ROND DE BEVRIJDING VAN EINDHOVEN E.O. Uit de roman Aan de lange Weg van Meurs A.M.

ROND DE BEVRIJDING VAN EINDHOVEN E.O.
teksten Uit de roman Aan de Lange Weg van Meurs A.M.

(toegevoegd) Sas (Zeelst 17 september 1944)

Bet

In het kerkdorp Sas, nog dichterbij het vliegveld, komt drie weken na Jantjes geboorte Annekes halfzuster Bet als laatste uit haar kelder geklommen. Allicht, ze was er ook als laatste ingegaan. Op hun Hans na. Die had bijna het loodje gelegd. Zo zou je vlak voor de bevrijding nog een kind verliezen. Maar als ze op haar hadden moeten wachten… De trap was te steil, de stenen treden waren te hoog en er was maar aan één kant een leuning.
Mijn been doet verschrikkelijk pijn. Met twee handen houd ik de ene leuning vast en trek en wring me naar boven. Naar beneden was nog moeilijker gegaan, dat moest helemaal zijwaarts. Maar toen zat de pijn er nog niet zo in, die was er door de trap af te gaan weer diep ingekropen. Ik wring en draai me met mijn heupen naar boven. Met die heupen zit het ook niet goed. Maar mijn been is toch het ergst.
“Van mij hoeft het niet meer,” grom ik luid als ik boven ben, “dan maar dood. Dit is de laatste keer dat ik die kelder in ben geweest.”
De klink aan de buitenkant van de kelderdeur is eraf geslagen, op het hout zit een grote, diep ingebrande zwarte vlek. Maar net op tijd was die nieuwsgierige Hans aan de andere kant van de deur geweest. De granaatscherf was door het open bovenraam naar binnen gevlogen, had de klink afgesneden en was over de tegelvloer tegen de muur gegleden. Bij het schoonmaken blijven we de plekken zien waar hij heen en weer heeft gekaatst. Het was een hels lawaai geweest.
“Dat scheelt weer een ruit, dat dat raam openstond,” zegt mijn man Toontje die iedereen de kelder in heeft gestuurd. Dat heb je er ook nog bij, zo een die altijd grappig moet zijn.
“Van mij hoeft het niet meer. Ik heb negen kinderen op de wereld gezet,” mopper ik, “ ’t is mooi geweest. Me dunkt dat ik mijn taak vervuld heb.”
“Je bent de tel kwijtgeraakt, moeder,” lachen de kinderen voor ze naar buiten hollen om naar de ravage te kijken. “Acht is ook wel genoeg.”
Maar ik ben de tel niet kwijtgeraakt, ik heb me alleen versproken.
Op straat en onder de vernielde huizen en schuren liggen twintig doden en tientallen gewonden. De Amerikanen hebben hun bommen te vroeg losgelaten. Het vliegveld, dat trouwens al door de Duitsers is verlaten, ligt een kilometer verder.
Twee dagen later zijn de bevrijders er. Ik hoef niet meer met mijn been de kelder in.

Josje (toegevoegd: schoonzus van Anneke, Veldhoven/Meerveldhoven 18 september 1944)

Ze staan rijen dik om de bevrijders te verwelkomen. Josje Weels, Annekes schoonzus van verderop aan de Lange Weg, heeft een mooie zomerjurk aan en probeert op haar tenen naar voren te dringen om zeker te zijn van wat ze denkt te zien.
Jawel hoor! Op de voorste tank zitten de onderduikers die ze zo goed kent en vooral natuurlijk haar vriend Cor die ze zo gemist heeft sinds de onderduikershut achter hun huis is afgebrand en hij zich steeds verder weg moest schuilhouden. Hij is alweer voorbij, maar hij heeft haar gezien en heeft gezwaaid en kushandjes geworpen, maar natuurlijk komt hij op dit triomfantelijke moment voor geen goud ter wereld van die tank, dat snapt zij ook wel. Het jubelt in haar: de oorlog is voorbij en ik ben vierentwintig en verliefd en wanneer kunnen we gaan trouwen en kinderen krijgen? En ze denkt ook aan haar schoonzusje Anneke waar ze zo gek op is en die pas een baby heeft gehad: zou die alweer de straat op kunnen om de bevrijders te zien?
Ze moet haar enthousiasme kwijt, wil iets doen, iets geven aan die lachende Engelse, Amerikaanse soldaten – wat zijn het? Wat doet het ertoe! – en dan ziet ze op een open plekje tussen al die voeten een mooie geslepen steen liggen en raapt die op en wil die geven aan een van die jongemannen of eigenlijk aan al die lachende “hello!” roepende jongemannen. Het stelt niets voor, het had om het even wat kunnen zijn, het gaat om het gebaar en ze dringt zich naar voren, naar de jeep die net pas¬seert en steekt haar hand met de steen uit en de breed lachende gebruinde soldaat in de jeep steekt eveneens zijn hand uit en dan stoot iemand tegen haar arm en valt de steen met een klap op de treeplank, een geweldige klap, iedereen schrikt ervan, Josje vooral, en het lijkt even stil, en in die stilte hoort ze een gehate stem: “Wat! Moet jij onze bevrijders met stenen gooien!”
Het is de man die haar al zo vaak is lastiggevallen, vooral ’s ochtends op de fiets omdat ze gedeeltelijk dezelfde route naar hun werk hadden. Maar dat zal nu wel afgelopen zijn want hij werkte op het vliegveld voor de Duitsers. De man die zich sinds het begin van de Duitse bezetting Neuenhaus heeft genoemd en nu wel weer gewoon Nieuwenhuis zal heten, en die haar nu een kunstje wil flikken om de aandacht van zijn eigen pro-Duitse houding af te leiden.
“Je hebt ook al met een Duitser in het hooi gelegen!” roept Nieuwenhuis. Hij doelt op het goede contact dat ze heeft gehad met een Duitse soldaat die in het patronaat lag ingekwartierd. Deze had een neef die zij kende uit haar geboortedorp vlakbij de Duitse grens, waaruit haar familie op haar twaalfde is vertrok¬ken. Zij en de Duitse soldaat hadden er vaak over gepraat hoe toevallig het was aan welke kant van de grens je woonde en hij had haar regelmatig eten meegegeven dat zij goed kon gebrui¬ken voor de onderduikers, en dat wist hij dan weer niet. Ook had ze hem verteld van haar twee Duitse schoonzusjes, wier broers op een gegeven moment in het Duitse leger in Frankrijk moesten vechten, maar waar ze nu waren wist niemand.
Maar op dit ogenblik krijgt ze tranen in haar ogen om zo¬veel brutaliteit, om het onrecht dat ze beschuldigd wordt, en door wie!
Ze moet het op het politiebureau komen uitleggen en is nog steeds te verontwaardigd om alleen te gaan, maar dat hoeft ook niet. Haar oude vader gaat woedend mee en herinnert Neuen-haus, die ook is opgeroepen, eraan dat deze in het begin van de bezetting demonstratief het portret van de koningin van het behang heeft gescheurd. Ach, eigenlijk weet iedereen in het dorp, dus ook de politie wel hoe het werkelijk in elkaar zit. En Josje lacht alweer als ze buiten komt en daar Cor ziet staan wachten, men was hem meteen het voorval gaan vertellen, en hij wacht niet alleen op haar maar ook op Neuenhaus om die een pak slaag te geven. Maar die wordt een poosje vastgehou¬den.
“Er is toch nog rechtvaardigheid, hè schat!” lacht Josje en slaat een arm om Cor heen. “Kom, jongen, we zijn vrij, laten we gaan trouwen en veel kinderen krijgen!”

Josje (toegevoegd: schoonzus van Anneke, Veldhoven/Meerveldhoven 17/18 september 1944)

Nadat al die geallieerde vliegtuigen zijn overgevlogen en Sas zo ongelukkig is getroffen, hoort Josje dat de eerste Engelse pantserwagen vanuit het zuiden via de noodbrug over de Dommel het dorp is binnengekomen. Als een tank het ook probeert, stort de brug in en kantelt de tank. Het blijft die dag bij die ene pantserwagen die de weg door Sas en om het vlieg¬veld heen wordt gewezen, waar hij ten noorden van de stad contact kan leggen met de Amerikanen die daar zijn gedropt.
Maar nauwelijks hebben sommige helden gehoord van de Engelse pantserwagen, of ze hebben een van de dochters van een doodarm gezin, waarvan de vader om den brode bij de NSB was gegaan, uit huis gehaald om haar in het openbaar kaal te scheren. Gelukkig wordt dat door een man met de revolver in de hand verhinderd.
En dan komen de tanks met daar bovenop Cor vanuit het westen over de Lange Weg Josje tegemoet rijden en probeert Nieuwenhuis nog iets even belachelijks als zieligs met haar uit te halen. Maar dan is de oorlog ook voor haar voorbij.

Anneke (toegevoegd:halfzus van Bet, schoonzus van Josje, Zeelst, Eindhoven 19 september 1944)

Dit is dus wat ik bedoelde met die missers die voor de bevolking fataal zijn. In de straat en wat verderop in de buurt van mijn zuster Bet zijn in Sas twintig doden gevallen en nog veel meer gewonden. Weer door te vroeg losgelaten bommen van de geallieerden. Wat is dat toch?
“Dat is angst bij die vliegeniers dat ze getroffen worden boven het vliegveld en dan door hun eigen bommen exploderen,” zegt Leo. In ieder geval is bij Bet iedereen ongedeerd, ook mijn moeder. De hele dag zijn er vliegtuigen over gevlogen, allemaal naar het noorden. Nog een kwestie van een paar dagen, zegt iedereen, ze zijn de Belgische grens al over.

Zo bang ben ik nog nooit geweest! De bevrijders waren er de volgende dag al en gevochten is er hier in het dorp eigenlijk niet. Wel in mijn geboortedorp, vijftien kilometer hier vandaan, ook nog toen wij hier al waren bevrijd.
Maar wat gebeurde er op de dag van de bevrijding van de stad? De Engelsen stonden midden in Eindhoven en toen kwam, terwijl er de hele dag geen Duits vliegtuig was te bekennen, de Luftwaffe plotseling terug. Er was nog nauwelijks afweergeschut, de bommen treffen de Engelse munitiewagens, tankwagens worden geraakt, er ontstaan hevige branden. Tweehonderdvijfentwintig mensen sterven, om van de gewonden maar niet te spreken. En ondertussen ligt ons dochtertje daar midden in de stad in het ziekenhuis! Op nog geen honderd meter er vandaan ligt alles plat. Maar het ziekenhuis blijft ongeschonden. De volgende morgen is Leo daar bij Tonnie. Het is er een heksenketel vanwege de honderden doden en gewonden. Maar Tonnie ligt daar rustig achter glas naar de drukke gang te kijken en vertelt dat er allemaal soldaten naar haar hebben gezwaaid.
Nu we, met zijn vieren ondertussen, dit alles hebben over¬leefd, zal de rest ook wel goed komen. Als er maar gauw plaats is in het sanatorium.

De lijkkisten op 2-wielige platte wagens in het centrum van Zeelst. (‘uit Zeelst in oorlogstijd’ van de werkgroep ‘Zeelst schrijft geschiedenis’, 17 september 2004)

Aanvulling Zeelst: Uit geallieerde documenten is gebleken dat er onder de lindebomen op Cobbeek Duits afweergeschut zou hebben gestaan. Ooggetuigen hebben bevestigd dat dat er inderdaad wel eens had gestaan en ook dat De Duitsers op hun aftocht, nadat ze op het vliegveld zoveel mogelijk opgeblazen hadden, onder die lindenbomen hun paarden hadden beslagen. Maar dat was dus 2 dagen geleden. Er vielen 19 doden.
Aanvulling Eindhoven: Het bombardement door de Duitsers vond niet op de dag van de bevrijding plaats maar ruim een dag later in de nacht van 19 op 20 september. Wat het des te onbegrijpender maakt dat daar midden in het centrum onbeschermde trucks met munitie stonden. Zij werden de oorzaak van de grootte van de ramp. Er vielen 227 doden.

(Uit BRABANT BEVRIJD van Jack Didden & Maarten Swarts, uitgave waarschijnlijk 1994)

roman Aan de Lange Weg

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *