Market Garden



Ik was een paar dagen geleden met een gezelschap belangstellenden in Oosterbeek en Arnhem, zag de heide ten noorden van de Rijn waar duizenden parachutisten neerkwamen, beleefde door de aanschouwelijke verhalen van de gids de huis aan huisgevechten van de Engelsen op weg naar de Rijnbrug, waar ze maar heel even op waren voor ze zich terug moesten trekken. Voor het eerst realiseerde ik me dat daarna de bevolking ten noorden in de buurt van de Rijn door de Duitsers gedwongen werd hun vaak vernielde of beschadigde huizen te verlaten en pas na de bevrijding op 5 mei 1945, namelijk in juli kon terugkeren. Brabant en Limburg waren bevrijd. Boven de grote rivieren zou nog een van de moeilijkste perioden van de oorlog volgen: de hongerwinter. Gesteund door hun overwinning bij Arnhem zouden de Duitsers in de maanden na Arnhem via hun Ardennenoffensief nog proberen terug te komen.

(In mijn roman Aan de Lange Weg schreef ik gebaseerd op de gebeurtenissen verbonden met Market Garden in en rond Eindhoven in diezelfde periode, op 17 en 18 september 1944. Sas is het kerkdorp Zeelst van de gemeente Veldhoven.
Bet woont dicht bij het vliegveld en is de halfzuster van Anneke die net als haar schoonzusje Josje, maar op een kilometer afstand, aan de Lange Weg in Veldhoven woont, de oude provinciale weg tussen Eindhoven en Antwerpen)

(…)

Bet

In het kerkdorp Sas, nog dichterbij het vliegveld, komt drie weken na Jantjes geboorte Annekes halfzuster Bet als laatste uit haar kelder geklommen. Allicht, ze was er ook als laatste ingegaan. Op hun Hans na. Die had bijna het loodje gelegd. Zo zou je vlak voor de bevrijding nog een kind verliezen. Maar als ze op haar hadden moeten wachten… De trap was te steil, de stenen treden waren te hoog en er was maar aan één kant een leuning.

            Mijn been doet verschrikkelijk pijn. Met twee handen houd ik de ene leuning vast en trek en wring me naar boven. Naar beneden was nog moeilijker gegaan, dat moest helemaal zijwaarts. Maar toen zat de pijn er nog niet zo in, die was er door de trap af te gaan weer diep ingekropen. Ik wring en draai me met mijn heupen naar boven. Met die heupen zit het ook niet goed. Maar mijn been is toch het ergst.

            “Van mij hoeft het niet meer,” grom ik luid als ik boven ben, “dan maar dood. Dit is de laatste keer dat ik die kelder in ben geweest.”

            De klink aan de buitenkant van de kelderdeur is eraf gesla­gen, op het hout zit een grote, diep ingebrande zwarte vlek. Maar net op tijd was die nieuwsgierige Hans aan de andere kant van de deur geweest. De granaatscherf was door het open bovenraam naar binnen gevlogen, had de klink afgesneden en was over de tegelvloer tegen de muur gegleden. Bij het schoonmaken blijven we de plekken zien waar hij heen en weer heeft gekaatst. Het was een hels lawaai geweest.

            “Dat scheelt weer een ruit, dat dat raam openstond,” zegt mijn man Toontje die iedereen de kelder in heeft gestuurd. Dat heb je er ook nog bij, zo een die altijd grappig moet zijn.

            “Van mij hoeft het niet meer. Ik heb negen kinderen op de wereld gezet,” mopper ik, “ ’t is mooi geweest. Me dunkt dat ik mijn taak vervuld heb.”

            “Je bent de tel kwijtgeraakt, moeder,” lachen de kinde­ren voor ze naar buiten hollen om naar de ravage te kijken. “Acht is ook wel genoeg.”

            Maar ik ben de tel niet kwijtgeraakt, ik heb me alleen versproken.

            Op straat en onder de vernielde huizen en schuren liggen twintig doden en tientallen gewonden. De Amerikanen hebben hun bommen te vroeg losgelaten. Het vliegveld, dat trouwens al door de Duitsers is verlaten, ligt een kilometer verder.

Twee dagen later zijn de bevrijders er. Ik hoef niet meer met mijn been de kelder in.

De kisten met de omgekomenen worden op weg naar het kerkhof door Zeelst gereden.


(…)

Josje

(…)

Nadat al die geallieerde vliegtuigen zijn overgevlogen en Sas zo ongelukkig is getroffen, hoort Josje dat de eerste Engelse pantserwagen vanuit het zuiden via de noodbrug over de Dommel het dorp is binnengekomen. Als een tank het ook probeert, stort de brug in en kantelt de tank. Het blijft die dag bij die ene pantserwagen die de weg door Sas en om het vlieg­veld heen wordt gewezen, waar hij ten noorden van de stad contact kan leggen met de Amerikanen die daar zijn gedropt.

Maar nauwelijks hebben sommige helden gehoord van de Engelse pantserwagen, of ze hebben een van de dochters van een doodarm gezin, waarvan de vader om den brode bij de NSB was gegaan, uit huis gehaald om haar in het openbaar kaal te scheren. Gelukkig wordt dat door een man met de revolver in de hand verhinderd.

            En dan komen de tanks met daar bovenop Cor vanuit het westen over de Lange Weg Josje tegemoet rijden en probeert Nieuwenhuis nog iets even belachelijks als zieligs met haar uit te halen. Maar dan is de oorlog ook voor haar voorbij.

(…)

Anneke

(…)

We hebben ons tweede kind gekregen, een jongen. Alles is prima gegaan. We hebben hem Jan genoemd naar mijn vader Johannes die een paar maanden geleden is overleden. Peetoom is Toontje geworden, de man van Bet, en hij is zeer vereerd.

“Dat heb je goed gedaan, schoon meidje,” zei hij tegen me, “jij laat zien dat je me meer waardeert dan je vader altijd heeft gedaan.”

Jantje is meteen na de geboorte door zijn peettante Jo de schuilkelder ingebracht, want zo hevig als op die dag was het vliegveld nog niet eerder gebombardeerd.

“Er waren verschillende aanvalsgolven,” zei Leo en: “Maar goed dat we die schuilkelder hebben!” Het deed mij in ieder geval goed dat Jantje betrekkelijk veilig was. Maar het blijft vreemd dat je een kind ligt te krijgen terwijl de vliegtuigen over brommen en de explosies en het afweergeschut klinken. En dat je dan eigenlijk ook nog blij bent met die vliegtuigen en die explosies, als ze maar het juiste doel treffen. Tonnie lag toen gelukkig al in het ziekenhuis in de stad. Tot er plaats is in het sanatorium in Tilburg. Ze was te ziek om nog langer thuis te blijven, bovendien zou ik gaan bevallen. Ik ben er blij om, ik neem aan dat de Engelsen geen ziekenhuis bombarderen. Niet met opzet tenminste, maar de andere missers zijn ook vaak fataal geweest. En Leo zegt dat de vliegtuigen altijd uit het zuiden of zuidwesten komen, dus niet over de stad op het vliegveld afgaan, dat is teveel risico vanwege het Duitse afweergeschut dat vooral rond Philips staat. Laten we maar hopen dat het allemaal waar is.

Dit is dus wat ik bedoelde met die missers die voor de bevolking fataal zijn. In de straat en wat verderop in de buurt van mijn zuster Bet zijn in Sas twintig doden gevallen en nog veel meer gewonden. Weer door te vroeg losgelaten bommen van de geallieerden. Wat is dat toch?

            “Dat is angst bij die vliegeniers dat ze getroffen worden boven het vliegveld en dan door hun eigen bommen exploderen,” zegt Leo. In ieder geval is bij Bet iedereen ongedeerd, ook mijn moeder. De hele dag zijn er vliegtuigen over gevlogen, allemaal naar het noorden. Nog een kwestie van een paar dagen, zegt iedereen, ze zijn de Belgische grens al over.

Zo bang ben ik nog nooit geweest! De bevrijders waren er de volgende dag al en gevochten is er hier in het dorp eigenlijk niet. Wel in mijn geboortedorp, vijftien kilometer hier vandaan, ook nog toen wij hier al waren bevrijd.

            Maar wat gebeurde er op de dag van de bevrijding van de stad? De Engelsen stonden midden in Eindhoven en toen kwam, terwijl er de hele dag geen Duits vliegtuig was te bekennen, de Luftwaffe plotseling terug. Er was nog nauwelijks afweergeschut, de bommen treffen de Engelse munitiewagens, tankwagens worden geraakt, er ontstaan hevige branden. Tweehonderdvijfentwintig mensen sterven, om van de gewonden maar niet te spreken. En ondertussen ligt ons doch­tertje daar midden in de stad in het ziekenhuis! Op nog geen honderd meter er vandaan ligt alles plat. Maar het ziekenhuis blijft ongeschonden. De volgende morgen is Leo daar bij Tonnie. Het is er een heksenketel vanwege de honder­den doden en gewonden. Maar Tonnie ligt daar rustig achter glas naar de drukke gang te kijken en vertelt dat er allemaal soldaten naar haar hebben gezwaaid.

            Nu we, met zijn vieren ondertussen, dit alles hebben over­leefd, zal de rest ook wel goed komen. Als er maar gauw plaats is in het sanatorium.

(…)

Bet

(…)

We zijn nu al vier jaar door de Duitsers bezet. Het wordt weer onrustiger op en rond het vliegveld. Terugkerende Duitse vliegtuigen laten voor de landing midden in de nacht twee brisantbommen vallen in onze straat. Alle ruiten in de buurt sneuvelen, er is een enorme schade aan vee en huizen maar er zijn alleen wat lichtgewonde mensen. Maar het is nu vooral de oorlog van de bommen van de geallieerden. Ook hun bommen komen vaak buiten het vliegveld terecht, de schade is groot, er wordt veel vee gedood maar onder de bevolking vallen geen doden.

            Tot op de eerste dag van “Operatie Market Garden”. Duizenden vliegtuigen komen die dag vanuit Engeland over de Kempen en werpen hun bommen, materieel en manschappen af. Het is een mooie zonnige zondagochtend, het luchtalarm is al een paar keer afgegaan. Tijdens de hoogmis verschijnen de eerste groepjes Amerikaanse bommenwerpers, “Vliegende Forten” genaamd, begeleid door jagers boven ons dorp. Doelwit is ongetwijfeld het vliegveld. Ze weten blijkbaar niet dat de Duitsers daar al weg zijn. Na een bombardement door de geallieerden begin september, waarbij opnieuw veel woonhuizen zwaar worden beschadigd, besluiten de Duitsers de vliegbasis op te geven. Dagen- en nachtenlang zijn er de explosies en is er de zwarte rook en de stank van de gebouwen, startbanen, gevorderde huizen en munitie die door hen werden opgeblazen. Overal in Sas zijn ruiten gesprongen en zijn de pannen van de daken gevlogen. Maar de geallieerden weten blijkbaar van niks. En als zo vaak laten ze hun bommen te vroeg los. Twintig doden en veel zwaargewonden. Hoofden en ledematen van mensen liggen verspreid over straat bij ons huis. Ons twaalfjarig zoontje Hans dat nieuwsgierig het huis uit is geglipt, wordt door partizanen naar binnen gejaagd. Hij heeft de klink aan de binnenkant van de kelderdeur net losgelaten wanneer er aan de andere kant een granaatscherf op slaat. Was hij een seconde later gekomen, was hij minstens zijn hand kwijt geweest. Ik ben net met veel moeite met mijn been beneden geraakt als hij zowat bovenop me valt. Ik ben kwaad omdat hij naar buiten is gelopen maar ik ben toch vooral blij dat hij er is.

            Engelse tanks, met op de voorste dokter Wouters die geen bed gezien heeft vanwege de doden en gewonden, komen een dag later vanaf de stad Sas binnen rijden. Ik haal opgelucht adem, ik hoef niet meer met mijn been de kelder in.

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M., 3e, geïllustreerde druk 2009: https://www.boekwinkeltjes.nl/b/105679570/Aan-deLange-Weg-roman-van/ )

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *