Toen de CS-jeugd, nu We Are Here, hetze, en altijd weer De Telegraaf

Een man van hoogstens 40, gevraagd naar wat hij vond van de kraak van een lang leegstaand pand in #Amstelveen (foto’s van Manette Ingenegeren) door de vluchtelingen tussen procedures van www.wijzijnhier.org,, antwoordde dat de mariniers daar vroeger wel raad mee zouden hebben geweten. Waarom draagt een man zoiets, dat ver voor zijn bewuste tijd plaatsvond, met zich mee? Heimwee naar een tijd dat zijn frustratie en ergernis door mariniers werd opgelost?
Anderen op Facebook en twitter uiten hun frustratie door de Hells Angels en andere motorclubs te smeken de #vluchtelingen het land uit te gooien. Ze gaan er blijkbaar vanuit dat deze clubs net zo anti-vreemdeling zijn als zijzelf.
Zoiets wordt gevoed, door #Wilders, #Baudet, #Duck, #Zwagerman, allerlei clubjes, #Powned, blaadjes, met de #Telegraaf voorop. In 1967 was het niet anders. Ook toen amuseerde men zich op de redactie van dit blad uitstekend met het bedenken van hetzerige koppen en het in scène zetten van situaties, zoals #Powned nu nog doet. Negerend hoe al dat onderbuikgedoe allerlei labiele figuren kan triggeren tot levensgevaarlijke daden. Toen waren het ‘het langharig werkschuw tuig’ (een combinatie van 2 eigenschappen die nergens op sloeg) dat het moest ontgelden, nu is het ‘het rondtrekkend asielkraakcircus’, terwijl het gaat om vluchtelingen die op zoek zijn naar onderdak omdat ze geen asiel krijgen en ook niet terug kunnen. Als dat wel zo was, zou de staatssecretaris wel aangeven waarheen en hoe. Maar dat kan hij niet.
In 1967 daagde de #Telegraaf ‘onze jongens’ , de mariniers, net zo lang uit om ‘onze meisjes’ te ‘beschermen’ tot de jongens erin trapten. Dat ging echter allemaal niet zo best, onder andere omdat de helden zich in hun zenuwen hadden bezopen. Daarom is het nog wel leuk om te lezen.
(Zie ook: VLUCHTELINGEN VAN WE ARE HERE ONGEWILD KATALYSATOR VAN DEZE MAATSCHAPPIJ

Vluchtelingen van We Are Here ongewild een katalysator van onze maatschappij

1967
We gaan weer even twee jaar terug. Op de redactie van de Telegraaf, april 1967. De reporter van de krant oogt helemaal niet als een burgermannetje. Hij heeft sluik lang haar dat voor zijn gezicht valt en dat hij voortdurend koket wegschudt. Is dat degene die steeds te keer gaat tegen het langharig werkschuw tuig? Hoe zit dat? “Och, dat is een spel,” zegt hij. “Wij dagen de lezers en de langharigen uit, wij moeten daar zelf erg om lachen. Hoe zullen we het bijvoorbeeld nu brengen? We moeten die Jantjes het idee geven dat hun meisjes worden lastiggevallen zo gauw die hen op het Centraal Station hebben uitgezwaaid. Verdomme, moeten die denken: van mijn meissie blijven die vieze langharige werkschuwen af! En je moet ze het idee geven dat de spoorwegpolitie het niet aan kan, dat de marine ze te hulp moet komen. Maar er moet wel een foto bij, van een meisje dat wordt lastiggevallen. Kom mee, dan gaan we nu die foto maken.” “Maar dan zien we niks, want er gebeurt eigenlijk nooit wat, die lui hangen daar maar wat rond.” “Dan nemen we Marie-Louise mee, die is overal voor in, heeft een bloedhekel aan die gozers. Die laten we tegen zo’n langharige op lopen, schelden, een duw geven en wij ‘klik!’ een plaatje.” “Zorg dat haar gezicht niet te zien is.” “Laat maar aan mij over.”

Nieuwe zeehelden. Rooie Willem zit aan de bar van een café aan de Prins Hendrikkade tegenover het Centraal Station. In de spiegel ziet hij achter zich jongens van de marine binnenkomen, de zaak loopt in één keer vol. “Kom, we gaan naar hiernaast!” hoort hij roepen, en “Kwart over acht verzamelen hè.” “Reken maar van Yes!”
Breed zit Willem daar met zijn lange rode haar en zijn baard en met zijn ellebogen op de bar. “Mag ik er even bij?” vraagt een marinejongen. Willem kijkt in de spiegel naar hem. “Waarbij?” zegt Willem. “Een pils,” zegt de marineman. Willem pakt even later het glas aan en steekt het zonder om te kijken omhoog, de marinemilitair wil het uit zijn hand pakken. “Zo’n matrozenpakkie heb ik ook gehad, “ zegt Willem naar de spiegel terwijl ze nog allebei het glas vasthouden, “maar ik ben er al zo’n 15 jaar uitgegroeid, op mijn achtste stond het me erg lief.”
In de hal van het CS staan enkele tientallen jongelui, ongeveer een derde ervan zijn meisjes. Zowel de jongens als de meisjes hebben lang haar. De meeste meisjes dragen minirokjes, sommige spijkerbroeken met wijde pijpen net als de jongens. Ze roken bijna allemaal. Ze hebben het over het artikel dat de Telegraaf gisteren over ze heeft geschreven. Ze willen aan de spoorwegpolitie die meestal in de buurt is vragen of die het ermee eens is dat de jongelui de dienst uitmaken in het CS en de meisjes lastigvallen. Maar er is geen spoorwegagent te bekennen. Vreemd.
Opeens is ieder van ze omringd door zes/zeven, veelal aangeschoten marinejongens. Ze hebben scharen, broeksriemen en boksbeugels. “Pak ze bij hun reet, die meiden!” “Knip dat haar eraf!” “Ze hebben onze meisjes lastig gevallen!”
“Zou niet eens willen wijzen naar die afgelebberde trut van je.” “Rennen, jongens.” “Rot op, marinegoochem!” “Wat mot je van me? Mag je van je meissie er niet an komme? Nou, bij mijn zeker niet.” “Oprottùùù! TelegraafFIFI.” “Hoehoe!” “Van jou krijg ik geen natte kut, modepoppie met je mooie uniformpje.”
Een paar jongens en meisjes zijn op de vloer terechtgekomen en proberen schoppend, slaand en bijtend de dronken marinelui van zich af te houden.
“Moet je die fotograaf zien, die kickt erop als wij hier met onze benen omhoog liggen. Kan je het zien, jochie? Rot op, zeg, ik bijt je pik eraf en anders die gok van je wel.” “We krijgen hulp van de kant van de Haarlemmerdijk!” “Volhouden, jongens!”
“Verdomd, ze worden door de smerissen tegengehouden! De smeris staat aan hun kant. Ja natuurlijk!” “We kunnen dit nooit winnen, jongens, ze zijn met tien keer zoveel man als wij.” “Zullen we wegwezen dan?” “O.K, allemaal verschillende kanten op, maar niet naar de voorkant. Naar de achterkant en naar de sporen, desnoods over de rails. Daar durven die schijters ons toch niet te volgen. Bovendien zijn de meeste lazarus.” “O.k, rennen, geef degene die het dichtst bij je staat een trap in zijn kruis en rennen!”
In de eerste editie van de Telegraaf die laat op de avond al in de cafés wordt verkocht, staat een uitgebreide fotoreportage: “Marine verdedigt eer meisjes!” Een laatste achtergebleven matroos die met zijn hoofd op zijn beide armen op de bar ligt kan geen interesse meer opbrengen voor het artikel dat ze hem letterlijk onder zijn neus proberen te duwen: “Jantje, je staat in de krant.”
(uit: Mijn liefde is scharlakenrood, roman van Meurs A.M.,
Zie ook: https://www.facebook.com/ton.meurs.7/posts/1947261448626177 (waarin recente foto’s van de vluchtelingen van Wij Zijn Hier door Manette Ingenegeren in Amstelveen)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *