskas.

De arbeiders zijn dus zonder inkomsten. Toch zullen we zien

dat het de wilde staking is, de enige die door de arbeiders zelf is georganiseerd,

die de werkelijke belangen van de arbeiders dient.

De STAALCONCERNS zijn de eigenaars van de kolenmijnen en

de meest directe vijand waartegen de mijnwerkers strijden. De kolen

uit de mijn worden bijna uitsluitend gebruikt door dit staalconcern zelf,

de Société Générale. Deze bepaalt zelf de prijs die zij voor de kolen wil

betalen. Ze betaalt dan ook voor de kolen uit de Belgische mijnen vijftien

gulden per ton minder dan voor die uit bijvoorbeeld Amerika. Het

82

concern gebruikt nu als argument om de lonen laag te houden dat de

opbrengst van de kolen laag is, wat zij nota bene zelf in de hand heeft.

De regering subsidieert de mijnen, zogenaamd om de werkgelegenheid

in stand te houden, maar in werkelijkheid subsidieert zij het reeds ontzaglijke

winsten makende staalconcern. Dit weet de regering natuurlijk

drommels goed maar zij laat na eenvoudig het staalconcern te dwingen

een redelijke prijs voor de kolen te betalen. Zij steunt uit belastinggelden,

die verhoudingsgewijs weer het zwaarst drukken op de slechtst betaalden

( op o.a. de mijnwerkers dus), de al schatrijke Société Générale.

T moet in slaap zijn gevallen. Het is donker wanneer een rijkswachter

zijn cel opent. “Meekomen.” In het zo goed als lege kantoor moet hij

wachten. Hij hoort roepen: “Als ge wilt dat wij u thuis afzetten moet ge

nu komen.” Hij gaat met drie rijkswachters in een bus, een chauffeur,

een om hem te bewaken en een die blijkbaar een lift krijgt. “Moet-ie

in de boeien?” Ze kijken even naar hem. “Nee, laat maar, die loopt niet

weg, wel even opletten bij Louis zijn huis.” Nu ze de bebouwde kom

uit zijn blijkt het minder donker. Ze rijden door een landschap met

kale omgeploegde landbouwgronden, met soms wat struiken en kleine

bomen er omheen, op de achtergrond een bos, hoe diep is niet te zien,

soms is er een klein en ondiep bosje aan de kant van de weg. T vraagt

waar ze naartoe gaan, hij babbelt zelfs een beetje, vind hij van zichzelf,

komt zeker omdat hij meer dan acht uur zijn mond niet heeft open

gedaan, maar de rijkswachters negeren hem. Voor ze vertrokken had de

man die hem kwam halen zijn legitimatiebewijs van de Nederlandse

Spoorwegen bij zich, had erop gekeken en gezegd: “Meneer T, u wordt

het land uitgewezen en over de grens gezet” en had hem zijn legitimatiebewijs

teruggegeven. “Maar ik heb een retour Amsterdam via Gent!”

had T gezegd.

Hij had gemerkt dat hij vanaf het moment dat hij was gearresteerd

en met rust werd gelaten, toen hij alleen was, maar ook al toen hij nog

met anderen was, toen de B.O.B.-er hen zat aan te kijken, dat hij dus

van het eerste moment dat hij rust had al was begonnen te noteren, eerst

nog alleen in gedachten omdat hij zijn notitieboekje niet wilde blootge83

ven, later in de cel op schrift toen hij zijn schrijfblokje weer terug had,

al was het wel in een, zo dacht hij, alleen voor hem leesbaar handschrift.

Eerst had hij genoteerd wat hij meemaakte, zag en hoorde, want dat kon

anders verloren gaan, vergeten worden, en vervolgens was hij begonnen

te formuleren wat hij de scholieren zou vertellen, mondeling of in het

Informatiebulletin.

Het is duidelijk aan welke kant de regering staat en dit verklaart

ook waarom de Rijkswacht, de Belgische Staatspolitie, zo onbarmhartig

hard op de stakers insloeg. Dat de politie niet aan de kant van scholieren

en arbeiders staat merkten de scholieren in Amsterdam toen ze tijdens

de demonstratie van de Vrijheidsschool de van oudsher met alle onderdrukten

sympathiserende arbeidersbuurt de Jordaan in wilden trekken.

Ze werden herhaalde malen door de politie, die een minstens even grote

“schaduwdemonstratie” had opgezet, teruggedreven.

DE VAKBONDEN waren vroeger degenen die de belangen van de

werknemers behartigden. Dat zijn ze allang niet meer. Samen met de

werkgevers vormen zij het orgaan dat in de collectieve arbeidsovereenkomsten

de arbeiders onder controle houdt. De ingewilligde eisen zijn

doorgaans even hoog als de gestegen kosten voor levensonderhoud.

De rijkswachters rijden een nogal nat pad in, het dooit blijkbaar iets,

en zetten een paar honderd meter verder hun collega af bij een klein

boerderijtje in een kaal landschap. Een blaffende hond springt heen en

weer in een getralied hok. Een kwartier later zetten ze T af bij de grenspost,

een rijkswachter gaat het douanekantoortje binnen, de beambte

buigt zich heel even om de rijkswachter heen om naar T. te kijken die

in de sneeuw staat die hier blijkbaar is blijven liggen. Als het busje weg

is loopt T het douanekantoortje binnen en vraagt waar hij is. De man

is niet vriendelijk. Hij wijst waar de bus naar Maastricht gaat. Behalve

het douanekantoortje en de bushalte onder een lantaarnpaal is er in de

omgeving geen bebouwing te zien. Het duurt bijna een uur voor de bus

komt. In het station van Maastricht belt T Cineclub. Om half een ’s

nachts is hij weer in Amsterdam. Zoals afgesproken komt de volgende

ochtend op zijn werk iemand van Cineclub het sleuteltje van de kluis

in Gent ophalen. Ze waren het er over eens dat het te riskant was dat

84

T zelf de Maagdenhuisfilm in Gent zou halen, hij was immers het land

uitgezet en geregistreerd.

T belt dinsdag in zijn middagpauze met Hasselt over de situatie. De

bezetting van de mijnen van Waterschei en Winterslag was dus gelukt.

Er bleef een kans dat de mijnwerkers door gebrek aan voedsel en dekens

naar boven zouden moeten komen. Vanochtend zou men opnieuw

proberen de mijnen van Zolder, Beringen en Houthalen te bezetten. In

Zolder is het Permanent Komitee actief. Mijnwerkers hebben middels

een sit-in de ingangen geblokkeerd. De voorzitter van het Permanent

Komitee is enige uren vastgehouden wegens het gebruik van een verboden

geluidswagen.

Aan het begin van de avond belt belt T opnieuw. De bezetting van

Winterslag is opgeheven. In Winterslag en Zolder zijn opnieuw stakingen

uitgebroken gericht tegen het ontslag van vier mijnwerkers van

Zolder die behoorden tot organisaties die de staking hebben geleid. Na

12 uur staking worden de ontslagenen weer aangenomen, de mijnwerkers

gaan weer aan het werk. Ze voelen hun macht.

Financiële ondersteuning: Stortingen: Kredietbank Hasselt,

5500/13/34552 t.n.v. Kris Hertogen. De Rode Jeugd houdt een inzameling

met steunlijsten. Vanavond is er een vergadering, T is uitgenodigd.

Waarschijnlijk heeft T zijn avonturen kunnen vertellen op de bijeenkomst

van de Rode Jeugd. Wij weten niet of de teksten die hij, dwars

door alles heen, een klein beetje op schrift maar vooral in zijn hoofd had

voorbereid, ooit in het Informatiebulletin van de Vrijheidsschool zijn

verschenen.

Einde deel 1

In deel 3 Kitty, Monoloog van een zwerfster, vertelt deze over haar leven in 2003 maar blikt ook telkens terug naar 1970, onder andere over een Black Pantherdemonstratie voor het Amerikaanse consulaat samen met haar toenmalige vriend T.

Mijn liefde is scharlakenrood

 

SPONSOR BOEKEN VOOR VLUCHTELINGEN

Wilt u de aanschaf van boeken voor vluchtelingen sponsoren, wilt u een bepaald boek of bepaalde boeken  sponsoren,
maak dan het door u gekozen bedrag  over op het speciaal hiervoor gereserveerde banknr. NL53INGB0005419523 van Hr A M J Meurs te Amsterdam ovv het betreffende boek.

Welke boeken zoeken wij nu, eind juli 2016?

Op 18 juli aangeboden

Op 28 juni aangeboden

Op 14 juni, aangeboden

Een klassieker als Gullivers Reizen, Max Havelaar, andere klassiekers en bekende boeken zijn altijd welkom. In het Ned, Eng., Frans, Arabisch, Somalisch, Swahili en andere Noord- en Midden-Afrikaanse talen. Het idee is om literatuur dubbel aan te bieden: in het Ned. én in een van de genoemde talen. Heeft u zo’n boek in een van de talen, dan vindt u het misschien leuk om er een andere taal bij te zoeken en ze ons samen aan te bieden. En anders doen wij het. Stuurt u maar een bericht.

 

Zowel boeken als geschonken bedragen worden op Facebook vermeld, met indien gewenst, uw naam, initialen of anoniem, en met de boeken die ervoor zijn gekocht.
Heel hartelijk dank namens de vluchtelingen van Wij Zijn Hier.
Zoek aub naar (taal)boekjes voor @wijzijnhierNL in bv de kringloopwinkel, de tweedehands boekwinkel, rommelmarkt en op internet. Taalboekjes met zinnen, zoals de series Wat en Hoe en …. Op Reis. Maar twee-talige kinderboeken en kinderprentenwoordenboeken in het NL of de gevraagde talen worden ook zeer op prijs gesteld.
EEN GIFT in de vorm van een boek doe je al voor een paar euro of minder. Een POCKETTAALBOEKJE voor vluchtelingen. Kijk  aub ook uit naar TAALboekjes (alleen pockets inderdaad), zoals WAT en HOE in het ARABISCH, – in het SWAHILI, – AMHAARS of OROMO. Deze talen of bijvoorbeeld TIGRINYA op REIS, ook zo’n leuke serie. Of pocketwoordenboeken van deze talen met NEDERLANDS, FRANS OF ENGELS. Zie de landen en de talen hieronder in de bijlage. Ook ENG-NL, FRANS-NL zijn welkom. Als je een leuk en goedkoop boekje vindt in het NL, Eng of Frans (of in een van de Afrikaanse talen maar daar is de kans klein op) met een verhaal dat speelt in een van de genoemde landen, dan is dat ook zeer welkom. Sprookjesboeken vertaald uit het ARABISCH of SWAHILI zijn er ongetwijfeld.
MaxHavelaarEng

BIJLAGE: Hier volgen van de vluchtelingen van Wij Zijn Hier de voornaamste landen van herkomst en de hoofdtalen:
Ethiopïe (inclusief Eritrea): Amhaars; Eritrea: Tigrinya : beide in Ethiopisch of Ge’ez schrift, Ethiopïe ook (Afaan) Oromo : Latijns (‘ons’) schrift. Alternatief: Engels/Nederlands;
Soedan: Arabisch;
Libïe: Arabisch;
Somalïe: Somalisch (Latijns schrift) en Arabisch.
Alternatief voor alle : Engels/ Nederlands;
Mogelijk alternatief voor Ethiopïe, Eritrea, Libië, Somalïe: Italiaans/ Nederlands;
Kenia: Engels, Swahili;
Oeganda: Engels, Swahili, Luganda;
Jemen: Arabisch;
Ghana: Engels;
Burundi: Kirundi, Frans, Swahili, Engels.

Welke boeken leverden wij af op 31 mei 2016?

En eerder?

Wilt u Wij Zijn Hier in het algemeen steunen, dat kan, en uw hulp (voor onderdak, voedsel, medicijnen, kleding, verwarming, advocatuur, reizen naar ambassades en consulaten; zij krijgen niets van staat of stad)  is heel erg hard nodig.
Stichting Vrouwen Tegen Uitzetting o.v.v. We Are Here NL57 INGB 0006 4956 66. BIC/SWIFT: INGBNL2A
De stichting is een ANBI met RSIN 81489021 en maakt dus voor donateurs belastingaftrek mogelijk.
Een periodieke overschrijving van bijvoorbeeld €5 per maand komt als GIFT direct voor belastingaftrek in aanmerking. Hartelijk dank. Het gaat om medemensen die niets hebben als ze het niet van mensen als u krijgen.