Uit: Aan de Lange Weg

Er is meer eigenaardigs aan de hand. Als je tot voor kort achter de huizen aan de Lange Weg kwam en naar het zuiden keek, zag je net over de Gender een populierenbos met heel hoge bomen. Dat bos begon in het westen achter het Patersgat en liep in het oosten tot aan de Leef dat in de winter de schaatsbaan is.
Maar wanneer je nu achter de huizen komt, kijk je dwars door het bos heen. Je kijkt tot aan de horizon, over de velden waar het eerste kievitsei werd gevonden en voorbij de Ontginningsweg, een naam die ook al weinig goeds voorspelt.
Als je dichterbij komt, zie je de bomen schots en scheef ligĀ­gen, veel zijn er over de Gender gevallen. Het is geen enkel probleem meer om aan de overkant te komen, je loopt er zo overheen.
De stronken zijn in de grond blijven zitten. En heel de winter is oom Lex de Gender overgestoken en heeft hij de geweldige stobben uit de grond gehaald, aan stukken gehakt en op de kruiwagen naar huis gebracht. Met bovenmenselijke inspanning. Heel zijn energie, zijn woede om zijn ten dode opgeschreven zuster ging in die stronken zitten.
Hij leeft zich uit in de moerassige grond op posten die nog te nat zijn om door te hakken, hij graaft ze uit. Als hij met een niet verder kan gaat hij naar de volgende. De aarde zuigt, houdt ze vast. Ze zouden eerst verder moeten drogen, maar Lex heeft geen geduld. Hij zou allang in de hof en op het land bezig moeten zijn maar dit voorjaar heeft hij ook daar geen geduld voor. Zijn hoofd staat niet naar zaaien en planten, zijn handen zijn precies te grof, hij wil groot en zwaar werk, en soms lijkt zo`n stronk op een kruis, woedend hakt hij er de armen af en maakt het onherkenbaar.

Tante Erna sterft nog voor de zomer en Jantje krijgt op school geen vrij om haar mee te gaan begraven.

(Uit Aan de Lange Weg, pag. 128, Meurs A.M.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *