De dakloze vluchtelingen gaan opnieuw een weekeind in dat ze zelfs overdag nergens terecht kunnen!

Als zelfs het Wereldhuis gesloten is, waar moeten ze dan naar toe, zonder geld, zonder voedsel, zonder iets?

Herhaalde oproep:
Dringende oproep tot onmiddellijke opening van noodopvang voor ongedocumenteerde vluchtelingen in Amsterdam  

Herhaalde oproep aan B&W A’dam
Dringende oproep financiële hulp
Het wel en wee van mensen die nergens naartoe kunnen

Van: Ton Meurs <meursam@hotmail.com>
Verzonden: woensdag 26 juni 2019 23:34
Aan: info@wereldhuis.org; info@doktersvandewereld.org; VluchtelingenWerk Nederland; info@vluchteling.nl; Amnesty International; netth@unhcr.org; groenlinks@raad.amsterdam.nl; amsterdam@sp.nl; pvda@raad.amsterdam.nl; D66@raad.amsterdam.nl; partijvoordedieren@amsterdam.nl; bijeen@raad.nl
Onderwerp: Dringende oproep tot onmiddellijke opening van noodopvang voor ongedocumenteerde vluchtelingen in Amsterdam  
https://www.facebook.com/ton.meurs.7/media_set?set=a.2519664468052536&type=3


  Beste mensen, 

Bij deze ben ik zo vrij mijn mail van 22 juni aan u enigszins aan te passen.
Er verblijven nu zo’n 65 mensen die in Uilenstede gewoond hebben op straat of zeer tijdelijk bij vrienden of bekenden. Afgelopen maandag kwamen er ongeveer hetzelfde aantal bij uit de Bijlmerdreef. Zou u, net als Taakgroep Vluchtelingen van de Raad van Kerken Amsterdam en het ASKV, de oproep aan B&W van Amsterdam in mijn mail van 19 juni, om onmiddellijk een NOODOPVANG voor ongedocumenteerden te openen, willen ondersteunen? Zou u dat dan zowel aan B&W als aan ons kenbaar willen maken? U kunt dat op verschillende manieren doen:

A. U deelt B&W en ons mede dat u de oproep tot onmiddellijke opening van noodopvang voor ongedocumenteerde vluchtelingen in Amsterdam ondersteunt;
B. U deelt B&W en ons mede dat u de oproep tot onmiddellijke opening van noodopvang voor ongedocumenteerde vluchtelingen in Amsterdam ondersteunt en tevens onze mail; C. U deelt B&W en ons mede dat u de oproep tot onmiddellijke opening van noodopvang voor ongedocumenteerde vluchtelingen in Amsterdam ondersteunt en geeft uw eigen motivatie;
D. U deelt B&W en ons mede dat u de oproep tot onmiddellijke opening van noodopvang voor ongedocumenteerde vluchtelingen in Amsterdam ondersteunt en geeft uw eigen motivatie en tevens onze mail.

In alle gevallen hartelijk dank, Ton Meurs


Hier volgt eerst de mail van Taakgroep Vluchtelingen:
Van:
Frans Zoer <frans.zoer@hotmail.com>
Verzonden: zaterdag 22 juni 2019 09:24
Aan: r.grootwassink@amsterdam.nl
CC: anneklerks@hotmail.com; ton Meurs van
Onderwerp: FW: Dringende oproep tot onmiddellijke opening van noodopvang voor ongedocumenteerde vluchtelingen in Amsterdam   Hooggeachte wethouder Groot Wassink, Vanuit het d.b. van de Taakgroep Vluchtelingen van de Raad van Kerken Amsterdam willen wij onze steun uitspreken voor de oproep tot extra noodopvang voor ongedocumenteerden. Onze voorzitter ds. Gerhard Scholte heeft, samen met vertegenwoordigers van andere organisaties in de stad, via het Gelagkameroverleg al vaker dergelijke oproepen aan de gemeente gericht, en ondertekende ook het appel van Code Rood Netwerk dd. 10 april in verband met de groep die uit de winteropvang op straat gezet werd. Het vorige college formuleerde een humanitaire ondergrens: in Amsterdam zou geen mens op straat hoeven slapen. De praktijk is anders: bijzonder pijnlijk, wanneer zelfs de wachtlijst niet toegankelijk is. Wij begrijpen dat u geen ijzer met handen kunt breken, maar hopen dat u zich ook in de toekomst sterk zult maken voor een vorm van bed,bad&broodvoorziening waar zonder twijfel behoefte aan zal blijven bestaan. Met vriendelijke groet, Frans Zoer, secr. Taakgroep Vluchtelingen
= = = = = = = = = = = = = = = = = =

Amsterdam, 19 juni 2019 (eveneens enigszins aangepast)

Aan burgemeester en gemeentebestuur van Amsterdam,
Geachte burgemeester, geacht gemeentebestuur,
Geachte mevrouw Halsema, geachte heer Grootwassink, geachte woordvoerder 24Uursopvang mevrouw Klerks,

Betreft: Dringende oproep tot onmiddellijke opening van noodopvang voor ongedocumenteerde vluchtelingen in Amsterdam

Bij deze doe ik als contactpersoon tussen de 65 voormalige bewoners van Uilenstede 574 Amstelveen,
ongedocumenteerde vluchtelingen die zonder enige middelen sinds maandagmiddag 17 juni op straat zwerven, en hun advocaat,
een dringend beroep op u om met onmiddellijke ingang een noodopvang voor ongedocumenteerde vluchtelingen in Amsterdam te openen.

Mocht dit onverhoopt niet mogelijk zijn verzoek ik met onmiddellijke ingang de zorg voor deze groep, dwz voedsel, drinken, kleding, hygiène, vervoer, beltegoed, financiën, van particuliere donors over te nemen omdat deze zich voor een onmogelijke taak gesteld zien.

Als gemeentebestuur hebt u weliswaar niet de taak om de zorg voor de hele mensheid, en evenmin zondermeer voor alle of voor een deel van de mensen afzonderlijk, op u te nemen, maar u heeft dat wel als ze op uw deur kloppen, en zeker als ze kwetsbaar op uw stoep liggen. Het laatste is weliswaar nog niet letterlijk maar wel in feite het geval. U mag, en u wilt dat natuurlijk ook niet, over ze heen stappen.

Er is helaas in Amsterdam voor een ongedocumenteerde die zich aanmeldt geen enkele opvang. Wij hebben dat gemerkt en bewezen doordat de afgelopen 7 weken zich tientallen van ons hebben gemeld bij het Vreemdelingenloket en zelfs niet op een wachtlijst konden. Dit is ook bevestigd door de heer Henry Greenfield van het Vreemdelingenloket in een mail van 10 mei 2019 nadat wij deze hierop per mail hadden aangesproken en die wij hier citeren:


<Ik betreur het dat voor uw cliënten, en de nieuwe aanmeldingen, op dit moment geen plek is. De gemeentelijke opvang zit vol en er is inderdaad een lange wachtlijst. Dat wil niet zeggen dat er geen enkele mogelijkheid is om op de wachtlijst te komen, dat hangt af van de persoonlijke omstandigheden. Als we bijvoorbeeld het signaal krijgen dat iemand ernstig ziek is, zal het loket onderzoeken wat er mogelijk is. Zelfs in dergelijke situaties hebben wij op dit moment een wachtlijst. >

Dus zelfs  voor ernstig zieken is er momenteel geen mogelijkheid voor direct onderdak, is er alleen de wachtlijst.

Er is dus in Amsterdam geen opvang voor ongedocumenteerde vluchtelingen die zich aanmelden. Wij verzoeken u voor onze groep, maar ook voor alle  ongedocumenteerden, zoals bijvoorbeeld ook de 66 uit de Bijlmerdreef welke zich sinds maandag 24 juni eveneens op straat of zeer tijdelijk bij vrienden of kennissen bevinden, een Noodopvang in te richten.


Ondertussen verzoeken wij u ook duidelijk en eerlijk te zijn over het feit dat er geen opvang is.
Deze onduidelijkheid is namelijk de afgelopen tijd zowel voor het gerecht als in de praktijk tegen ons en ook tegen de vluchtelingen van onder andere de Bijlmerdreef gebruikt.
Zowel de staat als de rechter op aangeven van de staat, als ook de burgemeester van Amstelveen hebben namelijk van dit gebrek aan duidelijkheid gebruik gemaakt door te beweren dat er wel een centrale opvang in Amsterdam is.
Dat heeft mede geleid tot een ongunstige uitspraak tegen ons, waartegen wij geen beroep hebben kunnen aantekenen, en heeft er ook toe geleid dat de burgemeester van Amstelveen meende de ontruiming niet te moeten verhinderen, ook niet ter wille van de rechtsstaat omdat wij geen beroep hadden kunnen aantekenen,  omdat wij immers toch naar de opvang in Amsterdam zouden kunnen.

Die onduidelijkheid heeft ons dus ernstige schade toegebracht en heeft, vrezen wij, dit ook gedaan aan de mensen van de Bijlmerdreef.

Ik vertrouw erop dat u niet zult beweren dat er wel een opvang is maar dat hij alleen maar vol is. Dat is namelijk  tot heden altijd, ook wat betreft de BBB, tegen ons gebruikt. Zoals dat ook met Ter Apel is gebeurd: daar is opvang werd er gezegd. Tot advocaat Fischer bewees dat dat alleen theorie was want dat de vluchtelingen die zich daar aanmeldden werden geweigerd omdat er niet binnen een bepaalde tijd een kans was op uitzetting. Maar er is wel opvang, bleven sommigen zeggen. Maar in de praktijk dus niet, en daar gaat het om. Wij zouden als kinderen op school niet met zulke redeneringen hebben hoeven aankomen.

Wij verzoeken u dus vriendelijk maar dringend voor de mensen die zich momenteel op straat bevinden, of binnenkort dreigen op straat te komen, of die zich in een kraakpand bevinden waarvan de duur ongewis is, een Noodopvang voor ongedocumenteerden te openen.
Ook  verzoeken wij u om eventuele kraakpanden op te nemen in de 24Uursopvang.
Ten slot verzoeken wij u, zolang er in Amsterdam geen opvang voor een ongedocumenteerde die zich aanmeldt bestaat, daar dan ook duidelijk over te zijn.

U bij voorbaat dankend, verblijf ik, namens de groep ongedocumenteerde vluchtelingen van We Are Here van v/h Uilenstede,

Met vriendelijke groet,
Ton Meurs, supporter We Are Here, ondersteuner voormalige groep Uilenstede


Onverbiddellijk NEE van College: geen Hulp en geen NOODOPVANG, op Dringende oproep tot onmiddellijke opening van noodopvang voor ongedocumenteerde vluchtelingen in Amsterdam



(geactualiseerd 19 juli 2019)
DE CORRESPONDENTIE MET DE GEMEENTE

Mijn laatste mail aan B&W en daarmee aan mevrouw Klerks. Vanaf 8 mei jl deden we, en dan vooral de vluchtelingen van toen #Uilenstede, ons uiterste best om aan te tonen dat er geen enkele opvang in Amsterdam was voor een ongedocumenteerde vluchteling die zich aanmeldde en dat een Noodopvang dringend nodig was. Veel organisaties voor ongedocumenteerden waren het met ons eens. De geplande 24Uursopvang (al vol voor ze is begonnen) veroorzaakt een harder standpunt dan ooit voor de mensen op straat. We stuitten op een muur. Maar de wal zal het schip keren.
En:
<Wij blijven ernaar streven het college ervan te overtuigen dat Noodopvang nodig is om de directe nood van de vluchtelingen op straat te lenigen, maar ook omdat alleen de preventie van een Noodopvang kan voorkomen dat de 24Uursopvang binnen de kortste keren verwordt tot een volle ziekenboeg, waarin voor een (nog) gezond iemand geen plaats meer is.> (uit een van onze mails)

Ton Meurs
Do 18-7-2019 20:22
Klerks, Anne
Geachte mevrouw Klerks,
Dank voor uw verduidelijking die ons niet blijer maakt. Toch een vraag dan over dat ‘elders verblijven’.
Maar het college is wel bereid de ‘elders verblijvende’ vrouwen van We Are Here met pand en al in de 24Uursopvang op te nemen?

Met vriendelijke groet, Ton Meurs, supporter We Are Here

Van: Klerks, Anne <A.klerks@amsterdam.nl>
Verzonden: donderdag 18 juli 2019 10:46
Aan: ‘Ton Meurs’ <meursam@hotmail.com>
Onderwerp: RE: Ontvangstbevestiging mail Wethouder Rutger Groot Wassink

Geachte heer Meurs,

Excuus voor de onduidelijkheid: omdat het college niet van plan is om een noodopvang te openen, wil zij ook niet (een deel van) de zorg van groepen die elders verblijven, op zich nemen.

Wb het verzoek om het optreden van de politie tegen mensen die een magazine verkopen, te stoppen:

–          Heeft u nagevraagd bij de politie waarom dit is gebeurd? In de basis geldt de regel in de stad dat mensen die zich op straat houden aan de regels (ic de APV) niet worden aangehouden. Wellicht is de verkoop van een blad volgens de APV verboden?

Met vriendelijke groet,

Anne Klerks

Sr. Beleidsadviseur / Programmamanager ongedocumenteerden

Gemeente Amsterdam

Van: Ton Meurs

[mailto:meursam@hotmail.com]

Verzonden: woensdag 17 juli 2019 15:41
Aan: Klerks, Anne
Onderwerp: FW: Ontvangstbevestiging mail Wethouder Rutger Groot Wassink

Geachte mevrouw Klerks,

Zo begrijpen wij ook dat het college van mening is goed bezig te zijn met de 24Uursopvang. Maar tegelijk betreuren wij het dat het niet van plan is om daarnaast een Noodopvang te openen, waardoor er geen enkele opvang is voor een ongedocumenteerde zich nieuw aanmeldt of uit een kraakpand op straat wordt gezet. 

Wij blijven ernaar streven het college ervan te overtuigen dat Noodopvang nodig is om de directe nood van de vluchtelingen op straat te lenigen, maar ook omdat alleen de preventie van een Noodopvang kan voorkomen dat de 24Uursopvang binnen de kortste keren verwordt tot een volle ziekenboeg, waarin voor een (nog) gezond iemand geen plaats meer is.

Uw toezegging van evaluatie en zonodige aanpassing geeft ons enige hoop.

Wij stellen het op prijs dat uw NGO’s de vluchtelingen buiten de gemeentelijke opvang zullen blijven volgen en daarover rapporteren aan de wethouder. Wij zullen op onze beurt deze NGO’s op de hoogte houden.

Ook waarderen wij het zeer dat u al zo snel de eigenaar van Kuiperbergweg 26 heeft benaderd. Zijn antwoord verbaast ons niet, veel eigenaren hadden opeens plannen nadat hun pand gekraakt was. Omdat de gemeente de uitvoering helaas niet controleerde of handhaafde bleven veel panden na de ontruiming nog heel lang leeg. Wij zullen voor het Kort Geding de plannen van de eigenaar op zijn merites beoordelen.

Wij missen uw antwoord op ons verzoek de zorg voor het pand Kuiperbergweg 26 op u te nemen. Weliswaar is een van hulporganisaties weer gestart met voedselvoorziening, deze is helaas onvoldoende voor het groeiend aantal bewoners. Bovendien gaat het niet alleen om voedsel maar om alle basisvoorzieningen. 

Tot onze ontsteltenis hebben we bovendien geconstateerd dat de politie optreedt tegen vluchtelingen die een magazine verkopen. Wij verzoeken via u de burgemeester dringend om dit optreden te stoppen tegen mensen die hun situatie creatief naar buiten brengen en met trots tenminste voor een klein deel in hun onderhoud trachten te voorzien.

Wij danken u hiervoor bij voorbaat, en danken u ook voor de laatste raadsbrief voor de vergadering van 11 juli met bijlagen, waarin we tot ons genoegen o.a. zien dat er weer een wachtlijst is geopend voor de mensen die zich melden voor de 24Uursopvang.

Met vriendelijke groet,
Ton Meurs, supporter We Are Here, ondersteuner ongedocumenteerden buiten de gemeentelijke opvang


Van: Klerks, Anne <A.klerks@amsterdam.nl>
Verzonden: dinsdag 16 juli 2019 09:53
Aan: ‘Ton Meurs’ <meursam@hotmail.com>
Onderwerp: RE: Ontvangstbevestiging mail Wethouder Rutger Groot Wassink

Geachte heer Meurs,

We begrijpen uw zorgen, maar het college is niet van plan om een noodopvang te openen. Onze NGO’s zullen de groep die niet in de gemeentelijke opvang zit, wel volgen en daarover rapporteren aan de wethouder en de gemeenteraad.

Ik heb nagevraagd hoe de eigenaar van het pand aan de Kuiperbergweg in deze kwestie staat, maar dat is geen optie. Hij is bezig met een renovatie en wil na de bouwvak daarmee verder. Hij staat er niet voor open om deze locatie (tijdelijk) beschikbaar te stellen voor de groep die er nu zit.

Tot slot: het college zal uiteraard kritisch blijven op de samenwerking met het rijk en de ketenpartners. Het beleid / onze aanpak blijft voortdurend in ontwikkeling en kan (door het college) worden aangepast. We willen nu starten met een goede uitvoering, daarna evalueren en waar nodig weer aanpassen.

Ter informatie heb ik nog de laatste raadsbrief van 11 juli met bijlagen bijgevoegd.

Met vriendelijke groet,

Anne Klerks

Sr. Beleidsadviseur / Programmamanager ongedocumenteerden

Gemeente Amsterdam

Van: Ton Meurs

[mailto:meursam@hotmail.com]

Verzonden: zondag 14 juli 2019 22:01
Aan: Klerks, Anne
Onderwerp: Re: Ontvangstbevestiging mail Wethouder Rutger Groot Wassink

Amsterdam, 14 juli 2019

Aan B&W Amsterdam,

Geachte mevrouw Klerks,

Hartelijk dank voor uw bericht van 9 juli jl. Ik begrijp dat u hiermee mijn gelijkluidend bericht aan B&W, aan wethouder Groot Wassink en aan u, als woordvoerder 24Uursopvang, van 19 juni jl. beantwoordt.

Wij zijn blij met de intenties van de 24Uursopvang en zijn er ons van bewust dat deze ondanks aanvankelijke tegenstand, o.a. met name van de landelijke overheid, is gerealiseerd. Wij zijn er ons ook van bewust dat juist de grondige wijze waarop u deze wilt realiseren, zowel bij het verwerven van geschikte gebouwen als bij het voorlichten van de omwonenden, tot stagnatie kan zorgen.
U schrijft: ‘Het beleid is dat er geen extra opvang komt, omdat we al meer dan 500 mensen hebben die we (gaan) begeleiden.’ Als we goed zijn geïnformeerd bevindt ongeveer de helft van deze 500 zich momenteel al in de huidige 3 grote locaties waarvan, zoals u schrijft,  de huur begin 2020 afloopt, en gaat het voor een groot deel over zieke, gewonde, kwetsbare mensen die zich reeds in de opvang van HVO-Querido en het Leger des Heils bevonden en daarom terecht als eersten voor de (nieuwe) 24Uursopvang in aanmerking zullen komen.

Die ziekte, verwondingen en kwetsbaarheid hebben de vluchtelingen deels opgelopen in het land van herkomst, op hun vlucht, in het land van eerste aankomst in Europa, maar ook in ons land tijdens het leven op straat en in kraakpanden met beperkte voorzieningen.
Het niet aanpakken van dat leven op straat en in kraakpanden, het niet voorzien in een noodopvang, zal tot meer zieke en kwetsbare mensen leiden, die de aanvankelijke instroom van de 24Uursopvang, wanneer die er al is, zal bepalen. Tot de 24Uursopvang volledig uit zieke en kwetsbare mensen bestaat die nergens anders naartoe kunnen, niet uitstromen dus, instroom onmogelijk maken, en net zolang tot de 24Uursopvang volledig is verstopt.
Noodopvang is niet een extra belasting naast een 24Uursopvang, noodopvang, die veel eenvoudiger te realiseren is dan de 24Uursopvang, is een voorwaarde om de 24Uursopvang niet binnen de kortste keren te doen stagneren, is dus als zodanig een noodzakelijk onderdeel van een 24Uursopvang met kans van slagen.

Het erkennen van de noodzaak tot een 24Uursopvang voor ongedocumenteerde vluchtelingen om in rust aan hun toekomst te kunnen werken, betekent dat Amsterdam die noodzaak ook erkent voor degenen die zich nog niet in die opvang of op de wachtlijst voor die opvang bevinden. Het begin van die noodzakelijke rust is de noodopvang.

Reeds in mijn mail van 19 juni jl. verzocht ik u met onmiddellijke ingang de zorg voor de 65 voormalige bewoners van Uilenstede 574 Amstelveen, op dat moment op straat in Amsterdam, op u te nemen. Ondertussen bevindt deze groep zich samen met de op 24 juni uit de Bijlmerdreef gezette groep, eveneens ongedocumenteerden, nadat beide groepen een poos op straat hadden geleefd, in de Kuiperbergweg 26 Amsterdam. Daar wonen nu ca 140 mensen zonder voorzieningen van staat of stad.
Op 10 juli jl. heb ik in een mail aan R.K. Diaken C van Loon, 3 hulporganisaties, HumanAidNow, FamilyonaMission en Caritas Amstelland. verzocht de voedselvoorziening van de mensen in Kuiperbergweg 26 Amsterdam op zich te willen nemen. Ik heb daar tot heden geen reactie op gehad.
Ik verzoek de gemeente Amsterdam nu de zorg voor 140 mensen in dit pand zowel wat betreft de voedselvoorziening, zo mogelijk met behulp van deze organisaties, als wat betreft andere voorzieningen, op zich te willen nemen.
Gedurende enkele weken hebben wij d.m.v. een particuliere actie met een oproep aan donateurs voor ongeveer 70 mensen op straat of in het pand kunnen zorgen. Dat is in de huidige situatie niet langer mogelijk.
Ook verzoeken wij de gemeente Amsterdam, zowel in het kader van een Noodopvang als voor een mogelijke rol in de 24Uursopvang, contact op te nemen met de eigenaar van het pand Kuiperbergweg 26 Amsterdam: ZRT bv. U kunt dit doen door contact op te nemen met hun advocaat:
Van Goethem Bouw/Vastgoedadvocatuur Science Park 400 , 1098 XH Amsterdam, 020 7058980, mail chantalle@vangoethem.org . Wanneer de eigenaar de gemeente en de bewoners een aantrekkelijk aanbod doet (voor Noodopvang bijvoorbeeld, om te beginnen) , kunnen de laatsten wellicht de dagvaarding in Kort Geding op 23 juli intrekken.

In uw mail, 3e alinea, lijkt de enige hoop die u op uitstroom en daarmee mogelijke instroom biedt, de slechts tijdelijke opvang van Dublinclaimanten te zijn. Wij waarderen het dat u de velen die hier onder vallen (wie is er de afgelopen jaren nog rechtstreeks vanuit Afrika naar Nederland gekomen?) (enkele weken) de gelegenheid geeft, tegelijk verzoeken wij u niet mee te werken aan de Dublinregeling, die onrechtvaardig is voor de landen in Zuid-Europa waar de vluchtelingen altijd het eerst aankomen, en die het voor de vluchtelingen zo goed als onmogelijk maakt om asiel te verkrijgen. Wij weten dat u voor de 24Uursopvang voor een deel afhankelijk bent van de staat, toch vragen wij u de samenwerking met staatsorganisaties als IND, DT&V en Vreemdelingenpolitie altijd kritisch te blijven overwegen. Wat betreft de BedBadBrood is Amsterdam immers ook ‘eigenwijs’ geweest tegenover de regering,  waarom ook niet wat betreft de Dublinregeling?

De Dublinregeling is een regeling die staatsrechtelijk niet deugt want die de landen van (onvermijdelijke) aankomst onrechtvaardig belast en die mensenrechtelijk niet deugt omdat het de vluchteling belet een eigen keuze te maken van het land van asielaanvraag en tegelijk door de overbelasting van de landen van aankomst een asielaanvraag zo goed als kansloos maakt. Daar komt nog bij de voor de vluchteling zeer ongunstige politieke situatie in sommige landen, zoals Italië en Griekenland.

Wij vragen u dringend uw eerder ingenomen standpunten te willen heroverwegen.
Met vriendelijke groet,

Ton Meurs, supporter We Are Here


Van: Klerks, Anne <A.klerks@amsterdam.nl>
Verzonden: dinsdag 9 juli 2019 10:51
Aan: ‘meursam@hotmail.com’
Onderwerp: Ontvangstbevestiging mail Wethouder Rutger Groot Wassink

Geachte heer Meurs,

Dank voor uw bericht van 19 juni jl. Wethouder Groot Wassink heeft mij gevraagd u te antwoorden. Excuses dat het antwoord enigszins vertraagd is.

Zoals ook is vermeld in de brief aan de raad van 6 juni jl. zijn er momenteel helaas nog geen extra opvangplekken. Tevens heeft het college na sluiting van de winteropvang, meerdere keren aangegeven geen noodopvang in te richten. Het beleid is dat er geen extra opvang komt, omdat we al meer dan 500 mensen hebben die we (gaan) begeleiden. We zijn hard op zoek naar nieuwe locaties om al deze 500 mensen op te kunnen vangen (de huur van de huidige 3 grote locaties loopt namelijk begin 2020 af). Helaas is dit een moeizaam proces gezien de vastgoed markt, bouwmarkt en de afstemming met de buurt.

Uw suggestie om gekraakte panden mee te nemen in onze zoektocht naar locaties, kan uiteraard alleen als de eigenaar van het pand hiermee akkoord gaat. 

Vanaf 1 juli gaat het nieuwe beleid wel van start. Dat wil bijvoorbeeld zeggen dat mensen die aan de criteria voldoen, begeleiding krijgen aangeboden door een NGO richting een duurzame oplossing waarbij opvang ondersteunend kan zijn. Als mensen niet meewerken dan kan de opvang worden beëindigd. Voor Dublin claimanten zal de opvang voor een korte periode zijn gericht op terugkeer naar het eerste Europese land. Doorstroom is nodig binnen de huidige opvang zodat er plekken vrij komen voor mensen die opvang nodig hebben.

We werken hierbij samen met verschillende NGO’s, de IND, DT&V en de Vreemdelingenpolitie.

Het college kan de mensen waar u in uw mail voor opkomt, dus helaas nog geen opvang geven. Indien er mensen zijn die hulp/begeleiding willen krijgen bij terugkeer naar hun land van herkomst of bij Dublin claimanten naar het eerste land, dan kunnen wij dit samen met DT&V aanbieden. De NGO’s die dossiers juridisch screenen of er kans is op legaal verblijf, zijn de komende maanden al druk bezet, dus dat duurt langer.

Indien mensen ziek zijn, kunnen zij zich wenden tot bijvoorbeeld een reguliere huisarts, de Kruispost of Dokters van de Wereld. In geval van ernstige medische problematiek kunnen deze organisaties contact opnemen met de GGD en het Vreemdelingenloket om na te gaan of direct onderdak in de gemeentelijke opvang mogelijk is. Er zal dan wel getoetst worden aan de criteria.

Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Met vriendelijke groet,

Van: Ton Meurs [mailto:meursam@hotmail.com]
Verzonden: woensdag 19 juni 2019 14:14
Aan: Wethouder R. Groot Wassink
Onderwerp: Ontvangstbevestiging mail Wethouder Rutger Groot Wassink

   
  Amsterdam.nl  
Mail wethouder Rutger Groot Wassink
Naam Ton Meurs E-mail meursam@hotmail.com Uw bericht Amsterdam, 19 juni 2019 Aan burgemeester en gemeentebestuur van Amsterdam,
Geachte burgemeester, geacht gemeentebestuur,
Geachte mevrouw Halsema, geachte heer Grootwassink, geachte woordvoerder 24Uursopvang mevrouw Klerks, Betreft: Dringende oproep tot onmiddellijke opening van noodopvang voor ongedocumenteerde vluchtelingen in Amsterdam
Bij deze doe ik als contactpersoon tussen de 65 voormalige bewoners van Uilenstede 574 Amstelveen,
ongedocumenteerde vluchtelingen die zonder enige middelen sinds maandagmiddag op straat zwerven, en hun advocaat,
een dringend beroep op u om met onmiddellijke ingang een noodopvang voor ongedocumenteerde vluchtelingen in Amsterdam te openen. Mocht dit onverhoopt niet mogelijk zijn verzoek ik met onmiddellijke ingang de zorg voor deze groep, dwz voedsel, drinken, kleding, hygiène, vervoer, beltegoed, financiën, van particuliere donors over te nemen omdat deze zich voor een onmogelijke taak gesteld zien. Als gemeentebestuur hebt u weliswaar niet de taak om de zorg voor de hele mensheid, en evenmin zondermeer voor alle of voor een deel van de mensen afzonderlijk, op u te nemen, maar u heeft dat wel als ze op uw deur kloppen, en zeker als ze kwetsbaar op uw stoep liggen. Het laatste is weliswaar nog niet letterlijk maar wel in feite het geval. U mag, en u wilt dat natuurlijk ook niet, over ze heen stappen. Er is helaas in Amsterdam voor een ongedocumenteerde die zich aanmeldt geen enkele opvang. Wij hebben dat gemerkt en bewezen doordat de afgelopen 6 weken zich tientallen van ons hebben gemeld bij het Vreemdelingenloket en zelfs niet op een wachtlijst konden. Dit is ook bevestigd door de heer Henry Greenfield van het Vreemdelingenloket in een mail van 10 mei 2019 nadat wij deze hierop per mail hadden aangesproken en die wij hier citeren: <Ik betreur het dat voor uw cliënten, en de nieuwe aanmeldingen, op dit moment geen plek is. De gemeentelijke opvang zit vol en er is inderdaad een lange wachtlijst. Dat wil niet zeggen dat er geen enkele mogelijkheid is om op de wachtlijst te komen, dat hangt af van de persoonlijke omstandigheden. Als we bijvoorbeeld het signaal krijgen dat iemand ernstig ziek is, zal het loket onderzoeken wat er mogelijk is. Zelfs in dergelijke situaties hebben wij op dit moment een wachtlijst. > Dus zelfs voor ernstig zieken is er momenteel geen mogelijkheid voor direct onderdak, is er alleen de wachtlijst. Er is dus in Amsterdam geen opvang voor ongedocumenteerde vluchtelingen die zich aanmelden. Wij verzoeken u voor onze groep, maar ook voor alle ongedocumenteerden, zoals bijvoorbeeld ook die welke zich momenteel nog met meer dan 50 in de Bijlmerdreef bevinden, een Noodopvang in te richten. Ondertussen verzoeken wij u ook duidelijk en eerlijk te zijn over het feit dat er geen opvang is.
Deze onduidelijkheid is namelijk de afgelopen tijd zowel voor het gerecht als in de praktijk tegen ons en ook tegen de vluchtelingen van onder andere de Bijlmerdreef gebruikt.
Zowel de staat als de rechter op aangeven van de staat, als ook de burgemeester van Amstelveen hebben namelijk van dit gebrek aan duidelijkheid gebruik gemaakt door te beweren dat er wel een centrale opvang in Amsterdam is.
Dat heeft mede geleid tot een ongunstige uitspraak tegen ons, waartegen wij geen beroep hebben kunnen aantekenen, en heeft er ook toe geleid dat de burgemeester van Amstelveen meende de ontruiming niet te moeten verhinderen, ook niet ter wille van de rechtsstaat omdat wij geen beroep hadden kunnen aantekenen, omdat wij immers toch naar de opvang in Amsterdam zouden kunnen.
Die onduidelijkheid heeft ons dus ernstige schade toegebracht en zal, vrezen wij, tenzij u snel duidelijkheid geeft, dit ook doen aan de mensen van de Bijlmerdreef. Ik vertrouw erop dat u niet zult beweren dat er wel een opvang is maar dat hij alleen maar vol is. Dat is namelijk tot heden altijd, ook wat betreft de BBB, tegen ons gebruikt. Zoals dat ook met Ter Apel is gebeurd: daar is opvang werd er gezegd. Tot advocaat Fischer bewees dat dat alleen theorie was want dat de vluchtelingen die zich daar aanmeldden werden geweigerd omdat er niet binnen een bepaalde tijd een kans was op uitzetting. Maar er is wel opvang, bleven sommigen zeggen. Maar in de praktijk dus niet, en daar gaat het om. Wij zouden als kinderen op school niet met zulke redeneringen hebben hoeven aankomen. Wij verzoeken u dus vriendelijk maar dringend voor de mensen die zich momenteel op straat bevinden, of binnenkort dreigen op straat te komen, of die zich in een kraakpand bevinden waarvan de duur ongewis is, een Noodopvang voor ongedocumenteerden te openen.
Ook verzoeken wij u om eventuele kraakpanden op te nemen in de 24Uursopvang.
Ten slot verzoeken wij u, zolang er in Amsterdam geen opvang voor een ongedocumenteerde die zich aanmeldt bestaat, daar dan ook duidelijk over te zijn. U bij voorbaat dankend, verblijf ik, namens de groep ongedocumenteerde vluchtelingen van We Are Here van v/h Uilenstede,
Met vriendelijke groet,
Ton Meurs, supporter We Are Here, ondersteuner voormalige groep Uilenstede


(10 juli) Er was gisteren een reactie: De gemeente wordt volledig opgeslokt door de 24Uursopvang die 1 juli zou starten maar die nog op gang moet komen, het is moeilijk daar gebouwen voor te vinden.

Maar dat zijn verschillende dingen: Voor een Noodopvang zijn geen bijeenkomsten in de buurten nodig, er is gewoon een leeg gebouw nodig, en bijvoorbeeld kan de gemeente al contact opnemen met de eigenaar van het nu door vluchtelingen van @Wijzijnhier gekraakte Kuiperbergweg 26.

(22 juni) Taakgroep Vluchtelingen van de Raad van Kerken Amsterdam laat vanochtend in een mail aan wethouder Groot Wassink weten deze dringende oproep te ondersteunen.
(25juni) Ook het ASKV heeft zich achter de dringende oproep en brief aan B&W voor NOODOPVANG voor ongedocumenteerden gesteld.
De nood is hoog.

Frans Zoer frans.zoer@hotmail.com
Za 22-6-2019 09:24
U; r.grootwassink@amsterdam.nl; anneklerks@hotmail.com

Hooggeachte wethouder Groot Wassink,
Vanuit het d.b. van de Taakgroep Vluchtelingen van de Raad van Kerken Amsterdam willen wij onze steun uitspreken voor de oproep tot extra noodopvang voor ongedocumenteerden. Onze voorzitter ds. Gerhard Scholte heeft, samen met vertegenwoordigers van andere organisaties in de stad, via het Gelagkameroverleg al vaker dergelijke oproepen aan de gemeente gericht, en ondertekende ook het appel van Code Rood Netwerk dd. 10 april in verband met de groep die uit de winteropvang op straat gezet werd.
Het vorige college formuleerde een humanitaire ondergrens: in Amsterdam zou geen mens op straat hoeven slapen. De praktijk is anders: bijzonder pijnlijk, wanneer zelfs de wachtlijst niet toegankelijk is.
Wij begrijpen dat u geen ijzer met handen kunt breken, maar hopen dat u zich ook in de toekomst sterk zult maken voor een vorm van bed,bad&broodvoorziening waar zonder twijfel behoefte aan zal blijven bestaan.
Met vriendelijke groet,
Frans Zoer, secr. Taakgroep Vluchtelingen

Amsterdam, 19 juni 2019

Aan burgemeester en gemeentebestuur van Amsterdam,
Geachte burgemeester, geacht gemeentebestuur,
Geachte mevrouw Halsema, geachte heer Grootwassink, geachte woordvoerder 24Uursopvang mevrouw Klerks,

Betreft: Dringende oproep tot onmiddellijke opening van noodopvang voor ongedocumenteerde vluchtelingen in Amsterdam

Bij deze doe ik als contactpersoon tussen de 65 voormalige bewoners van Uilenstede 574 Amstelveen,
ongedocumenteerde vluchtelingen die zonder enige middelen sinds maandagmiddag op straat zwerven, en hun advocaat,
een dringend beroep op u om met onmiddellijke ingang een noodopvang voor ongedocumenteerde vluchtelingen in Amsterdam te openen.

Mocht dit onverhoopt niet mogelijk zijn verzoek ik met onmiddellijke ingang de zorg voor deze groep, dwz voedsel, drinken, kleding, hygiène, vervoer, beltegoed, financiën, van particuliere donors over te nemen omdat deze zich voor een onmogelijke taak gesteld zien.

Als gemeentebestuur hebt u weliswaar niet de taak om de zorg voor de hele mensheid, en evenmin zondermeer voor alle of voor een deel van de mensen afzonderlijk, op u te nemen, maar u heeft dat wel als ze op uw deur kloppen, en zeker als ze kwetsbaar op uw stoep liggen. Het laatste is weliswaar nog niet letterlijk maar wel in feite het geval. U mag, en u wilt dat natuurlijk ook niet, over ze heen stappen.

Er is helaas in Amsterdam voor een ongedocumenteerde die zich aanmeldt geen enkele opvang. Wij hebben dat gemerkt en bewezen doordat de afgelopen 6 weken zich tientallen van ons hebben gemeld bij het Vreemdelingenloket en zelfs niet op een wachtlijst konden. Dit is ook bevestigd door de heer Henry Greenfield van het Vreemdelingenloket in een mail van 10 mei 2019 nadat wij deze hierop per mail hadden aangesproken en die wij hier citeren:

Dus zelfs voor ernstig zieken is er momenteel geen mogelijkheid voor direct onderdak, is er alleen de wachtlijst.

Er is dus in Amsterdam geen opvang voor ongedocumenteerde vluchtelingen die zich aanmelden. Wij verzoeken u voor onze groep, maar ook voor alle ongedocumenteerden, zoals bijvoorbeeld ook die welke zich momenteel nog met meer dan 50 in de Bijlmerdreef bevinden, een Noodopvang in te richten.

Ondertussen verzoeken wij u ook duidelijk en eerlijk te zijn over het feit dat er geen opvang is.
Deze onduidelijkheid is namelijk de afgelopen tijd zowel voor het gerecht als in de praktijk tegen ons en ook tegen de vluchtelingen van onder andere de Bijlmerdreef gebruikt.
Zowel de staat als de rechter op aangeven van de staat, als ook de burgemeester van Amstelveen hebben namelijk van dit gebrek aan duidelijkheid gebruik gemaakt door te beweren dat er wel een centrale opvang in Amsterdam is.
Dat heeft mede geleid tot een ongunstige uitspraak tegen ons, waartegen wij geen beroep hebben kunnen aantekenen, en heeft er ook toe geleid dat de burgemeester van Amstelveen meende de ontruiming niet te moeten verhinderen, ook niet ter wille van de rechtsstaat omdat wij geen beroep hadden kunnen aantekenen, omdat wij immers toch naar de opvang in Amsterdam zouden kunnen.
Die onduidelijkheid heeft ons dus ernstige schade toegebracht en zal, vrezen wij, tenzij u snel duidelijkheid geeft, dit ook doen aan de mensen van de Bijlmerdreef.

Ik vertrouw erop dat u niet zult beweren dat er wel een opvang is maar dat hij alleen maar vol is. Dat is namelijk tot heden altijd, ook wat betreft de BBB, tegen ons gebruikt. Zoals dat ook met Ter Apel is gebeurd: daar is opvang werd er gezegd. Tot advocaat Fischer bewees dat dat alleen theorie was want dat de vluchtelingen die zich daar aanmeldden werden geweigerd omdat er niet binnen een bepaalde tijd een kans was op uitzetting. Maar er is wel opvang, bleven sommigen zeggen. Maar in de praktijk dus niet, en daar gaat het om. Wij zouden als kinderen op school niet met zulke redeneringen hebben hoeven aankomen.

Wij verzoeken u dus vriendelijk maar dringend voor de mensen die zich momenteel op straat bevinden, of binnenkort dreigen op straat te komen, of die zich in een kraakpand bevinden waarvan de duur ongewis is, een Noodopvang voor ongedocumenteerden te openen.
Ook verzoeken wij u om eventuele kraakpanden op te nemen in de 24Uursopvang.
Ten slot verzoeken wij u, zolang er in Amsterdam geen opvang voor een ongedocumenteerde die zich aanmeldt bestaat, daar dan ook duidelijk over te zijn.

U bij voorbaat dankend, verblijf ik, namens de groep ongedocumenteerde vluchtelingen van We Are Here van v/h Uilenstede,

Met vriendelijke groet,
Ton Meurs, supporter We Are Here, ondersteuner voormalige groep Uilenstede

Dringende Financiële noodhulp voor vluchtelingen die geen kant op kunnen en niets krijgen van staat of stad

Beste mensen,

Hoe kan dat: aan vluchtelingen die niet terug kunnen geen verblijfsvergunning geven, een verbod op werk, geen inkomen, geen onderdak, geen kleding,  geen voedsel, geen onderwijs?
Het kan blijkbaar: zogenaamde ongedocumenteerde vluchtelingen zijn om te overleven volledig afhankelijk  van particulier initiatief. Vandaar deze particuliere financiële hulpactie.

Ze waren met 65, vluchtelingen uit Afrikaanse landen, die in Uilenstede 475, een 5 jaar lang leegstaand gebouw in het gebied Uilenstede/Kronenburg in Amstelveen, waren getrokken. Het gebied gaat volledig op de schop, het visieplan daarvoor is onlangs door de gemeenteraad aangenomen, het zal jaren vergen dit te realiseren en in de tussentijd is er vanalles mogelijk, ook voor ongedocumenteerde vluchtelingen. Dat hoopten ze, zeker toen de eigenaars ze aanboden tot 31 juli te blijven en te willen nadenken over een langere periode. Maar ze werden bedrogen, zowel door de eigenaars als door de staat, en de staat maakte het hun zelfs onmogelijk om tegen de rechterlijke uitspraak in hoger beroep te gaan.

Ze leefden daarna dagen, weken  op straat, zonder iets, werden overal opgejaagd, gelukkig wonen er een flink aantal ondertussen ook weer in een kraakpand, want alles beter dan op straat. Maar voor hoe lang? Op 23 juli kunnen ze al weer van de rechter te horen krijgen dat ze eruit moeten. Want al staat een gebouw al jaren leeg, de belangen van de staat (antikraakwet) en de eigenaar (eigendomsrecht) wogen tot nog toe altijd zwaarder. Er zijn wel mooie plannen voor een 24Uursopvang in Amsterdam, maar de harde werkelijkheid is dat er momenteel geen enkele opvang en geen enkele voorziening is voor ongedocumenteerden in Amsterdam die zich nu aanmelden.

De mensen die hun een goed hart toedragen hebben de gemeente dringend gevraagd om een NOODOPVANG. Temeer omdat er op maandag 24 juni opnieuw bijna 70 ongedocumenteerde vluchtelingen vanuit de Bijlmerdreef op straat zijn gezet. De gemeente heeft die Noodopvang ondertussen herhaaldelijk geweigerd.

Daarom doe ik een beroep u. Schrijf aub wat over naar 
Het banknummer  NL53INGB0005419523 van Hr AMJ Meurs.
Het geld wordt onmiddellijk overgemaakt naar de contactpersoon op straat of waar dan ook. Op de FB-pag. wordt verantwoording afgelegd voor de ontvangen bedragen.
U wordt daar ook op de hoogte gehouden van het wel en wee van de vluchtelingen:

Als u minstens €5,74 (inclusief verzendkosten overschrijft en op de overschrijving uw adres vermeldt, krijgt u het magazine met het 2-talige verhaal DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSERDAM/ THE AMSTERDAM HUMANSMUGGLER toegestuurd. Dit kan een paar dagen duren, maar wacht u daar aub niet op met uw gift, want hulp is acuut nodig. In dit absurde verhaal spelen vluchtelingen een grote rol. Heel hartelijk dank.

Als u vluchtelingen én de poëzie een warm hart toedraagt, wil ik u graag ook de prachtige 3-talige (Ned/Eng/Ital.) bundel DIARIUM BELLI van Patrizia Filia ter ondersteuning van de vluchtelingenorganisatie van de VN, de UNHCR, aanbevelen: http://meursam.nl/?p=598

Om wat voor vluchtelingen voor wie ik deze actie doe, gaat het? Het gaat om vluchtelingen die (nog) geen verblijfsvergunning hebben, uit de procedure zijn gezet (waar ze zich met veel moeite weer in terug moeten vechten), en niet terug kunnen. Omdat de reden van hun vlucht niet is opgeheven – oorlog, dictatuur, discriminatie als groep, persoonlijke vervolging, honger, rampen, uitzichtloosheid, klimaatverandering – of omdat de Nederlandse regering de verantwoording afschuift op het land waar de vluchteling Europa is binnengekomen, de zogenaamde Dublinclaim, of omdat de vluchteling voor terugkeer niet de juiste papieren heeft.

Ze kunnen dus geen kant op. Maar ze moeten ondertussen wel leven. Daar hebben ze ook recht op. Ieder mens heeft recht op voeding, kleding, een dak boven zijn hoofd, gezondheidszorg, onderwijs, werk. Niemand durft dat te ontkennen. Maar landen, regeringen, overheden, gemeentebesturen, durven dat wel af te schuiven. Wij noemen dat het verschoven geweten. ‘De vluchtelingen hebben daar wel recht op, maar dat wil niet zeggen dat wij als land, als regering, als gemeentebestuur moeten zorgen dat ze dat recht ook kunnen uitoefenen. En als we het wel doen, doen we dat vrijwillig, niemand kan ons daartoe verplichten, niemand kan daar rechten aan ontlenen.’ Ze beroepen zich daarbij soms zelfs op gerechtelijke uitspraken. Maar kunnen rechterlijke uitspraken geldig zijn die in tegenspraak zijn met de mensenrechten? En hoe was het ook al weer met de menselijke en wettelijke verplichting om een mens die in gevaar is, in nood is, gewond is, kwetsbaar is, te helpen? In nood en kwetsbaar zijn deze vluchtelingen in ieder geval. Gewond, geestelijk en/of lichamelijk vaak ook. Door de toestand in hun land van herkomst, door hun vlucht, de tocht. In gevaar zijn ze niet alleen geweest tijdens hun vlucht maar zijn ze hier nog steeds, door partijen die hun bestaansrecht ontlenen aan het bestrijden van vluchtelingen, van vreemdelingen, de voortdurende hetze en de traditionele partijen die hierin mee zijn opgeschoven in de hoop op politiek gewin.
Hartelijk dank voor uw bijdrage,
Ton Meurs

VERANTWOORDING VAN DE ONTVANGEN BEDRAGEN:
D.S €30; PvdPK 20€; L.R. 25€; RR 50; AvB 100€; TS 60€ (tot 20 juni)
EvD 50€ ; FdB: 25 (tot 24 juni)
A.D. €20; ML€50; HenWMT 25€; FG100; BJ35€; JB50€; MD 20€ (tot 26juni)
JM €50; ML €25; RP €10; LK 50€; TM €75; HM €20; BM €10; GV €25 (tot 29 juni)
JK 100€ (tot 2 juli);
HN 30€; CB 20€ (tot 3 juli);
BD 50€; EV 100€ (tot 5 juli);
HN 15€; LM 20€; BK 15; CV 10€ (tot 10 juli);
FM 25€; PM 100€; AS 100€; ST 5,74€; (tot 12 juli);
SR €100; RS €25 (tot 18 juli);
VdBP 50€; TH 25€ (tot 19 juli);

Hartelijk dank. Het geld is overgemaakt naar contactpersonen op straat, een kraakpand zoals Kuiperbergweg 26 of waar ze ook maar zijn.

www.meursam.nl
https://www.facebook.com/ton.meurs.7
https://twitter.com/TonMeurs

Boek DIARIUM BELLI van Patrizia Filia ter ondersteuning van UNHCR

Lieve Lezer,   Vandaag, donderdag 20 juni 2019, Internationale Dag van de Vluchteling, is mijn gedichtencyclus DIARIUM BELLI verschenen. Ik heb het geschreven tussen september 2015 en mei 2017; in Syrië woedde de oorlog. Het begint met het beeld van het levenloze lichaam van een Syrische kind op een strand in Turkije. Zijn naam was Alan Kurdi.  
Je ligt op je buik / Op de kustlijn / Handpalmen naar de lucht / hoofdje richting zee / Giaci a pancia in giù / Sulla battigia / Palmi al cielo / Testolina rivolta al mare / Lying on your belly / On the sea shore / Palms in the air / Facing the sea 
DIARIUM BELLI is in het Nederlands, Italiaans en Engels; zie de omslag in de bijlage.   De opbrengst van het boek gaat geheel naar UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties; zie in de bijlage over haar werk.   Het boek is te bestellen in de boekhandels, of online op boekenbestellen.nl, zie link: https://www.boekenbestellen.nl/boek/diarium-belli/9789082623284

Titel: DIARIUM BELLI

Auteur: Patrizia Filia

Uitgever: De LuiaardVrouwe

ISBN: 978-90-826232-8-4

Bij voorbaat dank voor het aanschaffen van mijn boek ter ondersteuning van UNHCR en voor het doorsturen van mijn bericht naar andere mensen.

Warme groet,

Patrizia P A T R I Z I A  F I L I A
www.deluiaardvrouwe.nl

OPEN BRIEF AAN DE BURGEMEESTER VAN AMSTELVEEN

Onderwerp: WAH Uilenstede 475



Verzoek vanwege handhaving rechtsstaat ontruiming uit te stellen tot na spoedappel

Aan de heer Tjapko Poppens, burgemeester van Amstelveen

Zeer geachte heer Poppens,

Heel hartelijk welkom in het prachtige Amstelveen. Wij, sinds enkele maanden net als u nu, bewoners van Amstelveen, hopen van harte dat u het net zo naar uw zin heeft als wij dat hebben.

Nog meer hopen wij dat de dag dat de meeste van de 65 bewoners u voor het eerst ontmoeten niet tevens de laatste dag zal zijn dat wij in Amstelveen mogen verblijven.

U kunt daar alles aan doen, eenvoudig door de rechtsstaat te handhaven.

Er is een uitspraak dd 13 juni van de voorzieningenrechter waarin de door ons gevraagde voorziening, het verbieden op strafrechtelijke gronden tot feitelijke ontruiming over te gaan, wordt geweigerd.

Onze advocaat heeft hiertegen onmiddellijk ’s nachts nog een met grieven omkleed turbo spoedappel aangevraagd. Het Hof Amsterdam heeft daarop op vrijdagochtend geantwoord dat het verzoek wordt toegewezen en de partijen verzocht de geplande ontruimingsdatum bekend te maken en hun verhinderdata op te geven. De staat heeft tegen het turbo spoedappel geprotesteerd, als ontruimingsdag de eerstvolgende werkdag, maandag 17 juni, opgegeven en als verhinderdata alle werkdagen van 17 t/m 25 juni. Het Hof heeft daarop geantwoord hierin geen mogelijkheid te zien tot een spoedappel voor de ontruimingsdatum.

Daarmee wordt door de Staat ons de mogelijkheid tot een hoger beroep ontnomen, een wezenlijk onderdeel van ons rechtsgebouw.

Een van de belanghebbende partijen, de Staat, heeft in dit geval de andere partij de mogelijkheid versperd om in hoger beroep te gaan. In plaats van met argumenten te strijden probeert te staat ons bij voorbaat monddood te maken. En wel door de ontruimingsdag onnodig snel te plannen en vervolgens anderhalve week lang niet thuis te geven. Een zeer kwaadaardige en ongeloofwaardige opstelling van zo’n groot advocatenkantoor, waarin vervanging makkelijk mogelijk is. Dat druist in tegen alle rechtsgevoel, de rechtsorde en de rechtsstaat als zodanig.

Er is geen enkele urgentie voor snelle ontruiming, want alle partijen zijn het eens geweest over de datum van 31 juli. Dat zullen wij in een andere mail, waarin wij op de uitspraak ingaan, toelichten.

Een snelle ontruiming zonder dat er een spoedappel is geweest, tast niet alleen ons leven ernstig aan (er is immers momenteel geen enkele opvang), het betekent ook een ernstige aantasting van de rechtsstaat, omdat ons een hoger beroep tegen een gerechtelijke uitspraak, een van de wezenlijke onderdelen van ons recht, onmogelijk wordt gemaakt.

Geachte burgemeester, om deze reden vragen wij u beleefd maar dringend van ontruiming af te zien, zodat wij alsnog gebruik kunnen maken van ons recht op hoger beroep en aldus aantasting van de rechtsstaat wordt voorkomen.

Hartelijk dank namens de 65 bewoners van Uilenstede 475 en allen die de rechtsstaat en de medemenselijkheid een goed hart toedragen,

Ton Meurs, supporter WAH, tussenpersoon advocaat en bewoners Uilenstede 475

Na het verraad van de Staat nu de wraak van de staat

T.ov. We Are Here


(14 juni) Na het verraad van de Staat nu de wraak van de staat.
De Staat geeft geen enkele ruimte voor een turbo spoedappel tegen een gerechtelijke uitspraak die het pleidooi van de staat had overgeschreven. Wil supersnel ontruimen, namelijk op maandag 17 juni. Staat verklaart verhinderd te zijn om voor of op die datum aan een spoedappel deel te nemen. Het gerechtshof trekt daarna de mogelijkheid van een spoedappel in. De rechtsstaat schiet ernstig tekort als op die manier de staat een spoedappel (hoger beroep) kan verhinderen zodat de staat zijn gang kan gaan. Gevolg: de 65 vluchtelingen van WAH Uilenstede staan maandagmiddag 17 juni op straat. Want Amsterdam kent momenteel geen enkele opvang.

HET VERRAAD VAN DE STAAT t.o.v. van Wij Zijn Hier

Vandaag, 13 juni, was de uitspraak per mail van het Kort Geding dat plaatsvond op 28 mei.
Rechter wijst verbod op ontruiming af.
@WijZijnHier #Uilenstede gaat in spoedappel. We kunnen daarbij zaken aan de orde stellen die ons op de vorige zitting niet lukten, zoals het ongeoorloofd opvragen van privégegevens van onze eiser door de staat. En de overduidelijke mailcorrespondentie waarin de advocaat van de staat ons namens de advocaat van de eigenaar een voorstel doet, waarop we ja hebben gezegd en dus een overeenkomst hadden.

Op vrijdagavond 17 mei was er in voorbereiding op het door Wij Zijn Hier Uilenstede tegen de Staat aangespannen Kort Geding op 20 mei ter voorkoming van ontruiming, intensief contact per telefoon en mail tussen de advocaten van Wij Zijn Hier Uilenstede en van de Staat.

Om 21:14u mailt de advocaat van de staat:

<Geachte confrère,Hierbij kom ik terug op ons telefoongesprek van zo-even.Zojuist heb ik contact gehad met de advocaat van de eigenaresse van het pand. Zij gaf mij aan dat er dit weekend niet meer zal worden overlegd over een langere termijn dan 31 juli 2019. Waar de ruis is ontstaan kunnen wij uiteraard niet achterhalen, nu wij niet bij het gesprekaanwezig waren.Indien uw cliënten dit aanbod accepteren, wat ik persoonlijk nog steeds een heel mooi aanbod vind, dan hoor ik dat heel graag zo spoedig mogelijk van u. Een fijne avond toegewenst en ik verneem graag! (…)>

Zaterdag 18 mei om 11u mailt de advocaat van de staat:

<Geachte confrère,Ik ben vandaag beperkt telefonisch bereikbaar (tot ongeveer 12:30). Heeft u uw cliënten al gesproken? Ik verneem graag. Met vriendelijke groet, (…)>

Op zaterdag 18 mei om 16.58u antwoordt de advocaat van WijZijnHier Uilenstede:
<Geachte confrere, het door clienten te nemen besluit is dusdanig ingrijpend dat zij daarvoor een algemene vergadering hebben uitgeroepen morgen om 13 uur. Uiterlijk om 15 uur kan ik u definitief berichten of clienten het voorstel van voortgezet verblijf tot en ontruiming per 31 juli aanvaarden, in welk geval het geding uiteraard kan worden ingetrokken. Met alle begrip voor het daaruit voortvloeiende ongemak, dat ook mij persoonlijk treft, vriendelijke groet, (…)>

Op zaterdag 18 mei om 17.02u antwoordt de advocaat van de staat:
<Geachte confrère, Hartelijk dank voor het informeren! Dan wachten we morgen even af.
Met vriendelijke groet, (…)>

Op zondag 19 mei om 13.00u wordt middels een voorgelezen schrijven van de advocaat van WijZijnHier Uilenstede het voorstel als volgt aan de vergadering van bewoners voorgelegd:
<Er ligt voor een voorstel van de eigenaar om jullie nog tot 31 juli in de gelegenheid te stellen het verblijf op de Uilenstede voort te zetten. Aanvaarding daarvan zal betekenen dat tot die tijd ook strafrechtelijke ontruiming van de baan is en we het kort geding zullen kunnen en ook moeten intrekken. (…)>

Het door de bewoners te nemen besluit was niet makkelijk, want volgens de contactpersonen hadden de eigenaars niet alleen aangeboden om tot 31 juli te blijven, maar ook om over een langer verblijf te zullen nadenken en met een antwoord daarop te zullen terugkomen. Daarom was de vergadering zo lang mogelijk uitgesteld, namelijk om de eigenaars in de gelegenheid te stellen opnieuw langs te komen. Maar ze kwamen niet.

De vergadering zei ja op het voorstel en kort voor 15u werd dit ja aan de advocaat van WijZijnHier Uilenstede gemaild die dit op zijn beurt doormailde aan de advocaat van de staat. De bewoners hadden aan de voorwaarden voldaan en gingen er vanuit dat ze een overeenkomst hadden.

Op maandag 20 mei om 9.45u mailt de advocaat van WijZijnHier Uilenstede aan de rechtbank:
<Geachte mevrouw, nu partijen op het allerlaatste moment overeenstemming hebben bereikt, lijkt voortzetting van het geding overbodig. Nu er nog wat puntjes op de i gezet moeten worden, verzoek ik u, in samenspraak met mr. …, de behandeling van de zaak tot nader order aan te houden. Met vriendelijke groet, (…)>

In de loop van maandag 20 mei komt de advocaat van de eigenaars, die tot dan buiten beeld is gebleven, plotseling telefonisch naar de advocaat van WijZijnHier Uilenstede met aanvullende eisen wat betreft de overeenkomst.
Op dinsdag 21 mei 09.45u verwoordt zij deze als volgt:
> Geachte confrère, Zoals gisteren besproken bijgaand een concept. Ik stuur deze in WORD toe zodat de ontbrekende punten kunnen worden aangevuld. Zoals besproken zal uw cliënte, de organisatie We are here, een informele vereniging laten oprichten en deze vaststellingsovereenkomst als akte laten passeren door een door haar aan te wijzen notaris. Zodoende verkrijgt cliënte een executoriale titel voor ontruiming (indien de overeenkomst niet zou worden nagekomen) en kan tevens de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de persoon die uw cliënte vertegenwoordigt, kunnen worden vastgesteld. Ik zie graag uw berichten tegemoet, waarvoor dank. Met vriendelijke groet, (…)>

WijZijnHier heeft nog even gedacht: zullen we hier op ingaan om overal vanaf te zijn? Maar na een oudrechter en een notaris geraadpleegd te hebben, wees WAH deze vergaande aanvullende eisen, mede omdat het ook juridische onzin was, resoluut af.
Omdat de staat op het juist hanteren van de wet in het algemeen moet toezien, had ze ook moeten ingrijpen toen de advocaat van de eigenaar plotseling aanvullende eisen stelde, m.n. een Notariële Acte, omdat deze volgens haar nodig zou zijn om een ‘executabele bevoegdheid’ te verkrijgen, die weer nodig zou zijn om er zeker van te zijn dat WAH er 31 juli uit zou gaan.
Dit getuigt van onnodig wantrouwen tegenover de bewoners, vraagt een onnodige inspanning van deze (de onzin om een ‘informele vereniging op te richten’ daargelaten; die richt je namelijk niet op: die is er of die is er niet. Ook hier zou de advocaat van de staat tegenin moeten gaan), zoals het vinden en gaan naar een notaris, en de financiële inspanning van enkele honderden euro’s door mensen die geen enkel inkomen hebben en afhankelijk zijn van liefdadigheid.
Getuigt bovendien van het (onterecht) ontkennen van de waarde van een gewone (vaststellings)overeenkomst en bovendien van de waarde van een gerechtelijke uitspraak, beide voldoende zijnde om ontruiming te garanderen.
Die tot slot een onjuist juridisch beeld geeft van de Notariële Acte als zogenaamd zijnde een voorwaarde voor een ‘executabele bevoegdheid’, want tussen beiden is geen verband. Ook met een Notariële Acte zul je voor een ‘executabele bevoegdheid’ nog steeds gewoon naar de rechter moeten.

Op 23 mei 2019 om 12.05u pleegt dan de advocaat van de staat in een mail aan de advocaat van WijZijnHier Uilenstede openlijk verraad ten opzichte van zijn eigen in het weekeind daarvoor ingenomen positie en ten opzichte van de vluchtelingen van WijZijnHier:
<(….) Zoals u bekend wordt de eigenaresse bijgestaan door een eigen advocaat en treed ik niet voor de eigenaresse op. Dat u uit mijn berichten heeft opgemaakt dat het aanbod van de eigenaresse nog geldig was, vind ik vervelend, maar maakt niet dat er een overeenkomst tot stand gekomen is. (…)>

(Zie aub in het begin van dit FB-bericht de mails die de advocaat van de staat aan de advocaat van WijZijnHier Uilenstede stuurde)

Het zou nog erger worden. In het begin van de avond voor het uitgestelde Kort Geding (28 mei) blijkt dat de advocaat van de staat, terwijl niet duidelijk is onder welke titel, privégegevens van de eiser van WijZijnHier heeft opgevraagd bij de IND/DTenV, bij de politie van Amstelveen, het Vreemdelingenloket Amsterdam, de woordvoerder van de 24Uursopvang Amsterdam, en van al deze instanties ook braaf antwoord heeft gekregen. Opvalt is dat als onderwerp bij de antwoorden staat vermeld: <Staat/Chakroune Nuur> terwijl het om een KG van Chakroune Nuur TEGEN de staat gaat.
In ieder geval hadden deze privégegevens van de eiser niet op het KG aan de orde mogen komen en zouden deze alsnog buiten beschouwing moeten worden gelaten.
Het is alsof WijZijnHier in haar KG tegen de staat privégegevens zou verzamelen en rondsturen van de advocaat van de staat.
Tegen dit handelen door de advocaat van de staat is een klacht ingediend bij de Autoriteit Persoonsgegevens.
In ieder geval was met deze handelwijze het verraad van de staat compleet.
Zie ook: Eerder bericht over Kort Geding op FB



De belangen van de staat (de [antikraak]wet, alsof woonrecht niet ook in wetten is vastgelegd die door de staat moeten worden verdedigd) en die van de eigenaar wogen tot heden bij alle uitspraken tegen WAH het zwaarst. Daar moet een keer een eind aan komen, aan dat automatisme. De voornaamste reden is dat niet erkend wordt dat de staat verantwoordelijk is voor de wetten en de handhaving daarvan in het algemeen, ook als die in het nadeel van de eigenaar (zoals de beperkingen van het eigendomsrecht) en in het voordeel van de bewoners (zoals het onjuist hanteren en interpreteren van de wet door de advocaat van de eigenaar). Het nu schijnbaar vanzelfsprekende gelijk optrekken van de staat met de eigenaar, en het zelfs optreden van de staat voor de eigenaar zou daarmee zijn vanzelfsprekendheid verliezen. Het proportionele gewicht, wat verworden is tot een soortelijk gewicht, van staat en eigenaar samen, zou daarmee een ernstige knauw oplopen en tot geheel andere resultaten bij de rechter moeten leiden.
Daar willen we het graag heel veel en heel vaak over hebben. Zoals ook over het asielgat, het niet terug kunnen maar ook niets krijgen om hier te blijven, over de extreme kwetsbaarheid van de ongedocumenteerde vluchteling. Maar WELLICHT KAN WAH UILENSTEDE DAT deze keer VERANDEREN.
We hebben het ondertussen over maar over één ding:
MAAR WIJ HEBBEN AL EEN DEAL!
Om tenminste tot 31 juli in Uilenvlucht, Uilenstede 475, te blijven.

Uit: Aan de Lange Weg

Er is meer eigenaardigs aan de hand. Als je tot voor kort achter de huizen aan de Lange Weg kwam en naar het zuiden keek, zag je net over de Gender een populierenbos met heel hoge bomen. Dat bos begon in het westen achter het Patersgat en liep in het oosten tot aan de Leef dat in de winter de schaatsbaan is.
Maar wanneer je nu achter de huizen komt, kijk je dwars door het bos heen. Je kijkt tot aan de horizon, over de velden waar het eerste kievitsei werd gevonden en voorbij de Ontginningsweg, een naam die ook al weinig goeds voorspelt.
Als je dichterbij komt, zie je de bomen schots en scheef lig­gen, veel zijn er over de Gender gevallen. Het is geen enkel probleem meer om aan de overkant te komen, je loopt er zo overheen.
De stronken zijn in de grond blijven zitten. En heel de winter is oom Lex de Gender overgestoken en heeft hij de geweldige stobben uit de grond gehaald, aan stukken gehakt en op de kruiwagen naar huis gebracht. Met bovenmenselijke inspanning. Heel zijn energie, zijn woede om zijn ten dode opgeschreven zuster ging in die stronken zitten.
Hij leeft zich uit in de moerassige grond op posten die nog te nat zijn om door te hakken, hij graaft ze uit. Als hij met een niet verder kan gaat hij naar de volgende. De aarde zuigt, houdt ze vast. Ze zouden eerst verder moeten drogen, maar Lex heeft geen geduld. Hij zou allang in de hof en op het land bezig moeten zijn maar dit voorjaar heeft hij ook daar geen geduld voor. Zijn hoofd staat niet naar zaaien en planten, zijn handen zijn precies te grof, hij wil groot en zwaar werk, en soms lijkt zo`n stronk op een kruis, woedend hakt hij er de armen af en maakt het onherkenbaar.

Tante Erna sterft nog voor de zomer en Jantje krijgt op school geen vrij om haar mee te gaan begraven.

(Uit Aan de Lange Weg, pag. 128, Meurs A.M.)

Dakloze asielzoeker vs antikraakwacht uit geprivilegeerde familie


Het voormalige kantoorgebouw van Londonverzekeringen staat vermoedelijk al vanaf 2012 of langer leeg. https://rijnboutt.nl/
projects/261



Persbericht Wij Zijn Hier English:
https://www.facebook.com/
events/556059584916072/
permalink/556059628249401/


Nederlands:
Wij Zijn Hier – Persbericht… Meer weergeven

Op vrijdag 12 april dient de strafzaak tegen de dakloze asielzoeker-tussen-procedures Fortune, die op 4 juni 2018 voor het vluchtelingencollectief Wij Zijn Hier het leegstaande deel van het voormalige gebouw van Londonverzekeringen probeerde te betreden, met het doel een onderzoek in te stellen of het gebouw onderdak kon bieden aan de dakloze vluchtelingen van @wijzijnhier. Hij werd bij de deur met geweld tegengehouden door de zoon van de toenmalig wethouder, nu weer VVD-raadslid #VanderBurg, die schreeuwde ‘wij wonen hier!’. Deze bleek in een klein deel van het gebouw als anti-kraakwacht te wonen. De relaties en de kennis van zijn vader zullen daar niet vreemd aan zijn geweest. Eric van der Burg was op dat moment o.a. wethouder van Ruimtelijke Ordening en Grondzaken. Door de stampij die zoon Van der Burg maakte en de contacten van de familie was AT5, POWned en De Telegraaf al snel aanwezig en besloot Wij Zijn Hier vanwege de ontstane onrust op dat moment het onderzoek naar woonruimte te staken.

Fortune werd niet ter plekke aangehouden (en dus ook niet ‘op heterdaad betrapt’) maar pas weken later opgepakt, en dat vermoedelijk door de in de pers opgestookte opinie en onder druk van de wethouder. In plaats van gewoon verhoord te worden en vervolgens vrijgelaten in afwachting van zijn zaak, werd Fortune maandenlang in #vreemdelingendetentie opgesloten (een gebruikelijk oneigenlijk gebruik van de vreemdelingendetentie, waarbij vaak tegen beter weten in, een onderzoek wordt gedaan naar de mogelijkheid van uitzetting van de afgewezen vluchteling). Fortune had dit eerder meegemaakt, en ook dit keer mislukte de uitzetting naar, notabene!, Soedan. Hij is ondertussen alweer een aantal weken geleden vrijgelaten en op straat gezet, en op 12 april komt hij dus voor.
De tenlastelegging is duidelijk gezocht:
Hij wordt ervan beschuldigd dat hij ‘de woning’ van M.J. van der Burg ‘wederrechtelijk is binnengedrongen’ en dat hij ‘een deur heeft vernield’.
Van het gebeuren heeft op Telegraaf.nl een video gestaan waarbij men wat duw- en trekwerk bij een deur ziet. Het is duidelijk dat Fortune niet door die deur is geweest en dus niet ‘is binnengedrongen’. Het is ook duidelijk dat achter die deur zich niet ‘de woning’ van M.J. van der Burg bevindt maar een gang en een trappenhuis naar bovengelegen verdiepingen. Als zich in een klein gedeelte aan die gang of aan dat trappenhuis de woning van M.J. van den Burg bevond, dan is deze afzonderlijk afgesloten of afsluitbaar en kunnen de gang en het trappenhuis en de leegstaande kantoren niet als ‘zijn woning’ beschouwd worden. Evenmin kan het ‘hier’ in de uitroep ‘wij wonen hier’ geïnterpreteerd worden als ‘in het hele (voor 90% lege) gebouw’. Ook kon de heer Van den Burg niet duidelijk maken dat hij ene verantwoording had voor of een functie had in de rest van het gebouw, als een poging daartoe al enige waarde had gehad.
Zou de heer Fortune al achter de betreffende deur zijn geweest, op weg naar het leegstaande gedeelte van het gebouw, dan nog had de heer Van den Burg geen recht of reden om hem dat te verhinderen. Maar Fortune is door toedoen van Van den Burg en door de daarmee ontstane onrust, niet achter betreffende deur geweest. Van zelfs maar binnentreden, laat staan wederrechtelijk binnendringen, is dus geen sprake, niet in het gebouw, dus zeker niet in een woning.

Evenmin is sprake van een door Fortune vernielde deur. Er is op de video geen vernielde deur te zien, terwijl dit, als dit al heeft plaatsgevonden en door Fortune zou zijn gebeurd, dit moet zijn gebeurd voor deze de omgeving van het pand verliet. Er zijn geen beelden en evenmin getuigen van dat Fortune een deur vernielt, dus kan de beschuldiging onmogelijk worden waargemaakt.

Een man als Fortune is hier duidelijk de kwetsbare partij. Hij is gevlucht voor een dictatuur, heeft een gevaarlijke vlucht achter de rug, hem is geen asiel verstrekt hoewel pas weer bewezen is dat terugkeer niet mogelijk is. Hij heeft als afgewezen asielzoeker al meer dan 10 jaar geen enkele voorziening, waaronder geen onderdak. Het is begrijpelijk en mensenrechtelijk terecht dat hij steeds op zoek is naar onderdak.

Daar tegenover staan de eigenaars en vertegenwoordigers van een omwille van speculatie lang leegstaand gebouw, die niet toestaan en zelfs verhinderen dat een dakloze asielzoeker met zijn lotgenoten hier onderdak zoeken.

Als het de asielzoekers gelukt was het leegstaande deel van het gebouw te betrekken, dan zouden zij volgens het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), als bewoners van het leegstaande deel van het gebouw zijn beschouwd. Zij zouden recht hebben hun belang in een Kort Geding voor een onafhankelijke rechter te bepleiten. De antikraker Van der Burg wordt slechts als bewoner beschouwd van het (kleine) gedeelte dat hij ook daadwerkelijk bewoont.

Het is duidelijk dat de kwetsbare dakloze asielzoeker Fortune moet worden vrijgepleit van de ten laste gelegde zaken en dat hem een schadevergoeding moet worden verstrekt voor het ten onrechte ondergane leed.

Mijn moeder, 2e deel, model voor Anneke, in AAN DE LANGE WEG van Meurs A.M


Mijn moeder, 2e deel, model voor Anneke, in AAN DE LANGE WEG van Meurs A.M., mét De Vrouwen van de Eerste Huizen.


Mijn moeder, model voor Anneke in Aan de Lange Weg
(de vlek zit op de foto)

Het leek een leuk idee: de passages van Anneke, waarvoor mijn moeder in Aan de Lange Weg model stond, uit het boek te halen en in het kader van de Boekenweek op internet te zetten. Maar al gauw zat het me niet lekker. Het leuke van het boek waren nu net De Vrouwen van de Eerste Huizen, die niet alleen buren en personages zijn, maar die ook de andere personages, de gebeurtenissen én het geschrevene en de schrijver becommentariëren. Alleen Anneke eruit halen is net zoiets als het verhaal van Ondine uit De #DeKapellekensbaan afzonderlijk publiceren. Dan krijg je een ouderwets boek. De Vrouwen van de Eerste Huizen heten niet alleen zo omdat ze inderdaad in die eerste huizen van het dorp wonen maar ook als eerbetoon aan #LouisPaulBoon die schrijft over de Eerste Vuile Huizen van de Kapellekensbaan waar Ondine woont en waar de sleutel van de kapel bewaard wordt. Hier dus Anneke met De Vrouwen van de Eerste Huizen uit het 1e deel van de 3 delen #AandeLangeWeg heeft. Tussen haakjes, 2 van de 3 Vrouwen van de Eerste Huizen zijn ook moeder.

(Anneke Weels, woont in de eerste bocht van de Lange Weg, in 1940 getrouwd met
Leo Weels, ze krijgen acht kinderen, waaronder
Tonnie Weels, het eerste kind, een meisje dat van haar vierde tot haar achtste in het sanatorium ligt vanwege tbc;
Jantje Weels, hun tweede, met wiens geboorte het verhaal begint, volgens het schrijverpersonage A.M.
vaak hinderlijk aanwezig;
Mimi Weels, op haar vijfde levensgevaarlijk verbrand door een val vanaf het aanrecht in een kokende ketel met wasgoed;
Hugo, hun laatste kind dat een uur heeft geleefd, maar gelukkig is het er een van een tweeling en dat andere is nummer acht.)

(De Vrouwen van de Eerste Huizen, te weten: Hanna Bosmans, Hanna Knietel en De oudste dochter van Meijer; zij zijn tegelijk personages, vertelsters, commentatoren én Muzen van A.M;)

Onrust aan de Lange Weg

Er heerst onrust aan de Lange Weg. Maar het meest onrustig lijkt toch A.M. te zijn die daar rondstruint op zoek naar de vorm voor zijn boek van de Lange Weg.

     “Wat is dat!” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen. “Begint Jantje, het jongetje, je alter ego, het toch een beetje van ons over te nemen, iets wat je eerst absoluut niet wilde?”

     Jantje lijkt inderdaad tegen wil en dank de rode draad geworden, meer dan de Vrouwen van de Eerste Huizen, hoewel de strijd nog niet is gestreden.

     Allemaal hadden ze het mogen zijn: de visboer, de vodden­boer, de ziekenfondsbode, een ander jongetje, als ze maar langs die huizen van de Lange Weg gingen, allemaal behalve het jongetje, behalve Jantje. En toch lijkt die het te worden: de enige echte bindende factor.

     De vertelsters, Anneke, Josje en Bet, hebben het niet gehaald, alleen Anneke speelt nog mee, hoewel Josje veel intensiever aanwezig was. Maar in 1947, wanneer ze heeft moeten trouwen, is ze uitgepraat. En van Bet kon het verhaal van haar leven verteld worden, zoals dat van haar man Toontje, maar als dat verteld is, zijn we er, afgelopen.

     Daarom toch: het verfoeide jongetje. Hoewel de Vrouwen van de Eerste Huizen die het eeuwige leven hebben veel leuker en interessanter zijn en zich nog niet gewonnen geven. Dus wie weet!

     Want de Vrouwen van de Eerste Huizen die willen altijd!
(Pag. 104)

De Vrouwen van de Eerste Huizen willen het overnemen

De Vrouwen van de Eerste Huizen willen het overnemen omdat ze vooruit willen in de tijd, maar dat kan A.M. zelf ook, zegt hij.

            De oudste zoon van de familie Brems, Harry, hebben we nog niet leren kennen, maar die is dan ook meestal op stap. Tot nu toe rustte op zijn talloze ondernemingen niet veel zegen, gaf hij bovendien het geld dat hij verdiende net zo snel weer uit, al zorgde hij wel dat er een telefoon in huis kwam, wat nog tamelijk uitzonderlijk is.

            Maar nu lijkt er een kentering te zijn gekomen en die heet: wasmachine!  Hij heeft de tijd mee, ook de dorpsmensen willen nu thuis gaan wassen, hij kan tweedehands wasmachines voor weinig geld en op afbetaling aanbieden. Ze gaan vaak stuk, ook omdat de mensen nog niet gewend zijn ermee om te gaan, en dan brengt hij voor maar een klein beetje meer geld een andere, want de garantie die hij heeft gegeven is nog niet voorbij en hij zou niet weten hoe hij ze moest repareren.

            Maar ook daar komt verandering in, want zijn jongere broer Karel, een van de vroegere bedpissers, is ondertussen een jaar of veertien en niet alleen een stuk gezonder en sterker maar ook technisch en handig geworden. En daarmee is de zaak rond: de familie Brems heeft de verkoop en reparatie van wasmachines in handen.

            Toch is de weg naar succes nog niet definitief. Vrouw Brems, die altijd al zwak was, vlug moe, en wie het gauw te veel werd, laat haar bed tussen de planten voor het raam aan het binnenplaatsje zetten en wacht daar met een rozenkrans in haar handen de dood af, want ze heeft kanker en veel meer dan vijf jaar zal ze haar man niet overleven. Ze komt nog één keer buiten als ze hoort dat er een buurjongetje zoek is. Met een mantel over haar nachtkleding en een brandende kaars in haar hand loopt ze biddend midden over de Lange Weg in de richting van het ongelukkige gezin in de Acht-Huizen. Het helpt, want de jongen wordt teruggevonden.

            Nog een paar maanden kunnen de kinderen hun drukke bezigheden even onderbreken om bij het bed van hun moeder te horen over liefde, vriendschap, de natuur en over God, in het bijzonder over het kindje Jezus en zijn moeder Maria.
(pag. 139 – 140)

Op de thee bij Anneke

‘t Is wel een beetje wat men noemt een asociaal gezin maar kwaad zit er niet bij, zeggen ze van een van de toekomstige buren van Anneke in de Acht-Huizen. Dat zeggen ze trouwens van meer huishoudens in de Acht-Huizen, en dat asociale schijnt in de praktijk ook wel mee te vallen.

            Ja, Anneke gaat inderdaad in de Acht-Huizen wonen. Ze heeft er wel eens mee gelachen sinds haar huur is opgezegd omdat de huisbaas zelf in haar huis wil, maar het is inderdaad zo. Daarom zijn ze nu bij Anneke op de thee, voor de laatste keer in het oude huis, waar alle acht kinderen van Anneke zijn geboren en waar ze heel wat heeft meegemaakt.

            Anneke maakt wat mee! Pas nog heeft ze haar oude moeder van achtentachtig moeten begraven op het kerkhof van Sas en het was nog ijskoud ook. Ze hadden de grond moeten openhakken. Het valt niet mee je oude moeder achter te moeten laten in die koude grond!

            De Vrouwen van de Eerste Huizen maken ook heel wat mee natuurlijk, en Ineke het buurmeisje dat bijna alle kinderen van Anneke heeft leren lopen ook, maar toch valt het bij Anneke meer op.

            Maar Hanna Bosmans wil niet over de droevige dingen praten. Ze neemt het initiatief: Weet Anneke nog dat de oude buurman Dries Westerweel, de oom van degene die nu in haar huis gaat wonen, als het onweerde altijd bij Anneke thuis achter de deur kwam zitten? Och, wat was die bang voor onweer en hoe lang is die alweer dood! Met zijn broer heeft hij daar jaren gewoond maar de broer ging het eerste. En toen ze allebei dood waren kwamen de Koenders daar achter wonen, een pas getrouwd stel dat de hele dag in bed lag, daar moest je niet onverwachts op bezoek komen. Och, en aan de voorkant de schoenmaker, hoe vaak is die niet met zijn houten been hier achterom komen lopen om schoenen terug te brengen en even bij zijn vrouw weg te zijn. Maar de buurman aan de andere kant van de schoenmaker zei: “Ik kom die schoenen zelf wel ophalen als ze klaar zijn, want elke keer als jij met je hond komt kost me dat een paar doodgebeten konijnen, en wat kan ik anders doen dan ze zelf maar opeten?” Die hond beet zo dat gaas door en had er een paar te pakken.

            “Dus Robert kwam voortaan zelf zijn schoenen wel opha­len,” lacht Hanna Bosmans, “dat scheelde een paar konijnen.”

            Dus die oude Westerweels die hiernaast achter woonden waren ooms van de eigenaar van dit huis, en herinner je je nog die vrouw van de eigenaar die altijd de huur kwam ophalen? Daar zat ze met haar bril en haar bontjas en haar spitse neus en haar grote leren handtas met het opgehaalde huurgeld voor zich op tafel. Achter dat tochtschot zat ze altijd en kreeg een kop thee en de kinderen mochten van vader Weels dan niet hatelijk doen of lachen. Weet je dat nog, Anneke? Ja, en of Anneke het nog weet!, ze heeft het allemaal zelf verteld. En ze weet ook nog goed dat dat wijf van Wester­weel, want zo noemden we haar, de huur kwam verhogen en later de huur opzeggen. Dat laatste is alweer drie jaar geleden. Enfin, de woning in de Acht-huizen valt mee, vier slaapkamers boven, maar de wc is nog steeds buiten, wel met een closetpot nu maar waar je met een emmer water door moet gooien en een put die ze met een wagen en een slang leeg komen maken. Hier moeten we dat nog zelf doen. En de hof is natuurlijk ook een stuk minder, we zullen die fruitbomen nogal missen!

            Ach, er verandert zoveel en zo snel, het is voor een gewoon mens niet meer om bij te houden. Neem nou die nieuwe wijk die zo goed als klaar is. Onze jonge jongens weten te vertellen dat daar meisjes van hun leeftijd zijn komen wonen die voor ze gaan slapen in hun blote kont boven voor het slaapkamerraam komen staan. Het schijnt nog waar te wezen ook. Misschien is het er maar eentje, maar de jongens trekken in ieder geval massaal ‘s avonds rond half negen naar de nieuwe wijk. En als ze erom vragen schijnt dat kind zich ook nog om te draaien! Och, je weet toch niet meer waar je aan toe bent tegenwoordig. De oudste jongen van Anneke, Jantje, heeft nu een Ambonees vriendje, ook al uit de nieuw­bouwwijk.

            En aan het eind van het pad naar Sas is een nieuw huis gebouwd en wat daarin is komen wonen! Ook zo`n jong, flauw stel. Hij komt elke morgen de kant van de Lange Weg op fietsen en al die tijd staat zij buiten in haar peignoir te zwaaien tot hij op de Lange Weg is en om de bocht naar de stad verdwijnt. Die afstand is ruim een kilometer, dus zij staat elke morgen zeker vijf minuten buiten en na elke honderd meter kijkt hij om en steekt zijn arm op. Schijnt tekenaar bij Philips te zijn en er zouden er meer van dat soort komen, een hele wijk vol. Als je meer wilt weten, moet je het aan boer Vrieskens vragen die daar tegenover woont en van wie het land was dat tussen hem en de Lange Weg ligt. Hij schijnt het voor een goede prijs aan de gemeente verkocht te hebben. En zelf mag hij aan de zuid­kant van het dorp voor een appel en een ei opnieuw gaan boeren. Ze hebben voor die boeren zelfs de Run gekanaliseerd.

            Maar als je nog meer wil weten, kun je het ook aan die mannen in de korte broek vragen die, als ze niet rondfietsen, bij hotel/café Den Os zitten. Die mannen lijken het er niet zo mee eens te zijn. Zeker niet nu ze ontdekt hebben dat een van die boeren voor wie de gemeente zoveel kosten heeft gemaakt, gewoon een grote schuur met honderden varkens heeft neerge­zet en alleen nog maar wat maïs en bieten verbouwt en zijn mest niet kwijt kan, en dat soms opeens de sloten daar in de buurt keihard beginnen te stromen – een nieuwe omlegging van de Gender, denk je eerst nog – maar de boer is bezig zijn gierkel­ders leeg te pompen.
(pag. 141 – 143)

Voorheen de Acht-Huizen

Vrouw Teunis uit de Acht-Huizen vindt Anneke Weels maar een verwaand ding, met die toch al vooruitspringende onder­kin, die ze dan ook nog eens omhoogsteekt, en altijd dat opscheppen over de kinderen, die best goed zullen kunnen leren, maar ondertussen hebben ze daar bij Weels geen nagel om hun reet te krabben, want met al dat leren is er geen kind dat al wat binnenbrengt.

            Anneke Weels, voorheen uit de eerste bocht van de Lange Weg, en nu ook, zij het nog steeds niet fanatiek, uit de Acht-Huizen, vindt vrouw Teunis een norse vrouw, erg tuk op geld en luxe, en vooral lomp, lomp in de omgang. Ze lijkt boven­dien wel een woonwagen-bewoonster met dat zwarte haar, die donkere blik en al die sieraden. Maar daar kunnen de kinderen ook niets aan doen en vader Teunis is een goed mens.

            De oude en nieuwe bewoners van de Acht-Huizen hebben hun bedenkingen over elkaar, maar soms valt het ook mee, want de buurman van de ene kant, het koddige Willeke, komt zeggen: “Weels, ik zag het eerst niet zitten, maar u bent, geloof ik, toch een fatsoenlijk mens.” Een jonger broertje van Jantje had de buurman toen wel een kusje willen geven.

            “Voor de kinderen was het heel wat anders,” zegt Hanna Bosmans van de Eerste Huizen. Bij de volwassenen was het een kwestie van een idee, van een bepaald beeld dat men van elkaar had: in de Acht-Huizen wonen voornamelijk asociale gezinnen, buiten de Acht-Huizen voelen de mensen zich boven ons verheven ook al stellen ze zelf niet veel voor.

Maar voor de kinderen Weels is het een echt probleem, een praktisch probleem. Want jarenlang zijn ze op weg naar het dorp daar voorbijgelopen, en bij het ene huis werden ze al eens uitgescholden voor spuitelf, bij het andere hebben ze al eens belletje getrokken, soms zelfs bij een huis waarvan ze wel met de kinderen speelden. Want hoe zit een kind in elkaar? Dat waren gewoon verschillende dingen: dat huis en die bel en die deur waarachter, spannend!, misschien wel een ouder stond te wachten… en dat kind waar je mee speelde. Je wist natuurlijk wel dat het daar woonde, maar toch bracht je het veel meer in verband met de plek waar jullie altijd speelden, bijvoorbeeld bij jou thuis of bij een van de andere buren, dan met dat huis waar je altijd belletje trok.

            En wie heeft er hulppolitieagent van Vulpen met zijn voeten op tien voor twee niet nagedaan?

            Pijnlijk was het soms ook andersom: het jongste meisje van Teunis roept de oudste van Weels, Tonnie, na: “Doe maar niet zo verwaand, spuitelf, zo bijdehand zijn jullie niet, bij ons liggen de maandverbanden niet op zolder te rotten!”

            Dat was inderdaad een pijnlijke zaak, want hoe goed ze ook konden leren, erg bij de tijd waren de meisjes van Weels op dat gebied niet. Kwestie dat er nooit over seks en vrouw-worden werd gesproken. Dat was nog in het vorige huis geweest, maar hoe wist zo`n meisje uit de Acht-Huizen dat? Dat moest ze gehoord hebben van een vriendinnetje van de meisjes Weels dat wél in hun vorige huis op zolder was geweest.

            Neem nou dat tweede meisje van Weels, het braafste kind van de klas, allemaal negens en tienen, dat heeft wel jarenlang belletje getrokken bij Trees Meps, dikke Trees, en haar uitge­scholden voor Trees Tiet. En waarom? Wel, omdat ze dacht dat dat wel mocht, dat was geen normaal gezin, je zag Trees niet in de kerk en de kinderen hadden verschillende achternamen, dus kon je je dat permitteren, een vader zag je er trouwens nooit, dus bang hoefde je niet te zijn.

            En Jantje Weels van veertien, die kwam maar één huis van zusje Schors vandaan wonen, met wie hij vroeger doktertje had gespeeld, o wel tien jaar geleden, en wie had er niet met zusje Schors doktertje gespeeld!: een hegblaadje op haar blote kontje gelegd en daar doorheen een stokje in haar gatje gestoken. Maar wie durft er in zijn puberteit zo`n meisje aan te kijken, vooral als je haar sinds die tijd nauwelijks hebt gezien?

            “Toch een vorm van penetratie, zouden we tegenwoordig zeggen,” lacht Hanna Bosmans. Maar serieus, Anneke Weels kon haar verdriet openlijk tonen, ze miste het oude huis, de tuin, de hoge bomen en vooral Ineke, het buurmeisje dat al haar kinderen had leren lopen. Maar de kinderen moesten hun geheimen voor zich houden, de kans dat de ouders, nu ze zo dicht bij elkaar woonden, zouden gaan kletsen was te groot.

            “Maar terug naar de familie Teunis,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen. Of A.M. wist dat dat kleine magere mannetje naar de pas aangebouwde bijkeuken was verbannen, met zijn hoest en zijn glimlach, vooral met zijn hoest natuur­lijk, ofschoon, leek het wel, het vooral die glimlach was die zijn vrouw in de weg zat. Maar voor de rest van het gezin en de bezoekers, de televisiekijkers, de kaarters, was het toch vooral de hoest, die hartverscheurende of liever duidelijk hoorbaar slijmscheurende hoest, gadverdamme. Maar zijn vrouw, zijn stevige, forse, gezonde, met sieraden bedekte vrouw stoorde toch vooral die glimlach, als een van triomf, van haha nooit meer terug te moeten naar de mijn, niet onder de grond en ook niet, als surrogaat, boven de grond; daarvoor was de hoest te ver gevorderd.

            En of A.M. wist dat ze speciaal daarom nóg een televisie hadden aangeschaft, toe maar, en die in de bijkeuken hadden opgesteld, hangend aan de muur, zodat dat mannetje met zijn hoest daar in zijn eentje zat, vlakbij de geëmailleerde wasma­chine, de enige aan de Lange Weg. En geen wonder dat je met zo`n wasmachine, waar je geen heet water meer hoefde in te gooien, als eerste maandagsmorgens de was aan de lijn had, soms al voor zeven uur, en ook de witste was had, want nu was er Omo en ook die kon vrouw Teunis betalen. En of ze wilden of niet, de andere bewoners van de Acht-Huizen moesten daarin mee, en al gauw werd het een soort wedstrijd, wie de witste was had dus en het eerst aan de lijn, maar wel een wedstrijd waarvan de eerste plaats al bij voorbaat was verge­ven.

            En nadat de zonen van Teunis rond het voortuintje een muurtje met een sierstang erop gebouwd hadden, omdat een gewoon ligusterhegje zoals de buren hadden niet meer goed genoeg was, en nadat er een bijkeuken aan de keuken gebouwd was en de wc verplaatst, zodat zij de eersten waren die niet meer naar buiten hoefden om naar de wc te gaan en bovendien de eersten die een toilet met waterspoeling hadden, en nadat er dus twee televisies waren gekomen en een elektrische klok en allerlei koperen en vergulde voorwerpen, zoals een lepelrek en asbakken, en nadat de vrouwen in het gezin allemaal een nieuwe fiets en de mannen een brommer hadden gekregen – behalve de dikke Hors, die bleef uiterst traag, bijna stapvoets op zijn nieuwe fiets van huis naar café naar voetbalveld rijden – en toen de moeder zoveel sieraden had dat ze elke dag van de week andere om kon doen, en de dochters ook hierin steeds meer op de moeder begonnen te lijken… toen ging het kleine, magere mannetje, dat nog geen zestig was en tientallen jaren veel geld verdiend had in de mijnen, de pijp uit met nog steeds die glimlach van triomf op de lippen.

            En toen beseften de zoons dat ze eigenlijk, en niet alleen van uiterlijk, veel op hun vader leken, en hoe al te waar dat was konden ze niet eens vermoeden, want ze wisten toen nog niet dat verschillenden van hen zich eveneens kapot zouden werken voor een naar luxe hunkerende vrouw, en vooral wisten ze niet dat ze geen van allen oud zouden worden en dat hun moeder, voor wie ze alles over hadden gehad, hen allemaal zou overle­ven. Maar ondertussen misten ze de vader en zeiden soms zelfs: “Wat is het hier stil!” want ook aan een hoest, zij het dan vanuit de bijkeuken, kun je blijkbaar wennen.

            “Hé!” roept Hanna Bosmans, “wist je dat allemaal? Nee? Dan weet je het nu in ieder geval!”

            Buurvrouw Marietje, die zoals elke morgen tussen negen en tien uur bij Anneke Weels in de deuropening tussen keuken en kamer staat, heeft het verhaal van de dood van vader Teunis verteld. Maar Anneke luistert maar met een half oor, want ze heeft het diezelfde ochtend al van de toekomstige schoon­dochter van Marietje gehoord die op haar beurt elke ochtend tussen half zeven en zeven uur bij Anneke zit omdat ze dan thuis al de deur uit moet en bij Marietje nog niet binnen kan. Om kwart over zeven gaat ze samen met haar verloofde, de zoon van Marietje, naar de sigarenfabriek. Annekes oren tuiten van de verhalen die ze vaak dubbel te horen krijgt – ze krijgen bij die mijnen een goed pensioen, dat heeft ze wel begrepen – en hoewel ze zelf graag en veel praat, houdt ze zich tegen de nieuwe buren op de vlakte, want alles wordt doorverteld, en telkens denkt ze: was Ineke het vroegere buurmeisje er maar, want daar kan ik echt mee praten.

            Aanloop heeft Anneke genoeg, al is het maar van de buur­man van de andere kant, Adri de Laat die, voor hij naar de begrafenis gaat in zijn bruine zondagse pak waarmee hij al uren aan de weg staat, achterom komt om door Leo Weels zijn stropdas te laten strikken.

            “Veel te jong,” zegt Adri. Zeg dat wel, Adri. Ja, net als jouw broer. Want toen zijn broer was overleden speelde zich hetzelfde af en werd er hetzelfde gezegd. De familie de Laat is de andere meest opvallende familie van de Acht-Huizen.

            “En dus kun je die beter aan ons overlaten,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen, “dan kunnen wij meteen de link naar de brommer leggen, want die speelt niet alleen een grote rol in het verhaal van Adri de Laat maar voor iedereen aan de Lange Weg, eerst vooral voor de jongelui maar later ook voor de ouderen, het is hét vervoermiddel voor het gewone volk in het begin van de jaren zestig van de twintigste eeuw.”

            Wie kan zich niet herinneren dat de fiets van Leo Weels terugkwam, met de lijnbus, en nu met een motortje erop ge­monteerd zodat het een bromfiets was? Dat was lachen!

            En hoewel we verteld hebben dat bij de familie Teunis dikke Hors een uitzondering was met zijn fiets, was het toch zo dat Hors ook een brommer heeft gehad, heel even. Maar geen brommer ter wereld kon zo langzaam rijden als Hors wilde, trager dan stapvoets. Dus lag hij daar met zijn buik op dat ding, zijn voeten aan weerskanten over de grond schuivend, en vooral bezig met de motor niet af te laten slaan en niet om te vallen. Binnen een week zat hij weer op zijn fiets.

            Als er een brommer een van de gangetjes, tunneltjes, van de Acht-Huizen in rijdt, is het geluid oorverdovend, je zit in een bombardement, het geluid kan niet weg, weerkaatst, botst tegen zichzelf op, je zit te trillen. Als Adri de Laat op zijn brommer thuiskomt hoor je hem “hoho, hoho!” roepen en met een klap tegen de poort tot stilstand komen. De poorten staan in een punt op het gangetje, één voor het met betonnen schuttin­gen afgezette binnenplaatsje aan de linkerkant en één voor dat aan de rechterkant.

Vrouw de Laat is dan plotseling omringd door motorgeronk en ze schrikt wakker met de stopmand op haar schoot, met haar piekhaar van onbestemde kleur, haar altijd bolle buik onder de vale blauwgebloemde schort en haar ondoorzichtige vleeskleu­rige kousen.

“Hij is thuis,” zegt ze met een hoge hese stem.

“Misschien lijkt ze wel een beetje op mij,” zegt Hanna Knietel tegen de twee andere Vrouwen van de Eerste Huizen. “Ik word soms ook helemaal versuft van het huishouden en ik ben dan blij dat ik vriendinnen als jullie heb om eens uit te praten. Je valt overdag in slaap boven de stopmand of de aard­appelschil­lenmand, omdat je de hele nacht met zo`n kind bezig bent geweest en je man maar lag te snurken. En dan komt hij thuis, en het eerste dat hij vraagt is niet: hoe is het met jou of hoe is het met het kind, maar: hoe is het met de jonge hondjes en is er nog iemand aan de deur geweest? En jij vraagt je af of je de bel wel hebt gehoord en hoopt maar dat iemand die zo`n adver­tentie leest gewoon achterom komt. Altijd heeft je man wel iets: als hij geen hondjes fokt dan heeft hij duiven of zijn het de voetbaluitslagen die hem meer interesseren dan zijn gezin. En als hij thuis is, en hij is vaak thuis want hij loopt ook regelma­tig in de ziektewet, dan repareert hij geen dingen of helpt in het huishouden of werkt in de hof – de nieuwe buurman heeft nog een stukje tuin met plantjes voor hem moeten aanleggen – nee, dan ligt hij aan de weg, letterlijk vaak, tegen de heg of in de sloot aan de overkant, en roept naar iedereen, vooral naar de meiden, en als er een voorbijkomt met de fiets aan de hand, dan zegt hij ‘zozo, lekke band?’ maar redding is van hem niet te verwachten, dat ziet zo`n meisje in één oogopslag. Zijn ogen schieten heen en weer, hij gebaart als iemand die alles aan wil pakken, hij praat aan één stuk door, maar al dat bewegen, van die ogen, die mond, die armen en benen, dient alleen voor dat bewegen zelf, wordt nergens nuttig voor gebruikt, nergens op overgebracht: een gesloten circuit van nutteloze, alleen voor zichzelf dienende energie. En als hij dan toch uit zijn slof schiet, gaat hij iets belachelijks doen op een belachelijke plaats: houtjes voor de kachel hakken midden in de zomer en midden in de keuken, ‘want het kan al flink koud worden ‘s avonds voor jou en het kind,’ zegt hij terwijl de spaanders door de keuken vliegen, en jij denkt dan: hij bedoelt het goed.”

            Hanna Bosmans en de oudste dochter van Meijer schieten in de lach maar kijken ook verbaasd naar Hanna Knietel, zo`n woordenstroom, daar is over nagedacht. Die Hanna heeft goed naar Adri de Laat gekeken, of was dat niet eens nodig, zag ze al gauw de overeenkomsten met haar eigen man en wist ze wat voor vlees ze in de kuip had?

            “Weten jullie nog toen dat kind zoek was?” zegt de oudste dochter van Meijer met haar zware stem, en natuurlijk weten ze dat nog maar ze willen het opnieuw horen, gewoon voor het plezier, en misschien zijn er toch dingen bij die ze vergeten zijn. Maar eerst willen ze het over het varken hebben, want dat is een fenomeen op zich. En ze weten ook waar ze uit zullen komen met hun verhalen, want ze zijn niet voor niks begonnen met te vertellen hoe Adri thuiskomt op zijn brommer. Het geeft allemaal niks, het is het verhaal van een lach en een traan, zoals alles in het leven, als je tenminste oog hebt voor die lach. Maar eerst het varken.
(pag. 149 -156)

Het varken

Het varken is net zo min als de andere dieren bij de familie Weels een troeteldier. Niemand zal het in zijn hoofd halen het varken, zelfs het biggetje, aan te halen. De kippen zijn vanzelfsprekend geen troeteldieren, de konijnen ook niet, en zelfs het hondje Blacky was dat niet toen het er nog was.

            Het varken is iets waar je voor moet zorgen. Elke dag moet er een etensprak gemaakt worden, en net als voor de konijnen en kippen staat Leo erop dat er elke dag vers gras geplukt wordt. Dat moet van de straatkanten komen, van bij de sloot aan de overkant of van de zijkanten van het paadje, openbaar groen dus. Er moet ook regelmatig stro in zijn hok toegevoegd worden. En soms dient het hele zooitje ververst te worden. Maar gelukkig doet Leo dat meestal zelf.

            Na het slachten bestaat het varken uit spek, dat elke dag, met sop! – saus, jus – klaarstaat als je uit de kerk komt en dat ook koud op het brood erg lekker is en dat je mee naar school of naar het werk kunt nemen of thuis tussendoor kunt eten. Verder bestaat het varken uit bloedworst om te bakken en droge worst, uit ham die bij tante Jo of bij een boer in de schouw gerookt wordt (de boer is een verzekeringsklant), uit kaantjes om uit te bakken die, net als de stukken zout smakend vlees en gehakt, uit weckpotten met wit vet komen. Het varken bij de familie Weels bestaat vreemd genoeg, ontdekt Jan later, niet uit karbonades en gekookte ham. Gekookte ham eet hij voor het eerst bij tante Jo, die altijd komt helpen, dat wil zeggen de leiding neemt, als het varken geslacht wordt. En karbonades leert hij pas later kennen, bij de slager of de super­markt.

            Om het varken te mogen slachten heb je de keurmeester nodig. De keurmeester draagt een smetteloos witte doktersjas en een wit overhemd met stropdas. Zijn haar zit gepommadeerd in een scheiding en hij zet een leesbril met een zwaar montuur op en af. Hij laat de familie in zenuwachtige spanning. Is het varken gezond om te worden geslacht? Is er vlees voor de winter? Of zal de rekening bij de slager tot aan de driemaande­lijkse kinderbijslag hoog oplopen?

            De slachter draagt een vlekkerig witte doktersjas. Hij drukt een pistool tegen de kop van het varken, dat erg gegild heeft toen het op het binnenplaatsje werd gebracht, schiet een pin in de kop en snijdt meteen de keel open, waarbij het varken wat omhooggehouden wordt zodat tante Jo het bloed kan opvangen in een witte, emaillen wasbak. De zusjes van Jan hebben gezorgd dat ze niet thuis waren en eten trouwens geen bloed­worst.

            Het varken wordt op de ladder gelegd en aan zijn poten vastgebonden. Met man en macht wordt het overeind getrok­ken en schuin tegen een muur gezet, het varken is gekruisigd. Dan wordt het van boven tot onder opengesneden. ’s Avonds wordt de ladder met het varken, waarschijnlijk nadat de inge­wanden zijn verwijderd, in de keuken geplaatst, waardoor de deur van keuken naar gang zeker een dag en een nacht is versperd. Ook is het waarschijnlijk dat de darmen eerst worden schoongemaakt en gekookt voor de worst erin wordt gepropt. Voor de worst en het gehakt heeft tante Jo haar vleesmolen meegebracht die ze zelf driftig bedient. Het slachten en het verwerken van het varken nemen een paar dagen in beslag.

            Een dood varken is iets doodgewoons. Tenminste als het dood is omdat het geslacht is. Een varken dat gewoon dood gaat is een ramp.

            Op een dag ligt het varken van de familie Weels levenloos in het hok. Anneke huilde alsof het om een dood kind ging. Even was er nog hoop dat het gezond was gestorven: een hartaanval of een hersenbloeding, dat kan toch, zeiden de buren.

            De keurmeester liet een halve dag op zich wachten. Toen keurde hij het varken af om geslacht en opgegeten te worden.

“Het zijn altijd de arme mensen die ze moeten hebben,” zei Anneke. Iedereen kwam haar geld brengen, een rijksdaalder, vijf gulden, een tientje, zo hadden ze met haar te doen.

            Moest de familie Weels wel een nieuwe big kopen, hem een heel jaar vetmesten en opnieuw het risico lopen dat het varken ziek werd en doodging? Eerst werd er daarom een verzekering op het varken afgesloten. Dan een nieuwe big aange­schaft, Leo haalde hem op in Sas, in een mand achter op de fiets. Maar deze winter was er dus geen vlees.
(pag. 157 – 159)

(Uit Aan de Lange Weg van Meurs A.M. 1e druk 2004, 3e, door Ufuk Kobas geïllustreerde druk 2009)
(Zie 1e deel)

Kaft 3e, door Ufuk Kobas geïllustreerde 3e druk 2009


Kaft 1e druk 2004

Mijn moeder, model voor Anneke, in AAN DE LANGE WEG van Meurs A.M., nieuwe versie, nu met De Vrouwen van de Eerste Huizen

(Anneke Weels, woont in de eerste bocht van de Lange Weg, in 1940 getrouwd met
Leo Weels, ze krijgen acht kinderen, waaronder
Tonnie Weels, het eerste kind, een meisje dat van haar vierde tot haar achtste in het sanatorium ligt vanwege tbc;
Jantje Weels, hun tweede, met wiens geboorte het verhaal begint, volgens het schrijverpersonage
A.M. vaak hinderlijk aanwezig;
Mimi Weels, op haar vijfde levensgevaarlijk verbrand door een val vanaf het aanrecht in een kokende ketel met wasgoed,
Hugo, hun laatste kind dat een uur heeft geleefd, maar gelukkig is het er een van een tweeling en dat andere is nummer acht.)

(De Vrouwen van de Eerste Huizen, te weten:
Hanna Bosmans,
Hanna Knietel en
De oudste dochter van Meijer; zij zijn tegelijk personages, vertelsters, commentatoren én Muzen van A.M;)

Het leek een leuk idee: de passages van Anneke, waarvoor mijn moeder in Aan de Lange Weg model stond, uit het boek te halen en in het kader van de Boekenweek op internet te zetten. Maar al gauw zat het me niet lekker. Het leuke van het boek waren nu net De Vrouwen van de Eerste Huizen, die niet alleen buren en personages zijn, maar die ook de andere personages, de gebeurtenissen én het geschrevene en de schrijver becommentariëren. Alleen Anneke eruit halen is net zoiets als het verhaal van Ondine uit De Kapellekensbaan afzonderlijk publiceren. Dan krijg je een ouderwets boek. De Vrouwen van de Eerste Huizen heten niet alleen zo omdat ze inderdaad in die eerste huizen van het dorp wonen maar ook als eerbetoon aan Louis Paul Boon die schrijft over de Eerste Vuile Huizen van de Kapellekensbaan waar Ondine woont en waar de sleutel van de kapel bewaard wordt. Hier dus Anneke met De Vrouwen van de Eerste Huizen uit het 1e deel van de 3 delen die Aan de Lange Weg heeft. Tussen haakjes, 2 van de 3 Vrouwen van de Eerste Huizen zijn ook moeder.

Geboorte en bevrijding

Anneke

Door een regen van bommen holt de tante met de pasgeboren baby naar de schuilkelder. Een zuil van zand en modder spuit op. Een dikke tak breekt af en zakt krakend door de andere takken op de grond. Scherven vliegen de kippenren aan de zijkant van het huis in, de kippen rennen krijsend het hok binnen, een blijft er liggen. Die gaat straks in de pot.
Het is een wonder dat er geen bom valt op het blok van twee in de eerste bocht van de Lange Weg waar in de linker woning Anneke Weels net haar tweede kind ter wereld heeft gebracht.

De tante is uit de achterdeur gekomen en spurt tussen kolenhok en plee links en lindeboom rechts tot aan de schapendraad van de hof van de buren. Die hof ligt voor een groot deel achter het huis van Anneke, want die van haar begint naast haar woning en loopt dan net als die van de buren zo`n vijftig meter naar achter. De tante rent langs de draad naar links, voorbij de jonge perzik-boompjes die uit de pitten zijn gegroeid die vader Leo daar drie jaar geleden bij de geboorte van het eerste kind in de grond heeft gestopt. Dat kind, een meisje, is nu ernstig ziek. En anderhalf jaar na de geboorte van dat eerste heeft Anneke een miskraam gehad. Met de baby die nu onderweg is naar de schuilkelder, een jongen, moet het goed gaan!

De kelder waar de tante zich met het kind in laat zakken heeft Leo zelf gegraven. Het zijn maar balken en stammen met een dikke laag aarde erop waar ze onder schuilen, dus tegen een voltreffer zal het niet helpen, maar tegen een bom in de buurt en rondvliegende scherven wel. Hij is aan het zicht onttrokken door de staakbonen die er nu, eind zomer, groen en weelderig, metershoog omheen staan.
Veel mensen hebben een schuilkelder in de tuin. Dat is vanwege de nabijheid van het vliegveld dat sinds D-day, nu bijna vier maanden geleden, steeds maar weer door de Engelsen wordt gebombardeerd. Ruim vier jaar daarvoor waren het de Duitsers die het vliegveld bombardeerden.

            Omdat dat praktischer en hygiënischer was, is het kind wel in het huis aan de Lange Weg geboren, maar nauwelijks losgeknipt en afgespoeld wordt het op een holletje naar de schuilkelder gebracht. Dat doet tante Jo die daar in huis is en die de peettante zal worden. Zij weet wat gebombardeerd worden is, haar eigen huis staat maar honderd meter van het vliegveld en is nu door de Duitsers in beslag genomen. Ze waren tot nu toe goed weggekomen aan dat vliegveld, twintig meter achter hun woning is een bomkrater zo groot dat er een heel huis in kan. Het was al maanden niet meer veilig om daar te slapen en tante Jo en oom Piet sliepen dan bij Anneke en Leo, en hun zoon Henk sliep verderop aan de Lange Weg bij opa Weels. Sinds hun huis was bezet stonden bij opa in de voorka­mer ook hun meubels opgeslagen. Henk sliep slecht, hij lag in het grote bed naast opa op de plek waar tot haar dood drie jaar geleden oma had gelegen, en opa lag de hele nacht op zijn rug te ronken.

             In de schuilkelder aangekomen heeft de pasgeboren baby zijn eerste stukje strijd gewonnen. Maar er dreigen talloze andere gevaren! Het gebrekkige voedsel bijvoorbeeld.

“Jongen, wat ben jij mager!” zal een tante in Gelderland bij wie hij logeert uitroepen als hij zich in zijn wit hempje aan de gootsteen staat te wassen. De jongen zal tot zijn vijftiende een echt oorlogskindje blijven. Daarmee is dan meteen verklapt dat hij in ieder geval de vijftien zal halen. Dit ondanks de levens­gevaarlijke besmettelijke ziekte tbc die van zeer dichtbij op hem loert. Zijn opa van moeders kant, die ook in het huis aan de Lange Weg heeft gewoond, is als de jongen wordt geboren vier maanden daarvoor aan tbc gestorven en zijn drie jaar oudere zusje ligt in het ziekenhuis in de stad, in afwachting van een plaats in het sanatorium. Pas na vier jaar zal ze weer uit het sanatorium komen, nadat ze als eerste meisje in het land op zo`n jonge leeftijd aan tbc is geopereerd.

            Er blijven gevaren loeren, vooral die eerste weken. Hij moet immers meerdere malen per dag naar de volle, melkige, blauw dooraderde borsten van zijn moeder gebracht worden, waar hij op zijn tiende samen met zijn ginnegappende vriendjes naar kan staan staren wanneer zijn jongste broertje onder de lindeboom de borst krijgt. Maar zij zijn niet de enigen die zich aan de borsten van dat tengere vrouwtje vergapen. Ook zijn tante Josje, die bij zijn opa verderop aan de Lange Weg woont en die zelf elf kinderen met de borst zal grootbrengen, zal hem later verklappen hoe ze met plezier naar die borsten van An­neke kon kijken. Maar nu heeft hij daar nog geen weet van. Van de pure schoonheid waarmee hij gevoed wordt, evenmin als van het gevaar dat hij op de heen- en terugweg loopt.

            Ze wonen een paar kilometer van het vliegveld. Maar de geallieerden gooien hun bommen vaak veel te vroeg af. En je wilt, als je het idee hebt dat de oorlog bijna voorbij is – de Engelsen staan al in België! – geen bom op je kop krijgen, zelfs niet voor een goed doel.

En dan het lawaai! Je zal zo maar ter wereld moeten ko­men. Als het niet van de bombardementen of van het afweerge­schut is, dan is het wel van de explosies wanneer de Duitsers voor ze vertrekken de startbanen en gebouwen opblazen.

“Poeh!, ik had geen gemakkelijke start, als ik er zo eens over nadenk,” zucht Jantje Weels vele jaren later. “Geen wonder dat ik nog steeds niet tegen lawaai kan. Ik zou mijn omgeving daar best eens op mogen wijzen.”
(pag. 9 – 11)

(…)

De Vrouwen van de Eerste Huizen

“We moeten wel lachen,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen, “zoals jij je geboorte beschrijft. Wat een sensatie! En dan al die getallen en de beschrijving van die gang naar de schuilkelder in de tuin, wat een precisie. Je tante Josje hield indertijd een beetje van sensatie, maar jij kunt er achteraf ook wat van. Zijn er bommen gevallen aan de Lange Weg? Wij geloven er niks van. Wij kunnen ons niet herinneren dat er de hele oorlog ergens anders bommen zijn gevallen dan op het vliegveld en in Sas, en dat laatste erg genoeg. Is er eigenlijk op de dag van jouw geboorte wel gebombardeerd? Ja, dat zul je wel uitgezocht hebben. Zo bijdehand ben je wel.”

Als je over de Lange Weg schrijft, kun je niet heen om de Vrouwen van de Eerste Huizen. Want ze wonen daar inderdaad in die eerste huizen als je vanaf de stad komt, en vanaf daar lopen ze dagelijks over de Lange Weg naar de sigarenfabriek, de school, de kerk en het patronaat en de winkels, want alles ligt voor ze, daar zijn het de Vrouwen van de Eerste Huizen voor. Achter ze ligt de stad en over de lange dijk naar de stad gaan ze met de bus of soms met de fiets en alleen bij bijzondere gelegenheden. Ze kennen elk huis en elke bewoner aan de Lange Weg beter dan A.M., kortom hij heeft ze nodig.

“De tranen komen bij jouw tante Josje in de ogen,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen, “als ze aan je moeder Anneke denkt en dat die zo heeft moeten bevallen. Maar ze kan zich niet herinneren dat jullie een schuilkelder hadden in de hof. Iedereen had toen nog gewoon een diepe kelder in huis, jullie ook, dat weet ze zeker, daar gingen de mensen in bij een bombardement, en zij denkt dat jij ook gewoon in die kelder bent gebracht.”

            “Dat van dat opspuitende zand en die dooie kip is onzin,” lacht de lange magere Hanna Bosmans die overal om lacht, “maar ik heb er wel om gelachen. Anneke zal het trouwens moeilijk genoeg gehad hebben, want lawaai en spanning was er volop. Ik had nooit gedacht dat jij het zou halen, want veel stelde je niet voor toen je werd geboren, we zeiden maar niks toen Anneke je zo trots liet zien. Maar blijkbaar heb je het al een hele tijd overleefd. Nou proficiat. Daar zijn we aan de Lange Weg mooi klaar mee! Waar zit je trouwens tegenwoordig?”

            “En die schapendraad voor de hof van de buren is er vol­gens mij pas veel later gekomen, toen er andere buren waren, want Leo was daar nog zo kwaad om. Zo, dan weet je dat,” zegt de oudste dochter van Meijer met haar zware stem.

(pag. 18, 19)


Oorlog (2 jaar eerder)

Anneke

Ze is nu twee jaar getrouwd, bijna even lang als de bezetting duurt, en hij is altijd weg. De meeste klanten die hij heeft komen oorspronkelijk uit Gelderland, net als hij. Allemaal voor werk naar Brabant gekomen.

“Wat ga je doen met zo`n vreemde kerel uit zo`n ver land!” zei haar moeder toen ze zei dat ze verkering had met Leo.

Ze wonen tientallen kilometers verspreid rond de stad, die klanten, soms in kleine achterafboerderijtjes. Het is altijd laat als hij thuiskomt. Dat is niet prettig, zeker in oorlogstijd. Soms zou Anneke willen dat hij een beroep koos waarbij hij gewoon overdag kon werken. Ook al staat dat wat minder dan verzekeringsagent. Op de zijkant van het huis richting stad, boven de kippenren, heeft hij een groot emaillen bord met een dame met hoepelrok en paraplu gespijkerd. Omdat het huis in een bocht ligt is het van veraf te zien. De Duitsers verdenken, waarschijnlijk na aangifte van een NSB’er, hem ervan dat het ophangen van dat bord met “De Eerste Nederlandsche” erop een uiting is van nationalisme. Hij maakt er geen punt van en hangt het bord op van de andere verzekerings-maatschappij waar hij voor werkt: “De Bataafsche”.

“Weten die Duitsers en hun meelopers veel,” zegt hij. Ze krijgen er ook nog wat geld voor van de verzekerings-maat­schappij.

 Ze wou dat hij ’s avonds thuis was, zeker nu het tweede op komst is. En nu opa en opoe gaan verhuizen. Ze ziet zich al ’s avonds in haar eentje met twee kinderen zitten. Als hij thuis is, is hij met zijn administratie bezig of in de hof met zijn planten of met het graven van de schuilkelder.

Tonnie is al een ruim een jaar en een echt handenbindertje geworden. Ze klimt overal op, zelfs op het aanrecht. Levensgevaarlijk. Anneke kan dat allemaal niet in de gaten houden en voor haar moeder is die kleine rakker te vlug. Opa doet zijn best. Maar hij hoest steeds meer en raakt daar helemaal uitgeput van. Steeds vaker gaat hij het trapje van de opkamer op en kruipt in bed. Anneke maakt zich ongerust, ook voor de kleine. Het is goed dat ze verhuizen. Zeker nu er een andere kleine op komst is.

Opa proeft van de soep. Mag Tonnie ook wat? Jawel, maar de lepel is nog te vol. Hij zal er eerst wat vanaf slurpen. Tonnie lacht. Dat is een vreemd geluid hè? Eigenlijk is de lepel veel te groot voor Tonniekes kleine mondje. Maar aan de punt gaat het wel. Wat is dat nou? Kan zij ook al slurpen?

Kijk, daarom maakt Anneke zich zo ongerust. Want haar vader is duidelijk ziek. Er wordt niet over gepraat. Haar vader en moeder praten sowieso weinig met elkaar. Ze heeft zich altijd afgevraagd of ze eigenlijk wel bij elkaar passen. Moeders eerste man is overleden, daar is haar halfzuster Bet uit Sas van. Een van de weinige keren dat moeder een paar zinnen achter elkaar zei, was toen haar zus Saskia en zij op dezelfde dag trouwden en haar zus in Nijmegen ging wonen. De man van haar zus kon hier geen werk meer vinden in de schoenindustrie en daar wel.

“Als je naar Nijmegen verhuist, zie ik je nooit meer,” zei haar moeder. “Dat overleef ik niet.” Gelukkig zien ze Saskia nog regelmatig, dat is erg meegevallen.

Het is een miskraam geworden en hij was er niet bij. Daar was ze al steeds bang voor geweest, dat hij er niet bij zou zijn. Toch kon hij er niets aan doen, want het kwam een paar weken te vroeg.

Anneke had steeds in haar hoofd het zinnetje zitten: “Als het erop aan komt, ben je er niet bij.” Of dat zo zou zijn wist ze helemaal niet, maar ze was er wel bang voor. Ze wist ook dat ze hem daarmee kwetste, maar omdat dat zinnetje in haar hoofd zat moest het er ook uit, hoe ze zich ook voornam om het voor zich te houden. Ze heeft er meteen spijt van en begint zelf te huilen. Hij komt de hele dag, het is zondag, niet uit de kuil die hij aan het graven is voor de schuilkelder.

Het is doodgeboren, ik wist al een paar dagen dat het niet goed zat, want ik voelde niets meer. Mijn moeder, die nog elke dag uit Sas naar hier komt lopen om met huishoudelijke karweitjes als aardappels schillen en groente schoonmaken te helpen, laat wel eens merken dat ze dan ook niet had hoeven te verhuizen. Mijn ouders wonen nu naast Bet in een van de lage huisjes met rieten dak waarin Bet en haar gezin ook nog gewoond hebben. Ik vond het niet verantwoord om zo`n zieke man als mijn vader in één huis te laten leven met kleine kinderen. Die zijn het meest kwetsbaar, zeker met dat oorlogseten.

Leo’s zuster Jo en haar man Piet, die zo dicht bij het vlieg­veld wonen, op amper tweehonderd meter, dat ze nauwelijks meer thuis durven te slapen, doen dat nu vaak hier. Hun zoon slaapt verderop aan de Lange Weg bij het gezin van opa Weels. De Duitsers hebben het vliegveld flink uitgebreid en tot een belangrijke uitvalsbasis voor hun jagers en bommenwerpers gemaakt en daarmee ook tot een voornaam doelwit voor de Engelsen. Laten we eerlijk zijn, rond die miskraam kon ik de hulp van Jo best gebruiken, al is ze dan wat bazig.

Als Leo thuis is werkt hij aan zijn schuilkelder in de hof. Haast heeft hij nooit. De oorlog moet lang duren, willen we er nog iets aan hebben.

Mijn vader is overleden aan tbc. Ik had altijd al een vermoeden dat hij dat had. Hij is maandenlang niet meer uit bed geweest en uiteindelijk doodgegaan in het kamertje waar tot zeven jaar geleden Bet en Toontje hun winkeltje hadden. Nu hebben ze een grote winkel met woonhuis ernaast. Bet heeft ook nog jonge kinderen. Die wonen dan wel niet in hetzelfde huis als mijn vader en moeder, maar toch. Die dokters zouden meer open kaart moeten spelen. Ze doen alsof gewone mensen onnozel zijn.

Ik heb een foto laten maken van Tonnie met het grote buurmeisje Ineke dat altijd met haar optrekt. Ik liet die foto trots aan iedereen zien en sommigen zeiden “ja mooi” en anderen zeiden heel weinig en knikten en gaven hem terug, tot iemand zei: “Maar Anneke, zie jij dat dan niet? Dat kind is doodziek! Kijk eens naar die ogen en die koortswangen. Dat kind moet naar een dokter!”

Daar ben ik geweldig van geschrokken, want inderdaad. Misschien had ik het gewoon niet willen zien. Ik ging naar de dokter en ik zei: “Dokter, ik wil weten of mijn kind tbc heeft.”

            “Hoe kom je daarbij, Anneke?” zei hij. “Je hoeft toch niet meteen het ergste te denken.”

“Ik wil het weten, dokter,” zei ik, “mijn vader had ook tbc en dat hebben we ook veel te laat gehoord en nooit is er wat gedaan om mijn kind daartegen te beschermen.”

“Rustig maar,” zei hij, “als iemand tbc heeft wil dat nog niet zeggen dat hij ook een gevaar is voor anderen. Daarvoor moet je zogenaamd ‘open’ tbc hebben.”

Een week later hoorde ik dat Tonnie inderdaad tbc heeft. Ze ligt nu in onze slaapkamer aan het raam zodat ze de straat kan zien want het kan lang gaan duren. Ze vindt het maar raar: die kinderen die altijd buiten spelen. En die zullen het op hun beurt wel vreemd vinden dat zij daar altijd voor het raam ligt. Over een maand wordt ze drie. Normaal had ik haar kunnen aanmel­den voor de fröbelschool voor over een jaar. Zonde dat ze nu net ziek is.

Ik loop alweer op zeven maanden. Jo en Piet wonen al een tijdje bij ons in, want hun huis bij het vliegveld is door de Duitsers in beslag genomen. Ze hadden daar toch weg gemoeten, want sinds de geallieerden in Frankrijk staan, wordt het vliegveld praktisch elke week gebombardeerd.

We hopen dat Tonnie gauw in het sanatorium kan worden opgenomen. Iedereen verwacht wel dat de oorlog nu vlug is afgelopen. We kijken erg uit naar de geboorte van ons tweede kind. Ik heb het gevoel dat deze keer alles goed gaat. Aan mij zal het niet liggen, daar ben ik van overtuigd. Maar er kan zoveel van buitenaf gebeuren.

Leo fietst al maanden op houten banden. Dat maakt het hem nog moeilijker om ’s avonds voor spertijd, dat is acht uur, thuis te zijn. Ik heb al een paar keer doodsangsten uitgestaan omdat hij te laat was. Tot overmaat van ramp werd zijn fiets door een Duitse soldaat gevorderd. Toen heb ik hem voor het eerst echt kwaad gezien! Zo boordevol verontwaardiging dat hij niet te houden was. Iedereen waarschuwde hem voorzichtig te zijn, maar hij ging naar de Duitse kommandant, speelde in het beste Duits dat hij als vroegere grensbewoner een beetje kende zo op over zijn Lebensunterhalt!, kranke Tochter! und  zweite Kind auf  Komst!, dat wonder boven wonder hij zijn fiets terugkreeg. Hij vertelt het trots, terwijl hij net als zijn vader aan zijn pijp trekt.

“Anders waren die moffen nog niet jarig geweest,” voegt hij eraan toe.

O ja, de schuilkelder is ook al een paar weken klaar.

We hebben ons tweede kind gekregen, een jongen. Alles is prima gegaan. We hebben hem Jan genoemd naar mijn vader Johannes die een paar maanden geleden is overleden. Peetoom is Toontje geworden, de man van Bet, en hij is zeer vereerd.

“Dat heb je goed gedaan, schoon meidje,” zei hij tegen me, “jij laat zien dat je me meer waardeert dan je vader altijd heeft gedaan.”

Jantje is meteen na de geboorte door zijn peettante Jo de schuilkelder ingebracht, want zo hevig als op die dag was het vliegveld nog niet eerder gebombardeerd.

“Er waren verschillende aanvalsgolven,” zei Leo en: “Maar goed dat we die schuilkelder hebben!” Het deed mij in ieder geval goed dat Jantje betrekkelijk veilig was. Maar het blijft vreemd dat je een kind ligt te krijgen terwijl de vliegtuigen over brommen en de explosies en het afweergeschut klinken. En dat je dan eigenlijk ook nog blij bent met die vliegtuigen en die explosies, als ze maar het juiste doel treffen. Tonnie lag toen gelukkig al in het ziekenhuis in de stad. Tot er plaats is in het sanatorium in Tilburg. Ze was te ziek om nog langer thuis te blijven, bovendien zou ik gaan bevallen. Ik ben er blij om, ik neem aan dat de Engelsen geen ziekenhuis bombarderen. Niet met opzet tenminste, maar de andere missers zijn ook vaak fataal geweest. En Leo zegt dat de vliegtuigen altijd uit het zuiden of zuidwesten komen, dus niet over de stad op het vliegveld afgaan, dat is teveel risico vanwege het Duitse afweergeschut dat vooral rond Philips staat. Laten we maar hopen dat het allemaal waar is.

Dit is dus wat ik bedoelde met die missers die voor de bevolking fataal zijn. In de straat en wat verderop in de buurt van mijn zuster Bet zijn in Sas twintig doden gevallen en nog veel meer gewonden. Weer door te vroeg losgelaten bommen van de geallieerden. Wat is dat toch?

“Dat is angst bij die vliegeniers dat ze getroffen worden boven het vliegveld en dan door hun eigen bommen exploderen,” zegt Leo. In ieder geval is bij Bet iedereen ongedeerd, ook mijn moeder. De hele dag zijn er vliegtuigen over gevlogen, allemaal naar het noorden. Nog een kwestie van een paar dagen, zegt iedereen, ze zijn de Belgische grens al over.

Zo bang ben ik nog nooit geweest! De bevrijders waren er de volgende dag al en gevochten is er hier in het dorp eigenlijk niet. Wel in mijn geboortedorp, vijftien kilometer hier vandaan, ook nog toen wij hier al waren bevrijd.

Maar wat gebeurde er op de dag van de bevrijding van de stad? De Engelsen stonden midden in Eindhoven en toen kwam, terwijl er de hele dag geen Duits vliegtuig was te bekennen, de Luftwaffe plotseling terug. Er was nog nauwelijks afweergeschut, de bommen treffen de Engelse munitiewagens, tankwagens worden geraakt, er ontstaan hevige branden. Tweehonderdvijfentwintig mensen sterven, om van de gewonden maar niet te spreken. En ondertussen ligt ons doch­tertje daar midden in de stad in het ziekenhuis! Op nog geen honderd meter er vandaan ligt alles plat. Maar het ziekenhuis blijft ongeschonden. De volgende morgen is Leo daar bij Tonnie. Het is er een heksenketel vanwege de honder­den doden en gewonden. Maar Tonnie ligt daar rustig achter glas naar de drukke gang te kijken en vertelt dat er allemaal soldaten naar haar hebben gezwaaid

Nu we, met zijn vieren ondertussen, dit alles hebben over­leefd, zal de rest ook wel goed komen. Als er maar gauw plaats is in het sanatorium.
(pag. 32 – 38)

De Vrouwen van de Eerste Huizen

“Wat één ding betreft kan ik je wel helpen,” zegt Hanna Bosmans. “Jullie hadden op het eind van de oorlog wel een schuilkelder in de tuin. Het heeft de hele oorlog geduurd voor het zover was, als hij thuis was zag je Leo altijd graven. Ik mag zeggen dat ik hem aardig ken, want ik kom zelf ook uit Gelderland, en hij was niet een van de vlotsten maar wel altijd bezig, meestal met zijn verzekeringen en anders in zijn hof.”

            “Ja, hij keek nooit op als je voorbijkwam,” zegt de oudste dochter van Meijer met haar zware stem.

            “En als je naar hem riep, keek hij met tegenzin,” zegt Hanna Knietel die heel vlug praat en een beetje sproeit. “Alsof hij bang was dat je bleef staan om een praatje te maken. Nou, denk ik dan, ik ken wel gezelliger mensen om een praatje mee te maken. Maar je wilt toch ook niet voorbijlopen zonder iets te zeggen, of wel soms? Dat deed je toch zeker niet in die tijd!”

            “Maar voor jouw tante Josje haal je wel wat naar boven,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen. “Ze vraagt zich af of jij weet dat ze met haar kinderen nog wel eens naar de krater is gegaan waar de tweede onderduikershut is geweest en waar de onpeilbare Duitse officier Jozef handgranaten in had laten gooien. Ja hoor, wel nadat iedereen eruit was.             Over de sfeer in die oorlog zegt je tante Josje dat we niet veel op hadden met de Duitsers maar dat er toch meer kinderen van Duitsers dan van Canadezen zijn geboren, hoewel die plaatsten de naam hadden. Ze blijft zeggen: zo is het leven. Als het haar dochters geweest waren die een relatie met een Duitse jongen hadden, zou ze erover gepraat hebben en gezegd dat het beter was van niet, maar ze zou het niet absoluut hebben verboden. We kunnen je trouwens alvast verklappen dat we het trouwboekje van je tante Bet en je oom Toontje hebben gevonden. We lachen ons rot.
(pag. 48)

(…)

Anneke

Tonnie heeft haar eigen ledikantje moeten meenemen naar het sanatorium in Tilburg. Er is nog aan vanalles gebrek, ook aan bedden. Leo had het al van tevoren met de lijnbus meegegeven, dat wil zeggen eerst uit elkaar gehaald en dan de bodem en de poten en de kanten op elkaar gelegd en op zijn precieze manier met touwtjes aan elkaar gebonden. En de chauffeur kreeg behalve de normale vrachtprijs ook instructies waar hij het af moest geven en bovendien een fooitje. Leo keek de bus na, eigenlijk vond hij dat hij er zelf bij moest blijven wilde het allemaal goed gaan.

De volgende dag stapten wij zelf met Tonnie en twee kartonnen koffers op de bus. Ze was wel normaal aangekleed en kon ook wel lopen maar ze moest toch veel gedragen worden, ze was gewoon te ziek.

En ik sjouw met Jantje en Rietje, die anderhalf jaar na hem geboren is en Hennie die weer anderhalf jaar daarna geboren wordt, steeds naar het consultatiebureau in het patronaat. Niet alleen voor de normale controle op gewicht en de prikken tegen pokken en mazelen, maar steeds weer om te laten constateren dat geen van de andere kinderen tbc heeft. Hoewel ze er wel mee in aanraking zijn geweest, want het kruisje op hun arm wordt een grote rode vlek, een bult zou je het zelfs kunnen noemen, want het oppervlak is duidelijk verhoogd.

Maar dat is een goed ding, leg ik aan iedereen uit, die kleine besmetting, want daardoor kunnen mijn kinderen nooit van hun leven meer tbc krijgen. Je kunt die kleine besmetting eigenlijk beschouwen als een inenting tegen tbc, zoals die prikken tegen mazelen en pokken… als de vrouwen begrijpen wat ik bedoel. Zodat het rood opgekomen kruisje bij mijn kinderen eigenlijk beter is dan het niet opgekomen kruisje bij andere kinderen. Want het niet opgekomen kruisje wil weliswaar zeggen dat die kinderen geen tbc hebben, maar dat is maar een momentopname, dat is geen enkele garantie dat ze het niet elk moment kunnen krijgen. Wat niet wil zeggen, zeg ik, dat een opgekomen kruisje altijd iets goeds is, natuurlijk niet, maar in het geval van mijn kinderen wel, snappen jullie? zeg ik.

Leo is nu nog meer van huis. Er is geen avondklok meer die er voor zorgde dat hij meestal voor die tijd thuis was, bovendien gaat hij een keer per week op de fiets naar het sanato­rium in Tilburg. Dat kost een hele dag en die moet voor zijn verzekeringswerk natuurlijk ingehaald worden. Hij zegt zelfs dat het eigenlijk niet in één dag kan, want dat de tijd dat hij bij Tonnie kan zijn dan niet de moeite waard is. Daarom blijft hij het liefst bij zijn neef in Hilvarenbeek slapen. Maar ik weet dat hij, als hij alle tijd van de wereld zou hebben dat ook zou doen, want die neef is een van de weinigen waar hij goed mee kan opschieten. Dus laat hij zich de gelegenheid niet ontnemen om daar eens een avondje te zitten ouwebetten.

Ik kan niet rondkomen van het geld dat hij verdient met de verzekeringen, ook al hebben we groente en fruit uit eigen hof. Een kind in het ziekenhuis kost ook extra. Elke zondag gaan we samen met de bus die kant op. We hebben dan wel kippen en een paar konijnen, de kruidenier en de slager moeten toch betaald worden, al mag ik dat één keer per drie maanden van de kinderbijslag doen. Leo heeft totaal geen besef wat dingen kosten. Hij telt zijn geld van de verzekeringen en begrijpt niet dat het niet veel voorstelt tegenover wat er allemaal in een gezin als dat van ons wordt uitgegeven. Hij noemt prijzen en zegt: “Dat kan goed een hele gulden kosten”, terwijl het dan bijvoorbeeld wel vier keer zoveel is geweest.

Maar nu hebben ze hem een varken aangepraat. Hij heeft het alleen nog maar over zult en spek en balkenbrij zoals ze dat vroeger bij hun thuis hadden. Hij vertelt wat ze volgens mij tegen hem gezegd hebben: “Je hebt toch een hof met groente en fruit en daarvan allerlei afval. Rot fruit en rotte aardappels eet het ook, dat vindt zo ‘n beest juist lekker! En die kinderen laten toch ook eten staan wat anders maar wordt weggegooid. Nou, dat eet dat varken allemaal, dat is een soort vleesmachine. Dat etensafval stop je erin en binnen een jaar krijg je er worst en ham en spek voor terug. In één jaar! Wat wil je nog meer! Aan de slager zul jij niet veel geld meer uitgeven.”

“Je hebt trouwens een broer die het varken kan slachten,” hebben ze tegen hem gezegd. “En je zusters zullen je helpen om het om te zetten in worst en vlees. Het hoeft allemaal niks te kosten.”

Ik weet het niet: kippen, konijnen, weer een varken erbij. Dat moet toch ook allemaal eten gegeven worden, en wie moet dat doen en wanneer?

Neem nou het omkeren van de granieten drinkbak van de kippen. Dat moet, want het water is na één dag modder. Die bak moet je optillen en dan omkieperen. Hem langzaam laten zakken, dat lukt je niet, daar is hij te zwaar voor. Maar als hij een beetje ongelukkig uit je handen glijdt, krijg je met een enorme plets de moddergolf recht tegen je aan, midden in je gezicht, om het over je kleren maar niet te hebben. En dan moet het ding weer worden teruggedraaid.

Wie plukt het gras voor al die beesten? De mensen in de buurt die wat handiger zijn snijden het gras, soms zelfs met een sikkel. Maar voor een scherp mes hoef je bij ons niet aan te komen, laat staan dat we een sikkel hebben. Zelf is hij er door de week niet voor het donker is. Ik ken wel een paar mensen met een varken, we zouden heus niet de enigen zijn, maar ik ken nog meer mensen zonder varken. En waarom moeten wij nou net weer bij degenen mét een varken zijn? God-zal-me-laze­ren.

Al die beesten die gevoerd worden trekken toch ook weer ongedierte zoals ratten aan. En die hebben we al genoeg gehad of hebben we misschien nog wel. Ik zie hem nog op het hooi­schelfje boven de schuur bezig, helemaal buiten zichzelf, een kop zo rood als vuur, aan de riek in zijn hand een bloedende rat van een halve meter groot. Ze piepten, nee gilden, die beesten, en renden alle kanten op, sprongen naar beneden, waar ik op mijn beurt begon te gillen. En al heeft hij er dan een stuk of vier aan de riek gestoken, waar zijn degenen gebleven die ontsnapt zijn? Ik geloof er niks van dat er één kat in de buurt is die zo`n beest aan kan. Die zitten gewoon te wachten om terug te komen. Als ze er al niet zijn. Hij klimt heus niet elke week op de hooischelf met gevaar van er doorheen te vallen. Ik vind het maar niks al die beesten met die kleine kinderen, ik heb al genoeg te prakkiseren met Tonnie die moet worden geope­reerd. Maar maak hem dat maar wijs.
(pag. 63 – 66)

(…)

De Vrouwen van de Eerste Huizen

De Vrouwen van de Eerste Huizen hebben het trouwboekje van Toontje en Bet te pakken gekregen en amuseren zich daar blijkbaar kostelijk mee.

     Als het waar is wat hier staat – en ze buigen zich weer lachend over het trouwboekje – dan heeft Bet inderdaad haar taak ruimschoots vervuld. Maar Hanna Bosmans is al weer verder in de tekst en leest over de onderdanigheid van de vrouw aan de man en schatert: “Als die van mij zich hier ooit op zou durven beroepen, krijgt-ie klapjes, dus dat waagt hij niet.”

     “Die van mij ook niet,” zegt de oudste dochter van Meijermet haar zware stem in haar enthousiasme, en ze vergeet even dat ze geen man heeft. Ze kijken elkaar aan die vrolijke vrou­wen, en proesten het uit, en Hanna Knietel wel heel letterlijk.

     Maar de Vrouwen van de Eerste Huizen gaan verder. Omdat ze zelf het eeuwige leven hebben, in dit verhaal in ieder geval, springen ze graag een beetje heen en weer in de tijd, ze staan te popelen om twintig jaar vooruit te springen en het einde te vertellen van het verhaal van Bet:

            Het einde van het verhaal van Bet

Dadelijk zullen ze weten wat haar geheim was. Want ze wilde haar geheim niet mee het graf in nemen, net niet. Ze zullen kwaad zijn, haar kinderen, erg kwaad, om wat er al die tijd voor ze verzwegen is. Maar daarna zullen ze met hun nicht, die hun halfzuster blijkt te zijn en al die tijd bij ze in de buurt woonde, naar de koffietafel gaan. Ze zullen zowat over elkaar heen buitelen met hun uitroepen ‘weet-je-nog-wel toen ik dat zei, als ik toen geweten had’. En Mientje, haar eerste kind, zal haar ogen sluiten, zoals ze dat vaak doet als ze praat, en zeg­gen: ‘Ja, maar ik wist het natuurlijk al die tijd.’ En dan pas zal het tot sommige van haar andere kinderen doordringen dat zij dan wel verontwaardigd kunnen zijn, maar dat zij niet degenen zijn die al die jaren een probleem hebben gehad. Dat probleem had haar eerste, voorhuwelijkse, dochter, en Bet zelf: zij konden zich tegenover elkaar niet als moeder en kind gedragen.

     Bet denkt ook nog aan de grap waarmee Toontje altijd veel succes had en waarmee hij haar steeds weer op de kast kon krijgen, hij zei dan: “Ze mogen op mijn doodsprentje zetten wat ze willen, als het maar niet is: ‘Eens zullen we elkander wederzien.’

     Hij is drie jaar voor haar gestorven, en zij weet niet wat hij op het eind nog geloofde of niet geloofde, maar zij is er niet bang voor dat dat zal gebeuren, dat wederzien. Hoe een mens toch kan veranderen ja.

     Ze ligt te grinniken in de kist want zij voelt haar been niet meer en moet steeds denken aan het slot van het griezelverhaal waarmee je als verteller de toehoorders op het eind geweldig deed schrikken. Zij herinnert zich eigenlijk alleen die dreigend en geheimzinnig uitgesproken laatste zin die eindigde in die uitroep, waarbij de verteller met gestrekte armen in de richting van de toehoorders sprong, wier hart even stilstond. Het verhaal was iets met een zeerover die een goudschat had verstopt in zijn houten been en daarmee begraven was, en iedereen maar in het donker op het kerkhof zoeken naar die schat. En dan klinkt er een stem:

“Het been, het beeeen, het gouououden beeeen, hier HÉB je het been!”

     Die laatste zin hebben de Vrouwen van de Eerste Huizen eerst met langzame donkere dreigende stem ingezet en bij HEB zijn ze tegen elkaar opgesprongen en zijn, ondanks dat ze wisten wat er ging gebeuren en er zelf aan meededen, toch nog van elkaar geschrokken en daarna in lachen uitgebarsten.

En A.M. denkt: als deze dames zo doorgaan wordt het een heel ander boek.
(pag. 74,75)

Kaft 3e druk 2009, Met Vrouwen van de eerste huizen, illustraties Ufuk Kobas


Kaft 1e druk 2004


(Uit Aan de Lange Weg van Meurs A.M. 1e druk 2004, 3e, door Ufuk Kobas geïllustreerde druk 2009)
(Zie 2e deel)