Het rode gevaar (uit Aan de Lange Weg)

Het rode gevaar

De boom glimlachte. Hij groeide, niemand zag het, maar hijzelf wist het. Iedereen wist het eigenlijk. Hij voelde het tintelen in al zijn vezels. Hij was sterker dan wat ook. Hij hoefde niet te persen, hij hoefde alleen zichzelf te zijn. Hij had de tijd aan zijn kant. De botten van de fabrikant waren nog niet ontvleesd of de boom had al fijne draadachtige wortels onder de kist gesponnen. In de loop der jaren werd zijn stam dikker en dikker en duwde hij als het ware met zijn onderbeen het graf langzaam omhoog. Hij had het graf in een vele duizenden malen vertraagde beenworp.

            De fabrikant had tijdens zijn leven veel gehoord van het rode gevaar. Maar samen met de geestelijkheid in het dorp had hij het gevaar bezworen. Er waren nauwelijks acties of stakin­gen in zijn fabriek geweest. De fabrikant hield niet van rood. Er was altijd iets geweest met dat rood. Zijn broer, die burge­meester van het dorp was geworden – nee, dat was nog voor Van Tuin dat meer dan 25 jaar was – noemde men “de rooie burgemeester”. Maar dat was vanwege zijn rode haar. En met zijn rooie broer had de fabrikant al vanaf zijn vroegste jeugd overhoop gelegen.

            Dat het uitgerekend een rode beuk was die zijn graf lang­zaam maar zeker omhoogduwde zat de fabrikant dwars. Dat het rode gevaar nog eens toe zou slaan lang na zijn dood!…

De boom had niets misdaan. Hij was alleen gegroeid. Als lange afstandsloper had hij gewoon gewonnen. Maar de men­sen moesten hun gelijk halen. Ze zouden hem omhakken, omzagen. Er was niets aan te doen. De nazaten van de bondge­noten van de fabrikant rustten niet. De boom moest eraan. Hoe dan ook. Er ging een zucht door de machtige bladerkruin van de rode beuk: Mensen!

(geschilderde Illustratie Ufuk Kobas)
(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

(uit Aan de lange weg , roman van Meurs A.M.)


(Illustratie
Ufuk Kobas)
In de loop der jaren werd zijn stam dikker en dikker en duwde hij als het ware met zijn onderbeen het graf langzaam omhoog. Hij had het graf in een vele duizenden malen vertraagde beenworp.



Het kerkhof van Meerveldhoven begin van deze eeuw. Heeft de boom uiteindelijk toch verloren?
(foto Meurs A.M.)




(foto Meurs A.M.)
Het graf begin 20e eeuw op het kerkhof van Meerveldhoven van de fabrikant WH van Nuenen, overleden 12 mei 1908, en zijn vrouw C. Aarts, overleden 19 januari 1921.


De Bedpissers (3e verhaal uit de afgebroken huizen aan de Lange Weg)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

De Bedpissers Een (3e verhaal uit de voor de Kempenbaan afgebroken huizen aan de Lange Weg)


De afgebroken huizen

Je slaat weer een paar huizen over en staat voor het huis dat net als zijn spiegelbeeld, dat van de familie Van de Stal, allang afgebroken is en je vraagt je af hoe je er zult binnengaan.

            Jij hebt geen koning die je de huizen van je geboortestraat een voor een kunt binnenleiden, zoals Walter van den Broeck in Brief aan Boudewijn, want jij had geen moeder die alles bijhield over het koningshuis en geen vader die, als hem iets dwarszat, schreef aan de machtigen der aarde.

            Zullen we de Vrouwen van de Eerste huizen, met name Hanna Bosmans, iets geks laten schreeuwen tegen de vrouw des huizes, Leida Brems, die niet veel buitenkomt maar toeval­lig even in haar rotstuintje, haar trotstuintje, bezig is? Zullen we ze laten roepen: “Zo, vrouw Brems, nog geen huisje in de tuin met een van je getrouwde kinderen erin, of nog niet zelf naar de tuin verbannen en een van de kinderen in jouw huis?” En zullen we dan lachend mee naar binnen gaan voor een kop thee met speculaas?

            Of zullen we meteen gaan staan waar we willen staan, namelijk in de kamer met de van pis doordrenkte bedden, waar het erger stinkt dan in de konijnen- en geitenstal van oom Robert bij elkaar?

            Of sturen we het jongetje, het buurjongetje Jantje dat we niet te veel willen gebruiken maar dat zich steeds meer op­dringt, als een chirurgische camera door de ingewanden het huis in?

            Het laatste dus. Het is nog vroeg in de morgen, net zeven uur geweest, en de jongen loopt door het smalle gangetje tussen de twee huizen, maakt de poort aan de rechterkant open, steekt schuin het binnenplaatsje over, want de gewone achter­deur is op slot maar die van het washok ernaast is altijd open, gaat zo rechtsaf het huis in, passeert nu de achterdeur aan de binnenkant, gaat de keuken door, de gang, dan de trap op en duwt op de overloop rechts de deur die op een kier staat open en ademt door zijn mond. Op de vloer liggen scheef twee matrassen met half erop en half ernaast twee jongens van rond de tien in hun ondergoed, een in elkaar gedraaide deken zonder laken over hun middel. Een van de jongens heeft zijn duim in zijn mond.

            Hij moet ze wakker maken om mee naar de kerk te gaan zonder de rest te wekken, want dat heeft vrouw Brems ge­vraagd, en daarom sluit hij eerst de deur achter zich en de stank is onverdraaglijk.

            “Kareltje, Kees!” zegt hij en raakt hun schouder aan, “ik moet jullie roepen van je moeder, gaan jullie mee?” Ze mom­pelen wat van “we komen” en hij moet de overloop op gaan vanwege de lucht, want de matrassen worden elke dag omge­draaid en elke dag weer nat gepist, omgedraaid en weer nat gepist. De jongens weten dat ze gewonnen hebben als ze het tien minuten volhouden, want dan moet dat vervelende buur­jongetje weg, omdat het anders zelf te laat in de mis komt, en dat durft het niet.

            Hij opent nog een keer de deur en zegt tegen beter weten in: “Komen jullie maar na, want als jullie er zijn, ook al kom je wat te laat, is hij allang blij,” en hij bedoelt de pastoor, “maar ík kan dat niet maken.”

            “Ja, we komen,” zegt de oudste en hij en zijn broertje weten dat ze gewonnen hebben.

            “Ik ben pas nog naar de kerk geweest om zijn broertje te begraven, “zegt Karel Brems als de buurjongen weg is, “en dat was tenminste de moeite, want toen was ik de hele morgen vrij.”

            Laat maar, denkt Jantje, terwijl hij op weg naar de kerk over de plassen springt, het is niet voor niks dat ze regelmatig naar een tehuis aan zee moeten om aan te sterken. Dit is ge­woon de prijs die ik betaal om daar de Donald Duck, de Okki en de Katholieke Illustratie (prins Valiant!) te mogen lezen en speculaas te eten. En na de mis zal hij op een schaduwplek plat op de grond gaan liggen en opeens met een schreeuw opsprin­gen als Tonnie, zijn oudste zus, en het meisje van Brems voorbijkomen, en ze zullen geweldig schrikken en dan in hun broek pissen van het lachen. Nog meer pis.

            Het is altijd gezellig rommelig bij de familie Brems, er wordt veel gelachen, er zijn kleurrijke ooms van moeders kant die soms opduiken en dan een poosje op zolder blijven logeren. Vader Brems bezorgt brood en banket, speculaas!, met paard en wagen, en moeder Brems lacht maar eens met de verhalen dat de wagen steeds langer en steeds vaker bij het huis van Donkers blijft staan, want er zijn daar veel vrouwen, zeggen de verhalen.

            Maar op een dag midden in de week gaan paard en wagen daar helemaal niet meer weg en vader Brems wordt nog wel naar het ziekenhuis gebracht maar de zaterdag daarop is hij al begraven.

            “Hij was ook veel te dik,” zeggen de mensen, maar dat is achteraf. Het is het einde van een periode.



De Vrouwen van de Eerste Huizen willen het overnemen


De Vrouwen van de Eerste Huizen willen het overnemen

De Vrouwen van de Eerste Huizen willen het overnemen omdat ze vooruit willen in de tijd, maar dat kan A.M. zelf ook, zegt hij.

            De oudste zoon van de familie Brems, Harry, hebben we nog niet leren kennen, maar die is dan ook meestal op stap. Tot nu toe rustte op zijn talloze ondernemingen niet veel zegen, gaf hij bovendien het geld dat hij verdiende net zo snel weer uit, al zorgde hij wel dat er een telefoon in huis kwam, wat nog tamelijk uitzonderlijk is.

            Maar nu lijkt er een kentering te zijn gekomen en die heet: wasmachine!  Hij heeft de tijd mee, ook de dorpsmensen willen nu thuis gaan wassen, hij kan tweedehands wasmachines voor weinig geld en op afbetaling aanbieden. Ze gaan vaak stuk, ook omdat de mensen nog niet gewend zijn ermee om te gaan, en dan brengt hij voor maar een klein beetje meer geld een andere, want de garantie die hij heeft gegeven is nog niet voorbij en hij zou niet weten hoe hij ze moest repareren.

            Maar ook daar komt verandering in, want zijn jongere broer Karel, een van de vroegere bedpissers, is ondertussen een jaar of veertien en niet alleen een stuk gezonder en sterker maar ook technisch en handig geworden. En daarmee is de zaak rond: de familie Brems heeft de verkoop en reparatie van wasmachines in handen.

            Toch is de weg naar succes nog niet definitief. Vrouw Brems, die altijd al zwak was, vlug moe, en wie het gauw te veel werd, laat haar bed tussen de planten voor het raam aan het binnenplaatsje zetten en wacht daar met een rozenkrans in haar handen de dood af, want ze heeft kanker en veel meer dan vijf jaar zal ze haar man niet overleven. Ze komt nog één keer buiten als ze hoort dat er een buurjongetje zoek is. Met een mantel over haar nachtkleding en een brandende kaars in haar hand loopt ze biddend midden over de Lange Weg in de richting van het ongelukkige gezin in de Acht-Huizen. Het helpt, want de jongen wordt teruggevonden.

            Nog een paar maanden kunnen de kinderen hun drukke bezigheden even onderbreken om bij het bed van hun moeder te horen over liefde, vriendschap, de natuur en over God, in het bijzonder over het kindje Jezus en zijn moeder Maria.

De Bedpissers Twee

Als de jonge, opvallende vrouw (Brigitte Bardot) van autohandelaar Westerweel, die in het huis van Anneke Weels in de bocht van de Lange Weg is komen wonen, gewoon met de dorpsbewoners wil omgaan en dat niet lukt, is er één meisje dat haar wél begrijpt: Helga Brems, want die leert voor kapster en het jonge, knappe vrouwtje is schoonheidsspecialiste. Helga heeft al gauw veel werk bij de mensen thuis, wat niet mag, maar het is een welkome aanvulling op het weduwepensioen van haar moeder en bovendien spaart ze voor haar uitzet, want als haar vriend achttien wordt en uit het jongenstehuis verderop aan de Langer Weg moet, wil ze zo snel mogelijk trouwen. Haar vriend is een sportieve knaap die haar broers leert hoe ze oefeningen kunnen doen om sterk te worden en hoe ze een zware stoel aan één poot kunnen optillen. Al gauw hangt er in het washok ook een paar ringen waaraan druk wordt geoefend.

            Na de dood van moeder Brems gaan de remmen definitief los. Hadden ze zich eerst nog moeten inhouden voor de zieke moeder, nu wordt er gehold van werkplaats naar telefoon, naar bestelbus, naar klant. Behalve een heel grote notenboom, en wat plantjes in het kleine stukje rotstuin van de moeder, was er voor, opzij of achter het huis nooit wat gegroeid. Vroeger werd alles platgetrapt door de overal spelende kinderen, nu staan er de bus, resten van wasmachines en allerlei zaken voor een prik opgekocht die nog wel eens een koper zullen vinden. Ook het tijdens de ziekte van de moeder al verwaarloosde rotstuintje wordt onder de voet gelopen. Planten groeiden er bij de familie Brems alleen binnen, te teer om buiten te overleven, eigenlijk net als de moeder zelf, en eigenlijk net als de bleke kinderen vroeger, maar die zijn veranderd. Al vlug is de ruimte in en rond het huis te klein. Aan de westkant van het dorp wordt van een boer die moet verhuizen vanwege de ruilverkaveling, een schuur gekocht die al gauw boordevol spullen staat.

            Dan brandt de schuur af, een godsgeschenk! Want hij was goed verzekerd.

            “Moeder!” zeggen de kinderen Brems. “Zit jij daarboven nog voor ons te bidden? Ja natuurlijk, maar in ieder geval bedankt.”

            Uit pure vreugde en omdat het toch makkelijk kan, kopen ze van de buren het stuk grond achter de haag van hun kale tuintje, want iedereen had vroeger wel een extra stuk grond behalve zij, en nu zijn zij aan de beurt en ze zijn zó trots dat ze er paaltjes omheen zetten, hoewel ze nog niet weten wat ze ermee aan moeten. Maar dan blijkt niet alleen de vlakbijlig­gende bloemkwekerij maar ook autohandelaar Westerweel belangstelling te hebben voor de grond en wordt hun al gauw het dubbele geboden. Ze onderdrukken de neiging om meteen te verkopen, want dit brengt ze op een idee en dan begint de grote ommekeer!

            De broers van buurvrouw tante Erna, die net als  moe­der Brems aan kanker is gestorven, woonden ondertussen al enige tijd in een huisje op hun land achter de tuin van Westerweel. Hun huis aan de Lange Weg hebben oom Robert en oom Lex ver­huurd aan een gezin met veel dochters. Als, een paar jaar na vrouw Brems, oom Robert overlijdt, is Lex op tweeën­zeventigjarige leeftijd de enige erfgenaam, niet alleen van het verhuurde huis en de hof maar ook van de grond achter hun hof en van de grond achter Westerweel tot aan de Gender die daar tweehonderd meter verder achter de tuinen stroomt.

            Karel Brems is met zijn broers op de begrafenis van buur­man oom Robert en vraagt oom Lex of hij eens kan komen praten. Op het eind van dat gesprek een dag later stapt oom Lex bij Karel Brems in de auto en rijden ze naar de notaris. Oom Lex krijgt een uitstekende prijs voor het geheel. Maar enkele maanden later verkoopt Karel een gedeelte van de grond aan autohandelaar Westerweel voor het tienvoudige van wat hij voor huizen en grond samen betaald heeft!

            “Jodenstreken,” zegt Westerweel want hij heeft gehoord dat de kinderen Brems van moeders kant van Duitsjoodse afkomst zijn. Maar de buren halen hun schouders op, want iedereen ziet dat de grond die Westerweel koopt nooit allemaal voor eigen gebruik kan zijn. Ook hij speculeert op de plannen van de gemeente, van Eindhoven en van de provincie met nieuwe wegen en gebouwen.

            Dan gaat het razendsnel. Jarenlang hebben de kinderen Brems alles aangepakt om er bovenop te komen. Zolang de oudste, Harry, er nog alleen voor stond, mislukte uiteindelijk alles wat hij aanpakte. Toen hij hulp kreeg van zijn technisch meer begaafde broer Karel en bovendien het getij mee had, begon het te lopen: de wasmachines! En dan hadden ze geluk, nou ja, wat is geluk, moeder Brems had er in de hemel voor gebeden: de brand! Geluk én slimheid brengen hen in het onroerend goed. Maar ook daarbij spelen de wasmachines nog een grote rol: naarmate de mensen meer thuis wassen gaat het slechter met de wasserijen die traditioneel aan de Gender zijn gevestigd, ze beginnen onroerend goed af te stoten dat te duur wordt in onderhoud. De kinderen Brems kopen van zo`n wasserij een tiental woningen aan de Lange Weg. Harry Brems wordt een succesvol makelaar.

            Met het dorp aan de Lange Weg gaat het minstens even snel. Net voor de eerste huizen kruist de nieuwe ringweg van Eindhoven de Lange Weg. Het waardevolste stuk natuur van het dorp, het Broekland tussen Gender en Dommel, krijgt een industriegebied, de snelweg Eindhoven-Antwerpen en eindelijk het Eindhovense ziekenhuis met de wegen die daarbij horen. Het gebied tussen de eerste huizen van het dorp en Eindhoven wordt helemaal volgebouwd. Er worden daar inventieve ondernemers gevraagd, met betere ideeën dan alleen huizen en kantoren bouwen.

            Karel Brems is zo`n ondernemer met ideeën. Na tientallen jaren zwoegen is zijn filosofie dat een mens niet leeft van brood alleen, een mens heeft ontspanning nodig om überhaupt aan de hogere waarden van het leven toe te komen. Hij bouwt een enorm ontspanningscomplex.

            Hier vinden de broers, die allemaal hun eigen zaak hebben waarnaar ze zelf niet meer hoeven om te kijken, elkaar vaak terug. Karel zelf is bijna dag en nacht in badjas te vinden in en rond zijn lievelingsproject in het complex, de sauna. Hij komt er graag eens bij zitten voor een praatje, want een mens is geen solodier.

            Karel Brems praat over liefde, over vriendschap, over de natuur, over een religieus gevoel dat niet alleen op God hoeft te zijn gericht. En de dame met wie hij praat, drijft mee op zijn woorden en kijkt ondertussen naar die grote werkhanden en die dikke onderarmen en die brede borst in die badjas en helt als vanzelf naar hem over, in die armen. Hij praat en praat en hoort zijn moeder door zijn mond, maar als de dame in zijn armen ligt hoort hij ook: “Maar Karel, jongen, daar was het allemaal niet voor bedoeld.” En hij glimlacht tegen zijn moeder en de dame in zijn armen glimlacht terug maar hij ziet alleen zijn moeder en zegt: “Laat maar aan mij over, moeder, ‘t is een andere tijd, jouw jongens zijn goed terecht-gekomen en zijn je eeuwig dankbaar.”



…en kijkt ondertussen naar die grote werkhanden en die dikke onderarmen en die brede borst in die badjas en helt als vanzelf naar hem over…

(uit Aan de lange weg , roman van Meurs A.M.)

Het begrafenisfeest (uit Aan de Lange Weg)

Wat kwamen de Vrouwen van de Eerste Huizen en Anneke Weels zoal tegen als ze in meimaand uit de kerk naar huis aan de Langendijk liepen en wat had Anneke Weels nu weer allemaal meegemaakt?

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

Het begrafenisfeest

De Vrouwen van de Eerste Huizen komen uit de kerk meteen in een enorme drukte. Het is meimaand, Mariabedevaartmaand. Er staan kraampjes onder de dubbele rij bomen voor het klooster tegenover de kerk en ook op het zandplein opzij van de kerk, tegenover café/boerderij Konijnenburg, staat het vol stalletjes met souvenirs, devotieartikelen en snoepgoed.

     Ze slaan de Kerkstraat in richting de Lange Weg. Voorbij de pastorie is tussen hoge hagen het pad naar het kerkhof.

     Gauw doorlopen. Daar hopen ze voorlopig niet meer te hoeven zijn. De laatste keer was met dat doodgeboren, nou ja bijna doodgeboren, een uur oud geworden baby’tje van Weels. Maar dat was niet zo erg geweest: iets dat je nauwelijks gekend hebt, waarvan je niet eens wist dat het bestond, daar kun je moeilijk lang om treuren. Bovendien was het er een van een tweeling, de andere baby had het overleefd en was gezond. Dus mag je al blij zijn.

     Ja, waarvan je niet wist dat het bestond. Ze hadden nota­ bene alles al opge­ruimd toen Anneke Weels opnieuw alarm sloeg: Het lijkt of er nog iets komt! En zo was het ook. Maar dat hadden ze dan toch niet in leven kunnen houden. Dat heeft natuurlijk te lang klem gezeten. Misschien maar goed ook, want Anneke is al in de veertig en had er al zeven. En dan op die leeftijd nog een tweeling. Ze heeft wel altijd hulp, dat wel, de kraamverzorgster is nog niet weg of de gezinsverzorgster komt al binnen. En die oudste, daar heeft ze ook goed hulp van, die regelt eigenlijk alles, het tweede moedertje, misschien wel het eerste.

     Zeg dat wel. Dat je dat niet weet, dat het er twee zijn hè. Of zou dat ander al langer dood zijn geweest? Maar dat lijkt gevaarlijk! Ze zeggen dat het nog een uur geleefd heeft. Maar misschien hebben ze dat ervan gemaakt om het gewoon op het kerkhof te kunnen begraven. Want bij een doodgeboren kind schijnt dat niet te mogen

     Zo`n vroedvrouw zou dat toch moeten voelen. Kijk bij Trees Meps van de Acht-Huizen, zo`n dikke tante, kun je je voorstellen dat je niet weet wat je voelt met al die vetlagen. Maar zo`n klein dun wijfje als Anneke. Nou, ’t is te hopen dat dat allemaal verbetert, anders zou je er als vrouw nog onderdoor gaan omdat niemand in de gaten heeft dat er nog een in zit. Vroedvrouw weg, kraamverpleegster doet even een boodschap, jij ligt daar met je baby en opeens beginnen de weeën opnieuw!

     Ze hadden natuurlijk ook geen naam voor het kind en hebben het toen maar de naam van de heilige van de dag gegeven: Hugo.

     “Sindsdien denk ik bij elke Hugo,” zegt Hanna Bosmans, “ben jij ook van 1 april en ben jij ook zo`n onverwachte?”

     En dat broertje geloofden ze niet op school toen het zei: “We hebben een nieuw kindje en een is er dood.”

     “Sodemieter op, Jan Weels, één april,” zeiden ze, “en verzin wat leukers.”

     Ja, ze hebben wel gezien, de vrouwen, dat er bij Moonen heel wat mannen gingen pissen. Da’s makkelijk voor die kerels, je hoeft niet eens door het café om bij de pisbak te komen want die zit opzij van het huis. En ze zijn met zo velen dat ze niet wachten met zich omdraaien tot hij er weer in zit, en voor ze hun broek dicht hebben lopen ze al weer in de Kerkstraat. Nou, geloof maar dat ze voor de mis daar hebben zitten zuipen, anders zouden ze nooit zo`n hoge nood hebben, en trouwens, ze zouden dat anders bij Moonen nooit goed vinden dat het halve dorp – plus nu nog de bedevaartgangers! – daar komt pissen.

     “Ik moet eigenlijk ook,” zegt Hanna Knietel. Maar om daarvoor nou het café binnen te gaan. Dan maar even ophouden tot bij het winkeltje van Piet van Doelen, en daar achterom.

     Kijk, zie je dat aan de overkant? Die zal gisteren wel geen tijd hebben gehad om boodschappen te doen, want die heeft bij bakker Verhaar aangebeld en doet nu net of ze wat in de etalage staat te neuzen. Kijk, de deur gaat net genoeg open om er een brood door te geven, want dat mag niet op zondag. ’t Zit al in de tas. Zo`n grijs, zoiets tussen wit- en roggebrood in, het goedkoopste. Het is weer twee cent duurder geworden, het brood. Zo houden we niet veel over van die loonronde. Het schijnt goeie business te zijn, brood bakken, want op weg naar huis komen we vier bakkers tegen.

     Maar eerst passeren de vrouwen nog café Van Keul, daar is het nu ook erg druk. In het zaaltje kunnen hele fanfares met instrumenten en al, en dat komt goed uit met al die processies.

     Chris van Keul houdt veel van vogels, hij heeft een volière vol. Maar hij zal er nu niet veel tijd voor hebben. Enfin, een mooie hobby voor zijn oude dag.

     Maar nog voor zijn oude dag kreeg hij kanker, zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen. Hij liet zijn bed naar beneden brengen en spiegels plaatsen, zodat hij vanaf zijn sterfbed zijn vogels kon zien.

     Hier zijn we al bij bakkerij Moeskops. Laat die fietsers maar oppassen bij het oversteken van de Lange Weg. Wij blijven aan deze kant. Zie je, daar aan de overkant is bakkerij Plaats. Dat zijn er al drie. En dan krijgen we direct nog Rozen. Er allemaal hebben ze een goede kostwinning.

     “Gelukkig, niet vandaag,” zegt de oudste dochter van Meijer met haar zware stem als ze voorbij de sigarenfabriek komen.

     Hé, aan de overkant loopt Anneke Weels met mevrouw Zwartjes. Nou, dat zal wel weer over goed kunnen meekomen op school gaan. Want wat dat betreft is “het groot van het dorp”, de (invloed)rijke bovenlaag, wel jaloers op Anneke, want die hoeft haar kinderen niet naar de school in de stad te sturen in de hoop dat het daar wat beter gaat. Maar die twee moeten nu afscheid nemen, want mevrouw Zwartjes is thuis. Ze blijven nog even staan, maar dan ziet Anneke de vrouwen aan de overkant op het fietspad dat nu tweerichtingen is en steekt haastig over.

     “Dan hoef ik dat hele eind niet alleen,” heeft ze vlug tegen mevrouw Zwartjes gelachen. Die begrijpt het wel en denkt: dan hoeft ze dat hele eind niet haar mondje te houden.

     “Kijk uit, Anneke!” roepen de vrouwen lachend als ze haar te gehaast de Lange Weg zien oversteken.

     Anneke doet haar mond al open om te vertellen wat ze de laatste tijd allemaal heeft meegemaakt – en dat is heel wat! – maar de vrouwen zien het huis van Maas en over die gaan ze het eerst even hebben. Want dat hij het houdt met zijn secreta­resse op de weverij… vooruit!… maar dat schijnheilige half­luide gedoe met zijn vrouw in de kerk – “ga jij maar eerst, schat” – en hoe dat daar op een rij zit met al die vijf dochters en te communie gaat met geloken ogen en de handen met de vingertoppen tegen elkaar onder de kin, daar krijg je toch acuut de kriebels van! Zeker als je weet dat hij de Duitse deserteur Weebe heeft laten wegpesten door degene die zijn baantje wilde hebben en die, zoveel jaar na de oorlog, er gebruik van maakte dat Weebe Duitser was. Wat uiteindelijk gelukt is omdat Maas met die secretaresse gechanteerd kon worden. Maar Weebe is daardoor wel terug naar Duitsland! Mensen zijn beesten. Erger nog. Van die verhalen over Indië van de jongen van Vlek lijkt ook steeds meer te kloppen. Hij is allang niet de enige meer die ze vertelt.

     “Geef mij maar een gewoon mens,” zegt Anneke, “wij maken ook heel wat mee maar wij houden ons fatsoen.”

     “Ja, jij hebt de laatste tijd ook heel wat meegemaakt, hè Anneke,” zeggen de vrouwen.

     “Niet alleen de laatste tijd,” zegt Anneke. “Eerst ons Tonnie vier jaar in het sanatorium en nou dit weer met ons Mimi.”

“Ze wordt toch beter, hè Anneke?” zeggen de vrouwen.

     “Ja, dat wel,” zegt Anneke, “nu wel, maar ze ligt nog steeds in het ziekenhuis en ze was op sterven na dood, ze is al ge­vormd met haar vijf jaar, dus dan weet je het wel, dat doen ze alleen als ze denken dat een kind het niet overleeft.”

     Toen Anneke nog bedlegerig was na de bevalling van de tweeling, hoorde ze opeens de gezinsverzorgster gillen. Mimi van vijf die op het granieten aanrecht met knikkers speelde, was in de ketel met kokend sop gevallen die naast het aanrecht op een petroleumbrander stond. Het is een wonder dat het kind het heeft overleefd, dat zeiden de doktoren en verpleegsters in het ziekenhuis. Zo erg verbrand!

     “Ze heeft huid-trans-plan-taties gehad hè,” spuugt Hanna Knietel. “Zodat je er niets van ziet als ze blote armen heeft hè? Arm ding!”

     “De pastoor heeft gezegd dat we Onze Lieve Heer op onze blote knieën mogen danken dat we haar hebben mogen hou­den,” zegt Anneke.

     “Maar niet op de blote knieën van de pastoor gaan zitten, hè Anneke,” lacht Hanna Bosmans, “want jullie kunnen goed met elkaar overweg, allebei uit hetzelfde dorp.”

     “Zeg!” lacht Anneke, “weet wat je zegt, maar goed dat ik nu weer kan lachen.”

     Aan de linkerkant van de Lange Weg waar ze over het fietspad lopen zijn nu geen huizen meer, aan de overkant zijn de “Acht-Huizen”, een eigenaardige rij aan elkaar gebouwde woningen zoals je die verder in het dorp nergens ziet. Alle huizen hebben een voortuintje met een laag ligusterhaagje, maar bij Teunis is dit vervangen door een smeedijzeren hekje met versieringen. Het is bekend dat vrouw Teunis het geld dat haar man in de mijn verdient graag gebruikt voor uiterlijk vertoon, met name voor de opsmuk van haar huis.

     “Mijn huisbaas heeft de huur opgezegd,” zegt Anneke. “Ik zal toch niet daar in de “Acht-Huizen” terechtkomen zeker!” Ze lacht, maar thuis heeft ze er veel om gehuild. Dat kon er nog wel bij.

     De buurvrouwen kennen het verhaal en vinden het ook treurig. De huur mag alleen worden opgezegd als de huisbaas er zelf gaat wonen. Dat is hier het geval, hij wil de hele twee­woonst, ook het gedeelte waar de schoenmaker aan de straat­kant heeft gewoond en waar aan de achterkant de Koenders nog wonen. De Koenders zijn familie van de huisbaas, pas getrouwd (psst, en vaak overdag in bed!), ze wonen er nog niet zo lang, die zullen wel voorwaarden gekregen hebben toen ze er mochten komen wonen.

     De vrouwen proberen Anneke af te leiden. Kijk, ze zijn bij het huis van Brems, waar alle kinderen in bed pissen. Hoe was dat verhaal van die Karel ook al weer op de dag van de begra­fenis?

     “Ja, dat was wat!” zegt Anneke gretig.

     De slaapkamer van de Weelsen is aan de straatkant en ze hoorden al vanaf een uur of vijf steeds iemand heen en weer lopen. Toen ze om zes uur opstonden om te kijken wie dat was, bleek het de negenjarige Karel te zijn die daar in zijn eerste-communiepakje op-en-neer liep. Hij was een van de buurjon­gens die mee het kistje zou mogen dragen.

     “Wat is er, Kareltje?” zei vader Weels die het raam omhoog­geschoven had, “je bent zo vroeg.”

     “Ja,” zei Kareltje, “ik kan nooit slapen als ik naar het feest moet.”

     “Naar het feest!” zegt Anneke.

     “Dag Anneke!” zeggen de vrouwen, want ze zijn tegenover Annekes huis. En dat wil zeggen dat ze ook zowat tegenover de villa van Van Tuin zijn en Hanna Bosmans wordt meteen weer wat baldadiger nu dat brave Anneke weg is.

     “Zijn ze de laatste tijd nog naar de vrouwtjes in Parijs geweest?” vraagt Hanna Bosmans aan Hanna Knietel.

     “Ach, zwijg maar,” zegt Hanna Knietel.

     Het is bij sommige buren bekend dat de getrouwde ex-burge­meester en fabrikant Van Tuin regelmatig naar de hoeren in Parijs gaat, met Knietel als zijn particuliere chauffeur.

     “Hier slaat hij bij alles een kruis en in Parijs pakt hij ze in het kruis,” gaat Hanna Bosmans verder. “Of maakt hij dat kruisteken daar ook? Bidt hij misschien zowel ervoor als erna? Zoals wij voor het eten!”

     Lachend trekt ze de andere vrouwen aan de arm mee. Van Tuin heeft een godsdiensttik, hij slaat steeds een kruisteken, en omdat hij oorspronkelijk uit Rotterdam komt noemen ze hem “de God van Rotterdam”.

     “Het blijft een fabrikant,” zegt de oudste dochter van Meijer met haar zware stem. Morgen moet ze weer naar de sigarenfa­briek.

     “We zijn bijna thuis,” zegt Hanna Knietel. “De weg vliegt voorbij als wij aan de praat zijn. Hier is eigenlijk verder weinig nieuws.” Ze was vergeten dat ze zo moest plassen.

     Ze passeren de huizen van Donkers en Van Zand. Wie bij Donkers het dode kind met dat waterhoofd heeft gebaard, de eigenlijk te oude moeder, de bloedmooie maar slimme Petra of de wat onnozele zus van Petra, daar zijn ze nog steeds niet achter. Laat staan dat ze weten wie de vader is. Al gokken ze alle drie nog steeds op Van Zand. Ze hebben dus inderdaad verder weinig nieuws.

     Of het moest zijn dat ondertussen een zoon van Van Zand het eerste kievitsei heeft gevonden en aan de koningin heeft aangeboden.

(uit Aan de lange weg , roman van Meurs A.M.)

De Vrouwen van de Eerste Huizen (illustratie @UfukKobas)


Uit de kerk op weg naar huis aan Den Langendijk