De mensensmokkelaar van Amsterdam Deel 3 Wordt vervolgd



Wilders of #Baudet of … In DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM komen ze allemaal aan de beurt.
Na de Eerste Wereldoorlog deed een mislukt kunstenaar, met referentie naar eerdere grootheid en Middeleeuws heldendom (Nibelungensagen) en mythologische rimram uit de Oudheid, een beroep op het gevoel van vernedering en op de ondergangsfrustratie van het Avondland der Duitsers… en joeg hen de Tweede Wereldoorlog in; sinds enige tijd hebben de Nederlanders soortgelijke bombast van Thierry Baudet.
Het is opnieuw tijd voor het Derde deel van DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM.

De jonge, veelbelovende politicus in spe, genaamd Theorie, gaat vastberaden door met zijn oplossing van het asielvraagstuk. Van zijn net aangetreden persoonlijke assistent heeft hij al het offer gevraagd om asielzoekers te vertroetelen in een particulier AZC, een PAZC, maar hem ook gevraagd hoe ver deze wil gaan om van asielzoekers af te komen.

In januari van 2017 heb ik voor het eerst in een verhaal verbeeld hoe ver een mens in vreemdelingenhaat kan gaan. De modellen die ik voor ogen had kwaken dagelijks de meest dwaze en walgelijke zaken uit en krijgen daarvoor veel aandacht – niet van mij trouwens – maar zijn nog niet zo ver gegaan als in mijn verhaal. Om ze in de gaten te houden hoeven we niet direct op elke scheet van ze te reageren. Maar we moeten ons wel realiseren waartoe het kan leiden. Daarom opnieuw in afleveringen mijn verhaal.
Hieronder vindt u een link naar de 2 eerdere delen en staat tevens vermeld hoe het als SPECIAL te verkrijgen is. De volledige opbrengst is voor de vluchtelingen van Wij Zijn Hier.

De Mensensmokkelaar van Amsterdam Deel 3

In de dagen hierna wandelden ze veel in het donker rond, ze mochten niet samen gezien worden. Officieel vertegenwoordigden ze elk een totaal andere, een elkaar vijandige kant van het asielvraagstuk. Aan het woord was meestal Theorie. Het leek of hij jarenlang zijn ei niet kwijt had gekund. Verder leek hij Rein als een geweldig klankbord te beschouwen, misschien wel omdat ze zo verschillend zijn. Rein die nog niet zo oud is, misschien 45, maar er uitziet als een ouwe hippie, met staart. Theorie als de nette ideale schoonzoon in pak, 35 jaar oud.
Bij hun wandelingen droeg Theorie meestal een hoed. Hij was te onrustig om ergens te gaan zitten. Ze liepen vaak over kades. Panden die over het water te bereiken zijn hadden zijn bizondere interesse. Ze stonden bij een slachthuis. Het is zo goed als failliet, wist Theorie. We kunnen het zo overnemen. En hier zit nog een bank, maar die banken moeten drastisch inkrimpen, ze zijn één keer gered maar dat zal geen tweede keer gebeuren, ze kampen met een enorm imagoverlies, daar kan geen VVD tegenop. Dus dat gebouw zal binnenkort ook wel leegkomen.
Behalve een verkenning van de plaatsen waar alles zal kunnen plaatsvinden, wilde Theorie deze keer vooral uiteenzetten hoe ze het verdwijnen van de asielzoekers zouden verklaren, hoe ze zullen uitleggen dat ze een veel grotere doorstroming hebben dan de gewone AZC’s. En tenslotte wilde hij aangeven hoe hij de aanvoer in stand wilde houden.
‘Kijk,’ zei Theorie, ‘we zorgen dus voor afvoer. Maar we kunnen de manier waarop niet prijs geven. Komt misschien nog, als meer landen gaan inzien dat het echt niet anders kan. Hoe leggen we dan nu uit hoe wij aan zo’n hoog percentage doorstroming komen, want we blijven natuurlijk nieuw materiaal aanvoeren. Er zijn een aantal mogelijkheden: er verdwijnen er onderweg naar het uitzendcentrum in Ter Apel, de illegaliteit in, er verdwijnen er die bezwijken voor de verlokkingen van de grote stad, die denken hun weg te kunnen vinden buiten het PAZC. Er komen er ook in Ter Apel aan en een enkeling wordt ook daadwerkelijk uitgezet, een enkeling, maar waar het kan moeten we daar gebruik van maken en zo’n gelukte uitzetting ook op ons conto bijschrijven. We houden ons net als de Nederlandse regering van den domme en doen net of we niet weten dat die mensen bij aankomst onmiddellijk worden opgepakt, een kopje kleiner gemaakt of minstens opgesloten.
Maar meer zoden aan de dijk zetten de vrijwillige schijnuitzettingen. We brengen een groepje mensen naar Schiphol, zwaaien ze uit met de pers erbij, maar ze komen nooit bij de gate, via een sluiproute keren ze enigszins vermomd via het station terug naar Amsterdam, trekken hun plan of melden zich aan bij We Are Here en het circuit begint opnieuw. We Are Here of Wij Zijn Hier is een groep van 200 volgens de overheid uitgeprocedeerde asielzoekers die niet terug kunnen. Dat wordt onze eerste doelgroep. Een ander groepje stapt wel op het vliegtuig maar keert met het eerstvolgende vliegtuig terug. We hebben dat met de corrupte autoriteiten daar afgesproken. Met vervalste papieren weten we ze als nieuwe asielzoekers te importeren. Zo houden we de instroom in stand. Natuurlijk zullen er ook bij zijn die met behulp van een beetje zakgeld toch echt naar het land van herkomst willen proberen terug te keren, in de wetenschap dat ze hier kansloos zijn en in de hoop toch aan de autoriteiten in hun land te ontsnappen. Soms denken ze met een paar honderd euro daar een onderneming te kunnen beginnen. Hoop is een vreemd ding. Na wat omwegen komt die bij mensen altijd terug. Als het niet lukt in het land van herkomst hebben ze opeens de hoop dat het de volgende keer hier wel zal lukken en staan ze met wat geluk weer bij ons op de stoep en melden zich aan voor onze ‘procedure’, niet wetend wat die eigenlijk inhoudt. Mensen zijn hardleers, vooral in hun hoop.’
‘Mensen via een mensensmokkelaar terug laten komen naar Europa, ‘ging Theorie verder nadat ze een hen tegemoet komend luidruchtig groepje Marokkaanse jongeren hebben ontweken, ‘is eigenlijk een onbegonnen zaak, kost kapitalen. Goedkoper en effectiever is dan om even een gat in een hek in Griekenland of in de Balkan te laten branden, we hebben daar wel contacten ter plaatse voor. Steeds meer ultrarechtse partijen zien immers in dat een volledige afsluiting averechts werkt voor hun aanhang. Men denkt dan dat het geregeld is, de vluchtelingenstroom is gestopt en de mensen vallen weer in slaap en de traditionele partijen zetten hun traditie voort. Dus even een lek in zo’n hek waar een paar duizend mensen door kunnen, de vluchtelingen daar zelf de schuld van geven en iedereen is weer gefocust. Je moet wat.’
Bij hun afscheid drukte Theorie Rein het boekje ‘De mensenhandelaar van Amsterdam’ in de hand. ‘Hier,’ zei hij, ’verspil geen tijd en lees alleen het verhaal uit de titel. Dan begrijp je waar ik naar toe wil. Berg het boekje goed op. Het zou iemand op een idee kunnen brengen. Ik zorg voor het vastgoed. Denk na over de geheime verbinding tussen PAZC en slagerij. Neem personeel aan voor het PAZC, zorg dat er één persoon is die je vertrouwt en die zorgt voor de levering van PAZC aan slagerij. De rest van het personeel, dat je die persoon laat aannemen, mag van niets weten. Neem een slager aan waarop je blindelings kunt rekenen omdat hij aan je kant staat maar het liefst ook omdat je iets van hem weet. Laat hem het overige personeel van de slagerij aannemen. Komt goed.’ Hij hoorde zichzelf het laatste zeggen en dacht: ik ontkom niet aan de cliché’s van deze tijd, ik heb ook al eens ‘Fijne dag nog’ gezegd. Maar voor de rest verliep alles prima. Hij gaf Rein een warme handdruk, hij had een compagnon!

Wordt vervolgd.

Eerdere afleveringen:
Deel 1
Deel 2

The story in english

U kunt deze uitgave via internet bestellen bij Boekwinkeltje Wonderland
U kunt ook €6,74 (inclusief verzendkosten) overmaken naar NL07INGB0007646016 tnv Meurs A.M. Amsterdam ovv een door u gewenst adres en u krijgt het thuisgestuurd.

Dit is het horrorvluchtelingenverhaal DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM, dat voor het eerst verscheen op 18 januari 2017 in het HetWerk66A, literair kladschrift van Meurs A.M., en dat hier en daar een schok veroorzaakte. Op 18 februari 2017 werd door middel van inlegvellen een Engelse vertaling, THE AMSTERDAM HUMAN SMUGGLER, toegevoegd. Begin 2018 verscheen een special, een gecombineerde Nederlandse en Engelse uitgave, speciaal ter ondersteuning van de vluchtelingen tussen procedures van www.wijzijnhier.org die niets krijgen van staat of stad en evenmin terug kunnen naar hun land van herkomst. Zij spelen een hoofdrol in dit verhaal.
Als schrijver heb ik me ingebeeld wat er kan gebeuren als de vreemdelingenhaters onder ons nog 1 stap verder gaan.
Dat werd, geïnspireerd door het verhaal van Jaroslav Hasek, getiteld De Mensenhandelaar van Amsterdam, mijn DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM.
Zowel het Nederlandse origineel als de Engelse vertaling verschijnen de komende tijd ongeveer elke 3 dagen opnieuw in afleveringen op twitter met een link naar mijn Facebookpagina en naar mijn website. En tja, al begin januari 2017 was het bedoeld als waarschuwing. En dat is het nog steeds.

Net als in de oorspronkelijke uitgave combineer ik mijn verhaal met de hartverscheurende statements van de vluchteling uit Soedan, Hashim, omdat ik de situatie van een vluchteling in Europa en in Nederland nooit aangrijpender zag beschreven.

Bij Hashim las ik, nadat deze in 2016 een eind aan zijn leven had gemaakt, hoe hij, voor het zover was, eerst langzaam intellectueel dood was gemaakt ‘als gevolg van zijn wrede ervaringen en lijden’. Dit, en de manier waarop hij dat beschrijft, ging bij mij door merg en been. Ik kan daar niks aan toevoegen. Ik schreef mijn DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM.

De SPECIAL De Mensensmokkelaar van Amsterdam/ The Amsterdam human smuggler van Meurs A.M. is via internet verkrijgbaar bij boekwinkeltje Wonderland.

Ook verkrijgbaar bij de boekhandels www.Schimmelpennink.nl ,de antiquariaten Fenix Books en Streppel in Amsterdam.
Volledige verkooprijs van €5 voor de vluchtelingen ‘tussen procedures’ van www.wijzijnhier.org die niets krijgen van staat of stad.

Theorie aan het woord: ‘Maar meer zoden aan de dijk zetten de vrijwillige schijnuitzettingen. We brengen een groepje mensen naar Schiphol, zwaaien ze uit met de pers erbij, maar ze komen nooit bij de gate, via een sluiproute keren ze enigszins vermomd via het station terug naar Amsterdam, trekken hun plan of melden zich aan bij We Are Here en het circuit begint opnieuw. We Are Here of Wij Zijn Hier is een groep van 200 volgens de overheid uitgeprocedeerde asielzoekers die niet terug kunnen. Dat wordt onze eerste doelgroep. ‘


Op de dag dat in Koblenz anti-immigratiepartijen bijeenkomen en Wilders in het Duits met ‘Ein neues Europa’ ‘Ein neues Drittes Reich’ lijkt aan te kondigen, wordt het gruwelverhaal gepubliceerd, waarin op het eind een soortgelijke bijeenkomst in Carré wordt gehouden, met een verrassende afloop. Maar leest u eerst het begin… Wordt vervolgd.
Koop de nieuwe, geïntegreerde Nl/Eng special (van 15 jan. 2018) met dit verhaal voor €5 ter ondersteuning van Wij Zijn Hier, de vluchtelingen die niets krijgen van staat of stad, verzending €1,74: Boekwinkeltje Wonderland.
Of haal het voor €5 bij boekhandel Schimmelpennink en de antiquariaten Fenix en Streppel in Amsterdam. Volledige opbrengst voor wijzijnhier.


In aflevering 1 zagen we hoe Theorie een gruwelijk fragment las in het korte verhaal van Jaroskav Hasek , de schrijver van het beroemde boek .


Net als in de oorspronkelijke uitgave combineer ik mijn verhaal met de hartverscheurende statements van de vluchteling uit Soedan, Hashim, omdat ik de situatie van een vluchteling in Europa en in Nederland nooit aangrijpender zag beschreven.
Statements (NL, Eng., Fra, Arab)
Bij Hashim las ik, nadat deze in 2016 een eind aan zijn leven had gemaakt, hoe hij, voor het zover was, eerst langzaam intellectueel dood was gemaakt ‘als gevolg van zijn wrede ervaringen en lijden’. Dit, en de manier waarop hij dat beschrijft, ging bij mij door merg en been. Ik kan daar niks aan toevoegen. Ik schreef mijn DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM.

De mensensmokkelaar van Amsterdam door MEURS A.M. Dl 2 wordt vervolgd

(Hieraan voorafgaand Deel 1)

2

Maar kort daarna besefte hij ook dat hij dat niet zelf kon doen, met zijn reputatie. Hij zou immers een eigen asielzoekerscentrum moeten oprichten, een AZC, maar dan een particulier asielzoekerscentrum, een PAZC, en zo een particuliere bijdrage leveren aan het lenigen van het vluchtelingenvraagstuk. We doen allemaal wat we kunnen, nietwaar? En een met een slagerij erbij. Halal! Pure dienstverlening.
Hij plaatste een advertentie.
Een advertentie voor een directeur van een PAZC met als buur een Islamitische slagerij?
Nee. Want Theorie was ervan overtuigd dat je iemand die solliciteert op een functie pro-vluchteling niet tot het tegenovergestelde krijgt, zeker niet tot het extreme tegenovergestelde, het andere uiterste.
En andersom wel. Zij het niet vanuit het extreme andere uiterste, het vermoorden van vluchtelingen, waar je natuurlijk ook geen advertentie voor kunt plaatsen. Nog niet in ieder geval. Sommigen moeten nog even geduld hebben.
Theorie plaatst een advertentie voor een persoonlijk assistent. Assistent van hem, Theorie, met zijn anti-vluchtelingen-, anti-vreemdelingen- anti-Moslim, anti-Europareputatie. Zo’n sollicitant hoort dan op gesprek dat het tegenovergestelde van hem verwacht wordt als waarop hij heeft gereageerd. Maar denkt toch: hier zit meer achter. Wanneer hij dan ook, na enig nadenken, toch ja zegt maar even later te horen krijgt dat het pro-vluchteling zijn maar schijn is, en hij opgelucht en dankbaar heeft ademgehaald, en dan te horen krijgt dat het er eigenlijk zelfs om gaat om zo snel mogelijk zo veel mogelijk vluchtelingen fysiek uit te schakelen en te doen verdwijnen, dan kan de net nog opgeluchte sollicitant niet meer terug. Aldus de gedachtengang van Theorie.

Dus plaatst hij de advertentie voor een personal assistant. Daar komen enkele tientallen mensen op, de meesten leken de conclusie te hebben getrokken dat hij een lijfwacht zocht en zagen er navenant uit. Een totaal ander type, oude hippie met staart maar dan niet zo oud, een jaar of 45, wekte zijn interesse. Theorie vraagt ‘ Ken je mijn doelstelingen? O.k., prima. Maar heb je daar ook iets voor over? Ik moet je vragen om een heel groot offer te brengen. Namelijk om precies het tegenovergestelde te gaan doen als dat je dacht dat je moest gaan doen. Namelijk, je moet asielzoekers gaan verwelkomen, je moet ze op de stations gaan ophalen, je moet een AZC opzetten, je moet ze daar opnemen en vertroetelen. Wil je dat doen? Dat moet ik eerst van je weten voor ik zeg waarom. Als je niet meteen nee zegt, dan wil ik dat je daar een nachtje over slaapt en morgen terugkomt, dan praten we verder, tenminste als je daar dan zonder meer, zonder te vragen, laat staan te weten waarom, ja op zegt.’
De sollicitant, die Rein heette, zei de volgende dag zonder te vragen waarom: ja. ‘Goed,’ zei Theorie, ‘maar ons doel is om van asielzoekers af te komen. Ik kan je vertellen dat je uiteindelijk toch dat wat je wilde en wat de reden is dat je hier kwam, zult bereiken. De vraag is: Wat heb je er voor over? Je hebt al aangegeven dat je bereid bent je naar de buitenwereld totaal anders te gaan gedragen dan je overtuiging is, en dat je het er voor over hebt als een asielzoekersvriend aangezien te worden. Maar de eigenlijke vraag is: wat heb je er uiteindelijk voor over om van asielzoekers af te komen? Hoe ver durf je te gaan? Ik zeg niet dat het moet, maar ik moet het wel weten: zou je bijvoorbeeld wat in het burgerlijk jargon een misdaad heet, een moord heet, willen doen om van asielzoekers af te komen?
Nu vroeg de sollicitant of hij er een paar dagen over na mocht denken.
Na die paar dagen kwam hij terug en zei: ‘Het is niet gemakkelijk. Ik ben niet gewend dingen te doen tegen mijn karakter, tegen mijn geweten in. Ik heb het heel moeilijk om asielzoekers binnen te halen, om vriendelijk tegen ze te zijn, ze te vertroetelen. Maar ik heb het ook moeilijk ze te vermoorden. Ik ben wel tegen asielzoekers maar ik ben geen moordenaar. Maar ik geloof nu dat het me toch zal lukken, juist door de combinatie van de twee die de tegenstelling tussen die twee opheft. Dat ik eerst zeer tegen mijn aard en zin asielzoekers moet verwelkomen, ze vertroetelen, zal zo’n frustratie, zo’n agressie in me opwekken, dat ik tenslotte dáárdoor in staat zal zijn ze te vermoorden. Dus: Top! Ik doe het!’
Theorie klopte hem op zijn schouder, omhelsde hem. ‘ Ik wist dat ik op je kon rekenen. Ik weet als ik naar mensen kijk wat voor vlees ik in de kuip heb. Dat zal trouwens nog wel eens een uitdrukking kunnen zijn waar we aan moeten denken als ik je de komende tijd verder in zal wijden in mijn plannen.’

(wordt vervolgd)


U kunt deze uitgave via internet bestellen bij Boekwinkeltje Wonderland. U kunt ook €6,74 (inclusief verzendkosten) overmaken naar  NL07INGB0007646016  tnv Meurs A.M. Amsterdam ovv een door u gewenst adres en u krijgt het thuisgestuurd.

Dit is het horrorvluchtelingenverhaal DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM, dat voor het eerst verscheen op 18 januari 2017 in het HetWerk66A, literair kladschrift van Meurs A.M., en dat hier en daar een schok veroorzaakte. Op 18 februari 2017 werd door middel van inlegvellen een Engelse vertaling, THE AMSTERDAM HUMAN SMUGGLER, toegevoegd. Begin 2018 verscheen een special, een gecombineerde Nederlandse en Engelse uitgave, speciaal ter ondersteuning van de vluchtelingen tussen procedures van www.wijzijnhier.org die niets krijgen van staat of stad en evenmin terugkunnen naar hun land van herkomst. Zij spelen een hoofdrol in dit verhaal.
Als schrijver heb ik me ingebeeld wat er kan gebeuren als de vreemdelingenhaters onder ons nog 1 stap verder gaan.


Dat werd, geïnspireerd door het verhaal van Jaroslav Hasek, getiteld De Mensenhandelaar van Amsterdam, mijn DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM.
Zowel het Nederlandse origineel als de Engelse vertaling verschijnen de komende tijd ongeveer elke 3 dagen opnieuw in afleveringen op twitter met een link naar mijn Facebookpagina en naar mijn website. En tja, al begin januari 2017 was het bedoeld als waarschuwing. En dat is het nog steeds.



Net als in de oorspronkelijke uitgave combineer ik mijn verhaal met de hartverscheurende statements van de vluchteling uit Soedan, Hashim, omdat ik de situatie van een vluchteling in Europa en in Nederland nooit aangrijpender zag beschreven. Bij Hashim las ik, nadat deze in 2016 een eind aan zijn leven had gemaakt, hoe hij, voor het zover was,  eerst langzaam intellectueel dood was gemaakt ‘als gevolg van zijn wrede ervaringen en lijden’. Dit, en de manier waarop hij dat beschrijft, ging bij  mij door merg en been. Ik kan daar niks aan toevoegen. Ik schreef mijn DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM.
Meurs A.M.

De parallelle wereld van de rechtspraak

Vrijgesproken!

N.a.v Gilly Emanuels

De wereld van de rechtspraak is een rare, parallelle wereld. Het is niet de echte wereld. In de rechtspraak worden zaken geaccepteerd die dat in de echte wereld niet worden, waar we in de echte wereld onze schouders voor ophalen, omdat het duidelijk is dat maar een deel van de werkelijkheid verteld wordt, dat er maar een bewering wordt gedaan. Maar dat kan in de rechtspraak. En vervolgens ligt de bal weer bij de andere partij. En als die bewering niet duidelijk wordt tegengesproken, wordt weerlegd, blijft die bewering hangen als de geldende waarheid. Zelfs als de bewering wel duidelijk wordt weersproken in de rechtbank, kan deze nog blijven hangen, omdat het weerspreken, het weerleggen minder opvalt, minder sensationeel is dan de bewering zelf.
Zo’n bewering kan een halve waarheid zijn, een onvolgroeide gedachtengang, zoals het geval is met de bewering van de officier van Justitie in de zaak tegen mevrouw Emanuels. Er zou geen sprake zijn van racisme of rassendiscriminatie omdat de handelingen en de scheldwoorden gericht zijn tegen één persoon. Als aan wie het gericht is zou bepalen of het racisme is, dan zou je één persoon nooit kunnen discrimineren. In de echte wereld noem je zo’n bewering een domheid. Dan wordt gezegd tegen het zwarte meisje dat in de VS op grond van rassenwetten niet in de bus mag: ‘Het gaat alleen om jou, jij mag niet op de bus, het is alleen tegen jou persoonlijk gericht en heeft verder nergens mee te maken, en wegwezen nu!’ Het is ook en vooral een leugen dus. Maar die leugen is ook een domheid omdat deze zo doorzichtig is. De domme redenering is dat ‘kankernegerin’, ‘kankerzwarte’ geen racisme is omdat dit niet gezegd wordt tegen alle ‘negerinnen’ of alle zwarten maar slechts tegen één, en dat je dus maar één persoon beledigt en geen bevolkingsgroep. Maar het doet er niet toe of het tegen één of meerdere personen wordt uitgesproken, het gaat erom dat je een als beledigend bedoelde kwalificatie als ‘kanker’ verbindt met ‘negerin’ en ‘zwarte’ en daarmee duidelijk is dat je DE ‘negerinnen’ (op zichzelf tegenwoordig al een kwetsende term), DE zwarten wilt beledigen. Al zou dit helemaal niet geroepen worden tegen een persoon, al zou dit worden geroepen terwijl er helemaal niemand in de buurt is, dan nog is er sprake van racisme. In het geval van mevrouw Emanuels is duidelijk dat men haar wil beledigen, kwetsen in, door en tegelijk met het beledigen van de zwarte bevolking. Zowel mevrouw Emanuels persoonlijk als de hele zwarte bevolking wordt door deze uitlatingen beledigd en gediscrimineerd. Extra zwaar mag tellen dat we uit de geschiedenis én de huidige situatie weten dat de zwarte bevolking de grootste en meest gediscrimineerde bevolkingsgroep ter wereld is.

De mensensmokkelaar van Amsterdam door MEURS A.M. Dl 1

wordt vervolgd

Dit is het horrorvluchtelingenverhaal DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM, dat voor het eerst verscheen op 18 januari 2017 in het HetWerk66A, literair kladschrift van Meurs A.M., en dat hier en daar een schok veroorzaakte. Op 18 februari 2017 werd door middel van inlegvellen een Engelse vertaling, THE AMSTERDAM HUMAN SMUGGLER, toegevoegd. Begin 2018 verscheen een special, een gecombineerde Nederlandse en Engelse uitgave, speciaal ter ondersteuning van de vluchtelingen tussen procedures van www.wijzijnhier.org die niets krijgen van staat of stad en evenmin terugkunnen naar hun land van herkomst. Zij spelen een hoofdrol in dit verhaal.
Als schrijver heb ik me ingebeeld wat er kan gebeuren als de vreemdelingenhaters onder ons nog 1 stap verder gaan.
Dat werd, geïnspireerd door het verhaal van Jaroslav Hasek, getiteld De Mensenhandelaar van Amsterdam, mijn DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM.
Zowel het Nederlandse origineel als de Engelse vertaling verschijnen de komende tijd ongeveer elke 3 dagen opnieuw in afleveringen op twitter met een link naar mijn Facebookpagina en naar mijn website. En tja, al begin januari 2017 was het bedoeld als waarschuwing. En dat is het nog steeds.

Net als in de oorspronkelijke uitgave combineer ik mijn verhaal met de hartverscheurende statements van de vluchteling uit Soedan, Hashim, omdat ik de situatie van een vluchteling in Europa en in Nederland nooit aangrijpender zag beschreven. Bij Hashim las ik, nadat deze in 2016 een eind aan zijn leven had gemaakt, hoe hij, voor het zover was,  eerst langzaam intellectueel dood was gemaakt ‘als gevolg van zijn wrede ervaringen en lijden’. Dit, en de manier waarop hij dat beschrijft, ging bij  mij door merg en been. Ik kan daar niks aan toevoegen. Ik schreef mijn DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM.
Meurs A.M.

DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM

1
Theorie was een vrij jonge, maar wel volwassen man, van zo´n 35 jaar namelijk, die niet wist hoe hij aan zijn naam kwam. Was het ´theorie in tegenstelling tot de praktijk´? Was het zijn moeder die op die manier tegen zijn vader aankeek die haar al voor zijn geboorte in de steek had gelaten? Zijn moeder, die toen het een jongetje bleek dat bovendien nog op de vader leek, zo wraak had genomen? Theorie zei trouwens zelf altijd: ‘ Het is de theorie die de praktijk vooraf gaat en het is de theorie die weer uit die praktijk voortkomt.’ ‘ Jaja, ‘ zeiden zijn toehoorders dan. Of was het gewoon de combinatie van de namen van zijn grootvader aan zijn vaders kant en zijn grootmoeder aan zijn moeders kant? Theo en Rie. Maar dan nog vond zijn moeder het waarschijnlijk een goede grap. Ook zij was uit zijn leven verdwenen voor hij het kon vragen. In ieder geval was Theorie niet tevreden over zijn leven tot nu toe. Wetenschap zat er niet in, rijk worden evenmin, schrijven kon hij niet, andere artistieke aanleg had hij niet, dus hij dacht: ik moet de politiek in. En waar kon je in deze tijd mee scoren? Ja, met rechtspopulisme. En met wat als onderwerp? De vluchtelingenstroom. Haha. De Islam. Haha. Nationalisme, tegen Europa. Haha. Natuurlijk was er al veel op dit gebied, maar hij vond dat hij daar wel een intellectueel tintje aan kon toevoegen. Theorie had namelijk de neiging zichzelf een beetje te overschatten. Hij dacht dat hij origineel was toen hij zei dat het niet genoeg was om te roepen dat er minder vluchtelingen moesten komen, dat de grenzen dicht moesten, dat mensen terug moesten, je moest ook daadwerkelijk aantonen dat jij er voor zorgde dat er vluchtelingen teruggingen, of dat er minder binnenkwamen. Maar dat laatste, en dat vond hij heel slim van zichzelf, die vluchtelingenstroom mocht niet echt stoppen, of hoogstens tijdelijk, want die stroom voedde jouw partij. Je moest als Theorie ook praktisch zijn. Hij noemde zijn partij daarom De Partij voor Theorie en Praktijk, de PTP.

En toen vond Theorie dat citaat. Hij was niet iemand die echt in boekhandels kwam maar in de bakken met ramsj voor de deur wilde hij wel eens rommelen. Voor 1 of 2 euro kon je je immers geen buil vallen. Het was de titel die opviel: <De mensenhandelaar van Amsterdam>. Dat Amsterdam natuurlijk, maar ook dat mensenhandelaar. Mensenhandel, vrouwenhandel, mensensmokkel, actuele onderwerpen. De schrijver van het boek kende hij niet, pas later zag hij dat het ook de schrijver was van <De brave soldaat Svejk>. Van dat boek had hij gehoord maar het had hem nooit aangetrokken. Die Svejk leek hem een sukkel, een loser. Ook dit boek viel al meteen tegen. Het waren verhalen, en één verhaal van maar net iets meer dan 3 bladzijden heette <De mensenhandelaar van Amsterdam>. En dat bleek dan eigenlijk te gaan over de invloed van keukenmeidenromans op het leven van sommige mensen. Dat sloeg dus niet op hem. Maar toen stond er dit:

<In Amsterdam, in een afgelegen straat bij de haven, waar in het water van een gracht in één jaar honderden vreemdelingen verdwijnen, ligt een klein café waarin je kamers kunt huren. In de drankjes voor de gasten, die hier willen overnachten, wordt echter een slaaptablet gemengd en daarna… daarna verdwijnt het bed met de gast door een valluik in de kelders. Een klap, een huiveringwekkende gedempte kreet… Naast het café is een slagerij. Daar wordt het vlees zo goedkoop verkocht en gehouwen, dat de winkel steeds vol kopers is. Het vlees heeft een eigenaardige bijsmaak – daar wordt immers mensenvlees gehouwen! Begrijpt u hoe dat gaat ? In de kelder worden de gasten met een slag van een bijl kapot geslagen, zij worden geslacht, gehouwen en in de nacht wordt het vlees naar de slagerij vervoerd.>

Theorie vergat het intellectuele tintje dat hij aan het vluchtelingenvraagstuk wilde toevoegen, hij wist wat hem te doen stond.
(wordt vervolgd)


U kunt deze uitgave via internet bestellen bij Boekwinkeltje Wonderland. U kunt ook €6,74 (inclusief verzendkosten) overmaken naar  NL07INGB0007646016  tnv Meurs A.M. Amsterdam ovv een door u gewenst adres en u krijgt het thuisgestuurd.

Net als in de oorspronkelijke uitgave combineer ik mijn verhaal met de hartverscheurende statements van de vluchteling uit Soedan, Hashim, omdat ik de situatie van een vluchteling in Europa en in Nederland nooit aangrijpender zag beschreven. Bij Hashim las ik, nadat deze in 2016 een eind aan zijn leven had gemaakt, hoe hij, voor het zover was,  eerst langzaam intellectueel dood was gemaakt ‘als gevolg van zijn wrede ervaringen en lijden’. Dit, en de manier waarop hij dat beschrijft, ging bij  mij door merg en been. Ik kan daar niks aan toevoegen. Ik schreef mijn DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM.

DE NIEUWSTE ONDERDAAN of DE TWITTERAAR

DE NIEUWSTE ONDERDAAN of DE TWITTERAAR (een herinnering uit 2015 aan #Bungehuis en #Maagdenhuis).
(In 2015 tijdens de bezetting van het Bungehuis nam ik voor het eerst deel aan twitter omdat ik merkte dat ik een aantal gebeurtenissen en uitlatingen miste. Kort daarop al schreef ik DE NIEUWSTE ONDERDAAN dat ook DE TWITTERAAR zou kunnen heten. Nu voor het eerst op papier in mijn literair kladschrift HetWerk)

Hij voelde persoonlijk de geknakte pols aan de op de rug gedraaide arm, nog nooit had hij zoveel pijn gehad. Hij voelde deze pijn temeer omdat hij geen verzet pleegde, dat riep verontwaardiging in hem op. Maar toch, de politie had het geweldsmonopolie, dat was niet voor niets en het gebruik van geweld mocht dan ook niet afhangen van of de burger wel of geen geweld gebruikte. Dat zou een gevaarlijke staatkundige inperking zijn. Dus zou hij ook in het echt de pijn moedig gedragen hebben, meende Leonard van zichzelf. Maar toch: aaauw! Het deed wel verdomde pijn, zo voelde hij dat als hij zich helemaal inleefde. Hij keek op dat moment op tv naar de ontruiming van het Bungehuis. ‘Ze komen met niks thuis!’ zei Twan Huys op de tv triomfantelijk over de onderhandelaars van de nieuwe, linkse Griekse regering met de EU. ‘Ze zijn door het stof gegaan! Ze kunnen hun verkiezingsbeloften niet waarmaken en zullen de steun van hun kiezers verliezen.’ Dat was maar goed ook, meende Leonard . Net als Twan van de tv kon Leonard er niet tegen dat er mensen waren die zich verzetten tegen de gevestigde machten. Ze moesten die strijd verliezen, hij gunde ze geen succes. Dat zou immers de wereld op zijn kop zetten, niet alleen zijn wereld. Andere landen hadden hun schulden ook moeten terugbetalen. Ook in andere landen had de bevolking geleden. Waarom zou een bepaald volk daar een uitzondering op moeten zijn? Dat was van een ongelooflijke arrogantie! De Grieken moesten minstens evenveel lijden als de Slovenen, als de Ieren of de IJslanders. Net als Twan hield hij niet van bijdehande figuren die meenden dat de wereld voor hen een uitzondering moest maken. Het was ze niet gelukt, zei hij hardop. Hij liet hierover geen twijfel toe. Evenmin liet hij redeneringen toe die beweerden dat de Griekse bankiers en andere rijken gered werden en dat de armen hiervoor het meest moesten boeten. Juist de rijken hadden het meest te verliezen. Logisch dat daar het meeste mededogen naar uitging. Leonard zelf zou zich ook wel eens willen verzetten maar kwam telkens voor het zover was tot de conclusie dat hij niet durfde. Hij zag op tegen de onrust die het in hem teweeg zou brengen. Het idee dat hij iets terug kon verwachten als reactie op zijn verzet. Met die verwachting en met de grote kans op een ongunstige reactie kon hij niet leven. Hij verlangde al voor hij zich verzet had weer terug naar de rust waarin hem niets te wachten stond en verweet dan zichzelf zijn domheid. Leonard misgunde ook anderen wat hijzelf niet durfde. Hoewel het idee dat die anderen dan in een zelfde angst zaten als hijzelf hem licht opwond, overheerste toch de angst dat zij misschien wél succes konden hebben. Dat idee was voor hem onverdraaglijk. Hij had een manier gevonden om om te gaan met de in hem woedende tegenstrijdige stormen, waar iemand anders trouwens niets van merkte. Voor een ander was Leonard het toonbeeld van gelijkmatige saaiheid. Maar achter zijn pc, tablet of I-phone leed en verlustigde hij zich tegelijkertijd aan het opslorpen van meningen liefst tegengesteld aan de zijne én aan het bestrijden van deze radicaallinkse praat met de meest gruwelijke rechtse scheldpartijen. Een andere keer, als hij in vorm was meteen daarna, gebruikte hij het radicaallinkse jargon om zijn eigen net geponeerde stellingen onderuit te halen. ‘Die studenten zijn de nieuwe graaiers.’ ‘De universiteit, en trouwens ook de stad, wordt geregeerd door een old boys and girls-netwerk dat elkaar ontmoet in de schouwburg en in het Concertgebouw. .. én bij Ajax.’ Leonard hoopte vurig dat het netwerk nog zou bestaan als hij zover was. ‘Die studenten hebben hun eigen universiteit gedemoniseerd.’ ‘Tijdens het onderzoek naar de bouwfraude is het College van Bestuur nog net de dans ontsprongen dankzij de vroegere minister Elco Brinkman.’ ‘De bezetting van het Maagdenhuis is bedacht door IS, ze willen de sharia op de universiteit.’ ‘Burgemeester Van der Laan is door bezetters een blauw oog geslagen.
Toch stond hij een uur later al weer kalm te discussiëren in het Maagdenhuis, zijn oog nog in het verband. Respect!’ ‘Voorzitter College van Bestuur Louise Gunning heeft een verhouding gehad met babyverkrachter Robert M.’ ‘Integendeel, volgens burgemeester Van der Laan heeft Louise Gunning persoonlijk talrijke baby’s uit de handen gerukt van Robert M.’ ‘De anderen in het CvB zijn veel erger dan Louise Gunning.’ ‘Des te erger voor het CvB en voor de universiteit!’ ‘De studenten willen de wetenschap zoals de wet van de zwaartekracht ter discussie stellen. Waarom heksen niet en homo’s wel naar beneden vallen als ze van een gebouw geduwd worden’ ‘Minister Opstelten en staatssecretaris Teeven zijn in werkelijkheid afgetreden omdat het bonnetje van de verkoop van het Bungehuis zoek was. Zo kon onmogelijk nog de prijs van een kop thee in het toekomstige luxe theehuis berekend worden.’ ‘THE POST ONLINE wordt het huisorgaan van de Nieuwe Universiteit.’ ‘KRAPUUL wordt het lijfblad van Louise Gunning.’ ‘Namens de grote (zwijgende) meerderheid van positieve, constructieve en hardwerkende studenten en docenten roep ik de Majesteit, de Ministerpresident, de Mayor of Amsterdam en de ME op het Maagdenhuis onverwijld met geweld te ontruimen en terug te geven aan ons, de meerderheid.’ Na zo’n dubbele exercitie kon hij moe maar zelfvoldaan met het hoofd op zijn borst tegen het hoofdeinde van zijn bed in slaap vallen, de tv nog aan, zijn tablet van hem afgegleden. Zo schrok hij dan een uur later wakker, zette alles uit, kroop in zichzelf met zijn hoofd onder het dekbed en snurkte verder. Er zaten overal mannetjes in hun schuttersputjes hun persoonlijke oorlogje uit te vechten. Maar zelf zat hij in een geschutskoepel die volledig om zijn eigen as kon draaien. Leonard had niemand nodig, hij bevredigde niet alleen maar bevruchtte ook zichzelf.




DE NIEUWSTE ONDERDAAN of DE TWITTERAAR

(Geïnspireerd door Der Untertan van Heinrich Mann, verfilmd door Wolfgang Staudte, titelrol Werner Peters)

Bestellen

Gedichtendag Gerard

GERARD

Voetje voor voetje

Ga ik naar het  trapgat

Ik wil  niet meer alleen zijn

Boven in de kou

Met één voet

Een treetje  naar beneden

Ik  luister

Niemand roept iets

Van naar boven jij!

Dus trek ik de andere voet

Voorzichtig bij

Blijf doodstil staan

In mijn eigen adem

Hoor alleen mijn eigen adem

Kan dus nog wel een voetje

Een deur gaat open

Mijn hart klopt

Maar hèhè, het is niet de gangdeur

Dus trek ik de andere voet

Ook al weer bij

Nog steeds  niemand


Ooit raak ik zo beneden

Waar het warm is

Waar mensen zijn

Ik kijk niemand aan

En hurk naast de kachel

Niemand zegt

Ga terug naar boven gij!

Ik maak een zacht zoemend geluid

Zeur een beetje

Kijkend naar de grond

Wieg  naar voor en naar achter

Zoeoeoemmmm  Zoeoeoemmmm

Ik zit in een cocon

Niemand ziet me

Niemand maakt me iets

Ik ben er niet

Ik ben er al niet meer

Ik ben er allang niet meer



Bij de afscheidsplechtigheid voor de crematie van mijn broer Gerard op 7 december 2016 las ik bovenstaand gedicht voor waarin ik Gerard zelf aan het woord liet en leidde dat zo in:

<Precies 2 weken geleden nam ik afscheid van mijn broer Gerard.  We haalden herinneringen op. Ik vertelde dat ik me herinnerde hoe hij als  jongen ‘s morgens vroeg  in zijn onderbroek gehurkt naast de kachel zat te zeuren. Hij vertelde hoe hij, voor straf naar boven gestuurd, het daar niet uithield, en stil voetje voor voetje de trap af probeerde te dalen, doodsbang dat hij terug gecommandeerd werd. Op de terugweg  in de auto combineerde ik onze 2 herinneringen in een gedicht dat later nog aan Gerard is voorgelezen. Toen ik het gedicht overlas realiseerde ik me dat ik niet alleen Gerards en mijn herinnering had opgeschreven maar ook vooruitgelopen was op dit moment, dat wij hier staan en Gerard er niet meer is.>

Op die 7e december 2016 namen we definitief afscheid van onze broer Gerard die net geen 65 werd en stierf aan longkanker. Namens zijn vrouw Laetitia en dochters Wiene Meurs​ en Eef Meurs​, broers, zusters, schoonfamilie en vrienden werden mooie herinneringen voorgelezen die in een boekje waren uitgebracht. Opvallend is de brief van Gerard zelf, waarin hij zijn dank uitspreekt aan Buurtzorg en de huisartsen en, als ‘professional’ in de gezondheidszorg, ook aan zijn cliënten, zijn ‘leerlingen’ en hun ouders, maar hij tegelijk ernstige kritiek uitoefent op de gezondheidszorg zelf en ook aangeeft welke punten moeten veranderen. De brief begint als volgt:

<Lieve allemaal,
Graag wil ik jullie nog iets meegeven, namelijk mijn visie op de algemene gezondheidszorg als jarenlang professional zijnde en als patiënt het afgelopen jaar.
Momenteel schaam ik me diep voor hoe het in Nederland met de gezondheidszorg is gesteld. Ik hoop van harte dat het voor jullie en de toekomstige generaties verbeterd wordt.>

Toen ik thuiskwam van het afscheid van Gerard in levende lijve controleerde ik de slotzinnen, die inderdaad erg leken op die van het gedicht dat al jaren naast mijn bureau op de deur hangt: <Het begint als een standbeeld dat zich omdraait> , een van mijn favoriete gedichten aller tijden, van Willem M. Roggeman. Maar ik besloot dat dat toewerken naar <er niet meer zijn>, wat ik op een totaal andere manier dan Willem had gedaan, maar waarvan het einde zeer waarschijnlijk wel door zijn gedicht was geïnspireerd, niet anders kon eindigen. Ik vond het te kinderachtig om het zinnetje dat exact hetzelfde was, ‘ik ben er al niet meer’, daarom net iets te veranderen, vooral omdat het ook een zinnetje is dat al duizenden keren is geschreven en uitgesproken. Ik dank Willem voor de inspiratie die zijn gedicht mij al jaren levert.

Een jaar later publiceerde ik, mede omdat de link naar het gedicht van Willem M. Roggeman door een hack niet meer werkte, op facebook de laatste regels van zijn gedicht Het begint als een standbeeld dat zich omdraait.
Mijn eigen gedicht staat in het herinneringsboekje aan Gerard en op mijn facebookpagina, zelf publiceer ik het hierboven voor het eerst op papier. Hieronder dus het slot van het gedicht van Willem Roggeman.


Zij kijkt me aan alsof

ik er nog was

De tijd ontsnapt

haar. Kijk maar

ik ben er al

niet meer

ik ben er

niet

eens

meer


Uit: HetWerk
literair kladschrift van
Meurs A.M. ISSN 2215-1494
22e Jaargang Nr.68 11 januari 2019
Bestellen





Aan de Kapellekensbaan zetelt een nazaat van de familie Boon


Beheerder namens de stad Aalst, Sven van Keymeulen. Op de achtergrond in lichte jas zijn oma, Josken Boon-Vermoesen, weduwe van Frans, de broer van Louis Paul Boon.












Het Multifunctioneel Sportcentrum Schotte staat op de plaats waar van 1921 tot 1997 leerlooierij Schotte actief is geweest, een bedrijf dat in 1870 begon in de binnenstad van Aalst. Het terrein was ernstig vervuild, de gebouwen raakten vervallen maar na sanering werd in 2013 begonnen met de afbraak. Sportambtenaar van de stad Aalst, Sven van Keymeulen, was vanaf het begin betrokken bij de plannen en de ontwikkeling van wat uiteindelijk het Multifunctionele Sportcentrum Schotte zou worden, inclusief brasserie/bar De Looyerij. Einde 2016 werd het complex geopend.
Sven van Keymeulen is de kleinzoon van Frans, de broer van Louis Paul Boon. Boon schreef tientallen boeken, waaronder het wereldberoemde boek De Kapellekensbaan. Zo heet vanaf een jaar na zijn dood in 1979 ook de weg waaraan nu het sportcentrum ligt. De eveneens beroemde ‘eindeloos lange muur’ is behouden en gerestaureerd. En dat geldt ook voor 2 schoorstenen van de fabriek, die in het boek de dekenfabriek De Labor heet. Een van de schoorstenen functioneert nu als klimmuur.
Dit alles zouden beide broers Boon geweldig gevonden hebben. Frans, die als huisschilder moest ploeteren en in de winter vaak geen werk had en dus ook geen inkomen, en dan zijn kleinzoon die nu hier ‘de baas is’. Zo zou je dat in die tijd zeggen. En Louis die zich elke dag zou verbazen dat ze om hem en zijn boek te eren die vervallen muur herbouwd hebben.
Maar dan bedenk ik dat Frans niet eens de eerste verjaardag van zijn kleinzoon Sven heeft mogen meemaken en het enorme verdriet dat zijn plotselinge dood in 1976 bij de achtergeblevenen veroorzaakte. Zo komt er bij een op zichzelf leuk feit ook de herinnering aan veel droefheid boven. Josken Boon-Vermoesen, de grootmoeder van Sven, heeft het me allemaal verteld voor het boek dat we samen hebben gemaakt. Ik ben blij dat ze er nog is, met haar 86 jaar en allerlei medische ingrepen, en dat we samen met haar kleinzoon Sven en zijn moeder Marie-Jeanne fier door dit prachtige sportcomplex hebben kunnen wandelen






Sven van Keymeulen is de kleinzoon van Frans, de broer van Louis Paul Boon.
Louis Paul Boon Genootschap.


In het boek De Kapellekensbaan is ´de eindeloos lange muur van de dekenfabriek de Labor..’.. (foto Wim Noordhoek 2008 Avondlog).
Geschiedenisinformatie op het terrein van nu Multifunctioneel Sportcentrum Schotte.

Informatie over Louis Paul Boon.
Louis Paul Boon Genootschap




De voormalige leerlooierij Schotte, afbeelding in het huidige Multifunctioneel Sportcentrum Schotte
In 1995, toen we bij deze gebeurtenis aanwezig waren, was de fabriek al duidelijk aan het aftakelen. Kapotte ruitjes aan de straatkant werden niet meer vervangen.



Uit: HetWerk
literair kladschrift van
Meurs A.M. ISSN 2215-1494
22e Jaargang Nr.68 11 januari 2019
Bestellen




De deur

Meursam story

T wordt wakker en wil beneden onder aan de trap de krant gaan halen, hij opent zijn deur en ziet dat er recht tegenover hem op de overloop een deur is gebouwd en dat alles eromheen, erboven en aan de trap, is dichtgemaakt, allemaal keurig afgewerkt. Aan zijn voeten liggen in de hoek van de muur en de deuropening waarin hij staat een paar oude jassen op een hoop met kalk erop, en ook de kapstokhaak waaraan de jassen hebben gehangen. De kapstok was daarvoor bevestigd op een deur naar zijn woning die hij niet gebruikte en die zich nu achter de nieuw gebouwde deur bevindt.  Blijkbaar was degene die de deur gebouwd heeft er zeker van, niet alleen dat T die oude deur nooit meer zou gebruiken maar ook dat hij nooit meer vanaf de overloop bij de kapstok op de deur zou kunnen. Men had de jassen en de kapstok pas weggehaald nadat de werkzaamheden voor de nieuwe deur klaar waren. Vandaar de kalk op de jassen. Het lijkt of men vond dat men hem een gunst bewees met de jassen en kapstok achter de nieuwe deur vandaan te halen, maar het bouwvuil eraf halen was een stap te ver, alsof men wilde aangeven dat de jassen er eigenlijk niet hadden mogen hangen.

De man van de gemeente, van Bouw en Gebruik is er snel. Hij weet meteen te vertellen dat er geen ‘omgevingsvergunning’ voor de deur is.  ‘Die deur moet weg,’ zegt hij terwijl ze samen in de woning aan het isolatiemateriaal pulken dat aan de binnenkant op de deur zit waar ze vanaf de overloop niet meer bij kunnen. Ze steken een schroevendraaier door het sleutelgat  en komen tot de conclusie dat er aan de andere kant een plaat tegenaan zit. ‘Brandgevaarlijk, die deur,’ zegt de man en maakt aan de tafel een paar notities, kijkt naar de flessen in het boekenrek en zegt: ‘U bent een whiskyliefhebber.’ Als het goed afloopt nemen we er samen een, wil T zeggen, maar bedenkt dan dat hij niemand wil omkopen.
Hij mailt 2 weken later de man nog of deze al iets gehoord heeft op het ‘handhavingsbericht’ dat deze naar de eigenaar en de makelaar heeft gestuurd, en of T niet zelf de deur mag afbreken. Maar dat mag niet. Dan krijgt hij bericht dat hij voortaan bij iemand anders van Bouw en Gebruik moet zijn, want dat de man tijdens vakantie de buurt van zijn collega erbij had genomen. Dat zul je altijd zien, denkt T.

T had, meteen na het ontdekken van de deur, ook de makelaar gemaild en deze aangesproken op de illegaal gebouwde deur. Hij had per omgaande een standaardmailtje ontvangen: het bericht was doorgegeven aan de bouwopzichter en als diens reactie te lang uitbleef kon je hem op bepaalde tijden bellen. Daarmee lag de bal weer bij T, hij wist dat hij nooit iets zou horen voor hij zelf gebeld had.
De makelaar heet Rapalje, komt voort uit de kraakbeweging en heeft zijn naam als geuzennaam behouden toen enkele krakers destijds voor tienduizenden guldens waren uitgekocht en ontdekten dat ze aan de andere kant van het spectrum makkelijk aan huizen konden komen en er bovendien veel geld aan verdienen. Onnodig te zeggen dat Rapalje alle huurders- en krakerstrucjes kent en gespecialiseerd is in antikraak en speculatie door middel van feitelijke leegstand en schijnbewoning.
Na 3 weken niets gehoord te hebben belt T de bouwopzichter van Rapalje. Deze weet van niks, zegt hij, maar komt meteen kijken. Hij werpt een vluchtige blik op de deur en zegt dat hij er bij de eigenaar achteraan zal gaan. Maar eerst gaat hij 3 weken met vakantie.

Er wordt aan het slot van T’s deur gemorreld. Dat is niet op slot. T draait het op slot en vraagt door de gesloten deur: ‘Wie is daar?’ ‘Is dit 3-hoog?’ vraagt een mannenstem, ‘de eigenaresse is in de tuin omdat er beneden nieuwe huurders komen en zag dat er boven een raam open staat.’ ‘Dan kan ze telefoneren of aanbellen,’ zegt T, ‘wij willen niet onaangekondigd mensen in het trappenhuis.’ Hij opent zijn deur. Er staat een niet grote maar stevige man van middelbare leeftijd voor hem met een sleutelbos. Hij ziet eruit als een fixer, iemand die de crimescene opschoont, alle sporen uitwist, denkt T, maar kennelijk niet de bouwer van de deur, want hij is hier blijkbaar nog nooit geweest. Hij wijst op de deur achter de man. Er is niet één sleutel die past. ‘Ik kom zo terug,’ zegt de man, ‘ze heeft nog een sleutelbos. Spring niet in mijn nek.’ ‘Ik kijk wel uit,’ zegt T, ‘vraag haar de deur open te laten tenminste gedurende de procedure.’ Is er eigenlijk een procedure?, vraagt T zich meteen af. ‘Daar ga ik niet over,’ zegt de man. T gaat zijn woning in en rekt zich om vanbinnen over de leuning van het balkon in de tuin te kijken. Hij kijkt op haar grijze hoofd. Ze durft niet naar boven te kijken. De man komt vergeefs terug. Een deur tussen andermans deuren laten bouwen, denkt T, maar geen sleutel hebben om hem te openen. Op internet ziet hij dat de benedenwoning €2000 aan huur gaat opbrengen. Daarvoor heeft hij meer dan een jaar in de bouwellende gezeten.

T mailt zowel aan makelaar Rapalje als aan Bouw en Gebruik van de gemeente zijn verzoek om de deur van het slot te halen gedurende de procedure. Hij weet nog steeds niet weet wat voor procedure. Van Rapalje krijgt hij het bekende bevestigingsbericht waarna hij niets meer hoort. Bouw en Gebruik schrijft dat de zaak is overgedragen aan de jurist van de afdeling Vergunningen. Die zal T informatie geven, zelf acht de man van Bouw en Gebruik  het niet opportuun om in dit proces met zo’n verzoek tussenbeide te komen. Proces? Van de jurist ontvangt T per mail een kopie van de brief die de toenmalige man van Bouw en Gebruik 2 maanden geleden naar de eigenaar heeft gestuurd. Er zit ook een een recente brief bij van de jurist zelf, eveneens aan de eigenaar met de vermelding dat Vergunningen nog steeds niets heeft gehoord, dat de deur zonder omgevingsvergunning is gebouwd, dat eigenaar alsnog in staat gesteld wordt een vergunning aan te vragen, en dat als zij nog niet reageert er gehandhaafd zal worden, wat kan leiden tot het verwijderen van de deur en een boete. T ziet meteen dat beide brieven naar het oude adres, zijn eigen adres maar dan een andere verdieping, van de eigenaresse zijn gestuurd. Hij informeert bij de jurist of er ook brieven naar makelaar Rapalje zijn gestuurd. Dat blijkt niet zo te zijn. Hij kan aan de telefoon met de jurist zijn woede en teleurstelling niet verbergen. ‘Dan hebben eigenaar noch makelaar tot heden iets gehoord van Bouw en Gebruik en van Vergunningen, want die brieven liggen hier beneden in de gang.’ Hij was gaan kijken naar de brieven gericht aan de eigenaresse die hij achter een gasleiding had geklemd. Ze had geen adres achtergelaten en was ook maanden niet komen kijken of er post was. Er waren inderdaad 2 brieven van de gemeente, je kon aan de buitenkant niet zien van welke afdeling, maar het poststempel kwam ongeveer overeen met de datum van de brieven. Makelaar Rapalje had natuurlijk wel voortdurend van hém gehoord maar kon zich van de domme houden omdat ze van de gemeente steeds niets vernomen hadden. En T had nog zo duidelijk gezegd tegen de man van Bouw en Gebruik dat de eigenaresse zonder kennisgeving verhuisd was en dat hij haar adres niet wist. ‘Daar ben ik zo achter,’ had de man geantwoord. ‘En stuur er ook een aan Rapalje , want al mijn contact over de woning loopt via Rapalje.’ Ook dat zou hij doen. T doet nu hetzelfde verzoek aan de jurist van Vergunningen en deze stuurt hem inderdaad kopieën van de brieven aan zowel eigenaar aan haar nieuwe adres als makelaar en belooft hem van alle stappen op de hoogte te houden.

T hoort iemand de trap op gaan en boven hem rondstommelen. Als hij iemand de trap af hoort komen wacht hij deze op in zijn deuropening. De man van in de dertig die uit de nieuwe deur komt schrikt geweldig. ‘Wie bent u?’ vraagt T. ‘Ik ben van Rapalje,’ zegt de man terwijl hij de sleutel in het slot steekt en ondertussen naar de trap loopt en al op de trap met zijn linkerarm bovenop de trapleuning met enige moeite de sleutel omdraait en doorloopt. ‘Ik wil u graag spreken,’ zegt T, ‘ik heb al maanden geen reactie gehad van Rapalje, ik wil u vragen de deur te openen tijdens de procedure.’ De man is bezig de trap af te springen. ‘Ik doe u echt niks hoor,’ roep T hem na. ‘Dat weet ik nog zo net niet,’ roept de man. ´Heeft u een slecht geweten?´ roept T, en de deur slaat dicht. Zo, denkt T, de schrik zit er in ieder geval flink in. Misschien is dat niet slecht in de huidige situatie. Ik geloof dat ik nu lang genoeg geprobeerd heb om anderen al dan niet tijdelijk de deur te laten openen. Die deur schept niet alleen een lastige maar ook een gevaarlijke situatie. Als er boven iets aan de hand is, lekkage, een verwarming die op hol slaat zoals al eens is gebeurd, kan ik niets doen. Daar gaan we iets aan doen. Tot nog toe was ik de vragende partij. Die situatie gaan we omkeren.

Hij begint in zijn woning het zachtboard en het schuimrubber dat tussen de deurstijlen zit van zijn middelste deur weg te halen, het schuimrubber is soms een soort teer geworden. Waar het op de vloer valt is het moeilijk te verwijderen. Hij draait de schroeven los die de deur met de stijlen verbindt, haalt vulmateriaal uit de klinkopening en opent met een brede schroevendraaier langzaam de deur die geleidelijk het vulsel aan de randen losscheurt. Er blijkt toch geen plaat achter te zitten. Ze hebben in het stukje overloop waar hij maanden niet bij kon ook een lamp aan het plafond gemonteerd. Hij ziet dat hij de nieuw gebouwde deur nu zo van het slot kan draaien. Hij doet het en mompelt in zichzelf: ‘Ziezo, die blijft voortaan open. Wanneer ze hem op slot doen draai ik hem aan de achterkant weer open. Hoe dan ook, zelfs als de nieuwe deur op slot is kan ik er via mijn eigen deur achter langs naar de zolder.’ De dagen erna plaatst hij een cilinderslot op de deur zodat hij die ook vanbuiten kan openen en sluiten en begint dagelijks spullen en vooral boeken naar de zolder te brengen. De situatie ‘op de grond’ is gewijzigd. Zoals oorlogvoerende partijen dat doen voor ze naar de onderhandelingstafel gaan.

T hoort gepruts aan het nieuwe cilinderslot op zijn middelste deur die sinds enige tijd weer open en dicht kan. Op zijn tenen loopt hij naar zijn normale toegangsdeur, opent hem zachtjes en ziet dat de nieuwe deur op de overloop op een kier staat. Hij duwt hem open en voelt dat er iemand tussen de 2 deuren zit. Hij duwt wat harder en een man begint te roepen. ‘Wat bent u aan het doen?’ zegt T, ‘probeert u bij mij in te breken?’ ‘Ik ben van Rapalje,’ zegt een benauwde stem, ik zocht de deur naar 3-hoog.’ T houdt de man nog even klem tussen de 2 deuren, het is er donker, de man wist niet alleen 3-hoog niet te vinden, ook de lichtschakelaar niet. ‘Tot nog toe waren alle mensen die onverwacht in het trappenhuis waren en aan mijn sloten prutsten van de eigenaar of van Rapalje, wat één pot nat is,’ zegt T. ‘Sorry,’ zegt de man, ‘ik val in voor een collega, er komen nieuwe huurders voor 3-hoog.’ T haalt de druk van de nieuwe deur af en doet het licht aan. ‘Zo, nu ziet u waar u bent. Komt u maar achter de deur vandaan. Daar is de trap naar boven. Ik denk dat uw collega’s een geintje met u hebben willen uithalen en zelf niet durfden komen.’ ‘Hier is mijn kaartje,’ zegt de man die er vriendelijk maar geschrokken uit ziet. T gelooft hem en geeft hem een hand. ‘Kom even binnen om bij te komen. Iets drinken?’ Voor hij bij T binnen kan gaan zitten, dreigt de man flauw te vallen. T vangt hem op en laat hem op zijn bed zakken. Hij denkt erover Rapaljete bellen met de boodschap: ‘Jullie kunnen je collega komen halen, het lichaam is vrijgegeven.’ Maar besluit dat het smakeloos is. Hij gaat zitten wachten tot de man bijkomt. Het duurt een minuut of tien. Dan schrikt de man op, kijkt op zijn telefoon en zegt: ‘Ik heb blijkbaar vannacht te weinig geslapen, ik moet naar boven, de nieuwe huurders kunnen er elk moment zijn. Excuus voor de overlast.’ ‘Hier, neem dit flesje water mee,’ zegt T. ‘Ik doe het licht in het trappenhuis voor u aan. Op 3-hoog zit de ingang op dezelfde plek als de deur waar u straks bij mij probeerde binnen te komen.’ ‘Praat me er niet meer over,’ zegt de man, ‘ik schaam me dood. En dan val ik nog flauw ook.’ Hij geeft T een hand en gaat naar boven.

De nieuwe huurders die per 1 december 2017 zijn gekomen zijn expats die niet op de hoogte zijn gesteld van het conflict over de zolder. Ze hebben een contract voor 2 jaar gekregen (daarna zal er ingrijpend verbouwd worden) en het is hun als een voldongen feit voorgesteld dat ze vanaf 1 juli 2018 de hele zolder moeten huren en dat hun huur vanaf dat moment van 1650 naar 1890 euro gaat. Maar eigenlijk zijn ze niet geïnteresseerd in de rest van de zolder, behalve dat de wasmachine en droger er staan.  De slaapkamer en badkamer hebben ze al op de zolderverdieping en betalen daar voor. Ze vinden het prima dat de deur midden op de overloop van de 2e verdieping open blijft.
            Er wordt maanden niets vernomen. T gaat ervanuit dat de eigenaar weet dat de deur nu blijvend open staat en dat zij heeft afgezien van de aanvraag van een omgevingsvergunning en de zaken op zijn beloop laat tot de verbouwing eind 2019.

Dan krijgt de nieuwe huurder van 3-hoog in april 2018 van Rapalje bericht dat Bouw en Gebruik vergezeld van de makelaar de nieuwe deur zal controleren en waarschijnlijk enkele aanpassingen zal opdragen die gecombineerd kunnen worden met enkele al geplande werkzaamheden op zolder. Zoals hij immers weet is afgesproken dat hij per 1 juli ook de voorkant van de zolder gaat huren. De nieuwe huurder stelt T op de hoogte die zelf geen bericht heeft ontvangen. Als de dag van de controle daar is voegt T zich bij het gezelschap op zijn overloop en vraagt waarom hij geen bericht heeft gehad. ‘U bent geen partij in deze,’ zegt de man van Rapalje. ‘Er is niet eens een vergunning voor deze deur!’ roept T. ‘Jawel,’ zegt de man van Bouw en Gebruik en zoekt in de map in zijn hand, ‘sinds 17 januari.’ ‘En dat hoef ik niet te weten zeker, alleen al uit fatsoen zou u me op de hoogte moeten houden omdat ik deze illegaal gebouwde deur bij u aangekaart heb. Het is nu vast te laat om nog bezwaar te kunnen aantekenen.’ Hij had enkele maanden geleden iets over mogelijk bezwaar gelezen maar gedacht: eerst moet er door de eigenaar een vergunning worden aangevraagd, ik kan niks doen voor dat is gebeurd. T loopt kwaad zijn woning binnen.

T schrijft een mail aan de jurist van Vergunningen die beloofd had hem van verdere ontwikkelingen op de hoogte te houden. Hij vraagt waarom zij hem niet heeft gemaild dat er alsnog een aanvraag voor een vergunning was ingediend en sluit een kopie van haar belofte bij. Zij negeert zijn vraag en geeft een link naar een website van de gemeente en zegt dat hij daar zelf aanvragen en verlenen van vergunningen in de gaten had moeten houden. Hij antwoord: ´Nee, trut, jij had me moeten laten weten dat er een vergunning was aangevraagd, op de eerste plaats omdat je dat beloofd had en omdat ik er daarom vanuit kon gaan dat als ik niets hoorde er ook niets was aangevraagd, en dán had je me daarbij ook die link kunnen geven om het in de gaten te houden en te weten te komen wat ik eventueel zou kunnen doen. Op de tweede plaats omdat je moeilijk van een burger kan verwachten dat hij dagelijks door de sites van de gemeente loopt om te zien of daar iets aangevraagd wordt waarin hij belanghebbende is en waarop hij zou moeten reageren.’ Ze antwoordt dat iedere burger zelf in de gaten moet houden of de overheid iets publiceert wat voor hem van belang is zoals iedere burger ook verondersteld wordt de wet te kennen. Ze stuurt wel de vergunning, niet de aanvraag trouwens. In de vergunning staat een voorschrift dat er privaatrechtelijke toestemming van de bewoner van de tweede verdieping vereist is voor het bouwen van de extra deur op de tweede verdieping en daarvoor een overeenkomst moet worden gesloten. T stuurt een aangetekend schrijven aan Rapalje en citeert het voorschrift. Hij krijgt geen reactie. Wel probeert Rapalje met de nieuwe huurder van 3-hoog tot een afspraak te komen om de werkzaamheden aan de deur en op de zolder te verrichten. De nieuwe huurder antwoordt dat deze niet zijn zaak zijn, ze moeten bij de bewoner van de tweede verdieping zijn. Ze dreigen hem dat hij getekend heeft om per 1 juli de hele zolder te huren en zij de verschuldigde huur alsnog met terugwerkende kracht zullen vorderen via incasso. Hij antwoordt fel dat zij niet aan de voorwaarden voldoen want dat de zolder niet leeg is. Dan krijgt T een jaar na het bouwen van de deur en zijn protesten daartegen voor het eerst een mail van Rapalje. Voor de eerste keer is er een uitleg waarom eigenaar meent gerechtigd te zijn de deur te bouwen en de hele zolder bij 3-hoog te trekken: T heeft 24 jaar geleden de zolderberging afgestaan in ruil voor de medewerking van de eigenaresse aan het kunnen huren door T van de tweede verdieping. T antwoordt dat dat in bruikleen was. Kan hij dat bewijzen? Kunnen zij bewijzen dat het anders is? De volgende brief van de kant van de eigenaar is van een advocaat. De boeken moeten meteen van de zolder, anders komt er een rechtszaak. Via het Juridisch loket haalt T er dan ook maar een advocaat bij. T heeft die zolder echt nodig. Bovendien is het een principekwestie, die zolders horen bij de woningen in het trappenhuis en zijn er niet om een extra melkkoe voor de eigenaren te worden, die trouwens steeds meer echte huisjesmelkers zijn die honderden huurwoningen opkopen. Hij voorziet in het begin zijn advocaat zo goed mogelijk van munitie maar al gauw heeft hij er genoeg van. Hij ziet steeds vaker figuren rondhangen die het pand in de gaten lijken te houden. Ook zijn vroegere buurvrouw duikt steeds meer in de straat op en verdwijnt dan in de Hema.

T heeft er genoeg van. Hij neemt contact op met de Bond voor precaire Woonvormen, Code Rood en Amsterdam City Rights, dat soort clubs. Ook de ADM-ers die net van het terrein waar ze als gemeenschap 21 jaar gewoond hebben, zijn gegooid, worden erbij betrokken. Ze komen erachter dat het hele blok van Rapalje is of door Rapalje beheerd wordt. Dat komt goed uit. De actiegroepen en de ex-ADMers trekken de panden in om te discussiëren. Het idee is om de straatkant van de zolders gemeenschappelijk te maken en het middenstuk van de binnentuinen. Iedere benedenhuisbewoner houdt een stukje tuin (maximaal 4 meter net als de maximale nu toegestane uitbouw), het middenstuk is toegankelijk voor alle aangrenzende bewoners. De trappenhuisbewoners verdelen de binnenkant, tuinkant van de zolder, onder elkaar. Boven aan de trap komt een deur zodat men niet van het gemeenschappelijke deel het trappenhuis in kan gaan zonder sleutel. In de muren op zolder worden doorgangen gemaakt of de hele muur wordt weggebroken. De meest ingrijpende verbouwing wordt die van de trappenhuizen. Waar 2 trappenhuizen aan elkaar grenzen wordt de tussenmuur weggebroken en vervangen door enkele holle ijzeren pijpen. Zo krijg je een brede trap waarlangs een stoeltjeslift kan lopen of een lift rond de ijzeren steunpilaren. Voor de passage op zolder en midden door de binnentuin betaalt iedereen een kleine bijdrage. Zij die een stukje zolder krijgen wat ze niet hadden, compenseren degenen die zolder inleveren. Zo worden degenen die een stukje tuin inleveren gecompenseerd door nieuwe tuingebruikers. Op de zolder komt in de passage een zwevende vloer ter vermijding van geluidsoverlast. Er komen zitjes zowel in de zolderpassage als in de binnentuin. Iedere aangrenzende bewoner in de tuin of op zolder is vrij om te kiezen hoe hij met de voorbijgangers communiceert. Je kan bijvoorbeeld een drankje of een versnapering aanbieden, gratis of te koop. Hier en daar komen passages om van de straat in de tuin te komen, soms via een kelder, een leegstaande benedenruimte of een gang die speciaal gebouwd wordt. Er zullen regelmatig vergaderingen zijn van de blokbewoners. Enthousiaste jongelui hebben de deur op T´s overloop in een wip afgebroken en deze bovenaan de trap weer opgebouwd. Hij heeft van de huurders van 3-hoog een ruimte van 2 bij 3 meter ter beschikking gekregen voor zijn boeken. Hij heeft al besloten om een deel van zijn boeken in het gemeenschappelijke deel te plaatsen. Kijken hoe dat gaat. De mensen beginnen al gauw nieuwsgierig rond te scharrelen en te verkennen hoe ver ze in de tuin of op zolder reeds kunnen komen. Geleidelijk moeten we samen in staat zijn om Rapalje er uit te werken, zeggen al sommige enthousiastelingen.

 T’s vriend Dolf de kunstenaar is sinds jaren weer eens in Amsterdam. T heeft hem zo gek gekregen naar het experiment te komen kijken. Wat mopperend loopt Dolf met hem mee door de tuin en over de zolders. Als hij ziet dat er bij een zolderraam met uitzicht een pilsje wordt geschonken gaat hij er eens voor zitten en lacht een beetje voor zich uit. ‘Zeg het maar,’ zegt T, ‘wat heb je op je lever?’ ‘Mag ik es wat vragen?’ zegt Dolf, ‘is er hier eigenlijk niemand die Vergeten Straat van Boon heeft gelezen?’

_________________________________________

Uit: HetWerk
literair kladschrift van
Meurs A.M. ISSN 2215-1494
22e Jaargang Nr.68 11 januari 2019
Bestellen




Jongen van 8 tijdens 1e Wereldoorlog. Alles beter dan zo’n pak slaag.

… De achtjarige Driek die in de 1e Wereldoorlog elke dag vanaf zijn huis vlakbij de Duitse grens 3 kilometer naar de kerk in het ene dorp loopt voor de Mis, daarna 2 kilometer naar school in een ander dorp en na school via zijn grootmoeder weer 2 kilometer naar huis.
…Driek mag dan onder het motto Alles beter dan zo’n pak slaag voorlopig geen kans zien om aan zijn broer te ontsnappen, tegelijk verandert zijn leven grondig want hij pikt niks meer en laat niets meer zomaar gebeuren.


Mata Hari en Anthony Fokker

(Fragmenten)
(…)
Ik was al een poosje op de hoofdweg tussen de twee dorpen aangekomen. Eerst stond er nog een verspreid huis, zoals dat met de smederij, langzaam werd de bebouwing dichter. De twee jongens stonden me op te wachten zoals ik verwacht had. Waar zat je? zeiden ze, dit is al de derde dag dat we hier staan. Ze zaten in het dorp waar de kerk was op school, ik zat in een ander dorp op school. Ze wisten niet dat ik twee dagen nergens geweest was, alleen thuis in bed. Het was nog steeds donker. Ze hadden de big bij zich, ook al voor de derde dag. Degene die de big in zijn armen droeg aaide hem voortdurend, gaf hem kusjes en fluisterde hem woordjes toe om hem rustig te houden. Ze wilden dat ik de big onder de rok van de Manke zou stoppen als deze over het pad naar de kerk zou komen aangekropen. Zelf waren ze daar te schijterig voor. Ik had dat al een keer gedaan, ik had daar toen een reden voor en zou het niet opnieuw doen. Ik hield er bovendien niet van om in herhaling te vallen, ik vond dat fantasieloos. Iedereen had een hekel aan de Manke, omdat ze lelijk was en omdat ze verlamd was, omdat ze anders was. Ze werd als een heks beschouwd en kreeg overal de schuld van, van de hagel die de oogst verwoestte tot aan de oorlog, waar we weliswaar niet aan meededen maar waar we wel last van hadden door de vluchtelingen, de verdwaalde bommen en kanonskogels en eenvoudig doordat we niet over de grens konden die vlakbij was en waarachter we allemaal familieleden en bekenden hadden en waar velen van ons werkten. Ik had geen hekel aan de vrouw die ze de Manke noemden, al heel jong kwam ik bij haar thuis, ze woonde bij haar getrouwde zuster, en ze had ooit iets tegen me gezegd dat ik mijn hele leven niet zou vergeten. Ik was er ook van overtuigd dat de meeste mensen zich die hekel aangepraat hadden en die verdachtmakingen alleen gebruikten om zich kwaadaardig en zelfs misdadig tegenover haar te gedragen. Na het vreselijk pak slaag had ik veel liggen denken en ook dat was me duidelijk geworden.
De Manke was een bijzonder iemand. Haar benen waren verlamd en ze kroop elke dag naar de kerk. Maar de dorpsbewoners beschouwden die kerkgang als pure schijnheiligheid en misleiding.

(…)

We vochten trouwens niet alleen met protestantse jongens, we gingen ook over de grens om met jongens van een Duits dorp te vechten. De ironie wilde dat, omdat de volwassenen nu oorlog voerden, wij niet tegen de Duitse jongens konden vechten, de grens was gesloten.
Ik dacht aan de protestantse jongen die we in elkaar hadden geslagen terwijl hij zich niet meer kon verweren, aan het vreselijk pak slaag dat ik zelf had gekregen van mijn broer en aan mijn reactie dat alles beter was dan zo’n pak slaag en dat ik voortaan die vuilak van een broer zijn gang zou laten gaan, aan het gekrijs van de Manke toen ik een big onder haar rok had gestopt, ik zat zo boordevol schuldgevoel om alles dat ik, toen ik ondertussen al honderden meters buiten het dorp omkeek naar de kerk, niet eens verbaasd was dat er dwars door een wei, dan door een haag en vervolgens door een boomgaard, waar het alle bomen op zijn weg meenam, een vliegtuig recht op me af zag komen. De Manke! Ze wist dat ik die big onder haar rok gestopt had en had een Duits vliegtuig op me af laten sturen maar toen had ze bedacht dat ik dat met die big niet zomaar gedaan had, dat ik er een bijzondere reden voor moest hebben, en met haar toverkrachten als heks had ze het vliegtuigje tot landen gedwongen maar had niet kunnen voorkomen dat het achter me aan kwam. Toverkrachten kenden hun grenzen. Ik was met mijn verdachtmakingen en bijgeloof al net zo erg als de anderen! Ik moest me vermannen. Het zou wel komen doordat ik dan wel niet verbaasd was maar toch geweldig was geschrokken. Ik hield me voor dat de Manke een vriendin van me was en dat ik die big onder haar rok had gestopt om erger te voorkomen. Als ze wist dat ik het was zou ze het begrijpen. Ik had nog twee vrienden in de wereld over, de een was mismaakt, de ander was gek volgens de mensen, ze noemden hem de Gekke Onderwijzer. Maar ik moest al die hokuspokus van me afzetten. Als ze wist dat ik het gedaan had en niet wist dat ik het om een goede reden gedaan had, dan nog had ze niet de macht om een vliegtuig op me af te sturen. In ieder geval niet met toverkracht, want toverkracht bestond niet. Wat wel kon was dat er een verkenningsballon in de lucht hing van waaruit ze mij zagen lopen en dat ze dachten: die ziet er verdacht uit, en dat ze naar het dichtstbijzijnde vliegveld over de grens telegrafeerden. Maar waarom zou ik er verdacht uitzien? Het was allemaal toeval. De Manke zou altijd een vriendin van me blijven omdat ze een paar jaar geleden tegen me had gezegd: Ach, jongen, jij hebt meer verstand in je ene pink dan ik in mijn hele lijf. Dat zou ik heel mijn leven onthouden, zo trots was ik. Ik was de mensen aan het langs gaan omdat ik plaatjes verzamelde die bijvoorbeeld op een pak beschuit zaten. Om het plaatje te vinden moest je het pak openen. Tante Marie, zoals ik de Manke noemde, maakte het pak speciaal voor mij open en toen ze het weer met een touwtje dicht wilde binden, deed ze het verkeerd. Ik nam het van haar over en toen zei ze dat wat me heel mijn leven zou bijblijven. Tegen mij praatte ze zacht en vriendelijk maar meestal staarde ze thuis zwijgzaam voor zich uit. Ze leed waarschijnlijk zeer onder wat de mensen over haar zeiden. Haar zus verklaarde, hoorde ik jaren later, haar norsheid zoals ze het noemde, uit het feit dat ze heel haar leven niet ongesteld was geweest. Dat bloed dat niet weg kon had zich opgehoopt in haar hoofd en drukte op haar hersens en daarom kon ze niet anders zijn als ze was. Ik had de big onder haar rok gestopt om erger te voorkomen. Nu het oorlog was dachten de mensen haar ongestraft te pakken te kunnen nemen, zelfs te kunnen vermoorden met het gelijk aan hun kant. Ze beschuldigden er haar van dat ze een Duitse was, in ieder geval was ze een Duitse agente die berichten over hen doorzond. De een wilde haar treffen in een van haar lievelingsdieren, haar kat, ze wilden die met een spijker door zijn kop aan haar deurpost nagelen. Anderen wilden een kuil graven in het pad waarover ze altijd naar de kerk kroop, een valkuil waarin sommigen zelfs ijzeren spiesen wilden plaatsen die haar zouden doorboren. De mensen konden erg wreed zijn. In een leegstaand boerderijtje was iemand van buiten het dorp komen wonen, de mensen kwamen erachter dat hij niet getrouwd was met de vrouw die bij hem woonde. Wekenlang trokken ze elke avond met potten en pannen, schuimspanen en pollepels, met ketelmuziek langs het boerderijtje.

Ik mag op een zondagmiddag met mijn broer mee naar het dorp van onze kerk. Naar het lof? vraag ik onnozel. Kom nou maar, zegt mijn broer. We gaan richting dorp. Als we, in plaats van langs de slootkant naar de kerk te lopen, de weg oversteken, ben ik even bang dat mijn broer voor de pastorie het pad naar de Manke zal inslaan en dat ik daar met mijn daden zal worden geconfronteerd, die waren nog maar een paar dagen geleden. Maar we lopen het pad voorbij, waarop trouwens niemand te zien is. Ik zie nu meer mensen dezelfde richting uit gaan, de kerk voorbij. Wanneer we in de bocht komen bij café Laarmans, waar ze grote honden hebben waar ik een beetje bang voor ben, hoor ik muziek en als we de bocht door zijn zie ik een heleboel mensen, en tussen de mensen door ook een heleboel karren kriskras rond de boerderij van Koperslagers die aan het begin van een zijweg staat. Vanuit mijn lage standpunt lijkt de bovenkant van het huis te drijven in een kleine vijver waarvan de oever rondom is afgezet met allerlei soorten karren: hoogkarren, aardkarren, platte wagens, kruiwagens, hondenkarren, maar ook ploegen en eggen, troggen, kinderwagens, en ook een kafmolen. Alles wat normaal op en rond de erven en in de open schuren in de wijde omgeving staat, is hier verzameld. En niet zomaar verzameld, de ene kar staat met de dissel hoog tegen het huis, tot meters voorbij de dakrand, bij de ander is de dissel onder de as door gehaald en denk je aan woorden als onnatuurlijk en ontwricht. Op een platte kar, die ik herken als de kar waarmee de melkbussen worden opgehaald, ligt een grote slijpsteen van meer dan een meter doorsnee met daarop allerlei viezigheid. Naast de slijpsteen staat een soldaat op een trekharmonica te spelen. Die soldaat woont bij ons, zegt Saartje Simons. Er zijn overal soldaten ingekwartierd en in de meeste stallen staan paarden en kanonnen. Nederland is niet in oorlog, het is neutraal, maar het is wel gemobiliseerd.
(…)

’ t Is ook niet niks, zeggen de mannen, zeven jaar verloofd. ’ t Is niet netjes. Het komt door die soldaten. Die hebben hier te lang gelegen. En hebben niks te doen. Die hoeven alleen maar naar de vrouwen te kijken. Die ene meid van Koperslagers, Jans, kreeg iets met een van de twee soldaten van Simons. Maar die twee meiden van Koperslagers, Jans en Dina, trekken altijd samen op, dansen, naar de kermissen en zo. En die twee soldaten zijn ook altijd bij elkaar. En Gied, de verloofde van Dina, is niet zo ’n uitgaanstype, hij ziet haar elke dag als ze buitenkomt, zegt hij, ze wonen naast elkaar. Zo schijnt er iets gegroeid te zijn tussen Dina, die dus de verloofde is van Gied, en de tweede soldaat. Maar toen de zus van Dina haar soldaat aan de kant zette, deed de andere soldaat hetzelfde met Dina. En zo had er uiteindelijk niemand iets. Gied hoopte nog even dat Dina met hangende pootjes bij hem terug zou komen, maar dat deed ze niet. En het huis was al gekocht. Ja, dat van Simons. Dat is een verhaal apart.

(…)
Als je de mensen zo over de Manke hoorde praten kende hun sadisme, hun moordzucht en hun vindingrijkheid geen grenzen. Zij mochten dat allemaal, want zij stonden aan de goede kant. De krijsende big die een zeker zo hard krijsende Manke veroorzaakte moest afleiden van die gruweldaden die in de lucht hingen, moest ze, voorlopig dan toch, de wind uit de zeilen nemen. We hebben die smerige verraadster toch maar even goed te pakken genomen. Wat kan dat mens krijsen, onmenselijk gewoon, een varken is er niks bij, een normaal mens krijst niet zo.
Ik was begonnen te rennen zo gauw ik dat vliegtuig in de verte op me af zag komen, en ik holde minstens twee kilometer door zonder om te kijken, zo bang was ik en zo zeker dat het ‘t op mij gemunt had. Ik holde door, ook nog toen ik allang de knal gehoord had en het gevechtsvliegtuig, zoals ik later hoorde, tegen de schutting bij de smederij tot stilstand was gekomen en in brand vloog. De motor werd in het weiland teruggevonden.
Wat ben jij vroeg op school, zeiden ze tegen me. Een grote jongen zei: Je hijgt zo en het lijkt of je een lijk gezien hebt.

(…)
Er zat een vliegtuig achter me aan, zei ik als verklaring waarom ik zo vroeg op school was. Hebben jullie de knal niet gehoord? Er knalt zo veel, zeiden de jongens, het is oorlog in de buurlanden, weetjewel. Later in de klas zei de grote jongen: Meester, Driek heeft een vliegtuig achter zich aan gehad, ze wilden hem ontvoeren. De meester gaf hem een tik en richtte zich dan tot mij: Is er iets van waar? Ja, meester, een Fokker, ik kon het kenteken zien, een DVII. Het was een Fokker, een door een Nederlander gebouwd vlieg-tuig, de best wendbare jager van de oorlog. Steeds weer, in de wedloop met de Engelsen en de Fransen om het beste vliegtuig is hij ze een stap voor, meester. Het machinegeweer kan door de propeller schieten. Door een slim systeem blokkeert die als men de trekker overhaalt, synchronisatie, heet dat. Door dat vliegtuig denk ik dat de Duitsers de oorlog zullen winnen, meester. Maar wat zullen de geallieerden doen als ze Fokker te pakken krijgen? Een Nederlander die de Duitse nationaliteit heeft aangenomen om voor de Duitsers gevechtsvliegtuigen te bouwen. Er zijn daardoor heel wat slachtoffers gevallen en de strijd in de lucht is daarmee vaak in het voordeel van de Duitsers is beslist. Mata Hari, de wereldberoemde nachtclubdanseres, ook van Nederlandse nationaliteit, die voor de Duitsers gespioneerd zou hebben, hebben ze gefusilleerd. Zouden ze dat ook met Anthony Fokker doen? Hij is toch in vreemde krijgsdienst! Ik denk, eerlijk gezegd, meester, dat ze hem heel anders zullen behandelen. De Belgen zullen hem misschien graag een kogel door zijn kop jagen, al was het maar uit wraak op de Duitse officieren waaraan hun eigen vrouwen van stand zich overgeven. Maar de Engelsen en de Fransen, die zelf vliegtuigen bouwen, maar niet zulke goede als Fokker, zullen hem voor zich laten werken. Ze zullen hem opnieuw de Nederlandse , de Franse of de Engelse nationaliteit geven of de Amerikaanse als dat beter uitkomt. Ze zullen van zijn kennis en kunde gebruik maken. Zo gaat het toch altijd meester. Op het eind krijgt hij nog een lintje, meester, of een kruis van verdienste, meester. Maar Mata Hari niet, die wist te veel, die zou een boekje open kunnen doen, zowel over de seksuele spelletjes van de Franse als van de Duitse hoge officieren, meester. Want ze heeft zowel in Berlijn als in Parijs gewoond. Eigenlijk is Mata Hari een omgekeerde Manke, meester.
Ik wist eigenlijk niet of ze op mijn school wel eens van de Manke gehoord hadden, die kroop immers in een ander dorp naar de kerk, er zaten geen jongens op deze school die net als ik in het andere dorp naar de kerk moesten.
Iedereen vindt Mata Hari mooi, alle mannen willen met haar naar bed, meester, alle vrouwen weten dat hun mannen met Mata Hari naar bed willen. Degenen die met haar naar bed zijn geweest willen haar dood omdat dat geheim met haar het graf in moet. De anderen willen haar dood uit wraak en frustratie dat zij niet met hen naar bed is geweest. Want Mata Hari is mooi en dus is ze een hoer en gaat ze met iedereen naar bed. Zoals de Manke een heks is die de mensen kwaad berokkent omdat ze mismaakt is en die dus wel voor de Duitsers zal werken . Dus die moeten de mond gesnoerd worden, meester. En definitief, meester, en grondig ook. Want dat mag bij een hoer en dat mag bij een heks, meester. Daarmee doe je geen kwaad, integendeel, meester.
Jij moet je door die vroegere collega van mij niet vanalles wijs laten maken, zei de onderwijzer. Jij hebt dat allemaal niet van jezelf, wij weten met zijn allen waar jij je wijsheid haalt. Waar heeft die man zijn verstand dat hij die rimram tegen zo’n snotneus vertelt! Het was waar. Als ik me vragen stelde over dingen waar ik eigenlijk met niemand anders over kon praten, dan legde ik die aan de Gekke Onderwijzer voor. Alleen over mijn klootzak van een broer praatte ik niet met hem.
Heeft u een hond, meester? Weet u dat de mitrailleurs van het Belgische leger door honden worden getrokken en dat de meesten al dood zijn voor de slag aan de IJzer is begonnen? En wist u, meester, dat de Nederlanders omdat ze zogenaamd neutraal zijn de haven van Antwerpen blokkeren zodat de Engelsen België niet kunnen bevoorraden? Wij zetten Belgische soldaten die onze kant op gevlucht zijn vast in gevangeniskampen, meester. Voor al die dingen zullen de Duitsers ons wel erg dankbaar zijn.

(…)
Ik riep dat dan wel allemaal en was opnieuw begonnen over Mata Hari en over Henry Fokker en dat niets erger was dan zo’n pak slaag en ook dat ik voortaan dwars door de mensen heen keek, niet alleen door hun kleren maar ook door hun schedel. Door hun kleren… en de meester was daar zelf het slachtoffer van, want hij lichtte zijn been met gebogen knie steeds een beetje op en daarom zeiden de jongens ‘hij plakt’ en nu zag ik inderdaad een enorme uitgezakte zak tegen de binnenkant van zijn linkerbeen aan hangen die hij met een hand via zijn broekzak steeds probeerde weg te duwen terwijl hij tegelijk zijn been optilde. Ik zag ook dat het niet hielp, dat het monsterachtige ding zich weer meteen daarna tegen zijn dijbeen aan vlijde. Maar terwijl ik door bleef praten over alles wat me dwars zat en ook over wat me niet zo zeer dwars zat als dat het gewoon op dat moment in me opkwam, terwijl ik door bleef praten was ik ondertussen al lang in de kolenkelder terechtgekomen, de plek waarin de onderwijzers kinderen voor straf of omdat ze gewoon lastig waren opsloten. En terwijl ik in mezelf nog steeds doorpraatte zag ik een straaltje zon door een raampje komen, eigenlijk was het geen raampje, het was een raamopening vlak boven de grond buiten met daarin zwarte, ik dacht zeskantige, horizontale tralies, en in het straaltje zonlicht zag ik het stof dat ik waarschijnlijk zelf had doen opdwarrelen toen ik de kelder binnenkwam en in de stilte hoorde ik nu een zacht tikken en zag iets glinsteren en achter de tralies nog net de schaduw van een hond verdwijnen en ik begreep dat die net zijn poot tegen de tralies had geheven, en ruiken deed ik het nu ook. Goed zo, zeik maar op de wereld, zei ik, schijt maar op de wereld, dat doe ik ook.
(…)

(uit: waarschijnlijk hoofdstuk nieuwe roman, Alles beter dan zo’n pak slaag. Jongen van 8 tijdens 1e Wereldoorlog. In HetWerk 63, literair kladschrift van Meurs A.M., 17e jrg 20 november 2013.
Bestellen (€4, tot 15 nov. 2018 geen verzendkosten, daarna plus €1,66)

Burgers en bezetters in WO2 uit Aan de Lange Weg van Meurs A.M.

Josje

Ze staan rijen dik om de bevrijders te verwelkomen. Josje Weels, Annekes schoonzus van verderop aan de Lange Weg, heeft een mooie zomerjurk aan en probeert op haar tenen naar voren te dringen om zeker te zijn van wat ze denkt te zien.
Jawel hoor! Op de voorste tank zitten de onderduikers die ze zo goed kent en vooral natuurlijk haar vriend Cor die ze zo gemist heeft sinds de onderduikershut achter hun huis is afgebrand en hij zich steeds verder weg moest schuilhouden. Hij is alweer voorbij, maar hij heeft haar gezien en heeft gezwaaid en kushandjes geworpen, maar natuurlijk komt hij op dit triomfantelijke moment voor geen goud ter wereld van die tank, dat snapt zij ook wel. Het jubelt in haar: de oorlog is voorbij en ik ben vierentwintig en verliefd en wanneer kunnen we gaan trouwen en kinderen krijgen? En ze denkt ook aan haar schoonzusje Anneke waar ze zo gek op is en die pas een baby heeft gehad: zou die alweer de straat op kunnen om de bevrijders te zien?
Ze moet haar enthousiasme kwijt, wil iets doen, iets geven aan die lachende Engelse, Amerikaanse soldaten – wat zijn het? Wat doet het ertoe! – en dan ziet ze op een open plekje tussen al die voeten een mooie geslepen steen liggen en raapt die op en wil die geven aan een van die jongemannen of eigenlijk aan al die lachende “hello!” roepende jongemannen. Het stelt niets voor, het had om het even wat kunnen zijn, het gaat om het gebaar en ze dringt zich naar voren, naar de jeep die net passeert en steekt haar hand met de steen uit en de breed lachende gebruinde soldaat in de jeep steekt eveneens zijn hand uit en dan stoot iemand tegen haar arm en valt de steen met een klap op de treeplank, een geweldige klap, iedereen schrikt ervan, Josje vooral, en het lijkt even stil, en in die stilte hoort ze een gehate stem: “Wat! Moet jij onze bevrijders met stenen gooien!”
Het is de man die haar al zo vaak is lastiggevallen, vooral ’s ochtends op de fiets omdat ze gedeeltelijk dezelfde route naar hun werk hadden. Maar dat zal nu wel afgelopen zijn want hij werkte op het vliegveld voor de Duitsers. De man die zich sinds het begin van de Duitse bezetting Neuenhaus heeft genoemd en nu wel weer gewoon Nieuwenhuis zal heten, en die haar nu een kunstje wil flikken om de aandacht van zijn eigen pro-Duitse houding af te leiden.
“Je hebt ook al met een Duitser in het hooi gelegen!” roept Nieuwenhuis. Hij doelt op het goede contact dat ze heeft gehad met een Duitse soldaat die in het patronaat lag ingekwartierd. Deze had een neef die zij kende uit haar geboortedorp vlakbij de Duitse grens, waaruit haar familie op haar twaalfde is vertrokken. Zij en de Duitse soldaat hadden er vaak over gepraat hoe toevallig het was aan welke kant van de grens je woonde en hij had haar regelmatig eten meegegeven dat zij goed kon gebrui¬ken voor de onderduikers, en dat wist hij dan weer niet. Ook had ze hem verteld van haar twee Duitse schoonzusjes, wier broers op een gegeven moment in het Duitse leger in Frankrijk moesten vechten, maar waar ze nu waren wist niemand.
Maar op dit ogenblik krijgt ze tranen in haar ogen om zoveel brutaliteit, om het onrecht dat ze beschuldigd wordt, en door wie!
Ze moet het op het politiebureau komen uitleggen en is nog steeds te verontwaardigd om alleen te gaan, maar dat hoeft ook niet. Haar oude vader gaat woedend mee en herinnert Neuenhaus, die ook is opgeroepen, eraan dat deze in het begin van de bezetting demonstratief het portret van de koningin van het behang heeft gescheurd. Ach, eigenlijk weet iedereen in het dorp, dus ook de politie wel hoe het werkelijk in elkaar zit. En Josje lacht alweer als ze buiten komt en daar Cor ziet staan wachten, men was hem meteen het voorval gaan vertellen, en hij wacht niet alleen op haar maar ook op Neuenhaus om die een pak slaag te geven. Maar die wordt een poosje vastgehouden.
“Er is toch nog rechtvaardigheid, hè schat!” lacht Josje en slaat een arm om Cor heen. “Kom, jongen, we zijn vrij, laten we gaan trouwen en veel kinderen krijgen!”

(uit Aan de Lange Weg 3e dr van Meurs A.M. pag.15 t/m 17)

(…)

 

(ill. Ufuk Kobas)

 

Oorlog

Josje

We gaan vier jaar terug. Nederland is vier maanden door de Duitsers bezet als Josje Weels die twintig jaar is, vanaf de Lange Weg over Sas naar de stad fietst, naar de Glaspoort van Philips in het stadsdeel Strijp, het trommeltje met de door haar moeder gesmeerde boterhammen onder een riempje op de bagagedrager. Nieuwenhuis die in het militaire dorp van Sas werkt, rijdt daar vaak op dezelfde tijd.
“Ik heb liever dat jij niet met mij meefietst,” zegt Josje, “want jij werkt voor het Duitse leger.”
“En wat denk je dat ze bij Philips doen, dom ding?” zegt Nieuwenhuis.
“Wij zijn in ieder geval niet voor de Duitsers,” zegt Josje ferm. Behalve die ene baas dan, denkt ze. Die zal bij de bevrijding met bureau en al op een vrachtwagen afgevoerd worden. En met diegene die zich, zo gauw de Duitsers er waren, Neuenhaus heeft genoemd, zal het niet veel beter aflopen.
“Waarom denk je dat er bij jullie zoveel Duitse soldaten rondlopen?” gaat Nieuwenhuis pesterig verder. “Je hoeft helemaal niet voor ze te zijn als je maar voor ze werkt. Ze zijn slim genoeg, slimmer dan wij.”
Josje denkt aan de Oekraïners die door de Duitsers bij luchtalarm het dak opgestuurd worden om het afweergeschut te bedienen.
Als de meisjes in de lunchpauze de ijzeren trap afdalen, komt hen over de volle breedte van de trap een groep Duitse soldaten tegemoet met de bedoeling de meisjes opzij te dwin¬gen. Maar Josje zegt: “Wat ben ik moe!” en gaat midden op de trap zitten, zodat de soldaten wel om haar heen moeten, en niet alleen de meiden, ook de Duitsers schieten in de lach. Ziezo, denkt Josje, ieder zijn oorlog.
Wanneer ze in haar broodtrommeltje kijkt, ziet ze dat er blokjes paardevlees op het brood zitten. Dat lust ze niet en ze eet niet. Het is tegen de avond een lange tocht van Philips naar huis, en vermoeiend, zeker als je de hele dag niet hebt gegeten, want ’s morgens vroeg voor ze naar het werk gaat eet ze nooit. Ze is laat, want ze had een “lekitimatiebewijs”, zoals moeder zei, op moeten halen.
Vanuit de verte heeft ze het al gezien, er staan een heleboel mensen voor hun huis. Ze pakken haar fiets aan en duwen haar naar binnen: “Ga maar gauw, Josje, want je moeder is niet goed geworden.” Dat was niet voor het eerst en de vorige keren was moeder er ook altijd weer bovenop gekomen. Aan het bed van haar moeder zit Anneke die sinds drie dagen haar schoon¬zusje is, en misschien was die trouwpartij moeder wel teveel geworden. Ook Annekes eigen moeder hadden de tranen in de ogen onder het witte mutsje gestaan toen ze de kerk uitkwam en ze had er een zakdoek bij moeten pakken. Het was ook wat, dat op één dag de laatste twee van je vier dochters trouwden en dat in de oorlog!
“Dag moeder, hoe gaat het?” zegt Josje tegen haar moeder die flets glimlacht en dan weer haar ogen sluit. Moeder was de hele dag onrustig geweest. Ze liep steeds naar de voordeur en zei: “Waar blijft vader toch?”
“Die zal zo wel komen,” zei de buurvrouw dan. Het was heel gewoon dat vader bij goed weer tussen de maaltijden niet thuis was. Moeder was steeds op zoek naar brandhout en liep ook telkens naar het winkeltje.
“Vrouw Weels, u bent al wel drie keer geweest voor een builtje suiker,” zei de vrouw van het winkeltje. Dat waren protestante mensen. En toen moeder terug naar huis wou, wilde ze achterom, langs de oude Gender, terwijl ze normaal goed wist dat het daar met prikkeldraad afgezet was. Terwijl ze naar de oude Gender liep viel ze opeens, op haar zij, alsof ze door een windvlaag van opzij werd omvergeblazen. Zo bleef ze liggen.
“Moeder, ik val flauw van de honger, ik moet gauw iets eten,” zegt Josje en loopt naar de keuken waar een pan stamppot met worst en een varkenspootje op de kachel staat. Terwijl ze uitgehongerd aan de keukentafel zit te eten, ziet ze door de geopende deur Anneke aan het bed van haar moeder zitten. Ze kan niet stoppen, zo`n honger heeft ze, en ze eet de hele pan bestemd voor vijf personen leeg.
Nog dezelfde avond sterft haar moeder. Het laatste eten dat moeder voor het hele gezin heeft klaargemaakt, heeft Josje in haar eentje opgegeten. Steeds ziet ze zichzelf daar aan die keukentafel, en door de geopende deur Anneke aan het sterfbed van haar moeder zitten. En ze blijft herhalen: “Maar moeder, hoe kon ik weten dat het je sterfbed was en ik had zo`n honger en ik lust geen paardevlees!”

“Ze wisten vast dat wij van de grens komen en Duitsers gewend zijn en daarom hebben ze de lelijkste Duitser die ze hadden op ons afgestuurd,” zei mijn broer Leo altijd. De soldaat Knal, die bij ons was ingekwartierd, was inderdaad erg lelijk. Hij noemde zich Flieger Knal, ook op zijn postkaarten naar de Heimat, en hij werkte ook wel op het vliegveld maar dan om aardappels te schillen. Hij werd erg geplaagd, bijvoorbeeld wanneer hij aan de gootsteen uitgebreid zijn ene tand stond te poetsen. We reageerden onze ergernis aan de bezetter op hem af, maar hij bleef er kalm onder, hij deed meestal of hij het niet verstond.
Het moest wel sportief blijven, vond mijn moeder. Een buurmeisje bij ons op bezoek had gloeiend hete thee over zich heen gekregen, men wilde “die Duitser” de schuld geven, maar moeder wist dat dat onzin was en nam hem in bescherming.
Hij was net zo ondersteboven als wij toen zij plotseling overleed. Bij zijn afscheid een jaar later, zei hij het nog: “Die Frau Mutter hat doch immer für mich auch Pappe gemacht.” Of zoiets. En hij sloeg zijn hakken tegen elkaar en zei: “Herr Weels, ik wens u het allerbeste! Heil Hitler!” Mijn vader had kalm aan zijn pijp getrokken en gezegd: “Die beste wensen neem ik graag van je aan, Knal, en geef ik jou ook, maar met die Hitler kun je de pot op.” Knal was gewoon vertrokken.

Het was wel eens moeilijk voor Josje toen er zich in het tweede oorlogsjaar onderduikers nestelden in een hut in het broekland achter hun huis. Met name in verband met Knal. Hij mocht niet weten dat zij hun eten bracht. Zeker moest hij niet net thuiskomen als zij met een lege pan uit het riet kwam. Maar hij was vrij stipt in zijn komen en gaan. Eigenlijk waren de leveranciers en leurders, die gewend waren op de gekste tijden achterom te lopen en waarvan een enkeling bij de NSB was, veel gevaarlijker. Knal mocht vooral niet merken dat er in huis eten bewaard werd voor de onderduikers, dat bovendien nog vaak uit het patronaat, dus van de Duitsers kwam.

Er zit vanalles hier achter ons huis. Zowel jongens hier uit de buurt als twee broers helemaal uit Drenthe. Meestal zit er wel zo`n man of zeszeven. En allemaal omdat ze niet in Duitsland willen gaan werken.
Een van die jongens uit Drenthe heeft zelfs al in Duitsland gewerkt en is ontsnapt. Hij had in eerste instantie toestemming gekregen om een gek uit zijn dorp, die per vergissing ook via de Arbeidsdienst in Duitsland was terechtgekomen, naar huis te begeleiden. Toen de toestemming werd ingetrokken stapte hij toch op de trein, maar zonder de gek. Als de trein wordt ge¬controleerd, wordt het een scène uit een film: een non die de paniek in zijn ogen ziet, geeft een teken dat hij zich onder haar habijt moet verstoppen.
Altijd als hij dat verhaal vertelt, vragen ze niet: “En hoe is het verder gegaan?” want ze zien hem voor zich, dus zal het wel goed zijn gegaan, maar: “En hoe was het onder die rok?” En hoewel ik ook graag lach en natuurlijk ook hierom, moet ik toch altijd aan die gek denken, wat er met hem zal zijn gebeurd.
Ze zijn gehaaid genoeg die jongens. Die uit Drenthe zijn niet katholiek en hebben allang geleerd dat ze dat in Brabant niet moeten laten merken, willen ze eten en onderdak krijgen. Want dat is de eerste vraag die bij de boeren opkomt. Daarom hebben ze altijd een rozenkrans bij zich, die ze achteloos uit hun zak laten bungelen of bij een maaltijd uit hun achterzak halen en naast hun bord leggen, omdat ze er niet op willen zitten. Hetzelfde als ze ergens mogen slapen, het zijn gevoelige jongens die niet zomaar op de spullen in hun broekzakken gaan liggen en altijd komt als een van de eerste dingen die rozenkrans te voorschijn.
“Ik zie het al,” zegt de boer of boerin, “ik hoef verder niks te vragen.”

Dan staat opeens de hut in brand! Ook veel van het riet er om¬heen brandt af. Is het verraad? Hebben ze een jonge jongen die het bij zijn NSB-ouders niet uithoudt ten onrechte vertrouwd? Of is de jongen met zijn stoel tegen de kachel in slaap gevallen? De brandweer is er snel bij, met de net nieuwe motor-spuitwagen. Maar ze komt niet verder dan tot aan de oude Gender vlak achter de huizen, die meestal droogstaat en vol rotzooi ligt, vooral van de garage aan de overkant van de Lange Weg. Met spades modder wordt het vuur om de hut heen gedoofd. Ook de politie komt eropaf, en de Duitsers. Omstan-ders proberen de Duitsers nog te laten geloven dat het om een speelhut voor kinderen gaat, maar daarvoor is hij te professio¬neel ingericht. De Duitse commandant vindt het naambordje van de hut: “Het Roosje”. Hij vindt het een verdachte naam, waarom weet ik niet.
Die nacht slapen de onderduikers op het zoldertje van onze keuken, waar je alleen van buitenaf op kunt komen. Ze moeten doodstil zijn, want in huis slaapt Flieger Knal. Het is een onhoudbare toestand en iedereen is dan ook blij als het dag is en Knal naar het vliegveld vertrekt om aardappels te schillen en de jongens een andere schuilplaats kunnen gaan zoeken. De Duitsers doen rondvraag in de buurt en blijken alle namen te kennen van de onderduikers die in “Het Roosje” hebben gezeten. Behalve die van Fer, mijn jongste broer. Die werd, hoewel hij ver in de twintig is, zelfs helemaal niet gezocht en is dus voor niets ondergedoken. Hij wordt er hevig om geplaagd.
De jongen die bij die non onder de rok heeft gezeten ben ik trouwens erg aardig gaan vinden, dus ik hoop maar dat hij niet te ver weggaat. Hij heet Cor.

Cor en zijn broer komen uit Drenthe, uit het veen. Hun vader is een goede turfsteker en aardappelrooier. Hij verdient veel maar drinkt het allemaal op. Tijdens de aardappeloogst houdt hij zijn kinderen, en dat moeten er minstens een stuk of zes zijn, thuis van school en laat ze met hem op het land werken. Maar ook het geld dat de kinderen verdienen zuipt hij op. Hij komt na het werk niet eens naar huis, gaat regelrecht naar de kroeg. Als hij wel thuis is, is het ruzie. In zo`n gezin ben je blij dat je het huis uit kan. Maar het was niet Cor zijn bedoeling dat dat via de Arbeidsdienst in Duitsland zou zijn.
Josje wil alles van Cor weten. Sinds Het Roosje is afgebrand is hij wel erg ver weg, in de bossen buiten het dorp. Josje vindt het wel spannend, ze vindt alles spannend, ook om daar eten te gaan brengen, maar ze moet met spijt toegeven dat het te riskant is, dat ze makkelijk gevolgd kan worden, en ze stopt er mee.
Vooral de goedlachse Duitse officier Jozef, die bij haar thuis langskwam vanaf het begin dat Flieger Knal bij hen was ingekwartierd, heeft er een handje van plagerig tegen haar te zeggen: “Waar is Cor toch tegenwoordig?” Josje weet niet goed wat ze aan hem heeft. Hij lacht altijd zo hard dat de medailles op zijn borst rinkelen, maar hij weet de namen van alle jongens die in Het Roosje hebben gezeten, hij moet met de kermis gezien hebben dat de jongens daar ook zijn, hij gooit die avond zijn medailles over straat, maar de volgende dag draagt hij ze weer. En, heeft ze zich laten vertellen, hij brengt dan wel altijd wat voor de familie mee maar pakt toch ook steeds naar de holster van zijn revolver als hij achterom komt lopen.
De onderduikers gaan gewoon bij de watermolen in de Dommel zwemmen, tussen de kampeerders en dagjesmensen. Hoe meer mensen hoe veiliger. Maar ze spelen ook een spelle¬tje met Fer zijn schoen in het water. Daar kan Josje zo kwaad om worden! Het is zo makkelijk om Ferrie in de maling te nemen. Al moest ze misschien geen medelijden met hem hebben, want had hij niet de aansteker die zij van Cor had gekregen verkocht en het geld er doorheen gedraaid? Zou Jozef zo vaak bij hen thuis komen om via Fer wat meer te weten te komen?

“Laat de jongens maken dat ze wegkomen, want er is een zwijn gestolen!” Het is Jozef die naar haar roept vanaf het dak van de sigarenfabriek waar ook Duitsers zijn gelegerd en ze roept terug: “Ja goed, dag Jozef.”
Ze vraagt zich af wat er aan de hand is: is er iemand opge¬pakt voor het stelen van een varken en heeft die de schuld aan de onderduikers gegeven, misschien zelfs de plaats van de hut verraden? Of wil de slimme Jozef op deze manier de plaats van de hut te weten komen?
Het is een prachtige hut, die tweede, in de bossen tussen Steensel en Riethoven, bijna helemaal onder de grond want de bodem is hier niet zo drassig als in het broekland achter hun huis, met raampjes vlak boven de grond en een ontsnappingsgat aan de achterkant. Er hangen kleden aan de wand en ze hebben er zelfs een SS-uniform.
Het oude moedertje had wanhopig een van de onderduikers aangeklampt om haar wat simpele zoon onder te laten duiken, want hij had zich zonder dat zij van iets wist over laten halen om bij de SS te gaan en was plotseling in dat uniform thuisgekomen. Ze was zich doodgeschrokken, had hem het uniform meteen uitgetrokken en hem in bed gestopt tot zij het onderduikadres had gevonden. Vooral Theo, Cor’s broer maakt veel gebruik van het uniform, hij komt er mee tot in Hilversum om eten te brengen. Josje zegt het vaak: vooral Theo en hun vriend Alex durven alles.

“Het is Jozef!” roepen de onderduikers naar elkaar als ze door het raampje vlak boven de grond de Duitsers recht op de hut af zien komen marcheren. En misschien omdat ze hem zo goed kennen en bij andere gelegenheden wel eens vlak naast hem gestaan hebben en zelfs wel eens iets met hem gedronken hebben, denken ze nu te laat aan vluchten. Behalve Cor.
“Komm daraus, komm daraus!” roept Jozef al van ver.
“Het is Jozef!” roepen de onderduikers alsof dat een geruststelling is. En inderdaad komt Jozef aan het hoofd van twintig manschappen recht op de hut af marcheren. Maar waarom doet hij dat en roept hij in plaats van de hut stiekem te omsingelen?
“Waar is Cor toch gebleven?” zegt Jozef plagerig tegen Josje.
“Smeerlap, je hebt ze zelf laten arresteren,” zegt Josje.
“We hadden gehoord van een feestje en wij wilden ook naar het feest,” lacht Jozef. Er was inderdaad een soort feestje in de hut waarbij ook onderduikers van elders aanwezig waren. Hoe wist Jozef dat? Ferrie? Zat daar Jozef achter dat Fer niet gezocht werd voor de Arbeidsdienst? Of wist Jozef het toch van degene die het zwijn had gestolen?
Cor heeft er nog over gedacht om zich ook maar aan te geven nu al zijn kameraden zijn opgepakt en de hut is vernietigd. Maar als zijn broer Theo en zijn beste vriend Alex op transport naar Duitsland al bij Venlo uit de trein weten te springen, is hij blij dat hij niet heeft opgegeven. Hij vindt onderdak bij een, vanzelfsprekend, katholieke boer. Hij hoeft niet mee te bidden, ze weten dat hij niet godsdienstig is opgevoed, maar de boerin zegt wel hoe mooi het zou zijn wanneer Cor nog tijdens zijn verblijf bij hen zijn Eerste Communie zou doen. Voor Josje hoeft het niet, hij mag van haar gewoon blijven zoals hij is.

Het blijft een vreemd ding zo`n oorlog, zeker als je jong bent, alles is anders want de Duitsers zijn de baas, maar eigenlijk gaat het leven gewoon door en het is ook spannend, want je voelt je een baldadig kind als je de bezetters een loer kunt draaien. Eigenlijk ben je voortdurend zoals alle jongeren in opstand tegen het gezag maar in de oorlog is dat met toestemming van en zelfs aangemoedigd door de ouderen.
Als je in een café wat te luid zegt dat je viavia hebt gehoord dat het met de Duitsers in Frankrijk niet zo best gaat, komt er zo`n figuur met een lange jas naast je staan en laat zwijgend een speldje achter zijn revers zien.
“Mooi speldje,” zegt Josje. “Is het te koop?” En de zwijgende figuur gaat even zwijgend weg.
Maar als ze op straat voor het café zegt: “Daar is de zoon van de geitenboer die de onderduikers heeft verraden,” wordt ze door de jonge NSB’er in elkaar geslagen. Ook zijn vader is een fanatieke NSB’er, op hun huis staat Nooit Gedacht, en dat staat op veel huizen, maar als de Duitsers de oorlog beginnen te verliezen, wordt daar flink, zij het nog voorzichtig, om gegniffeld.
Bij Bergeijk, op de weg naar de grens, staat een Nederlander die soldaat is in het Duitse leger op de meest gekke tijden mensen aan te houden, te fouilleren en op te brengen. Iedereen in de buurt heeft de pest aan hem. De weer ontsnapte onderduikers Theo en Alex nemen hem te pakken en laten hem voor halfdood aan de weg liggen. Het volk, ook de boeren, lacht in zijn vuistje. Het enige dat de Duitsers doen is een avondklok instellen. Dat heeft iedereen er graag voor over. Verder gebeurt er niets, er wordt niemand opgepakt, niemand verhoord. Het lijkt erop dat de Duitsers ook met de fanatieke¬ling in hun maag zaten.
Ik geloof dat ik wel van een beetje sensatie hou, denkt Josje, zolang er met Cor maar niks gebeurt. Eigenlijk is dat maar een lauwe oorlog hier bij ons. Iedereen, de burgemeester, de politie, de ambtenaren, is gewoon op zijn post gebleven. Er is maar een enkeling echt pro-Duits, zoals er blijkbaar ook maar een enkeling fel anti-Duits is. We ergeren ons aan de arrogantie van de Duitsers, spotten ermee, helpen onderduikers, maar er is geen gewapend verzet of sabotage en er worden ook geen mensen vastgezet, gemarteld, laat staan terechtgesteld. Frans de Lepper komt met een geladen revolver bij café van Oers binnen en iedereen schrikt zich rot, want dat had hem wel zijn kop kunnen kosten, maar Frans is een voddenkoopman die van alles weet op te scharrelen, en het ding wordt snel weggewerkt. Er valt wel eens een klap, maar dat was voor de oorlog ook al het geval. Politieagent Oud had daar altijd al een handje van. Hij slaat mensen recht in het gezicht als ze in de weg staan of geen of een verkeerd antwoord geven, en hij is dat in de oorlog gewoon blijven doen. Burgemeester Van Tuin komt bij je thuis om je over te halen om de Duitse Winterhulp te steunen. Maar als je blijft weigeren gebeurt er verder ook niks. En dezelfde vrouw die geweigerd heeft mee te doen aan de Winterhulp, accepteert wel dat er elke middag zes Duitsers die in het patronaat gelegerd zijn hun boterham bij haar thuis komen opeten.
Er zijn al heel wat kinderen van Duitsers geboren. Het valt natuurlijk niet goed te keuren, maar wat doe je eraan, vindt Josje, zo is het leven. Die Duitse jongens zijn al bijna vijf jaar hier, vijf jaar lang zijn de meisjes verliefd op ze kunnen worden. Onze jongens die in Duitsland moeten werken gaan daar toch ook met Duitse meisjes! Het is natuurlijk niet helemaal hetzelfde maar toch. En daar zijn vast ook kinderen van gekomen. Het is allemaal niet zo eenvoudig, denkt Josje.

Nu de geallieerden al in België staan, is burgemeester Van Tuin opeens ondergedoken. Die wil vast nog als verzetsheld uit de oorlog komen in plaats van als promotor van de Duitse Winterhulp. En Josje heeft ook gehoord dat de vrouw die geweigerd had mee te doen aan de Winterhulp, maar wel de hele oorlog bij het middagmaal Duitsers in huis had geaccepteerd, dat had gedaan omdat ze een keer in de tuin naast haar een glimp had opgevangen van de volwassen buurjongen, die dus in zijn eigen huis zat ondergedoken. Ze had geacht: daar moeten de Duitsers dus niet gaan eten. En ze had het de hele oorlog voor zich weten te houden, dat van die buurjongen.

Nadat al die geallieerde vliegtuigen zijn overgevlogen en Sas zo ongelukkig is getroffen, hoort Josje dat de eerste Engelse pantserwagen vanuit het zuiden via de noodbrug over de Dommel het dorp is binnengekomen. Als een tank het ook probeert, stort de brug in en kantelt de tank. Het blijft die dag bij die ene pantserwagen die de weg door Sas en om het vliegveld heen wordt gewezen, waar hij ten noorden van de stad contact kan leggen met de Amerikanen die daar zijn gedropt.
Maar nauwelijks hebben sommige helden gehoord van de Engelse pantserwagen, of ze hebben een van de dochters van een doodarm gezin, waarvan de vader om den brode bij de NSB was gegaan, uit huis gehaald om haar in het openbaar kaal te scheren. Gelukkig wordt dat door een man met de revolver in de hand verhinderd.
En dan komen de tanks met daar bovenop Cor vanuit het westen over de Lange Weg Josje tegemoet rijden en probeert Nieuwenhuis nog iets even belachelijks als zieligs met haar uit te halen. Maar dan is de oorlog ook voor haar voorbij.

(uit Aan de Lange Weg 3e dr van Meurs A.M. pag.20 t/m 31)

(…)

De Vrouwen van de Eerste Huizen

“Wat één ding betreft kan ik je wel helpen,” zegt Hanna Bosmans. “Jullie hadden op het eind van de oorlog wel een schuilkelder in de tuin. Het heeft de hele oorlog geduurd voor het zover was, als hij thuis was zag je Leo altijd graven. Ik mag zeggen dat ik hem aardig ken, want ik kom zelf ook uit Gelderland, en hij was niet een van de vlotsten maar wel altijd bezig, meestal met zijn verzekeringen en anders in zijn hof.”
“Ja, hij keek nooit op als je voorbijkwam,” zegt de oudste dochter van Meijer met haar zware stem.
“En als je naar hem riep, keek hij met tegenzin,” zegt Hanna Knietel die heel vlug praat en een beetje sproeit. “Alsof hij bang was dat je bleef staan om een praatje te maken. Nou, denk ik dan, ik ken wel gezelliger mensen om een praatje mee te maken. Maar je wilt toch ook niet voorbijlopen zonder iets te zeggen, of wel soms? Dat deed je toch zeker niet in die tijd!”
“Maar voor jouw tante Josje haal je wel wat naar boven,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen. “Ze vraagt zich af of jij weet dat ze met haar kinderen nog wel eens naar de krater is gegaan waar de tweede onderduikershut is geweest en waar de onpeilbare Duitse officier Jozef handgranaten in had laten gooien. Ja hoor, wel nadat iedereen eruit was.
Over de sfeer in die oorlog zegt je tante Josje dat we niet veel op hadden met de Duitsers maar dat er toch meer kinderen van Duitsers dan van Canadezen zijn geboren, hoewel die laatsten de naam hadden. Ze blijft zeggen: zo is het leven. Als het haar dochters geweest waren die een relatie met een Duitse jongen hadden, zou ze erover gepraat hebben en gezegd dat het beter was van niet, maar ze zou het niet absoluut hebben verboden. We kunnen je trouwens alvast verklappen dat we het trouwboekje van je tante Bet en je oom Toontje hebben gevonden. We lachen ons rot.

(uit Aan de Lange Weg 3e dr van Meurs A.M. pag. 48)

(ill. Ufuk Kobas)

De roman Aan de Lange Weg bestellen