Jantje en de stok (uit Aan de Lange Weg)


(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

Jantje en de stok

De hobbelkeienstraat oversteken, de strook gras, dan het betonnen fietspad dat volgens vader door de Duitsers is aange­legd, en dan over het gras tussen fietspad en sloot lopen, tot hij het paadje in kan waar de anderen voor hem al om de bocht met bosjes en braamstruiken verdwenen zijn.

     Daar vindt hij hem terug, onopvallend rechtop alsof hij een deel is van de struik, in plaats van een losse gladde stok die hij na een vlugge blik om zich heen onder tegen zijn rug legt en met de holten van zijn ellebogen op zijn plaats houdt.

     Zo begint hij met naar achter getrokken schouders lang­zaam achter de anderen aan te lopen, want die moeten alweer het zijpad links ingeslagen zijn voor hij de bocht om kan.

     Als hij, zelf aan het eind van het zijpad, hem in de hoge heg verbergt, zijn zij al bij de school of onzichtbaar voor hem in een van de inhammen van de Schoolstraat hun spelletjes aan het doen… plots afgebroken door de meester die de straat vult met het geluid van de bel die hij hoog alle kanten opzwaait en waarmee hij van overal de hollende kinderen naar zich toe trekt.

     Jantje wil niet hollen. Hij begint met zijn ogen te knipperen om het eronder te houden, versnelt wel zijn pas, terwijl hij probeert steeds enkele kinderen tussen zichzelf en de man met de bel te hebben. Het kost zo`n inspanning dat hij al gauw niet meer weet wat het belangrijkst is: het eronder houden of iemand tussen zichzelf en de meester houden, terwijl dit laatste toch alleen dient voor het eerste.

     Maar dan voelt hij dat gaat gebeuren wat in ieder geval zou gebeuren wanneer het laatste kind voor hem weg is, en waarte­gen nu steeds heviger knipperen niet meer helpt: het stijgt omhoog tot achter in zijn nek.

     En dan begint ook hij te hollen, met de bedoeling dat hollen de oorzaak te laten lijken voor wat weer onhoudbaar bleek: het hevig rode hoofd dat nu op zijn schouders brandt en waarmee hij de meester voorbij rent, terwijl hij “pf, pf” puft en met natte ogen naar de man kijkt, die meteen na hem de bel stopt en achter hem aan de school in loopt.

     Hij begrijpt meteen wat ze aan het doen zijn als hij het klaslokaal in komt en onwillekeurig kijkt hij achterom, naar de meester die er nog niet is.

     Ik hoef het niet te weten, denkt hij. Als ik het niet weet, kan ik het niet vertellen en hoef ik niet te liegen en te kleuren alsof ik het wel weet.

     Hij blijft strak naar de vloer kijken terwijl hij naar zijn bank loopt, waar hij meteen een schrift pakt en met de losse hand een diagonale lijn probeert te trekken.

     De meester gaat als gewoonlijk een voor een het rijtje af, heft de liniaal op en steekt deze met een snelle beweging in de richting van degene die ondervraagd wordt, alsof hij een klap geeft.

     Jantje moet zich concentreren: hij moet recht blijven.

     Terwijl hij toch de antwoorden van sommige jongens hoort – “Nee, ik weet het echt niet, meester, ik lach niet en krijg geen rooie kop, of wel soms?” – denkt hij bij zijn derde blaadje: hij moet recht van de linker onderhoek naar de rechter bovenhoek gaan, als dat lukt, zal het niet omhoogkomen, o god, laat het lukken, laat hem recht zijn, dan weet ik dat ook dat andere zal lukken en ik niet eens zal hoeven knipperen om het eronder te houden.

     Hij dwingt zichzelf op de lijn, maar hoe kan het dan dat hij de jongen naar zich ziet kijken, en dan ook plotseling dat ziet zitten waar het allemaal om gaat?… zo opvallend dat het belachelijk is naar iets te vragen dat zo duidelijk aanwezig is en daarboven een stukje uit de gordijnroe steekt.

     Nu is het niet meer te houden, denkt hij, nu ik het weet, weet ik opeens weer alles, ook dat het donderdag is en zij misschien al uit haar bank is opgestaan, naar de lessenaar loopt, daar de map pakt en de gang in gaat, waar haar stappen hol opklinken, vooral op plaatsen waar geen jassen hangen.

     En terwijl het met de lijn op zijn papier helemaal misgaat en hij het onstuitbaar voelt komen opzetten, denkt hij: ze sluit nu de deur en, hoe zacht ze het ook doet, het klinkt door de hele meisjesschool. Op de stoep kan ze twee dingen doen: rechtsaf en dan voor de school langs en dan weer rechts door het Maagdenpad, of meteen links over het schoolplein en door het poortje in de haag van het klooster gaan, en als ze dat doet is ze er eerder en kan elk ogenblik binnen komen!

     Dan barst het los en weet hij dat het knipperen hem niet meer redden kan, en dat ook de beloftes dat niet kunnen, zoals nooit meer zijn grote zus te stompen, al doet ze nog zo bazig… hoewel hij het met deze zeer grote belofte nog wel probeert.

     En op het moment dat de liniaal naar hem geprikt wordt kijkt hij vuurrood met tranende ogen de meester aan en ant­woordt nee op de vraag of hij de aanwijsstok weet.

     Maar de meester gaat hem zonder meer voorbij, en mis­schien is dat het ergst van alles, het meest beledigend: dat het niets meer zegt bij hem, een rooie kop, en dat zelfs de Kuus dat weet.

     Hij zit hier nog aan te denken als de deur opengaat en, wat hij gevreesd had maar ook weer vergeten was, zij binnenkomt en de map op de lessenaar legt.

     Maar dan is ze ook al weer verdwenen, en terwijl de jongen hem strak en spottend aankijkt, kijkt hijzelf met grote ogen rond en is verwonderd dat het zo snel voorbij is en dat hij helemaal niet kleurt. Integendeel, hij heeft zelfs het gevoel dat hij bleek ziet, heerlijk wit ziet. Ik heb een blank gevoel, zegt hij in zichzelf, een verheven droef gevoel, in ieder geval het totaal tegengestelde van dat gloeiende, dat aarde- en vuurgevoel. Het zal veranderen, ik heb het doorstaan, ook de blik van de jongen die het in me omhoog wil trekken.

     De jongen heeft zijn ogen nog steeds vast op hem gericht, en toch hebben die ogen heel even het hoekige lichaamsdeel aangewezen dat daar links voor hem stijf en paars in de geopende broek onder de bank staat, met een knik erin lijkt het, als een stok onder water.

     En dan komt het weer als een golf in hem omhoog, het drijft de spot met alle gedachten die hij kort tevoren heeft gehad, het prikt en jeukt in heel zijn bovenlijf, het zweet breekt hem uit en hevig knipperend wendt hij zich af en plaatst zijn arm tegen zijn hoofd tussen zichzelf en de pik in, terwijl de jongen zacht grinnikt.

     Ver voor iedereen is hij om vier uur de school uit. Bij de heg kijkt hij hoe de stok hoog in de lucht om zijn as draait en dan neerploft in het koren. Wat heeft hij aan rechte schouders als hij zo`n probleem heeft met wat er op die schouders staat! En trouwens, de welpenakela die hem de stok heeft aangeraden heeft zelf nog steeds een kromme rug.

     Terwijl hij staart naar de plek waar de stok is neergekomen, heft hij de hak van zijn rechtervoet wat van de grond en drukt zijn billen uit elkaar om door te laten wat al gauw geen scheet blijkt en waarvoor hij snel zijn billen weer bij elkaar moet knijpen. Hij moet nu een besluit nemen: het pad terug uit en weer de weg op waar huizen en wc’s zijn, maar waar ook de sigarenfabriek is waar hij omheen moet, en waar eigenlijk maar één huis is dat in aanmerking komt, halfweg, in de bocht van de Lange Weg, het winkeltje waar hij achterom kan lopen en zonder vragen poepen kan. Maar haalt hij dat? Of hij moet verder het paadje in en daar een plekje vinden, met het risico dat de jongens hem inhalen en hem terwijl hij gehurkt zit omduwen in zijn eigen stront.

     Hij hoort de jongens komen en gaat op een sukkeldrafje het paadje verder in, in de hoop dat hij helemaal niet hoeft te stoppen, en deze weg is korter. Al gauw moet hij stapvoets gaan en zijn billen samenknijpen, tot de pijn wegtrekt en hij weer even vlugger kan.

     Dan is het al weer terug, de drang wordt erger, hij moet helemaal stilstaan en zich over de kramp in zijn darmen bui­gen. Daar zijn de jongens, ze zullen hem niet inhalen, wat er ook gebeurt!, en hij gaat verder, kijkt nog één keer naar een plekje waar hij ongezien kan neerduiken, maar daar is het weer, hij zou nu moeten stilstaan en zijn aars dichtknijpen, maar hij hoort de jongens en doet het niet, hij richt zich op om harder te rennen, gooit alles los en tegelijk ploft, spat het in zijn broek als een bevrijding en loopt meteen langs zijn blote benen naar beneden.

     Maar zij zullen het niet zien! Terwijl hij blijft draven, bukt hij zich en trekt een bos droog gras los, waarmee hij tijdens het lopen langs zijn benen wrijft. Hij komt zo dadelijk uit het pad, zal de Lange Weg moeten oversteken, dan mag er weinig te zien zijn, en hij begint zich voor te bereiden op de verwijten die hij zal te horen krijgen.

     Als er een nieuwe golf over zijn benen spuit, beseft hij de hopeloosheid van alles wat hij probeert en begint, terwijl hij thuis achterom loopt, te huilen en te roepen: “Mama, ik heb in mijn broek gepoept en kon er niets aan doen.”

     Misschien is iemand hem op de fiets voorbij gereden en heeft die zijn moeder gewaarschuwd, want er staat onder de lindeboom een emmer met water klaar, waar hij met kleren en schoenen in moet gaan staan. Moeder Anneke jaagt de kinde­ren weg die grinnikend om de hoek komen kijken.

     “Maar we komen schommelen,” zeggen ze.

     “Nou niet,” zegt zijn moeder kortaf en vraagt aan hem waarom hij zo`n schijterd is dat hij op school niet durft te vragen of hij naar de wc mag en waarom hij dan niet meteen ná school gaat.

     Zijn moeder doet zijn schoenen en kleren uit en laat deze in de emmer achter terwijl ze hem naakt in een andere emmer zet. Hij kijkt even of er geen kinderen zijn, maar kan haar toch niet vertellen dat hij bang was dat de jongens hem zouden opwach­ten, hem tot een gevecht uitdagen dat hij niet kon winnen en hem pesten met wat in de klas was gebeurd.

     Maar terwijl hij in de emmer staat en zijn moeder hem wast, glimlacht hij opeens, opgelucht met het besluit dat hij zojuist heeft genomen, namelijk nooit te trouwen, omdat je daarvoor een meisje moet vragen, en om zich als een kluize­naar van alles en iedereen af te zonderen, of om in ieder geval naar Afrika te gaan, waar hij doorlopend zo roodbruin verbrand zal zijn dat niemand ziet wanneer hij van kleur verandert.

     En blij met deze oplossing kijkt hij met glanzende ogen en een blos op zijn wangen langs zijn moeder heen de hof in.




(kaartje @PeterDillen, met dank)
Tegenover de huizen die zouden worden afgebroken voor de Kempenbaan begon een paadje dat vanaf de Provincialeweg naar de Broekweg richting Zeelst leidde. Iets over de helft van het paadje was een afslag naar de Schoolstraat.



… zijn zij al bij de school of onzichtbaar voor hem in een van de inhammen van de Schoolstraat hun spelletjes aan het doen… plots afgebroken door de meester die de straat vult met het geluid van de bel die hij hoog alle kanten opzwaait en waarmee hij van overal de hollende kinderen naar zich toe trekt.

Zijn moeder doet zijn schoenen en kleren uit en laat deze in de emmer achter terwijl ze hem naakt in een andere emmer zet.

(uit Aan de lange weg , roman van Meurs A.M.)

De verbranding (uit Aan de Lange Weg)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

De verbranding

We slaan een paar huizen over, eerst dat van Ineke Verstappen die daar met haar zus en haar ouders woont, dan dat waar aan de achterkant de Duitse deserteur Weebe en zijn vrouw hebben gewoond, en ook het volgende waarin Ineke zal gaan wonen als ze getrouwd is.

            En bij het huis daarna blijven we nog even buiten, hier woont een vriendje van Jantje, Wouter van de Stal. Deze buurjongen heeft zelf ook konijnen, in kooien achter het huis. Hij mist er wel eens eentje, maar als hij hardop zegt dat zijn vader maar eens een huis verder moet gaan kijken, want dat ze daar een dezer dagen wel konijn zullen eten, krijgt hij een draai om zijn oren. Maar hij blijft ervan overtuigd, zoals hij ook weet dat een kip die in de hof van de buurman verdwaalt in de pot terechtkomt. De buurman aan die kant is Walterke Smits, de schilder die er bij de weverij een hele week over doet om een deur af te lakken en die van een pilsje houdt en zijn twee dikbuiken achterover slaat in het winkeltje van Piet van Doelen in de tweede bocht van de Lange Weg, want op café mag hij niet en thuis mag het evenmin.

            Zijn vrouw, Jaantje Smits, staat met haar gezicht dat een en al rimpel is tussen de twee huizen in naar de Lange Weg te kijken. Haar vaalgrijze haar zit als een Romeinse helm om haar hoofd. Zo staat ze altijd onbeweeglijk in haar blauwe schort, het is om bang van te worden.

            “Weet je, jongen, dat ik jou nog heb gehaald?” zegt ze tegen Wouter. Wat bedoelt ze daar mee?

            “Het is een heks,” zeggen de kinderen.

            Opeens komt er haastig een andere oude vrouw het voortuin­tje van de familie Van de Stal in lopen. Het is Dien Beren, die inwoont in het huis ernaast waar later Ineke zal gaan wonen, maar Dien is dan al overleden. Met haar rug naar de weg trekt ze vanonder haar lange schort haar onderbroek helemaal uit, slaat hem met een klap alsof ze een stuk natte was uitslaat onder haar oksel, hurkt neer en pist een kuiltje in de zachte tuingrond. Dan loopt ze met de onderbroek onder haar oksel naar huis.

            Was er voor het smalle raampje van de huiskamer even het gezicht van moeder Van de Stal te zien? Heeft ze iets zien bewegen in het tuintje? Misschien zelfs iets gehoord? Dat laatste is onwaarschijnlijk. Hoewel, je weet het tegenwoordig maar nooit met die hoorapparaten.

            Moeder Marie sloft gebogen door het huis, met bezem, stoffer en blik, met dweil en stofdoek. Er ligt een dweil zowel aan de binnenkant als aan de buitenkant van de achterdeur, als teken dat er pas is schoongemaakt. Hij ligt er bijna altijd. Ze wrijft en boent de meubels, ze loopt er krom van. Als ze naar haar kinderen kijkt moet ze omhoog kijken, maar daarvoor moet ze stilstaan en ergens op steunen. Ze heeft een vriendelijk gezicht. Ze hoort en ziet slecht en dat is haar redding.

            Ze staat te strijken, aan de andere kant van de tafel staat de televisie aan, iets nieuws. Op de strijkplank heeft ze een glas water, ze neemt wat water in haar mond en sproeit het over de strijk. Ze begint dwars door de televisie heen een verhaal te vertellen, ze moet er zelf hard om lachen, ze krijgt er tranen van in haar ogen en moet zich vasthouden aan de rand van de tafel. Ze is in haar enthousiasme naar voren gekomen en staat nu voor het beeld en wordt door haar kinderen weggeduwd en weg gescholden. Maar ze blijft in zichzelf lachen boven de strijk.

            Het is wat met twaalf kinderen! Maar goed dat er al een paar het huis uit zijn. Dat ze hebben moeten trouwen is niet erg, als het maar gebeurt, en als ze zelf de knoop niet kunnen doorhakken dan maar op die manier.

            Het zou goed zijn als er nog een paar van die meiden trouwden, want die ruzie altijd om de kleren, het gebruik van het washok, de wc, de kam, ga zo maar door, tot wie op welke plek mag staan vrijen. Als het tenminste bij staan blijft!

            Vooral op zaterdag tegen de avond is het spitsuur. Dan lopen ze in hun bh door het huis en degene die niet wil wachten tot de teil in het washok vrij komt begint zich alvast in haar ondergoed in de keuken te wassen, terwijl daar altijd iemand achterom kan komen. Ze krijgt commentaar van haar moeder: “Schandaal!”

             “t Is toch ook mijn huis,” zegt de dochter. Op zaterdag­avond veranderen de Assepoesters van de familie Van de Stal in de prinsessen van de danszalen. Ze zijn onherkenbaar.

            Een van de dochters heeft het uitgemaakt met haar vriend. Het gevolg is dat zij de hele dag chagrijnig is en hij maar op zijn brommer over de Lange Weg voorbij blijft rijden. Eerst hard, op het eind bijna stapvoets. En in het begin wou ze niet horen dat hij voorbij was gekomen, daarna ging ze steeds vaker vanachter de vitrage staan loeren en als ze hem niet zag begon ze de anderen naar hem te vragen, tot ze uiteindelijk de stoep voor het huis ging schrobben en toen hij nog niet kwam ook de ramen aan de voorkant begon te lappen, net zolang tot hij met zijn brommer achter haar stond en vroeg hoe het was. Toen zei ze: “Met mij goed, hoezo?” En zo was het weer aan geraakt.

            De heer des huizes heeft niet veel oog voor dit soort proble­men, hij is bijna nooit thuis. Hij is chef in de sigarenfabriek, hij is daar bijna altijd, ook zaterdags en ‘s avonds, en anders is hij op zijn land achter het huis bezig. Hij spit de grond om, vanaf zijn omhegde stukje hof tot aan de Gender, bijna tweehonderd meter lang en vijfentwintig meter breed. Hij spit twee spaden diep, maakt keurige voren, vult de ene voor met de andere, het onkruid van de bovenlaag steeds onderop in de voor ernaast. Dan staat hijzelf een spade diep in het land en spit de tweede spade zuivere aarde uit en schept die naast zich op de laag met onkruid. De omgespitte losse grond steekt mooi vlak een beetje boven de rest uit. Hij is er trots op en hoopt dit tot zijn vijf­entachtigste te blijven doen.

            Hij is een man van gezag, zowel thuis als in de fabriek. Hij kan een flinke draai om de oren weggeven. Hij kan ook kriti­sche vragen stellen en de mensen aankijken met die zwarte ogen. Er blijft van de smoesjes van de fabrieksmeisjes dan niet veel over. Hij heeft overwicht en daar maakt hij gebruik van. Zijn vrouw is bijna voortdurend zwanger geweest en ondertus­sen afgesloofd en de fabrieksmeisjes moeten het bij hem goedmaken. Ze willen wel, hij is geen lelijke man, van pik­zwart is hij boven zijn veertigste opeens spierwit geworden, en dat staat hem.

            Een zoon houdt dus konijnen, een andere duiven en weer een andere heeft een grote zelfgebouwde volière met siervo­gels. De duiven doen zondags mee aan wedstrijden. Wanneer er een zo vroeg terug is dat hij zeker een prijs zou hebben gewonnen als hij niet op de klep van het hok of op het dak van de buren was blijven zitten, en roepen en ook rammelen met de voerbus niet helpt, dan wordt de arme duif, die na zijn tocht van duizend kilometer even uitrust en geniet van het uitzicht vlakbij huis, de kop uitgetrokken als hij eindelijk binnenkomt. Een snelle en effec­tieve dood. Aan die zal de duivenmelker zich niet meer hoeven te ergeren, en smaken doet hij evengoed. ‘t Is een andere tijd, zullen we maar zeggen, er wordt ook nog met een windbuks op mussen, kraaien en spreeuwen geschoten. En de kinderen zetten mussenklemmen en vangen vogels onder een zeef waar aan één kant een stokje onder staat met een touwtje eraan.

            Over schieten gesproken, met onze Indië-ganger, de jongen van Vlek die nu toch al een aantal jaren terug is, is het ook nog niet helemaal tof. Hij blijkt een mitrailleur te hebben en schiet daarmee vanuit hun diepe tuin over de Gender heen. Tiktiktik­tik, hoor je de kogels tegen de bomen die achter hun tuin nog niet allemaal zijn omgehakt. Het is een angstaanjagend geluid, ook voor de Heeskop met zijn geweer die nu zelf onder vuur ligt. Hulppolitieagent van Vulpen heeft zijn uniform nog eens aangedaan en is achter zijn woning in de Acht-Huizen naar de Gender gelopen en daarlangs in de richting van de schutter. Toen hij in de buurt kwam stopte het mitrailleurvuur even en hoorde hij roepen: “Blijf weg van het front, ouwe gek!”

            “Wie roept daar ‘gek’?” heeft hij nog teruggeroepen maar is toen weggevlucht voor het opnieuw losbarstende geratel.

            De bloedmooie Petra Donkers, die eens het liefje geweest zou zijn van de jongen van Vlek, was nog bij de Van de Stals aan de deur geweest voor een betrekking als dienstmeisje. Het was bekend dat geen meid het daar uithield omdat moeder Van de Stal met haar poetsziekte alles nog eens overdeed. Josje Weels was er weggegaan toen ze de kolenkist aan de binnen­kant moest schrobben. Maar Petra was zelfs niet verder geko­men dan de voordeur.

            “Je moet de kat niet op het spek binden,” zei moeder Van de Stal toen ze Petra had gezien en had op haar zoons gewezen. Maar de kater waar het om ging was op dat moment zijn land aan het omspitten.

            Er heerst steeds meer onrust aan de Lange Weg. Behalve autohandelaar Westerweel, die in het huis van Anneke Weels zal komen wonen, zijn er ook anderen die grond proberen te kopen. Nu kan opeens alles, nu tekenen nota bene de ambtena­ren zelf de deuren en ramen in de zogenaamde schuur die men aanvraagt en verrijzen er overal huisjes in de tuinen, waar getrouwde kinderen gaan wonen en soms de ouders zelf. Wat is er aan de hand? Heeft het met de komst van het Eindhovense ziekenhuis te maken waar al jaren over wordt gesproken? Weten de ambtenaren dat er nieuwe wegen zijn gepland en dat straks alles toch moet worden afgebroken?

            Zo is een van de zonen van Van de Stal in een noodhuisje in de hof van buurman Walterke Smits gaan wonen. Hij heeft nog een emmer water over de oude verrimpelde buurvrouw Jaantje Smits gegooid toen bij het aardappels koken op de plattebuis­kachel haar blauwe nylon schort in brand vloog, maar hij heeft haar niet kunnen redden.

            “Zo gaat dat met heksen,” zeggen de kleine kinderen genadeloos. En sommige grote kinderen van Van de Stal denken dat ze voortaan meer eieren voor zichzelf zullen over­houden, want ze kwam altijd “lenen” als het slecht uitkwam.

            Moeder Van de Stal heeft gehoord hoe haar kinderen over de buurvrouw praatten, want ze draagt nu een hoorapparaat. Ze hoort nu ook hoe er wordt gevloekt en gescholden onder elkaar en ook tegen haar, en daarom staat ze soms te huilen boven de strijk, want ze heeft dat nooit geweten. En daarom doet ze het hoorapparaat weer uit en bergt het voorgoed op.


De afgebroken huizen

En daarom doet ze het hoorapparaat weer uit en bergt het voorgoed op.
(Illustratie Ufuk Kobas)

(uit Aan de lange weg , roman van Meurs A.M.)

Als het maar weer eens zomer wordt…(uit Aan de Lange Weg)



(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

Als het maar weer eens zomer wordt…(uit Aan de lange weg)

De afgebroken huizen….

In het huis aan de andere kant van de schoenmaker met het houten been ligt tante Erna van wie Anneke Weels zegt: “En ze had nog wel van die flinke armen!” Ze ligt daar dood te gaan, te verschrompelen aan kanker.

“Aan K,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen, want ze durven de gevreesde ziekte niet uit te spreken. En tegen beter weten in troosten ze tante Erna die vorig jaar nog zulke mollige armen had en nu ligt dood te gaan: “Als het maar weer eens zomer wordt…”  Tante Erna doet haar best te glimlachen, want het is al lente en de zomer zal ze waarschijnlijk niet halen, en hoe moeten haar broers het stellen zonder haar? Want ze zijn heel hun leven met hun drieën samen gebleven.

Soms lukt het haar om ondanks de pijn even in slaap te vallen en wordt ze toch glimlachend wakker en denkt: ik heb verkering want ik heb bij Nandje op schoot gezeten. En ze denkt eraan wat een grappig mannetje het is, hun huisvriend, zo klein, zo parmantig met dat pak en dat vest. Ze ziet hoe zij een hoofd boven hem uitsteekt op hun trouwfoto en ze hoort haar vader zeggen: “Wat moet je met zo`n klein mannetje, je zult alles in huis en in de hof zelf moeten doen!” Hoe lang is haar vader al dood? Dood, en ze zucht.

Eén keer in haar bijna zestigjarige leven heeft ze bij een man op schoot gezeten. Het was toen ze stond te huilen omdat ze dood zou gaan en haar broers alleen zouden achterblijven. Nandje had gevraagd wat er scheelde en toen had ze er uitge­flapt dat ze kanker had, en zo wist hij het nog eerder dan haar broers. Hij had haar op schoot getrokken om haar te troosten en had eens over haar haar gestreeld en het hielp, ze was er helemaal warm van geworden, want zo`n gebaar had ze nooit eerder meegemaakt. Maar ze vroeg zich af of ze het wel had mogen doen, op zijn schoot gaan zitten, want nu ging hij haar extra missen. En toen was de jongen opeens binnengekomen en die zag ze sindsdien weinig.

Jantje kwam altijd zomaar binnenlopen, dat mocht, hij was er kind aan huis, hij hielp oom Robert bij de konijnen en de geiten, vooral bij de konijnen. Er staan zo`n vierentwintig hokken in de konijnenstal, drie boven elkaar. Dat is hoog genoeg, oom Robert is niet zo groot. Het onderste staat niet helemaal op de grond, dat mag namelijk niet. De bodem van de hokken loopt naar achter een beetje schuin af en steekt over, anders loopt de zeik in de lager gelegen hokken. Een ko­nijnenhok mag nooit nat zijn, konijnen mogen ook nooit nat voer krijgen. Anders gaan ze dood. Ze kunnen ook dood gaan door allerlei ziektes of als er een watergang onder de hokken zit. Een watergang is een onderaardse gang waarin het grond­water zijn weg zoekt. Je kunt je die zo groot en gevaarlijk voorstellen als je wilt. Er hangen in de stal konijnenvellen te drogen en er hangt een stuk vet aan een touwtje, dat is om de messen in te vetten. Soms hangt er ook een gestroopt konijn – “het vel over de oren getrokken” – het vel zit er nog aan vast en hangt eronder, vanbinnen wit met rode en blauwe adertjes. Het vlees moet eerst versterven. Jantje voelt zich ook zo`n konijn als híj zich zit te versterven, wanneer hij zaterdags in de vastentijd nog een extra uur wacht voor hij zijn snoeptrommel­tje opent. Het is fijn in de konijnenstal, zomers koel en ‘s winters niet te koud, het ruikt er lekker, als je ervan houdt. In de geitenstal ook wel, maar daar hebben meer mensen moeite mee. Konijn is lekker, alleen wel veel gedoe, veel botjes.

Op zondagmorgen is het gezellig in het voorkamertje van tante Erna. Op de schouw staat aan de ene kant een wit borst­beeldje van Mozart en aan de andere kant een van Beethoven. Jantje heeft nooit muziek in dit huis gehoord. Zondagsmorgens zit het kamertje vol, aan elke kant van de tafel zit een kaarter, oom Robert, oom Lex, Nandje en de Heeskop, de jager. In een stoel tussen schouw en raam zit Driekje, de zus van de Heeskop. Tante Erna loopt heen en weer met koffie, thee en geitenmelk. Je kunt maar moeilijk achter de kaarters langs om bij de krantenbak bij het raam te komen waar alleen gratis kranten in liggen, zoals de Sint Jansklokken, het parochieblad. Er hangt sigarenrook. Nandje rookt een sigaar, oom Lex ook maar minder snel achter elkaar, oom Robert pruimt, net als de Heeskop. Straks gaan ze wandelen in het Broekland, in ieder geval Jantje, oom Robert en de Heeskop. Onderweg halen ze Piet de klompenmaker op en Jantje krijgt dan bij Jamin door het omhooggeschoven raam een ijsco van een dubbeltje. Maar eigenlijk moest deze rokerige rustige warmte, waarin je slape­rig en gelukkig wordt, eeuwig blijven duren.

Vooral Nandje praat veel. Over de oorlog die voorbij is en over een nieuwe aan het Suezkanaal. Maar het gesprek van de dag is de voetbalpool. Opeens kun je in één dag stinkend rijk worden. En je hoeft geen verstand van voetballen te hebben, al moet je wel een beetje je gezond verstand gebruiken. Ergens verderop aan de Lange Weg is een man die zegt dat het een kwestie is van kansberekening, alles kan in min- en pluscijfers uitgedrukt worden. Hij begon op een velletje papier: de resul­taten tot nu toe, de uitslag de vorige keer tegen dezelfde club, een uit- of thuiswedstrijd, het weer in verband gebracht met het type spelers van een bepaalde club, doet de voornaamste aanvaller mee? Allemaal min- of pluspunten. De vellen papier lagen eerst nog op tafel, toen op de vloer, en dan moesten de schuifdeuren open en werd de voorkamer vol gelegd en moesten de kinderen stil zijn op zondagmiddag en uit de buurt blijven om niet op de papieren te trappen. En hij heeft wel eens wat gewonnen maar tot nu toe geen echt grote prijzen. Maar dat is een kwestie van tijd, want hoe langer het duurt hoe meer gegevens hij natuurlijk krijgt en op een gegeven moment kan het niet meer missen.

Jantje zag tante Erna bij Nandje op schoot zitten, hij schrok geweldig en draaide meteen om. Hij had zijn eigen moeder nog nooit bij zijn vader op schoot gezien. En aan tante Erna had hij nog nooit gedacht in verhouding tot een man, zoals hij nog nooit aan oom Lex en oom Robert gedacht had in relatie tot een vrouw. Zij ook al! dacht hij en haatte het leven en vond de mensen vies, want was het niet erg genoeg dat hij bij zijn vriendje Wouter het geflikflooi op de divan van de oudere zussen met hun vrijer moest aanzien? Een paar hadden er al moeten trouwen!

Hij holde weg, dacht aan Sodom en Gomorra, holde door tot thuis, dacht: niet omkijken, anders verander ik in een zoutpilaar, en verborg zich in het hooi boven de schuur en dacht niet aan de ratten. Hij zat te snikken, want hij bedacht wat de werkelijkheid kon zijn, weg was de onschuld van dat huis. Hij zag Nandje opeens met heel andere ogen, en ook de gezellige zondagmorgens, wanneer behalve Nandje ook de Heeskop en zijn zuster Driekje er waren, ook al een ongetrouwde broer en zus die samenwoonden! En die het waarschijnlijk ook wel met elkaar deden, zoals oom Robert en oom Lex en tante Erna het ook wel met elkaar zouden doen, en die twee families ook weer met elkaar. Misschien waren die gezellige zondagmor­gens wel het vervolg op de nacht ervoor, misschien waren ze daar allemaal al vanaf de vorige avond! Hij nam zich voor daar nooit meer een voet binnen te zetten, maar begon harder te huilen toen hij eraan dacht hoe hij zou moeten leven zonder oom Robert en de konijnen.

Na een week kwam oom Robert kijken wat er met hem was, of hij ziek was geweest, en Jantje ging weer met hem mee. Eerst dacht hij: misschien staat oom Robert er wel helemaal buiten, weet hij van niks. En toen: misschien heb ik me wel helemaal vergist. Maar hij kwam toch maar heel weinig op het opkamertje van tante Erna, want het bleef een feit dat ze op schoot bij Nandje had gezeten, maar hij zei: “Ze wordt zo mager, en dat kan ik niet aanzien.”

Oom Robert loopt langs de Lange Weg, voorovergebogen als altijd. Dubbeltjes zoekend, zeggen de mensen. Maar hij is er niet met zijn gedachten bij. Normaal ziet hij alles wat er langs de weg ligt, inderdaad elk dubbeltje en elk sigaretten­pakje. In de kartonnen doosjes, zoals van Cross of Miss Blan­che of Chief Whip, blijft vaak een sigaret achter. Maar nu is hij al verschillende doosjes voorbijgelopen die hij niet gezien heeft.

Hij komt in zijn konijnenstal waar het ook niet goed gaat, er zijn al enkele konijnen doodgegaan. Het derde konijn durfde hij niet meer op te eten, bang voor een ziekte. Eerst heeft hij op de gebruikelijke dingen gelet: vocht en tocht in de stal, nat hooi, nat voer. Toen aan een vloek, lag zijn zuster daar vooraan in huis ook niet dood te gaan? Toen zocht hij het bij zichzelf, hij was er met zijn gedachten niet bij sinds hij steeds aan Erna moest denken die daar in het opkamertje lag. En de melk van de geiten werd ook al veel eerder zuur.

Er is meer eigenaardigs aan de hand. Als je tot voor kort achter de huizen aan de Lange Weg kwam en naar het zuiden keek, zag je net over de Gender een populierenbos met heel hoge bomen. Dat bos begon in het westen achter het Patersgat en liep in het oosten tot aan de Leef dat in de winter de schaatsbaan is.

Maar wanneer je nu achter de huizen komt, kijk je dwars door het bos heen. Je kijkt tot aan de horizon, over de velden waar het eerste kievitsei werd gevonden en voorbij de Ontginningsweg, een naam die ook al weinig goeds voorspelt.

Als je dichterbij komt, zie je de bomen schots en scheef lig­gen, veel zijn er over de Gender gevallen. Het is geen enkel probleem meer om aan de overkant te komen, je loopt er zo overheen.

De stronken zijn in de grond blijven zitten. En heel de winter is oom Lex de Gender overgestoken en heeft hij de geweldige stobben uit de grond gehaald, aan stukken gehakt en op de kruiwagen naar huis gebracht. Met bovenmenselijke inspanning. Heel zijn energie, zijn woede om zijn ten dode opgeschreven zuster ging in die stronken zitten.

Hij leeft zich uit in de moerassige grond op posten die nog te nat zijn om door te hakken, hij graaft ze uit. Als hij met een niet verder kan gaat hij naar de volgende. De aarde zuigt, houdt ze vast. Ze zouden eerst verder moeten drogen, maar Lex heeft geen geduld. Hij zou allang in de hof en op het land bezig moeten zijn maar dit voorjaar heeft hij ook daar geen geduld voor. Zijn hoofd staat niet naar zaaien en planten, zijn handen zijn precies te grof, hij wil groot en zwaar werk, en soms lijkt zo`n stronk op een kruis, woedend hakt hij er de armen af en maakt het onherkenbaar.

Tante Erna sterft nog voor de zomer en Jantje krijgt op school geen vrij om haar mee te gaan begraven.

(uit Aan de lange weg , roman van Meurs A.M.)


Broer en zus Richard en Emma Verhoef
(model voor Oom Robert en tante Erna in “Als het maar weer eens zomer wordt…)




Toen die huizen voor de Kempenbaan waren afgebroken bleef ons geboortehuis daar staan. Ik schreef er een gedicht over, het heet HET STAAT ER NOG. Het is zelfs nog op muziek gezet en gezongen. Wij waren daar al vanaf 1957 weg. En deze foto is van rond 1988. Toen wij daar woonden, waren er nog 2 voordeuren, wij woonden links. Rechts woonden aan de voorkant De Schoenmaker met het houten been en zijn vrouw, tenminste tot 1953 toen de schoenmaker stierf. Dat verhaal zou ik heel mijn leven meedragen. Achter woonden de toen al oude gebroeders Oosterbosch, familie van de eigenaar. Die familie zou er komen wonen. Het huis is nog niet zolang geleden afgebroken. Maar ik heb geen zin een nieuw gedicht te schrijven.

HET STAAT ER NOG

De overlevende van de tweeling
Heeft de ruimte van de ander ook ingenomen
Omspannen door nieuwe witte huid

Het verbergt zich

Met voor zich verkeer dat zich
In nieuwe bochten wringt

En een weg die kinderverlamd
Het rechterbeen zwaait voor het linker
Om rechtdoor te kunnen gaan

En naast en achter zich
In plaats van hof
Auto’s die tweedehands worden verkocht

En verder achter zich
In plaats van veld
De autosnelweg
Met snel alles er naartoe
En snel alles er vanaf

Het staat er nog
Het geboortehuis
Maar vraag niet hoe

Het staat er nog
En dat is goed

Meurs A.M. 



Provincialeweg 168 in augustus 1940. Rechts Nelleke Saris en Theet Meurs, links Antoon van Lexmond en Cisca Saris. De paren trouwden op dezelfde dag, Theet en Nelleke gingen daar wonen. Mijn moeder staat in ‘Aan de lange weg’ model voor Anneke Weels, mijn vader voor Leo Weels. 

Het Liefdegesticht (uit Aan de lange weg)

… en waar je als oudje terechtkwam wanneer je niet meer zelfstandig kon wonen. Misschien noemden de nonnen vanwege dat laatste het klooster wel het Liefdegesticht
(Illustratie Ufuk Kobas)


(Nieuwe FB-pagina’s als 
Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

Het Liefdegesticht
 
 
In het dorp aan de Lange Weg lag een aantal gebouwen waar iedereen mee te maken had overzichtelijk in een vierkant bij elkaar: het raadhuis waar je trouwde en aangifte deed van de geboorte van je kind, wat verderop het patronaatsgebouw waarin het consultatiebureau en de wijkverpleegster waren gevestigd, en waaraan weer de fröbelschool zat en in de tijd van Jantje Weels ook de eerste klas van de jongensschool. Naast het patronaat lag de meisjesschool, en als je door de poortjes achter de meisjes­school en de fröbelschool ging kwam je via de kloosterhof bij het klooster, waar de nonnen vandaan kwamen om les te geven aan de meisjesschool en de bewaarschool, en waar je als oudje te­rechtkwam wanneer je niet meer zelfstandig kon wonen. Mis­schien noemden de nonnen vanwege dat laatste het klooster wel Het Liefdegesticht. Tegenover het klooster, net buiten het vier­kant, was de kerk en langs de zijkant van de kerk liep de School­straat met aan het begin, voorbij het plein dat eerst nog een zandpleintje was, de jongensschool, die werd gesloten toen Jantje Weels er juist af was.
            “Zeg maar tegen die verrekte nonnen dat ons Ria vanmiddag niet komt.”
            Met die boodschap stuurde Hanna Bosmans van de Eerste Huizen Tonnie Weels alleen naar het klooster. Het was Konin­ginnedag, maar voor de dienstmeisjes van het klooster was het een gewone werkdag.
            “Kunnen die verrekte nonnen nou nooit eens een dag vrij geven, zelfs niet op Koninginnedag?” had Hanna Bosmans gezegd, en ze zei nog veel meer, maar toen Tonnie Weels de boodschap zo neutraal mogelijk probeerde over te brengen en eraan toevoegde dat zij vandaag ook eerder naar huis ging, moest zij het ontgelden, was zij de kwaaie pier.
            Maar Hanna Bosmans zei nog veel meer. Dat de meisjes toch al van die lange dagen maakten, elke dag van half acht tot na zeven, en dat zes dagen per week. Alsof ze thuis niet nog een boel te doen hadden, ook thuis moest gekookt, gestreken en gepoetst worden en boodschappen gedaan, de jongste moesten naar bed gebracht en zaterdags in bad gedaan worden. En bij de nonnen diende het dan ook nog allemaal voor een paar centen te gebeuren. Want het was een eer daar te mogen werken, lang niet iedereen kwam daar voor in aanmerking.
            “Jaja, zo ken ik er nog een paar,” had Hanna Bosmans ge­zegd.
            Hoewel de meiden er zelf om lachten, moesten ze toch voortdu­rend op hun hoede zijn dat ze niet aan hun kont werden gezeten. Vooral door de mannen die nog fit genoeg waren om trappen te lopen en die daarom op zolder, op de tweede verdie­ping sliepen. Als je de trap schoonmaakte, moest je als een schichtig vogeltje steeds opkijken of je niet belaagd werd. Daar stond je in je jurk of rok, want in een lange broek werken mocht ook al niet van die verrekte nonnen, en je kon van die jonge meisjes toch niet verwachten dat ze ook zo`n lang habijt aantrok­ken. En de grootste viezeriken probeerden niet alleen de meisjes onder hun kleren te kijken en ze vast te pakken maar ze riepen ook nog eens “billen!” “tieten”! wanneer ze de trap opliepen.
            Hanna durfde te wedden dat er mannen tussen zaten die zich heel wat dementer voordeden dan ze waren, alleen maar om die meiden eens aan te raken. Maar geef die oudjes eens ongelijk! Ze mogen niet samen wonen, al zijn ze veertig of zestig jaar ge­trouwd. Ze moeten heel de dag op de zaal bij andere oude man­nen zitten, en hun vrouw in een andere zaal bij andere oude vrouwen. En ’s nachts slapen de mannen op de mannenzaal en de vrouwen op de vrouwenzaal. Soms zag je zo`n stel dan heel zielig even samen op de gang staan. Tot er zo`n verrekte non aan kwam die ze weer uit elkaar haalde. Geen wonder dat die mannen achter de jonge meiden aan gingen. Het was het enige verzetje dat ze hadden.
            Maar als je geld genoeg hebt, dan krijg je wel je eigen kamer, met je eigen man of vrouw en je eigen meubels, en aan de straat­kant, zodat je kunt zien wie er voorbijkomen en wie er te laat zijn voor de mis in de kerk aan de overkant en wie er meteen na de communie de kerk uit gaan. Dat kun je allemaal bekijken, want een goede bril heb je dan natuurlijk ook.
            Dat alles had Hanna Bosmans gezegd. Maar het ergste was toch dat de dienstmeisjes nooit vakantie hadden, nooit eens vrij waren, zelfs niet op Koninginnedag; dat ging maar het hele jaar door, van maandag tot en met zaterdag.
            Het was allemaal waar, maar Tonnie Weels was toch blij dat ze weg kon, ontsnappen aan dat geratel van Hanna, en misschien gold dat ook voor Ria, want die voelde zich er ongemakkelijk bij nu ze haar collega`tje moest laten gaan dat bovendien de bood­schap moest overbrengen. Tonnie zag dat wel aan die blikken vanuit de andere kamer, en misschien ging Ria wel liever gewoon mee, want thuis zou ze toch ook moeten werken al was het dan Koninginnedag, en in het klooster konden ze tenminste nog eens lachen.
            Want ze lachten wat af, ook als ze door die oude mannetjes achterna werden gezeten. Bij de meesten was het onschuldig, zat er niks kwaads bij, maar sommigen moest je toch in de gaten houden, zoals die ene die zijn tong door de brievenbus stak en hem dan snel bewoog, als een hond. Dat was niet meer onschul­dig, zoals die je aankeek en je probeerde vast te pakken, en sommigen van die oudjes waren nog behoorlijk sterk!
            Maar de dienstmeisjes konden er ook wat van! Zoals toen ze, verkleed als zogenaamde missiezusters bij Trijn Minussen op bezoek gingen bij wie de drollen verpakt in krantenpapier in de kast lagen. Ze hadden werkkleding van de nonnen uit de werkkast gepakt en die aangedaan.
            “Hoe gaat het met u?” had Tonnie gezegd. ‘Wij komen uit de missie en hebben veel van u gehoord. Dat u heel lekkere dingen in de kast heeft, bijvoorbeeld. Nee, blijft u zitten, we pakken het zelf.”
            En Ria had de krant met de drol op tafel gelegd en Tonnie had gezegd: “Dat ziet er bijzonder goed uit, maar neemt u eerst zelf een stukje.” Maar toen had ze haar lachen niet meer in kunnen houden en ook haar pies niet, wat meestal samenging. En die pis was in die pluche stoelen getrokken, wat geweldig stonk, en ze hadden moeten maken dat ze wegkwamen, want ze gierden nu van het lachen en dat kon zelfs Trijn niet zijn ontgaan, en wie zei bovendien dat er met haar neus iets mis was? Want het begon verschrikkelijk te stinken in de kamer, daar was de drol niets bij. En ook in de werkkast zou het nog lang stinken, want de nonnenkleding hadden ze met pis en al teruggehangen.
            “Zeg maar tegen die verrekte nonnen dat ons Ria vandaag niet komt,” had Hanna Bosmans gezegd, en nu staat Tonnie Weels daar in de gang voor de half geopende deur van de kapel tegen­over de hoofdzuster die erbij gehaald is. De hoofdzuster glim­lachte in het begin nog minzaam, maar toen Tonnie de boodschap had overgebracht en eraan toevoegde: “En ik ga zelf ook naar huis,” was de bom gebarsten. Tonnie kijkt, terwijl moeder overste tegen haar tekeergaat, langs haar heen de kapel in met het afzich­telijke mokka stucwerk op de muren. Tonnie houdt niet van mokka. Maar ze lacht in zichzelf, want ze ziet zich met Ria de kapel binnenkomen en ze zagen het al meteen: het was weer een van die dagen. Een van die dagen dat de nonnen elkaar aanstaken, elkaar de loef afstaken in aanstellerij. Een zat er in het gangpad op de knieën, de armen geheven, het liefst zou ze haar gebed hardop uitgeschreeuwd hebben maar dat mocht niet tijdens het rozenhoedje, maar het misbaar van haar lippen was er niet minder om, je zag haar onhoorbaar gillen. De twee dienstmeisjes stootten elkaar aan en begonnen te lachen, want op de twee treden naar het altaar lag een andere non, de armen gestrekt naar voren en de handen met de palmen tegen elkaar gedrukt, terwijl tussen die twee nonnen in er een op haar knieën naar voren kroop, de gevouwen handen voor zich uit stekend in de richting van het altaar, zoals in sommige zuidelijke landen fanatieke boetebede­vaartgangers een rotsachtige berg opkruipen. Ze begonnen te lachen, de twee dienstmeisjes, en dat was niks dat beginnen, maar het stoppen! De een kon dat, zelfs met een stalen gezicht, als opeens iemand keek of gewoon zomaar als ze dat wilde, maar Tonnie kon dat niet, integendeel, dat werd alleen maar erger, dat werd gieren, hikken, snikken, én broekpissen. Dat liep, met die grote witte onderbroeken met die te wijde pijpen, zo met stralen langs haar benen. Zodat ze de kapel uit moest vluchten naar de wc, om haar benen af te vegen en haar grote onderbroek vol te proppen met wc-papier. Dat was er dan tenminste in het klooster, want thuis gebruikten ze krantenpapier dat vader Weels langs de rand van de keukentafel op maat afscheurde en aan een spijker in de plee buiten hing.
            Ook nu zou Tonnie het liefst wegvluchten bij die lege kapel, waaruit men moeder-overste geroepen heeft die daar steeds kwader wordend tegenover haar staat, vooral om Tonnies onver­stoorbaarheid die toch vooral verbazing is.
            “Zo Tonnie,” zegt de hoofdzuster, “en moet jij de boodschap overbrengen?”
            “Ja,” zegt Tonnie.
            “Ja? Kun je niet met twee woorden spreken?” zegt de hoofd­zuster. Tonnie zwijgt. Ze was na de huishoudschool als dienst­meisje in het klooster terechtgekomen omdat ze absoluut niet naar de fabriek wilde.
            “Voel je je daar te goed voor?” had Anneke Weels gezegd. Annekes jonge vriendin, buurmeisje Ineke, ging immers ook naar de sigarenfabriek, eigenlijk iedereen in de buurt, meteen na de lagere school of toch zeker meteen na de huishoudschool. Anneke en haar zusters hadden zelf in de schoenfabriek gewerkt, dus waarom zou Tonnie dan te goed zijn voor de fabriek? Omdat ze goed kon leren? Ze mocht blij zijn dat ze de lagere school in drie jaar had mogen doen, na al die jaren in het sanatorium. Tonnie had graag een opleiding willen volgen waarbij je Engels en typen leerde. Maar moeder Anneke was niet te vermurwen, er waren nog zes andere kinderen en vader Weels verdiende niet veel in de bouw. Maar Tonnie bleef vastbesloten wat die fabriek betrof. En zo was ze als dienstmeisje in het klooster terechtgekomen.
            “Zo,” zegt de hoofdzuster, “en laat jij je daarvoor gebruiken?”
            “Nee,” zegt Tonnie, “ik laat me niet gebruiken, ik breng gewoon de boodschap over en ik ga zelf ook eerder weg.”
            “O,” zegt de hoofdzuster, “gebruik jij dan Ria misschien, heb jij tegen Ria gezegd dat ze vandaag niet hoefde te komen en dat jij het wel in orde zou maken?”
            “Daar klopt geen bal van, van wat u zegt,” flapt Tonnie eruit, tot haar eigen verbazing.
            “Wat zeg je me daar, brutaal nest!” valt de eerwaarde moeder uit haar rol van lijdzame heilige. “Wat voor taal durf jij tegen mij te gebruiken?” Tonnie zegt niets meer.
            Hanna Bosmans had nog gezegd: “En als het niet die ouwe viezeriken zijn, dan zijn het de nonnen die de meisjes over hun bovenarm aaien en, wijzend op de afgezakte bandjes van bh en onderjurk, zeggen: ‘Zeg Tonnie, of zeg Ria, waar dienen toch al die bandjes voor?’“
            En als dat andere bijdehante dienstmeisje, dat van dat café uit Sas, vertelt met wie ze afgelopen weekeind naar bed is geweest – hoewel dat bed wel niet letterlijk zal zijn, ze zal wel ergens in een hoekje gestaan hebben – dan staan de nonnen vooraan om de verhalen aan te horen. Maar ondertussen halen ze wel die oude getrouwde stellen uit elkaar, en als Trijn Minussen, die nog niet zo oud is en daar mag zitten omdat ze niet helemaal tof is en haar oude moeder er ook zit, een koekje op de kapstok legt voor een mannetje waar ze verliefd op is, dan halen de nonnen het koekje weg, want ze willen in het Liefdegesticht geen contact tussen mannen en vrouwen.
            “Ja,” zei Hanna Bosmans, “en als ze niet van die meisjes kunnen afblijven, zullen ze ook wel niet van zichzelf kunnen afblijven, en ook niet van elkaar kunnen afblijven – niet dat het mij wat uitmaakt wat die nonnen onder elkaar uitvreten – en vandaar ook dat misbaar in die kapel, voor de zonden waar ze vergiffenis voor moeten vragen, de zonden van de geest en de zonden van het lichaam, de zonden die ze hadden willen doen en de zonden die ze ook daadwerkelijk bedreven hebben. ‘Gô Tonnie, gô Ria, waar dienen toch al die bandjes voor?’ Ik zeg al: het kan mij niet schelen hoeveel die nonnen aan hun gleuf zitten en aan elkaars gleuf zitten en dat ze daar boete voor willen doen, maar dat die oudjes daar de dupe van zijn… Die kunnen er niets aan doen, die hebben geen gelofte van kuisheid afgelegd maar moeten nu het kuise leven leiden dat die nonnen eigenlijk zouden willen lei­den…”
            Hanna Bosmans haalde diep adem: “Tenzij je geld hebt om op een eigen kamer te wonen. Bovendien weet iedereen dat de maatschappelijk werkster die bij sommige van die rijke mannetjes op bezoek komt gewoon een hoer is, waarom zit anders bij die bezoeken de kamer steeds op slot? Maar voor de gewone manne­tjes, die daar samen in de zaal de hele dag boeren en scheten zitten te laten en niet van de zaal af mogen, is dat er allemaal niet bij. Ze zitten maar versuft in die zaal hun sigaar of pijp te roken. Het stinkt er altijd, en ook daar moeten de meisjes proberen schoon te maken, terwijl de mannetjes nauwelijks opzij gaan, niet eens opzij kúnnen gaan vaak.”
            “Moet je haar daar zien staan!” zegt de hoofdzuster woedend. Tonnie blijft verongelijkt met de handen in de zakken van haar werkschort staan en zegt niets meer.
            Nadat Tonnie die keer met Ria de kapel was uitgevlucht omdat ze in haar broek had gepist van het lachen en haar benen had afgeveegd en haar grote witte onderbroek had volgepropt met wc-papier, moest ze het koper van de voordeur en de zijdeur gaan poetsen. Het vroor hard, zeker tien graden, en met het poetsen van de bel, de brievenbus en het naambordje stond ze wel een half uur buiten in haar schort, haar rok en daaronder de natte onderbroek met het wc-papier. Haar onderbroek en het wc-papier bevroren en toen ze eindelijk naar binnen kon en de trap opliep, viel het bevroren wc-papier uit die wijde pijpen van de bevroren onder­broek. Terwijl ze het opraapte en merkte dat Ria het had gezien, schoten ze allebei in de lach en terwijl ze gierend van het lachen de trap opliepen, piste Tonnie opnieuw in haar broek. Je lachte en piste wat af in dat klooster.
“Zeg maar tegen die verrekte nonnen dat ons Ria vandaag niet komt,” had Hanna Bosmans gezegd. En ze zei ook nog: “En om vier uur is het dan door de hof en door het poortje naar de meis­jesschool, want ook die hoort bij het klooster. Ook hier moeten de lokalen en het enorme trappenhuis gedaan worden. Maar het ergst zijn de wc’s onder het afdak buiten. Die lekken en stinken altijd, daar zijn de pisbakken van de oude mannetjes in het klooster en die van de jongetjes in de bewaarschool heilig bij. De bewaar­school is trouwens een geval apart wat schoonmaken betreft. Daarvoor komen de meisjes met zware zinken emmers met van links naar rechts klotsend sop, dat eerst in het klooster voor de was is gebruikt, helemaal door de tuin van het kloos­ter aansjou­wen. Het sop is volkomen dood, maar de bewaarschool moet er nog wel mee schoongemaakt worden. Want die verrekte nonnen bezuinigen niet alleen op het loon van de dienstmeisjes en op de vrije dagen die ze niet krijgen, maar ook op het spul waarmee ze moeten schoonmaken,” zei Hanna Bosmans.
            “En moet je haar daar zien staan!” zegt de hoofdzuster vol woede omdat ze geen greep heeft op het zwijgende meisje tegenover zich, dat geschrokken is van de felheid en de woede van de non maar toch vooral verbaasd is en verongelijkt.
            “Vraag vergiffenis!” schreeuwt de non, “Voor het lied dat je gemaakt hebt om een van onze bewoners te bespotten.”
            Tonnie schrikt nog meer. Hoe weet die non dat? Want de dienstmeisjes hadden tijdens het eten inderdaad een lied gezon­gen over Manus Venray, een beruchte inwoner van het huis die uit het tehuis voor daklozen in de stad kwam, tamelijk fit was, dus op zolder sliep en de meisjes vaak op de trap tegenkwam en ze met grappen en grollen achterna zat. Alle meisjes kenden hem en het lied dat Tonnie gemaakt had was een groot succes. De nonnen moesten dat in hun refter een verdieping lager gehoord hebben, misschien had zelfs iemand ze de tekst in handen gespeeld, en nu begint de hoofdzuster dus ook hier over en schreeuwt steeds harder.
            “Moet je haar daar zien staan! Haal die handen uit je zakken! Vraag vergiffenis!”
            Maar Tonnie doet niets van dit alles. Verongelijkt om zoveel onbegrip, zoveel woede, blijft ze daar staan en de non aankijken. Tot die uitzinnig begint te schreeuwen: “Ga uit mijn ogen, ik wil je niet meer zien!”
            Ook dan gaat Tonnie niet weg, totaal overdonderd, maar ook vastbesloten om nooit vergiffenis te vragen. Tot de hoofdzuster ten slotte zelf maar weggaat, gillend: “Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt!”
            Nooit van mijn leven! denkt Tonnie als ze een beetje is bijgekomen. Maar ze huilt bijna als ze werktuiglijk de kapeldeur dichtmaakt en met trillende benen over de lege gang loopt.
            “Psst,” hoort ze dan. “Tonnie, kom eens.” Het is zuster Maria Josepha die haar vanuit haar op een kier geopende kamerdeur roept. Tonnie aarzelt, want ze staat op het punt in huilen uit te barsten en ze wil liever alleen zijn.
            “Kom, Tonnie,” fluistert de poetsnon, “ik heb alles gehoord, kom maar even hier.” Zuster Maria Josepha is op oudere leeftijd ingetreden, heeft niet de normale opleiding aan het nonneninter­naat gevolgd en is nu poetsnon en ook daarom staat ze in haar dagelijkse leven heel dicht bij de dienstmeisjes, maar toch vooral omdat ze al een heel leven in de buitenwereld achter de rug heeft en veel levenswijzer en begripvoller is dan de meeste andere nonnen.
            “Tonnie, laat ze maar praten,” zegt Maria Josepha als ze de deur achter Tonnie heeft gesloten. “Ga zitten, hier neem een stukje chocola. Je moet het moeder Johannie maar niet kwalijk nemen,” zegt ze even later. “Ze heeft een grote verantwoordelijk­heid, moet je maar denken,” en ze knipoogt tegen Tonnie. “We weten allemaal dat je je werk goed doet en dat je ook van een lolletje houdt, en dat is maar goed ook, anders zou het hier maar een sombere boel worden met die chagrijnige nonnen en die oude mensen.”
            Vroeger dacht Tonnie dat nonnen een soort heiligen waren maar nu wist ze beter, daarvoor had ze teveel ervaring met nonnen. Van haar vierde levensjaar in het sanatorium al, waar ze eens een non de kap van het hoofd had geslagen, en daarna op de meisjesschool en de huishoudschool, en haar werk in het klooster had haar achting voor de nonnen niet doen stijgen. Maar voor zuster Maria Josepha maakte ze graag een uitzondering, die deed niet mee aan het systeem van onderlinge na-ijver en pesterijen. “Laat ze maar praten, Tonnie,” zei ze altijd, ook nu dus. Ze had oog voor Tonnies toestand, wist dat ze het thuis arm hadden met die ondertussen acht kinderen, en soms gaf ze Tonnie geld voor een bloesje of een bh. Bij zuster Maria Josepha komt Tonnie weer tot zichzelf. Maar ze weet dat ze niet lang meer in het klooster zal blijven werken.
 
De rijke dames van het dorp ronselden hun dienstmeisjes onder de ouder wordende werkmeisjes van het klooster. Eerst was er uit de meisjes die met hun veertiende van de huishoudschool kwa­men al de vrij scherpe selectie wie er in het klooster mocht werken. In de eerste jaren viel er dan een flink aantal af. En als ze een jaar of zeventien, achttien waren werden de besten doorge­sluisd naar de rijke dames van het dorp of zelfs van de stad. Eigenlijk werden ze gewoon doorverkocht, want de dames leverden een forse vrijwillige bijdrage voor de armen van het klooster.
            Tonnie Weels kreeg van moeder-overste de allerbeste aanbeve­lingen mee: ze hadden in het klooster nog nooit zo`n goed meisje afgestaan. Ze komt bij een architect in de stad te werken en heeft het prima naar haar zin. Een paar avonden per week werkt ze nog, samen met de dochter van een van de andere Vrouwen van de Eerste Huizen, Ada Knietel, in het patronaat. Daar wachten nieuwe avonturen.
            De actie van Hanna Bosmans had trouwens wel gevolgen. De werkomstandigheden van de meisjes verbeteren en ze krijgen voortaan ook zo nu en dan een dag vrij.
            De verhouding tussen Tonnie en de hoofdzuster was na het incident weer genormaliseerd.
            “Maar nooit van mijn leven dat ik vergiffenis vraag aan die verrekte nonnen!” had Tonnie gezegd en was in de lach gescho­ten, want ze merkte dat ze begon te praten als Hanna Bosmans.
 

 

Download

(uit Aan de lange weg , roman van Meurs A.M.)

(Bouwplaats Liefdegesticht, het klooster, appartementen in aanbouw voordat er een nieuwe gevel was opgetrokken zodat het weer een beetje op het klooster leek)

(Illustratie Ufuk Kobas)
(Hanna Bosmans is een van de Vrouwen van de Eerste Huizen. Haar dochter Ria werkt samen met Tonnie Weels als dienstmeisje in het klooster. Hanna wil niet dat haar dochter op Koninginnedag gaat werken en heeft daarbij tegen Tonnie een enorm verhaal over ‘die verrekte nonnen’ afgestoken. Als Tonnie tegenover de hoofdzuster staat om te vertellen dat Ria vandaag niet komt en dat ze zelf ook weer naar huis gaat, komt dat hele verhaal van Hanna weer bij haar naarboven.)


De nagebootste gevel van Het Liefdegesticht, het klooster, in 2005. Er bleef iemand blijkbaar hardnekkig voor staan. Achter de gevel bevinden zich nieuwe appartementen. De foto is gemaakt door radiomaker @WimNoordhoek, die ik op mijn beurt fotografeerde voor de gebouwen die voor de meisjesschool en het patronaat in de plaats waren gekomen. Zie het verhaal Het Patronaat.
Dat al die huizen van mijn buren aan de Provincialeweg waren afgebroken, dat al die gebouwen als de jongens- en meisjesschool, het klooster en het patronaat zouden worden afgebroken, was de reden dat ik de verhalen uit die woningen en gebouwen besloot op te schrijven. Uitgebreid met andere verhalen uit Meerveldhoven, Zeelst en Veldhoven werd dat in december 2004 de roman Aan de Lange Weg. In 2009 werd de door @UfukKobas geïllustreerde 3e druk uitgebracht. De hoorspelversie, door Patrizia Filia gemaakt, werd in huiskamerachtige zaaltjes in en rond Dordrecht gespeeld. In september 2010 werd het hoorspel vergezeld van vele foto’s en afbeeldingen eenmalig gespeeld in De Schalm in Veldhoven.