TOEN WE ONVERWACHT VEEL GASTEN KREGEN (met voordracht op video)

Voordracht bij Fenix (in het NL en Engels)

Voordracht bij Schimmelpennink  (Engels ondertiteld)

Toen we onverwacht veel gasten kregen

Was het eerste dat we in een asiel stopten

Onze gastvrijheid

Die daar nu zielig wacht

Tot iemand haar weer op komt halen

Iemand die nog wel medelijden kent of mededogen

In ieder geval iets met mede-

Een medemens

De gastvrijheid hoopt nu op een vluchteling

 

WHEN WE GOT UNEXPECTEDLY MANY GUESTS

When we got unexpectedly many guests

The first thing we put in asylum

Was our hospitality

Which now is waiting there pitifuly

Till someone will come and pick her up

Someone who HAS compassion or commiseration

Anyway something with com-

A common human

The hospitality is now hoping for a refugee

 

Meurs A.M.

Mag ik aandacht voor mijn facebookpagina?

Facebookpagina

Facebookpagina met o.a. Veel over vluchtelingen van @WijZijnHier, Herinnering aan aandacht voor mijn Boon boek 3 jaar geleden, Door antiquariaat Fenix geschonken, Boeken afgeleverd aan @WijZijnHier, Maagdenhuis 1 jaar geleden, Doe een KONINKLIJKE gift van een paar euro voor een Taalboekje voor vluchtelingen, Geef ons nieuwe vormen van democratie (herhaling oproep van 1j geleden), en indrukwekkende film over vluchtelingen van WijZijnHier, 400j Shakespeare, (weer) veel over Vluchtelingen, over hoe een anti-jeugdloonpamflet uit 1970 werd verwerkt in een roman, weer even over Mon Seigneur Muskus, met 75j Herdenking Februaristaking 1941, (weer) acties voor vluchtelingen, het ongelijk van Aboutaleb, 10 jaar ijdelheid Wilders, Fortuyn en Wilders in de hemel;

met radiointerview over Louis Paul Boon en Eten op zijn Vlaams, over de armoede in de wereld, (weer) de vluchtelingen, de Griekse crisis, onze muzikale buurvrienden, Sal Santen, Gust van Brussel, enzovoort;

Doe een KONINKLIJKE GIFT: (TAAL)BOEKJE VOOR VLUCHTELINGEN

KoerdischNL3

Een van de leuke (kinder)boeken die we binnenkregen. Koerdisch wordt gesproken in Syrië, Irak, Iran, Armenië, Turkije. Zoek aub verder naar (taal)boekjes voor @wijzijnhierNL in bv de kringloopwinkel. Taalboekjes met zinnen, zoals de series Wat en Hoe en …. Op Reis. Maar twee-talige kinderboeken worden ook zeer op prijs gesteld. Zie wat we vroegen aan boeken en talen en wat u nog meer kunt doen voor Wij Zijn Hier https://www.facebook.com/photo.php?fbid=1180050982013898&set=a.230560480296291.66171.100000270233400&type=3&theater

EEN KONINKLIJKE GIFT doe je al voor een paar euro of minder. In de vorm van een POCKETTAALBOEKJE voor vluchtelingen. Als je over de vrijmarkt gaat, kijk dan aub ook uit naar TAALboekjes (alleen pockets inderdaad), zoals WAT en HOE in het ARABISCH, – in het SWAHILI, – AMHAARS of OROMO. Deze talen of bijvoorbeeld TIGRINYA op REIS, ook zo’n leuke serie. Of pocketwoordenboeken van deze talen met NEDERLANDS, FRANS OF ENGELS. Zie de landen en de talen hieronder in de bijlage. Ook ENG-NL, FRANS-NL zijn welkom. Als je een leuk en goedkoop boekje vindt in het NL, Eng of Frans (of in een van de Afrikaanse talen maar daar is de kans klein op) met een verhaal dat speelt in een van de genoemde landen, dan is dat ook zeer welkom. Sprookjesboeken vertaald uit het ARABISCH of SWAHILI zijn er ongetwijfeld. WELKOM!
Alles is bestemd voor de door staat en stad meest verwaarloosde vluchtelingen van http://wijzijnhier.org/ . Deze mensen krijgen van de overheid werkelijk helemaal niets! Geen bed/bad/brood, NIETS!
Wil je ze ook nog op andere wijze helpen, kijk dan naar de crowdfunding campagne voor het We are here Media platform. https://onepercentclub.com/…/projects/refugee-media-platform Een fantastisch initiatief! Vluchtelingen vertellen eindelijk zelf hun verhaal. Ook een heel eenvoudige manier om bij te dragen is via je mobiel: Doneer via SMS met de woorden ‘Go Support’ naar 7733 en het Refugee Media Platform ontvangt 2 euro.
Nog een tip:
Koop een We Are Here- KOOKSCHORT! Steun de crowdfundingsactie en bestel een schort. Stuur je bestelling
naar: info@heretosupport.nl. We vragen €8,50 per schort (inclusief verzendkosten).
Waarom een kookschort? De meeste vluchtelingen houden ontzettend van koken en zouden het liefst hun gerechten aan iedereen laten proeven. Maar zodra zij voor iemand koken wordt dat gezien als werk, en dit kan hoge boetes veroorzaken. Omdat het recht op demonstratie verankerd ligt in onze grondwet hebben wij deze schorten voor We Are Here ontworpen. Vind jij ook dat iedereen het recht zou moeten hebben om te werken?
Koop een schort en demonstreer mee!

Zeg het voort! Rondsnuffelen met een (goed) DOEL op Koningsdag! Allemaal hartelijk dank!

BIJLAGE:
Hier volgen van de vluchtelingen van Wij Zijn Hier de voornaamste landen van herkomst en de hoofdtalen:
Ethiopïe: Amhaars; Eritrea: Tigrinya : beide in Ethiopisch of Ge’ez schrift,
Ethiopïe ook (Afaan) Oromo : Latijns (‘ons’) schrift
Alternatief: Engels/Nederlands
Soedan: Arabisch
Libïe: Arabisch
Somalïe: Somalisch (Latijns schrift) en Arabisch
Alternatief voor alle : Engels/ Nederlands
Mogelijk alternatief voor Ethiopïe, Eritrea, Libië, Somalïe: Italiaans/ Nederlands
Kenia: Engels, Swahili
Oeganda: Engels, Swahili, Luganda
Jemen: Arabisch
Ghana: Engels
Burundi: Kirundi, Frans, Swahili, Engels

taalboekjes

Mag ik? Attentie voor mijn Facebook-pagina

Facebookpagina

Facebookpagina met o.a. Veel over vluchtelingen van @WijZijnHier, Herinnering aan aandacht voor mijn Boon boek 3 jaar geleden, Door antiquariaat Fenix geschonken, Boeken afgeleverd aan @WijZijnHier, Maagdenhuis 1 jaar geleden, Doe een KONINKLIJKE gift van een paar euro voor een Taalboekje voor vluchtelingen, Geef ons nieuwe vormen van democratie (herhaling oproep van 1j geleden), en indrukwekkende film over vluchtelingen van WijZijnHier, 400j Shakespeare, (weer) veel over Vluchtelingen, over hoe een anti-jeugdloonpamflet uit 1970 werd verwerkt in een roman, weer even over Mon Seigneur Muskus, met 75j Herdenking Februaristaking 1941, (weer) acties voor vluchtelingen, het ongelijk van Aboutaleb, 10 jaar ijdelheid Wilders, Fortuyn en Wilders in de hemel;

met radiointerview over Louis Paul Boon en Eten op zijn Vlaams, over de armoede in de wereld, (weer) de vluchtelingen, de Griekse crisis, onze muzikale buurvrienden, Sal Santen, Gust van Brussel, enzovoort;

Kitty aan het woord (uit: Mijn liefde is scharlakenrood)

Op verzoek hier de volledige passage, ook de aanloop, waarna Kitty onder andere vertelt hoe T zijn eerste pamflet schrijft. We gaan niet alleen terug naar 1970, we lezen nu ook over haar leven als dakloze in 2003.
Als eerbetoon aan haar lotgenoot Hanna is het daarop volgende fragment ook toegevoegd.
(uit: Mijn liefde is scharlakenrood)

 

1970
T was even mijn held. We waren in een demonstratie voor de Black
Panthers. We stonden voor het Amerikaanse consulaat dat afgezet was
door de mobiele eenheid. Wij stonden tegenover de smerissen op straat,
zij op de rand van het trottoir, wij dus iets lager, dat was hun truc. We
probeerden de discussie aan te gaan. Zij probeerden ons achteruit te
dringen, we moesten opeens naar de overkant van de straat van ze, ze
prikten daarbij met de punt van hun lange wapenstokken op onze borst
en op onze keel. Jonge agenten wilden zelfs al meteen gaan slaan maar
werden eerst nog door ouderen tegengehouden. Even later sloegen ze er
met zijn allen op los. Er vond een charge plaats, we moesten hollen. T
was al tientallen meters verder maar ik bleef staan en keek om naar het
consulaat, nee ik veranderde niet in een zoutpilaar maar werd wel opeens
door vier agenten in gewoon uniform die achter een noodgebouwtje
vandaan kwamen op mijn hoofd, schouders, nek, in mijn gezicht en
op mijn benen geslagen. Ik moest daar laatst nog aan denken toen een
min of meer lotgenote van mij, Anja Joos, een tenger ziek vrouwtje,
door een stelletje lafbekken was doodgeslagen en de burgemeester zei
dat je geen vrouw sloeg en zeker niet met meerderen tegelijk. Word
wakker, man, dacht ik, je eigen politie doet dat bij elke zogenaamde rel.
Maar destijds, in 1970, werd T mijn held, hij kwam terug, hij gaf de
eerste de beste smeris een klap midden op zijn gezicht, en omdat hij een
viltstiftflesje – viltstiften waren toen nog stevige kleine flesjes van dik
glas, ze gebruikten die op zijn werk om de pakketten te markeren – in
zijn vuist met handschoen had verborgen, ging de agent onderuit . Was
het misschien zelfs een marechaussee? Dat zou helemaal mooi zijn! En
toen vielen ze met zijn allen, wel tien man nu, op hem aan, ze lieten
anderen ervoor lopen, sloegen hem terwijl hij op de grond lag. Er heeft
149
een foto van in de krant gestaan die nog lang in Fantasio, later Kosmos
genoemd, heeft gehangen. Eentje zei er: “Hou hem even omhoog dat ik
hem beter kan raken.” Terwijl ze hem mee sleurden, bleven de anderen
slaan en schoppen, ze gooiden hem in een gepantserde wagen en toen
zei een commandant dat ze op moesten houden met slaan en door de
radio klonk “We hebben de heer T, de organisator van de demonstratie,
te pakken”. Mijn held was helemaal niet de organisator, hij kwam
eigenlijk pas kijken bij die club, maar ’s morgens toen het een beetje
druk was in het actiecentrum hadden ze tegen hem gezegd: “Ga jij die
demonstratie even aanmelden, verzin maar een route, als hij maar door
drukke straten gaat en bij het Amerikaanse consulaat uitkomt en onderweg
zien we wel.” Maar het was wel duidelijk dat ze hem in de gaten
hadden gehouden, ze hadden er gewoon op geloerd om hem te pakken
te kunnen nemen. Ze gooiden nog een jongen van zeventien bij hem in
de wagen en toen die wat tegen hem zei, schreeuwden ze: “Kop houden
of we slaan je in elkaar!”
Ik ben niet verbaasd dat die Amerikanen en Engelsen Irakezen hebben
gemarteld, je wéét gewoon dat ze dat doen. Zoals je weet dat de politie
hier ook mensen misschien wel niet martelt maar wel mishandelt.
In de tijd dat ik op straat leef ben ik zelfs meer door de politie geschopt
en geslagen dan in mijn actietijd. Je ligt ze altijd in de weg en dan krijg
je een schop en als je ze dan voor rot scheldt – wat moet je anders om
je zelfrespect te behouden, een ander wapen heb je niet – dan weten ze
helemaal van geen ophouden.
Ze bleven hem slaan, ook nog in het busje, eentje zei er: “Ze moesten
jullie allemaal tegen de muur zetten, de mitrailleur erover, die tijd
van Hitler was nog niet zo slecht.” En dat was mijn held zijn geluk,
omdat hij dat had onthouden en ook steeds tegen ze gebruikte, in het
politiebureau en ook later toen hij werd gehoord. Want ze lieten hem
nog dezelfde avond vrij, maar later nadat hij een klacht had ingediend
wegens mishandeling, begon hij opnieuw over wat ze tegen hem gezegd
hadden, over dat tegen de muur zetten en over Hitler. Dat wilden ze natuurlijk
niet allemaal op een openbaar proces nog eens horen en daarom
lieten ze de klacht, “het toedienen van een vuistslag aan een agent in
150
functie”, vallen. Maar dat was een paar weken later. Omdat ze zich met
zijn allen op hem stortten kon ik ontsnappen. Hij werd mijn held. Toen
ze dat van die Hitler zeiden, vroeg hij: “Hoe is uw naam, meneer?” “Kop
houden, godverdomme!” schreeuwden ze dan weer. En dan zeiden zij:
“Een stelletje lafbekken zijn jullie, gaan jullie eerst maar eens werken.”
En dan zei mijn held weer: “Wie zijn er hier nu lafbekken, wie slaan
er met tien man één man in elkaar? Bovendien werk ik minstens even
hard als jullie. En noemen jullie dit trouwens werken?” Hij was echt op
dreef en nergens bang voor, hij had overal blauwe plekken maar voelde
nergens pijn. Dan schreeuwden ze weer: “Kop houden!” maar even later
kon er eentje zelf zijn kop niet houden en zei: “Jullie moeten je hand
niet ophouden, jullie moeten een vuist maken tegen de samenleving.“
Dat eerste was een vooroordeel dat moest helpen om die agenten hun
eigen doen en laten goed te praten, maar dat tweede vond mijn held een
hele sterke uit de mond van een politieagent en hij zei: “En waar denkt
u dat we mee bezig zijn, meneer?” “Kop houden!” schreeuwde er dan
weer een. Het was dus, toen ze opgehouden waren met slaan, best boeiend
in die overvalwagen, maar toen stopten ze en moesten ze overstappen
in een kleinere wagen. Ik heb dit alles natuurlijk zelf nog niet voor
de helft gezien maar mijn held heeft het me allemaal verteld, ondanks
die klappen op zijn kop wist hij het allemaal nog maar al te goed, dat
vond de politie ook, daarom bleven ze maar zeuren of hij nou een klacht
in zou dienen of niet. Als hij dat deed moest hij het snel doen. Toen zat
er een agent met allemaal vegen op zijn gezicht tegenover hem en een
andere agent zei tegen de eerste dat hij allemaal vegen op zijn gezicht
had en deze zei: “Van meneer hier.” En toen ik dat hoorde zou ik graag
naast mijn held in die wagen hebben gezeten, zo trots was ik op hem.
Ik zou gezegd hebben: “Ja, en pas maar op, jullie.” Bij het hoofdbureau
werd zijn linkerpols aan de rechterpols van de agent met de vegen geboeid
en zo werd hij de trappen op gesleurd. Samen met de jongen van
zeventien werd hij in een getraliede ruimte bij de balie gestopt. “We
hebben er een paar opgepakt, gooiden met verf.” “Van die pestkereltjes,”
zei de agent in burger aan de andere kant van de tralies, “waar eigenlijk?”
“Bij het Amerikaanse consulaat.” “O, zijn dat nu zwarte pantertjes?” “Ja,
151
van die wereldverbeteraars, weetjewel.” “Je naam,” zei de agent in burger
tegen de jongen van zeventien. Deze antwoordde niet. “Je naam, als je
godverdomme je naam niet zegt slaan we je in elkaar,” zei een van de
agenten. “In het ergste geval zeg je alleen je naam en adres,” zei mijn
held tegen de jongen. Ze werden in een kamertje gezet. Na een poosje
kwamen er in volle vaart vier agenten binnen, ze moesten een aanloop
hebben genomen, gingen voor de jongen staan en zeiden: ”En nu je
naam!” De jongen gaf ze zijn naam en adres. “Zo, nu kunnen jullie hem
laten gaan,” zei T. “We hebben een verboden wapen, een knuppel op
hem gevonden,” zei een agent. “Dat zal wel,” zei T. Toen werden ze in
een echte cel gezet. Opnieuw kwamen er een paar agenten binnen die
tegen T zeiden dat hij er niet op moest rekenen de eerste paar maanden
weer vrij te komen. “Breng ons dan maar wat te eten,” zei T. “Bij
de volgende ronde,” zeiden ze, “blijf maar even lekker zonder.” Na een
poosje kregen ze een glas water. Daarna werden ze enkele uren met rust
gelaten. De jongen van zeventien zat zacht te snikken. “Stil maar,” zei
T, “wij staan vanavond nog buiten.” ’s Avonds om tien uur werd T door
een agent in uniform en een in burger meegenomen die samen allerlei
tactische overredingstechnieken uitprobeerden om hem een verklaring
af te laten leggen. Hij zou anders zes uur en daarna twee maal vierentwintig
uur vastgehouden worden en woensdagochtend worden voorgeleid.
De officier van justitie moest vanavond daarover een beslissing
nemen. Ging T een aanklacht wegens mishandeling indienen? Had hij
een hekel aan politie? Soms was dat heel begrijpelijk. Een advocaat
kreeg hij niet meer zo laat op de avond, hij mocht het proberen. “Ga dadelijk
maar even met hem mee,” zei de man in uniform, knikkend naar
de man in burger. “U mag dicteren wat u wilt, in uw eigen woorden, het
mag ook een leugenachtige verklaring zijn, we moeten het alleen rond
hebben, we hebben een verklaring van vier agenten die u met verf hebben
zien gooien.” Hij zwaaide met enkele dichtbetikte vellen. Door het
laatste groeide het zelfvertrouwen van mijn held, hij had namelijk niet
met verf gegooid. “Hoe luidt de aanklacht eigenlijk?” vroeg hij. “Openbare
geweldpleging, inhoudende het geven van een vuistslag aan een
politieagent en het gooien met verf,” zei de man die er aan toevoegde
152
dat hij hulpofficier van justitie was. De man in burger begon in de andere
kamer alvast te typen. “Doet u geen moeite,” zei T. Hij werd weer
opgesloten. De jongen werd nu opgehaald, kwam heel snel weer terug
en zei dat hij niets verklaard had. T werd opnieuw geroepen en plotseling
werden ze beiden vrijgelaten. De hulpofficier zei nu dat hij dit kon
beslissen, hoewel het tegen de wil van het korps in ging. Ze stonden
nog steeds binnen de getraliede ruimte, de officier legde er opnieuw de
nadruk op dat ze vrij waren maar bleef doorpraten en zei dat er toch
ook andere manieren waren om protest te laten horen en probeerde er
opnieuw achter te komen of T een klacht zou indienen. Hij bleef met ze
meelopen tot op de gang, pratend en pratend. Tot mijn held de knoop
doorhakte, zei hij dat hij hoofdpijn had van de klappen en dat hij naar
huis ging. “Tabee,” zei hij.
Toen hij ’s avonds laat was vrijgelaten, kwam hij met zijn kapotgeslagen
gezicht bij me en zei dat hij niets voelde en niets gevoeld had.
“Je bent mijn held,” zei ik en toen kreeg hij een erectie. De dag erop
schreef hij zijn eerste pamflet, niet voor scholieren maar voor werkende
jongeren, het was gericht tegen de jeugdlonen en de lange werktijden in
het grootwinkelbedrijf.

2003
Bij de tramhalte staan een paar mensen. Ik zeg: “Heb je 20 eurocent
voor me? Ik heb kanker aan mijn kut en krijg maar drie-en-een-halve
euro per dag.” Ze kijken me aan, misschien kijk ik te slaperig, misschien
praat ik te lijzig, niemand reageert, ze staren nu in de richting waaruit
de tram moet komen. Ik kan niet slijmen, misschien ben ik veel te vlug
begonnen te schelden, te vroeg doorgelopen, nog voordat ze zich ongemakkelijk
gingen voelen. Nee, niet zozeer omdat hun geweten gaat
spreken. Ze verzinnen voor zichzelf altijd wel een goede reden waarom
ze niets hoeven te geven: ze zouden het me te makkelijk maken, ze
zouden mijn drankzucht in de hand werken, door niets te geven wilden
ze me dwingen op eigen benen te staan, iets geven zou niet eerlijk zijn
tegenover de daklozenkrantverkopers. Nee, ze meenden het zelfs goed
met me, bewezen me een dienst door niets te geven!
153
Wat gingen gierigheid, moraalridderschap en zelfvoldaanheid toch
weer mooi hand in hand! Nee, ik probeer niet op hun medeleven laat
staan op hun geweten te werken, wel op het feit dat ze zich ongemakkelijk
gaan voelen, vanwege de situatie, omdat een vies wijf als ik zo lang
voor ze blijft staan en iedereen naar ons kijkt, ik probeer wat van ze los
te krijgen omdat ze van me af willen.
Ze knijpen hem, ze zetten politiewagens bij openbare gebouwen,
pantserwagens bij tunnels. Ik vind het niet erg dat ze hem knijpen, ik
heb niks met ze. Laat ze hem ook maar knijpen voor het leger der hopelozen
zoals ik, voor wie het geen punt is een bom om hun middel
te binden en de wereld te lijf te gaan. Ze denken dat je gek bent als je
zoiets zegt. Maar hoe velen zijn er niet zoals ik, niets te verliezen! Als je
erop doorgaat zie je ze denken: Je zou maar zo’n gek treffen.
Het leger der hopelozen. Het leger der hopelozen schaft de gewone
zelfmoord af, de nuttige zelfmoord wordt ingevoerd. Spreken we dat af?
We hebben geleerd van de Palestijnen. Die hebben ook niets te verliezen.
De wereld luistert niet naar ze. Ze zijn vermoord of uit Palestina
verjaagd en de wereld ontzegt ze het recht om de bezetter te bombarderen.
Maar wij stonden in de Tweede Wereldoorlog wel te klappen en
te juichen toen de Engelse vliegtuigen overkwamen om, voornamelijk,
Duitse burgers te bombarderen. Dat mocht, want Duitsland had ons
bezet, eigen schuld. Ja maar, dat was iets héél anders! O ja, hoe dan? Behalve
dat die Engelse vliegenier duizend maal meer burgerslachtoffers
maakte, heelhuids probeerde thuis te komen, betrekkelijk weinig risico
liep, en dat de Palestijnse zelfmoordactivist zich opoffert voor zijn volk?
Als ik niks krijg scheld ik de mensen dus de huid vol en soms zeg ik:
kijk maar uit voor het leger der hopelozen!
Vroeger waren we niet het leger der hopelozen maar beschouwden
we ons als onderdeel van het internationale rode leger. We waren ervan
overtuigd dat acties tegen de Amerikanen in Vietnam en voor de Black
Panthers, en ook die tegen de jeugdlonen en voor een speeltuin in de
Jordaan, onderdeel waren van de internationale strijd van het volk tegen
de kapitalistische machthebbers.

154
1970
Hij kreeg dus een erectie toen hij met zijn kapotgeslagen gezicht voor
me zat en ik zei dat hij mijn held was, want hij had maar liefst vier
agenten van me af gehaald, natuurlijk door die klap die hij uitgedeeld
had met een glazen viltstift in zijn hand, maar toch vooral door alle
aandacht naar zich te trekken waardoor ik kon ontsnappen. Ik moest
hem hoe dan ook erg dankbaar zijn. Hij was in ieder geval door alles
wat er gebeurd was zeer gedreven geraakt. We wilden allang iets doen
met werkende jongeren, niet alleen met scholieren dus, en toen we de
volgende dag besloten de strijd aan te binden tegen de jeugdlonen in het
grootwinkelbedrijf, vloeide het eerste pamflet zo uit zijn pen. Het werd
gestencild en opgemaakt helemaal in de stijl van de Black Pantherpamfletten,
met vuisten erop die een kapitalist pakten en het scheelde weinig
of er waren ook geweren op getekend. We hadden toen we begonnen
één jongen van een jaar of achttien die bij Simon de Wit werkte, zelf
werkte mijn held in een groothandel en Rooie Willem had in de haven
heel wat zakken en pallets verstouwd die voor de grootwinkelbedrijven
waren bestemd, en allemaal deden we er wel eens boodschappen, dus
waren we deskundig en stond het vast dat het de grootwinkelbedrijven
zouden worden waar het vuur van de revolutie het eerst zou worden
aangestookt. En zo werden de acties van de Vrijheidsschool met hulp
van de Rode Jeugd, die op dat ogenblik een wat mindere periode doormaakte,
van de scholen uitgebreid naar de grootwinkelbedrijven. Met
succes! Er kwamen bij de eerste bijeenkomst vier jongeren uit de winkels
opdagen. Dat lijkt weinig, maar vanaf dat moment was er bij Albert
Heyn een voet tussen de deur. Vanaf nu kon er met heel concrete voorvallen
gewerkt worden, kon er gereageerd worden op wat de “bazen” gisteren
pas gezegd hadden. Vanaf nu wisten we bijvoorbeeld dat de pamfletten
tegen de jeugdlonen aan de orde kwamen bij de opleiding, de
school van Albert Heijn in Zaandam. En ook daar konden we weer een
reactie op geven. Op zaterdag werden we de schrik van de filiaalhouders.
Opeens stormden we met zijn tienen met spandoeken en borden zo’n
winkel binnen, deelden pamfletten uit, praatten met de jongeren. Een
filiaalhouder maakte de fout om via de geluidsinstallatie om te roepen:
155
“Willen de demonstranten de winkel verlaten?” Toen hadden de “demonstranten”
de aandacht die ze wilden, van het personeel en van het
winkelend publiek. We waren zo slim het publiek niet tegen ons in het
harnas te jagen. Als het echt moeilijk werd, als er lange rijen ontstonden
bij de kassa’s, verlieten we in een gesloten rij de winkel, leuzen schreeuwend
als: ”Jeugdloon diefstal!” We demonstreerden zelfs in winkeljassen
van Albert Heijn, een van de winkelbedienden had er zeven meegenomen.
Maar om niet ter plekke opgepakt te worden vanwege diefstal,
hadden we de originele AH-emblemen eraf gehaald en het AH-teken
er weer met viltstift opgezet. Dat was voldoende om de filiaalhouder
aan het twijfelen te brengen. En natuurlijk bleef het Cineclub die achter
dit alles zat, dat wil zeggen: als er al niet werd gefilmd dan werden er
toch minstens foto’s gemaakt die voor de publiciteit dienden. Mijn held
had toen lang haar en een baard, hij heeft op de foto zijn zelfgeschreven
pamflet in zijn hand, een kleine winkelbediende kijkt parmantig naar
hem omhoog, fier op de aandacht, en op een manier zoals ik zelf ook
naar hem zou gekeken hebben als ik een kleine, jonge winkelbediende
was geweest. T was zelf erg trots over de kop boven zijn eerste pamflet:
In het grootwinkelbedrijf krijg je de kans niet om oud te worden. Die
leuze gebruikten de bazen om de versheid van hun producten aan te
prijzen maar werd nu door hem ingezet om aan de kaak te stellen dat
de winkelbedrijven dreven op de jeugdlonen van jongeren vanaf vijftien
jaar. De pamfletten die volgden werden samen met de winkelbedienden
gemaakt, mijn held wist ze bondig te formuleren en aan te scherpen, hij
werd een echte pamflettist.
“Ze zijn doodsbang voor onze acties, die bazen,” zei ik tegen hem,
“maar ook voor jouw scherpe pen.” Dan kreeg hij een kleur maar sprak
me niet tegen en ik wist dat hij, zo gauw ik mijn kont gedraaid had, zijn
laatste pamflet zou nemen en het opnieuw gaan lezen, hoewel hij het
van buiten kende. Hij was dan zelfvoldaan en gelukkig, dat wist ik.

2003
Het loopt tegen de middag, ik besluit terug te gaan naar het pension,
kan ik nog net mee-eten. Dat pooiertje van Hanna staat met zijn hoofd
156
omhoog beneden in het trappenhuis te praten. Hij mag het huis niet
verder in. Zij moet daar ergens boven aan het afdalen zijn, want hij
draait pratend met zijn hoofd omhoog met haar mee. “Ik heb pas toch
nog een pak shag voor je gekocht,” zegt hij. “Ik heb je fiets gemaakt,”
zegt hij al draaiend. Die fiets gebruikt hij zelf. Zij kan al maanden niet
meer fietsen.
“Zo pooiertje,” zeg ik, “heb je weer geld nodig? Moet ze, al is ze bijna
dood, nog de hort op?”
“Bemoei je er niet mee, vies wijf.” zegt hij. “Jou wil niemand. Met
jou verdien je niks.”
“Dat is maar goed ook,” zeg ik.
Hanna komt stijf rechtop, zwaar opgemaakt de trap af. Ze schuift haar
voeten voorzichtig voor zich uit. Ze houdt haar armen strak tegen het
magere lichaam. Als wil ze het geheel tot het laatste moment bij elkaar
houden. Ze is stervende. Ze glimlacht tegen me, beweegt haar lippen. Ergens
tussen het enorme zwart in de oogkassen zitten haar ogen. Ze doet
weer een paar passen, dreigt achterover te vallen. Haar ogen staan groot
en hulpeloos. Zie je hoe ik lijd? Haar vriend, minstens twintig jaar jonger,
lacht. Hij is vriendelijk maar vastberaden. Het maakt toch allemaal niets
meer uit, ze gaat toch dood, ze heeft leverkanker. En ze heeft niemand
anders en zeker niet iemand die tot het laatst bij haar blijft.
Ik kijk naar de grof opgemaakte, vanbinnen verrotte, uitgeholde
buitenkant van een vrouw die nog voor hoer moet spelen. Ze is nu
beneden en haar vriend huppelt vrolijk voor haar uit, nog steeds babbelend.
Ik zou hem kunnen vermoorden. Ik denk eraan hoe ik gisteren
woedend deze trap af kwam en ga naar boven.
“Je kan nog net eten,” zeggen ze, “en dan moet je weer weg wezen.”
“Zal wel,” zeg ik, “mooi niet.”
“Kakkerlakkenbestrijding,” zeggen ze. Shit! Iedereen, ook het personeel,
moet dan vier uur lang naar buiten.

Hoe een anti-jeugdloonpamflet uit 1970 werd verwerkt in een roman

De roman Mijn liefde is scharlakenrood (2011, 4e herziene dr. mei 2013) van Meurs A.M. gaat over linksradicale jongeren tussen 1966 en begin jaren ’70. In het 3e deel van het boek vertelt Kitty, inmiddels dakloos en verslaafd, in het begin van de 21e eeuw over haar dagelijkse bestaan en kijkt terug op hun revolutionaire tijd. In het hoofdstuk Het leger der hopelozen vinden we de volgende fragmenten. Ze zijn bij een pro-Black Panther-demonstratie geweest bij het Amerikaanse Consulaat, waarbij T in elkaar is geslagen en aangehouden. Kitty aan het woord in 2003:

1970

(…)
Toen hij ’s avonds laat was vrijgelaten, kwam hij met zijn kapotgeslagen
gezicht bij me en zei dat hij niets voelde en niets gevoeld had.
“Je bent mijn held,” zei ik en toen kreeg hij een erectie. De dag erop
schreef hij zijn eerste pamflet, niet voor scholieren maar voor werkende
jongeren, het was gericht tegen de jeugdlonen en de lange werktijden in
het grootwinkelbedrijf.

(….)

1970
Hij kreeg dus een erectie toen hij met zijn kapotgeslagen gezicht voor
me zat en ik zei dat hij mijn held was, want hij had maar liefst vier
agenten van me af gehaald, natuurlijk door die klap die hij uitgedeeld
had met een glazen viltstift in zijn hand, maar toch vooral door alle
aandacht naar zich te trekken waardoor ik kon ontsnappen. Ik moest
hem hoe dan ook erg dankbaar zijn. Hij was in ieder geval door alles
wat er gebeurd was zeer gedreven geraakt. We wilden allang iets doen
met werkende jongeren, niet alleen met scholieren dus, en toen we de
volgende dag besloten de strijd aan te binden tegen de jeugdlonen in het
grootwinkelbedrijf, vloeide het eerste pamflet zo uit zijn pen. Het werd
gestencild en opgemaakt helemaal in de stijl van de Black Pantherpamfletten,
met vuisten erop die een kapitalist pakten en het scheelde weinig
of er waren ook geweren op getekend. We hadden toen we begonnen
één jongen van een jaar of achttien die bij Simon de Wit werkte, zelf
werkte mijn held in een groothandel en Rooie Willem had in de haven
heel wat zakken en pallets verstouwd die voor de grootwinkelbedrijven
waren bestemd, en allemaal deden we er wel eens boodschappen, dus
waren we deskundig en stond het vast dat het de grootwinkelbedrijven
zouden worden waar het vuur van de revolutie het eerst zou worden
aangestookt. En zo werden de acties van de Vrijheidsschool met hulp
van de Rode Jeugd, die op dat ogenblik een wat mindere periode doormaakte,
van de scholen uitgebreid naar de grootwinkelbedrijven. Met
succes! Er kwamen bij de eerste bijeenkomst vier jongeren uit de winkels
opdagen. Dat lijkt weinig, maar vanaf dat moment was er bij Albert
Heyn een voet tussen de deur. Vanaf nu kon er met heel concrete voorvallen
gewerkt worden, kon er gereageerd worden op wat de “bazen” gisteren
pas gezegd hadden. Vanaf nu wisten we bijvoorbeeld dat de pamfletten
tegen de jeugdlonen aan de orde kwamen bij de opleiding, de
school van Albert Heijn in Zaandam. En ook daar konden we weer een
reactie op geven. Op zaterdag werden we de schrik van de filiaalhouders.
Opeens stormden we met zijn tienen met spandoeken en borden zo’n
winkel binnen, deelden pamfletten uit, praatten met de jongeren. Een
filiaalhouder maakte de fout om via de geluidsinstallatie om te roepen:
155
“Willen de demonstranten de winkel verlaten?” Toen hadden de “demonstranten”
de aandacht die ze wilden, van het personeel en van het
winkelend publiek. We waren zo slim het publiek niet tegen ons in het
harnas te jagen. Als het echt moeilijk werd, als er lange rijen ontstonden
bij de kassa’s, verlieten we in een gesloten rij de winkel, leuzen schreeuwend
als: ”Jeugdloon diefstal!” We demonstreerden zelfs in winkeljassen
van Albert Heijn, een van de winkelbedienden had er zeven meegenomen.
Maar om niet ter plekke opgepakt te worden vanwege diefstal,
hadden we de originele AH-emblemen eraf gehaald en het AH-teken
er weer met viltstift opgezet. Dat was voldoende om de filiaalhouder
aan het twijfelen te brengen. En natuurlijk bleef het Cineclub die achter
dit alles zat, dat wil zeggen: als er al niet werd gefilmd dan werden er
toch minstens foto’s gemaakt die voor de publiciteit dienden. Mijn held
had toen lang haar en een baard, hij heeft op de foto zijn zelfgeschreven
pamflet in zijn hand, een kleine winkelbediende kijkt parmantig naar
hem omhoog, fier op de aandacht, en op een manier zoals ik zelf ook
naar hem zou gekeken hebben als ik een kleine, jonge winkelbediende
was geweest. T was zelf erg trots over de kop boven zijn eerste pamflet:
In het grootwinkelbedrijf krijg je de kans niet om oud te worden. Die
leuze gebruikten de bazen om de versheid van hun producten aan te
prijzen maar werd nu door hem ingezet om aan de kaak te stellen dat
de winkelbedrijven dreven op de jeugdlonen van jongeren vanaf vijftien
jaar. De pamfletten die volgden werden samen met de winkelbedienden
gemaakt, mijn held wist ze bondig te formuleren en aan te scherpen, hij
werd een echte pamflettist.
“Ze zijn doodsbang voor onze acties, die bazen,” zei ik tegen hem,
“maar ook voor jouw scherpe pen.” Dan kreeg hij een kleur maar sprak
me niet tegen en ik wist dat hij, zo gauw ik mijn kont gedraaid had, zijn
laatste pamflet zou nemen en het opnieuw gaan lezen, hoewel hij het
van buiten kende. Hij was dan zelfvoldaan en gelukkig, dat wist ik.

Bij Boekwinkeltje Wonderland

Kitty aan het woord (uit: Mijn liefde is scharlakenrood)

Zie kaft boek en pamflet uit 1970 hieronder
mijn liefde is scharlaken ood1epamfletvanT

NIET-stemmen als protest tegen het feit dat stemmen NIETS betekent

De uitslag van de verkiezingen van het raadgevend referendum over het associatieverdrag van de EU met de Oekraïne:
Ca 10% van de kiesgerechtigden Voor het associatieverdrag;
Ca 20% van de kiesgerechtigden Tegen het associatieverdrag;
Ca 68% van de kiesgerechtigden Tegen verkiezingen over het associatieverdrag.

NIET-stemmen als protest tegen het feit dat stemmen NIETS betekent. Het door jou gewenste resultaat van stemmen, of kiezen, is  bijna altijd te verwaarlozen. Het huidige Nederlandse kabinet is er het vleesgeworden voorbeeld van. PvdA-stemmers stemden omdat ze geen VVD wilden, VVD-stemmers stemden omdat ze geen PvdA wilden. Resultaat was een VVD/PvdA-kabinet. De VVD-stemmer noch de PvdA-stemmer kreeg zijn zin. De twee partijen kun je tegen elkaar wegstrepen. Resultaat: 4 jaar niks.

De voornaamste reden dat het resultaat van stemmen is te verwaarlozen, is dat de bestaande kapitalistische machtslijnen en lobby’s door wat voor verkiezingsuitslag dan ook nauwelijks beïnvloedbaar zijn. Dat geldt zowel voor Nederland als voor Europa. Als mensen als ik toch stemmen doen ze dat soms om het allerergste te voorkomen. Een PVV aan de macht bijvoorbeeld kan weliswaar geen enkele invloed uitoefenen op de bestaande structuren (wil ze ook niet ondanks haar anti-establishmentretoriek) maar ze zou  wel  een wet kunnen doorvoeren om de  grens  te sluiten voor moslims. Je zou in zo’n geval op een partij kunnen stemmen die zeer waarschijnlijk wel in de coalitie komt maar daar niet met de PVV in wil. Maar zoals hierboven gezien: je kunt bedrogen uitkomen.

Soms is de nutteloosheid van stemmen zo groot, maakt het in de praktijk, zoals nu in de verhouding tussen Nederland en de Oekraïne,  helemaal geen enkel verschil wat de uitslag ook is, dat de illusie van het nut van het stemmen zelf bestreden moet worden. Dat is nu het geval. NIET-stemmen als protest dat stemmen zo weinig betekent, is dan nog de enige daad die je kunt stellen.  Met als bonus de mogelijkheid dat de kiesdrempel niet gehaald wordt.

Zowel het ja-kamp als het nee-kamp  wil de indruk wekken dat het een enorm verschil maakt wie er wint. Maar dat is niet zo. Dat is meestal niet zo, maar nu is het speciaal niet zo. Het associatieverdrag tussen de EU en Oekraïne is al gesloten; daar verandert een overwinning van het nee-kamp in Nederland niets aan. Bovendien heeft de Nederlandse regering zijn steun aan het verdrag toegezegd  en heeft het parlement dit bekrachtigd. Denkt ook maar iemand dat het parlement het associatieverdrag opnieuw zal behandelen en dat dan bovendien ook nog eens een meerderheid Tegen zal stemmen?  Misschien zou dat gebeuren als er een heel hoge opkomst zou zijn (80% of zo) die dan ook nog eens overtuigend  Nee zou moeten zeggen. Maar dat gebeurt niet, dat weten we allemaal. Dus de regering zal tijdens haar EU-voorzitterschap totaal niet onder druk komen om aan de EU te gaan vertellen dat zij weliswaar haar steun heeft toegezegd maar…

Zal dus de praktische uitwerking van zowel een nee- als een ja-overwinning nihil zijn, ook de argumenten van beide kampen zijn voornamelijk emotioneel.  Zowel het nee-kamp als het ja-kamp steunt op argumenten die zij er zelf in stoppen, meer een geloof dan feiten. En ook met de kenmerken van een geloof: er valt niet over te discussiëren. Voor zover het wel over verwijtbare feiten gaat is men er blind voor dat dezelfde verwijtbare feiten gelden voor het eigen kamp. Oekraïne is duidelijk speelterrein van de strijd tussen de supermachten, zoals ook Syrië dat is. Moeten wij ons blind in die strijd laten meeslepen door voor een van beide partijen te kiezen? Moeten we meegaan in de oorlogsretoriek? Als wij – en ik richt me nu even tot gelijkgestemden – de democratische beweging  in Oekraïne willen ondersteunen, dan kunnen we dat doen door rechtstreeks met die beweging contact te onderhouden, niet door een associatieverdrag. Het associatieverdrag is een verdrag tussen regeringen en grote bedrijven, waar ook alleen deze regeringen en grote bedrijven van profiteren.  Toch heeft het geen zin daar nu nog tegen te stemmen. Het heeft evenmin zin om tegen een EU of tegen een regering te zijn, het is de samenstelling en het beleid van een EU en een regering waar we tegen kunnen en, zolang er niet veel  is veranderd, ook moeten zijn.

Het verschil tussen een overwinning van het ja-kamp en een van het nee-kamp, is het kamp dat het propagandistisch zal proberen uit te buiten. Maar ik heb dus iets tegen beide kampen en tegen de machthebbers die elk van beide kampen in de kaart speelt. Voor de verhouding tussen de gewone Nederlander en de gewone Oekraïner maakt het niks uit.
Door NIET te stemmen kunnen we de illusie van het stemmen aantonen. Dat is op zichzelf al een stap op weg naar ware democratie. Van de G1000  kunnen we veel leren hoe het  verder moet.

1 APRIL

1 APRIL 1955 werd mijn jongste broer Theet geboren. Kort na zijn geboorte bleek dat er nog een kind in de buik van onze moeder zat. Dat kind bleef niet in leven. Ik was 10 jaar en toen ik op school kwam en zei: “We hebben een nieuw kindje en een is er dood” zeiden de andere kinderen: “Sodemieter op, één april, en verzin wat leukers.” Daarop geïnspireerd schreef ik rond 2000 de volgende scène:

De Vrouwen van de Eerste Huizen komen uit de kerk meteen in een enorme drukte. (…)

Ze slaan de Kerkstraat in richting de Lange Weg. Voorbij de pastorie is tussen hoge hagen het pad naar het kerkhof.

Gauw doorlopen. Daar hopen ze voorlopig niet meer te hoeven zijn. De laatste keer was met dat doodgeboren, nou ja bijna doodgeboren, een uur oud geworden baby’tje van Weels. Maar dat was niet zo erg geweest: iets dat je nauwelijks gekend hebt, waarvan je niet eens wist dat het bestond, daar kun je moeilijk lang om treuren. Bovendien was het er een van een tweeling, de andere baby had het overleefd en was gezond. Dus mag je al blij zijn.

Ja, waarvan je niet wist dat het bestond. Ze hadden nota­ bene alles al opge­ruimd toen Anneke Weels opnieuw alarm sloeg: Het lijkt of er nog iets komt! En zo was het ook. Maar dat hadden ze dan toch niet in leven kunnen houden. Dat heeft natuurlijk te lang klem gezeten. Misschien maar goed ook, want Anneke is al in de veertig en had er al zeven. En dan op die leeftijd nog een tweeling. Ze heeft wel altijd hulp, dat wel, de kraamverzorgster is nog niet weg of de gezinsverzorgster komt al binnen. En die oudste, daar heeft ze ook goed hulp van, die regelt eigenlijk alles, het tweede moedertje, misschien wel het eerste.

Zeg dat wel. Dat je dat niet weet, dat het er twee zijn hè. Of zou dat ander al langer dood zijn geweest? Maar dat lijkt gevaarlijk! Ze zeggen dat het nog een uur geleefd heeft. Maar misschien hebben ze dat ervan gemaakt om het gewoon op het kerkhof te kunnen begraven. Want bij een doodgeboren kind schijnt dat niet te mogen

Zo`n vroedvrouw zou dat toch moeten voelen. Kijk bij Trees Meps van de Acht-Huizen, zo`n dikke tante, kun je je voorstellen dat je niet weet wat je voelt met al die vetlagen. Maar zo`n klein dun wijfje als Anneke. Nou, ’t is te hopen dat dat allemaal verbetert, anders zou je er als vrouw nog onderdoor gaan omdat niemand in de gaten heeft dat er nog een in zit. Vroedvrouw weg, kraamverpleegster doet even een boodschap, jij ligt daar met je baby en opeens beginnen de weeën opnieuw!

Ze hadden natuurlijk ook geen naam voor het kind en hebben het toen maar de naam van de heilige van de dag gegeven: Hugo.

“Sindsdien denk ik bij elke Hugo,” zegt Hanna Bosmans, “ben jij ook van 1 april en ben jij ook zo`n onverwachte?”

En dat broertje geloofden ze niet op school toen het zei: “We hebben een nieuw kindje en een is er dood.”

“Sodemieter op, Jan Weels, één april,” zeiden ze, “en verzin wat leukers.”

(Uit Aan de Lange Weg, roman  van Meurs A.M., 2004, 3e dr 2009, hfst Het begrafenisfeest, pag. 112, 113)

022LangeWegVrouwenkaft
De Vrouwen van de Eerste Huizen, illustratie van Ufuk Kobas in de roman Aan de Lange Weg van Meurs A.M.

Door PVV gekweekte en niet door overheid weerlegde ongerustheid

Ongeruste burgers in Oss

Die eerste mevrouw demonstreert duidelijk tegen een (mannen)kloosterinternaat (‘vijf tot zeuven mannen in één huis (…) da goa verkeerd, gegarandeerd’), en terecht, gezien het aldaar gebleken seksueel misbruik van jongens.
De tweede mevrouw is blijkbaar bang dat die ‘jonge gastjes’ ook buiten gaan spelen net als haar kleinkinderen.
Wat betreft de man: Hoe hoog schat je iemand in die zo lang moet nadenken om tot zo’n antwoord te komen?
En dan nog iets: Gaat het wel om asielzoekers? Want die gaan naar een AZC (of vaak eerst nog noodopvang). Gaat het niet om statushouders (die dus asiel hebben gekregen maar al jaren in een AZC zitten), dus al jaren recht hebben op een woning (net als Nederlanders die door een noodgeval, zoals brand of stadsvernieuwing, dat hebben), statushouders die dus al jaren in NL zijn en waarvan we dus al jaren weten hoe ze zich gedragen?
De ongeruste burgers in Oss hebben zich duidelijk laten opruien door PVV en verwante clubs, en zijn niet gerustgesteld door de politici die wel vluchtelingen opvangen, maar het liefst met de handrem op, waarbij een beroep op ‘het draagvlak in de samenleving’ ze wel goed uitkomt.