N.a.v. 75j Market Garden: Dl1 Gekke familie uit Aan de Lange Weg van Meurs A.M

Omslag voorzijde:
… en vanaf daar lopen ze dagelijks over de Lange Weg naar de sigarenfabriek, de school, de kerk en het patronaat en de winkels, want alles ligt voor ze, daar zijn het de Vrouwen van de Eerste Huizen voor. (pag. 18)

Copyright © 2004 Meurs A.M.
Derde, herziene en geïllustreerde, druk 2009
Illustraties: Ufuk Kobaş Smink 2009
ISBN-9789050450225
D/2009/4689/002
Nur: 301
Omslag voorzijde: Ufuk Kobaş Smink naar foto en idee van Meurs A.M. Voor de Lange Weg stond de oude weg van Eindhoven via Turnhout naar Antwerpen model.
www.meursam.nl
www.ufukkobas.com
www.uitgeverijdegraal.be 

Door een regen van bommen holt de tante met de pasgeboren baby naar de schuilkelder.(pag.9)

MEURS A.M.

AAN DE LANGE

 WEG

Met illustraties in kleur en zwartwit van

Ufuk Kobaş Smink

de Graal  – Turnhout

2009

De Personages Aan de Lange Weg

Gekke familie
Anneke Weels, woont in de eerste bocht van de Lange Weg, in 1940 getrouwd me
Leo Weels, ze krijgen acht kinderen, waaronder
Tonnie Weels, het eerste kind, een meisje dat van haar vierde tot haar achtste in het sanatorium ligt vanwege tbc,
Jantje Weels, hun tweede, met wiens geboorte het verhaal begint, volgens het schrijverpersonage
A.M. vaak hinderlijk aanwezig;
Mimi Weels, op haar vijfde levensgevaarlijk verbrand door een val vanaf het aanrecht in een kokende ketel met wasgoed;
Hugo, hun laatste kind dat een uur heeft geleefd, maar gelukkig is het er een van een tweeling en dat andere is nummer acht;
Tante Jo, zus van Leo Weels;
Bet, halfzus van Anneke Weels, getrouwd met
Toontje Wolvers;
Josje Weels, zus van Leo Weels, trouwt uiteindelijk met
Cor, de onderduiker;Ria, Ferrie en Harry, zus respectievelijk broers van Josje en Leo Weels.

Vreemde buren

De Vrouwen van de Eerste Huizen, te weten
Hanna Bosmans,
Hanna Knietel en
De oudste dochter van Meijer; zij zijn tegelijk personages, vertelsters, commentatoren én Muzen van A.M
Burgemeester Van Tuin, fabrikant en naaste buurman van Anneke en Leo Weels;
Jongen van Vlek, soldaat die na de “politionele acties” terug­keert uit Indië;
Petra Donkers, bloedmooi buurmeisje, zowel in verband gebracht met de jongen van Vlek, bakker Wenkenbeek en
De Wildeman, woeste kunstschilder waarmee Jantje Weels bevriend raakt vlak voor hij in militaire dienst moet
Van Zand, verdacht van het vaderschap van het dode Engelen­kopje;
Schoenmaker met het houten been, naaste buurman in het blok van twee;
Westerweel, familie die het blok in eigendom heeft en waarvan twee zeer oude broers daar aan de achterkant wonen tot aan hun dood, en als ook de schoenmaker sterft ziet een van hun neven de kans schoon er iedereen uit te jagen en er één woonhuis van te maken waarin hij en zijn vrouw
Brigitte Bardot, gaan wonen;
Tante Erna, oom Robert en oom Lex, geen echte familie van de Weelsen, ongetrouwde broers en zuster
Familie Van de Stal met zoon Wouter, vriend van Jantje Weels;
Familie Brems, waarvan de kinderen, de bedpissers, stinkend rijk worden;
Ineke, jonge vriendin van Anneke Weels die Jantje leert lopen;
Familie Teunis, buren in de Acht-huizen;
Familie de Laat, buren in de Acht-Huizen.

Dorpsgenoten

Nieuwenhuis, nachtmerrie van Josje Weels, pro-Duits;
Keesje Jansen, heerser van het patronaatsgebouw;
Teun van Leer, gehandicapte stamgast van hotel/café Den Os;
Marie, bazin van Den Os, getrouwd met Gerrit;
Kareltje Manshoog, minnaar van Marie, stamgast van café Willems;
Heintje van der Horst, de man van de fritestent;
Tinus, duivenmelker en bouwvakker die voor Heintje heeft gewerkt.

Deel 1
Gekke familie

Geboorte en bevrijding

Anneke

Door een regen van bommen holt de tante met de pasgeboren baby naar de schuilkelder. Een zuil van zand en modder spuit op. Een dikke tak breekt af en zakt krakend door de andere takken op de grond. Scherven vliegen de kippenren aan de zijkant van het huis in, de kippen rennen krijsend het hok binnen, een blijft er liggen. Die gaat straks in de pot.

            Het is een wonder dat er geen bom valt op het blok van twee in de eerste bocht van de Lange Weg waar in de linker woning Anneke Weels net haar tweede kind ter wereld heeft gebracht.

            De tante is uit de achterdeur gekomen en spurt tussen kolenhok en plee links en lindeboom rechts tot aan de schapendraad van de hof van de buren. Die hof ligt voor een groot deel achter het huis van Anneke, want die van haar begint naast haar woning en loopt dan net als die van de buren zo`n vijftig meter naar achter. De tante rent langs de draad naar links, voorbij de jonge perzik-boompjes die uit de pitten zijn gegroeid die vader Leo daar drie jaar geleden bij de geboorte van het eerste kind in de grond heeft gestopt. Dat kind, een meisje, is nu ernstig ziek. En anderhalf jaar na de geboorte van dat eerste heeft Anneke een miskraam gehad. Met de baby die nu onderweg is naar de schuilkelder, een jongen, moet het goed gaan!

            De kelder waar de tante zich met het kind in laat zakken heeft Leo zelf gegraven. Het zijn maar balken en stammen met een dikke laag aarde erop waar ze onder schuilen, dus tegen een voltreffer zal het niet helpen, maar tegen een bom in de buurt en rondvliegende scherven wel. Hij is aan het zicht onttrokken door de staakbonen die er nu, eind zomer, groen en weelderig, metershoog omheen staan.

            Veel mensen hebben een schuilkelder in de tuin. Dat is vanwege de nabijheid van het vliegveld dat sinds

D-day, nu bijna vier maanden geleden, steeds maar weer door de Engelsen wordt gebombardeerd. Ruim vier jaar daarvoor waren het de Duitsers die het vliegveld bombardeerden.

            Omdat dat praktischer en hygiënischer was, is het kind wel in het huis aan de Lange Weg geboren, maar nauwelijks losgeknipt en afgespoeld wordt het op een holletje naar de schuilkelder gebracht. Dat doet tante Jo die daar in huis is en die de peettante zal worden. Zij weet wat gebombardeerd worden is, haar eigen huis staat maar honderd meter van het vliegveld en is nu door de Duitsers in beslag genomen. Ze waren tot nu toe goed weggekomen aan dat vliegveld, twintig meter achter hun woning is een bomkrater zo groot dat er een heel huis in kan. Het was al maanden niet meer veilig om daar te slapen en tante Jo en oom Piet sliepen dan bij Anneke en Leo, en hun zoon Henk sliep verderop aan de Lange Weg bij opa Weels. Sinds hun huis was bezet stonden bij opa in de voorka­mer ook hun meubels opgeslagen. Henk sliep slecht, hij lag in het grote bed naast opa op de plek waar tot haar dood drie jaar geleden oma had gelegen, en opa lag de hele nacht op zijn rug te ronken.

             In de schuilkelder aangekomen heeft de pasgeboren baby zijn eerste stukje strijd gewonnen. Maar er dreigen talloze andere gevaren! Het gebrekkige voedsel bijvoorbeeld.

“Jongen, wat ben jij mager!” zal een tante in Gelderland bij wie hij logeert uitroepen als hij zich in zijn wit hempje aan de gootsteen staat te wassen. De jongen zal tot zijn vijftiende een echt oorlogskindje blijven. Daarmee is dan meteen verklapt dat hij in ieder geval de vijftien zal halen. Dit ondanks de levens­gevaarlijke besmettelijke ziekte tbc die van zeer dichtbij op hem loert. Zijn opa van moeders kant, die ook in het huis aan de Lange Weg heeft gewoond, is als de jongen wordt geboren vier maanden daarvoor aan tbc gestorven en zijn drie jaar oudere zusje ligt in het ziekenhuis in de stad, in afwachting van een plaats in het sanatorium. Pas na vier jaar zal ze weer uit het sanatorium komen, nadat ze als eerste meisje in het land op zo`n jonge leeftijd aan tbc is geopereerd.

            Er blijven gevaren loeren, vooral die eerste weken. Hij moet immers meerdere malen per dag naar de volle, melkige, blauw dooraderde borsten van zijn moeder gebracht worden, waar hij op zijn tiende samen met zijn ginnegappende vriendjes naar kan staan staren wanneer zijn jongste broertje onder de lindeboom de borst krijgt. Maar zij zijn niet de enigen die zich aan de borsten van dat tengere vrouwtje vergapen. Ook zijn tante Josje, die bij zijn opa verderop aan de Lange Weg woont en die zelf elf kinderen met de borst zal grootbrengen, zal hem later verklappen hoe ze met plezier naar die borsten van An­neke kon kijken. Maar nu heeft hij daar nog geen weet van. Van de pure schoonheid waarmee hij gevoed wordt, evenmin als van het gevaar dat hij op de heen- en terugweg loopt.

            Ze wonen een paar kilometer van het vliegveld. Maar de geallieerden gooien hun bommen vaak veel te vroeg af. En je wilt, als je het idee hebt dat de oorlog bijna voorbij is – de Engelsen staan al in België! – geen bom op je kop krijgen, zelfs niet voor een goed doel.

En dan het lawaai! Je zal zo maar ter wereld moeten ko­men. Als het niet van de bombardementen of van het afweerge­schut is, dan is het wel van de explosies wanneer de Duitsers voor ze vertrekken de startbanen en gebouwen opblazen.

“Poeh!, ik had geen gemakkelijke start, als ik er zo eens over nadenk,” zucht Jantje Weels vele jaren later. “Geen wonder dat ik nog steeds niet tegen lawaai kan. Ik zou mijn omgeving daar best eens op mogen wijzen.”

Bet

In het kerkdorp Sas, nog dichterbij het vliegveld, komt drie weken na Jantjes geboorte Annekes halfzuster Bet als laatste uit haar kelder geklommen. Allicht, ze was er ook als laatste ingegaan. Op hun Hans na. Die had bijna het loodje gelegd. Zo zou je vlak voor de bevrijding nog een kind verliezen. Maar als ze op haar hadden moeten wachten… De trap was te steil, de stenen treden waren te hoog en er was maar aan één kant een leuning.

            Mijn been doet verschrikkelijk pijn. Met twee handen houd ik de ene leuning vast en trek en wring me naar boven. Naar beneden was nog moeilijker gegaan, dat moest helemaal zijwaarts. Maar toen zat de pijn er nog niet zo in, die was er door de trap af te gaan weer diep ingekropen. Ik wring en draai me met mijn heupen naar boven. Met die heupen zit het ook niet goed. Maar mijn been is toch het ergst.

            “Van mij hoeft het niet meer,” grom ik luid als ik boven ben, “dan maar dood. Dit is de laatste keer dat ik die kelder in ben geweest.”

            De klink aan de buitenkant van de kelderdeur is eraf gesla­gen, op het hout zit een grote, diep ingebrande zwarte vlek. Maar net op tijd was die nieuwsgierige Hans aan de andere kant van de deur geweest. De granaatscherf was door het open bovenraam naar binnen gevlogen, had de klink afgesneden en was over de tegelvloer tegen de muur gegleden. Bij het schoonmaken blijven we de plekken zien waar hij heen en weer heeft gekaatst. Het was een hels lawaai geweest.

            “Dat scheelt weer een ruit, dat dat raam openstond,” zegt mijn man Toontje die iedereen de kelder in heeft gestuurd. Dat heb je er ook nog bij, zo een die altijd grappig moet zijn.

            “Van mij hoeft het niet meer. Ik heb negen kinderen op de wereld gezet,” mopper ik, “ ’t is mooi geweest. Me dunkt dat ik mijn taak vervuld heb.”

            “Je bent de tel kwijtgeraakt, moeder,” lachen de kinde­ren voor ze naar buiten hollen om naar de ravage te kijken. “Acht is ook wel genoeg.”

            Maar ik ben de tel niet kwijtgeraakt, ik heb me alleen versproken.

            Op straat en onder de vernielde huizen en schuren liggen twintig doden en tientallen gewonden. De Amerikanen hebben hun bommen te vroeg losgelaten. Het vliegveld, dat trouwens al door de Duitsers is verlaten, ligt een kilometer verder.

Twee dagen later zijn de bevrijders er. Ik hoef niet meer met mijn been de kelder in.

Ze staan rijen dik om de bevrijders te verwelkomen. Josje Weels (…) heeft een mooie zomerjurk aan… (pag. 15)

Josje

Ze staan rijen dik om de bevrijders te verwelkomen. Josje Weels, Annekes schoonzus van verderop aan de Lange Weg, heeft een mooie zomerjurk aan en probeert op haar tenen naar voren te dringen om zeker te zijn van wat ze denkt te zien.

Jawel hoor! Op de voorste tank zitten de onderduikers die ze zo goed kent en vooral natuurlijk haar vriend Cor die ze zo gemist heeft sinds de onderduikershut achter hun huis is afgebrand en hij zich steeds verder weg moest schuilhouden. Hij is alweer voorbij, maar hij heeft haar gezien en heeft gezwaaid en kushandjes geworpen, maar natuurlijk komt hij op dit triomfantelijke moment voor geen goud ter wereld van die tank, dat snapt zij ook wel. Het jubelt in haar: de oorlog is voorbij en ik ben vierentwintig en verliefd en wanneer kunnen we gaan trouwen en kinderen krijgen? En ze denkt ook aan haar schoonzusje Anneke waar ze zo gek op is en die pas een baby heeft gehad: zou die alweer de straat op kunnen om de bevrijders te zien?

            Ze moet haar enthousiasme kwijt, wil iets doen, iets geven aan die lachende Engelse, Amerikaanse soldaten – wat zijn het? Wat doet het ertoe! – en dan ziet ze op een open plekje tussen al die voeten een mooie geslepen steen liggen en raapt die op en wil die geven aan een van die jongemannen of eigenlijk aan al die lachende “hello!” roepende jongemannen. Het stelt niets voor, het had om het even wat kunnen zijn, het gaat om het gebaar en ze dringt zich naar voren, naar de jeep die net pas­seert en steekt haar hand met de steen uit en de breed lachende gebruinde soldaat in de jeep steekt eveneens zijn hand uit en dan stoot iemand tegen haar arm en valt de steen met een klap op de treeplank, een geweldige klap, iedereen schrikt ervan, Josje vooral, en het lijkt even stil, en in die stilte hoort ze een gehate stem: “Wat! Moet jij onze bevrijders met stenen gooien!”

            Het is de man die haar al zo vaak is lastiggevallen, vooral ’s ochtends op de fiets omdat ze gedeeltelijk dezelfde route naar hun werk hadden. Maar dat zal nu wel afgelopen zijn want hij werkte op het vliegveld voor de Duitsers. De man die zich sinds het begin van de Duitse bezetting Neuenhaus heeft genoemd en nu wel weer gewoon Nieuwenhuis zal heten, en die haar nu een kunstje wil flikken om de aandacht van zijn eigen pro-Duitse houding af te leiden.

            “Je hebt ook al met een Duitser in het hooi gelegen!” roept Nieuwenhuis. Hij doelt op het goede contact dat ze heeft gehad met een Duitse soldaat die in het patronaat lag ingekwartierd. Deze had een neef die zij kende uit haar geboortedorp vlakbij de Duitse grens, waaruit haar familie op haar twaalfde is vertrok­ken. Zij en de Duitse soldaat hadden er vaak over gepraat hoe toevallig het was aan welke kant van de grens je woonde en hij had haar regelmatig eten meegegeven dat zij goed kon gebrui­ken voor de onderduikers, en dat wist hij dan weer niet. Ook had ze hem verteld van haar twee Duitse schoonzusjes, wier broers op een gegeven moment in het Duitse leger in Frankrijk moesten vechten, maar waar ze nu waren wist niemand.

Maar op dit ogenblik krijgt ze tranen in haar ogen om zo­veel brutaliteit, om het onrecht dat ze beschuldigd wordt, en door wie!

            Ze moet het op het politiebureau komen uitleggen en is nog steeds te verontwaardigd om alleen te gaan, maar dat hoeft ook niet. Haar oude vader gaat woedend mee en herinnert Neuen­haus, die ook is opgeroepen, eraan dat deze in het begin van de bezetting demonstratief het portret van de koningin van het behang heeft gescheurd. Ach, eigenlijk weet iedereen in het dorp, dus ook de politie wel hoe het werkelijk in elkaar zit. En Josje lacht alweer als ze buiten komt en daar Cor ziet staan wachten, men was hem meteen het voorval gaan vertellen, en hij wacht niet alleen op haar maar ook op Neuenhaus om die een pak slaag te geven. Maar die wordt een poosje vastgehou­den.

            “Er is toch nog rechtvaardigheid, hè schat!” lacht Josje en slaat een arm om Cor heen. “Kom, jongen, we zijn vrij, laten we gaan trouwen en veel kinderen krijgen!”

De Vrouwen van de Eerste Huizen

“We moeten wel lachen,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen, “zoals jij je geboorte beschrijft. Wat een sensatie! En dan al die getallen en de beschrijving van die gang naar de schuilkelder in de tuin, wat een precisie. Je tante Josje hield indertijd een beetje van sensatie, maar jij kunt er achteraf ook wat van. Zijn er bommen gevallen aan de Lange Weg? Wij geloven er niks van. Wij kunnen ons niet herinneren dat er de hele oorlog ergens anders bommen zijn gevallen dan op het vliegveld en in Sas, en dat laatste erg genoeg. Is er eigenlijk op de dag van jouw geboorte wel gebombardeerd? Ja, dat zul je wel uitgezocht hebben. Zo bijdehand ben je wel.”

Als je over de Lange Weg schrijft, kun je niet heen om de Vrouwen van de Eerste Huizen. Want ze wonen daar inderdaad in die eerste huizen als je vanaf de stad komt, en vanaf daar lopen ze dagelijks over de Lange Weg naar de sigarenfabriek, de school, de kerk en het patronaat en de winkels, want alles ligt voor ze, daar zijn het de Vrouwen van de Eerste Huizen voor. Achter ze ligt de stad en over de lange dijk naar de stad gaan ze met de bus of soms met de fiets en alleen bij bijzondere gelegenheden. Ze kennen elk huis en elke bewoner aan de Lange Weg beter dan A.M., kortom hij heeft ze nodig.

“De tranen komen bij jouw tante Josje in de ogen,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen, “als ze aan je moeder Anneke denkt en dat die zo heeft moeten bevallen. Maar ze kan zich niet herinneren dat jullie een schuilkelder hadden in de hof. Iedereen had toen nog gewoon een diepe kelder in huis, jullie ook, dat weet ze zeker, daar gingen de mensen in bij een bombardement, en zij denkt dat jij ook gewoon in die kelder bent gebracht.”

            “Dat van dat opspuitende zand en die dooie kip is onzin,” lacht de lange magere Hanna Bosmans die overal om lacht, “maar ik heb er wel om gelachen. Anneke zal het trouwens moeilijk genoeg gehad hebben, want lawaai en spanning was er volop. Ik had nooit gedacht dat jij het zou halen, want veel stelde je niet voor toen je werd geboren, we zeiden maar niks toen Anneke je zo trots liet zien. Maar blijkbaar heb je het al een hele tijd overleefd. Nou proficiat. Daar zijn we aan de Lange Weg mooi klaar mee! Waar zit je trouwens tegenwoordig?”

            “En die schapendraad voor de hof van de buren is er vol­gens mij pas veel later gekomen, toen er andere buren waren, want Leo was daar nog zo kwaad om. Zo, dan weet je dat,” zegt de oudste dochter van Meijer met haar zware stem.

Oorlog

Josje

We gaan vier jaar terug. Nederland is vier maanden door de Duitsers bezet als Josje Weels die twintig jaar is, vanaf de Lange Weg over Sas naar de stad fietst, naar de Glaspoort van Philips in het stadsdeel Strijp, het trommeltje met de door haar moeder gesmeerde boterhammen onder een riempje op de bagagedrager. Nieuwenhuis die in het militaire dorp van Sas werkt, rijdt daar vaak op dezelfde tijd.

“Ik heb liever dat jij niet met mij meefietst,” zegt Josje, “want jij werkt voor het Duitse leger.”

            “En wat denk je dat ze bij Philips doen, dom ding?” zegt Nieuwenhuis.

            “Wij zijn in ieder geval niet voor de Duitsers,” zegt Josje ferm. Behalve die ene baas dan, denkt ze. Die zal bij de bevrijding met bureau en al op een vrachtwagen afgevoerd worden. En met diegene die zich, zo gauw de Duitsers er waren, Neuenhaus heeft genoemd, zal het niet veel beter aflopen.

            “Waarom denk je dat er bij jullie zoveel Duitse soldaten rondlopen?” gaat Nieuwenhuis pesterig verder. “Je hoeft helemaal niet voor ze te zijn als je maar voor ze werkt. Ze zijn slim genoeg, slimmer dan wij.”

            Josje denkt aan de Oekraïners die door de Duitsers bij luchtalarm het dak opgestuurd worden om het afweergeschut te bedienen.

            Als de meisjes in de lunchpauze de ijzeren trap afdalen, komt hen over de volle breedte van de trap een groep Duitse soldaten tegemoet met de bedoeling de meisjes opzij te dwin­gen. Maar Josje zegt: “Wat ben ik moe!” en gaat midden op de trap zitten, zodat de soldaten wel om haar heen moeten, en niet alleen de meiden, ook  de Duitsers schieten in de lach. Ziezo, denkt Josje, ieder zijn oorlog.

            Wanneer ze in haar broodtrommeltje kijkt, ziet ze dat er blokjes paardevlees op het brood zitten. Dat lust ze niet en ze eet niet. Het is tegen de avond een lange tocht van Philips naar huis, en vermoeiend, zeker als je de hele dag niet hebt gegeten, want ’s morgens vroeg voor ze naar het werk gaat eet ze nooit. Ze is laat, want ze had een “lekitimatiebewijs”, zoals moeder zei, op moeten halen.

            Vanuit de verte heeft ze het al gezien, er staan een heleboel mensen voor hun huis. Ze pakken haar fiets aan en duwen haar naar binnen: “Ga maar gauw, Josje, want je moeder is niet goed geworden.” Dat was niet voor het eerst en de vorige keren was moeder er ook altijd weer bovenop gekomen. Aan het bed van haar moeder zit Anneke die sinds drie dagen haar schoon­zusje is, en misschien was die trouwpartij moeder wel teveel geworden. Ook Annekes eigen moeder hadden de tranen in de ogen onder het witte mutsje gestaan toen ze de kerk uitkwam en ze had er een zakdoek bij moeten pakken. Het was ook wat, dat op één dag de laatste twee van je vier dochters trouwden en dat in de oorlog!

“Dag moeder, hoe gaat het?” zegt Josje tegen haar moeder die flets glimlacht en dan weer haar ogen sluit. Moeder was de hele dag onrustig geweest. Ze liep steeds naar de voordeur en zei: “Waar blijft vader toch?”

“Die zal zo wel komen,” zei de buurvrouw dan. Het was heel gewoon dat vader bij goed weer tussen de maaltijden niet thuis was. Moeder was steeds op zoek naar brandhout en liep ook telkens naar het winkeltje.

“Vrouw Weels, u bent al wel drie keer geweest voor een builtje suiker,” zei de vrouw van het winkeltje. Dat waren protestante mensen. En toen moeder terug naar huis wou, wilde ze achterom, langs de oude Gender, terwijl ze normaal goed wist dat het daar met prikkeldraad afgezet was. Terwijl ze naar de oude Gender liep viel ze opeens, op haar zij, alsof ze door een windvlaag van opzij werd omvergeblazen. Zo bleef ze liggen.

            “Moeder, ik val flauw van de honger, ik moet gauw iets eten,” zegt Josje en loopt naar de keuken waar een pan stamppot met worst en een varkenspootje op de kachel staat. Terwijl ze uitgehongerd aan de keukentafel zit te eten, ziet ze door de geopende deur Anneke aan het bed van haar moeder zitten. Ze kan niet stoppen, zo`n honger heeft ze, en ze eet de hele pan bestemd voor vijf personen leeg.

            Nog dezelfde avond sterft haar moeder. Het laatste eten dat moeder voor het hele gezin heeft klaargemaakt, heeft Josje in haar eentje opgegeten. Steeds ziet ze zichzelf daar aan die keukentafel, en door de geopende deur Anneke aan het sterfbed van haar moeder zitten. En ze blijft herhalen: “Maar moeder, hoe kon ik weten dat het je sterfbed was en ik had zo`n honger en ik lust geen paardevlees!”

 “Ze wisten vast dat wij van de grens komen en Duitsers gewend zijn en daarom hebben ze de lelijkste Duitser die ze hadden op ons afgestuurd,” zei mijn broer Leo altijd. De soldaat Knal, die bij ons was ingekwartierd, was inderdaad erg lelijk. Hij noemde zich Flieger Knal, ook op zijn postkaarten naar de Heimat, en hij werkte ook wel op het vliegveld maar dan om aardappels te schillen. Hij werd erg geplaagd, bijvoor­beeld wanneer hij aan de gootsteen uitgebreid zijn ene tand stond te poetsen. We reageerden onze ergernis aan de bezetter op hem af, maar hij bleef er kalm onder, hij deed meestal of hij het niet verstond.

Het moest wel sportief blijven, vond mijn moeder. Een buurmeisje bij ons op bezoek had gloeiend hete thee over zich heen gekregen, men wilde “die Duitser” de schuld geven, maar moeder wist dat dat onzin was en nam hem in bescherming.

Hij was net zo ondersteboven als wij toen zij plotseling overleed. Bij zijn afscheid een jaar later, zei hij het nog: “Die Frau Mutter hat doch immer für mich auch Pappe gemacht.” Of zoiets. En hij sloeg zijn hakken tegen elkaar en zei: “Herr Weels, ik wens u het allerbeste! Heil Hitler!” Mijn vader had kalm aan zijn pijp getrokken en gezegd: “Die beste wensen neem ik graag van je aan, Knal, en geef ik jou ook, maar met die Hitler kun je de pot op.” Knal was gewoon vertrokken.

Het was wel eens moeilijk voor Josje toen er zich in het tweede oorlogsjaar onderduikers nestelden in een hut in het broekland achter hun huis. Met name in verband met Knal. Hij mocht niet weten dat zij hun eten bracht. Zeker moest hij niet net thuiskomen als zij met een lege pan uit het riet kwam. Maar hij was vrij stipt in zijn komen en gaan. Eigenlijk waren de leveran­ciers en leurders, die gewend waren op de gekste tijden ach­terom te lopen en waarvan een enkeling bij de NSB was, veel gevaarlijker. Knal mocht vooral niet merken dat er in huis eten bewaard werd voor de onderduikers, dat bovendien nog vaak uit het patronaat, dus van de Duitsers kwam.

Er zit vanalles hier achter ons huis. Zowel jongens hier uit de buurt als twee broers helemaal uit Drenthe. Meestal zit er wel zo`n man of zeszeven. En allemaal omdat ze niet in Duitsland willen gaan werken.

Een van die jongens uit Drenthe heeft zelfs al in Duitsland gewerkt en is ontsnapt. Hij had in eerste instantie toestemming gekregen om een gek uit zijn dorp, die per vergissing ook via de Arbeidsdienst in Duitsland was terechtgekomen, naar huis te begeleiden. Toen de toestemming werd ingetrokken stapte hij toch op de trein, maar zonder de gek. Als de trein wordt ge­controleerd, wordt het een scène uit een film: een non die de paniek in zijn ogen ziet, geeft een teken dat hij zich onder haar habijt moet verstoppen.

Altijd als hij dat verhaal vertelt, vragen ze niet: “En hoe is het verder gegaan?” want ze zien hem voor zich, dus zal het wel goed zijn gegaan, maar: “En hoe was het onder die rok?” En hoewel ik ook graag lach en natuurlijk ook hierom, moet ik toch altijd aan die gek denken, wat er met hem zal zijn ge­beurd.

            Ze zijn gehaaid genoeg die jongens. Die uit Drenthe zijn niet katholiek en hebben allang geleerd dat ze dat in Brabant niet moeten laten merken, willen ze eten en onderdak krijgen. Want dat is de eerste vraag die bij de boeren opkomt. Daarom hebben ze altijd een rozenkrans bij zich, die ze achteloos uit hun zak laten bungelen of bij een maaltijd uit hun achterzak halen en naast hun bord leggen, omdat ze er niet op willen zitten. Hetzelfde als ze ergens mogen slapen, het zijn gevoelige jongens die niet zomaar op de spullen in hun broekzakken gaan liggen en altijd komt als een van de eerste dingen die rozen­krans te voorschijn.

 “Ik zie het al,” zegt de boer of boerin, “ik hoef verder niks te vragen.”

Dan staat opeens de hut in brand! Ook veel van het riet er om­heen brandt af. Is het verraad? Hebben ze een jonge jongen die het bij zijn NSB-ouders niet uithoudt ten onrechte vertrouwd? Of is de jongen met zijn stoel tegen de kachel in slaap geval­len? De brandweer is er snel bij, met de net nieuwe motor­spuitwagen. Maar ze komt niet verder dan tot aan de oude Gender vlak achter de huizen, die meestal droogstaat en vol rotzooi ligt, vooral van de garage aan de overkant van de Lange Weg. Met spades modder wordt het vuur om de hut heen gedoofd. Ook de politie komt eropaf, en de Duitsers. Omstan­ders proberen de Duitsers nog te laten geloven dat het om een speelhut voor kinderen gaat, maar daarvoor is hij te professio­neel ingericht. De Duitse commandant vindt het naambordje van de hut: “Het Roosje”. Hij vindt het een verdachte naam, waarom weet ik niet.

Die nacht slapen de onderduikers op het zoldertje van onze keuken, waar je alleen van buitenaf op kunt komen. Ze moeten doodstil zijn, want in huis slaapt Flieger Knal. Het is een onhoudbare toestand en iedereen is dan ook blij als het dag is en Knal naar het vliegveld vertrekt om aardappels te schillen en de jongens een andere schuilplaats kunnen gaan zoeken. De Duitsers doen rondvraag in de buurt en blijken alle namen te kennen van de onderduikers die in “Het Roosje” hebben gezeten. Behalve die van Fer, mijn jongste broer. Die werd, hoewel hij ver in de twintig is, zelfs helemaal niet gezocht en is dus voor niets ondergedoken. Hij wordt er hevig om geplaagd.

            De jongen die bij die non onder de rok heeft gezeten ben ik trouwens erg aardig gaan vinden, dus ik hoop maar dat hij niet te ver weggaat. Hij heet Cor.

Cor en zijn broer komen uit Drenthe, uit het veen. Hun vader is een goede turfsteker en aardappelrooier. Hij verdient veel maar drinkt het allemaal op. Tijdens de aardappeloogst houdt hij zijn kinderen, en dat moeten er minstens een stuk of zes zijn, thuis van school en laat ze met hem op het land werken. Maar ook het geld dat de kinderen verdienen zuipt hij op. Hij komt na het werk niet eens naar huis, gaat regelrecht naar de kroeg. Als hij wel thuis is, is het ruzie. In zo`n gezin ben je blij dat je het huis uit kan. Maar het was niet Cor zijn bedoeling dat dat via de Arbeidsdienst in Duitsland zou zijn.

            Josje wil alles van Cor weten. Sinds Het Roosje is afge­brand is hij wel erg ver weg, in de bossen buiten het dorp. Josje vindt het wel spannend, ze vindt alles spannend, ook om daar eten te gaan brengen, maar ze moet met spijt toegeven dat het te riskant is, dat ze makkelijk gevolgd kan worden, en ze stopt er mee.

            Vooral de goedlachse Duitse officier Jozef, die bij haar thuis langskwam vanaf het begin dat Flieger Knal bij hen was ingekwartierd, heeft er een handje van plagerig tegen haar te zeggen: “Waar is Cor toch tegenwoordig?” Josje weet niet goed wat ze aan hem heeft. Hij lacht altijd zo hard dat de medailles op zijn borst rinkelen, maar hij weet de namen van alle jongens die in Het Roosje hebben gezeten, hij moet met de kermis gezien hebben dat de jongens daar ook zijn, hij gooit die avond zijn medailles over straat, maar de volgende dag draagt hij ze weer. En, heeft ze zich laten vertellen, hij brengt dan wel altijd wat voor de familie mee maar pakt toch ook steeds naar de holster van zijn revolver als hij achterom komt lopen.

            De onderduikers gaan gewoon bij de watermolen in de Dommel zwemmen, tussen de kampeerders en dagjesmensen. Hoe meer mensen hoe veiliger. Maar ze spelen ook een spelle­tje met Fer zijn schoen in het water. Daar kan Josje zo kwaad om worden! Het is zo makkelijk om Ferrie in de maling te nemen. Al moest ze misschien geen medelijden met hem hebben, want had hij niet de aansteker die zij van Cor had gekregen verkocht en het geld er doorheen gedraaid? Zou Jozef zo vaak bij hen thuis komen om via Fer wat meer te weten te komen?

“Laat de jongens maken dat ze wegkomen, want er is een zwijn gestolen!” Het is Jozef die naar haar roept vanaf het dak van de sigarenfabriek waar ook Duitsers zijn gelegerd en ze roept terug: “Ja goed, dag Jozef.”

Ze vraagt zich af wat er aan de hand is: is er iemand opge­pakt voor het stelen van een varken en heeft die de schuld aan de onderduikers gegeven, misschien zelfs de plaats van de hut verraden? Of wil de slimme Jozef op deze manier de plaats van de hut te weten komen?

            Het is een prachtige hut, die tweede, in de bossen tussen Steensel en Riethoven, bijna helemaal onder de grond want de bodem is hier niet zo drassig als in het broekland achter hun huis, met raampjes vlak boven de grond en een ontsnappings­gat aan de achterkant. Er hangen kleden aan de wand en ze hebben er zelfs een SS-uniform.

Het oude moedertje had wanhopig een van de onderduikers aangeklampt om haar wat simpele zoon onder te laten duiken, want hij had zich zonder dat zij van iets wist over laten halen om bij de SS te gaan en was plotseling in dat uniform thuisgekomen. Ze was zich doodgeschrokken, had hem het uniform meteen uitgetrokken en hem in bed gestopt tot zij het onder­duikadres had gevonden. Vooral Theo, Cor’s broer maakt veel gebruik van het uniform, hij komt er mee tot in Hilversum om eten te brengen. Josje zegt het vaak: vooral Theo en hun vriend Alex durven alles.

“Het is Jozef!” roepen de onderduikers naar elkaar als ze door het raampje vlak boven de grond de Duitsers recht op de hut af zien komen marcheren. En misschien omdat ze hem zo goed kennen en bij andere gelegenheden wel eens vlak naast hem gestaan hebben en zelfs wel eens iets met hem gedronken hebben, denken ze nu te laat aan vluchten. Behalve Cor.

            “Komm daraus, komm daraus!” roept Jozef al van ver.

            “Het is Jozef!” roepen de onderduikers alsof dat een gerust­stelling is. En inderdaad komt Jozef aan het hoofd van twintig manschappen recht op de hut af marcheren. Maar waarom doet hij dat en roept hij in plaats van de hut stiekem te omsingelen?

            “Waar is Cor toch gebleven?” zegt Jozef plagerig tegen Josje.

            “Smeerlap, je hebt ze zelf laten arresteren,” zegt Josje.

            “We hadden gehoord van een feestje en wij wilden ook naar het feest,” lacht Jozef. Er was inderdaad een soort feestje in de hut waarbij ook onderduikers van elders aanwezig waren. Hoe wist Jozef dat? Ferrie? Zat daar Jozef achter dat Fer niet gezocht werd voor de Arbeidsdienst? Of wist Jozef het toch van degene die het zwijn had gestolen?

            Cor heeft er nog over gedacht om zich ook maar aan te geven nu al zijn kameraden zijn opgepakt en de hut is vernie­tigd. Maar als zijn broer Theo en zijn beste vriend Alex op transport naar Duitsland al bij Venlo uit de trein weten te springen, is hij blij dat hij niet heeft opgegeven. Hij vindt onderdak bij een, vanzelfsprekend, katholieke boer. Hij hoeft niet mee te bidden, ze weten dat hij niet godsdienstig is opge­voed, maar de boerin zegt wel hoe mooi het zou zijn wanneer Cor nog tijdens zijn verblijf bij hen zijn Eerste Communie zou doen. Voor Josje hoeft het niet, hij mag van haar gewoon blijven zoals hij is.

Het blijft een vreemd ding zo`n oorlog, zeker als je jong bent, alles is anders want de Duitsers zijn de baas, maar eigenlijk gaat het leven gewoon door en het is ook spannend, want je voelt je een baldadig kind als je de bezetters een loer kunt draaien. Eigenlijk ben je voortdurend zoals alle jongeren in opstand tegen het gezag maar in de oorlog is dat met toestem­ming van en zelfs aangemoedigd door de ouderen.

            Als je in een café wat te luid zegt dat je viavia hebt gehoord dat het met de Duitsers in Frankrijk niet zo best gaat, komt er zo`n figuur met een lange jas naast je staan en laat zwijgend een speldje achter zijn revers zien.

            “Mooi speldje,” zegt Josje. “Is het te koop?” En de zwij­gende figuur gaat even zwijgend weg.

             Maar als ze op straat voor het café zegt: “Daar is de zoon van de geitenboer die de onderduikers heeft verraden,” wordt ze door de jonge NSB’er in elkaar geslagen. Ook zijn vader is een fanatieke NSB’er, op hun huis staat Nooit Gedacht, en dat staat op veel huizen, maar als de Duitsers de oorlog beginnen te verliezen, wordt daar flink, zij het nog voorzichtig, om gegnif­feld.

            Bij Bergeijk, op de weg naar de grens, staat een Nederlander die soldaat is in het Duitse leger op de meest gekke tijden mensen aan te houden, te fouilleren en op te brengen. Iedereen in de buurt heeft de pest aan hem. De weer ontsnapte onderduikers Theo en Alex nemen hem te pakken en laten hem voor halfdood aan de weg liggen. Het volk, ook de boeren, lacht in zijn vuistje. Het enige dat de Duitsers doen is een avondklok instellen. Dat heeft iedereen er graag voor over. Verder gebeurt er niets, er wordt niemand opgepakt, niemand verhoord. Het lijkt erop dat de Duitsers ook met de fanatieke­ling in hun maag zaten.

            Ik geloof dat ik wel van een beetje sensatie hou, denkt Josje, zolang er met Cor maar niks gebeurt. Eigenlijk is dat maar een lauwe oorlog hier bij ons. Iedereen, de burgemeester, de politie, de ambtenaren, is gewoon op zijn post gebleven. Er is maar een enkeling echt pro-Duits, zoals er blijkbaar ook maar een enkeling fel anti-Duits is. We ergeren ons aan de arrogantie van de Duitsers, spotten ermee, helpen onderduikers, maar er is geen gewapend verzet of sabotage en er worden ook geen mensen vastgezet, gemarteld, laat staan terechtgesteld. Frans de Lepper komt met een geladen revolver bij café van Oers binnen en iedereen schrikt zich rot, want dat had hem wel zijn kop kunnen kosten, maar Frans is een voddenkoopman die van alles weet op te scharrelen, en het ding wordt snel wegge­werkt. Er valt wel eens een klap, maar dat was voor de oorlog ook al het geval. Politieagent Oud had daar altijd al een handje van. Hij slaat mensen recht in het gezicht als ze in de weg staan of geen of een verkeerd antwoord geven, en hij is dat in de oorlog gewoon blijven doen. Burgemeester Van Tuin komt bij je thuis om je over te halen om de Duitse Winterhulp te steu­nen. Maar als je blijft weigeren gebeurt er verder ook niks. En dezelfde vrouw die geweigerd heeft mee te doen aan de Win­terhulp, accepteert wel dat er elke middag zes Duitsers die in het patronaat gelegerd zijn hun boterham bij haar thuis komen opeten.

            Er zijn al heel wat kinderen van Duitsers geboren. Het valt natuurlijk niet goed te keuren, maar wat doe je eraan, vindt Josje, zo is het leven. Die Duitse jongens zijn al bijna vijf jaar hier, vijf jaar lang zijn de meisjes verliefd op ze kunnen wor­den. Onze jongens die in Duitsland moeten werken gaan daar toch ook met Duitse meisjes! Het is natuurlijk niet helemaal hetzelfde maar toch. En daar zijn vast ook kinderen van geko­men. Het is allemaal niet zo eenvoudig, denkt Josje.

Nu de geallieerden al in België staan, is burgemeester Van Tuin opeens ondergedoken. Die wil vast nog als verzetsheld uit de oorlog komen in plaats van als promotor van de Duitse Winterhulp. En Josje heeft ook

Het oude moedertje had wanhopig een van de onderduikers aangeklampt…(pag.26)
gehoord dat de vrouw die geweigerd had mee te doen aan de Winterhulp, maar wel de hele oorlog bij het middagmaal Duitsers in huis had geaccepteerd, dat had gedaan omdat ze een keer in de tuin naast haar een glimp had opgevangen van de volwassen buurjongen, die dus in zijn eigen huis zat ondergedoken. Ze had geacht: daar moeten de Duitsers dus niet gaan eten. En ze had het de hele oorlog voor zich weten te houden, dat van die buurjongen.

Nadat al die geallieerde vliegtuigen zijn overgevlogen en Sas zo ongelukkig is getroffen, hoort Josje dat de eerste Engelse pantserwagen vanuit het zuiden via de noodbrug over de Dommel het dorp is binnengekomen. Als een tank het ook probeert, stort de brug in en kantelt de tank. Het blijft die dag bij die ene pantserwagen die de weg door Sas en om het vlieg­veld heen wordt gewezen, waar hij ten noorden van de stad contact kan leggen met de Amerikanen die daar zijn gedropt.

Maar nauwelijks hebben sommige helden gehoord van de Engelse pantserwagen, of ze hebben een van de dochters van een doodarm gezin, waarvan de vader om den brode bij de NSB was gegaan, uit huis gehaald om haar in het openbaar kaal te scheren. Gelukkig wordt dat door een man met de revolver in de hand verhinderd.

            En dan komen de tanks met daar bovenop Cor vanuit het westen over de Lange Weg Josje tegemoet rijden en probeert Nieuwenhuis nog iets even belachelijks als zieligs met haar uit te halen. Maar dan is de oorlog ook voor haar voorbij.

Anneke

Ze is nu twee jaar getrouwd, bijna even lang als de bezetting duurt, en hij is altijd weg. De meeste klanten die hij heeft komen oorspronkelijk uit Gelderland, net als hij. Allemaal voor werk naar Brabant gekomen.

“Wat ga je doen met zo`n vreemde kerel uit zo`n ver land!” zei haar moeder toen ze zei dat ze verkering had met Leo.

Ze wonen tientallen kilometers verspreid rond de stad, die klanten, soms in kleine achterafboerderijtjes. Het is altijd laat als hij thuiskomt. Dat is niet prettig, zeker in oorlogstijd. Soms zou Anneke willen dat hij een beroep koos waarbij hij gewoon overdag kon werken. Ook al staat dat wat minder dan verzekeringsagent. Op de zijkant van het huis richting stad, boven de kippenren, heeft hij een groot emaillen bord met een dame met hoepelrok en paraplu gespijkerd. Omdat het huis in een bocht ligt is het van veraf te zien. De Duitsers verdenken, waarschijnlijk na aangifte van een NSB’er, hem ervan dat het ophangen van dat bord met “De Eerste Nederlandsche” erop een uiting is van nationalisme. Hij maakt er geen punt van en hangt het bord op van de andere verzekerings-maatschappij waar hij voor werkt: “De Bataafsche”.

“Weten die Duitsers en hun meelopers veel,” zegt hij. Ze krijgen er ook nog wat geld voor van de verzekerings-maat­schappij.

 Ze wou dat hij ’s avonds thuis was, zeker nu het tweede op komst is. En nu opa en opoe gaan verhuizen. Ze ziet zich al ’s avonds in haar eentje met twee kinderen zitten. Als hij thuis is, is hij met zijn administratie bezig of in de hof met zijn planten of met het graven van de schuilkelder.

            Tonnie is al een ruim een jaar en een echt handenbindertje geworden. Ze klimt overal op, zelfs op het aanrecht. Levensgevaarlijk. Anneke kan dat allemaal niet in de gaten houden en voor haar moeder is die kleine rakker te vlug. Opa doet zijn best. Maar hij hoest steeds meer en raakt daar helemaal uitgeput van. Steeds vaker gaat hij het trapje van de opkamer op en kruipt in bed. Anneke maakt zich ongerust, ook voor de kleine. Het is goed dat ze verhuizen. Zeker nu er een andere kleine op komst is.

            Opa proeft van de soep. Mag Tonnie ook wat? Jawel, maar de lepel is nog te vol. Hij zal er eerst wat vanaf slurpen. Tonnie lacht. Dat is een vreemd geluid hè? Eigenlijk is de lepel veel te groot voor Tonniekes kleine mondje. Maar aan de punt gaat het wel. Wat is dat nou? Kan zij ook al slurpen?

            Kijk, daarom maakt Anneke zich zo ongerust. Want haar vader is duidelijk ziek. Er wordt niet over gepraat. Haar vader en moeder praten sowieso weinig met elkaar. Ze heeft zich altijd afgevraagd of ze eigenlijk wel bij elkaar passen. Moeders eerste man is overleden, daar is haar halfzuster Bet uit Sas van. Een van de weinige keren dat moeder een paar zinnen achter elkaar zei, was toen haar zus Saskia en zij op dezelfde dag trouwden en haar zus in Nijmegen ging wonen. De man van haar zus kon hier geen werk meer vinden in de schoenindustrie en daar wel.

“Als je naar Nijmegen verhuist, zie ik je nooit meer,” zei haar moeder. “Dat overleef ik niet.” Gelukkig zien ze Saskia nog regelmatig, dat is erg meegevallen.

Het is een miskraam geworden en hij was er niet bij. Daar was ze al steeds bang voor geweest, dat hij er niet bij zou zijn. Toch kon hij er niets aan doen, want het kwam een paar weken te vroeg.

            Anneke had steeds in haar hoofd het zinnetje zitten: “Als het erop aan komt, ben je er niet bij.” Of dat zo zou zijn wist ze helemaal niet, maar ze was er wel bang voor. Ze wist ook dat ze hem daarmee kwetste, maar omdat dat zinnetje in haar hoofd zat moest het er ook uit, hoe ze zich ook voornam om het voor zich te houden. Ze heeft er meteen spijt van en begint zelf te huilen. Hij komt de hele dag, het is zondag, niet uit de kuil die hij aan het graven is voor de schuilkelder.

Het is doodgeboren, ik wist al een paar dagen dat het niet goed zat, want ik voelde niets meer. Mijn moeder, die nog elke dag uit Sas naar hier komt lopen om met huishoudelijke karweitjes als aardappels schillen en groente schoonmaken te helpen, laat wel eens merken dat ze dan ook niet had hoeven te verhuizen. Mijn ouders wonen nu naast Bet in een van de lage huisjes met rieten dak waarin Bet en haar gezin ook nog gewoond hebben. Ik vond het niet verantwoord om zo`n zieke man als mijn vader in één huis te laten leven met kleine kinderen. Die zijn het meest kwetsbaar, zeker met dat oorlogseten.

            Leo’s zuster Jo en haar man Piet, die zo dicht bij het vlieg­veld wonen, op amper tweehonderd meter, dat ze nauwelijks meer thuis durven te slapen, doen dat nu vaak hier. Hun zoon slaapt verderop aan de Lange Weg bij het gezin van opa Weels. De Duitsers hebben het vliegveld flink uitgebreid en tot een belangrijke uitvalsbasis voor hun jagers en bommenwerpers gemaakt en daarmee ook tot een voornaam doelwit voor de Engelsen. Laten we eerlijk zijn, rond die miskraam kon ik de hulp van Jo best gebruiken, al is ze dan wat bazig.

            Als Leo thuis is werkt hij aan zijn schuilkelder in de hof. Haast heeft hij nooit. De oorlog moet lang duren, willen we er nog iets aan hebben.

Mijn vader is overleden aan tbc. Ik had altijd al een vermoeden dat hij dat had. Hij is maandenlang niet meer uit bed geweest en uiteindelijk doodgegaan in het kamertje waar tot zeven jaar geleden Bet en Toontje hun winkeltje hadden. Nu hebben ze een grote winkel met woonhuis ernaast. Bet heeft ook nog jonge kinderen. Die wonen dan wel niet in hetzelfde huis als mijn vader en moeder, maar toch. Die dokters zouden meer open kaart moeten spelen. Ze doen alsof gewone mensen onnozel zijn.

            Ik heb een foto laten maken van Tonnie met het grote buurmeisje Ineke dat altijd met haar optrekt. Ik liet die foto trots aan iedereen zien en sommigen zeiden “ja mooi” en anderen zeiden heel weinig en knikten en gaven hem terug, tot iemand zei: “Maar Anneke, zie jij dat dan niet? Dat kind is doodziek! Kijk eens naar die ogen en die koortswangen. Dat kind moet naar een dokter!”

            Daar ben ik geweldig van geschrokken, want inderdaad. Misschien had ik het gewoon niet willen zien. Ik ging naar de dokter en ik zei: “Dokter, ik wil weten of mijn kind tbc heeft.”

            “Hoe kom je daarbij, Anneke?” zei hij. “Je hoeft toch niet meteen het ergste te denken.”

            “Ik wil het weten, dokter,” zei ik, “mijn vader had ook tbc en dat hebben we ook veel te laat gehoord en nooit is er wat gedaan om mijn kind daartegen te beschermen.”

            “Rustig maar,” zei hij, “als iemand tbc heeft wil dat nog niet zeggen dat hij ook een gevaar is voor anderen. Daarvoor moet je zogenaamd ‘open’ tbc hebben.”

            Een week later hoorde ik dat Tonnie inderdaad tbc heeft. Ze ligt nu in onze slaapkamer aan het raam zodat ze de straat kan zien want het kan lang gaan duren. Ze vindt het maar raar: die kinderen die altijd buiten spelen. En die zullen het op hun beurt wel vreemd vinden dat zij daar altijd voor het raam ligt. Over een maand wordt ze drie. Normaal had ik haar kunnen aanmel­den voor de fröbelschool voor over een jaar. Zonde dat ze nu net ziek is.

Ik loop alweer op zeven maanden. Jo en Piet wonen al een tijdje bij ons in, want hun huis bij het vliegveld is door de Duitsers in beslag genomen. Ze hadden daar toch weg gemoeten, want sinds de geallieerden in Frankrijk staan, wordt het vliegveld praktisch elke week gebombardeerd.

            We hopen dat Tonnie gauw in het sanatorium kan worden opgenomen. Iedereen verwacht wel dat de oorlog nu vlug is afgelopen. We kijken erg uit naar de geboorte van ons tweede kind. Ik heb het gevoel dat deze keer alles goed gaat. Aan mij zal het niet liggen, daar ben ik van overtuigd. Maar er kan zoveel van buitenaf gebeuren.

            Leo fietst al maanden op houten banden. Dat maakt het hem nog moeilijker om ’s avonds voor spertijd, dat is acht uur, thuis te zijn. Ik heb al een paar keer doodsangsten uitgestaan omdat hij te laat was. Tot overmaat van ramp werd zijn fiets door een Duitse soldaat gevorderd. Toen heb ik hem voor het eerst echt kwaad gezien! Zo boordevol verontwaardiging dat hij niet te houden was. Iedereen waarschuwde hem voorzichtig te zijn, maar hij ging naar de Duitse kommandant, speelde in het beste Duits dat hij als vroegere grensbewoner een beetje kende zo op over zijn Lebensunterhalt!, kranke Tochter! und  zweite Kind auf  Komst!, dat wonder boven wonder hij zijn fiets terugkreeg. Hij vertelt het trots, terwijl hij net als zijn vader aan zijn pijp trekt.

            “Anders waren die moffen nog niet jarig geweest,” voegt hij eraan toe.

            O ja, de schuilkelder is ook al een paar weken klaar.

We hebben ons tweede kind gekregen, een jongen. Alles is prima gegaan. We hebben hem Jan genoemd naar mijn vader Johannes die een paar maanden geleden is overleden. Peetoom is Toontje geworden, de man van Bet, en hij is zeer vereerd.

“Dat heb je goed gedaan, schoon meidje,” zei hij tegen me, “jij laat zien dat je me meer waardeert dan je vader altijd heeft gedaan.”

Jantje is meteen na de geboorte door zijn peettante Jo de schuilkelder ingebracht, want zo hevig als op die dag was het vliegveld nog niet eerder gebombardeerd.

“Er waren verschillende aanvalsgolven,” zei Leo en: “Maar goed dat we die schuilkelder hebben!” Het deed mij in ieder geval goed dat Jantje betrekkelijk veilig was. Maar het blijft vreemd dat je een kind ligt te krijgen terwijl de vliegtuigen over brommen en de explosies en het afweergeschut klinken. En dat je dan eigenlijk ook nog blij bent met die vliegtuigen en die explosies, als ze maar het juiste doel treffen. Tonnie lag toen gelukkig al in het ziekenhuis in de stad. Tot er plaats is in het sanatorium in Tilburg. Ze was te ziek om nog langer thuis te blijven, bovendien zou ik gaan bevallen. Ik ben er blij om, ik neem aan dat de Engelsen geen ziekenhuis bombarderen. Niet met opzet tenminste, maar de andere missers zijn ook vaak fataal geweest. En Leo zegt dat de vliegtuigen altijd uit het zuiden of zuidwesten komen, dus niet over de stad op het vliegveld afgaan, dat is teveel risico vanwege het Duitse afweergeschut dat vooral rond Philips staat. Laten we maar hopen dat het allemaal waar is.

Dit is dus wat ik bedoelde met die missers die voor de bevolking fataal zijn. In de straat en wat verderop in de buurt van mijn zuster Bet zijn in Sas twintig doden gevallen en nog veel meer gewonden. Weer door te vroeg losgelaten bommen van de geallieerden. Wat is dat toch?

            “Dat is angst bij die vliegeniers dat ze getroffen worden boven het vliegveld en dan door hun eigen bommen exploderen,” zegt Leo. In ieder geval is bij Bet iedereen ongedeerd, ook mijn moeder. De hele dag zijn er vliegtuigen over gevlogen, allemaal naar het noorden. Nog een kwestie van een paar dagen, zegt iedereen, ze zijn de Belgische grens al over.

Zo bang ben ik nog nooit geweest! De bevrijders waren er de volgende dag al en gevochten is er hier in het dorp eigenlijk niet. Wel in mijn geboortedorp, vijftien kilometer hier vandaan, ook nog toen wij hier al waren bevrijd.

            Maar wat gebeurde er op de dag van de bevrijding van de stad? De Engelsen stonden midden in Eindhoven en toen kwam, terwijl er de hele dag geen Duits vliegtuig was te bekennen, de Luftwaffe plotseling terug. Er was nog nauwelijks afweergeschut, de bommen treffen de Engelse munitiewagens, tankwagens worden geraakt, er ontstaan hevige branden. Tweehonderdvijfentwintig mensen sterven, om van de gewonden maar niet te spreken. En ondertussen ligt ons doch­tertje daar midden in de stad in het ziekenhuis! Op nog geen honderd meter er vandaan ligt alles plat. Maar het ziekenhuis blijft ongeschonden. De volgende morgen is Leo daar bij Tonnie. Het is er een heksenketel vanwege de honder­den doden en gewonden. Maar Tonnie ligt daar rustig achter glas naar de drukke gang te kijken en vertelt dat er allemaal soldaten naar haar hebben gezwaaid.

            Nu we, met zijn vieren ondertussen, dit alles hebben over­leefd, zal de rest ook wel goed komen. Als er maar gauw plaats is in het sanatorium.

Bet

De oorlog in Sas is de strijd om het vliegveld dat maar een kilometer van de kom van Sas ligt terwijl de gehuchten en eenzame boerderijen er als een gespreide duim en wijsvinger omheen liggen. Het is de oorlog van het begin van de oorlog wanneer de Duitsers het vliegveld bombarderen, van afweergeschut en gesprongen ruiten. En tijdens de bezetting is het de oorlog van de uitbreiding van het vliegveld voor de Duitse jagers en bommenwerpers, van boeren die hun boerderijen en land moeten afstaan, van honderden arbeiders die er tewerkgesteld worden en allemaal moeten eten en waarvan, laten we eerlijk zijn, Bet en Toontje met hun winkel ook een behoorlijk graantje meepikken. Levensmiddelen gaan op de bon.

            Een groot deel van de avond brengen ze met zijn allen door met het opplakken van de levensmiddelenbonnen. Het plaksel maken ze zelf. Plakken en drogen. En de volgende dag brengen ze de bonnen naar het distributiekantoor naast het gemeentehuis. De bonnen zijn gratis maar er wordt toch in gehandeld, de een heeft altijd te weinig en een ander heeft altijd over.

            Midden in Sas zijn in het verenigingsgebouw honderdvijftig Duitse soldaten ingekwartierd. ’s Avonds en ’s nachts moet het absoluut donker zijn, na acht uur mag niemand meer op straat. Maar tot die tijd kan men in de winkel terecht. En ’s morgens om zeven uur weer.

            Met de suiker op de bon wordt het onmogelijk om de stroop te maken die nodig is voor de gazeusebrouwerij. ’t Is misschien een groot woord voor de installatie in de oude stal. Er werd limonade gemaakt, een gazeuse in kleine smalle beugelflesjes, prikkellimonade zoals de kinderen zeggen bij wie hij erg populair is geworden. Bèta’s kinderen helpen mee door aan een groot wiel te draaien. Het is een bottelmachien. Niemand begrijpt precies wat er gebeurt en niemand snapt waarom deze limonade zoveel lekkerder is dan ranja, de met water aangelengde oranje siroop die kinderen bij bijzondere gelegenheden te drinken krijgen. Behalve Toontje dan. Het heeft met de grote cilinder met koolzuur te maken waarmee Toontje de prik in de flesjes weet te krijgen. In huis maakten zij tevoren de stroop door suiker met citroenessence te koken. In de brouwerij werd de stroop in de flesjes gedaan en werd er water en koolzuur aan toegevoegd. Je moest er snel bij zijn om de beugelflesjes op tijd af te sluiten.

De bezetting duurt al bijna een jaar wanneer ik, naar ik aan­neem, mijn laatste kind krijg. Waarom zou je geen kinderen krijgen? ’t Is een rustige tijd en het ziet er niet naar uit dat er voorlopig iets zal veranderen. Bovendien komen bij ons de kinderen nu eenmaal zoals ze komen. Toontje is gelukkig boven de vijftig en te oud voor de Arbeidsdienst maar van zijn maten van de handboogvereniging moeten er heel wat wel naar Duitsland. Ze hebben daarom een groepsfoto laten maken. Laten we hopen dat ze allemaal terugkeren.

            Na twee jaar bezetting komen mijn ouwelui naast ons in onze vroegere woning wonen. Mijn stiefvader is ernstig ziek en aan de Lange Weg verwachtte Anneke haar tweede kind. ‘t Is niks geworden, een miskraam, maar het is toch beter dat hij daar weg is. Hier hebben ze hun eigen woninkje en kunnen we de kinderen er toch een beetje weghouden. Bovendien wonen Toontjes moeder Liesbetje, die al midden tachtig is, en zijn broer Doruske er aan de andere kant naast. Zodat ze altijd bij elkaar kunnen gaan buurten.

             Toontje kon het, toen we een nieuwe winkel hadden laten bouwen, niet laten zijn kleine brilletje op te zetten en voor zijn schoonvader te gaan staan die hem altijd een flierefluiter had gevonden, en te zeggen: “Ben ik nu goed genoeg?”

“Toontje is man geworden,” zeiden de mensen, “toen hij bij de sigarenfabriek werd ontslagen. Dat is het beste wat hem in zijn leven is overkomen.”

            “Zo, en dat gaat hier dan allemaal veranderen,” had Toontje rustig gezegd, toen hij uit de sigarenfabriek thuiskwam en hij zijn moeder Liesbetje op de boomstam was gepasseerd en even naar de drie spelende kinderen had gekeken en naar Bet die al weer dik was van het volgende.

            Liesbetje: het gezicht als een uitgedroogde, gele gerimpelde appel die de hele winter op zolder heeft gelegen, maar met pikzwart haar, geen streepje grijs te bekennen. Ze zit op de boomstam voor het rijtje van drie lage woninkjes met rieten dak. Soms zit ze op een stoel. De timmerman van de overkant heeft aan beide kanten van de straat een paar boomstammen liggen, hij zaagt eraf wat hij nodig heeft. En als ze op zijn brengt een sloffend paard nieuwe, die als de kettingen zijn losgemaakt op de weg ploffen en aan de kant worden gerold.

            Toontje keek naar dingen die hij allang kende, het minus­cule winkeltje met het paar sokken en de fles met zuurtjes, bij wijze van spreken dan, want er lagen nog een paar dingen meer.

            “Als je in die tijd een paar sokken in de vensterbank legde, had je een winkel,” zeiden de mensen.

            “Ja,” zei Toontje altijd, “en als je even niet oplette lag er een kind bij.” Maar dan doelde hij wel heel erg op zijn eigen situatie.

            Liesbetje verkocht wat huishoudelijke artikelen en bijvoor­beeld ook klompen. Maar daarvoor moest in het piepkleine winkeltje een trap die aan ringen hing neergelaten worden, want de klompen lagen opgeslagen op het zoldertje.

            Toontje ging door de lage deur het winkeltje in, waarbij zelfs hij, die toch niet zo groot was, moest bukken. Door een deur rechts keek hij in de kamer met de bedstee en bedacht dat die in vergelijking met zijn eigen slaapkamer opvallend leeg was, want in zijn eigen slaapkamer stond nog een wiegje en een kinderbedje. Ach, het zou ook hier snel vol komen staan, maar deze kamer was toch iets groter. En het was bij de winkel.

            “Moeder,” mompelde hij alvast, “ik geloof dat we eens moeten praten.”

            Moeder Liesbetje kon hem buiten op de boomstam onmogelijk gehoord hebben, maar ze begreep wel wat er aan de hand was, er waren nu drie kinderen en volgend jaar zouden het er vier zijn. Ze had niet gedacht dat het ooit nodig zou zijn. Een jaar of zeventig had ze zichzelf altijd gegeven en ze was nu al drieënzeventig geworden, en dat kon nog jaren zo doorgaan. Als Toontje werkelijk dacht wat van de winkel te kunnen maken dan moest het maar.

            “Doruske moet dan maar naar het andere opkamertje,” zei Liesbetje. Toontje schrok op en zag dat zijn moeder achter hem stond en met hem meekeek. Doruske was Toontjes een paar jaar oudere, ongetrouwde broer die bij zijn moeder was blijven wonen.

            Toontje was ook de verwaarloosde stal ingelopen die aan de achterkant van het huisje met het winkeltje was gebouwd en waar je vanaf de zijkant in kon. Ook hier had hij goed rondgekeken. Al gauw scharrelen er wat kippen rond die vrij het weilandje naast de stal kunnen oplopen, als ze hun eieren maar binnen leggen. Het weilandje is van een paar oude mensen in het boerderijtje aan de andere kant van het weilandje, en die hebben er geen bezwaar tegen dat Toontje er een aantal bijen­kasten op zet en er gras snijdt voor de konijnen die hij aan­schaft, en ook het paardje dat een poosje later in de stal komt te staan mag er grazen. Ze zijn allang blij met de eieren die Toontje af entoe langsbrengt, en de pot met honing vinden ze een lekkernij. Toontje pakt alles aan wat hij maar kan. In een hoek van de oude verwaarloosde stal vindt hij plek voor een varken. En in de stal komt ook de brouwerij.

            Het was of Toontje op zijn veertigste wakker was geschrokken. Hij had dus eens naar de huisjes gekeken en naar iets gevraagd waarmee hij zich tot dan toe niet had bemoeid: “Hoeveel huur betalen wij hier eigenlijk?” En ook bij zijn moeder Liesbetje had hij geïnformeerd. En bij de buren daarnaast, want het was een blok van drie waarin ze woonden en van één eigenaar.

            Hij wist het geld voor de koop van de huisjes te lenen en gebruikte voortaan de huur die hij ontving én de huur die hij zelf betaald zou hebben om zijn schuld af te lossen.

            “Dat kan zo niet langer,” had Toontje gezegd, alsof hij inderdaad door het ontslag wakker was geschrokken en een ander mens geworden. Hij had dan wel met zijn moeder Liesbetje van woninkje gewisseld en had daarmee wat meer ruimte gekregen, maar praktisch elk jaar kwam er een kind bij. Als het vierde wordt geboren, slaapt zijn oudste dochter van zes bij Bet’s ouwelui die dan nog niet aan de Lange Weg wonen maar in de Polderstraat op de rand van Sas en het Dorp aan de Lange Weg. En Mart van drie slaapt op het opkamertje bij ome Doruske in het woninkje van Liesbetje.

            Toontje had naar het weilandje naast zijn huisje gekeken en naar het boerderijtje aan de andere kant van dat weilandje. Hij leek de afstand te meten.

            En toen de huisjes zijn eigendom waren en het geld alsmaar groeide in zijn broekzak, nam hij een hypotheek en maakte plannen om van het geld een winkelwoonhuis te bouwen op het weilandje naast zijn oude huisje. Het weilandje, dat bij het boerderijtje aan de andere kant hoorde, kocht hij voor een appel en een ei. De oude mensen die nog in het boerderijtje woonden, gebruikten het al jaren niet meer en waren alleen maar blij met de extra zakcent.

            En een paar jaar later stond er inderdaad op het weilandje, dat geen weilandje meer was, een winkelwoonhuis waarin alle zes kinderen, ook de twee dus die ondertussen geboren waren, thuis konden slapen, en waar je ruim met paard en wagen omheen kon rijden.

Ik zit al jaren met mijn been. Vanaf de geboorte van de derde, ik weet het nog precies. Het bleef dik. Als je er een vinger in duwde, bleef er een put in zitten.

            Toen stootte ik het aan de punt van een van de koekblikken die opgestapeld stonden in de nieuwe winkel. Ik krijg het koud als ik er weer aan denk. De wond ging niet meer dicht. Het been bepaalt de rest van mijn leven.

            Het stinkt en het doet pijn. Ik heb zin om het iemand onder de neus te duwen. Omdat ik er zo de pest in heb.

            “Hier, geniet er ook maar eens van.”

            Dat zeg ik niet. Maar ik klaag en zeur wel en laat het iedereen zien. Een beetje medeleven kan ik wel gebruiken. Wat die stank betreft, als een van de jongens zijn voeten staat te wassen in de keuken ruikt het evenmin lekker. Om het er maar niet over te hebben dat we, bijna vanaf het begin dat we ons eerste winkeltje hadden, ook vis verkochten en uitventten vanuit de keuken. Met klachten over stank moeten ze dus bij mij niet aankomen.

Mijn stiefvader gaat dood aan tbc in het kamertje waarin wij ons winkeltje begonnen nadat Toontje met ontslag uit de sigarenfabriek was thuis gekomen. Hij zei altijd dat hij graag lang genoeg zou willen blijven leven om te weten wie uiteindelijk de oorlog zou winnen, maar dat heeft hij dus niet gehaald.

We zijn nu al vier jaar door de Duitsers bezet. Het wordt weer onrustiger op en rond het vliegveld. Terugkerende Duitse vliegtuigen laten voor de landing midden in de nacht twee brisantbommen vallen in onze straat. Alle ruiten in de buurt sneuvelen, er is een enorme schade aan vee en huizen maar er zijn alleen wat lichtgewonde mensen. Maar het is nu vooral de oorlog van de bommen van de geallieerden. Ook hun bommen komen vaak buiten het vliegveld terecht, de schade is groot, er wordt veel vee gedood maar onder de bevolking vallen geen doden.

            Tot op de eerste dag van “Operatie Market Garden”. Duizenden vliegtuigen komen die dag vanuit Engeland over de Kempen en werpen hun bommen, materieel en manschappen af. Het is een mooie zonnige zondagochtend, het luchtalarm is al een paar keer afgegaan. Tijdens de hoogmis verschijnen de eerste groepjes Amerikaanse bommenwerpers, “Vliegende For-ten” genaamd, begeleid door jagers boven ons dorp. Doelwit is ongetwijfeld het vliegveld. Ze weten blijkbaar niet dat de Duitsers daar al weg zijn. Na een bombardement door de geallieerden begin september, waarbij opnieuw veel woonhuizen zwaar worden beschadigd, besluiten de Duitsers de vliegbasis op te geven. Dagen- en nachtenlang zijn er de explosies en is er de zwarte rook en de stank van de gebouwen, startbanen, gevorderde huizen en munitie die door hen werden opgeblazen. Overal in Sas zijn ruiten gesprongen en zijn de pannen van de daken gevlogen. Maar de geallieerden weten blijkbaar van niks. En als zo vaak laten ze hun bommen te vroeg los. Twintig doden en veel zwaargewonden. Hoofden en ledematen van mensen liggen verspreid over straat bij ons huis. Ons twaalfjarig zoontje Hans dat nieuwsgierig het huis uit is geglipt, wordt door partizanen naar binnen gejaagd. Hij heeft de klink aan de binnenkant van de kelderdeur net losgelaten wanneer er aan de andere kant een granaatscherf op slaat. Was hij een seconde later gekomen, was hij minstens zijn hand kwijt geweest. Ik ben net met veel moeite met mijn been beneden geraakt als hij zowat bovenop me valt. Ik ben kwaad omdat hij naar buiten is gelopen maar ik ben toch vooral blij dat hij er is.

            Engelse tanks, met op de voorste dokter Wouters die geen bed gezien heeft vanwege de doden en gewonden, komen een dag later vanaf de stad Sas binnen rijden. Ik haal opgelucht adem, ik hoef niet meer met mijn been de kelder in.

Maar Anneke, zie jij dat dan niet? Dat kind is doodziek! Kijk eens naar die ogen en die koortswangen.(pag.35)

De Vrouwen van de Eerste Huizen

“Wat één ding betreft kan ik je wel helpen,” zegt Hanna Bosmans. “Jullie hadden op het eind van de oorlog wel een schuilkelder in de tuin. Het heeft de hele oorlog geduurd voor het zover was, als hij thuis was zag je Leo altijd graven. Ik mag zeggen dat ik hem aardig ken, want ik kom zelf ook uit Gelderland, en hij was niet een van de vlotsten maar wel altijd bezig, meestal met zijn verzekeringen en anders in zijn hof.”

            “Ja, hij keek nooit op als je voorbijkwam,” zegt de oudste dochter van Meijer met haar zware stem.

            “En als je naar hem riep, keek hij met tegenzin,” zegt Hanna Knietel die heel vlug praat en een beetje sproeit. “Alsof hij bang was dat je bleef staan om een praatje te maken. Nou, denk ik dan, ik ken wel gezelliger mensen om een praatje mee te maken. Maar je wilt toch ook niet voorbijlopen zonder iets te zeggen, of wel soms? Dat deed je toch zeker niet in die tijd!”

            “Maar voor jouw tante Josje haal je wel wat naar boven,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen. “Ze vraagt zich af of jij weet dat ze met haar kinderen nog wel eens naar de krater is gegaan waar de tweede onderduikershut is geweest en waar de onpeilbare Duitse officier Jozef handgranaten in had laten gooien. Ja hoor, wel nadat iedereen eruit was.

            Over de sfeer in die oorlog zegt je tante Josje dat we niet veel op hadden met de Duitsers maar dat er toch meer kinderen van Duitsers dan van Canadezen zijn geboren, hoewel die plaatsten de naam hadden. Ze blijft zeggen: zo is het leven. Als het haar dochters geweest waren die een relatie met een Duitse jongen hadden, zou ze erover gepraat hebben en gezegd dat het beter was van niet, maar ze zou het niet absoluut hebben verboden. We kunnen je trouwens alvast verklappen dat we het trouwboekje van je tante Bet en je oom Toontje hebben gevonden. We lachen ons rot.                                           

Na de oorlog

De tegengestelde beweging

Ze kwamen uit hun schuilplaatsen te voorschijn. Uit hutten, schuren, van zolders, en sommigen uit een geheime plaats in hun eigen huis. En vooral de laatsten deden een beetje schutterig en lacherig, alsof ze zich moesten verontschuldigen dat ze niet verder weggeweest waren en waarschijnlijk niet belangrijk genoeg, anders hadden de Duitsers wel serieuzer gezocht. Ze aarzelden eerst nog, de onderduikers, en keken veel om zich heen, ze konden niet geloven dat de Duitsers weg waren.

            Ook kwamen de eerste arbeiders terug uit Duitsland en die vertelden dat ze het goed gehad hadden en blij waren niet te zijn ondergedoken. Al die spanning! En ze arriveerden vrijwel gelijk met diegenen die maanden eerder tijdens een bombardement van de geallieerden ergens in Duitsland ontsnapt waren en nu eindelijk na een lange barre tocht via Zwitserland, Frankrijk en België thuiskwamen, en ze zeiden tegen deze ontsnapten dat die maar beter hadden kunnen afwachten, want dat ze dan, net als zijzelf, gewoon op de trein hadden kunnen stappen. Zo wist je nooit wanneer je het nu eigenlijk goed deed. En hier waren degenen die voor de Duitsers gewerkt hadden het volkomen mee eens.

            Wij kwamen dus uit onze schuilplaatsen. Voor zover we ons schuil gehouden hadden natuurlijk, want de meesten van ons waren gewoon doorgegaan met leven op dezelfde plaats en bijna op dezelfde manier als we dat voor de bezetting deden. Bijna… Want we kropen toch uit onze schulp, we hadden ons onder de Duitsers toch gedeisd gehouden, want je wist het maar nooit met ze. Behalve dan diegenen die partij voor de bezetters hadden gekozen, die kropen nu op hun beurt in hun schulp. Kortom, er waren veel tegengestelde bewegingen. De Duitsers trokken weg, in oostelijke richting, terwijl ze opnieuw onze fietsen meenamen, zoals ze dat ruim vier jaar daarvoor gedaan hadden in zuidelijke richting. Maar toen waren er genoeg Duitsers achtergebleven om ons onder de duim te houden.

Cor’s vrienden kwamen uit de bossen waarin ze zich verborgen hadden gehouden nadat ze een paar maanden eerder bij Venlo uit de trein naar Duitsland waren gesprongen.

            De Duitse soldaat Weebe, die de Lange Weg had moeten bewaken maar die ondergedoken was, kroop uit de aardappelkelder van de familie Beentjes en werd als een held onthaald en zou nog jaren met zijn vrouw de achterkant van een van de huizen van de familie Beentjes bewonen. Tot hij weggepest werd bij de weverij, waarbij degene die op zijn baan uit was niet aarzelde om het Duits zijn van de heer Weebe en zelfs het Duitse jood zijn van mevrouw Weebe in de strijd te gooien. Maar dat is al weer tien jaar na de oorlog, als Weebe zich van lieverlee genoodzaakt ziet terug naar Duitsland te vertrekken.

            Burgemeester Van Tuin liet zich, toen hij weer opdook, als een verzetsheld eren omdat hij vlak voor de bevrijding was ondergedoken nadat hij de andere vier jaar van de oorlog gewoon op zijn post was gebleven en persoonlijk de mensen thuis had opgezocht die weigerden mee te doen aan de Duitse Winterhulp. Hij zou nog tot ruim vijf jaar na de oorlog burge­meester blijven, zoals hij dat twintig jaar voor de oorlog en ruim vier van de viereneenhalf jaar in de oorlog was geweest, en hij zou zich weer dezelfde privileges toe-eigenen die hij zich altijd had toegeëigend, zoals jagen op tijden waarop en op plaatsen waar dat voor anderen verboden was en zoals met zijn motor over het betonnen fietspad rijden omdat dat minder hobbelde dan over de keien van de Lange Weg.

            Tegengestelde bewegingen dus. De Duitsers weg en wij die te voorschijn komen en de Canadezen die onze huizen, danszalen en meisjes binnendringen, zoals sommigen van onze jongens, ongetwijfeld jaloers, het uitdrukten. Zo was daar het meisje uit de woning die aan de jongensschool was gebouwd, dat daar jarenlang ziek achter het raam aan de straatkant had gelegen en waar nu de ene Canadees na de andere door het open schuifraam naar binnen kroop, recht in het bed en onder de lakens. Waar het meisje wonderbaarlijk van opknapte, zo zelfs dat het een stevige stoere meid werd die trouwde en in de grote tuin achter de school met groot gemak spreeuwen schoot en zonder boe of bah een Vlaamse gaai neerhaalde, iets wat ze ongetwijfeld ook van de Canadezen had geleerd. En de vader die altijd met de schooljongens overhoop lag, al was het maar over een bal in zijn tuin, en die met Leo Weels op de bouw van het klooster heeft gewerkt en ook uit Gelderland komt en zich daarom misschien wel een beetje vreemd uitdrukt, werd stie­kem uitgelachen als hij over zijn dochters sprak als zijn ‘zeven reine leliën’. Maar niemand lachte hem uit toen een van zijn ‘zeven reine leliën’ zich verdronk in de Dommel, want zoiets wens je geen enkele ouder toe. Wel was men van mening dat de oudste jongen in huis, die volgens velen van onduidelijke afkomst was, als een soort slaaf werd behandeld en vond men het ongehoord dat het wonderwel opgeknapte zieke zusje, dat dus eerst sloom en wezenloos was en nu actief en bazig, hem met de windbuks door zijn pet schoot.

            Maar dit laatste terzijde. Ook Cor heeft dus zijn onderduik­adres bij boer Spek kunnen verlaten.

Josje

Ferrie is er op de dag dat de Engelse tanks over de Lange Weg het dorp binnenkomen al vroeg met mijn fiets vandoor. Hij wil zoals gewoonlijk overal tegelijk zijn. Hij eet ook alles achter elkaar en door elkaar wat de bevrijders hem aan chocola, ander snoep en blikvoedsel toewerpen.

            “Daar ben ik mooi klaar mee,” zeg ik. “En je stinkt ook nog,” zeg ik. Mijn hele fiets zit onder, het is zo dun dat het door zijn broekspijpen op de trappers en de kettingkast is gelopen. Zo komt hij thuis. En als alles schoongemaakt is, gaat hij er opnieuw met mijn fiets vandoor en heb ik mijn fiets nooit meer teruggezien. Ik verdenk hem ervan dat hij hem verpatst heeft, zoals hij de aansteker die ik van Cor heb gekregen ook verpatst heeft. Maar ik kan nooit lang kwaad blijven op mijn jongste broer, want hij is nu eenmaal zo.

            Hij was al zestien en ik twaalf toen we uit Gelderland naar Brabant kwamen en toch had ik het idee dat ik voor hem verantwoordelijk was, altijd op hem moest letten. Natuurlijk was ik het niet alleen, er was ook Ria van veertien en ook Leo, die al een paar jaar eerder naar Brabant was vertrokken en bij ons kwam wonen tot hij met Anneke trouwde. Harry ging toen net in militaire dienst.

            Ik zie ons nog met onze ouders in die oude vrachtauto stappen die mijn broer Peer, die erg handig was, had opgeknapt. Peer, die al getrouwd was, bracht ons ook, met ons hele hebben en houden, veel stelde het niet voor. Als laatste sprongen de honden op de auto.

            We kwamen in een leegstaand sigarenfabriekje aan de Lange Weg te wonen, de Gender liep er vlak achter en de ratten schoten weg op de binnenplaats. Het was maar voor kort, we kregen al gauw een huis in de Kerkstraat, maar na een paar jaar trokken we in dit huis aan de Lange Weg naast het voormalige sigarenfabriekje waarin ondertussen al weer andere Gelderlanders woonden.

            In de Kerkstraat had Leo een kamertje waar hij de administratie van zijn verzekeringswerk deed. Hij heeft de deur op slot. Moeder staat voor de deur te smeken om haar wat van het verzekeringsgeld te lenen voor het huishouden.

            “Leo?”

            “Ja, wat is er nou weer!” Hij weigert zoals altijd, doet de deur niet open.

            “Verrekte kerel,” zegt moeder en sloft weer weg.

            Moeder had altijd geld nodig, maar als ze dan een worst of een brood had gekocht, gaf ze die ook meteen weer weg. Een buurmeisje dat door een ziekte erg dik was, kreeg wel eens wat en Leo zei dan: “Moet jij die dikke nog dikker maken?”

            Mijn moeder was veel te goed. Ik mis haar nog steeds en moet nog vaak aan haar dood denken.

Harry zagen we in de oorlog niet vaak thuis. Hij moest in verband met de arbeidsdienst uit handen van de Duitsers zien te blijven, hij zat een tijd ondergedoken in Drenthe, terwijl Cor en zijn broer uit Drenthe juist weer hier in Brabant ondergedoken zaten. Harry slachtte illegaal bij de boeren in de omgeving. Tot het fout ging en hij in concentratiekamp Vught terechtkwam. Of hij daaruit ontsnapt is of dat ze hem hebben vrijgelaten, weet ik niet, hij kwam er in ieder geval vel over been uit. Nu is hij druk met het opbrengen van collaborateurs. Als hij thuis komt, moet een van ons aardappelen voor hem bakken, want hij eet niets anders dan gebakken aardappelen, nauwelijks vlees. Vreemd voor een slager, zou je zeggen.

            Ik maak me weer eens ongerust over Ferrie. Hij reed eerst rond in een Rode Kruiswagen. Goed, dat is zijn werk. Maar nu heeft hij het voor elkaar dat dokter Wouters in de Rode Kruiswagen rijdt en hijzelf in de auto van de dokter. Zo schijnen ze allebei goedkoop aan benzine te kunnen komen. En Ferrie vindt het natuurlijk prachtig in een luxe auto te kunnen rijden. Maar dat is niet waar ik me het meest ongerust over maak. Hij is stapelgek op een mysterieuze vrouw die opeens is opge-doken en die alleen Engels spreekt en van iedereen geld leent. En nu willen ze nog gaan trouwen ook. Het ergst vind ik nog dat ze zo vaak bij ons op de meisjeskamer blijft slapen. Ik vertrouw haar voor geen cent.

“Wat ben je onrustig,” zeg ik. “Een vrouw van de wereld als jij.” Ik praat Engels maar slecht Engels, eigenlijk gooi ik er alleen maar zo nu en dan een woordje min of meer Engels tussendoor, zoals iedereen van wie ze geld geleend heeft en die ze toch heel goed duidelijk heeft kunnen maken wat ze wil. En ze verstaat me prima, weet ik, al doet ze net of ze niets verstaat als we onder elkaar praten en dat woordje Engels er niet tussendoor gooien.

            “’t Is vast niet je eerste huwelijk,” zeg ik. “Waarom moet jij nou nog zenuwachtig zijn? ’t Is maar met een boerenpummel dat je vandaag trouwt. Wil je soms helpen om alles voor de plechtigheid in gereedheid te brengen? Nou, dat is al lang voor elkaar hoor. De rode loper ligt al vanaf het hotel dwars over straat naar de kerk aan de overkant. Moet je soms ergens anders voor weg?”

            Dan zegt mijn zus Ria: “Ik ben het die weg moet. Ik moet naar de mis maar ik kan niet want ik heb vreselijke buikpijn.”

            “Je hebt straks meer dan mis genoeg,” zeg ik, “als deze deftige dame hier met onze onnozele broer in het huwelijk treedt. Dat wordt een plechtigheid waar dat vroegmisje van jou niet tegenop kan.”

            “Je begrijpt het niet,” zegt Ria. “Die mis straks is er een voor haar en onze broer. Die van nu is er een speciaal voor mij, een Maria-mis. Ik heet Maria, weet je nog?”

            “Zal ik voor jou gaan?” zegt de deftige Engelse dame gretig. “Ik kan op zo`n dag wel wat extra gebeden gebruiken.”

            Ze zegt het in het Engels en wat simpeler, we begrijpen het prima. Zowel zij als mijn zus gaan elke dag naar de kerk, mijn zus lijkt geen betere vervangster te kunnen treffen. En zo geraakt de aanstaande bruid toch de deur uit en leent in de gauwigheid even mijn hoed en sjaal.

Maar een paar maanden later vind ik haar, de Engelse spionne zoals ze wordt genoemd, én mijn hoed en sjaal terug op het politiebureau. Ze ziet er goed uit, slank, en ze spreekt nu opeens vloeiend Nederlands. Ik sta daar samen met ons melkboertje in zijn grijze melk-boerenjasje en op zijn klompen, van hem heeft ze namelijk ook geld geleend. Ik ben een van de weinigen van wie ze geen geld geleend heeft, alleen maar een hoed en een sjaal. Waarom ben ik daar dan? Toch niet voor die hoed en sjaal. Ik had gehoord dat ze in Amsterdam was opgepakt en in Eindhoven vast zat wegens oplichterij. Ik wilde haar gewoon eens zien in haar huidige situatie en haar nog eens vertellen dat ik haar nooit had vertrouwd en dat ze mijn broer Ferrie lelijk had laten zitten maar dat dat mij niks had verbaasd. Ik was weer eens uit op sensatie, denk ik.

            “Bad boy,” zegt ze als ik over Ferrie begin. Het heeft wel iets, vind ik, zoals ik daar sta met die oplichtster die het allemaal lichamelijk geen kwaad lijkt te hebben gedaan en dat melkboertje dat nog een keer zegt: “En mijn geld?” maar ook wel begint te begrijpen dat hij er naar kan fluiten.

            Vooraanstaande Philipsmensen waren erin getrapt, dus niet alleen onze familie en mensen uit het dorp. Mijn broer Harry die op collaborateurs en spionnen jaagt was er ingetrapt. Zelfs mijn zwager in Gelderland, die net als mijn broer Leo in verzekeringen doet maar op een heel andere manier, en die al heel wat mensen een verzekering heeft aangesmeerd die ze niet nodig hebben en die bovendien niet van de borsten van zijn schoonzusjes kan afblijven. De halve Lange Weg had geld aan haar geleend en we gingen met zijn allen naar het Engelse consulaat om dat geld terug te halen. Veel meer dan de informatie dat ze de identiteit had aangenomen van een Engelse van adel waarmee ze in de cel had gezeten, kregen we niet. Maar ik vond het heel interessant, nu begreep ik hoe ze aan die documenten kwam. Ze kreeg extra voedselbonnen, met een stempel van het consulaat. Ze zou een erfenis uit Engeland krijgen, had ze iedereen verteld, maar eerst moest ze nog…

            Ik had wel te doen met Ferrie. Hoewel ik hem vaak had gewaarschuwd. Hij huilde en jammerde toen ze niet terugkwam uit de kerk. Hij had alles betaald. Daar stond de hele familie op haar paasbest bij de rode loper die dwars over de weg vanaf het hotel tot aan de kerkdeur lag. Ferrie ging zoeken bij de Dommel, hoewel we hoorden dat iemand haar in een auto had zien stappen. Een ongeluk, een vermissing, zelfmoord? Wij zoeken altijd bij de Dommel, dat schijnbaar onschuldige riviertje, maar dat op enkele plaatsen venijnig diep schijnt te zijn, om over de levensgevaarlijke draaikolken in sommige bochten maar niet te spreken. Ook toen Ferrie gehoord had dat ze gearresteerd was, zei hij nog steeds van haar te houden, van zijn geliefde die met haar ogen dicht typte en zeven talen kende. Maar geen Nederlands in de tijd dat ze bij ons thuis kwam.

            Ik moet er wel om lachen. Zoals ik al zei: het meest last heb ik nog gehad van het feit dat ze altijd bij ons op de meisjeskamer moest slapen als Ferrie haar mee naar huis nam.

            Ferrie is er trouwens ook al overheen, hij bracht gisteren achter op de motor vanuit Nijmegen een meisje van zeventien met een heel kort rokje mee naar huis. Daar gaat hij nu, op zijn negenentwintigste, mee trouwen, zegt hij. Ze heeft al bij ons op de meisjeskamer geslapen.

Nu de oorlog voorbij is, blijkt het toch allemaal niet zo eenvoudig, voor mij en voor mijn zus Ria tenminste. Voor Ferrie wel, voor hem was het leven altijd simpel geweest. Hij trouwt binnen de kortste keren met het meisje van zeventien met het korte rokje waar iedereen het over had: hoe ze zo achter op de motor en bij ons op de divan durfde zitten!

            “Dat kan toch niet!” Ria is me achterna gelopen naar de keuken. “Je kijkt door haar keelholte weer naar buiten.” Ze is een beetje vroom en een beetje preuts, mijn zus Ria.

            “Ik kan me er niet druk over maken,” zeg ik, “wij kunnen er toch wel tegen? En ik kan me niet voorstellen dat Ferrie iets ziet dat hij al niet eerder gezien heeft, en wat betreft vader: gun die ouwe ook eens wat!”

            “Ik geef die twee zes weken,” zei een buurvrouw die er kijk op had. En inderdaad trouwen ze binnen een paar maanden, maar Ferrie is ook al negenentwintig en dan heb je geen zin om lang te wachten, ook al is zij pas zeventien. De baby is een meisje.

            Voor wíj trouwen wil Cor katholiek worden.

            “Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen,” zegt de pastoor. Maar als ik dan zeg: “O, dan word ik maar niks of protestant” – ik weet niet eens wat ze bij Cor thuis eigenlijk zijn – dan is dat ook weer niet goed, het mag blijkbaar maar één kant op gebruikt worden. Voor mij hoeft het niet, voor mij mag hij blijven zoals hij is, maar katholiek worden maakt het trouwen en de discussie in de familie wel eenvoudiger. Er gaat wel weer een tijd overheen voor Cor genoeg weet over het geloof om toegelaten te worden. Nou, als ze mij al die dingen zouden vragen, zou ik ze ook niet weten, dus wat doet die pastoor nou allemaal moeilijk. Het gaat er toch om hoe je vanbinnen bent, of niet soms?

            Het is dus allemaal niet zo eenvoudig. Als ik trouw en het huis uit ga, blijft Ria achter om voor vader en het huishouden te zorgen, terwijl zij ouder is en dus eigenlijk het eerste recht heeft om te trouwen. Maar ze wil voor het zover is nog wat van het leven genieten, ze vindt dat ze daar in de oorlog te weinig kans voor heeft gehad. En voor de oorlog was het crisistijd en zijn we van Gelderland naar Brabant verhuisd net toen zij de leeftijd begon te krijgen om uit te gaan. Nee, Ria wil nog een poosje lekker gaan dansen, ze is gek op jongens met zwart haar.

            We gaan altijd samen, zeker als we naar de stad gaan. Het zijn nu allemaal Engelsen en Canadezen in de danszalen. Een Canadees blijft maar “Prommes?” aan me vragen. Ik versta er niks van. Ik vraag aan iemand wat “prommes?” betekent. Dan begrijp ik dat ik had moeten beloven dat hij me zou terugzien. Cor komt daar ook wel, maar vaak wat later. Met hem dans ik ook, maar het gaat toch niet zo goed als met sommige anderen. Ik houd er vooral van om met jongens die dat goed kunnen de Engelse wals te dansen.

            Engelse wals mocht je in de oorlog niet zeggen, je moest zeggen: langzame wals. Maar je versprak je natuurlijk wel eens. Ook liet ik me wel eens iets ontvallen als “Die rot­mof!” en dan stond er weer zo eentje naast je met een speldje achter zijn revers. De Duitse soldaten sloegen gretig, nee niet met knuppels, dat deden ze wel bij andere soldaten of bij dronken Nederlanders die de boel op stelten zetten. Nee, het liefst met de vlakke hand tegen je kont, dat deden ze graag, dat vonden ze zeker lekker. Och, dacht ik dan, het is maar tegen mijn kont, dat gaat wel weer over. Ik hield er nu eenmaal van om een grapje te maken en streken uit te halen. Ria was altijd al serieuzer, maar ze lachte meestal wel als ik iets uithaalde.

            Je kon alleen in het begin van de oorlog nog in het patronaat dansen. Daar dansten ook Duitse soldaten die in het patronaat of bij de mensen thuis ingekwartierd lagen. Ik kwam er een Duitser tegen die iemand kende uit mijn geboortedorp aan de Duitse grens en die me eten bezorgde. Maar daar kregen Ria en ik ook de naam dat we niet met Duitsers wilden dansen. Terwijl we alleen maar geweigerd hadden omdat we net hadden afgesproken om de volgende dans samen te doen. We dansten vaak samen.

            Maar dat dansen was alleen in het begin van de oorlog. Daarna kon je alleen nog in Duitse gelegenheden terecht en daar wilden we niet naar toe. Hoewel ik me voor de rest niet zo bewust was van wat er allemaal gebeurde, ik hield meer van flauwekul maken. Ik had het bijvoorbeeld niet door wat het betekende toen de Duitser Knal, die bij ons ingekwartierd was, zei dat er iets gebeurd was op het vliegveld en eraan toevoegde: “So ein ganz kleiner Judenbengel hat Steine gewor­fen.”

            Vóór de oorlog ging ik nog niet dansen. Vader liet me niet gaan. Bovendien zag ik er een stuk jonger uit dan ik in werkelijkheid was. Dus dansen was er jarenlang niet bij geweest. Je kwam als jongere in de oorlog wel bij Leens Cafetaria. Dat was waar ik voor de deur door de zoon van de geitenboer, net als zijn vader een NSB’er, in elkaar was geslagen. Bij de bevrij­ding heeft mijn broer Harry die bij de PAN, de partizanen, was, de geitenboer opgehaald, deze kwam net met een koe uit de wei. Harry heeft veel collaborateurs opgebracht en waar­schijnlijk daarom dacht vrouw Nieuwenhuis dat hij ook de hand had gehad in de arrestatie van haar man. Ze riep: “Be­dankt, hoor!” toen hij voorbij fietste.

“Niks te danken!” riep hij terug, maar hij wist niet wat zij bedoelde. En ook ik had Nieuwenhuis niet aangegeven, hoewel hij op het vliegveld voor de Duitsers had gewerkt en mij bij de fietstocht naar het werk in de stad vaak getreiterd had met de superioriteit van de Duitsers en zich Neuenhaus noemde en mij bij de bevrijding een kunstje had geflikt. Ik zou dat nooit doen, een vader van zo`n groot gezin, met al die kinderen thuis, ik kan er wel om janken als ik eraan denk. Nee, ik zou zoiets nooit doen. En Harry ook niet. Bovendien was een van de zoons van Nieuwenhuis zelf bij de PAN.

Maar nu kunnen we volop dansen, Ria en ik, we gaan de danszalen af en genieten. Nu, al boven de vijfentwintig, zijn we eindelijk jong. Cor en ik kunnen nog niet trouwen en Ria wil nog geen verkering, laat staan dat ze wil trouwen. We genieten van onze jeugd, van onze lichamen. Ria loopt op zeer hoge hakken, ik heb dat nooit goed gekund, dus doe het met wat minder. Het is de tijd van jurken met blote schouders, van de dunne schouderbandjes, soms wel drie paar, van je jurk, je onderjurk en je bustehouder. BH zei je toen nog niet. Tijdens het dansen vallen de bandjes van je schouder.

            “Bandenpech!” grappen de jongens. We willen onze okselharen scheren, maar we weten dat vader dat niet goed zal vinden. Bovendien schijnt het erg ongezond te zijn.

            Twee jaar lang genieten we. Natuurlijk, we gaan ook naar ons werk en doen het huishouden, zorgen voor vader, en gaan helpen bij onze broers en zusters als er kinderen worden geboren. Dat zijn er veel in die eerste jaren na de oorlog, dat is bekend. En wij waren thuis al met ons tienen. Ik blijf meestal in de buurt, zoals bij Anneke en Leo en bij Harry en zijn vrouw Mia. Ria zit vaak wekenlang in Gelderland. Maar ze probeert toch in de weekeinden thuis te zijn en dan gaan we op stap.

De pret is opeens voorbij als ik zwanger raak. Van één keer! Natuurlijk was het al die jaren niet makkelijk geweest, zeker voor Cor niet toen ons huwelijk steeds uitgesteld werd, maar we hadden het nooit gedaan. Tot er iets in Cor zijn familie gebeurde waardoor hij erg in de put zat, wekenlang. Toen heb ik hem willen troosten. Met het bekende gevolg. Het zou nog niet zo erg geweest zijn als niet heel de familie er doodziek van was geweest. Cor krijgt van iedereen te horen: hoe heb je dat nu kunnen doen! En hij begint dan steevast te huilen. Kortom, een drama omdat iedereen het zo opklopt.

            Het slaat ook over op mij. Het is lente, maar geen vrolijke lente. Het groen is overal onbeschaamd opgeschoten, het is veel te fel groen, bijna blauw. Ik heb een hekel aan mijn lichaam. Ik verafschuw mijn eigen geur. Ik haat het schaamhaar dat uit mijn directoire krult. Wat een naam, directoire, bah, ik kan er niet om lachen. Ik zweet, natte slierten onder mijn oksels. Vooral haat ik mijn dikke buik. Hoe heeft het zover kunnen komen!

            Ik zit bij Cor achterop de fiets en wil eraf springen, recht onder de vrachtwagen die aan komt rijden. Cor voelt het en pakt mijn arm vast.

            “Niet doen,” zegt hij, “ik kan je niet missen, we komen hier samen doorheen.”

            Vanaf dat moment ben ik er eigenlijk overheen. Het zijn niet wijzelf, denk ik, die er mee zitten, het is wat we ons door anderen aan laten praten.

            Alleen juist de preutse en vrome Ria heeft me al die tijd gesteund. Maar door al het gedoe, eerst Ria die eigenlijk vóór mij zou moeten trouwen maar liever nog wat van haar jeugd wil genieten, vervolgens de voorwaarde dat Cor eerst een volwaardig katholiek moet worden, is ons huwelijk wel erg lang uitgesteld. Dan komt ook nog mijn vader te overlijden. Tien dagen na zijn dood trouwen we dan eindelijk. Drie maanden later krijgen we een flinke dochter.

            Als er nog iemand in het Dorp Aan de Lange Weg is die niet weet dat ons huwelijk een moetje is, dan weet die het nu. Want als onze dochter geboren wordt, komt burgemeester Van Tuin – ja, hij nog steeds – haar huldigen, is er feest en natuurlijk een wielerwedstrijd, want ons kind is de tienduizendste inwoner van de gemeente. Hiephiephoera!

En eigenlijk valt er hierna over mij niet meer zoveel te vertellen. Ik krijg in vijftien jaar elf kinderen. Cor is een ideale, geëmancipeerde echtgenoot, al voordat dat woord bestond. We hadden geen kind minder willen hebben. Iedereen blijft gezond en we lachen erg veel in ons grote gezin.

            Het drama waar ik het nog over wil hebben begint in Gelderland, ruim een jaar na de geboorte van mijn eerste kind. Ria is in huis bij een van onze zussen die een baby heeft gehad. Die zus overlijdt aan trombose, tien dagen na de geboorte. Trombose? Iedereen krijgt trombose, wie overlijdt er nu aan trombose! Ik ben woedend.

            Ria blijft plichtsgetrouw het moederloze gezin van zes kinderen ondersteunen. Zo nu en dan komt ze een weekeind naar huis om op adem te komen, huilt bij mij uit en gaat met lood in de schoenen terug naar Gelderland. Haar jeugd is voorbij en de jongens met zwart haar zijn volkomen uit beeld. Toch hoopt ze de eerste jaren nog dat, als de kinderen wat groter zijn, ze weer haar eigen leven kan gaan leiden, want natuurlijk houdt ze van die kinderen die ze nu grootbrengt maar toch…

            Ze helpt jarenlang zo plichtsgetrouw dat haar zwager bij wie ze in huis is gaat denken dat ze het voor hem doet. Ontkennen helpt niet, hij is ervan overtuigd dat hij helemaal aan haar wens voldoet als hij haar ten huwelijk vraagt. Na maanden huilen tijdens de weekeinden in Brabant stemt ze toe.


Als je over de Lange Weg schrijft, kun je niet heen om de Vrouwen van de Eerste Huizen.(pag.18)

            Nog kan ik in janken uitbarsten van medelijden als ik eraan denk hoe op haar eenendertigste het leven met mijn zus aan de haal is gegaan. Ze sterft op haar tweeënvijftigste.

Anneke

Tonnie heeft haar eigen ledikantje moeten meenemen naar het sanatorium in Tilburg. Er is nog aan vanalles gebrek, ook aan bedden. Leo had het al van tevoren met de lijnbus meegegeven, dat wil zeggen eerst uit elkaar gehaald en dan de bodem en de poten en de kanten op elkaar gelegd en op zijn precieze manier met touwtjes aan elkaar gebonden. En de chauffeur kreeg behalve de normale vrachtprijs ook instructies waar hij het af moest geven en bovendien een fooitje. Leo keek de bus na, eigenlijk vond hij dat hij er zelf bij moest blijven wilde het allemaal goed gaan.

            De volgende dag stapten wij zelf met Tonnie en twee kartonnen koffers op de bus. Ze was wel normaal aangekleed en kon ook wel lopen maar ze moest toch veel gedragen worden, ze was gewoon te ziek.

En ik sjouw met Jantje en Rietje, die anderhalf jaar na hem geboren is en Hennie die weer anderhalf jaar daarna geboren wordt, steeds naar het consultatiebureau in het patronaat. Niet alleen voor de normale controle op gewicht en de prikken tegen pokken en mazelen, maar steeds weer om te laten constateren dat geen van de andere kinderen tbc heeft. Hoewel ze er wel mee in aanraking zijn geweest, want het kruisje op hun arm wordt een grote rode vlek, een bult zou je het zelfs kunnen noemen, want het oppervlak is duidelijk verhoogd.

            Maar dat is een goed ding, leg ik aan iedereen uit, die kleine besmetting, want daardoor kunnen mijn kinderen nooit van hun leven meer tbc krijgen. Je kunt die kleine besmetting eigenlijk beschouwen als een inenting tegen tbc, zoals die prikken tegen mazelen en pokken… als de vrouwen begrijpen wat ik bedoel. Zodat het rood opgekomen kruisje bij mijn kinderen eigenlijk beter is dan het niet opgekomen kruisje bij andere kinderen. Want het niet opgekomen kruisje wil weliswaar zeggen dat die kinderen geen tbc hebben, maar dat is maar een momentopname, dat is geen enkele garantie dat ze het niet elk moment kunnen krijgen. Wat niet wil zeggen, zeg ik, dat een opgekomen kruisje altijd iets goeds is, natuurlijk niet, maar in het geval van mijn kinderen wel, snappen jullie? zeg ik.

Leo is nu nog meer van huis. Er is geen avondklok meer die er voor zorgde dat hij meestal voor die tijd thuis was, bovendien gaat hij een keer per week op de fiets naar het sanato­rium in Tilburg. Dat kost een hele dag en die moet voor zijn verzekeringswerk natuurlijk ingehaald worden. Hij zegt zelfs dat het eigenlijk niet in één dag kan, want dat de tijd dat hij bij Tonnie kan zijn dan niet de moeite waard is. Daarom blijft hij het liefst bij zijn neef in Hilvarenbeek slapen. Maar ik weet dat hij, als hij alle tijd van de wereld zou hebben dat ook zou doen, want die neef is een van de weinigen waar hij goed mee kan opschieten. Dus laat hij zich de gelegenheid niet ontnemen om daar eens een avondje te zitten ouwebetten.

            Ik kan niet rondkomen van het geld dat hij verdient met de verzekeringen, ook al hebben we groente en fruit uit eigen hof. Een kind in het ziekenhuis kost ook extra. Elke zondag gaan we samen met de bus die kant op. We hebben dan wel kippen en een paar konijnen, de kruidenier en de slager moeten toch betaald worden, al mag ik dat één keer per drie maanden van de kinderbijslag doen. Leo heeft totaal geen besef wat dingen kosten. Hij telt zijn geld van de verzekeringen en begrijpt niet dat het niet veel voorstelt tegenover wat er allemaal in een gezin als dat van ons wordt uitgegeven. Hij noemt prijzen en zegt: “Dat kan goed een hele gulden kosten”, terwijl het dan bijvoorbeeld wel vier keer zoveel is geweest.

            Maar nu hebben ze hem een varken aangepraat. Hij heeft het alleen nog maar over zult en spek en balkenbrij zoals ze dat vroeger bij hun thuis hadden. Hij vertelt wat ze volgens mij tegen hem gezegd hebben: “Je hebt toch een hof met groente en fruit en daarvan allerlei afval. Rot fruit en rotte aardappels eet het ook, dat vindt zo ‘n beest juist lekker! En die kinderen laten toch ook eten staan wat anders maar wordt weggegooid. Nou, dat eet dat varken allemaal, dat is een soort vleesmachine. Dat etensafval stop je erin en binnen een jaar krijg je er worst en ham en spek voor terug. In één jaar! Wat wil je nog meer! Aan de slager zul jij niet veel geld meer uitgeven.”

            “Je hebt trouwens een broer die het varken kan slachten,” hebben ze tegen hem gezegd. “En je zusters zullen je helpen om het om te zetten in worst en vlees. Het hoeft allemaal niks te kosten.”

            Ik weet het niet: kippen, konijnen, weer een varken erbij. Dat moet toch ook allemaal eten gegeven worden, en wie moet dat doen en wanneer?

            Neem nou het omkeren van de granieten drinkbak van de kippen. Dat moet, want het water is na één dag modder. Die bak moet je optillen en dan omkieperen. Hem langzaam laten zakken, dat lukt je niet, daar is hij te zwaar voor. Maar als hij een beetje ongelukkig uit je handen glijdt, krijg je met een enorme plets de moddergolf recht tegen je aan, midden in je gezicht, om het over je kleren maar niet te hebben. En dan moet het ding weer worden teruggedraaid.

            Wie plukt het gras voor al die beesten? De mensen in de buurt die wat handiger zijn snijden het gras, soms zelfs met een sikkel. Maar voor een scherp mes hoef je bij ons niet aan te komen, laat staan dat we een sikkel hebben. Zelf is hij er door de week niet voor het donker is. Ik ken wel een paar mensen met een varken, we zouden heus niet de enigen zijn, maar ik ken nog meer mensen zonder varken. En waarom moeten wij nou net weer bij degenen mét een varken zijn? God-zal-me-laze­ren!

            Al die beesten die gevoerd worden trekken toch ook weer ongedierte zoals ratten aan. En die hebben we al genoeg gehad of hebben we misschien nog wel. Ik zie hem nog op het hooi­schelfje boven de schuur bezig, helemaal buiten zichzelf, een kop zo rood als vuur, aan de riek in zijn hand een bloedende rat van een halve meter groot. Ze piepten, nee gilden, die beesten, en renden alle kanten op, sprongen naar beneden, waar ik op mijn beurt begon te gillen. En al heeft hij er dan een stuk of vier aan de riek gestoken, waar zijn degenen gebleven die ontsnapt zijn? Ik geloof er niks van dat er één kat in de buurt is die zo`n beest aan kan. Die zitten gewoon te wachten om terug te komen. Als ze er al niet zijn. Hij klimt heus niet elke week op de hooischelf met gevaar van er doorheen te vallen. Ik vind het maar niks al die beesten met die kleine kinderen, ik heb al genoeg te prakkiseren met Tonnie die moet worden geope­reerd. Maar maak hem dat maar wijs.

…zijn hoofd met de hoekige hoge platte pet geheven, zijn pijp als een scepter in zijn hand.(pag. 68)

Bet

Haar vader overleed toen ze heel jong was, haar moeder hertrouwde al gauw en kreeg nog vier dochters. Maar geen zoon die de smederij kon voortzetten. Daarom zouden ze naar Sas verhuisd zijn. Maar zij heeft altijd gedacht dat het om haar was. Dat haar stiefvader zich schaamde om wat haar was overkomen. Hij was een erg trotse man met een tot op het laatst kaarsrechte rug, zijn hoofd met de hoekige hoge platte pet geheven, zijn pijp als een scepter in zijn hand.

Het gaat goed met ons nadat ik zo moeizaam na het bombardement uit de kelder gekropen ben. Behalve met mijn been dan.

            In het begin is nog bijna alles op de bon. Maar de mensen beginnen toch langzaamaan wat geld te krijgen. In ieder geval voor hun eerste levensbehoeften. En daarvoor kunnen ze bij ons terecht. Van ’s morgens voor zevenen tot ’s avonds na elven.

Het hoofddoel van het huwelijk is: kinderen voor God voort te brengen en christelijk op te voeden, staat er in mijn trouwboekje, en daar heb ik me aan gehouden. Ik ben ervan overtuigd dat ze allemaal, van het eerste tot het laatste, christelijk opgevoed zijn. Ook al had ik dat bij het eerste niet zelf in de hand.

            Maar er staat ook: De vrouw moet aan den man onderdanig zijn in alles wat goed en eerbaar is en de man moet door echt christelijke liefde dien plicht veraangenamen.

            Dat was iets waar ik wel wat op had af te dingen. Toontje is geen kwaad mannetje en ik ken hem, vooral vanaf het moment dat we het winkeltje van zijn moeder Liesbetje overnamen, als een harde werker die heel wat bereikt heeft, maar hij heeft zo zijn streken, en bovendien doe ik ook mijn werk. Ik krijg de kinderen, breng ze groot, zorg voor het huishouden en help zoveel mogelijk in de winkel. Dus onderdanig aan mijn man, nou nee. Hij mag me er wel eens mee plagen en ik wil ook wel de reactie geven die hij wil uitlokken, maar dat is het dan.

Er waren ook tegenslagen. Met de brouwerij bijvoorbeeld. Ach, het was gewoon een plek in de stal waar een bottelmachine stond. Maar het werd toch een groot succes. We moesten ermee stoppen omdat de mensen die handige kleine smalle beugelflesjes die Toontje speciaal had laten maken niet terugbrachten. Ze gebruikten die om bijvoorbeeld thee mee naar het werk te nemen. En Toontje had geen statiegeld willen vragen. Zo moesten de mensen de prikkellimonade die ze zo lekker vonden missen door hun eigen kortzichtigheid.

            En er was natuurlijk jaloezie. En niet alleen van de winke­lier verderop, op het pleintje. Er werd geroddeld. De kruide­nierswaren die met paard en kar werden bezorgd, zouden naar vis smaken. Terwijl we verdomme de hele vrijdagavond schrobden en boenden om de kar proper te hebben voor de kruidenierswaren op zaterdag.

            Als de mensen kwaad willen vertellen, kun je er niet veel tegen doen, dat heb ik wel geleerd. Er waren er die wel eens gezien hadden dat er een kat op de viskar sprong. En dat hondje dat er altijd bij was vertrouwden ze ook niet. Nou ja.

            Volgens andere roddelaars dan weer zou Toontje niet kunnen tellen en amper kunnen schrijven. Schrijven had hij inderdaad pas als soldaat geleerd en foutloos zou het nooit gaan – hij schreef bijvoorbeeld luzifers – maar dat was bij de meeste gewone mensen die nog in de negentiende eeuw geboren waren het geval. En tellen kon hij als de beste.

De pijn en de lap om het been die iedereen kon zien maakten mij er niet vrolijker op. Mijn stem werd hard, ik werd ongedul­dig en veeleisend en ergerde me aan mensen die vrolijk waren, speciaal aan Toontje.

            Het was soms of ze ‘t erom deden. Het was zo`n feest waar alle ooms en tantes en neven en nichten aanwezig waren. Wij, ooms en tantes, zaten op een verhoging naast elkaar, aan één kant van een aantal aan elkaar geschoven tafels. Iedereen kon onder de tafel door kijken. Iedereen kon dus ook mijn been zien. Tot overmaat van ramp, bleek achteraf, was er ook nog een foto gemaakt.

            De neven en nichten, en de tantes waren ook niet wijzer, daagden hem dan uit.

            “Oom Toontje, draag een versje voor, zing een liedje.”

            “Doe niet zo gek, Toon,” zei ik dan. “Blijf hier! Kom van die stoel af!”

            En dan lachten ze allemaal nog harder en zweepten hem nog meer op. Het duurde net zo lang tot hij boven op een stoel of tafel stond en zong:

            “Van je remplemplem, van je mosselemem.”

            Het was: “Van je ramplanplan, van je mosselman.” Maar mosselemem was natuurlijk veel leuker. Het was nog een vreselijk lang lied ook. De tantes en nichten pisten in hun broek van het lachen.

Ik was overal met mijn been geweest, in het hele land. Dat had me heel wat geld en tijd gekost. Eerst met de bus, maar vanaf midden jaren vijftig bracht ons Peet me met de auto, als die niet kapot was tenminste. Want dat had je in het begin ook nog vaak met die tweedehands auto’s. Met de kar was geen doen, na tien minuten was ik al geradbraakt.

            Jarenlang hadden ze me naar een kruidendokter in Baarle-Nassau gebracht. Naar gebedsgenezers was ik ook geweest. Toontje deed dat hand opleggen ook, maar mij kon hij niet helpen. Die van ons kon iedereen helpen behalve mij.

            Hij legde zijn ene hand op iemands hoofd en hield de hand van de zieke in zijn andere hand, of legde die andere hand op zijn eigen hart. Hij stond met zijn ogen dicht te prevelen, met die stijve bovenlip, die strakke mondhoeken, waarnaar men keek omdat men verwachtte dat ze zouden gaan krullen, en dat zijn lippen zouden gaan trillen. Als toeschouwer kon men de spanning niet volhouden en begon men opgelucht hard te lachen. En men verwachtte dat Toontje zou gaan meedoen, maar niets daarvan, hij bleef onverstoorbaar, hij keek zelfs niet naar je. Tot hij klaar was en een stap achteruit deed, dan pas keek hij je aan en glimlachte.

            Bij mij werkte het dus niet. En natuurlijk nam ik hem kwalijk dat hij iedereen kon helpen maar mij niet. Misschien lag het aan mij, geloofde ik er gewoon niet in, kende ik hem te goed.

Ik was dus de kelder uit geklommen met mijn been en de koningin was terug in Nederland gekomen met haar bontjas. Toen Toontje iets over haar zei – of was het over de nieuwe koningin die we korte tijd later kregen? – werd hij op zijn gezicht geslagen. Dat was wel eens goed voor hem, zij het niet speciaal dáárom. Maar het was goed dat hij met zijn grote mond wat weerwerk kreeg.

            Toontje zit aan de bar en is het gezwam van zijn buurman over de koningin beu en zegt: “Wat de koningin! De koningin heeft hetzelfde kutje als ons Bet!”

            De man wordt kwaad en slaat Toontje van de kruk af. Toontje krabbelt overeind en zegt: “En het was nog wel be­doeld als een compliment.”

            Maar om hem vanwege de koningin op zijn gezicht te slaan, was natuurlijk onzin. Van mij mocht hij over de koningin zeggen wat hij wou. Hoewel, het was beter als hij zijn grote kop eens leerde houden. Hij moest maar leren dat hij niet overal mee kon lachen. Met mij ook niet.

Mijn stiefvader had me uit zijn trouwboekje voorgelezen, en later wees hij er nog eens op dat in het onze precies hetzelfde stond: Elke poging aangewend om het ongeboren kind, hoe jong ook, te dooden, is poging tot moord en daarom een zeer zware zonde tegen het 5e gebod: ‘Gij zult niet dooden’.

            Een zeer zware zonde is eveneens elke opzettelijke poging, om het hetzij door inwendige, hetzij door uitwendige middelen de zwangerschap af te breken op een tijdstip, waarop de vrucht nog niet buiten het lichaam kan blijven leven (vruchtafdrij­ving).

            Zoiets zou niet eens in me opgekomen zijn. Het was of hij het meer tegen zichzelf zei, hij zat er meer mee dan ik. Hij wilde het absoluut verborgen houden. En daarom, dat bleef ik denken, waren we ook verhuisd. Dat hij geen opvolger had in de smidse, was toch geen reden om te verhuizen! Je kon het hoogstens omdraaien: de smederij was geen reden om te blijven.

Toontje is erg trots op de nieuwe Solex zoals dan nog niemand er een heeft. Hij is de eerste in Sas en in het dorp aan de Lange Weg. Hij gaat nu nog vaker naar Bets zuster Anneke aan de Lange Weg. Iedereen mag de Solex uitproberen. Maar ze weten niet hoe het ding te stoppen, en als dan de motor einde­lijk afgeslagen is, vaak na een botsing of valpartij, durft men er niet meer op en komt te voet terug, wat wel eens een uurtje kan duren. Dan lacht Toontje niet, dan is hij ongerust, zeker als het zijn jonge nichtje Tonnie is dat zo lang wegblijft met de Solex.

            Wanneer hij te lang blijft hangen – als hij aan het buurten is en veel aandacht krijgt en regelmatig een nieuwe kop koude koffie (die speciaal voor hem wordt bewaard) en hij uit zijn zakken stukjes worst en zuurtjes en dubbeltjes uitdeelt aan de kinderen en de worst ook aan de hondjes, verliest hij alle tijd uit het oog – en wanneer het dan al donker wordt moet Jantje meefietsen naast de Solex van zijn peetoom, want in het donker is Toontje zo goed als blind.

Toen ik mankend en een en al pijn op het eind van de oorlog met mijn been uit de kelder geklommen was, had ik me ver­sproken. Ik zei: “Ik heb negen kinderen op de wereld gezet, ’t is mooi geweest.” Maar ons gezin telde acht kinderen. Mis­schien kwam het omdat Mientje toen net getrouwd was en ook in Sas was komen wonen. Misschien kwam het omdat het einde van de oorlog in zicht was en ik daarom aan mijn stief­vader moest denken, en met name dacht: “Dat einde heeft hij dus net niet gehaald terwijl hij zo graag wilde weten hoe het zou aflopen.”

            Ik was ervan overtuigd dat vooral hij degene was geweest die het geheim had willen houden en die ook de hele construc­tie, waarin mijn eerste kind in een ander gezin in ons dorp werd opgevoed en wij naar Sas verhuisden, daarvoor bedacht had. Hij, de trotse eigenaar van een smederij en een van de notabe­len van mijn geboortedorp.

            Door die hevige gebeurtenissen vlak voor de bevrijding had ik aan mijn stiefvader en mijn eerste kind moeten denken en had me versproken. Dat was het vast geweest.

De Vrouwen van de Eerste Huizen

De Vrouwen van de Eerste Huizen hebben het trouwboekje van Toontje en Bet te pakken gekregen en amuseren zich daar blijkbaar kostelijk mee.

     Als het waar is wat hier staat – en ze buigen zich weer lachend over het trouwboekje – dan heeft Bet inderdaad haar taak ruimschoots vervuld. Maar Hanna Bosmans is al weer verder in de tekst en leest over de onderdanigheid van de vrouw aan de man en schatert: “Als die van mij zich hier ooit op zou durven beroepen, krijgt-ie klapjes, dus dat waagt hij niet.”

     “Die van mij ook niet,” zegt de oudste dochter van Meijermet haar zware stem in haar enthousiasme, en ze vergeet even dat ze geen man heeft. Ze kijken elkaar aan die vrolijke vrou­wen, en proesten het uit, en Hanna Knietel wel heel letterlijk.

     Maar de Vrouwen van de Eerste Huizen gaan verder. Omdat ze zelf het eeuwige leven hebben, in dit verhaal in ieder geval, springen ze graag een beetje heen en weer in de tijd, ze staan te popelen om twintig jaar vooruit te springen en het einde te vertellen van het verhaal van Bet:

            Het einde van het verhaal van Bet

Dadelijk zullen ze weten wat haar geheim was. Want ze wilde haar geheim niet mee het graf in nemen, net niet. Ze zullen kwaad zijn, haar kinderen, erg kwaad, om wat er al die tijd voor ze verzwegen is. Maar daarna zullen ze met hun nicht, die hun halfzuster blijkt te zijn en al die tijd bij ze in de buurt woonde, naar de koffietafel gaan. Ze zullen zowat over elkaar heen buitelen met hun uitroepen ‘weet-je-nog-wel toen ik dat zei, als ik toen geweten had’. En Mientje, haar eerste kind, zal haar ogen sluiten, zoals ze dat vaak doet als ze praat, en zeg­gen: ‘Ja, maar ik wist het natuurlijk al die tijd.’ En dan pas zal het tot sommige van haar andere kinderen doordringen dat zij dan wel verontwaardigd kunnen zijn, maar dat zij niet degenen zijn die al die jaren een probleem hebben gehad. Dat probleem had haar eerste, voorhuwelijkse, dochter, en Bet zelf: zij konden zich tegenover elkaar niet als moeder en kind gedragen.

     Bet denkt ook nog aan de grap waarmee Toontje altijd veel succes had en waarmee hij haar steeds weer op de kast kon krijgen, hij zei dan: “Ze mogen op mijn doodsprentje zetten wat ze willen, als het maar niet is: ‘Eens zullen we elkander wederzien.’

     Hij is drie jaar voor haar gestorven, en zij weet niet wat hij op het eind nog geloofde of niet geloofde, maar zij is er niet bang voor dat dat zal gebeuren, dat wederzien. Hoe een mens toch kan veranderen ja.

     Ze ligt te grinniken in de kist want zij voelt haar been niet meer en moet steeds denken aan het slot van het griezelverhaal waarmee je als verteller de toehoorders op het eind geweldig deed schrikken. Zij herinnert zich eigenlijk alleen die dreigend en geheimzinnig uitgesproken laatste zin die eindigde in die uitroep, waarbij de verteller met gestrekte armen in de richting van de toehoorders sprong, wier hart even stilstond. Het verhaal was iets met een zeerover die een goudschat had verstopt in zijn houten been en daarmee begraven was, en iedereen maar in het donker op het kerkhof zoeken naar die schat. En dan klinkt er een stem:

“Het been, het beeeen, het gouououden beeeen, hier HÉB je het been!”

     Die laatste zin hebben de Vrouwen van de Eerste Huizen eerst met langzame donkere dreigende stem ingezet en bij HEB zijn ze tegen elkaar opgesprongen en zijn, ondanks dat ze wisten wat er ging gebeuren en er zelf aan meededen, toch nog van elkaar geschrokken en daarna in lachen uitgebarsten.

En A.M. denkt: als deze dames zo doorgaan wordt het een heel ander boek.

———-

(Einde van het 1e deel van Aan de Lange Weg, dat voornamelijk over Oorlog en Bevrijding gaat en op internet wordt gepubliceerd ter gelegenheid van 75 jaar Market Garden)

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M., 3e, geïllustreerde druk 2009: https://www.boekwinkeltjes.nl/b/105679570/Aan-deLange-Weg-roman-van/ )

(gebaseerd op de verhalen van familieleden, vrienden, buren en dorpsgenoten, waarbij later de historische feiten werden gezocht, zoals:
– het bombardement van Zeelst (in het boek Sas), kerkdorp van Veldhoven, door geallieerden:


De kisten met de omgekomenen worden op weg naar het kerkhof door Zeelst gereden.
En filmpje bevrijding Zeelst: https://www.youtube.com/watch?v=Y6SfYqTUB_4

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *