Voorheen de Acht-Huizen (uit Aan de Lange Weg)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was en Meerveldhoven zoals het was, zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

De Achtwoningen eind jaren ’80. De 2 linkerwoningen zijn dan al dichtgetimmerd voor de Kempenbaan

Voorheen de Achthuizen

Vrouw Teunis uit de Acht-Huizen vindt Anneke Weels maar een verwaand ding, met die toch al vooruitspringende onder­kin, die ze dan ook nog eens omhoogsteekt, en altijd dat opscheppen over de kinderen, die best goed zullen kunnen leren, maar ondertussen hebben ze daar bij Weels geen nagel om hun reet te krabben, want met al dat leren is er geen kind dat al wat binnenbrengt.

           Anneke Weels, voorheen uit de eerste bocht van de Lange Weg, en nu ook, zij het nog steeds niet fanatiek, uit de Acht-Huizen, vindt vrouw Teunis een norse vrouw, erg tuk op geld en luxe, en vooral lomp, lomp in de omgang. Ze lijkt boven­dien wel een woonwagenbewoonster met dat zwarte haar, die donkere blik en al die sieraden. Maar daar kunnen de kinderen ook niets aan doen en vader Teunis is een goed mens.

            De oude en nieuwe bewoners van de Acht-Huizen hebben hun bedenkingen over elkaar, maar soms valt het ook mee, want de buurman van de ene kant, het koddige Willeke, komt zeggen: “Weels, ik zag het eerst niet zitten, maar u bent, geloof ik, toch een fatsoenlijk mens.” Een jonger broertje van Jantje had de buurman toen wel een kusje willen geven.

            “Voor de kinderen was het heel wat anders,” zegt Hanna Bosmans van de Eerste Huizen. Bij de volwassenen was het een kwestie van een idee, van een bepaald beeld dat men van elkaar had: in de Acht-Huizen wonen voornamelijk asociale gezinnen, buiten de Acht-Huizen voelen de mensen zich boven ons verheven ook al stellen ze zelf niet veel voor.

Maar voor de kinderen Weels is het een echt probleem, een praktisch probleem. Want jarenlang zijn ze op weg naar het dorp daar voorbijgelopen, en bij het ene huis werden ze al eens uitgescholden voor spuitelf, bij het andere hebben ze al eens belletje getrokken, soms zelfs bij een huis waarvan ze wel met de kinderen speelden. Want hoe zit een kind in elkaar? Dat waren gewoon verschillende dingen: dat huis en die bel en die deur waarachter, spannend!, misschien wel een ouder stond te wachten… en dat kind waar je mee speelde. Je wist natuurlijk wel dat het daar woonde, maar toch bracht je het veel meer in verband met de plek waar jullie altijd speelden, bijvoorbeeld bij jou thuis of bij een van de andere buren, dan met dat huis waar je altijd belletje trok.

            En wie heeft er hulppolitieagent van Vulpen met zijn voeten op tien voor twee niet nagedaan?

            Pijnlijk was het soms ook andersom: het jongste meisje van Teunis roept de oudste van Weels, Tonnie, na: “Doe maar niet zo verwaand, spuitelf, zo bijdehand zijn jullie niet, bij ons liggen de maandverbanden niet op zolder te rotten!”

            Dat was inderdaad een pijnlijke zaak, want hoe goed ze ook konden leren, erg bij de tijd waren de meisjes van Weels op dat gebied niet. Kwestie dat er nooit over seks en vrouw-worden werd gesproken. Dat was nog in het vorige huis geweest, maar hoe wist zo`n meisje uit de Acht-Huizen dat? Dat moest ze gehoord hebben van een vriendinnetje van de meisjes Weels dat wél in hun vorige huis op zolder was geweest.

            Neem nou dat tweede meisje van Weels, het braafste kind van de klas, allemaal negens en tienen, dat heeft wel jarenlang belletje getrokken bij Trees Meps, dikke Trees, en haar uitge­scholden voor Trees Tiet. En waarom? Wel, omdat ze dacht dat dat wel mocht, dat was geen normaal gezin, je zag Trees niet in de kerk en de kinderen hadden verschillende achternamen, dus kon je je dat permitteren, een vader zag je er trouwens nooit, dus bang hoefde je niet te zijn.

            En Jantje Weels van veertien, die kwam maar één huis van zusje Schors vandaan wonen, met wie hij vroeger doktertje had gespeeld, o wel tien jaar geleden, en wie had er niet met zusje Schors doktertje gespeeld!: een hegblaadje op haar blote kontje gelegd en daar doorheen een stokje in haar gatje gestoken. Maar wie durft er in zijn puberteit zo`n meisje aan te kijken, vooral als je haar sinds die tijd nauwelijks hebt gezien?

            “Toch een vorm van penetratie, zouden we tegenwoordig zeggen,” lacht Hanna Bosmans. Maar serieus, Anneke Weels kon haar verdriet openlijk tonen, ze miste het oude huis, de tuin, de hoge bomen en vooral Ineke, het buurmeisje dat al haar kinderen had leren lopen. Maar de kinderen moesten hun geheimen voor zich houden, de kans dat de ouders, nu ze zo dicht bij elkaar woonden, zouden gaan kletsen was te groot.

            “Maar terug naar de familie Teunis,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen. Of A.M. wist dat dat kleine magere mannetje naar de pas aangebouwde bijkeuken was verbannen, met zijn hoest en zijn glimlach, vooral met zijn hoest natuur­lijk, ofschoon, leek het wel, het vooral die glimlach was die zijn vrouw in de weg zat. Maar voor de rest van het gezin en de bezoekers, de televisiekijkers, de kaarters, was het toch vooral de hoest, die hartverscheurende of liever duidelijk hoorbaar slijmscheurende hoest, gadverdamme. Maar zijn vrouw, zijn stevige, forse, gezonde, met sieraden bedekte vrouw stoorde toch vooral die glimlach, als een van triomf, van haha nooit meer terug te moeten naar de mijn, niet onder de grond en ook niet, als surrogaat, boven de grond; daarvoor was de hoest te ver gevorderd.

            En of A.M. wist dat ze speciaal daarom nóg een televisie hadden aangeschaft, toe maar, en die in de bijkeuken hadden opgesteld, hangend aan de muur, zodat dat mannetje met zijn hoest daar in zijn eentje zat, vlakbij de geëmailleerde wasma­chine, de enige aan de Lange Weg. En geen wonder dat je met zo`n wasmachine, waar je geen heet water meer hoefde in te gooien, als eerste maandagsmorgens de was aan de lijn had, soms al voor zeven uur, en ook de witste was had, want nu was er Omo en ook die kon vrouw Teunis betalen. En of ze wilden of niet, de andere bewoners van de Acht-Huizen moesten daarin mee, en al gauw werd het een soort wedstrijd, wie de witste was had dus en het eerst aan de lijn, maar wel een wedstrijd waarvan de eerste plaats al bij voorbaat was verge­ven.

            En nadat de zonen van Teunis rond het voortuintje een muurtje met een sierstang erop gebouwd hadden, omdat een gewoon ligusterhegje zoals de buren hadden niet meer goed genoeg was, en nadat er een bijkeuken aan de keuken gebouwd was en de wc verplaatst, zodat zij de eersten waren die niet meer naar buiten hoefden om naar de wc te gaan en bovendien de eersten die een toilet met waterspoeling hadden, en nadat er dus twee televisies waren gekomen en een elektrische klok en allerlei koperen en vergulde voorwerpen, zoals een lepelrek en asbakken, en nadat de vrouwen in het gezin allemaal een nieuwe fiets en de mannen een brommer hadden gekregen – behalve de dikke Hors, die bleef uiterst traag, bijna stapvoets op zijn nieuwe fiets van huis naar café naar voetbalveld rijden – en toen de moeder zoveel sieraden had dat ze elke dag van de week andere om kon doen, en de dochters ook hierin steeds meer op de moeder begonnen te lijken… toen ging het kleine, magere mannetje, dat nog geen zestig was en tientallen jaren veel geld verdiend had in de mijnen, de pijp uit met nog steeds die glimlach van triomf op de lippen.

            En toen beseften de zoons dat ze eigenlijk, en niet alleen van uiterlijk, veel op hun vader leken, en hoe al te waar dat was konden ze niet eens vermoeden, want ze wisten toen nog niet dat verschillenden van hen zich eveneens kapot zouden werken voor een naar luxe hunkerende vrouw, en vooral wisten ze niet dat ze geen van allen oud zouden worden en dat hun moeder, voor wie ze alles over hadden gehad, hen allemaal zou overle­ven. Maar ondertussen misten ze de vader en zeiden soms zelfs: “Wat is het hier stil!” want ook aan een hoest, zij het dan vanuit de bijkeuken, kun je blijkbaar wennen.

            “Hé!” roept Hanna Bosmans, “wist je dat allemaal? Nee? Dan weet je het nu in ieder geval!”

            Buurvrouw Marietje, die zoals elke morgen tussen negen en tien uur bij Anneke Weels in de deuropening tussen keuken en kamer staat, heeft het verhaal van de dood van vader Teunis verteld. Maar Anneke luistert maar met een half oor, want ze heeft het diezelfde ochtend al van de toekomstige schoon­dochter van Marietje gehoord die op haar beurt elke ochtend tussen half zeven en zeven uur bij Anneke zit omdat ze dan thuis al de deur uit moet en bij Marietje nog niet binnen kan. Om kwart over zeven gaat ze samen met haar verloofde, de zoon van Marietje, naar de sigarenfabriek. Annekes oren tuiten van de verhalen die ze vaak dubbel te horen krijgt – ze krijgen bij die mijnen een goed pensioen, dat heeft ze wel begrepen – en hoewel ze zelf graag en veel praat, houdt ze zich tegen de nieuwe buren op de vlakte, want alles wordt doorverteld, en telkens denkt ze: was Ineke het vroegere buurmeisje er maar, want daar kan ik echt mee praten.

            Aanloop heeft Anneke genoeg, al is het maar van de buur­man van de andere kant, Adri de Laat die, voor hij naar de begrafenis gaat in zijn bruine zondagse pak waarmee hij al uren aan de weg staat, achterom komt om door Leo Weels zijn stropdas te laten strikken.

            “Veel te jong,” zegt Adri. Zeg dat wel, Adri. Ja, net als jouw broer. Want toen zijn broer was overleden speelde zich hetzelfde af en werd er hetzelfde gezegd. De familie de Laat is de andere meest opvallende familie van de Acht-Huizen.

            “En dus kun je die beter aan ons overlaten,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen, “dan kunnen wij meteen de link naar de brommer leggen, want die speelt niet alleen een grote rol in het verhaal van Adri de Laat maar voor iedereen aan de Lange Weg, eerst vooral voor de jongelui maar later ook voor de ouderen, het is hét vervoermiddel voor het gewone volk in het begin van de jaren zestig van de twintigste eeuw.”

            Wie kan zich niet herinneren dat de fiets van Leo Weels terugkwam, met de lijnbus, en nu met een motortje erop ge­monteerd zodat het een bromfiets was? Dat was lachen!

            En hoewel we verteld hebben dat bij de familie Teunis dikke Hors een uitzondering was met zijn fiets, was het toch zo dat Hors ook een brommer heeft gehad, heel even. Maar geen brommer ter wereld kon zo langzaam rijden als Hors wilde, trager dan stapvoets. Dus lag hij daar met zijn buik op dat ding, zijn voeten aan weerskanten over de grond schuivend, en vooral bezig met de motor niet af te laten slaan en niet om te vallen. Binnen een week zat hij weer op zijn fiets.

            Als er een brommer een van de gangetjes, tunneltjes, van de Acht-Huizen in rijdt, is het geluid oorverdovend, je zit in een bombardement, het geluid kan niet weg, weerkaatst, botst tegen zichzelf op, je zit te trillen. Als Adri de Laat op zijn brommer thuiskomt hoor je hem “hoho, hoho!” roepen en met een klap tegen de poort tot stilstand komen. De poorten staan in een punt op het gangetje, één voor het met betonnen schuttin­gen afgezette binnenplaatsje aan de linkerkant en één voor dat aan de rechterkant.

Vrouw de Laat is dan plotseling omringd door motorgeronk en ze schrikt wakker met de stopmand op haar schoot, met haar piekhaar van onbestemde kleur, haar altijd bolle buik onder de vale blauwgebloemde schort en haar ondoorzichtige vleeskleu­rige kousen.

“Hij is thuis,” zegt ze met een hoge hese stem.

“Misschien lijkt ze wel een beetje op mij,” zegt Hanna Knietel tegen de twee andere Vrouwen van de Eerste Huizen. “Ik word soms ook helemaal versuft van het huishouden en ik ben dan blij dat ik vriendinnen als jullie heb om eens uit te praten. Je valt overdag in slaap boven de stopmand of de aard­appelschil­lenmand, omdat je de hele nacht met zo`n kind bezig bent geweest en je man maar lag te snurken. En dan komt hij thuis, en het eerste dat hij vraagt is niet: hoe is het met jou of hoe is het met het kind, maar: hoe is het met de jonge hondjes en is er nog iemand aan de deur geweest? En jij vraagt je af of je de bel wel hebt gehoord en hoopt maar dat iemand die zo`n adver­tentie leest gewoon achterom komt. Altijd heeft je man wel iets: als hij geen hondjes fokt dan heeft hij duiven of zijn het de voetbaluitslagen die hem meer interesseren dan zijn gezin. En als hij thuis is, en hij is vaak thuis want hij loopt ook regelma­tig in de ziektewet, dan repareert hij geen dingen of helpt in het huishouden of werkt in de hof – de nieuwe buurman heeft nog een stukje tuin met plantjes voor hem moeten aanleggen – nee, dan ligt hij aan de weg, letterlijk vaak, tegen de heg of in de sloot aan de overkant, en roept naar iedereen, vooral naar de meiden, en als er een voorbijkomt met de fiets aan de hand, dan zegt hij ‘zozo, lekke band?’ maar redding is van hem niet te verwachten, dat ziet zo`n meisje in één oogopslag. Zijn ogen schieten heen en weer, hij gebaart als iemand die alles aan wil pakken, hij praat aan één stuk door, maar al dat bewegen, van die ogen, die mond, die armen en benen, dient alleen voor dat bewegen zelf, wordt nergens nuttig voor gebruikt, nergens op overgebracht: een gesloten circuit van nutteloze, alleen voor zichzelf dienende energie. En als hij dan toch uit zijn slof schiet, gaat hij iets belachelijks doen op een belachelijke plaats: houtjes voor de kachel hakken midden in de zomer en midden in de keuken, ‘want het kan al flink koud worden ‘s avonds voor jou en het kind,’ zegt hij terwijl de spaanders door de keuken vliegen, en jij denkt dan: hij bedoelt het goed.”

            Hanna Bosmans en de oudste dochter van Meijer schieten in de lach maar kijken ook verbaasd naar Hanna Knietel, zo`n woordenstroom, daar is over nagedacht. Die Hanna heeft goed naar Adri de Laat gekeken, of was dat niet eens nodig, zag ze al gauw de overeenkomsten met haar eigen man en wist ze wat voor vlees ze in de kuip had?

            “Weten jullie nog toen dat kind zoek was?” zegt de oudste dochter van Meijer met haar zware stem, en natuurlijk weten ze dat nog maar ze willen het opnieuw horen, gewoon voor het plezier, en misschien zijn er toch dingen bij die ze vergeten zijn. Maar eerst willen ze het over het varken hebben, want dat is een fenomeen op zich. En ze weten ook waar ze uit zullen komen met hun verhalen, want ze zijn niet voor niks begonnen met te vertellen hoe Adri thuiskomt op zijn brommer. Het geeft allemaal niks, het is het verhaal van een lach en een traan, zoals alles in het leven, als je tenminste oog hebt voor die lach. Maar eerst het varken.
(Uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)

Café Jansen (uit Aan de Lange Weg)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was en Meerveldhoven zoals het was, zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

(Als je bij de Driesprong zat, dat zat je bij Jansen. In de volgende scène is Willems: Jansen, Den Os: De Leeuw, van Oers: van Gestel, het Zilverstrand: de Goudkust, Sas: Zeelst, de Lange Weg: de Langendijk/Provincialeweg.)

(Fragment uit het hoofdstuk ‘Op café Twee’)

‘Staat naast hotel/café Den Os aan de Lange Weg nog de laatste boerderij van het dorp, bij café Willems aan het begin van de Schoolstraat zit de ex-boer Noud Lauwers, ook al eentje die er niet helemaal normaal uitziet met zijn armpje dat hij omhoog houdt als een kippevleugel zonder veren. Noud is een van de zonen van de op één na laatste boerderij van het dorp. Hun boerderij staat er nog wel daar aan de Broeklandweg maar het land is verkocht aan de gemeente, voor twee nieuwe wijken die er ondertussen gebouwd zijn. Noud is dus, behalve een vleugellamme, ook een van zijn land losgesneden boer. Alle reden om de hele dag bij Willems te zitten. Noud vergelijkt zich graag met de indiaan, wiens land en levenswijze hem zijn afgenomen en die nu aan het vuurwater is geraakt. Naast hem zit hier aan de bar en tegen de muur Kareltje Manshoog.

Kareltje is een gevaarlijk mannetje. Je ziet dat aan die kop met vet achterovergekamd pikzwart haar maar vooral aan die stevige nek en de houding van die stoere schouders. En ook aan de manier waarop hij naar je kijkt en luistert zonder iets te zeggen. Tot degene die hem een verhaal vertelt er ongemakkelijk van wordt en op zijn barkruk ineenschrompelt en Kareltje het verhaal van de ander dodelijk samenvat: “Dus de vrouwen moeten voor jou uitkijken.”

“Nou, dat valt ook wel weer mee,” zegt de ander met het stemmetje van een muis.

Bij Willems komt iedereen, ook de Philipsbeambten uit de nieuwe wijk die in de volksmond het Zilverstrand wordt genoemd. Ze gaan zaterdagsmorgens judoën in het patronaat en daarna nemen ze een paar pilsjes bij Willems. Judo is ongelooflijk populair sinds Anton Geesink wereldkampioen is geworden. Nee, net zoals Jan Weels daar dan de hele dag blijven hangen doen ze niet. Om één uur zitten ze gewoon aan de lunch bij de vrouw thuis. Jan komt pas bij het avondeten thuis, en ook dat vaak niet. Soms brengt hij een oud mannetje, dat door zijn toedoen een borrel teveel genomen heeft, terug naar het klooster. Dat is de gelegenheid om zich af te vragen waar hij mee bezig is en of hij zijn judopak niet naar huis moet brengen. Hij blijft op de been met borrelworstjes, pinda`s en paprikachips.

Vorige zaterdag is hij met Ko Bierhof in de taxi gestapt naar Valkenswaard (10 kilometer!), hoewel hij gezegd had dat zijn geld zo goed als op was. Maar Ko had erop gestaan dat hij meeging en hem in het café in Valkenswaard, waar volgens hem zijn geliefde zat, aan iedereen voorgesteld als zijn ‘jonge vriend’, en ze waren allemaal erg aardig tegen hem geweest. Ko had inderdaad urenlang contact met de bazin, die als ze maar even kon bij hem kwam zitten. Hij zag er in zijn donkerblauwe streepjespak uit als een heer, hij was zeer charmant en zong mee met de Franse chansons. Maar voor zover Jan zich kon herinneren waren Ko en zijn geliefde niet van de bar weggeweest. Het diepe hoge café was hem bijgebleven als een prettige omgeving om te zijn. Ze waren ook met de taxi teruggekomen, een hele uitgave, en hadden afgesproken om de volgende zaterdag opnieuw te gaan.

Dat was gisteren, maar hij had vergeefs bij Willems zitten wachten. En toen had men hem uitgelegd waar Ko waarschijnlijk was. Hij had het timmerfabriekje achter de huizen inderdaad gevonden, en daar had Ko gestaan in zijn beige timmermansoverall. Toen pas had Jan zich gerealiseerd hoe de honderden guldens die Ko het vorige weekeind voor hen beiden had uitgegeven, verdiend moesten worden.

Mon amour, mon amourr, liet Ko steeds op de jukebox spelen, wat de achterkant was van Non, je ne regrette rien van Edith Piaf. Het was Jans taak geweest de plaat steeds opnieuw te kiezen en zelfs het kwartje daarvoor had Ko hem gegeven. Jan schaamde zich en was niet teruggegaan naar Willems. Voor het eerst in lange tijd kwam hij zaterdags overdag thuis.

Het is zondagavond laat en Jan zit bij Willems. De Wildeman komt binnen, een kunstschilder die zo genoemd wordt vanwege zijn uiterlijk en gedrag. Jan kent hem van de verhalen. Maar er komt iets bij wat de verhalenvertellers niet op waarde wisten te schatten: de Wildeman heeft veel gelezen, Dostojewski, Hermans, Streuvels, Elsschot, Wilde. Het klikt tussen de zeven jaar oudere Wildeman en Jan. Het is al tegen sluitingstijd en ze vertrekken met een liter vieux naar het hutje van de Wildeman. Er staat een kolenkacheltje en er liggen overal tekeningen met een laagje gruis erop. Jan slaapt een paar uur op de rand van het bed van de Wildeman, het hout staat `s morgens in zijn rug. Om half tien zitten ze in café van Oers aan de weg naar Oerle. Ze ontbijten, drinken, kletsen en toepen, en de Wildeman vertelt verhalen, net als de vorige avond. Bij het toepen vertrouwt Jan blindelings op de Wildeman. Bij de verhalen telt voor Jan alleen of ze goed verteld worden. Jan komt zelf ook los. Cafédochter Maria vlucht blozend naar de keuken.

Om een uur of een beginnen ze van Sas naar de Lange Weg te lopen; om half drie moet de Wildeman beginnen bij de weverij. Dan komt Jans zus Tonnie hen tegemoet fietsen. “Waar heb jij gezeten? Ik fiets al heel de morgen rond. Bij Den Os wisten ze alleen dat je naar Willems was gegaan en bij Willems was het nog niet open. Ons moeder is hartstikke ongerust. Ik begrijp niet hoe je dit kunt doen. Ze heeft het al zo moeilijk sinds Ineke dood is.”

Jan was het even vergeten. Want nog geen twee weken geleden, vroeg in de morgen, gooit Anneke Weels de slaapkamerdeur open van haar oudste zoon die eindelijk een eigen kamer heeft nu zijn zus is getrouwd, schreeuwt wat naar binnen en laat de deur open. En die deuropening blijft daar staan als een enorme vertikaal geopende mond, als een schreeuw, en Jan weet niet zeker wat hij heeft gehoord, maar ook hij schreeuwt: “Doe godverdomme die deur dicht!” Alles schreeuwt, de moeder, het deurgat, de zoon, want hij beseft nu wat ze heeft geschreeuwd toen ze wanhopig is weggelopen, niet in staat om stil te staan: “Ineke Verstappen is dood!”, haar grootste vriendin en troost en het meisje dat hem heeft leren lopen. “Ik ga zo,” had Ineke tegen haar man gemompeld nadat de wekker was gegaan. Maar toen hij haar een paar minuten later aanstootte en zei: “Toe dan”, reageerde ze niet meer en was dood. “Het ergste was nog dat binnen tien minuten de politie daar was,” zei Anneke. “Wat denken die lui wel! Dat krijg je er dan ook nog bij. En het was zo`n goed mens,” zei Anneke. “Als de oudste naar school was, pakte ze de jongste op en zei: ‘Kom op, Hans, we nemen het er vandaag van, we gaan bij Anneke buurten.’” Anneke kon wekenlang niet ophouden met huilen.

De Wildeman kent het verhaal van de plotselinge dood van Ineke, haar man werkt bij hem op de weverij. “Ga maar gauw naar huis,” zegt de Wildeman. “Een moeder moet je niet… nou ja, ga maar gauw naar huis.”’

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)


De manufacturenwinkel (uit Aan de Lange Weg)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was en Meerveldhoven zoals het was, zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

( Na een slechte ervaring met de bakker voor wie ze werkt besluit de ‘de bloedmooie Petra Donkers’ in de verpleging te gaan ver van haar dorp. Eerst moet ze nog langs de manufacturenwinkel om een uniform te kopen. Ze vergeet bijna dat ze afscheid moet nemen van Dolf, van wie ze nog niet zeker weet of hij haar vriend is, die als marinier naar Nieuw Guinea vertrekt.)

(Fragment uit het hoofdstuk ‘De Wildeman Een’)

‘In het smalle gangetje tussen de muren van de winkel en de bakkerij van Wenkenbeek komt Petra met haar hoge zwarte fiets tussen haar benen op ons toelopen. Ze draagt een crème­kleurige wijde rok met zwarte ceintuur en een witte blouse met korte mouwen. Het valt ons weer eens op hoe buitengewoon mooi ze is. Tussen haar handen op het hoge stuur van haar fiets houdt ze een gebakdoos geklemd. Maar ze huilt! Ze fietst weg. Vijftig meter verderop stopt ze, een been aan elke kant van de fiets. Ze komt terugfietsen. Ze is harder gaan huilen. Voor de winkel laat ze de fiets langs haar benen op de grond glijden. Ze gooit luid snikkend de doos tegen de etalageruit. De ruit blijft heel, een stuk gebak zakt langzaam langs het glas naar bene­den.

            Mevrouw Wenkenbeek, vijfenveertig jaar en met schort, kijkt door de glazen deur naar buiten, waar Petra met gebogen hoofd staat te snikken. Mevrouw Wenkenbeek komt naar buiten, slaat haar linkerarm om het middel en legt haar rechter­hand op de buik van het meisje. In het smalle gangetje achter hen steekt bakker Wenkenbeek zijn bovenlijf door de deurope­ning van de bakkerij en kijkt naar de beide vrouwen. Mevrouw Wenkenbeek merkt hem op en jaagt hem achter Petra’s rug met een woedend slaand gebaar van haar linkerarm weg. Petra duwt mevrouws hand van haar buik. Mevrouw Wenkenbeek raapt de fiets op en legt de handen van Petra op het stuur, ze gebaart haar te wachten. Mevrouw Wenkenbeek komt met een nieuwe doos gebak buiten en legt die tussen Petra’s handen op het stuur.

            “Van mij,” zegt ze, “dat is wat anders.”

            Petra fietst zonder op of om te kijken weg, ze huilt niet meer. Als ze weet dat ze uit het zicht is, staat ze stil met de fiets tussen haar benen. Zonder aandacht te schenken aan de voor­bijgangers eet ze zeer gulzig achter elkaar drie gebakjes op. Ze fietst verder. Bij de kerk heeft ze geen erg in de kerkklok en gaat rechtsaf het pad tussen de hoge hagen in. Voorbij de meisjesschool fietst ze linksaf richting de Lange Weg. Ze stopt bij de winkel voor manufacturen op de hoek.

            Ze neemt de doos gebak op de binnenkant van haar linker onderarm, duwt met haar rechterhand de rechthoekige stan­daard van haar fiets naar beneden, duwt dan met haar voet verder tot het achterwiel van de grond komt en de fiets staat.

            Ze komt even later buiten met een wit kledingstuk, gevou­wen in doorzichtig plastic: een verpleegsters-uniform. Ze doet het onder de snelbinder en haalt binnen de doos gebak op. In gedachten fietst ze dezelfde weg terug die ze gekomen is. Ze schrikt als ze merkt dat ze weer in de richting van de bakkerij fietst. Bij de meisjesschool gaat ze nu rechtsaf weer het pad in, ziet dat het op de kerktoren tien voor half twee is, schrikt geweldig en begint hard te fietsen. Op het eind van het pad slaat ze voor de kerk rechtsaf en zet nu echt de vaart erin. Ze kijkt ver voor zich uit naar de T-kruising met de Lange Weg, vaag ziet ze de zijkant van een autobus.

           De bus zit vol jongens in mariniersuniform. Alleen Dolf loopt nog buiten zenuwachtig heen en weer met een tekenmap onder zijn arm. Zijn vader is net geweest om hem op het laatste moment een hand te geven. Er staan nog een paar meisjes om de jongens uit te zwaaien. De chauffeur toetert en begint meteen langzaam op te trekken. Dolf springt naar binnen. Terwijl hij de Kerkstraat in kijkt ziet hij Petra gebogen over de gebakdoos aan komen fietsen. De bus is al vijftig meter ver weg als ze de weg oversteekt en achter de bus aan rijdt. Dolf is naar achter in de bus gehold en kijkt naar haar door de achter­ruit. De bus meerdert vaart, de afstand wordt groter en Petra stopt abrupt, de doos gebak valt op de grond. Ze staat met de fiets tussen haar benen midden op de weg en blijft de bus nakijken tot hij om de bocht bij hotelcafé Den Os verdwijnt. Dolf gaat dan zitten.’

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)

Vóór Srebrenica, de moorden op Sarajevo

De val van Srebrenica kwam terecht in het toneelstuk Srebrenica of de mandaad, aan het schrijven waarvan ik meteen na die val in juli 1995 begon.
De moorden op bewoners van Sarajevo, die in de jaren daarvoor plaatsvonden, zowel door hun Servische buren als door Serviërs uit
Bosnië en Servië, die door de week op kantoor of in de fabriek werkten maar in het weekeind de bergen rond Sarajevo introkken om op de mensen beneden in de stad te schieten, liet ik opduiken in het hoorspel De gekke onderwijzer.

De gekke onderwijzer, hoorspel in 3 episodes, fragment

Episode 2

Op de achtergrond oorlogslawaai: gierende projectie­len, ontploffingen, geratel van machinegeweren. Op de voor­grond zwaar hijgen van een man, voetstappen, gevloek, ge­mompel in een niet herkenbare taal. De voetstappen stoppen, met een zucht wordt iets zwaars op de grond gezet, gerom­mel, gemompel, gesnuif, ge­rommel, vergenoegd gesnuif, geschuifel, even stilte, dan barst een machinegeweer los, een vloek, geratel, triomfantelijk gejuich. De oorlogsgeluiden op de ach­tergrond gaan door.

GEKKE ONDERWIJZER: (luid)
Je loopt de berg op
en schiet naar beneden
het is heel eenvoudig
je schiet gewoon naar beneden
je raakt altijd wat
je schiet op alles wat beweegt
je vroegere buren
vrouwen en kinderen
niemand is onschuldig
daar beneden
het mag
je buurvrouw komt buiten
je probeert haar te raken
het is oorlog
je wilde haar altijd al
maar mocht nog geen blik
op haar werpen
je zou moordend, brandend, verkrachtend
rond willen gaan
daar beneden
het kan nog niet
moet nog vanaf de berg
je kan haar wel doden
je bent pervers
mikt op haar kruis
niemand zal het weten
het is oorlog
niemand is onschuldig
daar beneden.

Een klik, de oorlogsgeluiden stoppen plotseling. Even stilte, weer een klik: landelijke geluiden, wel keihard, vo­gels, een schaap, een hond, plotseling een droge knal. Het terugspoelen van een recorder, weer de vo­gels, het schaap, de hond, de knal. Steeds opnieuw.

GEKKE ONDERWIJZER (schreeuwt er bovenuit)
Opeens kan het
de een twee meter
achter de ander
de ander schijnbaar struikelend
al dood misschien
in ieder geval stervend
de een machtig
de ander machteloos
een verschil van leven
en van dood
Omstanders!
waar zijn de omstanders?
wat doen ze?
opeens kan het
postbode die nu politie is
en een pistool heeft
dat hij gebruikt
Standrechtelijk!
Oooooooooooh!
de een wordt de ander
ik word de een
ga achter de ander
(hijgt gespannen)
koekje van eigen deeg
net goed
eigen schuld
neeeeeeeeeeeeeh!
(een klik, stilte)

DE 

GEKKE

ONDERWIJZER

Hoorspel in 3 episodes

De gekke onderwijzer (c) 1990, 2005 Meurs A.M.

Spelen © 2005 Meurs A.M.  www.meursam.nl

Gerechtigheid © 1987, 1989, 2005 Meurs A.M

Srebrenica of de mandaad © 1996, 2005 Meurs A.M

Mijnwerkersmacht © 1990,2005 Meurs A.M

De gekke onderwijzer © 1990, 2005 Meurs A.M

ISBN 90 5045 020 2

D/2006/4689/1

Nur 307

www.uitgeverijdegraal.be

Foto voorkant omslag: Johan van Nijen

uit Spelen 2006 Meurs A.M.


Srebrenica of de mandaad – Derde bedrijf


toneelstuk in 3 bedrijven door Meurs A.M.

(Eerste Bedrijf)

(Tweede bedrijf)

Personen

OUDERE MILITAIR

 De oudere militair is niet alleen Overste Karre­mans maar net zo goed de oudere soldaat Piet Hein Both als minister Voorhoeve, premier Kok, het Neder­lands op­perbevel, de VN, zelfs opperbevelhebber Janvier en president Chirac en wij allemaal met ons opportu­nisme en onze problemen.

JONGE SOLDAAT

 De jonge soldaat is niet alleen de argeloze die gebruikt wordt, die het niet meer weet en die verdringt, maar ook de wij allemaal die uiteindelijk uit elkaar barst door de ongerijmdheid en misdadigheid.

MARSKRAMER

 De marskramer is het soort oude slachtoffer, in de zin van slachtoffer van eerdere misdaden, dat letterlijk, ook moreel, boven de partijen is komen staan, zich daarop niet laat voorstaan en zijn ogenschijnlijk onno­zele rol speelt.

VROUW

GIJZELAARSTER

 De vrouw en de gijzelaarster zijn de slachtoffers aan beide kanten wier levensrollen verwisselbaar zijn.

VLUCHTELING/GENERAAL

 De vluchteling/generaal is niet alleen Mladic maar net zo goed Karadzic en Milosovic, de wapenhandelaars en iedereen die macht en voordeel ontleent aan de oorlog.

SOLDAAT HERMAN

 Soldaat Herman is de botterik, de voetbalvandaal, de discovechter, de eigen-volk-eerst-aanhanger, kortom het kanonnenvlees bij uitstek voor beide partijen.

BODYBUILDER

 Typisch iemand die niet is wat men denkt. Een spiegel, hoe dan ook.

DERDE BEDRIJF

Kort voor de genocide van Srebrenica. De resten van een loods vol kogelgaten en bloedvlekken, boven de hoofden van de personages hangt een brug. De militai­ren hebben hun mouwtjes karikaturaal hoog opge­schoven, ze doen steeds tussendoor wat lichaamsoefe­ningen, hun bodycultuur steekt schril af tegen de (on­zichtbare), vermagerde en verpauperde bevolking.

De OUDERE MILITAIR en de JONGE SOLDAAT los­sen een vrachtwagen met grote blikken, dozen en kratten.

JONGE SOLDAAT: Hoe was het in Bratunac, majoor? Weer zo in de watten gelegd door die Serviërs, ma­joor? U bent de hele nacht weggebleven, majoor.

OUDERE MILITAIR: Onvoorstelbaar, jongen. Wat die lui je voorschotelen: eten, wijn!… Om van de zaken waarvan ik als hoofd van een gezin geen gebruik wens te maken maar te zwijgen.

JONGE SOLDAAT: U bent gelukkig getrouwd, hè majoor?

OUDERE MILITAIR: Maar ja, je koopt dan ook in één keer voor 25000 mark. Daar willen ze wel wat tegen­over stellen.

JONGE SOLDAAT: (kijkt geïnteresseerd in een half geopende doos) Ze schijnen ook aan de Moslims te verkopen, maar die kunnen natuurlijk nooit de prijs betalen die wij geven, majoor. (Haalt een blikje uit de doos) Bavaria, dat is toch uit de buurt van Breda, ma­joor?

OUDERE MILITAIR: Wat ze aan ons niet kwijt kun­nen, slijten ze aan de plaatselijke bevolking. Nou, die willen wel na die maandenlange blokkades.

JONGE SOLDAAT: (houdt de doos omhoog, leest) “Dutchbat, speciale zending.” Zouden ze ons onze eigen spullen durven verkopen, majoor?

OUDERE MILITAIR: (antwoordt niet, kijkt naar SOLDAAT HERMAN, die in trainingsbroek en een ge­bloemd over­hemd, de mouwen extreem hoog opge­rold, onopvallend het toneel op is komen schuifelen) Hoezo ben jij in burger? Heb jij soms iets geprobeerd? Kijk maar uit. Ze heb­ben het recht je als spion zonder meer te liquideren. Als guerilla-strijder trouwens ook.

JONGE SOLDAAT: Ja eigenaardig. Beide partijen ma­ken gebruik van spionnen, maar ze vinden het no­dig zo verontwaardigd te doen over die van de te­genpartij dat ze menen het recht te hebben deze zonder meer neer te schieten.

SOLDAAT HERMAN: Na ze eerst gemarteld te heb­ben om nog zoveel mogelijk te weten te komen na­tuurlijk.

JONGE SOLDAAT: Natuurlijk. Een riskant beroep, spion.

SOLDAAT HERMAN: Maar wel goed betaald.

JONGE SOLDAAT: Toch geen vluchtpoging gedaan, hè Herman?

SOLDAAT HERMAN: (scherp) Als ik een vluchtpo­ging doe, dan lukt ie ook. Dan ben ik vertrokken.

JONGE SOLDAAT: Rustig maar, ‘t kon zijn dat ‘t je alle­maal teveel werd. ‘t Valt niet mee om maan­denlang opgesloten te zijn en niet met verlof te kunnen. Wij hebben het daar ook moeilijk mee.

SOLDAAT HERMAN: Zoals ik zei, ik ben geen mietje. Als ik weg wil, ben ik weg.

Haalt zijn uniform, legt zijn pistool en een dikke por­te­monnee uit zijn broek, wrijft liefkozend over de por­temon­nee terwijl de JONGE SOLDAAT zegt:

JONGE SOLDAAT: Had jij trouwens niet veel meer kleren aan daar­straks?

Er rennen enkele gestaltes over de hangbrug.

SOLDAAT HERMAN: Verrek, dat waren Moslims! Die haal ik terug!

Pakt een machinepistool en gaat, nog steeds in trai­nings­broek, achter ze aan over de hangbrug, de ande­ren kijken hem hoofdschuddend na.

OUDERE MILITAIR: Moet jij niet eens proberen weg te komen? Je neemt gewoon een voertuig mee. Ik heb liever dat het jou lukt dan Herman. Die durf ik niet bij me thuis langs te sturen.

JONGE SOLDAAT: Ik wil de zaak hier niet in de steek laten.

OUDERE MILITAIR: Kom zeg, normaal was je allang met verlof geweest.

JONGE SOLDAAT: Stil, daar is ie weer.

SOLDAAT HERMAN: (Komt op met enkele verou­derde gewe­ren, gooit ze op de grond) Waren zoge­naamd op jacht.

OUDERE MILITAIR: Die mensen zíjn op jacht! Ze hebben niets te eten. Die lui zijn wanhopig. Er zijn al meer dan tien mensen van honger omgekomen!

SOLDAAT HERMAN: Ik hou me aan het mandaat: ont­wapen iedereen binnen de compound.

JONGE SOLDAAT: Heb jij al één Serviër een wapen afge­nomen?

SOLDAAT HERMAN: Nee, maar dat doet niets af aan het principe.

Er gaat een mijn af. Daarna is het even doodstil. Dan klinkt een jongemeisjesstem:

JONGEMEISJESSTEM: (buiten beeld) Zijn jullie daar, schatjes van me? Lieve Hollandertjes! Wij waren met ons tweeën gekomen om jullie te ver­wennen en wat brood en sigaretten van jullie te krij­gen. Maar nu mijn zusje op een mijn is gelopen, wil ik jullie vragen mij een keer extra te neuken, zodat ik de begrafenis kan betalen. Doen jullie dat, lieve Hollan­dertjes van me?

OUDERE MILITAIR: (Overstuur) Ga weg! Ga terug! Loop midden op de weg. Hier zijn brood en sigaretten. Kom niet terug!

Pakt een brood en een pakje sigaretten, wil ze gooien, maar wordt tegengehouden door SOLDAAT HERMAN die nog maar half is aangekleed.

SOLDAAT HERMAN: Zonde! (halveert het brood, pakt een paar sigaretten uit het pakje) Zou marktbe­derf zijn. (roept) Ik kom eraan, schatje! (gaat af)

JONGE SOLDAAT: (mompelt) O god, laat hem op een mijn lopen voor hij bij dat meisje is. (Blijft staan luiste­ren, sluit zich dan bij de OUDERE MILITAIR aan die woest ver­der gaat met het lossen van de vrachtwagen. Na een poosje) Misschien moet ik inderdaad hier weg voor ik een van mijn eigen mensen vermoord.

Ze lossen de vrachtwagen.

SOLDAAT HERMAN komt terug en trekt wellustig zijn trainingsbroek op.

Had je die sigaretten en dat brood niet zo kunnen ge­ven?

SOLDAAT HERMAN: Ik neem wat ze aanbiedt, zij krijgt wat ze vraagt. Ik blij met haar kutje, zij blij met het brood. Ik ben lief tegen haar. Wat wil je nog meer! Bovendien vrij ik veilig. Ook voor mezelf en mijn meisje thuis trouwens.

JONGE SOLDAAT: Je bent een schoft.

SOLDAAT HERMAN: De Serviërs snijden haar bor­sten en haar schaamlippen af! Want, zeggen ze, dat deden de Ustasja’s in de Tweede Wereldoorlog ook met de Servische vrouwen.

JONGE SOLDAAT: Klootzak, moet ze soms blij zijn dat jij dat niet doet?

SOLDAAT HERMAN: Gelul, ik doe gewoon wat ie­dere man zou doen en betaal ervoor wat ervoor staat. Als de prijs omhoog gaat betaal ik meer. We weten pre­cies wat we aan elkaar hebben. Niet meer en niet minder. De rest is schijnheiligheid. Bovendien heb ik haar zus begraven. De stukken bij elkaar geraapt en begraven. Moest terplekke gebeuren. Zie ik jou nog niet doen. Ben je vast ook te fijngevoelig voor. Ik heb er een extra beurt voor gekregen. Maar daar deed ik het niet voor. Ik had echt met haar te doen. Ik heb ook mijn zwakke kanten. En nou, shit, wil ik een pils.

Er sluipen, nu van de andere kant, gewapende gestal­tes over de brug.

OUDERE MILITAIR: Serviërs, zie je zo, aan de wapens en hun hele stijl: goed getraind.

Er wordt over hun hoofden heen geschoten.

Ik moet toegeven dat ik de verdwaalde kogels van de Moslims voor ons gevaarlijker vind dan het gerichte vuur van de Serviërs.

JONGE SOLDAAT: Moet je er niet achteraan, Herman?

Heviger artillerievuur.

OUDERE MILITAIR: De mensen zitten daar op elkaar ge­pakt. Dat kan nooit missen.

JONGE SOLDAAT: Ik voel me niet op mijn gemak.

SOLDAAT HERMAN: Dat zijn je vrienden, man! (luistert naar het schieten, grinnikt) Ik geloof dat ik eens ga kij­ken of er in de stad iets te beleven valt. (af)

De OUDERE MILITAIR en de JONGE SOLDAAT zit­ten elkaar een poosje aan te kijken.

JONGE SOLDAAT: (staat op) Ja, ik denk dat ik het moet proberen.

OUDERE MILITAIR: Wacht.( af en meteen terug met een klein pakje) Geef dit voor me af. (Drukt de JONGE SOLDAAT even tegen zich aan)

JONGE SOLDAAT af. De OUDERE MILITAIR raakt in een cri­sis vol drukke bewegingen en wanhoopsgeba­ren maar maakt geen geluid, gaat dan zitten, zegt voor zich uit:

Jezus in de hof van Getsemane… (plechtig) Kunt gij dan niet één uur met mij waken? (stilte)

JONGE SOLDAAT: (komt verslagen op, geeft de OUDERE MI­LITAIR het pakje terug) Herman is erger, staat vastge­bonden aan een lantaarn­paal de verschrikkelijkste dingen te schreeuwen. Als zo dadelijk mét de Serviërs ook de pers komt, gaat dat de hele wereld rond. We moeten hem doodschieten. Ik geef me op als vrijwilliger.

SOLDAAT HERMAN: (buiten beeld schreeuwend) Jullie heb­ben de verkeerde! Ik sta aan jullie kant! Ik heb een hekel aan Moslims. Het zijn geen mensen! Het zijn scharminkels! Haal me hier weg! Ik vecht met jullie mee! Geef me Arkan! Dat is een man naar mijn hart. Stelletje dienstplichtigen die me hier vastgeketend hebben. Ik wil Arkan zien! Arkan! Was ik Serviër zou ik een Arkan zijn! Arkan! Weg met de NAVO! Fuck de NATO! Maak me los, Arkan! Maak je vriend los, Arkan!

Het schieten neemt in hevigheid toe, dan klinkt er mars­muziek en wordt een ijzeren gevaarte in de vorm van een hoge steile tent op wielen het toneel op ge­trokken. Het heeft ijzeren pinnen als een fakirbed en in het midden van een de zijden is een opengesneden varken gespietst.

OUDERE MILITAIR: Jezus, de generaal komt eraan!

GENERAAL: (komt autoritair op) Zo, majoor. Wij moeten even wat dingen regelen. Tus­sen haakjes, ik heb vers vlees voor je meegebracht. Mijn jongens komen mor­gen binnen en ik verwacht dat jij je er buiten houdt. Ik bedoel dat niet een van je mannen per ongeluk be­gint te schieten, uit plichtsbesef of zo. Daarginds heb ik een oude tank neergezet, daar mogen jouw land­genoten een luchtaanval op uitvoe­ren. Dus blijf uit de buurt. Dat is van hogerop zo gere­geld. Grote po­litiek, majoortje. Nog wat, een van jouw gasten staat daar de hele tijd te schreeuwen – weinig militaire discipline trouwens –  die krijg je zo terug. Zo, neem het vlees mee, nee op je nek. (tegen JONGE SOLDAAT) Help even. Morgen rekenen we wel af.

Legt samen met de JONGE SOLDAAT het varken op de rug van de OUDERE MILITAIR, de JONGE SOLDAAT ondersteunt de OUDERE MILITAIR, sa­men gaan ze af, de GENERAAL kijkt goedkeurend en zelf­voldaan in het rond, zijn ‘stan­daard’ wordt van het toneel getrokken en hijzelf gaat daarna met ferme pas af.

OUDERE MILITAIR: (komt verslagen op met JONGE SOL­DAAT) Niet te geloven dat dat dezelfde man is die me gisteren in Bratunac zo voorkomend heeft behan­deld. Hij was toen wel in burger.

SOLDAAT HERMAN: (komt op, verwilderd maar lachend) Misverstand. Het was een misverstand. Als ze ge­weten hadden wie ik was, hadden ze het niet ge­daan, zeiden ze. Kom, ik heb goeie zin. Morgen zijn ze hier en wij kunnen naar huis. Zet de tv even aan: RTL 4.

Kijkt naar tv buiten beeld.

Tjee, hun jeugd afgenomen, willen liefst zo ver moge­lijk weg, niemand doodschieten… En wij dan! Wij hier voor ze de kastanjes uit het vuur halen. Mooi niet! Eerst zij, dan wij! Als we er dan toch alle­maal aan moeten. Maar wat klets ik!

Staat op, gaat met vinger over een grote rode vlek op de muur van de loods, ruikt aan zijn vinger.

Slechte verf trouwens. Morgen is het afgelopen. We hebben wat te vieren. Niet in het minst mijn behou­den terugkeer natuurlijk.

Ze drinken, de OUDERE MILITAIR en de JONGE SOLDAAT aanvankelijk met tegenzin. SOLDAAT HERMAN zet telkens flarden van het lied ‘Wij houden van oranje’ in, geleidelijk aan beginnen de anderen mee te zingen, ze worden senti­menteel.

OUDERE MILITAIR: Mijn vader had in Indië ge­vochten, kwam terug, dacht een baantje te krijgen. Maar hij kon kolen gaan sjouwen! Ja, een paar jaar la­ter, toen hadden ze hem weer nodig. Toen kwamen ze aan de deur. Voor Korea. Om het Vrije Westen te ver­dedi­gen.

JONGE SOLDAAT: Libanon, o Libanon, het liefste wat ik heb zit in Libanon.

SOLDAAT HERMAN: Ik was de beste op de oefen­baan, eigenlijk was ik in alles de beste. Ik had álles kunnen bereiken in het leger. Als ik die mietjes niet was te­gengekomen. Handen van het lijf, zei ik nog. Maar ze dachten dat ik een grapje maakte. Maar met zulke dingen lach ik niet. Ik heb ze vreselijk in elkaar ge­ramd. Er was niets aan te doen. Ik moest het gewoon doen.

BODYBUILDER: (staat plotseling daar in camouflage­tenue dat zijn figuur goed doet uitkomen) Goeden­avond.

OUDERE MILITAIR: U bent vroeg, u bent de eerste.

SOLDAAT HERMAN: (kijkt bewonderend, raakt de bovenar­men van de BODYBUILDER aan) Tjee, wat een spieren, daar zitten wat oefenuurtjes in! De superiori­teit straalt er toch vanaf, zeg nou eerlijk. Als je dit ziet kun je toch niet volhouden dat die Moslims gelijk­waardig zijn, dat ze dezelfde rechten hebben. ‘t Is toch in één oogopslag duidelijk wie hier de baas moet zijn.

BODYBUILDER: Ik ben Moslim. Ik kom jullie een voorstel doen.

SOLDAAT HERMAN: Moslim? Met zo’n lichaam, dat be­staat niet!

BODYBUILDER: (richt zich tot de OUDERE MILITAIR) De zaak is ernstig. Ik ben commandant Pilav. Morgen doen de Cetniks een beslissende aanval. We denken een kans te hebben als Dutchbat zijaanzij met ons wil vechten.

De JONGE SOLDAAT kijkt hoopvol, de OUDERE MILITAIR schrompelt in elkaar, SOLDAAT HERMAN zegt verontwaar­digd:

SOLDAAT HERMAN: Wat!

BODYBUILDER: (Gaat ernstig verder)U, wij allemaal weten wat er gebeurt als we ons overgeven. U bevindt zich hier bij een loods waar al eerder massa-excecuties hebben plaatsgevonden. Alle mannen zullen worden afgeslacht. Net als in de andere plaatsen die de Cet­niks hebben veroverd. Iedereen kan dit weten, want het is overal gebeurd. Als u niet samen met ons vecht, zult u medeverantwoordelijk zijn voor de moord op duizen­den mannen.

JONGE SOLDAAT: Ik wil vechten!

De OUDERE MILITAIR lijkt nog verder in elkaar te krim­pen.

SOLDAAT HERMAN: Shit, wat een klerezooi!

Er klinken voetstappen en geweerschoten vlakbij, de BO­DYBUILDER duikt de coulissen in.

OUDERE MILITAIR: (dronken) Er moet iets gebeuren. We hebben te weinig steun. Er moet iets gebeuren dat de Amerikaanse publieke opinie achter president Clinton gaat staan. En dat de Russen de Serviërs moeten laten val­len. Zoiets als met die vele doden op de markt van Sarajevo. We moeten ze tot iets provo­ceren waardoor er een ommekeer ont­staat. Enkele tientallen levens om duizenden te redden. (Jankt) Hoe moet ik het thuis uitleggen als mijn jon­gens niet terugkomen? (Begint te zingen🙂

’De machtigste koning van storm en van wind is de arend geweldig en groot.’

SOLDAAT HERMAN: (zingt aanvankelijk mee) Shit, ik ben ervandoor. Straks laat ik mijn hachie voor iets waar ik totaal niet achtersta. Dat zou ik mezelf erg kwalijk nemen.

JONGE SOLDAAT: Dat is een fascistenlied.

OUDERE MILITAIR: Dat zongen we vroeger al bij het kampvuur en bij de wandelclub. Je kon er prachtig op marcheren. De wandelclub van het gekkenhuis won trouwens altijd de eerste prijs. Die waren door niks afgeleid en gingen kaarsrecht en fier vijfentwin­tig kilometer lang de paden en lanen door.

SOLDAAT HERMAN verdwijnt, stilte, de OUDERE MILITAIR neuriet zijn lied, dan buiten beeld schreeu­wend:

SOLDAAT HERMAN: Kleremoslims, laat me door. Herman laat zich niet tegenhouden. Niet door een stelletje schapeneukers. Jullie zijn het niet waard dat we voor jullie opkomen. Weg met de ayatolla’s! Ga uit de weg, stelletje fundamentalisten! Herman gaat door!

Er klinkt een schot, stilte, de OUDERE MILITAIR en de JONGE SOLDAAT staren elkaar aan. Stilte.

Hevige beschietingen, lichtflitsen, geren over de hang­brug, de OUDERE MILITAIR en de JONGE SOLDAAT gaan in dek­king, dan laat de brug aan één kant los en dondert naar beneden. Het wordt stil, er klinkt mars­muziek, de ‘stan­daard’ met een open gesneden varken erop wordt het toneel opgetrokken en achter op het toneel, het varken richting publiek, neergezet. De GENERAAL komt op en begint meteen het toneel met roodwitte plastic linten in ‘corri­dors’ te verdelen, zegt tegen de OUDERE MILITAIR en de JONGE SOLDAAT die opgesprongen zijn:

GENERAAL: Hier help even mee. Hier de vrouwen, daar de mannen.

Pakt de helm van het hoofd van de OUDERE MILITAIR en zet hem op, drukt zijn eigen helm op het hoofd van de OU­DERE MILITAIR, gaat naar de coulis­sen en roept:

Kom maar, jullie zijn hier veilig. Verenigde Naties hier, kom maar. Ja, u hier, ja en u daar. Prima.

Er komt een eindeloze stroom mannen en vrouwen op gang, die opkomen, via de uitgezette ’gangen’ ge­scheiden worden en weer afgaan. Telkens als er een man is afgegaan klinkt er een schot. De OUDERE MILITAIR staat stram in de houding en salueert met op zijn hoofd de helm van de GE­NERAAL.

(opgewekt) Ons volk is blij, majoor. Ze schieten in de lucht. Ze zijn terug op hun geboortegrond. Ze zijn blij, majoor!

De GENERAAL blijft de mensen lokken en indelen.

(steeds opgewekter) Ja, kom maar, u daar en u daar. ‘t Gaat goed zo. Verenigde Naties ja, komt u maar hoor. In spin de bocht gaat in, uit spuit de bocht gaat uit. Zo was het toch, hè majoor?

De JONGE SOLDAAT krimpt bij elk schot in elkaar alsof hij­zelf geraakt wordt. Een salvo machinegeweer­vuur, door­gaand terwijl de lichten doven. Stilte.

EPILOOG

Terwijl de lichten zijn aangegaan, het publiek eventu­eel klapt en de acteurs buigen, doet de JONGE SOLDAAT plotse­ling een stap naar voren, er klinkt een schot, de JONGE SOL­DAAT krimpt in elkaar, doet nog een stap naar voren, weer een schot, krimpt weer in elkaar, nog een stap, maar stoot dan een woedende schreeuw uit, draait zich om en rent op de OUDERE MILITAIR en de VLUCHTELING/GENERAAL af die stram in de houding saluerend naast elkaar staan, deze doen een stap opzij om hem door te laten, maar hij sleurt ze met gespreide armen op hun keelhoogte ach­terwaarts mee en spietst ze ieder aan een kant naast het varken op de ‘stan­daard’. Dan blijft hij er hijgend even naar kijken. Het licht gaat uit. De acteurs blijven in het donker doodstil op hun plek staan. Vóór de zaallichten aangaan zijn ze verdwenen en KEREN NIET TERUG.

Einde

Srebrenica of de mandaad (c) 1996, 2005 Meurs A.M.
uit Spelen 2006 Meurs A.M.

Srebrenica of de mandaad – Tweede bedrijf

toneelstuk in 3 bedrijven door Meurs A.M.

Tweede bedrijf

(Eerste Bedrijf)

Personen

OUDERE MILITAIR

 De oudere militair is niet alleen Overste Karre­mans maar net zo goed de oudere soldaat Piet Hein Both als minister Voorhoeve, premier Kok, het Neder­lands op­perbevel, de VN, zelfs opperbevelhebber Janvier en president Chirac en wij allemaal met ons opportu­nisme en onze problemen.

JONGE SOLDAAT

 De jonge soldaat is niet alleen de argeloze die gebruikt wordt, die het niet meer weet en die verdringt, maar ook de wij allemaal die uiteindelijk uit elkaar barst door de ongerijmdheid en misdadigheid.

MARSKRAMER

 De marskramer is het soort oude slachtoffer, in de zin van slachtoffer van eerdere misdaden, dat letterlijk, ook moreel, boven de partijen is komen staan, zich daarop niet laat voorstaan en zijn ogenschijnlijk onno­zele rol speelt.

VROUW

GIJZELAARSTER

 De vrouw en de gijzelaarster zijn de slachtoffers aan beide kanten wier levensrollen verwisselbaar zijn.

VLUCHTELING/GENERAAL

 De vluchteling/generaal is niet alleen Mladic maar net zo goed Karadzic en Milosovic, de wapenhandelaars en iedereen die macht en voordeel ontleent aan de oorlog.

SOLDAAT HERMAN

 Soldaat Herman is de botterik, de voetbalvandaal, de discovechter, de eigen-volk-eerst-aanhanger, kortom het kanonnenvlees bij uitstek voor beide partijen.

BODYBUILDER

 Typisch iemand die niet is wat men denkt. Een spiegel, hoe dan ook.

TWEEDE BEDRIJF

Enkele maanden na de genocide van Srebrenica, een dag na de vorige scène. De OUDERE MILITAIR en de JONGE SOLDAAT bij hun tent in de weer met kratten en blikken en een notitieblok. Ze horen wat en brengen hun geweer in de aanslag

JONGE SOLDAAT: Daar komt iemand!

Geluiden van iemand die nadert, de MARSKRAMER komt op.

MARSKRAMER: Laat geweren maar zakken. Het is jullie ouwe marskramer Cupic. Cupic had jullie al­lang dood kunnen schieten. Maar Cupic heeft geen schiet­geweer in zijn mars. Cupic heeft heel wat in zijn mars, jullie oude vriend Cupic. Cupic mars is de
v-e-r-b-r-o-e-der-i-ng tussen de volken.

OUDERE MILITAIR: (Opgelucht) Kom erbij, ouwe sja­che­raar. Maar een ogenblik, ik moet even wat recht­zetten. (Loopt de tent in en begint in de telefoon te schreeuwen)
Jullie hebben wel iemand doorgelaten, ja! Kwam wel van jullie kant, ja! Toevallig was het een oude bekende, ja! Maar als het geen oude bekende was, ja! Waren we er wel geweest, ja! We zijn NAVO, ja! (legt hoorn neer, mompelt) Stelletje Dutchbatters!

MARSKRAMER: (Heeft zijn mars afgedaan en is op zoek ge­gaan naar koffie, die op een brander staat) Beetje sui­ker, beetje melk ja. Alles beetje. Echte melk. Niet melk-poe-der. (Proeft vooral de wat moeilijkere Ne­derlandse woorden). Krijg ik jeuk van.
Jullie hebben veel spullen. Hebben jullie zelf meege­bracht? Niet meer van Serviërs kopen? Cupic heeft niet veel spullen. Maar wel bijzonder. (triom­fantelijk) Klein maar fijn. (Probeert wat spullen aan de man te bren­gen, van portemonnee tot condoom met haar. Tot JONGE SOLDAAT) Vindt jouw meisje lekker! En toch veilig vrijen!

OUDERE MILITAIR: Vertel eens, man, hoe heb je over­leefd? Kerel, ik ben blij je te zien. Met iedereen aan­gepapt zeker.

MARSKRAMER: Alleen met handel. Handel zal er altijd zijn. Ben jij Joegoslaaf? Heet jij Cupic?

OUDERE MILITAIR: Joegoslaven bestaan niet meer.

MARSKRAMER: (tot JONGE SOLDAAT) Ben jij Joegoslaaf?

JONGE SOLDAAT: Ja.

MARSKRAMER: Hoe heet jij?

JONGE SOLDAAT: Cupic. (Kan zijn lachen niet hou­den.)

MARSKRAMER: Heet jij Cupic?

JONGE SOLDAAT: Nee, ik maak een grapje.

MARSKRAMER: Ik heb geen moeder!

JONGE SOLDAAT: (praat als de MARSKRAMER) Ik weet het, ik weet het dat jij iedereen vraagt.

MARSKRAMER: Mijn moeder heet Angelina Cupic. Ik heb Kroatische naam, maar ik ben Serviër, dat weet ik. Mijn moeder Angelina, (op zijn engels) angel, en­gel. Naam van katholieke nonnen. Maar ik ben geen Kroaat. Nonnen hebben mijn moeder deze naam ge­ge­ven. (Wacht) Communisten hebben mijn moeder mis­schien een spuitje gegeven. Misschien vind ik mijn moeder. Misschien vind ik broer of zuster.

OUDERE MILITAIR: Hoe weet jij jouw naam?

MARSKRAMER: Ik heb papieren gezien.

OUDERE MILITAIR: Cupic is de naam van je moeder, niet van je vader?

MARSKRAMER: Ik heb geen vader. Mijn moeder is ver­kracht door vreemde man.

OUDERE MILITAIR: Jammer, wij zijn allemaal Nederlan­ders.

MARSKRAMER: Ik wil ook naar Nederland. In Neder­land veel Joegoslaven. Ik leer Nederlands. (Haalt leerboek te voorschijn, leest invuloefening) Ik heb een ver-drie-ti-ge moeder. Mijn moeder heeft veel ver­driet. Zelfstandig naamwoord.

De telefoon gaat, de OUDERE MILITAIR neemt hem aan.

OUDERE MILITAIR: Ja, Wat? Twee VROUWen. Goed, laat maar komen. (Legt hoorn neer, tot JONGE SOLDAAT) Twee gekke wijven, denk ik. Met een touw aan el­kaar verbonden. Hum, bergbeklimmers? Toch maar even voorzichtig. Kom!

Beduidt JONGE SOLDAAT en MARSKRAMER mee in dekking te gaan achter de kratten, MARSKRAMER wil eerst zijn spullen bij elkaar pakken, gaat als laatste, valt over een bot.

MARSKRAMER: Jullie hebben wel een plek uitgeko­zen! (Legt het bot eerbiedig in een bepaalde orde die hij alleen zelf ziet.)

OUDERE MILITAIR: Kom, nou maar. ‘t Is overal wat. Onze vorige plek was in een vroegere accufabriek. Er lag overal accuzuur.

Ze wachten.

VROUW: (buiten beeld) Hollander, ben je daar?

OUDERE MILITAIR: Ja.

VROUW: (buiten beeld) Ben jij dat, Hollander?

OUDERE MILITAIR: Ja, kom nu maar.

Een VROUW (klein, vinnig, met leren rokje) trekt een GIJZELAARSTER (groot, kinderlijk, goedaardig) aan een touw om de hals met zich mee.

JONGE SOLDAAT: (Komt overeind achter de kratten, kijkt verbaasd naar de vrouwen en springt dan blij verrast achter de kratten vandaan, ook de anderen komen te voorschijn. JONGE SOLDAAT pathetisch::) Sarajevo! Jullie zijn uit Sarajevo! Waar de cultuur niet kapot was te krijgen. Waar de be­schaving heeft overleefd!

VROUW: (Gaat op klapstoeltje zitten, zucht, laat GIJZELAAR­STER op de grond plaatsnemen, nuchter)

Ik laat haar niet gaan voor ik mijn dochter terug heb. Ze kunnen me nog meer vertellen!

JONGE SOLDAAT: Jullie zijn Pozzo en Lucky uit ‘Wach­ten op Godot’ van Becket. Wel ondeugend hoor! Door vrouwen gespeeld! Dat zou Becket niet goed vinden! Nou ja, oorlogsomstandigheden.

VROUW: (zonder iemand aan te kijken) Hebben jullie mijn dochter gezien?

GIJZELAARSTER: (van de een naar de ander kijkend, hoopvol) Hebben jullie haar dochter gezien?

MARSKRAMER: (zonder zich duidelijk tot een van beide vrouwen te richten, weinig hoopvol) Heet jij Cupic?

VROUW: (blij) Ja!… (bedenkt zich) Nee…, dat was een an­der. Op sommige plaatsen heet iedereen Cupic.

MARSKRAMER: (springt op haar af) Waar? Waar?

VROUW: Och, laat maar.

GIJZELAARSTER: (blij in het rond) Als we haar doch­ter vinden, ben ik vrij! Ze is heel goed voor me, hoor! Kan ik mijn man en zoon gaan zoeken.

MARSKRAMER (probeert, half over de VROUW heen gebogen, druk gebarend meer van haar te weten te komen) Waar, zeg dan waar!

VROUW: (duwt de MARSKRAMER weg) Bij de Kroaten heet iedereen Cupic.

MARSKRAMER: (op wanhoopstoon maar gerouti­neerd) Ik ben geen Kroaat, ik ben Serviër! Mijn moeder is verkracht door vreemde man.

VROUW: Door een Serviër? (mompelt) Ook toen al?

MARSKRAMER: (nog steeds op dezelfde toon) Mijn moeder is Servische. Angela Cupic is naam die zij heeft van katholieke nonnen! Ik voel het, ik ben geen Kroaat! (schiet plotseling in de lach, vermant zich, gaat rechtop staan) Ik ben in-ter-na-ti-o-naal!

VROUW: Ga nou maar zitten. We hebben allemaal wat. Mijn dochter terug en mijn en haar probleem is op­gelost.

JONGE SOLDAAT: (kijkt naar de GIJZELAARSTER) Dan kan ze de mannen gaan zoeken.

MARSKRAMER: (schudt meewarig zijn hoofd, loopt naar zijn ransel, stoot tegen een bot, legt het voorzich­tig opzij, pakt zijn leerboek, zoekt en vormt naar het publiek het woord:) Volks-ver-lak-ker-ij (kan ondanks zijn treurnis het plezier in het uitspreken van dit woord niet verbergen).

Plotseling komt een VLUCHTELING met getrokken re­volver het toneel op springen, hij draagt een ski-jack boven een militaire camouflagebroek, hij zegt “eh,eh” en richt beurtelings zijn revolver op de OUDERE MILI­TAIR en de JONGE SOLDAAT die hun machine­geweer willen pakken, richt op de andere aanwezigen en stopt dan met een geroutineerd gebaar de revolver in de hol­ster, zegt:

VLUCHTELING: Okay, okay (steekt zijn handen half om­hoog).Vluchteling! (pakt een klapstoeltje en gaat in het midden zitten, kijkt om zich heen) Alles goed hier? (Iedereen is nog verbouwereerd) Is er wat te bikken? (De JONGE SOLDAAT staat op) Nee, blijf maar zitten. Laat die (knikt naar de MARSKRAMER) het maar doen.

De GIJZELAARSTER maakt aanstalten overeind te ko­men.

VROUW: Ksst! (trekt haar aan het touw terug)

VLUCHTELING: Laat haar het niet wagen ook maar iets aan te raken wat ik moet eten of drinken! (tot de MARSKRAMER) Kom op, Kroaat!

MARSKRAMER: (beweegt zich niet) Heet jij Cupic?

De VLUCHTELING verstijft, wil hem aanvliegen, be­heerst zich. De JONGE SOLDAAT staat haastig op en geeft de VLUCHTELING wat te eten. Terwijl deze eet, kijkt iedereen zwijgend naar hem, behalve de MARSKRAMER. Die verdiept zich in zijn leerboek. Zegt a een poosje:

Lui-s-ter-oe-fe-nin-gen zijn voor mij extra moei­lijk.

VLUCHTELING: (richt zich tot de JONGE SOLDAAT, het is duidelijk dat de VLUCHTELING en de OUDERE MILITAIR elkaar ontwijken)

Ik ben op de vlucht. Kan ik asiel krijgen in Nederland en kan ik met jullie mee? Waar moet ik aan voldoen? Doet het ertoe voor wie ik op de vlucht ben? Navo, Moslims bijvoorbeeld. Kan ik een zaak beginnen daar bij jullie en maakt het uit in wat? Mogen het bijvoor­beeld, laten we zeggen, strategische goederen zijn? Of kan ik bij jullie bij de politie? Of misschien in het leger?

JONGE SOLDAAT: (gooit er zo nu en dan een woordje als ‘aanmeldcentrum’, ‘vluchtverhaal’ en ‘asielzoekers­centrum’ tussendoor maar de VLUCHTELING luistert alleen naar zijn eigen vragen en schijnt niet op ant­woorden te rekenen)

VROUW: Dat soort lui heeft ons vanalles beloofd en kijk hoe ik hier zit… voor mijn eigen belangen op te komen. Met een andere vrouw die er ook allemaal niks aan kan doen.

VLUCHTELING: (ergert zich aan de onverstoorbaar­heid van de MARSKRAMER) Ben je soms een jood? Of een zigeu­ner? Ben je overal doorheen geglipt? Glui­perd! Heb je van alle walletjes gegeten? Gewacht op de krui­mels die van tafel vielen? Zielepoot! Kruimeldief! Pak eens een keer iets groots aan. Ik wacht niet als een hond onder de tafel. Ik spring op tafel! (Springt tegelij­kertijd op) Niet van dat kleine, dat benepene! Zigeu­ner! Jood! Schapeneuker! Muzelman!

MARSKRAMER: (Heeft een schedel in zijn hand, praat voor zich uit in opvallend vloeiend Nederlands, als een tekst die hij vanbuiten heeft geleerd)

Ze zullen per schedel betaald worden. Zodat je niet het verhaal van de ratten kan krijgen, waarvan in het ene dorp de kop en in het andere de staart werd in­geleverd voor 10 gulden per stuk. Ze zullen alleen de schedels opgraven en inleveren, de rest laten liggen. (tot de VLUCHTELING) Ik ben Serviër.

VLUCHTELING: Jij Serviër? Beledig niet mijn bloed en het bloed van onze voorvaderen.

MARSKRAMER: (met tegenzin) Ik heb Kroatische naam, maar ik ben Serviër. Dat voel ik. Maar ik ben niet zo­als jij. (zet voorzichtig de schedel opzij) Ik heb met wat hier is aangericht niets te maken.

VLUCHTELING: (schopt een bot weg) Ik verstop je in die rotzooi, klootzak. (Trekt zijn revolver) Ben jij Servisch? Dan leggen we jou ertussen en maken er een Servisch massagraf van en geven de Moslims de schuld. Ben je als lijk toch nuttig voor je echte vader­land.

Er vliegen stenen over het toneel.

VROUWENSTEMMEN: (buiten beeld, klaaglijk) Wij willen onze mannen terug. Ze hebben ons bedrogen. Ze zouden ons beschermen. Wij willen weten waar onze mannen zijn. Wij willen weten of ze dood zijn.

VLUCHTELING: Godverdomme! (Loopt de coulissen in en schiet, er klinkt een kreet, komt terug) Ze denken dat je niet op ze schiet en daarom doe ik het juist wel. Om­dat er geen wapenstokken en rubberkogels zijn, den­ken ze hun gang te kunnen gaan. (Ziet dan dat de JONGE SOLDAAT hem met zijn machinegeweer in de aan­slag staat op te wachten, doet zijn revolver weg) Okay, okay, ik wist niet dat je zo gauw kwaad werd.

GIJZELAARSTER: (kan van nervositeit haar mond niet hou­den, op haar zeurderige toon) Kan mezelf soms ook niet begrijpen, hoor. Ik ben helemaal niet voor dat ge­weld en voor wraak en zo, maar een keer vond ik het helemaal niet erg dat een veertienjarige jongen werd verkracht en vermoord, want die jongen was de zoon van een Servische generaal en had zelf heel wat meisjes verkracht en vermoord, waaronder mijn ei­gen dochter. Maar toch was ik van mezelf geschrok­ken, hoor, want ze zeggen dat ik heel goedmoedig ben, en ik denk dat ik dat ook ben, hoor, maar toch vond ik het die keer niet erg.

Ze kijkt in het rond, de anderen vermijden haar en de VLUCHTELING aan te kijken, de MARSKRAMER schudt zijn hoofd, tenslotte staat de VLUCHTELING met een zucht op, neemt het touw over van de VROUW, mompelt:

VLUCHTELING: Ik heb zelf ook wat beweging nodig, ik laat haar even de benen strekken.

OUDERE MILITAIR: Ja, genera… (slikt het in, kijkt naar de anderen)

De VLUCHTELING en de GIJZELAARSTER gaan sa­men af, de JONGE SOLDAAT doet nog een paar pas­sen achter ze aan, maar dan is er al de knal.

Einde 2e bedrijf

(wordt vervolgd)

Srebrenica of de mandaad – Eerste bedrijf

SREBRENICA

OF DE

MANDAAD

toneelstuk in 3 bedrijven door Meurs A.M.

Personen

OUDERE MILITAIR

 De oudere militair is niet alleen Overste Karre­mans maar net zo goed de oudere soldaat Piet Hein Both als minister Voorhoeve, premier Kok, het Neder­lands op­perbevel, de VN, zelfs opperbevelhebber Janvier en president Chirac en wij allemaal met ons opportu­nisme en onze problemen.

JONGE SOLDAAT

 De jonge soldaat is niet alleen de argeloze die gebruikt wordt, die het niet meer weet en die verdringt, maar ook de wij allemaal die uiteindelijk uit elkaar barst door de ongerijmdheid en misdadigheid.

MARSKRAMER

 De marskramer is het soort oude slachtoffer, in de zin van slachtoffer van eerdere misdaden, dat letterlijk, ook moreel, boven de partijen is komen staan, zich daarop niet laat voorstaan en zijn ogenschijnlijk onno­zele rol speelt.

VROUW

GIJZELAARSTER

 De vrouw en de gijzelaarster zijn de slachtoffers aan beide kanten wier levensrollen verwisselbaar zijn.

VLUCHTELING/GENERAAL

 De vluchteling/generaal is niet alleen Mladic maar net zo goed Karadzic en Milosovic, de wapenhandelaars en iedereen die macht en voordeel ontleent aan de oorlog.

SOLDAAT HERMAN

 Soldaat Herman is de botterik, de voetbalvandaal, de discovechter, de eigen-volk-eerst-aanhanger, kortom het kanonnenvlees bij uitstek voor beide partijen.

BODYBUILDER

 Typisch iemand die niet is wat men denkt. Een spiegel, hoe dan ook.

EERSTE BEDRIJF

Enkele maanden na de genocide van Srebrenica. Een veld. Hier en daar steken menselijke beenderen uit de grond. Een tent, wat kratten en grote blikken. Een oude en een jonge militair op klapstoeltjes bij een kampvuur, waakzaam, ma­chinegeweren op schoot. Meisjesstem­men zingen: “In spin, de bocht gaat in, in spin de bocht gaat in.”

OUDERE MILITAIR: Dat zijn de nieuwe kinderen. Heb je geen last van.

JONGE SOLDAAT: (kijkt de ander nadenkend aan) Ik heb een kind in Libanon, weet je dat?

OUDERE MILITAIR: (ongemakkelijk) Jaja.

JONGE SOLDAAT: Ze heet Maria. Mooi hè?

OUDERE MILITAIR: Ja, mooi.

Meisjesstemmen:“In spin, de bocht gaat in.”

JONGE SOLDAAT: Ze is binnenkort jarig, ze wordt twee.

OUDERE MILITAIR: (niet op zijn gemak, begint heen-en-weer te lopen, struikelt over een bot, schopt het weg) Ik ben geboren op het eind van de tweede we­reld­oorlog. Ik zat er met mijn poepluiers nog in. Toch is nu, vijftig jaar later, die oorlog voor mij veel dichter­bij. In plaats van er vanaf ben ik er met mijn bewustzijn naartoe gegroeid.

JONGE SOLDAAT: Soldaten praten en schrijven lelijk. Erger dan politieagenten die een rapport opmaken.
Hangt zijn geweer aan het stoeltje, loopt naar de tent, komt terug met een laptop en begint te typen.
God, wat is dat ding langzaam!

Er ontploft een mijn, de soldaten schrikken, de OUDERE MILITAIR brengt zijn geweer in de aanslag, de JONGE SOLDAAT kijkt even naar het zijne aan zijn stoeltje en typt verder.

S R E B R E N I C A (herhaalt de naam) Vreemde naam vind je niet? Kom ook altijd in de knoei met die r’s, die medeklinkers… Sru… Bru… (herhaalt de naam langzaam) Een naam vol droefheid en melan­cholie, zoals S-O-B-I-B-O R … Waar ken ik die naam van?

OUDERE MILITAIR: (Opent zijn mond om het ant­woord te geven maar doet het niet.) Als jij nou eens even dat ding weg wilde leggen en dat andere ding (knikt naar het geweer aan de stoel) op wilde pakken, dan kon ik ook even wat anders gaan doen!

JONGE SOLDAAT: O, wil je ook naar huis schrijven? Wil je ook schrijven dat het nog veertig dagen is voor­dat je thuis komt? Dat je er naar uit kijkt, dat het hier nu heel anders is dan de vorige keer? Dat Dutchbat zich nu veel anders opstelt (legt laptop op de grond, pakt zijn geweer), veel waakzamer! (springt op met zijn machinegeweer in de aanslag) Dat we niks meer pikken!

OUDERE MILITAIR: (scherp) We zijn geen Dutchbat meer!

JONGE SOLDAAT: We hebben onze naam veranderd. Wat voor reden kan iemand hebben om van naam te veranderen?

OUDERE MILITAIR: Let jij nou even op, dan kan ik nog even wat doen, ja!

JONGE SOLDAAT: Okay, okay! (springt quasi-waak­zaam van de ene hoek van het toneel naar de andere)

De OUDERE MILITAIR pakt de laptop op, loopt de tent in, komt terug met een doos met schoenpoets­spullen, trekt zijn kistjes uit en begint ze in te smeren. De JONGE SOLDAAT staat verbaasd naar hem te kij­ken.

JONGE SOLDAAT: Dat kan niet hoor! Als er alarm is, loop jij op je sokken.

De OUDERE MILITAIR trekt zijn schoenen aan, gaat met de schoenpoetsspullen de tent in, komt eruit met scheergerei, vult zijn helm met water uit een jer­rycan en scheert zich. De JONGE SOLDAAT kijkt weer ver­baasd toe.

JONGE SOLDAAT: En als die helm nu eens plotseling op moet?

De OUDERE MILITAIR doet alsof hij de helm met zeepsop op zijn hoofd wil zetten.

JONGE SOLDAAT: Als je zover bent, wil ik graag weer.

Duwt de OUDERE MILITAIR zijn geweer in zijn handen, gaat zitten en begint zijn eigen geweer uit elkaar te halen en schoon te maken, de OUDERE MILITAIR kijkt hoofdschuddend toe.

OUDERE MILITAIR: En als… (Zwijgt, er gaat opnieuw een mijn af, de JONGE SOLDAAT steekt haastig zijn geweer in elkaar.) Daar gaat er weer een. Drie dollar om er een te leggen, drieduizend of een leven om er een op te ruimen.

Begint heen en weer te lopen, stoot met zijn voet tegen het bot van een arm, neemt zijn geweer in één hand, raapt het bot op, bekijkt het aandachtig maar ziet niet wat het is, gooit het achteloos weg.

Hoor jij de kinderen nog? (kijkt naar zijn eigen hand en onderarm) Mijn moeder kreeg steeds meer een vogel­kopje toen ze op sterven lag. Tenslotte lag er een dood vogeltje. Maar haar hand, waarmee ze me kort tevoren nog geknepen had, lag daar ijzersterk op de rand van het bed, als de poot van een oude, taaie kip.

JONGE SOLDAAT: Het was heet die dagen nadat we als helden ingehaald waren. Dus de kant van de zon wilde ik niet op. Aan twee kanten waren hui­zen, met mensen ernaast en ervoor, of die er plot­seling uit te voorschijn konden schieten. Aan de andere kant was geen uitweg. Ik bleef dus thuis.

OUDERE MILITAIR: Ik keek vanuit mijn raam naar twee vrouwen in de achtertuinen die net zo lang achter een kat hadden aangezeten tot die de vogel liet vallen. Ze hadden elkaar opgezweept met uit­roepen als ”zie­lig!”, “wat erg!”, maar wisten toen ze plotseling de gewonde vogel konden pakken, niet goed wat te doen. Eigenlijk hadden ze hier niet op gerekend. Maar ze konden niet meer terug, raapten de vogel op en gingen naar de dierenarts. “Kunt u hem nog redden, dokter, alstublieft?,” zei­den de vrouwen. De dierenarts had medelijden met de vogel en de vrouwen, pakte de vo­gel met twee handen aan, trok ongemerkt aan het kopje en zei: “Helaas, hij is al dood.”

De JONGE SOLDAAT heeft zijn oren gespitst, springt naar de rand van het toneel en begint te schie­ten, de OUDERE MILITAIR duikt op zijn buik en vuurt in dezelfde richting.

OUDERE MILITAIR: (staat op) Wat was er nou?

JONGE SOLDAAT: Je maakt me nerveus met die ver­halen over de dood. Die kinderen zijn allang naar huis. Ze mogen hier trouwens helemaal niet ko­men.

OUDERE MILITAIR: Ik vind dat de dood steeds ge­woner wordt. Vroeger was dat onvoorstelbaar. Niet dat ik erop zit te wachten. Maar er gewoon niet meer zijn. Zoiets als slapen zonder dromen.

JONGE SOLDAAT: Je moet gewoon niets willen.

OUDERE MILITAIR: De mensen zijn misdadig. Als ze zich goed gedragen is het schijnheiligheid. Of be­reke­ning.

JONGE SOLDAAT: Mensen zijn kuddedieren. Er zijn er maar een paar die van de grote hoop durven af­wij­ken. Dus moet je een klimaat scheppen waarin misda­digheid ‘not done’ is. (nadenkend) Dat is het enige wat je kunt doen.

Stilte.

Houdt u van voetballen, kolonel?… In Bratunac is een voetbalstadion. Er doen allerlei verhalen over de ronde.

OUDERE MILITAIR: Ik kan me de verhalen over voet­balstadions in Chili nog herinneren. Voetbalstadi­ons zijn kwetsbare plaatsen. Er wordt gauw over geluld. Dat heeft niets met voetballen te maken.

JONGE SOLDAAT: Ben gisteravond naar een cowboy­film geweest. Leuk maar ongeloofwaardig. De held redde, en offerde zich op voor, een dorpsgemeen­schap die hem nota bene verstoten had.

OUDERE MILITAIR: Ach, het is film, moet je maar denken. (Begint waakzaam heen en weer te lopen.) Van die lokale strijders hebben we wel geen last meer, maar er loopt hier nog vanalles rond.

JONGE SOLDAAT: (Begint ook heen en weer te lopen, struikelt over beenderen) Jezus, wat is dit hier? Zitten we bovenop een vuilstortplaats? Of is dit een oli­fan­tenkerkhof. Dan zitten we gebakken, kolonel.

OUDERE MILITAIR: Wat zeg je opeens vaak: kolonel. Er is hier nog nooit een olifant geweest, mafkees. Niet eens met een circus.

JONGE SOLDAAT: Weet ik veel. Misschien met de Mongolen. Hadden die geen olifanten? Of alleen paar­den? Hannibal had toch ook olifanten! 

Ze gaan allebei weer zitten en staren voor zich uit.

Ik heb een vriendin!

OUDERE MILITAIR: Zo, hartstikke mooi.

JONGE SOLDAAT: Ik heb twee-en-een-half jaar geen seks gehad. Da’s lang, hè?

OUDERE MILITAIR: Ja, da’s lang.

JONGE SOLDAAT: Ja, een hele tijd. Ik ben ziek ge­weest.

OUDERE MILITAIR: Nou ja, dan maar kalm aan in het begin hè. (Neemt plotseling een besluit) O.K, O.K, we mogen allebei ons verhaal vertellen. Ik zal luisteren naar wat jij schrijft.

De JONGE SOLDAAT staat blij op, haalt zijn laptop en gaat weer zitten.

JONGE SOLDAAT: Hè, wat is dat ding langzaam! 

Hij typt terwijl de OUDERE MILITAIR aan het woord is, zo gauw hij er even tussen kan komen leest hij wat hij typt of getypt heeft.

OUDERE MILITAIR: Ze waren al uren liederen aan het zingen, alles door elkaar, religieuze liederen, po­pulaire liedjes. Het repertoire was op, van mij werd een nieuwe impuls verwacht, maar het hoefde niet meer.

JONGE SOLDAAT: (plechtig en houterig) Wij weten dat het nu goed met je gaat. Jij bent nu op een goede plaats. Er is daar veel gebeurd. Maar jij mag jezelf niets verwijten. Wij weten dat je dat niet mag. Want wij zijn jouw vrouw en kind (denkt na).

OUDERE MILITAIR: Laat gaan, moeder, het hoeft niet meer. Geef het op. Ga maar naar vader. Wij doen ie­dereen de groeten. Je hebt je best gedaan. We zijn er allemaal.

JONGE SOLDAAT: (plechtig en houterig) Wij weten dat jij terugkomt naar Libanon. Want wij zijn jouw vrouw en kind (snikt). Wij zijn Fatima en Maria. Maria is jouw kind. Zij wordt binnenkort twee jaar.

OUDERE MILITAIR: Ze stierf een half uur nadat ik, na twee uur treinvertraging, aankwam. Ze had op mij gewacht, zei mijn zus.

JONGE SOLDAAT: (plechtig en houterig) Wij houden heel veel van jou. Wij hebben contact met jou door onze stemmen. Wees gerust. Het komt allemaal goed. Ga nu maar slapen.

OUDERE MILITAIR: ‘t Is gestopt, ik voel het, nee, nog niet. Niet huilen, nog niet, ze mag het niet merken. Nee, ‘t klopt nog, heel zwak, dit kan nog uren du­ren. Nee, het is nu zo afgelopen. Rustig maar, moeder, we zijn er allemaal.

JONGE SOLDAAT: (plechtig en houterig) Het is goed dat jij daar een taak hebt. Dat jij de kolonel helpt. Jij doet dat ook voor ons, jouw vrouw en kind. Welte­rus­ten. Wij houden van je. Geen dode zal jouw slaap ver­storen. Ga nu maar lekker slapen. Ga maar slapen.

OUDERE MILITAIR: (Kijkt vol medelijden naar de JONGE SOLDAAT) Ga maar, moeder, laat het maar los. (wacht) Langzaam was het bloed weggetrokken en voelde haar gezicht en ook haar lichaam al koud aan. Ze ademde nog één keer uit. Het leek op een fluiste­rend “jaaaaah”.

De JONGE SOLDAAT is boven zijn laptop in slaap gevallen, de OUDERE MILITAIR loodst hem naar de tent.

Kom, morgen is er weer een dag.

Einde 1e bedrijf

(wordt vervolgd)