Jan Mölling, 30 jaar geleden overleden (bericht op 5 juni 2017 geplaatst op FB)

Jan Mölling, 30 jaar geleden overleden
Op 5 juni 1987 overleed plotseling mijn vriend, de beeldhouwer Jan Mölling, op 43-jarige leeftijd in het OLVG in Amsterdam. Familie en vrienden hoorden pas 3,5 uur na zijn dood dat hij op 3 juni in het begin van de avond bij een stoplicht zacht achter op een andere auto was gereden, vanwege dronkenschap op een politiebureau was vastgehouden, waar vroeg in de ochtend een ernstige verslechtering van zijn gezondheid werd vastgesteld, waarop hij naar het OLVG was gebracht. Op dat moment had de familie zeker op de hoogte moeten worden gesteld. Vanuit het OLVG was Jan weer naar het Slotervaart vervoerd voor hersenonderzoek, daar werd een fatale hersenbloeding geconstateerd, de volgende ochtend werd hij terug naar het OLVG gebracht en overleed korte tijd later.
Jan werd op 10 maart 1944 in Borger, Drente geboren.
Ik leerde Jan kennen toen we allebei 19 jaar oud waren. Hij woonde toen in Eindhoven en was inspiciënt bij theater De Schalm in Veldhoven. In 1968 verhuisde ik naar Amsterdam en Jan deed dat zo’n anderhalf jaar later.
In 1985 was kraker Hans Kok (1) op 23-jarige leeftijd in een politiecel overleden. Dat had geleid tot grote maatschappelijke verontwaardiging en onrust. Jans familie wilde dat risico niet lopen en besloot samen met de vrienden zich allereerst te richten op het inwinnen van informatie hoe dit zo ongelukkig had kunnen lopen. Toen de advocaat na 2 jaar vaststelde het maximale aan informatie te hebben bereikt, was dit voor familie en vrienden nog steeds onbevredigend. Daarom diende ik na enige tijd beraad op 1 december 1990 als gemachtigde een klacht in via het Klachten en Adviesburo Politieoptreden. Op 5 maart 1992 antwoordde de Hoofdofficier van Justitie te Amsterdam ‘dat wat betreft de informatieverschaffing van de politie omtrent de verblijfplaats en toestand van de heer Mölling deze te wensen heeft overgelaten en dat een actievere houding had mogen worden verwacht’. Verwijtbaar optreden van politie respectievelijk GG&GD-arts tijdens Jans aanhouding en verblijf in de politiecel werd afgewezen. Wij waren niet tevreden maar kwamen tot de conclusie dat we het maximale hadden gedaan en besloten de zaak te laten rusten.
Op Jans begrafenis op Zorgvlied sprak ik de volgende korte rede uit. In die dagen schreef ik ook het korte verhaal ‘JAN’.
Dit bericht ter herdenking van Jan maak ik mede op verzoek en met grote medewerking van zijn jongere zusje Ann de la Rambelje die haar broer nog steeds mist en ondertussen ook haar broer Henk en zijn vrouw in 2001 verloor en haar invalide zusje Alie in 2000.
Dit bericht wordt geleidelijk uitgebreid.

Afscheidsrede Jan Mölling 11-06-1987

Wanneer ik, als misschien één van de oudste vrienden van Jan, iets vertel over vriendschap, dan gaat het niet om die tussen Jan en mij, maar om de vele vriendschappen die Jan heeft gehad. Want Jan kon er niet genoeg van hebben: van vriendschap, aandacht, waardering, schouderklopjes, handen om vast houden, schouders om op uit te huilen.
Ik ken eigenlijk niemand die zo hard andere mensen nodig had, die zo slecht eenzaamheid kon verdragen.
Jan kon absoluut niet alleen zijn. Zelfs als een vriendschap of relatie werd verbroken, bleef er voor hem altijd een band bestaan.
Misschien anders, maar Jan kwam altijd terug.
Eenmaal Jan, voor altijd Jan. Hoe moeilijk in de praktijk soms ook.
Jan ontwikkelde zich van een maker van oorbellen, die meer dan 20 jaar geleden gretig aftrek vonden, tot een maker van beelden die veel waardering kreeg. Maar hij bleef altijd onzeker, was altijd bang zich niet waar te hebben gemaakt.
Jan was een gevoelige jongen, op het sentimentele af.
En die gevoeligheid gold niet alleen zichzelf of zijn vrienden en vriendinnen, die gold ook voor de dingen om hem heen en voor wat er in de wereld gebeurde.
Hij was sociaal en politiek bewust, zette zich bijvoorbeeld in voor vluchtelingen uit Portugal, toen dat land nog fascistisch was.
En hij heeft natuurlijk jarenlang, samen met de andere bewoners, gevochten voor het behoud van de Nieuwmarktbuurt als woonbuurt.
In de Nieuwmarktbuurt vond Jan de afgelopen 17 jaar de meeste van zijn vele vrienden.
Het leek voor hem op maat gemaakt; het sociale contact van een klein dorp maar dan midden in een grote stad.
Maar Jan had nooit genoeg aan de vrienden en gebeurtenissen van het moment, hij vertelde altijd over nog andere vrienden en vriendinnen, met wie hij de meest sterke staaltjes had beleefd. En als we elkaar dan ontmoetten kwamen we wel eens in verlegenheid door de sterke verhalen die Jan over ons had verteld.
Gelukkig bleken we allemaal gewone mensen te zijn die dat alles samen met Jan hadden meegemaakt. Want het ging Jan niet om de belevenissen zelf maar om het grote gevoel dat hij had gehad toen hij ze samen met iemand beleefde. Om dat grote gevoel over te brengen moest het verhaal steeds sterker worden en was het Jan die door het verhaal heen zei “kijk eens, dat is wat een goede vriend met mij kan beleven”.
Wij, zijn vrienden, willen graag weten hoe Jan zijn laatste 36 uur zijn geweest.
We willen weten hoe het kon gebeuren dat hij ons niet kon bereiken en wij hem niet konden vinden. Hoe hij, die zoveel vrienden had en zoveel vrienden nodig had, hoe hij, die zo slecht tegen alleen zijn kon, zo eenzaam dood kon gaan.
En we kunnen alleen maar hopen dat de sterke indruk die we van Jans laatste dagen hebben ook waar is: namelijk dat hij het niet beseft heeft. En laten we dan hopen dat in Jan zijn laatste uren voor het laatst de trieste werkelijkheid is vervangen door het Verhaal, het grote sterke verhaal dat veel langer is en veel opwindender is dan Jan zijn korte leven, het verhaal waarin Jan en wij zelf meespelen, en dat bestaat uit vele verhalen en anekdotes, over al die vrienden en vriendinnen waar hij zo trots op was, het verhaal dat speelt in Nederland, in Zweden, in Frankrijk, Portugal en Marokko, overal waar Jan ooit met zijn vrienden is geweest…
Laten we aannemen dat Jan in gedachten ons nog één keer dat sterke verhaal heeft verteld, zo nadrukkelijk als alleen een groot kind dat kan vertellen… Dat toch maar vooral zeker wil zijn dat we hem niet zullen vergeten…

———————————-

JAN

Telefoon.
‘Heb je het gehoord van Jan?
‘Ja, erg hè.’
‘We hebben hem 2 dagen gezocht.’
‘Die is niet zomaar de pijp uit gegaan. Die hebben ze op het bureau in elkaar geslagen.’
‘Ja, Jan kennende.’
‘Die heeft zich vast verzet.’
‘Reken maar.’
‘We gaan er achteraan. Mag niet zomaar gebeuren.’
‘Natuurlijk.’

Jan.
Ik kom er aan, zeg ik door de telefoon, ik ben zo bij je. Ik kom er aan, zeg ik. Maar dat kan vanalles betekenen. Ik kom er aan: pats, boem! Ik kom er aan: hatsikidee! Ik zat er bovenop! Gelukkig dat die andere stilstond. Ik kom er aan: KLAP! (…) Stelt allemaal niks voor. Blikschade. Maar ze moeten zo nodig, die blauwe pakken-jongens, die klabakkenjongens. Hé, klabakken, ik vind jullie grote zakken! Ze horen me niet. Nou voor mijn part, dan maar niet. Ik ga gewoon pitten. Morgen zien we dan wel weer. ’t Is niet de eerste keer. Haha. (….) Als jij dat allemaal binnen had, lag je ook in coma, zegt er een. Tegen wie heeft hij het? Ik moet zien dat ik hier weg kom. Als je met mij bezig bent, praat dan ook tegen mij, wil je? zeg ik. Ik ben geen Hans Kok(1) hoor! Ik ben toevallig Jan M. Ik crepeer niet zomaar. Hoewel ik er niet mee zou zitten. Maar ik heb vrienden die jullie weten te vinden. Die hebben meer met dat bijltje gehakt. (…) Net op tijd lig ik weer stil. Ze hebben niks in de gaten. Alles lukt me gewoon vandaag. ’t Is mijn geluksdag. Hopla, ook weer voor mekaar. Ik ben ze allemaal te slim af. Nu zullen ze Jan M. eens leren kennen! (…) Zo, eerst even naar het ziekenhuis. Laten nakijken waar dat bloed vandaan komt. Want dat kan nooit goed zijn. Hoewel, ik voel niks. Misschien loop ik wel gewoon leeg zonder dat ik iets voel. Dat zou makkelijk zijn. Meteen overal vanaf. Wat wil ik nog meer! Als het nu doorzet hoef ik meteen de post nooit meer open te maken. Hihi. ‘De regeling zoals die tot heden bestond voor beeldende kunstenaars wordt per 1 juli opgeheven. Voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud kunt u zo nodig een beroep doen op de bijstandswet.’ Tegen wie heeft u het, meneer? U heeft mij daar niet mee, meneer. Ik ben er gewoon niet meer! Dat zou wat zijn! Dan heb ik ze mooi te pakken! (…) Ach, weten die lui veel wat je nog allemaal kunt doen met een paar flessen wijn op. Als je dat een beetje gewend hebt. (…) Ik heb zowat iedereen opgebeld, zat toch maar te wachten op vervoer voor mijn beelden. Heel wat herinneringen opgehaald. (…) Zeg, dames en heren, eh… verpleegkundigen… ik word zo langzamerhand wel erg moe hoor! Als jullie met me blijven sollen zet ik weer een ontsnapping op touw. Net als uit het politiebureau. Of ik ben gewoon weg. Er niet meer zijn, weet je wel… Wat is daar nou voor moeilijks aan? Zit ik toch niet mee. Dan zit je toch nérgens meer mee. (…) Nou, bekijk het maar. Als ik op jullie moet wachten…

‘Zeg, ik blijf hier niet staan hoor! Het is tien voor half tien. Direct zijn we te laat. Is hij al helemaal opengesneden! Om half tien zou sectie verricht worden. Zegt u maar welke kant het op is. Wat een organisatie! Geen wonder dat hij hier gecrepeerd is! Al mankeer je niks, zou je het hier nog niet overleven!’
Nelly is duidelijk over haar toeren. De jonge portier lacht schutterig. ‘De man van de sectiekamer beantwoordt zijn piepertje niet,’ zegt hij.
We hollen achter Nelly aan, het oude gedeelte van het ziekenhuis in. Betegelde vloeren en wanden: een slachthuis. We draven met ons vieren dezelfde lange gang weer terug, vragen. Het mortuarium, dan moet u buitenom. Nee, de sectiekamer!… Dan lopen we toevallig het juiste mannetje tegen het lijf, een blond kalend hoofd. Hij opent een deur zonder opschrift. ‘Sorry, maar ik mocht niets aan hem doen,’ zegt hij, ‘vanwege de sectie, ziet u.’
Jan ligt er goed bij, de wallen onder zijn ogen zijn weggezakt, wel bloed op zijn wang. Hij heeft gelukkig geen weet van het levensgrote kruisbeeld achter hem en de manshoge, vuistdikke kaarsen aan weerszijden. Fietje kokhalst. Het mannetje verdwijnt om haar een glas water te geven. Ik kijk vlug tussen Jans hoofdhaar. ‘Of hij niet mishandeld is,’ fluister ik.
‘De hersenbloeding kan nooit van zo’n klein ongelukje zijn,’ zegt het mannetje.
‘We laten het hier niet bij zitten,’ zegt Jaap, ‘al moet de onderste steen boven!’

Telefoon.
‘Nog iets gehoord?’
‘Nee, niet veel. We willen Jan eerst even rustig begraven.’
‘Begrijp ik, geen stennis.’
‘We willen het natuurlijk wel weten. Is het niet voor Jan, dan wel voor een ander. Nacht politiebureau, 24 uur ziekenhuis, en doodgaan zonder dat iemand bericht krijgt: ’t mag gewoon niet gebeuren.’
‘Precies.’
‘Maar voor Jan denk ik steeds meer: het is wel goed zo.’
‘Nu het toch gebeurd is, bedoel je.’
‘Ja, zelf kon hij de stap niet zetten. Maar hij was wel helemaal vastgelopen.’
‘Geloof ik ook, maar toch…’
‘Vanzelfsprekend, je mag nooit…’
‘Nou, ik hoor nog van je.’

Weer die klokken. Snel, opdringerig, tweetonig. Ik wil vlug het balkon aflopen maar mijn been slaapt. Ik strompel naar de gang om met mijn hoofd tegen de muur te gaan staan janken. Ik heb het zelf uitgelokt, denk ik, met die platen van Bob Dylan. ’t Is niet alleen dat het bovenkomt nu het werk voorbij is, nu niemand meer naar me kijkt. De verloren jeugd.
De duif zit er weer. Ze was even van de balkonkast naar de boom gevlogen om mijn aandacht af te leiden. Ze moet weg, het heeft niks met Jan te maken, er mogen niet opnieuw jongen komen. Ik moet op de kruk gaan staan en het ei weghalen. Ik heb het eerder gedaan. Maar misschien zijn er al jongen, moet ik ze de kop uittrekken. Niet opnieuw janken.
In de kist lag een wassen beeld in een zwart pak, een wit overhemd en een zwarte stropdas, het gezicht geplamuurd met alleen rond de mond nog vaag een trek van Jan, een rechtse bal die ik geen hand zou geven, uit de wereld die we haatten, bestreden. Ze hebben wraak genomen, dacht ik, hem na zijn dood tot een van hen gemaakt.

Telefoon.
‘Hoi, ik zag je op de begrafenis. Was lang geleden.’
‘Ik verwachtte je al. Ja, als oude vrienden zijn we aan Jan verplicht. Welk bureau was het? Nee, niemand zal weten waarom. Geen sensatie vanwege de familie.’
‘Heb jij hem nog gezien na de sectie?’
‘Ik begrijp wat je bedoelt. Het staat niet op zichzelf. Thatcher is ook weer voor 5 jaar gekozen.’
‘Iemand moet dat mannetje omgekocht hebben. Eerst al dat kruisbeeld en die kaarsen.’
‘De VNO (2).’
‘Ja.’
‘Dat gebouw is al helemaal ondermijnd. Kwestie van knop indrukken.’
‘Het mannetje zelf nog?’
‘Alleen laten schrikken. Kopie van hemzelf op de snijtafel leggen.’
‘Geen probleem. Komt voor mekaar.’

‘Jullie hebben geluk,’ zeg ik tegen de piepjonge duiven op het balkon. ‘Eerst moet dat andere geregeld zijn. Als jullie weg zijn wanneer dat voor elkaar is, schenk ik jullie het leven.’

©Ton Meurs 1987, 1989, Meurs A.M. 2017

(1) Hans Kok: Johannes (Hans) Kok (IJmuiden, 9 augustus 1962 – Amsterdam, 25 oktober 1985) was een Amsterdamse kraker. Hij overleed op 23-jarige leeftijd in een Amsterdamse politiecel. (Wikipedia).
(2) VNO: Vereniging van Nederlandse Ondernemers.

 

Jan Mölling op zijn 43e verjaardag 10 maart 1987, nog geen 3 maanden voor zijn plotselinge overlijden na een nacht in een politiecel vanwege een kleine aanrijding waarbij alcoholgebruik was geconstateerd, en een nacht in het ziekenhuis. Vroeg in de ochtend was in het politiebureau een ernstige verslechtering van zijn gezondheid vastgesteld, waarop hij naar het OLVG was gebracht. Op dat moment had de familie zeker op de hoogte moeten worden gesteld. Vanuit het OLVG was Jan weer naar het Slotervaart vervoerd voor hersenonderzoek, daar werd een fatale hersenbloeding geconstateerd, de volgende ochtend werd hij terug naar het OLVG gebracht en overleed korte tijd later.

Jan trouwde, nog in Eindhoven, met Anneke. Kunstenares Brammetje Cox en ik mochten de getuigen zijn. De tijd in Eindhoven en begin jaren zeventig in Amsterdam dat Jan samen was met Anneke was de periode dat we elkaar het meest zagen. In de Amsterdamse Nieuwmarkt woonden we vlak bij elkaar .Ik vind de foto’s gemaakt bij het trouwen zo mooi gestileerd dat ik ze bij deze graag publiceer.

Kunstenares Brammetje Cox tekent als getuige bij het huwelijk van Jan en Anneke Ook ik mag tekenen. De jas, gemaakt uit een overjas van mijn vader, heb ik waarschijnlijk speciaal aan gedaan omdat Jan hem zo lang in bruikleen had gehad. Ik had er nog een met dezelfde afkomst.

Jan ontwikkelde zich van oorbellenmaker tot sieradenmaker, waarbij Anneke trouwens een grote rol speelde, en van daar tot beeldhouwer. Hier Jan met sieraden op een van de vele kunstmarkten

Nog even terug naar onze jeugd. Rond 1967 gingen we in Frankrijk van Lagleygeolle met de bus naar Brive maar moesten ’s nachts te voet de 32 kilometer terug afleggen omdat we te lang in de kroeg waren blijven zitten. ’s Morgens om 7 uur kwamen we nuchter aan. De kat van Mimeé, de moeder van schrijver Claude Duneton, bij wie we logeerden, kwam ons aan de rand van het dorp tegemoet. Claude Duneton en zijn familie mochten vele vrienden en vriendinnen van Jan aanschouwen.

Beeldhouwer Jan Mölling op zoek naar geschikt gesteente voor zijn beelden.

Beeldhouwwerk van Jan Mölling in het Westerpark aangekocht door de gemeente Amsterdam. Beeldencompositie van Jan Mölling. De stenen zouden op zijn graf op Zorgvlied komen liggen.

Jan Mölling ligt op Zorgvlied onder zijn eigen stenen. Het graf is 10 jaar geleden geruimd. De grafstenen zijn aangeboden aan Kunstfort Vijfhuizen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *