Als het maar weer eens zomer wordt…(uit Aan de Lange Weg)



(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

Als het maar weer eens zomer wordt…(uit Aan de lange weg)

De afgebroken huizen….

In het huis aan de andere kant van de schoenmaker met het houten been ligt tante Erna van wie Anneke Weels zegt: “En ze had nog wel van die flinke armen!” Ze ligt daar dood te gaan, te verschrompelen aan kanker.

“Aan K,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen, want ze durven de gevreesde ziekte niet uit te spreken. En tegen beter weten in troosten ze tante Erna die vorig jaar nog zulke mollige armen had en nu ligt dood te gaan: “Als het maar weer eens zomer wordt…”  Tante Erna doet haar best te glimlachen, want het is al lente en de zomer zal ze waarschijnlijk niet halen, en hoe moeten haar broers het stellen zonder haar? Want ze zijn heel hun leven met hun drieën samen gebleven.

Soms lukt het haar om ondanks de pijn even in slaap te vallen en wordt ze toch glimlachend wakker en denkt: ik heb verkering want ik heb bij Nandje op schoot gezeten. En ze denkt eraan wat een grappig mannetje het is, hun huisvriend, zo klein, zo parmantig met dat pak en dat vest. Ze ziet hoe zij een hoofd boven hem uitsteekt op hun trouwfoto en ze hoort haar vader zeggen: “Wat moet je met zo`n klein mannetje, je zult alles in huis en in de hof zelf moeten doen!” Hoe lang is haar vader al dood? Dood, en ze zucht.

Eén keer in haar bijna zestigjarige leven heeft ze bij een man op schoot gezeten. Het was toen ze stond te huilen omdat ze dood zou gaan en haar broers alleen zouden achterblijven. Nandje had gevraagd wat er scheelde en toen had ze er uitge­flapt dat ze kanker had, en zo wist hij het nog eerder dan haar broers. Hij had haar op schoot getrokken om haar te troosten en had eens over haar haar gestreeld en het hielp, ze was er helemaal warm van geworden, want zo`n gebaar had ze nooit eerder meegemaakt. Maar ze vroeg zich af of ze het wel had mogen doen, op zijn schoot gaan zitten, want nu ging hij haar extra missen. En toen was de jongen opeens binnengekomen en die zag ze sindsdien weinig.

Jantje kwam altijd zomaar binnenlopen, dat mocht, hij was er kind aan huis, hij hielp oom Robert bij de konijnen en de geiten, vooral bij de konijnen. Er staan zo`n vierentwintig hokken in de konijnenstal, drie boven elkaar. Dat is hoog genoeg, oom Robert is niet zo groot. Het onderste staat niet helemaal op de grond, dat mag namelijk niet. De bodem van de hokken loopt naar achter een beetje schuin af en steekt over, anders loopt de zeik in de lager gelegen hokken. Een ko­nijnenhok mag nooit nat zijn, konijnen mogen ook nooit nat voer krijgen. Anders gaan ze dood. Ze kunnen ook dood gaan door allerlei ziektes of als er een watergang onder de hokken zit. Een watergang is een onderaardse gang waarin het grond­water zijn weg zoekt. Je kunt je die zo groot en gevaarlijk voorstellen als je wilt. Er hangen in de stal konijnenvellen te drogen en er hangt een stuk vet aan een touwtje, dat is om de messen in te vetten. Soms hangt er ook een gestroopt konijn – “het vel over de oren getrokken” – het vel zit er nog aan vast en hangt eronder, vanbinnen wit met rode en blauwe adertjes. Het vlees moet eerst versterven. Jantje voelt zich ook zo`n konijn als híj zich zit te versterven, wanneer hij zaterdags in de vastentijd nog een extra uur wacht voor hij zijn snoeptrommel­tje opent. Het is fijn in de konijnenstal, zomers koel en ‘s winters niet te koud, het ruikt er lekker, als je ervan houdt. In de geitenstal ook wel, maar daar hebben meer mensen moeite mee. Konijn is lekker, alleen wel veel gedoe, veel botjes.

Op zondagmorgen is het gezellig in het voorkamertje van tante Erna. Op de schouw staat aan de ene kant een wit borst­beeldje van Mozart en aan de andere kant een van Beethoven. Jantje heeft nooit muziek in dit huis gehoord. Zondagsmorgens zit het kamertje vol, aan elke kant van de tafel zit een kaarter, oom Robert, oom Lex, Nandje en de Heeskop, de jager. In een stoel tussen schouw en raam zit Driekje, de zus van de Heeskop. Tante Erna loopt heen en weer met koffie, thee en geitenmelk. Je kunt maar moeilijk achter de kaarters langs om bij de krantenbak bij het raam te komen waar alleen gratis kranten in liggen, zoals de Sint Jansklokken, het parochieblad. Er hangt sigarenrook. Nandje rookt een sigaar, oom Lex ook maar minder snel achter elkaar, oom Robert pruimt, net als de Heeskop. Straks gaan ze wandelen in het Broekland, in ieder geval Jantje, oom Robert en de Heeskop. Onderweg halen ze Piet de klompenmaker op en Jantje krijgt dan bij Jamin door het omhooggeschoven raam een ijsco van een dubbeltje. Maar eigenlijk moest deze rokerige rustige warmte, waarin je slape­rig en gelukkig wordt, eeuwig blijven duren.

Vooral Nandje praat veel. Over de oorlog die voorbij is en over een nieuwe aan het Suezkanaal. Maar het gesprek van de dag is de voetbalpool. Opeens kun je in één dag stinkend rijk worden. En je hoeft geen verstand van voetballen te hebben, al moet je wel een beetje je gezond verstand gebruiken. Ergens verderop aan de Lange Weg is een man die zegt dat het een kwestie is van kansberekening, alles kan in min- en pluscijfers uitgedrukt worden. Hij begon op een velletje papier: de resul­taten tot nu toe, de uitslag de vorige keer tegen dezelfde club, een uit- of thuiswedstrijd, het weer in verband gebracht met het type spelers van een bepaalde club, doet de voornaamste aanvaller mee? Allemaal min- of pluspunten. De vellen papier lagen eerst nog op tafel, toen op de vloer, en dan moesten de schuifdeuren open en werd de voorkamer vol gelegd en moesten de kinderen stil zijn op zondagmiddag en uit de buurt blijven om niet op de papieren te trappen. En hij heeft wel eens wat gewonnen maar tot nu toe geen echt grote prijzen. Maar dat is een kwestie van tijd, want hoe langer het duurt hoe meer gegevens hij natuurlijk krijgt en op een gegeven moment kan het niet meer missen.

Jantje zag tante Erna bij Nandje op schoot zitten, hij schrok geweldig en draaide meteen om. Hij had zijn eigen moeder nog nooit bij zijn vader op schoot gezien. En aan tante Erna had hij nog nooit gedacht in verhouding tot een man, zoals hij nog nooit aan oom Lex en oom Robert gedacht had in relatie tot een vrouw. Zij ook al! dacht hij en haatte het leven en vond de mensen vies, want was het niet erg genoeg dat hij bij zijn vriendje Wouter het geflikflooi op de divan van de oudere zussen met hun vrijer moest aanzien? Een paar hadden er al moeten trouwen!

Hij holde weg, dacht aan Sodom en Gomorra, holde door tot thuis, dacht: niet omkijken, anders verander ik in een zoutpilaar, en verborg zich in het hooi boven de schuur en dacht niet aan de ratten. Hij zat te snikken, want hij bedacht wat de werkelijkheid kon zijn, weg was de onschuld van dat huis. Hij zag Nandje opeens met heel andere ogen, en ook de gezellige zondagmorgens, wanneer behalve Nandje ook de Heeskop en zijn zuster Driekje er waren, ook al een ongetrouwde broer en zus die samenwoonden! En die het waarschijnlijk ook wel met elkaar deden, zoals oom Robert en oom Lex en tante Erna het ook wel met elkaar zouden doen, en die twee families ook weer met elkaar. Misschien waren die gezellige zondagmor­gens wel het vervolg op de nacht ervoor, misschien waren ze daar allemaal al vanaf de vorige avond! Hij nam zich voor daar nooit meer een voet binnen te zetten, maar begon harder te huilen toen hij eraan dacht hoe hij zou moeten leven zonder oom Robert en de konijnen.

Na een week kwam oom Robert kijken wat er met hem was, of hij ziek was geweest, en Jantje ging weer met hem mee. Eerst dacht hij: misschien staat oom Robert er wel helemaal buiten, weet hij van niks. En toen: misschien heb ik me wel helemaal vergist. Maar hij kwam toch maar heel weinig op het opkamertje van tante Erna, want het bleef een feit dat ze op schoot bij Nandje had gezeten, maar hij zei: “Ze wordt zo mager, en dat kan ik niet aanzien.”

Oom Robert loopt langs de Lange Weg, voorovergebogen als altijd. Dubbeltjes zoekend, zeggen de mensen. Maar hij is er niet met zijn gedachten bij. Normaal ziet hij alles wat er langs de weg ligt, inderdaad elk dubbeltje en elk sigaretten­pakje. In de kartonnen doosjes, zoals van Cross of Miss Blan­che of Chief Whip, blijft vaak een sigaret achter. Maar nu is hij al verschillende doosjes voorbijgelopen die hij niet gezien heeft.

Hij komt in zijn konijnenstal waar het ook niet goed gaat, er zijn al enkele konijnen doodgegaan. Het derde konijn durfde hij niet meer op te eten, bang voor een ziekte. Eerst heeft hij op de gebruikelijke dingen gelet: vocht en tocht in de stal, nat hooi, nat voer. Toen aan een vloek, lag zijn zuster daar vooraan in huis ook niet dood te gaan? Toen zocht hij het bij zichzelf, hij was er met zijn gedachten niet bij sinds hij steeds aan Erna moest denken die daar in het opkamertje lag. En de melk van de geiten werd ook al veel eerder zuur.

Er is meer eigenaardigs aan de hand. Als je tot voor kort achter de huizen aan de Lange Weg kwam en naar het zuiden keek, zag je net over de Gender een populierenbos met heel hoge bomen. Dat bos begon in het westen achter het Patersgat en liep in het oosten tot aan de Leef dat in de winter de schaatsbaan is.

Maar wanneer je nu achter de huizen komt, kijk je dwars door het bos heen. Je kijkt tot aan de horizon, over de velden waar het eerste kievitsei werd gevonden en voorbij de Ontginningsweg, een naam die ook al weinig goeds voorspelt.

Als je dichterbij komt, zie je de bomen schots en scheef lig­gen, veel zijn er over de Gender gevallen. Het is geen enkel probleem meer om aan de overkant te komen, je loopt er zo overheen.

De stronken zijn in de grond blijven zitten. En heel de winter is oom Lex de Gender overgestoken en heeft hij de geweldige stobben uit de grond gehaald, aan stukken gehakt en op de kruiwagen naar huis gebracht. Met bovenmenselijke inspanning. Heel zijn energie, zijn woede om zijn ten dode opgeschreven zuster ging in die stronken zitten.

Hij leeft zich uit in de moerassige grond op posten die nog te nat zijn om door te hakken, hij graaft ze uit. Als hij met een niet verder kan gaat hij naar de volgende. De aarde zuigt, houdt ze vast. Ze zouden eerst verder moeten drogen, maar Lex heeft geen geduld. Hij zou allang in de hof en op het land bezig moeten zijn maar dit voorjaar heeft hij ook daar geen geduld voor. Zijn hoofd staat niet naar zaaien en planten, zijn handen zijn precies te grof, hij wil groot en zwaar werk, en soms lijkt zo`n stronk op een kruis, woedend hakt hij er de armen af en maakt het onherkenbaar.

Tante Erna sterft nog voor de zomer en Jantje krijgt op school geen vrij om haar mee te gaan begraven.

(uit Aan de lange weg , roman van Meurs A.M.)


Broer en zus Richard en Emma Verhoef
(model voor Oom Robert en tante Erna in “Als het maar weer eens zomer wordt…)




Toen die huizen voor de Kempenbaan waren afgebroken bleef ons geboortehuis daar staan. Ik schreef er een gedicht over, het heet HET STAAT ER NOG. Het is zelfs nog op muziek gezet en gezongen. Wij waren daar al vanaf 1957 weg. En deze foto is van rond 1988. Toen wij daar woonden, waren er nog 2 voordeuren, wij woonden links. Rechts woonden aan de voorkant De Schoenmaker met het houten been en zijn vrouw, tenminste tot 1953 toen de schoenmaker stierf. Dat verhaal zou ik heel mijn leven meedragen. Achter woonden de toen al oude gebroeders Oosterbosch, familie van de eigenaar. Die familie zou er komen wonen. Het huis is nog niet zolang geleden afgebroken. Maar ik heb geen zin een nieuw gedicht te schrijven.

HET STAAT ER NOG

De overlevende van de tweeling
Heeft de ruimte van de ander ook ingenomen
Omspannen door nieuwe witte huid

Het verbergt zich

Met voor zich verkeer dat zich
In nieuwe bochten wringt

En een weg die kinderverlamd
Het rechterbeen zwaait voor het linker
Om rechtdoor te kunnen gaan

En naast en achter zich
In plaats van hof
Auto’s die tweedehands worden verkocht

En verder achter zich
In plaats van veld
De autosnelweg
Met snel alles er naartoe
En snel alles er vanaf

Het staat er nog
Het geboortehuis
Maar vraag niet hoe

Het staat er nog
En dat is goed

Meurs A.M. 



Provincialeweg 168 in augustus 1940. Rechts Nelleke Saris en Theet Meurs, links Antoon van Lexmond en Cisca Saris. De paren trouwden op dezelfde dag, Theet en Nelleke gingen daar wonen. Mijn moeder staat in ‘Aan de lange weg’ model voor Anneke Weels, mijn vader voor Leo Weels. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *