Jongen van 8 tijdens 1e Wereldoorlog. Alles beter dan zo’n pak slaag.

… De achtjarige Driek die in de 1e Wereldoorlog elke dag vanaf zijn huis vlakbij de Duitse grens 3 kilometer naar de kerk in het ene dorp loopt voor de Mis, daarna 2 kilometer naar school in een ander dorp en na school via zijn grootmoeder weer 2 kilometer naar huis.
…Driek mag dan onder het motto Alles beter dan zo’n pak slaag voorlopig geen kans zien om aan zijn broer te ontsnappen, tegelijk verandert zijn leven grondig want hij pikt niks meer en laat niets meer zomaar gebeuren.


Mata Hari en Anthony Fokker

(Fragmenten)
(…)
Ik was al een poosje op de hoofdweg tussen de twee dorpen aangekomen. Eerst stond er nog een verspreid huis, zoals dat met de smederij, langzaam werd de bebouwing dichter. De twee jongens stonden me op te wachten zoals ik verwacht had. Waar zat je? zeiden ze, dit is al de derde dag dat we hier staan. Ze zaten in het dorp waar de kerk was op school, ik zat in een ander dorp op school. Ze wisten niet dat ik twee dagen nergens geweest was, alleen thuis in bed. Het was nog steeds donker. Ze hadden de big bij zich, ook al voor de derde dag. Degene die de big in zijn armen droeg aaide hem voortdurend, gaf hem kusjes en fluisterde hem woordjes toe om hem rustig te houden. Ze wilden dat ik de big onder de rok van de Manke zou stoppen als deze over het pad naar de kerk zou komen aangekropen. Zelf waren ze daar te schijterig voor. Ik had dat al een keer gedaan, ik had daar toen een reden voor en zou het niet opnieuw doen. Ik hield er bovendien niet van om in herhaling te vallen, ik vond dat fantasieloos. Iedereen had een hekel aan de Manke, omdat ze lelijk was en omdat ze verlamd was, omdat ze anders was. Ze werd als een heks beschouwd en kreeg overal de schuld van, van de hagel die de oogst verwoestte tot aan de oorlog, waar we weliswaar niet aan meededen maar waar we wel last van hadden door de vluchtelingen, de verdwaalde bommen en kanonskogels en eenvoudig doordat we niet over de grens konden die vlakbij was en waarachter we allemaal familieleden en bekenden hadden en waar velen van ons werkten. Ik had geen hekel aan de vrouw die ze de Manke noemden, al heel jong kwam ik bij haar thuis, ze woonde bij haar getrouwde zuster, en ze had ooit iets tegen me gezegd dat ik mijn hele leven niet zou vergeten. Ik was er ook van overtuigd dat de meeste mensen zich die hekel aangepraat hadden en die verdachtmakingen alleen gebruikten om zich kwaadaardig en zelfs misdadig tegenover haar te gedragen. Na het vreselijk pak slaag had ik veel liggen denken en ook dat was me duidelijk geworden.
De Manke was een bijzonder iemand. Haar benen waren verlamd en ze kroop elke dag naar de kerk. Maar de dorpsbewoners beschouwden die kerkgang als pure schijnheiligheid en misleiding.

(…)

We vochten trouwens niet alleen met protestantse jongens, we gingen ook over de grens om met jongens van een Duits dorp te vechten. De ironie wilde dat, omdat de volwassenen nu oorlog voerden, wij niet tegen de Duitse jongens konden vechten, de grens was gesloten.
Ik dacht aan de protestantse jongen die we in elkaar hadden geslagen terwijl hij zich niet meer kon verweren, aan het vreselijk pak slaag dat ik zelf had gekregen van mijn broer en aan mijn reactie dat alles beter was dan zo’n pak slaag en dat ik voortaan die vuilak van een broer zijn gang zou laten gaan, aan het gekrijs van de Manke toen ik een big onder haar rok had gestopt, ik zat zo boordevol schuldgevoel om alles dat ik, toen ik ondertussen al honderden meters buiten het dorp omkeek naar de kerk, niet eens verbaasd was dat er dwars door een wei, dan door een haag en vervolgens door een boomgaard, waar het alle bomen op zijn weg meenam, een vliegtuig recht op me af zag komen. De Manke! Ze wist dat ik die big onder haar rok gestopt had en had een Duits vliegtuig op me af laten sturen maar toen had ze bedacht dat ik dat met die big niet zomaar gedaan had, dat ik er een bijzondere reden voor moest hebben, en met haar toverkrachten als heks had ze het vliegtuigje tot landen gedwongen maar had niet kunnen voorkomen dat het achter me aan kwam. Toverkrachten kenden hun grenzen. Ik was met mijn verdachtmakingen en bijgeloof al net zo erg als de anderen! Ik moest me vermannen. Het zou wel komen doordat ik dan wel niet verbaasd was maar toch geweldig was geschrokken. Ik hield me voor dat de Manke een vriendin van me was en dat ik die big onder haar rok had gestopt om erger te voorkomen. Als ze wist dat ik het was zou ze het begrijpen. Ik had nog twee vrienden in de wereld over, de een was mismaakt, de ander was gek volgens de mensen, ze noemden hem de Gekke Onderwijzer. Maar ik moest al die hokuspokus van me afzetten. Als ze wist dat ik het gedaan had en niet wist dat ik het om een goede reden gedaan had, dan nog had ze niet de macht om een vliegtuig op me af te sturen. In ieder geval niet met toverkracht, want toverkracht bestond niet. Wat wel kon was dat er een verkenningsballon in de lucht hing van waaruit ze mij zagen lopen en dat ze dachten: die ziet er verdacht uit, en dat ze naar het dichtstbijzijnde vliegveld over de grens telegrafeerden. Maar waarom zou ik er verdacht uitzien? Het was allemaal toeval. De Manke zou altijd een vriendin van me blijven omdat ze een paar jaar geleden tegen me had gezegd: Ach, jongen, jij hebt meer verstand in je ene pink dan ik in mijn hele lijf. Dat zou ik heel mijn leven onthouden, zo trots was ik. Ik was de mensen aan het langs gaan omdat ik plaatjes verzamelde die bijvoorbeeld op een pak beschuit zaten. Om het plaatje te vinden moest je het pak openen. Tante Marie, zoals ik de Manke noemde, maakte het pak speciaal voor mij open en toen ze het weer met een touwtje dicht wilde binden, deed ze het verkeerd. Ik nam het van haar over en toen zei ze dat wat me heel mijn leven zou bijblijven. Tegen mij praatte ze zacht en vriendelijk maar meestal staarde ze thuis zwijgzaam voor zich uit. Ze leed waarschijnlijk zeer onder wat de mensen over haar zeiden. Haar zus verklaarde, hoorde ik jaren later, haar norsheid zoals ze het noemde, uit het feit dat ze heel haar leven niet ongesteld was geweest. Dat bloed dat niet weg kon had zich opgehoopt in haar hoofd en drukte op haar hersens en daarom kon ze niet anders zijn als ze was. Ik had de big onder haar rok gestopt om erger te voorkomen. Nu het oorlog was dachten de mensen haar ongestraft te pakken te kunnen nemen, zelfs te kunnen vermoorden met het gelijk aan hun kant. Ze beschuldigden er haar van dat ze een Duitse was, in ieder geval was ze een Duitse agente die berichten over hen doorzond. De een wilde haar treffen in een van haar lievelingsdieren, haar kat, ze wilden die met een spijker door zijn kop aan haar deurpost nagelen. Anderen wilden een kuil graven in het pad waarover ze altijd naar de kerk kroop, een valkuil waarin sommigen zelfs ijzeren spiesen wilden plaatsen die haar zouden doorboren. De mensen konden erg wreed zijn. In een leegstaand boerderijtje was iemand van buiten het dorp komen wonen, de mensen kwamen erachter dat hij niet getrouwd was met de vrouw die bij hem woonde. Wekenlang trokken ze elke avond met potten en pannen, schuimspanen en pollepels, met ketelmuziek langs het boerderijtje.

Ik mag op een zondagmiddag met mijn broer mee naar het dorp van onze kerk. Naar het lof? vraag ik onnozel. Kom nou maar, zegt mijn broer. We gaan richting dorp. Als we, in plaats van langs de slootkant naar de kerk te lopen, de weg oversteken, ben ik even bang dat mijn broer voor de pastorie het pad naar de Manke zal inslaan en dat ik daar met mijn daden zal worden geconfronteerd, die waren nog maar een paar dagen geleden. Maar we lopen het pad voorbij, waarop trouwens niemand te zien is. Ik zie nu meer mensen dezelfde richting uit gaan, de kerk voorbij. Wanneer we in de bocht komen bij café Laarmans, waar ze grote honden hebben waar ik een beetje bang voor ben, hoor ik muziek en als we de bocht door zijn zie ik een heleboel mensen, en tussen de mensen door ook een heleboel karren kriskras rond de boerderij van Koperslagers die aan het begin van een zijweg staat. Vanuit mijn lage standpunt lijkt de bovenkant van het huis te drijven in een kleine vijver waarvan de oever rondom is afgezet met allerlei soorten karren: hoogkarren, aardkarren, platte wagens, kruiwagens, hondenkarren, maar ook ploegen en eggen, troggen, kinderwagens, en ook een kafmolen. Alles wat normaal op en rond de erven en in de open schuren in de wijde omgeving staat, is hier verzameld. En niet zomaar verzameld, de ene kar staat met de dissel hoog tegen het huis, tot meters voorbij de dakrand, bij de ander is de dissel onder de as door gehaald en denk je aan woorden als onnatuurlijk en ontwricht. Op een platte kar, die ik herken als de kar waarmee de melkbussen worden opgehaald, ligt een grote slijpsteen van meer dan een meter doorsnee met daarop allerlei viezigheid. Naast de slijpsteen staat een soldaat op een trekharmonica te spelen. Die soldaat woont bij ons, zegt Saartje Simons. Er zijn overal soldaten ingekwartierd en in de meeste stallen staan paarden en kanonnen. Nederland is niet in oorlog, het is neutraal, maar het is wel gemobiliseerd.
(…)

’ t Is ook niet niks, zeggen de mannen, zeven jaar verloofd. ’ t Is niet netjes. Het komt door die soldaten. Die hebben hier te lang gelegen. En hebben niks te doen. Die hoeven alleen maar naar de vrouwen te kijken. Die ene meid van Koperslagers, Jans, kreeg iets met een van de twee soldaten van Simons. Maar die twee meiden van Koperslagers, Jans en Dina, trekken altijd samen op, dansen, naar de kermissen en zo. En die twee soldaten zijn ook altijd bij elkaar. En Gied, de verloofde van Dina, is niet zo ’n uitgaanstype, hij ziet haar elke dag als ze buitenkomt, zegt hij, ze wonen naast elkaar. Zo schijnt er iets gegroeid te zijn tussen Dina, die dus de verloofde is van Gied, en de tweede soldaat. Maar toen de zus van Dina haar soldaat aan de kant zette, deed de andere soldaat hetzelfde met Dina. En zo had er uiteindelijk niemand iets. Gied hoopte nog even dat Dina met hangende pootjes bij hem terug zou komen, maar dat deed ze niet. En het huis was al gekocht. Ja, dat van Simons. Dat is een verhaal apart.

(…)
Als je de mensen zo over de Manke hoorde praten kende hun sadisme, hun moordzucht en hun vindingrijkheid geen grenzen. Zij mochten dat allemaal, want zij stonden aan de goede kant. De krijsende big die een zeker zo hard krijsende Manke veroorzaakte moest afleiden van die gruweldaden die in de lucht hingen, moest ze, voorlopig dan toch, de wind uit de zeilen nemen. We hebben die smerige verraadster toch maar even goed te pakken genomen. Wat kan dat mens krijsen, onmenselijk gewoon, een varken is er niks bij, een normaal mens krijst niet zo.
Ik was begonnen te rennen zo gauw ik dat vliegtuig in de verte op me af zag komen, en ik holde minstens twee kilometer door zonder om te kijken, zo bang was ik en zo zeker dat het ‘t op mij gemunt had. Ik holde door, ook nog toen ik allang de knal gehoord had en het gevechtsvliegtuig, zoals ik later hoorde, tegen de schutting bij de smederij tot stilstand was gekomen en in brand vloog. De motor werd in het weiland teruggevonden.
Wat ben jij vroeg op school, zeiden ze tegen me. Een grote jongen zei: Je hijgt zo en het lijkt of je een lijk gezien hebt.

(…)
Er zat een vliegtuig achter me aan, zei ik als verklaring waarom ik zo vroeg op school was. Hebben jullie de knal niet gehoord? Er knalt zo veel, zeiden de jongens, het is oorlog in de buurlanden, weetjewel. Later in de klas zei de grote jongen: Meester, Driek heeft een vliegtuig achter zich aan gehad, ze wilden hem ontvoeren. De meester gaf hem een tik en richtte zich dan tot mij: Is er iets van waar? Ja, meester, een Fokker, ik kon het kenteken zien, een DVII. Het was een Fokker, een door een Nederlander gebouwd vlieg-tuig, de best wendbare jager van de oorlog. Steeds weer, in de wedloop met de Engelsen en de Fransen om het beste vliegtuig is hij ze een stap voor, meester. Het machinegeweer kan door de propeller schieten. Door een slim systeem blokkeert die als men de trekker overhaalt, synchronisatie, heet dat. Door dat vliegtuig denk ik dat de Duitsers de oorlog zullen winnen, meester. Maar wat zullen de geallieerden doen als ze Fokker te pakken krijgen? Een Nederlander die de Duitse nationaliteit heeft aangenomen om voor de Duitsers gevechtsvliegtuigen te bouwen. Er zijn daardoor heel wat slachtoffers gevallen en de strijd in de lucht is daarmee vaak in het voordeel van de Duitsers is beslist. Mata Hari, de wereldberoemde nachtclubdanseres, ook van Nederlandse nationaliteit, die voor de Duitsers gespioneerd zou hebben, hebben ze gefusilleerd. Zouden ze dat ook met Anthony Fokker doen? Hij is toch in vreemde krijgsdienst! Ik denk, eerlijk gezegd, meester, dat ze hem heel anders zullen behandelen. De Belgen zullen hem misschien graag een kogel door zijn kop jagen, al was het maar uit wraak op de Duitse officieren waaraan hun eigen vrouwen van stand zich overgeven. Maar de Engelsen en de Fransen, die zelf vliegtuigen bouwen, maar niet zulke goede als Fokker, zullen hem voor zich laten werken. Ze zullen hem opnieuw de Nederlandse , de Franse of de Engelse nationaliteit geven of de Amerikaanse als dat beter uitkomt. Ze zullen van zijn kennis en kunde gebruik maken. Zo gaat het toch altijd meester. Op het eind krijgt hij nog een lintje, meester, of een kruis van verdienste, meester. Maar Mata Hari niet, die wist te veel, die zou een boekje open kunnen doen, zowel over de seksuele spelletjes van de Franse als van de Duitse hoge officieren, meester. Want ze heeft zowel in Berlijn als in Parijs gewoond. Eigenlijk is Mata Hari een omgekeerde Manke, meester.
Ik wist eigenlijk niet of ze op mijn school wel eens van de Manke gehoord hadden, die kroop immers in een ander dorp naar de kerk, er zaten geen jongens op deze school die net als ik in het andere dorp naar de kerk moesten.
Iedereen vindt Mata Hari mooi, alle mannen willen met haar naar bed, meester, alle vrouwen weten dat hun mannen met Mata Hari naar bed willen. Degenen die met haar naar bed zijn geweest willen haar dood omdat dat geheim met haar het graf in moet. De anderen willen haar dood uit wraak en frustratie dat zij niet met hen naar bed is geweest. Want Mata Hari is mooi en dus is ze een hoer en gaat ze met iedereen naar bed. Zoals de Manke een heks is die de mensen kwaad berokkent omdat ze mismaakt is en die dus wel voor de Duitsers zal werken . Dus die moeten de mond gesnoerd worden, meester. En definitief, meester, en grondig ook. Want dat mag bij een hoer en dat mag bij een heks, meester. Daarmee doe je geen kwaad, integendeel, meester.
Jij moet je door die vroegere collega van mij niet vanalles wijs laten maken, zei de onderwijzer. Jij hebt dat allemaal niet van jezelf, wij weten met zijn allen waar jij je wijsheid haalt. Waar heeft die man zijn verstand dat hij die rimram tegen zo’n snotneus vertelt! Het was waar. Als ik me vragen stelde over dingen waar ik eigenlijk met niemand anders over kon praten, dan legde ik die aan de Gekke Onderwijzer voor. Alleen over mijn klootzak van een broer praatte ik niet met hem.
Heeft u een hond, meester? Weet u dat de mitrailleurs van het Belgische leger door honden worden getrokken en dat de meesten al dood zijn voor de slag aan de IJzer is begonnen? En wist u, meester, dat de Nederlanders omdat ze zogenaamd neutraal zijn de haven van Antwerpen blokkeren zodat de Engelsen België niet kunnen bevoorraden? Wij zetten Belgische soldaten die onze kant op gevlucht zijn vast in gevangeniskampen, meester. Voor al die dingen zullen de Duitsers ons wel erg dankbaar zijn.

(…)
Ik riep dat dan wel allemaal en was opnieuw begonnen over Mata Hari en over Henry Fokker en dat niets erger was dan zo’n pak slaag en ook dat ik voortaan dwars door de mensen heen keek, niet alleen door hun kleren maar ook door hun schedel. Door hun kleren… en de meester was daar zelf het slachtoffer van, want hij lichtte zijn been met gebogen knie steeds een beetje op en daarom zeiden de jongens ‘hij plakt’ en nu zag ik inderdaad een enorme uitgezakte zak tegen de binnenkant van zijn linkerbeen aan hangen die hij met een hand via zijn broekzak steeds probeerde weg te duwen terwijl hij tegelijk zijn been optilde. Ik zag ook dat het niet hielp, dat het monsterachtige ding zich weer meteen daarna tegen zijn dijbeen aan vlijde. Maar terwijl ik door bleef praten over alles wat me dwars zat en ook over wat me niet zo zeer dwars zat als dat het gewoon op dat moment in me opkwam, terwijl ik door bleef praten was ik ondertussen al lang in de kolenkelder terechtgekomen, de plek waarin de onderwijzers kinderen voor straf of omdat ze gewoon lastig waren opsloten. En terwijl ik in mezelf nog steeds doorpraatte zag ik een straaltje zon door een raampje komen, eigenlijk was het geen raampje, het was een raamopening vlak boven de grond buiten met daarin zwarte, ik dacht zeskantige, horizontale tralies, en in het straaltje zonlicht zag ik het stof dat ik waarschijnlijk zelf had doen opdwarrelen toen ik de kelder binnenkwam en in de stilte hoorde ik nu een zacht tikken en zag iets glinsteren en achter de tralies nog net de schaduw van een hond verdwijnen en ik begreep dat die net zijn poot tegen de tralies had geheven, en ruiken deed ik het nu ook. Goed zo, zeik maar op de wereld, zei ik, schijt maar op de wereld, dat doe ik ook.
(…)

(uit: waarschijnlijk hoofdstuk nieuwe roman, Alles beter dan zo’n pak slaag. Jongen van 8 tijdens 1e Wereldoorlog. In HetWerk 63, literair kladschrift van Meurs A.M., 17e jrg 20 november 2013.
Bestellen (€4, tot 15 nov. 2018 geen verzendkosten, daarna plus €1,66)

Burgers en bezetters in WO2 uit Aan de Lange Weg van Meurs A.M.

Josje

Ze staan rijen dik om de bevrijders te verwelkomen. Josje Weels, Annekes schoonzus van verderop aan de Lange Weg, heeft een mooie zomerjurk aan en probeert op haar tenen naar voren te dringen om zeker te zijn van wat ze denkt te zien.
Jawel hoor! Op de voorste tank zitten de onderduikers die ze zo goed kent en vooral natuurlijk haar vriend Cor die ze zo gemist heeft sinds de onderduikershut achter hun huis is afgebrand en hij zich steeds verder weg moest schuilhouden. Hij is alweer voorbij, maar hij heeft haar gezien en heeft gezwaaid en kushandjes geworpen, maar natuurlijk komt hij op dit triomfantelijke moment voor geen goud ter wereld van die tank, dat snapt zij ook wel. Het jubelt in haar: de oorlog is voorbij en ik ben vierentwintig en verliefd en wanneer kunnen we gaan trouwen en kinderen krijgen? En ze denkt ook aan haar schoonzusje Anneke waar ze zo gek op is en die pas een baby heeft gehad: zou die alweer de straat op kunnen om de bevrijders te zien?
Ze moet haar enthousiasme kwijt, wil iets doen, iets geven aan die lachende Engelse, Amerikaanse soldaten – wat zijn het? Wat doet het ertoe! – en dan ziet ze op een open plekje tussen al die voeten een mooie geslepen steen liggen en raapt die op en wil die geven aan een van die jongemannen of eigenlijk aan al die lachende “hello!” roepende jongemannen. Het stelt niets voor, het had om het even wat kunnen zijn, het gaat om het gebaar en ze dringt zich naar voren, naar de jeep die net passeert en steekt haar hand met de steen uit en de breed lachende gebruinde soldaat in de jeep steekt eveneens zijn hand uit en dan stoot iemand tegen haar arm en valt de steen met een klap op de treeplank, een geweldige klap, iedereen schrikt ervan, Josje vooral, en het lijkt even stil, en in die stilte hoort ze een gehate stem: “Wat! Moet jij onze bevrijders met stenen gooien!”
Het is de man die haar al zo vaak is lastiggevallen, vooral ’s ochtends op de fiets omdat ze gedeeltelijk dezelfde route naar hun werk hadden. Maar dat zal nu wel afgelopen zijn want hij werkte op het vliegveld voor de Duitsers. De man die zich sinds het begin van de Duitse bezetting Neuenhaus heeft genoemd en nu wel weer gewoon Nieuwenhuis zal heten, en die haar nu een kunstje wil flikken om de aandacht van zijn eigen pro-Duitse houding af te leiden.
“Je hebt ook al met een Duitser in het hooi gelegen!” roept Nieuwenhuis. Hij doelt op het goede contact dat ze heeft gehad met een Duitse soldaat die in het patronaat lag ingekwartierd. Deze had een neef die zij kende uit haar geboortedorp vlakbij de Duitse grens, waaruit haar familie op haar twaalfde is vertrokken. Zij en de Duitse soldaat hadden er vaak over gepraat hoe toevallig het was aan welke kant van de grens je woonde en hij had haar regelmatig eten meegegeven dat zij goed kon gebrui¬ken voor de onderduikers, en dat wist hij dan weer niet. Ook had ze hem verteld van haar twee Duitse schoonzusjes, wier broers op een gegeven moment in het Duitse leger in Frankrijk moesten vechten, maar waar ze nu waren wist niemand.
Maar op dit ogenblik krijgt ze tranen in haar ogen om zoveel brutaliteit, om het onrecht dat ze beschuldigd wordt, en door wie!
Ze moet het op het politiebureau komen uitleggen en is nog steeds te verontwaardigd om alleen te gaan, maar dat hoeft ook niet. Haar oude vader gaat woedend mee en herinnert Neuenhaus, die ook is opgeroepen, eraan dat deze in het begin van de bezetting demonstratief het portret van de koningin van het behang heeft gescheurd. Ach, eigenlijk weet iedereen in het dorp, dus ook de politie wel hoe het werkelijk in elkaar zit. En Josje lacht alweer als ze buiten komt en daar Cor ziet staan wachten, men was hem meteen het voorval gaan vertellen, en hij wacht niet alleen op haar maar ook op Neuenhaus om die een pak slaag te geven. Maar die wordt een poosje vastgehouden.
“Er is toch nog rechtvaardigheid, hè schat!” lacht Josje en slaat een arm om Cor heen. “Kom, jongen, we zijn vrij, laten we gaan trouwen en veel kinderen krijgen!”

(uit Aan de Lange Weg 3e dr van Meurs A.M. pag.15 t/m 17)

(…)

 

(ill. Ufuk Kobas)

 

Oorlog

Josje

We gaan vier jaar terug. Nederland is vier maanden door de Duitsers bezet als Josje Weels die twintig jaar is, vanaf de Lange Weg over Sas naar de stad fietst, naar de Glaspoort van Philips in het stadsdeel Strijp, het trommeltje met de door haar moeder gesmeerde boterhammen onder een riempje op de bagagedrager. Nieuwenhuis die in het militaire dorp van Sas werkt, rijdt daar vaak op dezelfde tijd.
“Ik heb liever dat jij niet met mij meefietst,” zegt Josje, “want jij werkt voor het Duitse leger.”
“En wat denk je dat ze bij Philips doen, dom ding?” zegt Nieuwenhuis.
“Wij zijn in ieder geval niet voor de Duitsers,” zegt Josje ferm. Behalve die ene baas dan, denkt ze. Die zal bij de bevrijding met bureau en al op een vrachtwagen afgevoerd worden. En met diegene die zich, zo gauw de Duitsers er waren, Neuenhaus heeft genoemd, zal het niet veel beter aflopen.
“Waarom denk je dat er bij jullie zoveel Duitse soldaten rondlopen?” gaat Nieuwenhuis pesterig verder. “Je hoeft helemaal niet voor ze te zijn als je maar voor ze werkt. Ze zijn slim genoeg, slimmer dan wij.”
Josje denkt aan de Oekraïners die door de Duitsers bij luchtalarm het dak opgestuurd worden om het afweergeschut te bedienen.
Als de meisjes in de lunchpauze de ijzeren trap afdalen, komt hen over de volle breedte van de trap een groep Duitse soldaten tegemoet met de bedoeling de meisjes opzij te dwin¬gen. Maar Josje zegt: “Wat ben ik moe!” en gaat midden op de trap zitten, zodat de soldaten wel om haar heen moeten, en niet alleen de meiden, ook de Duitsers schieten in de lach. Ziezo, denkt Josje, ieder zijn oorlog.
Wanneer ze in haar broodtrommeltje kijkt, ziet ze dat er blokjes paardevlees op het brood zitten. Dat lust ze niet en ze eet niet. Het is tegen de avond een lange tocht van Philips naar huis, en vermoeiend, zeker als je de hele dag niet hebt gegeten, want ’s morgens vroeg voor ze naar het werk gaat eet ze nooit. Ze is laat, want ze had een “lekitimatiebewijs”, zoals moeder zei, op moeten halen.
Vanuit de verte heeft ze het al gezien, er staan een heleboel mensen voor hun huis. Ze pakken haar fiets aan en duwen haar naar binnen: “Ga maar gauw, Josje, want je moeder is niet goed geworden.” Dat was niet voor het eerst en de vorige keren was moeder er ook altijd weer bovenop gekomen. Aan het bed van haar moeder zit Anneke die sinds drie dagen haar schoon¬zusje is, en misschien was die trouwpartij moeder wel teveel geworden. Ook Annekes eigen moeder hadden de tranen in de ogen onder het witte mutsje gestaan toen ze de kerk uitkwam en ze had er een zakdoek bij moeten pakken. Het was ook wat, dat op één dag de laatste twee van je vier dochters trouwden en dat in de oorlog!
“Dag moeder, hoe gaat het?” zegt Josje tegen haar moeder die flets glimlacht en dan weer haar ogen sluit. Moeder was de hele dag onrustig geweest. Ze liep steeds naar de voordeur en zei: “Waar blijft vader toch?”
“Die zal zo wel komen,” zei de buurvrouw dan. Het was heel gewoon dat vader bij goed weer tussen de maaltijden niet thuis was. Moeder was steeds op zoek naar brandhout en liep ook telkens naar het winkeltje.
“Vrouw Weels, u bent al wel drie keer geweest voor een builtje suiker,” zei de vrouw van het winkeltje. Dat waren protestante mensen. En toen moeder terug naar huis wou, wilde ze achterom, langs de oude Gender, terwijl ze normaal goed wist dat het daar met prikkeldraad afgezet was. Terwijl ze naar de oude Gender liep viel ze opeens, op haar zij, alsof ze door een windvlaag van opzij werd omvergeblazen. Zo bleef ze liggen.
“Moeder, ik val flauw van de honger, ik moet gauw iets eten,” zegt Josje en loopt naar de keuken waar een pan stamppot met worst en een varkenspootje op de kachel staat. Terwijl ze uitgehongerd aan de keukentafel zit te eten, ziet ze door de geopende deur Anneke aan het bed van haar moeder zitten. Ze kan niet stoppen, zo`n honger heeft ze, en ze eet de hele pan bestemd voor vijf personen leeg.
Nog dezelfde avond sterft haar moeder. Het laatste eten dat moeder voor het hele gezin heeft klaargemaakt, heeft Josje in haar eentje opgegeten. Steeds ziet ze zichzelf daar aan die keukentafel, en door de geopende deur Anneke aan het sterfbed van haar moeder zitten. En ze blijft herhalen: “Maar moeder, hoe kon ik weten dat het je sterfbed was en ik had zo`n honger en ik lust geen paardevlees!”

“Ze wisten vast dat wij van de grens komen en Duitsers gewend zijn en daarom hebben ze de lelijkste Duitser die ze hadden op ons afgestuurd,” zei mijn broer Leo altijd. De soldaat Knal, die bij ons was ingekwartierd, was inderdaad erg lelijk. Hij noemde zich Flieger Knal, ook op zijn postkaarten naar de Heimat, en hij werkte ook wel op het vliegveld maar dan om aardappels te schillen. Hij werd erg geplaagd, bijvoorbeeld wanneer hij aan de gootsteen uitgebreid zijn ene tand stond te poetsen. We reageerden onze ergernis aan de bezetter op hem af, maar hij bleef er kalm onder, hij deed meestal of hij het niet verstond.
Het moest wel sportief blijven, vond mijn moeder. Een buurmeisje bij ons op bezoek had gloeiend hete thee over zich heen gekregen, men wilde “die Duitser” de schuld geven, maar moeder wist dat dat onzin was en nam hem in bescherming.
Hij was net zo ondersteboven als wij toen zij plotseling overleed. Bij zijn afscheid een jaar later, zei hij het nog: “Die Frau Mutter hat doch immer für mich auch Pappe gemacht.” Of zoiets. En hij sloeg zijn hakken tegen elkaar en zei: “Herr Weels, ik wens u het allerbeste! Heil Hitler!” Mijn vader had kalm aan zijn pijp getrokken en gezegd: “Die beste wensen neem ik graag van je aan, Knal, en geef ik jou ook, maar met die Hitler kun je de pot op.” Knal was gewoon vertrokken.

Het was wel eens moeilijk voor Josje toen er zich in het tweede oorlogsjaar onderduikers nestelden in een hut in het broekland achter hun huis. Met name in verband met Knal. Hij mocht niet weten dat zij hun eten bracht. Zeker moest hij niet net thuiskomen als zij met een lege pan uit het riet kwam. Maar hij was vrij stipt in zijn komen en gaan. Eigenlijk waren de leveranciers en leurders, die gewend waren op de gekste tijden achterom te lopen en waarvan een enkeling bij de NSB was, veel gevaarlijker. Knal mocht vooral niet merken dat er in huis eten bewaard werd voor de onderduikers, dat bovendien nog vaak uit het patronaat, dus van de Duitsers kwam.

Er zit vanalles hier achter ons huis. Zowel jongens hier uit de buurt als twee broers helemaal uit Drenthe. Meestal zit er wel zo`n man of zeszeven. En allemaal omdat ze niet in Duitsland willen gaan werken.
Een van die jongens uit Drenthe heeft zelfs al in Duitsland gewerkt en is ontsnapt. Hij had in eerste instantie toestemming gekregen om een gek uit zijn dorp, die per vergissing ook via de Arbeidsdienst in Duitsland was terechtgekomen, naar huis te begeleiden. Toen de toestemming werd ingetrokken stapte hij toch op de trein, maar zonder de gek. Als de trein wordt ge¬controleerd, wordt het een scène uit een film: een non die de paniek in zijn ogen ziet, geeft een teken dat hij zich onder haar habijt moet verstoppen.
Altijd als hij dat verhaal vertelt, vragen ze niet: “En hoe is het verder gegaan?” want ze zien hem voor zich, dus zal het wel goed zijn gegaan, maar: “En hoe was het onder die rok?” En hoewel ik ook graag lach en natuurlijk ook hierom, moet ik toch altijd aan die gek denken, wat er met hem zal zijn gebeurd.
Ze zijn gehaaid genoeg die jongens. Die uit Drenthe zijn niet katholiek en hebben allang geleerd dat ze dat in Brabant niet moeten laten merken, willen ze eten en onderdak krijgen. Want dat is de eerste vraag die bij de boeren opkomt. Daarom hebben ze altijd een rozenkrans bij zich, die ze achteloos uit hun zak laten bungelen of bij een maaltijd uit hun achterzak halen en naast hun bord leggen, omdat ze er niet op willen zitten. Hetzelfde als ze ergens mogen slapen, het zijn gevoelige jongens die niet zomaar op de spullen in hun broekzakken gaan liggen en altijd komt als een van de eerste dingen die rozenkrans te voorschijn.
“Ik zie het al,” zegt de boer of boerin, “ik hoef verder niks te vragen.”

Dan staat opeens de hut in brand! Ook veel van het riet er om¬heen brandt af. Is het verraad? Hebben ze een jonge jongen die het bij zijn NSB-ouders niet uithoudt ten onrechte vertrouwd? Of is de jongen met zijn stoel tegen de kachel in slaap gevallen? De brandweer is er snel bij, met de net nieuwe motor-spuitwagen. Maar ze komt niet verder dan tot aan de oude Gender vlak achter de huizen, die meestal droogstaat en vol rotzooi ligt, vooral van de garage aan de overkant van de Lange Weg. Met spades modder wordt het vuur om de hut heen gedoofd. Ook de politie komt eropaf, en de Duitsers. Omstan-ders proberen de Duitsers nog te laten geloven dat het om een speelhut voor kinderen gaat, maar daarvoor is hij te professio¬neel ingericht. De Duitse commandant vindt het naambordje van de hut: “Het Roosje”. Hij vindt het een verdachte naam, waarom weet ik niet.
Die nacht slapen de onderduikers op het zoldertje van onze keuken, waar je alleen van buitenaf op kunt komen. Ze moeten doodstil zijn, want in huis slaapt Flieger Knal. Het is een onhoudbare toestand en iedereen is dan ook blij als het dag is en Knal naar het vliegveld vertrekt om aardappels te schillen en de jongens een andere schuilplaats kunnen gaan zoeken. De Duitsers doen rondvraag in de buurt en blijken alle namen te kennen van de onderduikers die in “Het Roosje” hebben gezeten. Behalve die van Fer, mijn jongste broer. Die werd, hoewel hij ver in de twintig is, zelfs helemaal niet gezocht en is dus voor niets ondergedoken. Hij wordt er hevig om geplaagd.
De jongen die bij die non onder de rok heeft gezeten ben ik trouwens erg aardig gaan vinden, dus ik hoop maar dat hij niet te ver weggaat. Hij heet Cor.

Cor en zijn broer komen uit Drenthe, uit het veen. Hun vader is een goede turfsteker en aardappelrooier. Hij verdient veel maar drinkt het allemaal op. Tijdens de aardappeloogst houdt hij zijn kinderen, en dat moeten er minstens een stuk of zes zijn, thuis van school en laat ze met hem op het land werken. Maar ook het geld dat de kinderen verdienen zuipt hij op. Hij komt na het werk niet eens naar huis, gaat regelrecht naar de kroeg. Als hij wel thuis is, is het ruzie. In zo`n gezin ben je blij dat je het huis uit kan. Maar het was niet Cor zijn bedoeling dat dat via de Arbeidsdienst in Duitsland zou zijn.
Josje wil alles van Cor weten. Sinds Het Roosje is afgebrand is hij wel erg ver weg, in de bossen buiten het dorp. Josje vindt het wel spannend, ze vindt alles spannend, ook om daar eten te gaan brengen, maar ze moet met spijt toegeven dat het te riskant is, dat ze makkelijk gevolgd kan worden, en ze stopt er mee.
Vooral de goedlachse Duitse officier Jozef, die bij haar thuis langskwam vanaf het begin dat Flieger Knal bij hen was ingekwartierd, heeft er een handje van plagerig tegen haar te zeggen: “Waar is Cor toch tegenwoordig?” Josje weet niet goed wat ze aan hem heeft. Hij lacht altijd zo hard dat de medailles op zijn borst rinkelen, maar hij weet de namen van alle jongens die in Het Roosje hebben gezeten, hij moet met de kermis gezien hebben dat de jongens daar ook zijn, hij gooit die avond zijn medailles over straat, maar de volgende dag draagt hij ze weer. En, heeft ze zich laten vertellen, hij brengt dan wel altijd wat voor de familie mee maar pakt toch ook steeds naar de holster van zijn revolver als hij achterom komt lopen.
De onderduikers gaan gewoon bij de watermolen in de Dommel zwemmen, tussen de kampeerders en dagjesmensen. Hoe meer mensen hoe veiliger. Maar ze spelen ook een spelle¬tje met Fer zijn schoen in het water. Daar kan Josje zo kwaad om worden! Het is zo makkelijk om Ferrie in de maling te nemen. Al moest ze misschien geen medelijden met hem hebben, want had hij niet de aansteker die zij van Cor had gekregen verkocht en het geld er doorheen gedraaid? Zou Jozef zo vaak bij hen thuis komen om via Fer wat meer te weten te komen?

“Laat de jongens maken dat ze wegkomen, want er is een zwijn gestolen!” Het is Jozef die naar haar roept vanaf het dak van de sigarenfabriek waar ook Duitsers zijn gelegerd en ze roept terug: “Ja goed, dag Jozef.”
Ze vraagt zich af wat er aan de hand is: is er iemand opge¬pakt voor het stelen van een varken en heeft die de schuld aan de onderduikers gegeven, misschien zelfs de plaats van de hut verraden? Of wil de slimme Jozef op deze manier de plaats van de hut te weten komen?
Het is een prachtige hut, die tweede, in de bossen tussen Steensel en Riethoven, bijna helemaal onder de grond want de bodem is hier niet zo drassig als in het broekland achter hun huis, met raampjes vlak boven de grond en een ontsnappingsgat aan de achterkant. Er hangen kleden aan de wand en ze hebben er zelfs een SS-uniform.
Het oude moedertje had wanhopig een van de onderduikers aangeklampt om haar wat simpele zoon onder te laten duiken, want hij had zich zonder dat zij van iets wist over laten halen om bij de SS te gaan en was plotseling in dat uniform thuisgekomen. Ze was zich doodgeschrokken, had hem het uniform meteen uitgetrokken en hem in bed gestopt tot zij het onderduikadres had gevonden. Vooral Theo, Cor’s broer maakt veel gebruik van het uniform, hij komt er mee tot in Hilversum om eten te brengen. Josje zegt het vaak: vooral Theo en hun vriend Alex durven alles.

“Het is Jozef!” roepen de onderduikers naar elkaar als ze door het raampje vlak boven de grond de Duitsers recht op de hut af zien komen marcheren. En misschien omdat ze hem zo goed kennen en bij andere gelegenheden wel eens vlak naast hem gestaan hebben en zelfs wel eens iets met hem gedronken hebben, denken ze nu te laat aan vluchten. Behalve Cor.
“Komm daraus, komm daraus!” roept Jozef al van ver.
“Het is Jozef!” roepen de onderduikers alsof dat een geruststelling is. En inderdaad komt Jozef aan het hoofd van twintig manschappen recht op de hut af marcheren. Maar waarom doet hij dat en roept hij in plaats van de hut stiekem te omsingelen?
“Waar is Cor toch gebleven?” zegt Jozef plagerig tegen Josje.
“Smeerlap, je hebt ze zelf laten arresteren,” zegt Josje.
“We hadden gehoord van een feestje en wij wilden ook naar het feest,” lacht Jozef. Er was inderdaad een soort feestje in de hut waarbij ook onderduikers van elders aanwezig waren. Hoe wist Jozef dat? Ferrie? Zat daar Jozef achter dat Fer niet gezocht werd voor de Arbeidsdienst? Of wist Jozef het toch van degene die het zwijn had gestolen?
Cor heeft er nog over gedacht om zich ook maar aan te geven nu al zijn kameraden zijn opgepakt en de hut is vernietigd. Maar als zijn broer Theo en zijn beste vriend Alex op transport naar Duitsland al bij Venlo uit de trein weten te springen, is hij blij dat hij niet heeft opgegeven. Hij vindt onderdak bij een, vanzelfsprekend, katholieke boer. Hij hoeft niet mee te bidden, ze weten dat hij niet godsdienstig is opgevoed, maar de boerin zegt wel hoe mooi het zou zijn wanneer Cor nog tijdens zijn verblijf bij hen zijn Eerste Communie zou doen. Voor Josje hoeft het niet, hij mag van haar gewoon blijven zoals hij is.

Het blijft een vreemd ding zo`n oorlog, zeker als je jong bent, alles is anders want de Duitsers zijn de baas, maar eigenlijk gaat het leven gewoon door en het is ook spannend, want je voelt je een baldadig kind als je de bezetters een loer kunt draaien. Eigenlijk ben je voortdurend zoals alle jongeren in opstand tegen het gezag maar in de oorlog is dat met toestemming van en zelfs aangemoedigd door de ouderen.
Als je in een café wat te luid zegt dat je viavia hebt gehoord dat het met de Duitsers in Frankrijk niet zo best gaat, komt er zo`n figuur met een lange jas naast je staan en laat zwijgend een speldje achter zijn revers zien.
“Mooi speldje,” zegt Josje. “Is het te koop?” En de zwijgende figuur gaat even zwijgend weg.
Maar als ze op straat voor het café zegt: “Daar is de zoon van de geitenboer die de onderduikers heeft verraden,” wordt ze door de jonge NSB’er in elkaar geslagen. Ook zijn vader is een fanatieke NSB’er, op hun huis staat Nooit Gedacht, en dat staat op veel huizen, maar als de Duitsers de oorlog beginnen te verliezen, wordt daar flink, zij het nog voorzichtig, om gegniffeld.
Bij Bergeijk, op de weg naar de grens, staat een Nederlander die soldaat is in het Duitse leger op de meest gekke tijden mensen aan te houden, te fouilleren en op te brengen. Iedereen in de buurt heeft de pest aan hem. De weer ontsnapte onderduikers Theo en Alex nemen hem te pakken en laten hem voor halfdood aan de weg liggen. Het volk, ook de boeren, lacht in zijn vuistje. Het enige dat de Duitsers doen is een avondklok instellen. Dat heeft iedereen er graag voor over. Verder gebeurt er niets, er wordt niemand opgepakt, niemand verhoord. Het lijkt erop dat de Duitsers ook met de fanatieke¬ling in hun maag zaten.
Ik geloof dat ik wel van een beetje sensatie hou, denkt Josje, zolang er met Cor maar niks gebeurt. Eigenlijk is dat maar een lauwe oorlog hier bij ons. Iedereen, de burgemeester, de politie, de ambtenaren, is gewoon op zijn post gebleven. Er is maar een enkeling echt pro-Duits, zoals er blijkbaar ook maar een enkeling fel anti-Duits is. We ergeren ons aan de arrogantie van de Duitsers, spotten ermee, helpen onderduikers, maar er is geen gewapend verzet of sabotage en er worden ook geen mensen vastgezet, gemarteld, laat staan terechtgesteld. Frans de Lepper komt met een geladen revolver bij café van Oers binnen en iedereen schrikt zich rot, want dat had hem wel zijn kop kunnen kosten, maar Frans is een voddenkoopman die van alles weet op te scharrelen, en het ding wordt snel weggewerkt. Er valt wel eens een klap, maar dat was voor de oorlog ook al het geval. Politieagent Oud had daar altijd al een handje van. Hij slaat mensen recht in het gezicht als ze in de weg staan of geen of een verkeerd antwoord geven, en hij is dat in de oorlog gewoon blijven doen. Burgemeester Van Tuin komt bij je thuis om je over te halen om de Duitse Winterhulp te steunen. Maar als je blijft weigeren gebeurt er verder ook niks. En dezelfde vrouw die geweigerd heeft mee te doen aan de Winterhulp, accepteert wel dat er elke middag zes Duitsers die in het patronaat gelegerd zijn hun boterham bij haar thuis komen opeten.
Er zijn al heel wat kinderen van Duitsers geboren. Het valt natuurlijk niet goed te keuren, maar wat doe je eraan, vindt Josje, zo is het leven. Die Duitse jongens zijn al bijna vijf jaar hier, vijf jaar lang zijn de meisjes verliefd op ze kunnen worden. Onze jongens die in Duitsland moeten werken gaan daar toch ook met Duitse meisjes! Het is natuurlijk niet helemaal hetzelfde maar toch. En daar zijn vast ook kinderen van gekomen. Het is allemaal niet zo eenvoudig, denkt Josje.

Nu de geallieerden al in België staan, is burgemeester Van Tuin opeens ondergedoken. Die wil vast nog als verzetsheld uit de oorlog komen in plaats van als promotor van de Duitse Winterhulp. En Josje heeft ook gehoord dat de vrouw die geweigerd had mee te doen aan de Winterhulp, maar wel de hele oorlog bij het middagmaal Duitsers in huis had geaccepteerd, dat had gedaan omdat ze een keer in de tuin naast haar een glimp had opgevangen van de volwassen buurjongen, die dus in zijn eigen huis zat ondergedoken. Ze had geacht: daar moeten de Duitsers dus niet gaan eten. En ze had het de hele oorlog voor zich weten te houden, dat van die buurjongen.

Nadat al die geallieerde vliegtuigen zijn overgevlogen en Sas zo ongelukkig is getroffen, hoort Josje dat de eerste Engelse pantserwagen vanuit het zuiden via de noodbrug over de Dommel het dorp is binnengekomen. Als een tank het ook probeert, stort de brug in en kantelt de tank. Het blijft die dag bij die ene pantserwagen die de weg door Sas en om het vliegveld heen wordt gewezen, waar hij ten noorden van de stad contact kan leggen met de Amerikanen die daar zijn gedropt.
Maar nauwelijks hebben sommige helden gehoord van de Engelse pantserwagen, of ze hebben een van de dochters van een doodarm gezin, waarvan de vader om den brode bij de NSB was gegaan, uit huis gehaald om haar in het openbaar kaal te scheren. Gelukkig wordt dat door een man met de revolver in de hand verhinderd.
En dan komen de tanks met daar bovenop Cor vanuit het westen over de Lange Weg Josje tegemoet rijden en probeert Nieuwenhuis nog iets even belachelijks als zieligs met haar uit te halen. Maar dan is de oorlog ook voor haar voorbij.

(uit Aan de Lange Weg 3e dr van Meurs A.M. pag.20 t/m 31)

(…)

De Vrouwen van de Eerste Huizen

“Wat één ding betreft kan ik je wel helpen,” zegt Hanna Bosmans. “Jullie hadden op het eind van de oorlog wel een schuilkelder in de tuin. Het heeft de hele oorlog geduurd voor het zover was, als hij thuis was zag je Leo altijd graven. Ik mag zeggen dat ik hem aardig ken, want ik kom zelf ook uit Gelderland, en hij was niet een van de vlotsten maar wel altijd bezig, meestal met zijn verzekeringen en anders in zijn hof.”
“Ja, hij keek nooit op als je voorbijkwam,” zegt de oudste dochter van Meijer met haar zware stem.
“En als je naar hem riep, keek hij met tegenzin,” zegt Hanna Knietel die heel vlug praat en een beetje sproeit. “Alsof hij bang was dat je bleef staan om een praatje te maken. Nou, denk ik dan, ik ken wel gezelliger mensen om een praatje mee te maken. Maar je wilt toch ook niet voorbijlopen zonder iets te zeggen, of wel soms? Dat deed je toch zeker niet in die tijd!”
“Maar voor jouw tante Josje haal je wel wat naar boven,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen. “Ze vraagt zich af of jij weet dat ze met haar kinderen nog wel eens naar de krater is gegaan waar de tweede onderduikershut is geweest en waar de onpeilbare Duitse officier Jozef handgranaten in had laten gooien. Ja hoor, wel nadat iedereen eruit was.
Over de sfeer in die oorlog zegt je tante Josje dat we niet veel op hadden met de Duitsers maar dat er toch meer kinderen van Duitsers dan van Canadezen zijn geboren, hoewel die laatsten de naam hadden. Ze blijft zeggen: zo is het leven. Als het haar dochters geweest waren die een relatie met een Duitse jongen hadden, zou ze erover gepraat hebben en gezegd dat het beter was van niet, maar ze zou het niet absoluut hebben verboden. We kunnen je trouwens alvast verklappen dat we het trouwboekje van je tante Bet en je oom Toontje hebben gevonden. We lachen ons rot.

(uit Aan de Lange Weg 3e dr van Meurs A.M. pag. 48)

(ill. Ufuk Kobas)

De roman Aan de Lange Weg bestellen

Godfried Bomans en de Rode Jeugd in Mijn Liefde is scharlakenrood van Meurs A.M.

(uit Mijn Liefde is scharlakenrood, deel 2 Rooie Willem)

1966
Een vliegende start
Rooie Willem zit in de gevangenis met drie van zijn kornuiten, elk in
een aparte cel. Dat mag hij zo niet zeggen, vindt de politieman die hem
verhoort. Een gevangenis is een huis van bewaring, hier zit hij in een
politiecel.
Het zal u inmiddels bekend zijn dat, als een wilde reactie op de
staking in Amsterdam en andere plaatsen, een viertal jongeren uit de
redactie van de Rode Jeugd is gearresteerd. Wij eisen de ONVOORWAARDELIJKE EN ONMIDDELLIJKE VRIJLATING van onze
dappere vrienden die de werkelijke, representatieve vertegenwoordigers
zijn van de Nederlandse Jeugd.
“Waarom hebben jullie ons gearresteerd? vraagt Rooie Willem.
“Niet gearresteerd, aangehouden,” zegt de agent.
“Zeker net van de politieschool dat je dat allemaal zo precies weet,”
zegt Willem. “Hou op met je gezeik en laat ons gewoon vrij. Of geef ons
tenminste een advocaat.”
“Daar heb je nog geen recht op,” zegt de politieman, “je moet het
nog even alleen met ons doen. Wij mogen je hier zes dagen houden, en
dan kunnen we natuurlijk verlenging aanvragen.”
“Rot op!” zegt Willem. “Laat ons vrij, we hebben niks gedaan.”
“Jullie worden ervan verdacht achter de rellen van 14 juni te zitten,
jullie hebben opgeroepen vernielingen aan te richten.”
“Dat pamflet gaat over Amerikaanse gebouwen en over Vietnam,
man!” zegt Willem. “Kun je niet lezen?”
Hierboven een klein en zeer onvolledig lijstje van Amerikaanse
ondernemingen en instellingen, waar wij de volgende dingen zouden
kunnen doen: ruiten ingooien, muren volkalken met anti-Amerikaanse
leuzen, in brand steken, opblazen of iets dergelijks. Maar dat mag na-

88
tuurlijk niet, want die vriendelijke Amerikaanse jongens hebben van
god de o zo zware taak toebedeeld gekregen om onze westerse beschaving
(gas, napalm, bijbel en bommen) te brengen.
“Wij zijn niet de enigen die dat verband leggen,” zegt de politieman.
“Godfried Bomans heeft het ook gedaan, vanochtend in de Volkskrant.”
“En toen zijn jullie meteen naar ons adres gekomen, lekker makkelijk,
het adres stond op het pamflet.”
Op de Kloveniersburgwal zijn zaterdagmiddag 4 communisten gearresteerd
van het blad Rode Jeugd. Er was net een redactievergadering
bezig voor het al weken met bulletins aangekondigde jongerenblad. De
jongeren waren volkomen verrast, de kopij voor het eerste nummer werd
in beslag genomen. Die ochtend had Godfried Bomans zijn column op
de voorpagina van de Volkskrant aan hen gewijd onder de titel De Raddraaiers.
Bomans citeert het schotschrift waarin opgeroepen wordt tot
het aanvallen van Amerikaanse eigendommen vanwege wat genoemd
wordt de Amerikaanse misdaden in Vietnam. Bomans stelt op grond
van dit pamflet dat de Rode Jeugd verantwoordelijk gesteld kan worden
voor de rellen van 14 juni, waarbij talloze vernielingen werden aangericht
onder meerdere aan het gebouw van ons blad De Telegraaf en
waarbij het lange tijd duurde voor de politie ter plekke verscheen.
De agent is met Willem gauw uitgepraat, met Joop praat hij veel
langer, maar daar is Willem niet bij. Met de andere twee wordt na één
keer helemaal niet meer gepraat, die zijn alleen maar ziek en zeggen
dat ze naar huis willen. Heimwee. Bij een van de twee heeft de politie
een knuppeltje gevonden. Zegt ze. Volgens Willem hebben ze daar de
zwakste voor uitgekozen. De jongen vertelt jankend dat hij helemaal
geen knuppeltje bij zich had. Hoe kan de politie zo gemeen zijn! “Agenten
van het kapitaal,” zegt Willem, “ze zijn tot alles in staat.” Ze kunnen
even met elkaar praten tijdens het luchten. Maar dat is pas op de zesde
dag, de eerste vijf dagen werden ze apart gelucht. Ze worden behandeld
als misdadigers, op opruiing staat zes jaar. Na zes dagen worden
ze vrijgelaten onder voorwaarde dat ze zich ter beschikking houden om
voorgeleid te kunnen worden.

89
Ze hebben me geroyeerd. Ze probeerden er iets plechtigs en officieels
van te maken, de klootzakken. Ze voelden zich vast Stalin of Beria achter
die tafel die ze speciaal voor de gelegenheid zo neergezet hadden.
Normaal zaten we daar met zijn allen gewoon rond met een kop koffie
of een pils. Maar nu zaten zij, het bestuur van de afdeling Nieuwmarkt
van de Nederlandse communistische partij, achter de tafel en ik ervoor,
en achter mij enkele leden die het allemaal niet konden geloven en alleen
maar wachtten op een verlossend woord vanachter die tafel als: “Zo
genoeg komedie, wie pakt het kratje pils op de gang?”
Ik had een brief van ze gekregen, ze waren niet gek, ze lazen ook
kranten, en wat ze vooral dwars zat was dat wij, Rode Jeugd, die trouwens
nog opgericht moest worden, meer dan een blaadje waren we nog
niet, communisten genoemd werden. Want zij waren de enige communisten!
Maar ja, had ik zelf ook niet zo gereageerd als Trotskisten zich
communist noemden?
“Jij bent een instrument van de reactionaire roomse komiek Bomans,”
zei de voorzitter. “De roomse kliek van de Volkskrant heeft jullie
gelanceerd.” Dat laatste was misschien nog waar ook, al zal het niet de
bedoeling geweest zijn. Aan Bomans, die een hetzerig stukje over ons
anti-Amerika-in-Vietnam-pamflet had geschreven, hadden we niet alleen
zes dagen cel en een forse boete te danken maar ook ons succes.
De jongeren stroomden toe en de pamfletten werden ons zowat uit de
handen getrokken, iedereen wilde weten wat wij te zeggen hadden.
Na het royement ben ik met de andere leden nog een pilsje gaan
drinken bij Het Hoekje. De bestuursleden, die er normaal ook bij waren,
lieten zich niet zien. We hoorden later dat ze in een ander café
gezeten hadden waar ze normaal nooit kwamen. De schijters! En dat
was het dan. Ik ben er niet rouwig om. Er werd toch alleen maar geouwehoerd
op die bijeenkomsten. Het meest interessante onderwerp
voor die gasten was de laatste tijd of de communisten hun “rechtmatige”
wethouderszetel zouden krijgen. “Stop em in je reet, die zetel,” heb ik
tegen ze gezegd, “maar dan ook helemaal, dan kom ik em aanstampen.”
Ja, ik werd ook kwaad. Alsof er niks belangrijkers is, hier op straat,
waar mensen dagelijks in elkaar geslagen worden als ze demonstreren
90
of zogenaamd samenscholen, en in Vietnam. “Hierboven,” en Willem
kijkt naar het plafond van het café, “wonen een paar communisten die
de partij zijn uitgegooid vanwege het organiseren van Vietnamdemonstraties,
kun je nagaan! Uit de communistische partij gegooid worden
vanwege het organiseren van demonstraties tegen de Amerikanen die
zeggen het communisme te bestrijden in Vietnam! En dat allemaal omdat
de partij niet in conflict wil komen met het gemeentebestuur nu de
wethouderszetel lonkt.”
Ze is politiek onbewust, de jeugd, vindt Willem. De jongeren voelen
wel een sterk onbehagen over de Nederlandse maatschappij en over de
moordpartijen in Vietnam, er wordt niet voor niks zoveel gedemonstreerd
de laatste tijd, maar ze missen politieke achtergrond om het allemaal
te begrijpen. Dat komt omdat de jeugd het marxisme-leninisme
niet kent. En daar wil Willem met zijn blad Rode Jeugd wat aan doen.
De vakbonden, de socialisten, de traditionele communisten hebben
de zaak verraden. Dat was duidelijk bij de bouwvakkersopstand. Allemaal
hebben ze geweigerd een algemene staking uit te roepen, terwijl er
nota bene op arbeiders was geschoten en er een was doodgeslagen! Allemaal
hadden ze smoesjes om de arbeiders weer aan het werk te krijgen,
voor de een was het de openbare orde, voor de ander, de communisten,
de wethouderszetel van Amsterdam die in het vooruitzicht lag. Verraad,
vindt Willem. Net als met die Lages, die Duitser die 207 Nederlanders
heeft laten fusilleren. O, wat is-ie ziek! Hij was in 1949 al ter dood
veroordeeld. Als ze hem toen gewoon hadden doodgeschoten zoals het
hoorde, had hij zich nu niet meer ziek kunnen voelen. En hadden de
Duitsers niet op zijn uitlevering kunnen aandringen. Had Lages medelijden
met de zieke Joden die hij naar de gaskamers stuurde? De Duitse
oorlogsschepen liggen nota bene alweer in de haven van Amsterdam,
als onderdeel van de NAVO, met een Duitse ex-nazi aan het hoofd.
Hoe kan een mens nou vertrouwen hebben in de westerse democratie
als ie ziet wat er allemaal om hem heen gebeurt? In de scheepsbouw,
waar ze tijdens de bouwvakkersopstand ook gestaakt hebben, zijn nog
geen week later 150 mensen ontslagen. Of ze er op zaten te wachten,
91
die kapitalisten. Willem heeft het allemaal heel goed door. En hij zal
zorgen dat de andere jongeren het ook door krijgen. Al moet hij er dag
en nacht voor leuren met zijn krantjes. Natuurlijk moet hij ook werken,
maar dat hoeft geen eeuwige zaak te zijn, in de officiële communistische
partij hadden ze ook vrijgestelden, en bij een pilsje in de kroeg kun je
ook propaganda doen voor de goede zaak. P.S. Van Hall ten val. Ja, dat
is de burgemeester. Maar niet lang meer.

De Raddraaiers voor het gerecht. Vrijdag 15 juli 1966 was de grote dag
voor Godfried Bomans. Op die dag stonden vier redactieleden van Rode
Jeugd voor de rechter om zich te verantwoorden voor opruiing. Deze
was door Godfried Bomans persoonlijk gesignaleerd in De Volkskrant.
“Rechtspraak is altijd klasserechtspraak,” zegt Willem, “dat weet u
zelf ook. U kunt u niet losmaken van uw afkomst, wat deed uw vader
bijvoorbeeld? Justitie is altijd klassejustitie zolang er geen rechters uit de
arbeidersklasse voortkomen, en de vraag is of er in deze kapitalistische
maatschappij wel rechters uit de arbeidersklasse kunnen voortkomen
zonder klasseverraad te plegen.” Rooie Willem zweet.
“Mijn vader was kantoorbediende,” zegt de rechter, “maar ik geloof
niet dat dat iets met de zaak te maken heeft.”
“Kantoorbediende,” zegt Willem, “een verburgerlijkte laag van de
klasse van werkers, meestal geneigd de arbeidersklasse te verraden om
zich in te likken in de burgerij, maar het hoeft niet. Misschien stond uw
vader aan de goede kant.”
“Zou je ook iemand koud mogen maken?” zegt de rechter.
“Mag je 1000 Vietnamezen, vrouwen en kinderen, vermoorden?”
zegt Joop.
“Zou jij het voor jezelf kunnen verantwoorden om zo’n vliegenier
die Hanoi gebombardeerd heeft, op verlof is in Duitsland, naar Amsterdam
komt om zichzelf te vermaken, zou jij zo’n man te grazen willen
nemen?” zegt de officier. “Als daad van solidariteit met het Vietnamese
volk, zou dat volgens jou mogen?”
“Daar laat ik me niet over uit, edelachtbare, want als ik daar ja op
zeg laat u me daarvoor vastzetten en moet ik nog langer in een politiecel
92
doorbrengen,” zegt Rooie Willem.
“Nee, dan ga je naar een echte gevangenis,” zegt de rechter, “dat wil
je toch zo graag, daar is het volgens jullie toch beter dan in een politiecel?
Maar goed, ik mag niet aan uitlokking doen. Maar jullie moeten
toch eens je ideeën daarover een keer opschrijven, in een volgend pamflet
bijvoorbeeld?”
“Het was allemaal ironisch bedoeld, edelachtbare,” zegt Joop. Hij
ziet er echt uit als een overjarige student, denkt Rooie Willem.
“U moet weten dat u heeft te maken met Marxisten-Leninisten, niet
met anarchisten,” zegt Willem.
“Nou ja, zegt de rechter, “ik dacht dat jullie je onderscheidden van
die tamme communisten van de communistische partij en van die ludieke
jongens van provo, maar goed.”
“Waarom laat u zich door een column in een krant sturen?” vraagt
Willem. De officier van justitie zegt dat hij zelf ook een pamflet in
handen had gekregen. De RJ-leden beginnen te lachen. De officier van
justitie fluistert de rechter iets in.
“Wacht even,” zegt deze, “jullie zijn toch ook dat slappe stelletje dat
in bezit was van marihuana? Dat wordt dan nog een maand voorwaardelijk
en 75 gulden boete extra. Wegwezen nu,” zegt de rechter, “ik heb
genoeg van jullie, vooruit haal ze weg, huphuphup!”
“Hoe vaak trekt u zich af, edelachtbare?” roept Joop. “Ik bedoel, elke
gek kan van alles vragen en ons van van alles beschuldigen. Doet u het
in een zakdoek? Pas op hoor, ik laat uw was nakijken!”
“Neem die schoften mee!” schreeuwt de rechter.
“Denk erom, mijn vader heeft in het verzet gezeten!” zegt Rooie
Willem nog tegen een parketwachter die op hem afkomt.
“Gaat u alstublieft rustig mee,” zegt de parketwachter.
Twee van de vier verdachten gedroegen zich zeer timide en zeiden
geen woord in tegenstelling tot de andere twee. De zaal wordt ontruimd.
Niemand raakt hen aan.

De Rode Jeugdleden klimmen over een hek, vallen tegen een schuurtje.
Verdomme, dat is allemaal nat, pas geschilderd! Ze struinen door de
93
tuin van Godfried Bomans. Het is een stuk omheind duin. “Struin, tuin,
duin, kop als een ajuin,” zeggen ze tegen elkaar. Dan horen ze mevrouw
Bomans roepen: “Godfried, zet je de vuilnisemmer even buiten? Wat
ben je aan het doen?”. “Onkruid,” roept hij terug, “zonde om daar de
vuilnisbak mee vol te proppen.” “Dat kun je toch composteren, “ roept
zijn vrouw. “Maar dat trekt ongedierte aan, schat!” schreeuwt Godfried.
“Kom nou maar gauw binnen,“ roept zijn vrouw. “Je wordt nog ziek van
die rook.” Bomans trapt een half verbrand stuk papier uit en gooit het
in de ijzeren vuilnisbak. Dan gaat hij naar binnen.
“We hebben geluk,” zegt Joop. “We nemen die emmer mee, we vinden
daarin van alles wat we tegen hem kunnen gebruiken.”
Jezus, wat is dat ding zwaar! Daar moet toch eens wat op verzonnen
worden. Ze moeten die emmer wel terugbrengen, anders valt het
te veel op. Daar aan de rand van de tuin, op de weg de duinen in, is een
lantaarnpaal. Ze blijven met de emmer in de schaduw – optillen dat
ding, Joop, slappeling!, niet slepen, dan zien ze de sporen – nemen er
wat uit en bekijken het vlak tegen het hek onder de lantaarnpaal. Daar
is een man met een hond, uitkijken, jij doet niks anders dan kijken of er
iemand over die weg komt!
“Hij heeft een maîtresse!” zegt Joop. “Kijk maar, dit is een kladbrief
die hij zo juist heeft willen verbranden toen zijn vrouw hem riep. Dit is
het onkruid! Hij heeft er alleen gauw wat onkruid bijgedaan, de stiekemerd!
Moet je horen!
Kent U de Haarlemse hertenkamp? Vindt u dat niet prachtig, die zacht
golvende grasvlakte, met daar midden in, onder het donker geboomte, het
hertenhuis, als een soort Wirtshaus im Spessart? Zie, daar draait een hert
voorbij, luchtig verend op voor- en achterpoten, alsof het vanbinnen pluizig
is, zó vederlicht. (Joop bootst het hert na) En daar schudt een pauw ritselend
zijn diamanten waaier uit en staat te pronken, als een hoofdletter in een
middeleeuws brivier.
En wat een oude bomen staan hier! Hun rimpelige bast is overdekt met
namen, letters, harten en pijlen: de geheimzinnige runen van menselijke
genegenheid. Zie, hier staan twee harten gekerfd, rond “Jan” en “Maartje”,
en daaronder het jaartal 1872. Kloppen deze harten nog? Het is mogelijk.
94
Maar niet waarschijnlijk. Kloppen zij nog voor elkaar? Ook dit is mogelijk.
Ook dit is niet waarschijnlijk. Zelden blijven de dingen gelijk ze in de Haarlemmerhout begonnen zijn.
“Dat is platonisch, man!” zegt Hein. “Dat is hoofs geleuter.”
“Maar zelfs dan, het kan tegen hem gebruikt worden,” zegt Joop ,
“daar gaat het om. Misschien kicken ze op dat hoofse gedoe, als voorspel,
en daarna gaan ze tekeer als beesten. Leer mij die deftige lui kennen!
Nee, we gaan naar de dame toe of bellen of schrijven haar, citeren
uit de brief en vertellen haar van onze gevangenisstraf en de boete, dan
snapt ze wel dat ze moet betalen en zijn we toch nergens op te pakken.
En nu we toch hier zijn, zetten we eerst de vuilnisbak terug en gooien
dan een brandbommetje door een ruit, een kleintje, alleen als waarschuwing.
Ik heb wat bij me.”
“Er is een kind!” zegt Hein. “Blijf van dat huis af!”
“Nou ja,” zegt Joop, “dat kind slaapt aan de voorkant, staat in het interview
in Het Parool, wij opereren aan de achterkant, dat vuur is allang
uit voor het aan de voorkant is. Misschien moet je ook niets doen als dat
kind er is maar wel als het er niet is!”
“En als je je nou eens vergist? Jij gooit een brandbom en dat kind
is er wel. Of er logeert een ander kind. Of mevrouw Bomans heeft een
aantal nachten niet geslapen en slaapt nu abnormaal diep, al dan niet
met een slaappil, ze wordt niet wakker en ze stikt.”
“Ja, zo kun je nooit een revolutie beginnen,” zegt Joop. “Waar gehakt
wordt vallen spaanders, of zoals voorzitter Mao het zegt: ‘Om een peer
te proeven moet je hem eten’. Dat kind is een klein Bomansje, dat wordt
een Bomans en een Bomans is een vijand, daar hebben wij niet voor gekozen,
dat heeft hij zelf gedaan, een Bomans is een gevaar en we moeten
het gevaar in de kiem smoren.”
“Weet je, ik geloof dat jij een beetje ziek bent, eigenlijk geloof ik dat
je niet deugt,” zegt Hein.
Nog ruziënd over al of niet geoorloofde methoden in de revolutie,
waarbij opvallend veel de term “proportioneel geweld” valt, stappen ze
in Bloemendaal weer op de trein naar Amsterdam.
95

Het is een grof schandaal dat de vergoedingen voor Juliana en Bernhard
verhoogd worden. Het huis van Oranje is het rijkste ter wereld,
zoals bekend verondersteld mag worden. In deze tijd dat de arbeider
moet vechten voor enkele centen loonsverhoging, gaan de (hoge!) salarissen van de kamerleden met 25% omhoog, terwijl dit kabinet van de
Cals-kliek op allerlei broodnodige zaken bezuinigt.
Willem zit bij Hoppe voor het raam en kijkt uit over het Spui. Lages,
die 70.000 moorden op zijn geweten heeft, is vrijgelaten. Als je in
deze schijnheilige maatschappij een blaadje uitdeelt waarop PROVO
staat, krijg je drie maanden lik. Als je jonkheer of baron voor je naam
hebt en je bent student en je drukt bij een groentje een roetkap over zijn
kop en die stikt erin, krijg je een paar duizend gulden boete, minder
dan een cent voor de naar gestolen arbeidskracht stinkende rijke ouders.
Als je een blaadje uitdeelt waarin je spottend stelt: als wij nou eens
een klein beetje met Amerikaanse gebouwen deden wat de Amerikanen
met Vietnamese huizen (en mensen!) doen, krijg je zes dagen cel en
vijftienhonderd gulden boete, en dat is voor ons maandenlang werken.
(…)

(Het tweede hoofdstuk van Mijn Liefde is scharlakenrood, 1966 De Opstand, is volledig gewijd aan de Bouwvakkersopstand en de aanval op De Telegraaf van 13 en 14 juni 1966)

Verkrijgbaar

Toen de CS-jeugd, nu We Are Here, hetze, en altijd weer De Telegraaf

Een man van hoogstens 40, gevraagd naar wat hij vond van de kraak van een lang leegstaand pand in #Amstelveen (foto’s van Manette Ingenegeren) door de vluchtelingen tussen procedures van www.wijzijnhier.org,, antwoordde dat de mariniers daar vroeger wel raad mee zouden hebben geweten. Waarom draagt een man zoiets, dat ver voor zijn bewuste tijd plaatsvond, met zich mee? Heimwee naar een tijd dat zijn frustratie en ergernis door mariniers werd opgelost?
Anderen op Facebook en twitter uiten hun frustratie door de Hells Angels en andere motorclubs te smeken de #vluchtelingen het land uit te gooien. Ze gaan er blijkbaar vanuit dat deze clubs net zo anti-vreemdeling zijn als zijzelf.
Zoiets wordt gevoed, door #Wilders, #Baudet, #Duck, #Zwagerman, allerlei clubjes, #Powned, blaadjes, met de #Telegraaf voorop. In 1967 was het niet anders. Ook toen amuseerde men zich op de redactie van dit blad uitstekend met het bedenken van hetzerige koppen en het in scène zetten van situaties, zoals #Powned nu nog doet. Negerend hoe al dat onderbuikgedoe allerlei labiele figuren kan triggeren tot levensgevaarlijke daden. Toen waren het ‘het langharig werkschuw tuig’ (een combinatie van 2 eigenschappen die nergens op sloeg) dat het moest ontgelden, nu is het ‘het rondtrekkend asielkraakcircus’, terwijl het gaat om vluchtelingen die op zoek zijn naar onderdak omdat ze geen asiel krijgen en ook niet terug kunnen. Als dat wel zo was, zou de staatssecretaris wel aangeven waarheen en hoe. Maar dat kan hij niet.
In 1967 daagde de #Telegraaf ‘onze jongens’ , de mariniers, net zo lang uit om ‘onze meisjes’ te ‘beschermen’ tot de jongens erin trapten. Dat ging echter allemaal niet zo best, onder andere omdat de helden zich in hun zenuwen hadden bezopen. Daarom is het nog wel leuk om te lezen.
(Zie ook: VLUCHTELINGEN VAN WE ARE HERE ONGEWILD KATALYSATOR VAN DEZE MAATSCHAPPIJ

Vluchtelingen van We Are Here ongewild een katalysator van onze maatschappij

1967
We gaan weer even twee jaar terug. Op de redactie van de Telegraaf, april 1967. De reporter van de krant oogt helemaal niet als een burgermannetje. Hij heeft sluik lang haar dat voor zijn gezicht valt en dat hij voortdurend koket wegschudt. Is dat degene die steeds te keer gaat tegen het langharig werkschuw tuig? Hoe zit dat? “Och, dat is een spel,” zegt hij. “Wij dagen de lezers en de langharigen uit, wij moeten daar zelf erg om lachen. Hoe zullen we het bijvoorbeeld nu brengen? We moeten die Jantjes het idee geven dat hun meisjes worden lastiggevallen zo gauw die hen op het Centraal Station hebben uitgezwaaid. Verdomme, moeten die denken: van mijn meissie blijven die vieze langharige werkschuwen af! En je moet ze het idee geven dat de spoorwegpolitie het niet aan kan, dat de marine ze te hulp moet komen. Maar er moet wel een foto bij, van een meisje dat wordt lastiggevallen. Kom mee, dan gaan we nu die foto maken.” “Maar dan zien we niks, want er gebeurt eigenlijk nooit wat, die lui hangen daar maar wat rond.” “Dan nemen we Marie-Louise mee, die is overal voor in, heeft een bloedhekel aan die gozers. Die laten we tegen zo’n langharige op lopen, schelden, een duw geven en wij ‘klik!’ een plaatje.” “Zorg dat haar gezicht niet te zien is.” “Laat maar aan mij over.”

Nieuwe zeehelden. Rooie Willem zit aan de bar van een café aan de Prins Hendrikkade tegenover het Centraal Station. In de spiegel ziet hij achter zich jongens van de marine binnenkomen, de zaak loopt in één keer vol. “Kom, we gaan naar hiernaast!” hoort hij roepen, en “Kwart over acht verzamelen hè.” “Reken maar van Yes!”
Breed zit Willem daar met zijn lange rode haar en zijn baard en met zijn ellebogen op de bar. “Mag ik er even bij?” vraagt een marinejongen. Willem kijkt in de spiegel naar hem. “Waarbij?” zegt Willem. “Een pils,” zegt de marineman. Willem pakt even later het glas aan en steekt het zonder om te kijken omhoog, de marinemilitair wil het uit zijn hand pakken. “Zo’n matrozenpakkie heb ik ook gehad, “ zegt Willem naar de spiegel terwijl ze nog allebei het glas vasthouden, “maar ik ben er al zo’n 15 jaar uitgegroeid, op mijn achtste stond het me erg lief.”
In de hal van het CS staan enkele tientallen jongelui, ongeveer een derde ervan zijn meisjes. Zowel de jongens als de meisjes hebben lang haar. De meeste meisjes dragen minirokjes, sommige spijkerbroeken met wijde pijpen net als de jongens. Ze roken bijna allemaal. Ze hebben het over het artikel dat de Telegraaf gisteren over ze heeft geschreven. Ze willen aan de spoorwegpolitie die meestal in de buurt is vragen of die het ermee eens is dat de jongelui de dienst uitmaken in het CS en de meisjes lastigvallen. Maar er is geen spoorwegagent te bekennen. Vreemd.
Opeens is ieder van ze omringd door zes/zeven, veelal aangeschoten marinejongens. Ze hebben scharen, broeksriemen en boksbeugels. “Pak ze bij hun reet, die meiden!” “Knip dat haar eraf!” “Ze hebben onze meisjes lastig gevallen!”
“Zou niet eens willen wijzen naar die afgelebberde trut van je.” “Rennen, jongens.” “Rot op, marinegoochem!” “Wat mot je van me? Mag je van je meissie er niet an komme? Nou, bij mijn zeker niet.” “Oprottùùù! TelegraafFIFI.” “Hoehoe!” “Van jou krijg ik geen natte kut, modepoppie met je mooie uniformpje.”
Een paar jongens en meisjes zijn op de vloer terechtgekomen en proberen schoppend, slaand en bijtend de dronken marinelui van zich af te houden.
“Moet je die fotograaf zien, die kickt erop als wij hier met onze benen omhoog liggen. Kan je het zien, jochie? Rot op, zeg, ik bijt je pik eraf en anders die gok van je wel.” “We krijgen hulp van de kant van de Haarlemmerdijk!” “Volhouden, jongens!”
“Verdomd, ze worden door de smerissen tegengehouden! De smeris staat aan hun kant. Ja natuurlijk!” “We kunnen dit nooit winnen, jongens, ze zijn met tien keer zoveel man als wij.” “Zullen we wegwezen dan?” “O.K, allemaal verschillende kanten op, maar niet naar de voorkant. Naar de achterkant en naar de sporen, desnoods over de rails. Daar durven die schijters ons toch niet te volgen. Bovendien zijn de meeste lazarus.” “O.k, rennen, geef degene die het dichtst bij je staat een trap in zijn kruis en rennen!”
In de eerste editie van de Telegraaf die laat op de avond al in de cafés wordt verkocht, staat een uitgebreide fotoreportage: “Marine verdedigt eer meisjes!” Een laatste achtergebleven matroos die met zijn hoofd op zijn beide armen op de bar ligt kan geen interesse meer opbrengen voor het artikel dat ze hem letterlijk onder zijn neus proberen te duwen: “Jantje, je staat in de krant.”
(uit: Mijn liefde is scharlakenrood, roman van Meurs A.M.,
Zie ook: https://www.facebook.com/ton.meurs.7/posts/1947261448626177 (waarin recente foto’s van de vluchtelingen van Wij Zijn Hier door Manette Ingenegeren in Amstelveen)

Vluchtelingen van We Are Here ongewild een katalysator van onze maatschappij

De ongelooflijk moedige vluchtelingen van We Are Here ontmaskeren niet alleen het NL-asielsysteem (ondanks niet terug kunnen toch geen asiel krijgen) maar ook het schijnheilige Antikraaksysteem (dmv bewoning van een zeer gering deel een groot gebouw leeg laten staan voor speculatiedoeleinden). Bijvoorbeeld door te wachten tot de gemeente de plek nodig heeft en er veel geld gevraagd kan worden. Ondertussen wordt er ruimte, die in principe van ons allemaal is, in beslag genomen en aan de maatschappij onttrokken. Eigendom wil niet zeggen dat je met je eigendom zomaar mag doen wat je wilt (denk bv aan een kapverbod als het om bomen gaat). Ruimte verspillen (uit winstbejag) is, zeker in tijden van schaarste en woningnood, om te beginnen moreel verwerpelijk.
Deze gebouwen zijn leeg komen staan omdat het, door allerlei belastingvoordelen en andere faciliteiten die door opeenvolgende regeringen werden geboden, financieel gunstiger was om een nieuw gebouw te zetten. Het oude lege gebouw wacht, al dan niet doorverkocht aan een beroepsspeculant, op een koper terwijl de prijzen stijgen. De ruimte die hier voor de maatschappij nutteloos onttrokken wordt is ten koste van woningbouw en andere nuttige maatschappelijke voorzieningen. Bouwspeculatie, kunstmatige schaarste, is ten nadele van allen die hier niet aan verdienen. Antikraak en antikrakers werken deze mistoestanden in de hand. De overheid sluit haar ogen voor feitelijke leegstand.
Bouwfraude, een huizenmarktluchtbel waren de belangrijkste elementen van de vorige financiële crisis.
Ongewild werken de vluchtelingen van We Are Here als een katalysator van onze maatschappij. Ook trouwens in de reacties die We Are Here teweegbrengt.

Dankjewel, Renate Dorrestein (en Alice)

Op verzoek van Ton Schimmelpennink van de gelijknamige boekhandel in Amsterdam zou ik voor hun Herfstbode van 2006 een stukje van 300 woorden over een jeugdboek schrijven. Maar om dit korte stukje te maken moest ik eerst het hele, het lange verhaal vertellen. (…)
De kern van dit verhaal is eenvoudig. Het jeugdboek dat mij in mijn schrijven het meest heeft beïnvloed is Alice in Wonderland. (…)

Het eerste boek waarnaar ik in mijn boekenkast ( en in de stapels die overal liggen, inderdaad ja) heb gezocht was niet Alice in Wonderland maar een boekje van Renate Dorrestein over dat boek. Het heet Haar Kop eraf! En daar begon het al! (…)

Ik had hiervan twee uitgaven die er totaal verschillend uitzagen. Het waren de uitgaven in druk van een lezing die Renate Dorrestein op 18 december 1987 hield in boekhandel De Verloren Tijd in Amsterdam. Chris Keulemans was zijn boekhandel en zijn stichting Perdu begonnen in de Gerard Doustraat, daarna naar de Kerkstraat getrokken, en nu zit Stichting en Poëzieboekhandel Perdu al weer geruime tijd onder één naam, en al heel lang zonder Chris Keulemans, aan de Kloveniersburgwal. Ik zie Renate Dorrestein voor me in de Kerkstraat. (…)

De reputatie van Renate Dorrestein was er een van fanatiek feministe en mannenhater. Ik keek geïnteresseerd naar haar, totaal onbewust van wat zij voor mij zou gaan betekenen. Ze had een dubbele kin. Ik zal wel zoiets gedacht hebben als: lekker puh!. Tenslotte zouden we het die avond over een meisjesboek hebben en dat lekker puh! paste daar wel bij. Maar ze had ook mooie, ik herinner me, bruine ogen en een leuke lach en ze was dol op mannen; dat zag ik meteen aan de manier waarop ze met de inleider/interviewer (was dat Chris Keulemans?) omging.

De lezing, en ook het boekje heeft dat, had een ondertitel: Alice als ideale heldin voor hedendaagse feministes. Maar dat ook dat die avond aan de orde was, wat heel erg werd verwacht, daar kan ik me niks van herinneren. Er staat wel iets over in het boekje, niet veel trouwens, maar ik herinner me er niets van. Hoewel ik meen heel goed te hebben geluisterd en ook heel goed heb gekeken naar Renate Dorrestein terwijl ze, zeer enthousiast, haar verhaal deed. Wel was ik na afloop ervan overtuigd dat Alice in Wonderland van Lewis Carroll een literair meesterwerk was en dat het me zeer zou beïnvloeden en stimuleren. En ik was Renate Dorrestein erg dankbaar. Een poosje later, nadat ik de De avonturen van Alice in Wonderland en Spiegelland gelezen had, was ik ook Lewis Carroll zeer dankbaar.

Dat me niets is bijgebleven van de feministische invalshoek van de lezing van Renate Dorrestein, kan ik nu alleen verklaren door het feit dat blijkbaar de zeer grote literaire én maatschappelijke waarde, de algemene waarde van Alice in Wonderland zo duidelijk op me werd overgebracht dat het volkomen vanzelfsprekend was dat alle discriminatie daarin belachelijk werd gemaakt. Alice is superieur en Alice is een meisje, maar ze is in het boek niet superieur omdat ze een meisje is.

Alice heeft trouwens, is me altijd al opgevallen op de beroemde, oorspronkelijke illustraties van John Tenniel, wel een erg groot en volwassen hoofd in verhouding tot de rest van haar lichaam. Dat zal vast zijn omdat ze zo’n verstandig meisje is.

Mijn zoektocht naar Alice werd een zoektocht door mijn boekenkast en boekenstapels, in (tweedehands)boekhandels en heel veel internationaal op internet. Ze bracht me ook het land in, zoals naar Zierikzee met de trein en bus, waarin ik veel Alices zag.

Voorlopig hoogtepunt van mijn reis: Op 14 april 2007 bezocht ik in Dordrecht een 6 uur durende lezing van de Hel van Dante. Vol waardering deed ik de regisseur Patrizia Filia mijn laatste Alice in Wonderland-verhaal cadeau. Een paar dagen later deelde ze mee, dat ze, aangestoken door mijn verhaal, de integrale tekst van Lewis Carroll op toneel ging brengen. Meer dan ooit had mijn reis door Wonderland zijn doel bereikt! Het uiteindelijke hoogtepunt werd de 2 weken durende Alice in Wonderland-manifestatie eind maart, begin april 2008 in Dordrecht, waarvoor volgens Patrizia Filia mijn verhaal de sleutel was.

Ik vond telkens nieuwe internationale illustrators van Alice, nieuwe wetenswaardigheden ook, en maakte 6 uitvoeringen van mijn Alice in Wonderlandverhaal. Een van de laatste stuurde ik in dankbaarheid aan Renate Dorrestein. Zij antwoordde als volgt:

“Ik moet je heel hartelijk danken voor je ‘cahier’ over Alice, dat hier vandaag arriveerde. Het ziet er echt heel leuk uit. En het is ook bijzonder om erin te zien hoe men als het ware ‘de fakkel kan doorgeven’. Met vriendelijke groet, Renate Dorrestein.”
Doel van dit verhaal is om, zoals Renate Dorrestein dat met mij deed, tenminste één persoon aan te zetten tot het lezen en bewonderen van Alice in Wonderland. Bent u dat, laat het mij weten. Wacht geen 20 jaar.

Ik ben blij dat ik Renate Dorrestein bij leven en welzijn heb kunnen bedanken. Ik heb maar een paar boeken van haar gelezen, maar als ik bang was om zoals veel schrijvers in alledaagsheid weg te zakken zocht ik in de boeken die ik van haar heb ook bij Renate Dorrestein naar het groteske, naar het ‘bigger than live’ en probeerde vervolgens weer een tijdje in het spoor te blijven. Ook daar ben ik haar zeer dankbaar voor.
(Uit voornamelijk: Alice in Wonderland-verhaal van Meurs A.M. ‘The definitive edition’ 2007. )

De eerste uitgave, oplage 400, was er een die er als een groen/grijs/blauw verkleurd langwerpig schriftje uitzag, het had duidelijk met een ander, wat kleiner, boek boven op zich in de zon gelegen. Als je soberheid kunt uitstralen, dan deed dit schriftje dat, het straalde dus heel weinig, bedoel ik.  Met de andere uitgave, de tweede druk van twee jaar later (mei 1989) was ook iets.

Die zag eruit als een Delfsblauwe tegel waarop een collage gemaakt is van een heleboel tekeningen uit Alice in Wonderland, best mooi, maar de kaft is een centimeter smaller dan de rest van het boek, waardoor je verticaal HET BOEK ALFA kunt lezen, wat op de volgende bladzijde staat, zoals je dat ziet bij de indeling van (kantoor) agenda’s, en dat maakt het allemaal weer een beetje kinderachtig. Maar ja, Alice brengt blijkbaar het kind in ons boven.

Alice heeft trouwens, is me altijd al opgevallen op de beroemde, oorspronkelijke illustraties van John Tenniel, wel een erg groot en volwassen hoofd in verhouding tot de rest van haar lichaam. Dat zal vast zijn omdat ze zo’n verstandig meisje is.

Dit verhaal over Alice in Wonderland dankt zijn ontstaan aan @RenateDorrestein
Alice in Wonderland-verhaal van Meurs A.M.

 

De Mensensmokkelaar van Amsterdam / The Amsterdam human smuggler Special edition

U kunt deze uitgave via internet bestellen bij Boekwinkeltje Wonderland.
U kunt ook €6,66 (inclusief verzendkosten) overmaken naar NL07INGB0007646016 tnv Meurs A.M. Amsterdam ovv een door u gewenst adres. Of zie een winkel in Amsterdam bij afbeelding hieronder.

Dit is een special met het horrorvluchtelingenverhaal
DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM, dat voor het eerst verscheen op 18 januari 2017 in het HetWerk66A, literair kladschrift van Meurs A.M., en dat hier en daar een schok veroorzaakte. Op 18 februari 2017 werd door middel van inlegvellen een Engelse vertaling, THE AMSTERDAM HUMAN SMUGGLER, toegevoegd. Deze special is een gecombineerde Nederlandse en Engelse uitgave, speciaal ter ondersteuning van de vluchtelingen tussen procedures van www.wijzijnhier.org  die niets krijgen van staat of stad en evenmin terugkunnen naar hun land van herkomst. De volledige verkoopprijs van €5 gaat naar hen.
Veel dank als u deze campagne wilt ondersteunen.
Net als in de oorspronkelijke uitgave combineer ik mijn verhaal met de hartverscheurende statements van de vluchteling uit Soedan, Hashim, omdat ik de situatie van een vluchteling in Europa en in Nederland nooit aangrijpender zag beschreven.
Bij Hashim las ik, nadat deze een eind aan zijn leven had gemaakt, hoe hij, voor het zover was, eerst langzaam intellectueel dood was gemaakt ‘als gevolg van zijn wrede ervaringen en lijden’. Dit, en de manier waarop hij dat beschrijft, ging bij mij door merg en been. Ik kan daar niks aan toevoegen.
Wel kan ik als schrijver me inbeelden wat er kan gebeuren als de vreemdelingenhaters onder ons nog 1 stap verder gaan.
Dat werd, geïnspireerd door het verhaal van Jaroslav Hasek, getiteld De Mensenhandelaar van Amsterdam, mijn DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM.
Meurs A.M.

Verkrijgbaar in Amsterdam bij boekhandel Schimmelpennink, de antiquariaten Fenix en Streppel, en biologische winkel De Aanzet.

De inhoud van deze uitgave vindt u, grotendeels op deze website, en hier mét afbeeldingen, onder zoekopdrachten <Mensensmokkelaar>, <Amsterdam human smuggler> , <Hashim>,  hier is Deel 1 en ook op Facebook

Schuld en schaamte MeursAM Story

De jongen
De soldaat stond in de deuropening van het vliegtuig, hij keek naar me en glimlachte, alsof hij niet één seconde later te pletter zou vallen, alsof hij niet met grote snelheid voorbijschoot maar voorbij zweefde. Het zag eruit als een man in de deuropening van een vliegtuig op een kindertekening. Die tekening bleef daar op een paar meter hoogte voor me in de lucht hangen, terwijl iets links van me, enkele tientallen meters verder maar, het vliegtuig al was neergestort en in brand gevlogen en er een heel hoge zwarte rookzuil opsteeg tot ver boven de bomen.
Maar dat was twee dagen geleden. In werkelijkheid lag ik nu in een wei bij het Kleine Kanaal naast mijn vader en zei zacht: ‘Vader, het bloed loopt in mijn schoenen.’ En hij, nog zachter: ‘Da’s niks, jongen. Blijf maar stilletjes liggen. Doe maar of je dood bent.’ Ik wist toen dat het gelukt was wat hij me had aangeraden. ‘Laat je vallen, jongen,’ had hij gezegd, ‘meteen als ze beginnen te schieten, en houd je dood,’ terwijl hij recht voor zich uit bleef kijken naar de Duitse soldaten met hun mitrailleurs. Bij het eerste geratel lag ik al. En ik was blij dat we naast elkaar hadden gestaan samen met een tiental anderen uit Noorddorp en dat we daarom nu hier ook samen in het gras lagen, en ik dacht er weer aan hoe 2 dagen geleden het volgende vliegtuig naar beneden was komen zweven, dat nog maar tien meter boven de grond opeens met zijn neus recht naar beneden dook, en ook van dat waren ze allemaal dood. Verkoold, alleen hun haar was toen men hun helmen afdeed onaangetast, pikzwart, blond, bruin of rood. En daar was het derde vliegtuig al, en bij dit vloog twee meter boven de grond de klep open en kwam er een jeep naar buiten, maar te vroeg dus, hij kantelde, zodat je dacht dat het zo mooi had kunnen zijn, dat het zo mooi bedacht was: het komt rustig aanzweven, maakt een zachte landing en zodra de jeep begint te rijden trekt deze de klep open en rijdt naar buiten. Tot grote verrassing van de vijand natuurlijk die te verbaasd is om op de jeep te schieten en dan is het al te laat, dan is de vijand zelf al onder vuur genomen. Maar nee, zo ging het niet, de jeep valt naar beneden en rolt door naar het ondertussen ook al gecrashte vliegtuig, zodat ze nauwelijks twee seconden later weer verenigd zijn en samen opgaan in een enorme steekvlam.
Ik voelde me schuldig, want ik wist dat dit allemaal gebeurde omdat de Engelse soldaten van een jaar of twintig het ontzettend leuk vonden om te dollen met ons, jongens van een jaar of tien. We vielen geweldig in de smaak bij ze, en niet alleen omdat we oudere zussen hadden die ons straks zouden moeten komen halen. Nee, wij wisten dat we ze charmeerden, dat ze alles wat we zeiden en deden even leuk vonden. Ze namen ons in de maling, ze praatten tegen ons alsof ze tegen zichzelf praatten zoals ze enkele jaren geleden waren: jongens van een jaar of tien. Ze zagen in ons zichzelf terug, en wij wisten dat en buitten het uit, we kregen alles van ze.
Zo kwam het dat, toen de lucht vol hing met duizenden vliegtuigen, bommenwerpers en motorvliegtuigen die zweefvliegtuigen trokken, en de soldaten seinen moesten geven dat ze verder, vérder moesten en daarom rookgranaten in het vuur gooiden waaruit groene rook moest komen, zo kwam het dat ze het plastic deksel van de verkeerde granaat trokken en deze op het vuur smeten en er rode rook opsteeg, en voor dat vuur gedoofd was, was het al te laat en waren de eerste zweefvliegers al losgelaten en naar beneden gekomen… Ik voelde me vreselijk schuldig, want het was omdat wij zo bij elkaar in de smaak waren gevallen, elkaar steeds glimlachend aan hadden gekeken, die Engelse soldaten en ik en nog een paar vriendjes, daarom hadden ze even niet goed opgelet en stierven hun kameraden nu voor hun ogen.
Ik voelde me, twee dagen geleden dus, zo schuldig dat ik niet verbaasd was dat er even later dwars door een wei, dan door de haag en vervolgens door de boomgaard, waar hij alle bomen op zijn weg meenam, een bommenwerper recht op me afkwam om, volkomen terecht, mij te straffen voor het gestoei met de soldaten dat zulke vreselijke gevolgen had gehad. Ik was begonnen te rennen zo gauw ik dat vliegtuig in de verte op me af zag komen, en ik holde minstens twee kilometer door zonder om te kijken, zo bang was ik en zo zeker dat het ‘t op mij gemunt had. Ik holde door, ook nog toen ik allang de knal gehoord had en de bommenwerper, zoals ik later hoorde, tegen de hangar van de school tot stilstand was gekomen en in brand vloog. De motor werd op het schoolplein teruggevonden.
Ik was ontsnapt maar ik bleef voor mijn gevoel schuldig en daarom was ik al evenmin verbaasd dat ik twee dagen later in deze wei bij het Kleine Kanaal was terechtgekomen, al lag ik dan naast mijn vader, die met dit alles niks te maken had en die mijn leven had gered zonder dat ik dit had verdiend. Een paar kilometer naar het zuiden waar wij woonden, aan de andere kant van het Grote Kanaal, lagen de Engelsen en gaven ons eten en sigaretten en chocola. En hier ten noorden van ons dorp waren de Duitsers nog en wij hadden hier familie en zo was mijn vader op het idee gekomen. ‘Laten wij eens iets van wat jij die Engelsen weet af te troggelen naar mijn familie brengen,’ had vader gezegd, ‘want daarginds hebben ze nog honger.’ En dat was gelukt, dat was tenminste iets, we waren al op de terugweg toen we opeens met ruim tien anderen werden opgepakt en in dit weiland op een rij werden gezet, omdat mannen van de Witte Brigade, in afwachting van de Engelsen, alvast begonnen waren Duitsers neer te schieten. En zo zou ik alsnog van Duitsers mijn straf krijgen, niet voor wat ik Duitsers had aangedaan maar voor wat ik de kameraden van mijn Engelse vrienden had aangedaan.
We zijn de enige overlevenden, mijn vader en ik. De Duitsers waren met hun hoofd bij de komst van de Engelsen, ze lieten de lichamen om ons heen een nacht liggen, wel wetend dat de burgers hun verwanten ’s nachts zouden wegslepen. Zo konden wij, weliswaar gewond, wegkomen. Ik had een vleeswond aan mijn been die niet meer bloedde. Mijn vader had pijn in zijn borst maar niet ondraaglijk. Er bleek een kogel in zijn long vlakbij zijn hart te zitten die ze daar wijselijk hebben gelaten.

De vader
De vader is er vijfentachtig mee geworden en vandaag wordt hij zonder kogel begraven. De burgemeester is er, want de vader is een held en de jongen ook, om wat er op het eind van de oorlog is gebeurd en omdat iedereen de tragiek kent die er later is gebeurd. De jongen had zich ooit voorgesteld dat hij hier zou staan en tijdens de toespraken waar hij niet naar luisterde zou hij zacht tegen mijn vader zeggen: ‘Da’s niks, vader, blijf maar stilletjes liggen. Doe maar net alsof u dood bent.’ Maar de jongen is er niet. Vroeger, zo’n 20 jaar na de oorlog, in de 60er jaren, had de vader nog wel eens gekscherend gezegd: ‘Haal dat ding er maar uit als ik dood ben en gebruik die kogel dan voor een van die oude nazigeneraals die alweer aan de top van de NAVO staan, zoals die Von Kielmansegg, dat soort figuren. Maar ouder wordend raakte hij de interesse voor die oude nazi’s kwijt, hij werd zachter. Tot hij opeens zijn zoon verloor door bloedvergiftiging. Zijn zoon die de kogel ook had laten zitten, niet omdat het zo moeilijk zou geweest zijn die te verwijderen, dat zou best gelukt zijn, maar uit solidariteit met zijn vader en als herinnering aan het gebeuren. Toen was uit droefheid de oude woede weer bovengekomen en had de vader zelfs overwogen om dan zelf die kogel uit het lichaam van zijn zoon te gebruiken om een van die, ondertussen, neo-nazi’s de kogel door zijn kop te jagen. Of hij het werkelijk ooit gedaan zou hebben weten we niet. Al gauw bleek de kogel uit het lichaam van zijn zoon zo geoxydeerd, waardoor ook de bloedvergiftiging was veroorzaakt, dat deze totaal onbruikbaar was. Toen weer jaren later het verdriet en de woede om zijn zoon niet zozeer weg waren dan wel wat weggezakt, herhaalde hij wel nog steeds dat hij graag die kogel had willen gebruiken voor de leider van een van die neo-nazigroeperingen. Hij handhaafde ook de opdracht dat na zijn dood de kogel uit zijn eigen lichaam verwijderd moest worden en bewaard als aandenken. Hij zei er niet meer bij wat ze er eventueel mee zouden kunnen doen. Daarvoor was hij te oud en eigenlijk ook te wee moedig geworden.
Nu heeft een neef, die het verhaal van de kogel kende, bedacht dat hij er voor de begrafenis van de vader wel eens wat spectaculairs mee kan doen. Een eerbetoon en tegelijk een aandenken. Met toestemming van de burgemeester wordt er op het verstrooi-ingsveld een 5 meter hoge paal met een plankje opgesteld. Daarop een stenen pot met de as van de vader. Er wordt een scherpschutter ingehuurd, de plaatselijke jager, die op de kruik mag schieten. En zo, vindt vooral de neef, komt het toch tot een spectaculaire asverstrooi-ing,

Wat een komedie, mompelt een mannetje dat met zijn handen in zijn zakken schouderophalend aan de rand van het veld staat toe te kijken.

Meurs A.M. 1 november 2017

 

DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM DL 8 SLOT Meurs A.M.

Slot DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM. Met Engelse vertaling. Op papier te koop voor €5. Opbrengst voor de vluchtelingen van www.wijzijnhier.org

SAMENVATTING VAN HET VOORAFGAANDE:
De ongeveer 35-jarige Theorie is niet de enige die probeert mee te liften op het succes van anti-vreemdelingen- , anti-immigratie- , anti-Europa- , anti-islam-bewegingen als die van Trump en Wilders, maar hij denkt er een intellectueel tintje aan te kunnen geven. Tot hij een gruwelijk fragment leest uit <DE MENSENHANDELAAR VAN AMSTERDAM>, een kort verhaal van Jaroslav Hasek, de schrijver van <De brave soldaat Svejk>. Hij besluit een PAZC, een Particulier Asiel Zoekers Centrum, gekoppeld aan een halal slachthuis en vleeshal op te richten, zijn oplossing voor het vluchtelingenprobleem. Als op zijn initiatief ook nog voor de verkiezingen de ultrarechtse partijen in Carré in een poging tot fusie bij elkaar komen, volgt er een verrassende ontknoping. In het laatste hoofdstuk vertelt Rein, Theorie’s compagnon en feitelijke organisator van PZAC en slachthuis, hoe het in werkelijkheid gegaan is.

In januari 2017 heb ik in een verhaal verbeeld hoe ver een mens in vreemdelingenhaat kan gaan. De modellen die ik voor ogen had kwaken dagelijks de meest dwaze en walgelijke zaken uit en krijgen daarvoor veel aandacht – niet van mij trouwens – maar zijn nog niet zo ver gegaan als in mijn verhaal. Om ze in de gaten te houden hoeven we niet direct op elke scheet van ze te reageren. Maar we moeten ons wel realiseren waartoe het kan leiden. Daarom opnieuw in afleveringen mijn verhaal. En ook in het Engels.
Hieronder staat vermeld hoe het als tijdschrift te verkrijgen is. De volledige opbrengst is voor de vluchtelingen van @wijzijnhier.org

Deel 8 Epiloog

Ik kende Rein al heel lang. Het was altijd al een bijzonder figuur. Van alle markten thuis, was de beste kwalificatie. Hij was een man met een fantasie zoals je die zelden meemaakt. Maar geen fantast. Fantasie was voor hem een middel om te interpreteren wat hij zag en meemaakte en fantasie was voor hem een aftasten van mogelijkheden, van wat gemaakt, ontdekt, ontwikkeld zou kunnen worden.
Hij vertelde dat ze met meerdere mensen hadden gesolliciteerd. ‘Als een van de anderen het was geworden, zou die zich hebben teruggetrokken. Het was al snel duidelijk dat Theorie nooit naar de vleesproductie zou durven komen kijken. Er hoefde dan ook helemaal geen extra slachtruimte te worden gebouwd en ook geen ondergrondse gang tussen PAZC en slachthuis. Wat wel moest gebeuren was dat de vluchtelingen daadwerkelijk verdwenen.
Dat losten we op door ons te verdiepen in de schuilplaatsen van Amsterdam. We gingen daarin heel ver, terug tot in de 17e eeuw, in de statige grachtenpanden, kerkers, kelders, tot aan de katholieke schuilkerken toen het protestantisme de staatsgodsdienst was. Ook gebouwen waarvan we wisten dat er in de Tweede Wereldoorlog op min of meer grote schaal mensen waren ondergedoken. Maar het meeste en ook het meest massale hadden we aan de atoomschuilkelders die tijdens de Koude Oorlog gebouwd waren, en vooral wanneer deze samenvielen met de bouw van de metro, en dan met zowel de afgebouwde Oostlijn als de nooit afgebouwde Oost-Westlijn Gaasperplas – Geuzenveld. Het hervatten van de metrobouw 15 jaar geleden, nu voor de Noord-Zuidlijn, de geweldige budget- en tijdsoverschrijdingen, wat ook gold voor, en wat in tijd deels samenviel met, de verbouwingen van zowel Rijksmuseum als Stedelijk Museum, wezen niet alleen op de nog steeds bestaande bouwfraude, – een onontwarbare verknoping van boven- en onderwereld – , het maakte ook weer bouwwerkzaamheden bij die ‘oude’ atoomschuilkelders mogelijk, onder het mom dat alles onder de grond met elkaar te maken had, al was het maar om zaken uit te testen. We hadden aanvankelijk niet veel nodig, meestal beperkte het zich tot het weer toegankelijk maken van de atoomschuilkelders, noodzakelijk onderhoud en het weer in werking stellen van de voorzieningen.
De bouwfraudeurs werden gechanteerd door onze infiltranten en durfden hier officieel niets tegen te ondernemen. Hoewel ze, toen ze vermoedden dat er onder de infiltranten asielzoekers zaten, wel probeerden om de burgemeester tegen ze op te zetten, wat deels lukte, anders was de houding van de burgemeester niet verklaarbaar. Deze ging namelijk pogingen in het werk stellen om de asielzoekers naar het PAZC te lozen, in de hoop dat ze van daaruit snel doorgesluisd zouden worden. Dat lukte ook, maar vanaf het PAZC hadden wij natuurlijk de route in handen. We lieten ze onderduiken, net als de andere mensen van We Are Here. We tikten de fraudeurs op hun vingers door wat te laten lekken over een van hen – het ging in dit geval om een ambtenaar – en daarmee waren ze weer in het gareel.
We zetten bedrijfjes op onder de paraplu van legale Nederlandse bedrijven. Een hoog ontwikkelde afdeling legitimatie maakte het mogelijk voor de vluchtelingen om bijna volledig aan het maatschappelijke leven deel te nemen. Ze bestonden weer. Nieuwe asielaanvragen vanuit hun nieuwe identiteit waren zo goed als altijd succesvol.
Op stations van de Noord-Zuidlijn waar nog gebouwd werd waren we in staat af te dwingen dat de ruimte net iets breder werd, anderhalve meter bijvoorbeeld. Op de plaats van de oorspronkelijke muur lieten we een verplaatsbare wand plaatsen met daarvóór en vast er tegenaan aan de publiekszijde van vloer tot plafond een aluminium scherm van smalle verticale strips. De wand kon vanaf het aluminium scherm naar de muur worden geplaatst, zodat je tussen de wand en het aluminium scherm kon lopen dat van deze kant doorzichtig was. Je liep langs het scherm, dat op elke plaats kon worden geopend om iemand door te laten, opende dat met je telefoon al lopend en stapte de publieke ruimte in. Je deed dat als er geen mensen waren die dat konden zien, wat hun trouwens moeilijk gemaakt werd omdat er voortdurend op het scherm voorbijgangers geprojecteerd werden. Met je telefoon liet je de wand weer tegen het aluminium scherm schuiven.
Een verdere ontwikkeling is,’ vertelde Rein, ‘dat we met onze telefoon driedimensionale beelden in de ruimte kunnen projecteren. Als projectiekolom gebruiken we heel fijne druppeltjes, een soort mist, of ook rook of stof, zoals bij een regenboog of de zon die op een natte weg schijnt of in een stoffige stal. Omdat die kolom volume heeft kunnen we driedimensionale beelden projecteren. Door middel van magnetisme halen we via onze telefoon die druppeltjes of dat stof overal vandaan. Een plasje op de vloer, een geopend flesje water, de emmer van een schoonmaker, stof in hoekjes, op een buis aan het plafond. Zo kunnen we onszelf al lopend in de publieke ruimte projecteren voor we daar werkelijk zijn. Zo is de voorbijganger al aan ons gewend. Of we kunnen zelfs al voor we weer in de geheime ruimte verdwijnen een scherm tussen ons en het publiek projecteren. Dat mag natuurlijk niet gebeuren als een duivel uit een doosje. Maar zo beschermen we onze vluchtelingen dus, door ze de officiële wereld in- en uit te laten stappen.’
Wat die verstelbare wanden betrof geloofde ik Rein nog wel. Maar zoals ik zei: Hij was een man met een fantasie zoals je die zelden meemaakt. Maar geen fantast.
Ik had werkelijk geen idee of hij die fantasie, van de driedimensionale projectie van mensen en dingen op minuscule waterdruppels die hij door middel van magnetisme uit een plasje haalde, en dat allemaal met zijn telefoon, al had kunnen waarmaken.
Meurs A.M.

The story in english

Alle 8 afleveringen van DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM vindt u hier op Facebook

HetWerk literair kladschrift van Meurs A.M. is via internet verkrijgbaar bij boekwinkeltje Wonderland (€5 plus €1,66 verzending, vermeld verzendadres)

Ook voor €5 verkrijgbaar bij de boekhandels Schimmepennink, de antiquariaten Fenix  en Streppel en in Amsterdam.
Volledige opbrengst voor de vluchtelingen ‘tussen procedures’ van WijZijnHier die niets krijgen van staat of stad.

‘Maar het meeste en ook het meest massale hadden we aan de atoomschuilkelders die tijdens de Koude Oorlog gebouwd waren, en vooral wanneer deze samenvielen met de bouw van de metro, en dan met zowel de afgebouwde Oostlijn als de nooit afgebouwde Oost-Westlijn Gaasperplas – Geuzenveld.’

‘Dat losten we op door ons te verdiepen in de schuilplaatsen van Amsterdam. We gingen daarin heel ver, terug tot in de 17e eeuw, in de statige grachtenpanden, kerkers, kelders, tot aan de katholieke schuilkerken toen het protestantisme de staatsgodsdienst was. Ook gebouwen waarvan we wisten dat er in de Tweede Wereldoorlog op min of meer grote schaal mensen waren ondergedoken. Maar het meeste en ook het meest massale hadden we aan de atoomschuilkelders die tijdens de Koude Oorlog gebouwd waren, en vooral wanneer deze samenvielen met de bouw van de metro, en dan met zowel de afgebouwde Oostlijn als de nooit afgebouwde Oost-Westlijn Gaasperplas – Geuzenveld. Het hervatten van de metrobouw 15 jaar geleden, nu voor de Noord-Zuidlijn, de geweldige budget- en tijdsoverschrijdingen, wat ook gold voor, en wat in tijd deels samenviel met, de verbouwingen van zowel Rijksmuseum als Stedelijk Museum, wezen niet alleen op de nog steeds bestaande bouwfraude, – een onontwarbare verknoping van boven- en onderwereld – , het maakte ook weer bouwwerkzaamheden bij die ‘oude’ atoomschuilkelders mogelijk, onder het mom dat alles onder de grond met elkaar te maken had, al was het maar om zaken uit te testen. We hadden aanvankelijk niet veel nodig, meestal beperkte het zich tot het weer toegankelijk maken van de atoomschuilkelders, noodzakelijk onderhoud en het weer in werking stellen van de voorzieningen.’

Toen de besturen in de slotceremonie samen op het podium stonden, kwamen er plotseling uit luiken, coulissen, uit de hemel van het toneel, langs kabels en touwen, op rolschaatsen, 100den, men zei later wel 1000, vluchtelingen tevoorschijn met banieren, spandoeken en borden die het podium en het publiek in de zaal volledig insloten.

Wilders laat zich de kwijlende aanhankelijkheid van Pegida Nederland geduldig aanleunen.

In Dresden was er zelfs een Nederlands spandoek. Pegida Nederland, om uitleg gevraagd over dit spandoek, verklaarde dat het zich echt alleen probeert op te trekken aan Wilders. Wat kan kloppen, want de organisatie heeft in Nederland aanzienlijk minder aanhangers dan de aanbedene. Later bleek het spandoek, dat in de demonstratie werd meegedragen , een voorbeeld van een grap waarmee zowel Wilders als Pegida op de hak werd genomen, en wel met het woord PIELENMUIS, door mensen die tenminste één woord uit het rijke oeuvre van de beroemde schrijver Gerard Reve hadden onthouden.

Theorie is bij een gedwongen uitzetting geweest waarbij de man in een moderne dwangbuis werd vervoerd en KLM-personeel, marechaussee en de blijkbaar begeleidende vrouwelijke dokter (in opleiding waarschijnlijk) stonden te lachen. Theorie vond het onmenselijk en stuitend.
Dan vond hij zichzelf eerlijker. Hij gaf een asielzoeker geen enkele kans om te overleven.

Ze liepen om de gebouwen heen. Rein vertelde dat er een ondergrondse verbinding tussen PAZC en slachthuis werd gebouwd met eveneens ondergronds twee nieuwe koelruimtes en daar tussenin een slachtruimte. Alleen de hoofdslager komt daar en zal er behalve producten uit het PAZC ook bushmeat, dat zal voornamelijk apenvlees zijn, verwerken, en zo nu en dan een Hooglander of een bizon of ander wildernisvlees uit Nederland.

‘O ja,’ zei Theorie, ‘we beginnen ermee om heel We are here onderdak te bieden. Met de manier waarop Amsterdam met die ‘ongedocumen-teerden’, ‘uitgeprocedeerden’ is omgegaan, speelt het ons PAZC geweldig in de kaart. Het gaat bovendien vaak om mensen zonder papieren die nergens of maar zeer oppervlakkig staan geregistreerd. Die kunnen verdwijnen zonder dat er een haan naar kraait. We moeten wel rekening houden met de verschillende groepen binnen WAH. Het geheel van WAH is niet zo hecht, maar de groepen vaak wel (Swahili, Francofonen, Somaliërs, enzovoort).
‘Laat dat maar aan mij over,’ zei Rein. ‘Als wij in één klap We are here onderdak bieden, zal dat geweldig aandacht trekken. Veel AZC’s zullen hun moeilijke gevallen naar ons willen sturen.’ ‘Is natuurlijk prima,’ antwoordde Theorie, ‘als ze maar betalen.

In aflevering 1 zagen we hoe Theorie een gruwelijk fragment las in het korte verhaal <De mensenhandelaar van Amsterdam> van Jaroskav Hasek , de schrijver van het beroemde boek<De brave soldaat Svejk> .

Op de dag dat in Koblenz anti-immigratiepartijen bijeenkomen en Wilders in het Duits met ‘Ein neues Europa’ ‘Ein neues Drittes Reich’ lijkt aan te kondigen, wordt het gruwelverhaal <De mensensmokkelaar van Amsterdam> gepubliceerd, waarin op het eind een soortgelijke bijeenkomst in Carré wordt gehouden, met een verrassende afloop.
Dit verhaal is mijn antwoord op de vraag waartoe vreemdelingenhaat kan leiden en tegelijk het antwoord aan de ijdele leiders van anti-vreemdelingenpartijen en -groepen die in de gewone en de sociale media een aandacht krijgen die zij niet verdienen.
Door de toegevoegde Engelse vertaling van het verhaal en de statements van de overleden vluchteling van We Are Here, Hashim, in verschillende talen, is het een internationaal nummer geworden. De Boekenrubriek voor @wijzijnhier.org met het DUOPAKKET, 2 keer hetzelfde literaire boek, 1 keer in het NL en 1 keer in een andere taal, was dat al.
De aanklacht tegen de huidige organisatie van de gezondheidszorg door mijn in december 2016 aan longkanker overleden broer Gerard, sluit dit nummer van HetWerk af.
Ik roep iedereen op dit nummer op papier voor €5 te kopen. De opbrengst is voor WijZijnHier , de vluchtelingen die niets krijgen van staat of stad.
Hartelijk dank!
HetWerk literair kladschrift van Meurs A.M. via internet: boekwinkeltje WONDERLAND

U kunt ook €6,66 (€5 plus €1,66 verzending) overschrijven naar NL07INGB0007646016 t.n.v. Meurs A.M. Amsterdam o.v.v. het door u gewenste adres. U kunt het dus ook aan iemand anders laten sturen.

Ook verkrijgbaar bij de boekhandels Schimmelpennink, en de antiquariaten Fenix  en Streppel in Amsterdam.
Volledige opbrengst voor de vluchtelingen ‘tussen procedures’ van WijZijnHier die niets krijgen van staat of stad.

 

 

 

 

 

 

ONTKNOPING de MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM dl 7 wordtvervolgd

In januari van dit jaar heb ik in een verhaal verbeeld hoe ver een mens in vreemdelingenhaat kan gaan. De modellen die ik voor ogen had kwaken dagelijks de meest dwaze en walgelijke zaken uit en krijgen daarvoor veel aandacht – niet van mij trouwens – maar zijn nog niet zo ver gegaan als in mijn verhaal. Om ze in de gaten te houden hoeven we niet direct op elke scheet van ze te reageren. Maar we moeten ons wel realiseren waartoe het kan leiden. Daarom opnieuw in afleveringen mijn verhaal. En ook in het Engels.
Hieronder staat vermeld hoe het als tijdschrift te verkrijgen is. De volledige opbrengst is voor de vluchtelingen van WijZijnHier.

Deel 7 DE ONTKNOPING

Op de fusiedag van de anti-immigratiepartijen zat Carré voor driekwart vol. Er waren detectiepoortjes en legitimatiecontroles, het was voor genodigden. De besturen van de partijen zaten op de eerste rij. Iemand mompelde: ‘Daar zit voor 500 jaar lik op een rij.’ En oogstte daarmee zowel besmuikt gelach als protest in zijn directe omgeving. ‘En dan zit Geert er nog niet eens bij,’ waagde toch iemand. Geert zou inderdaad met zijn bewakers in een kamertje ergens beneden zitten maar zou wel spreken, fluisterde men.
De sprekers zeiden allemaal op iets andere wijze hetzelfde en eindigden zelfs exact hetzelfde:
‘Daarom is de PVV de enige partij die…’
‘Daarom is WNL de enige partij die…’
‘Daarom is het FVD de enige partij die…’
‘Daarom is de PTP de enige partij die…’
Elke deelnemende partij had de pretentie de leiding te nemen in de nieuwe fusieorganisatie. Er zou nog heel wat commissiewerk nodig zijn wilde men om te beginnen met één programma en één lijst de verkiezingen in gaan.
Toen de besturen in de slotceremonie samen op het podium stonden, kwamen er plotseling uit luiken, coulissen, uit de hemel van het toneel, langs kabels en touwen, op rolschaatsen, 100den, men zei later wel 1000, vluchtelingen tevoorschijn met banieren, spandoeken en borden die het podium en het publiek in de zaal volledig insloten. Er werd al meteen gefluisterd dat ze, via een ondergrondse gang naar de kelders van Carré, uit de atoomschuilkelder onder metrostation Weesperplein kwamen. Ze zongen:
We are here and we will fight
cause shelter and freedom
is everybody’s right!
Theorie was in de praktijk altijd maar voor één ding bang geweest. Hij had namelijk stiekem zelf toch één bladzijde verder gelezen dan het verhaal <De mensenhandelaar van Amsterdam>. En sindsdien was hij bang ooit uitgeleverd te worden aan de Tsjoewaziërs. Op die bladzijde stond namelijk beschreven welke begeleiding Hašek, de latere schrijver van ‘Svejk’, meekreeg naar de stad Bugulma in het verre Rusland, waar hij commandant zou worden als de stad veroverd zou zijn, iets waarvan lang niet zeker was dat dit ooit zou gebeuren. Zijn begeleiding beloofde ook al niet veel goeds, want die beschreef Hašek als volgt:
<Beneden bij de wacht stond mijn begeleiding. Twaalf forse kerels, Tsjoewaziërs, die maar heel weinig Russisch kenden, zodat ze helemaal niet duidelijk konden maken of ze gemobiliseerd of vrijwilligers waren. Naar hun rechtschapen en verschrikkelijk uiterlijk te oordelen, waren het eerder vrijwilligers, tot alles bereid.>
De combinatie van een rechtschapen en verschrikkelijk uiterlijk met het feit dat ze vrijwilliger waren en tot alles bereid, was de oorzaak van de vele nachtmerries waaraan Theorie sindsdien leed. De Tsjoewaziërs doken voortdurend in zijn dromen op als de wraakengelen van alle asielzoekers die hij had laten vermoorden. In een zwakke bui had hij dit ooit aan Rein verteld. Het resultaat was dat vandaag 12 van de grootste zwarte mannen, waarvan Theorie dacht dat ze allang verorberd waren, met wilde pruiken op en knuppels in hun handen op Theorie af stoven en vlak voor hem overgingen in een krijgsdans en zongen:
<Tsjoetsjoetsjoe….wawawa…zizizi…>
Theorie zakte van schrik in elkaar, stierf ter plekke en ontkwam zo aan een levenslange gevangenisstraf vanwege de opdracht tot moord op honderden asielzoekers. De leiders van de andere partijen die als medeplichtig beschouwd werden waren jaren bezig aan te tonen dat ze wel het doel hadden asielzoekers kwijt te raken maar van déze methode nooit op de hoogte waren geweest.
De kiezers van de anti-immigratiepartijen namen hun leiders vooral kwalijk dat ze zo afgegaan waren, er werd overal om ze gelachen.
<Tsjoetsjoetsjoe….wawawa…zizizi…>
De aanhang schaamde zich voor hun leiders en minachtte hen. Ze namen zichzelf kwalijk dat ze in zulke lui geloofd hadden en verloren hun interesse.
Dit was het einde van <De mensensmokkelaar van Amsterdam> ofwel <De moderne menseneter> of <Het geheimzinnige halal slachthuis>.
Meurs A.M.
Wordt vervolgd.

The story in english.

Alle 8 afleveringen van DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM vindt u hier ook op Facebook

HetWerk literair kladschrift van Meurs A.M. is via internet verkrijgbaar bij boekwinkeltje Wonderland (€5 plus €1,56 verzending, vermeld verzendadres)

Ook voor €5 verkrijgbaar bij de boekhandels Schimmelpennink ,de antiquariaten Fenix en Streppel en biologische winkel De Aanzet in Amsterdam.
Volledige opbrengst voor de vluchtelingen ‘tussen procedures’ van WijZijnHier die niets krijgen van staat of stad.

Op de fusiedag van de anti-immigratiepartijen zat Carré voor driekwart vol. Er waren detectiepoortjes en legitimatiecontroles, het was voor genodigden. De besturen van de partijen zaten op de eerste rij. Iemand mompelde: ‘Daar zit voor 500 jaar lik op een rij.’
Toen de besturen in de slotceremonie samen op het podium stonden, kwamen er plotseling uit luiken, coulissen, uit de hemel van het toneel, langs kabels en touwen, op rolschaatsen, 100den, men zei later wel 1000, vluchtelingen tevoorschijn met banieren, spandoeken en borden die het podium en het publiek in de zaal volledig insloten.

Wilders laat zich de kwijlende aanhankelijkheid van Pegida Nederland geduldig aanleunen.

Pegida Duitsland heeft een veel grotere basis waar Wilders op zijn beurt wel wat mee wil doen. Daarom ging hij naar de Pegidademonstratie in Dresden.

In Dresden was er zelfs een Nederlands spandoek. Pegida Nederland, om uitleg gevraagd over dit spandoek, verklaarde dat het zich echt alleen probeert OP te trekken aan Wilders. Wat kan kloppen, want de organisatie heeft in Nederland aanzienlijk minder aanhangers dan de aanbedene. Later bleek het spandoek, dat in de demonstratie werd meegedragen , een voorbeeld van een grap waarmee zowel Wilders als Pegida op de hak werd genomen, en wel met het woord PIELENMUIS, door mensen die tenminste één woord uit het rijke oeuvre van de beroemde schrijver Gerard Reve hadden onthouden.

Theorie is bij een gedwongen uitzetting geweest waarbij de man in een moderne dwangbuis werd vervoerd en KLM-personeel, marechaussee en de blijkbaar begeleidende vrouwelijke dokter (in opleiding waarschijnlijk) stonden te lachen. Theorie vond het onmenselijk en stuitend.

Ze liepen om de gebouwen heen. Rein vertelde dat er een ondergrondse verbinding tussen PAZC en slachthuis werd gebouwd met eveneens ondergronds twee nieuwe koelruimtes en daar tussenin een slachtruimte. Alleen de hoofdslager komt daar en zal er behalve producten uit het PAZC ook bushmeat, dat zal voornamelijk apenvlees zijn, verwerken, en zo nu en dan een Hooglander of een bizon of ander wildernisvlees uit Nederland.

Theorie was in de praktijk altijd maar voor één ding bang geweest. Hij had namelijk stiekem zelf toch één bladzijde verder gelezen dan het verhaal <De mensenhandelaar van Amsterdam>. En sindsdien was hij bang ooit uitgeleverd te worden aan de Tsjoewaziërs. Op die bladzijde stond namelijk beschreven welke begeleiding Hašek, de latere schrijver van ‘Svejk’, meekreeg naar de stad Bugulma in het verre Rusland, waar hij commandant zou worden als de stad veroverd zou zijn, iets waarvan lang niet zeker was dat dit ooit zou gebeuren. Zijn begeleiding beloofde ook al niet veel goeds, want die beschreef Hašek als volgt:
<Beneden bij de wacht stond mijn begeleiding. Twaalf forse kerels, Tsjoewaziërs, die maar heel weinig Russisch kenden, zodat ze helemaal niet duidelijk konden maken of ze gemobiliseerd of vrijwilligers waren. Naar hun rechtschapen en verschrikkelijk uiterlijk te oordelen, waren het eerder vrijwilligers, tot alles bereid.>
De combinatie van een rechtschapen en verschrikkelijk uiterlijk met het feit dat ze vrijwilliger waren en tot alles bereid, was de oorzaak van de vele nachtmerries waaraan Theorie sindsdien leed. De Tsjoewaziërs doken voortdurend in zijn dromen op als de wraakengelen van alle asielzoekers die hij had laten vermoorden.
In aflevering 1 zagen we hoe Theorie een gruwelijk fragment las in het korte verhaal <De mensenhandelaar van Amsterdam> van Jaroskav Hasek , de schrijver van het beroemde boek<De brave soldaat Svejk> .

‘O ja,’ zei Theorie, ‘we beginnen ermee om heel We are here onderdak te bieden. Met de manier waarop Amsterdam met die ‘ongedocumenteerden’, ‘uitgeprocedeerden’ is omgegaan, speelt het ons PAZC geweldig in de kaart. Het gaat bovendien vaak om mensen zonder papieren die nergens of maar zeer oppervlakkig staan geregistreerd. Die kunnen verdwijnen zonder dat er een haan naar kraait. We moeten wel rekening houden met de verschillende groepen binnen WAH. Het geheel van WAH is niet zo hecht, maar de groepen vaak wel (Swahili, Francofonen, Somaliërs, enzovoort).
‘Laat dat maar aan mij over,’ zei Rein. ‘Als wij in één klap We are here onderdak bieden, zal dat geweldig aandacht trekken. Veel AZC’s zullen hun moeilijke gevallen naar ons willen sturen.’ ‘Is natuurlijk prima,’ antwoordde Theorie, ‘als ze maar betalen.

Op de dag dat in Koblenz anti-immigratiepartijen bijeenkomen en Wilders in het Duits met ‘Ein neues neues Europa’ ‘Ein neues Drittes Reich’ lijkt aan te kondigen, wordt het gruwelverhaal <De mensensmokkelaar van Amsterdam> gepubliceerd, waarin op het eind een soortgelijke bijeenkomst in Carré wordt gehouden, met een verrassende afloop.
Dit verhaal is mijn antwoord op de vraag waartoe vreemdelingenhaat kan leiden en tegelijk het antwoord aan de ijdele leiders van anti-vreemdelingenpartijen en -groepen die in de gewone en de sociale media een aandacht krijgen die zij niet verdienen.
Door de toegevoegde Engelse vertaling van het verhaal en de statements van de overleden vluchteling van We Are Here, Hashim, in verschillende talen, is het een internationaal nummer geworden. De Boekenrubriek voor WijZijnHier met het DUOPAKKET, 2 keer hetzelfde literaire boek, 1 keer in het NL en 1 keer in een andere taal, was dat al.
De aanklacht tegen de huidige organisatie van de gezondheidszorg door mijn in december 2016 aan longkanker overleden broer Gerard, sluit dit nummer van HetWerk af.
Ik roep iedereen op dit nummer op papier voor €5 te kopen. De opbrengst is voor WijZijnHier, de vluchtelingen die niets krijgen van staat of stad.
Hartelijk dank!
HetWerk literair kladschrift van Meurs A.M. via internet.

Ook verkrijgbaar bij de boekhandel Schimmelpennink, en de antiquariaten Fenix  en Streppel en biologische winkel De Aanzet in Amsterdam.