Het Patronaat

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

Het Patronaat

Vooral het patronaatsgebouw was het centrum van leven van het dorp aan de Lange Weg. Dat begon al in het consultatiebu­reau dat in het patronaat was gevestigd en waar je voor het eerst gewogen werd en waar later ook het schoolgezondheids­onderzoek plaats vond.

Het oudste meisje van Anneke Weels, Tonnie, lag dus van haar vierde tot haar achtste in het sanatorium en sindsdien sjouwde Anneke inderdaad met de andere kinderen steeds naar het consultatiebureau in het patronaat.

Tonnie Weels was bij het schoolgezondheidsonderzoek mis­schien een jaar uit het sanatorium. De dokter keek in een bovenkamertje van het patronaat naar het litteken van de longoperatie, bekeek ook de rest van haar rug aandachtig, zei verder niks en praatte daarna zacht met moeder Anneke. Tonnie bleek zwarte vlekken op haar rug te hebben. Zelf weet ze het aan de manier waarop ze zich thuis moest wassen: op het opkamertje, met een klein wasbakje met warm water waarmee ze het trapje opgeklommen was, geen spiegel, en achter een koord dat ze tussen kelderkop en raam spande en waarover ze een handdoek hing. Het was altijd haastwerk, want de opka­merdeur kon niet op slot en het was de slaapkamer van de jongens en de doorgang naar zowel de meisjesslaapkamer als de zolder.

            Bij het schoolgezondheidsonderzoek werden er schermen neergezet in de grote zaal van het patronaat. De jongens deden achter een scherm hun plas in een bekertje. De meesten lukte dat wel, maar sommigen ook absoluut niet. Bovendien bleek een aantal niet te kunnen stoppen als het bekertje vol was en ging de rest van de plas over de vloer of, bij degenen die dat niet durfden, in de broek. Of de verpleegster kreeg zo`n volle beker aangereikt dat ze hem niet kon hanteren. Dus werden er toen standaard twee bekers uitgedeeld, waarop met balpen – toen nog zeldzaam – een streep werd gezet tot hoe ver een beker vol mocht zijn, en werd er de instructie bij gegeven dat in de tweede beker alleen wat mocht als het echt niet anders kon.

            De meisjes mochten wel in de toiletten met hun bekertje. Het experiment achter schermen met een pispotje en dan overgieten was mislukt. Het potje moest immers tussendoor toch steeds omgespoeld worden.

            Ondertussen moesten de jongens die buiten op het muurtje bij de meisjestoiletten klommen om naar binnen te kijken of in ieder geval iets te roepen, voortdurend worden weggejaagd.

            Als jongen werd je bij het schoolonderzoek aan je piemel getrokken, zeiden de jongens die al geweest waren. Al was dat meestal niet voor het eerst, want er waren jongens die er ook wat van konden. Zoals Leo Vlek, een jongere broer van ‘die jongen van Vlek’, de Indiëganger. Bij Leo liep het altijd op hetzelfde uit, ervoer Jantje Weels, of het nou tikkertje of verstoppertje of stoeien was, hij probeerde uiteindelijk altijd zijn hand door de pijp van je korte broek te steken en je bij je ballen te pakken. De nieuwkomers waren erg zenuwachtig. Stel je voor dat je een stijve kreeg.

            De eerste klas van de lagere school was ook in een vleugel van het patronaatsgebouw, de tweede sommige jaren ook. Dat lag eraan hoeveel leerlingen er waren, dat kon namelijk rond 1950 behoorlijk oplopen en had alles met de voorbije oorlog te maken, wisten degenen te vertellen die vonden dat ze het wisten.

            Maar eerst ging je in diezelfde vleugel van het patronaat, maar met een andere ingang, naar de fröbelschool, of bewaar­school, zoals de nonnen hem noemden die het daar nog hele­maal alleen voor het zeggen hadden, daar kwam geen leek aan te pas. Op de nabijgelegen meisjesschool moesten ze al gauw concessies doen en onderwijzeressen toelaten, zeker toen de bevolking sterk toenam en de roepingen bij de zusters achter­bleven, ondanks hun pogingen om zoveel mogelijk meisjes naar hun nonnenopleiding te krijgen.

            In de bewaarschool zaten jongens en meisjes door elkaar. Het was een sensatie als de zuster met kleurkrijt op het bord schreef, bijvoorbeeld in verschillende kleuren de tekst van het liedje Annemieke hou je vast aan de takken van de bomen.

            Op de gang waren niet alleen de toiletten maar ook de kapstokjes gescheiden. Een lange rij kapstokjes met gefiguur­zaagde en gewaterverfde Walt Disneydiertjes erboven, elk kind zijn vaste diertje. De rij pisbakjes was aan het ene eind van de gang, daarvan gescheiden door saloondeurtjes. Als je stond te pissen liepen de jongens je hard voorbij en gaven je een duwtje. Je stond altijd gespitst of er iemand aankwam, klaar om elk moment af te knijpen. Toch waren ze je soms nog te vlug af, ze stormden met een schreeuw naar binnen en van schrik ging het over je broek en been. Dat schrijnde. Soms waren ze met zijn tweeën. Een hield de klapdeurtjes open terwijl de ander kwam aanstormen.

            “Daar valt niet tegen af te knijpen,” zei Jantje Weels in zichzelf, terwijl hij aan het zakje aan een touwtje om zijn hals trok waarin hij van thuis een gulden moest meebrengen om weer een maand op de bewaarschool te mogen blijven.

De absolute heerser van het patronaat is al jaren Keesje Jansen. Keesje komt op zijn fiets met een colbertje over zijn stofjas van zijn werk in de stad. Thuis, tegenover het patronaat, doet hij een andere stofjas aan. Met tegenzin pakt hij van de schoor­steenmantel de briefjes en mompelt: “Daar heb ik vandaag toch geen tijd voor!” Op de briefjes staan dingen als: “Keesje, wil je het meisjespatronaat extra goed schoonmaken, is dat mogelijk, Keesje?” Vaak staat er dan nog achter waarom men dat wil. Maar dat interesseert Keesje geen lor. Of er staat: “Keesje, mag ik dinsdagavond twee ketels koffie, een beetje goed warm graag.” Vooral om dat “een beetje goed warm graag” kan Keesje erg kwaad worden, maar meestal laat hij daar niks van merken. Hij frommelt de papiertjes in elkaar en gooit ze in een hoek. Als zijn vrouw vraagt hoe laat hij wil eten, valt hij uit: “Eten? Zijn jullie dan allemaal wereldvreemd, weet er dan niemand wat er vandaag aan de hand is? Ik zal al blij zijn als ik vannacht om een uur of twaalf kan eten!”

            Hij smeert twee sneden witbrood en valt in de lage stoel bij de kachel in slaap. Precies vijf minuten, dan springt hij op. Hij zegt: “Ik schijn de enige te zijn die beseft wat het betekent als Mieke Telkamp in het patronaat komt!” Dan gaat hij op een sukkeldrafje naar de overkant.

“Er zijn er maar weinig, geen een is er, wed ik, die kan zeggen dat hij de jurk van Mieke Telkamp heeft mogen dichtritsen, ja haar man misschien als ze die heeft, maar ik dus wel, en dat is niet voor niks, zo`n dame merkt gauw genoeg wat voor vlees ze in de kuip heeft, mij dus,” zegt Keesje Jansen.

            “Zo`n onnozelaar, zo`n voering van een stofjas, vertelt nu rond dat hij Mieke Telkamp heeft mogen helpen met aankle­den, dat hij haar halfnaakt heeft gezien, en suggereert dat het alleen aan hem heeft gelegen dat er niet meer tussen hen is gebeurd,” zegt Hanna Bosmans van de Eerste Huizen.

            “Hij staat altijd naar je te loeren, dat mannetje, en als Ada Knietel dan zo dom is om met een petticoat aan te komen serveren, hoeft hij maar te wachten tot ze een beetje over een tafeltje moet leunen om tegen haar billen aan te kijken,” zegt Tonnie Weels die samen met Ada, de dochter van Hanna Knietel van de Eerste Huizen, serveert in het patronaat.

            “Alles is prima gegaan,” zegt Keesje Jansen. “Het was hele­maal vol en ze heeft heel wat toegiften gegeven. Ik kreeg trouwens nog een compliment van haar voor de organisatie. Maar wat die kapelaan daar nou bij kwam doen, begrijp ik niet.”

Zondagsavonds loopt Keesje even een rondje, dat patronaat en die danszaal komen later wel, daar is het dan zo`n rotzooi, maar de volgende dag begint de bewaarschool weer en de eerste klas, en die worden dan wel door de meiden van het klooster schoongemaakt, maar hij kijkt ze toch liever zelf even na, en hij gaat ook altijd een keer door het Maagdenpad, en wat je daar allemaal ziet en hoort!

            Maandagsavonds heeft hij in de koude tijd de kaartavonden en in de rest van het jaar verenigingsavonden zoals van St. Jozef of voorstellingen zoals die van Mieke Telkamp, en dinsdags feest- of clubavond, woensdags heeft hij judo in de grote zaal, donderdags de vrouwenbond en vrijdags is het speel­avond, zaterdags is het ’s morgens judo en ’s middags is er vaak ook wel het een en ander te doen, fancy fair bijvoorbeeld, hoewel dat ook op zondag kan zijn, maar dikwijls heeft hij ook films, zoals van De Dikke en de Dunne, en die zijn dan natuur­lijk ’s middags zodat de kinderen ook kunnen komen. Zater­dagsmiddags heeft hij de welpen en verkenners op de zolder boven de bewaarschool en zondagsavonds is het dansen. En als hij dan nog vertelt dat maandags en vrijdags de wijkverpleging boven het meisjespatronaat is, waarbij de hal, de trap en de overloop vol zitten met verstuikte voeten en zwerende vingers, en hij alle onregelmatige dingen niet eens op kan noemen, zoals het schoolgezondheidsonderzoek, en hij overal de eind­verantwoording voor heeft, ook voor het geld dat er omgaat, en ze altijd bij hem de sleutel moeten komen halen en terugbren­gen en hij voor de verwarming en voor koffie moet zorgen en dat ook de tapvergunning op zijn naam staat – duidelijk op een emaillen plaatje naast de deur, iedereen kan het zien – dan weet iemand die er een beetje kijk op heeft genoeg.

“Dag Keesje, alles goed?” zeggen een paar Kabouters, jonge meisjes van de jeugdbeweging die woensdagsmiddags in het meisjespatronaat zitten, en ze lopen giechelend weg.

            “Dag jongedames,” zegt Keesje. Zouden ze al haar op hun kutje hebben? denkt hij.

            “Zo Keesje, alles in de hand?” zegt kapelaan Metser die regelmatig een kijkje komt nemen in het parochiehuis.

            “Jazeker, meneer kapelaan, als altijd, dat weet u,” zegt Keesje. Waar bemoei je je mee, lul, denkt Keesje, ik heb je wel zien staan in het Maagdenpad.

“Gek dat je bent!” zegt Tonnie Weels tegen Ada Knietel. “Om weer met een petticoat aan te komen werken. Keesje kijkt recht tegen je onderbroek aan als je even je kin naar voren steekt.”

            “Beetje overdreven, dat van die kin,” zegt Ada. “Kijk maar, ik steek mijn kin naar voren, zie jij iets?” en ze gaat met haar kont naar Tonnie staan.

            “Nog niet,” zegt Tonnie. “Buig nu langzaam naar voren. Ja, knieholten, bovenbenen, ho!: onderbroek. Nou, zie je wel, elke centimeter boven-voor is tien centimeter beneden-achter.”

            En ze proesten het uit. Zo erg dat ze in hun broek pissen.

            “Dat zal me niet overkomen dat dat vieze mannetje tegen mijn onderbroek aankijkt!” zegt Ada.

            “Ja, doe die petticoat maar uit,” zegt Tonnie.

            Als Ada terug komt, draagt ze nog steeds de petticoat. Ze bukt en vraagt aan Tonnie: “Zie je nog steeds mijn onder­broek?”

            Tonnie kijkt tegen Ada’s blote kont die schudt van het lachen.

            “Die petticoat kan niet uit, zit vast aan de rok,” zegt Ada. “En mijn onderbroek was kletsnat. Als ik jou was, deed ik hem ook uit, dat is een stuk gezonder. En jij draagt niet eens een petticoat. Niemand ziet iets. Spoelen we onze onderbroeken uit en leggen die boven op de verwarming te drogen. Daar komt toch niemand.”

            Later op de avond komt Keesje naar beneden met de twee onderbroeken in zijn hand.

            “Boven gevonden,” zegt hij. “Kun je nagaan wat daarboven allemaal gebeurt. En dan zijn ze zo opgewonden dat ze hun onderbroek weer vergeten aan te doen!”

            Tonnie en Ada hollen naar de wc voordat de pis, nergens door tegengehouden, langs hun benen loopt.

            “Loop recht,” sist Tonnie, “hij kijkt ons na!”

“Er zijn jongens die op de dansavond alleen komen om te zuipen,” zegt Keesje Jansen. “Die bij de bar of aan de andere kant van de zaal tegen het toneel aan hangen, soms met twee flesjes bier tegelijk in hun hand. Die alleen maar naar het dansen kijken, of, geil als ze worden, alleen dansen bij een kwijldans, om maar tegen zo`n meid op te kunnen staan rijden. Die soms verkering hebben met een meisje dat al om tien uur thuis moet zijn, dat ze snel naar huis brengen en die dan zelf terugkomen om het met een ander aan te leggen. Vertel mij niks. En bij bepaalde gelegenheden, bijvoorbeeld bij de kermis, worden er dan foto’s gemaakt waar ze met een ander meisje opstaan, en die komen in een etalage te hangen, en dan ziet hun verkering zo`n foto en maakt het meteen uit. Dat moet wel tegenover de vriendinnen, anders is de schande te groot. Je mag niet laten merken dat je het erg vindt of het eigenlijk niet wil, je mag alleen maar kwaad zijn. Prachtig zijn die meiden die nog maar een jaar of vijftien zestien zijn, eigenlijk niet eens binnen mogen, maar zich toch al chagrijnig hooghartig kunnen gedra­gen. De manier waarop ze binnenkomen of op de brommer stappen, met die petticoats en die getoupeerde haren met dat sjaaltje erover, fantastisch!” zegt Keesje.

            “Hoi, Keesje, alles kits?” zegt Tonnie Weels.

            “Achter de rits?” zegt Ada Knietel.

            “Bij jullie ook?,” zegt Keesje. “Nog nattigheid gevoeld?”

            Hij durft zich wat meer te veroorloven, ten slotte flappen die meiden er ook vanalles uit. Geile trutten, denkt hij, mij wel lopen uit te dagen, maar als het erop aan komt niet thuis geven. En als het processie is maar weer voor maagd spelen, want dat moeten echte maagden zijn, vindt de pastoor.

Terwijl het overal al Rolling Stones en Beatles is, is het in het patronaat nog Buddy Holly en Fats Domino, met als nieuwste Vous permettez, monsieur van Adamo. Maar het swingt en sleept wel zeker net zo lekker weg.

            En dan gaan die jongens flink bezweet in hun nylon over­hemd met een meisje naar buiten om daar te staan flikflooien, allicht dat ze dan een kou oplopen en op maandag niet op de bouw of in de fabriek verschijnen.

            Er komt altijd een hele groep op brommers uit een ander dorp. Als ze niet bezopen zijn is er goed met ze te praten. Maar anders vallen ze de meisjes lastig en wordt het vechten.

            Trouwens ook bij die van hier zijn er die de dag erna absoluut niet meer weten wat ze gedaan hebben. Ze vinden wat bloed op hun overhemd de volgende dag en later horen ze dat ze gevochten hebben met een groep die na sluitingstijd kwam binnenstormen. Jan Weels, toch geen vechtersbaas, krijgt te horen dat hij er eentje een arm heeft gebroken. Jan weet van niks, maar het zou kunnen met zijn dronken kop, want zo`n armklem is bij judo wel zijn specialiteit.

            De meeste jongens brengen hun meisje of het meisje van die avond om half elf naar huis en zitten zelf om elf uur in de kroeg. Hoogstens maken ze een omweg voor de fritestent van Heintje van der Horst op het pleintje.

            Voor de pisbakken moet je een paar treden af, ze zijn onder de trap, in een stinkend oksel van het patronaat, de granieten vloer is altijd nat, een mengsel van pis en water. Daar staan de jongens te lallen, hun laatste druppels af te schudden en zich soms zelfs af te trekken. Als ze zich namelijk wel hebben laten opgeilen maar niet verder zijn gekomen bij zo`n griet, zelfs niet tegen haar heup. Bij de wc-pot is meestal geen papier of het ligt op de vloer in het nat. Dus stellen de jongens hun drol maar uit tot straks in de kroeg.

            “Dag akela Van Zomeren, een frisse neus gehaald met de welpen?” zegt Keesje. Trut met je bochel en je spinnewebben in je kut, denkt Keesje.

            “Dag, meneer pastoor,” zegt Keesje, “Fijn dat uw vriend de bisschop weer eens komt.” Kunnen jullie je samen bezatten, net als de vorige keer, denkt Keesje.

             “Hallo, meneer Van de Bos, gooi ze niet te hard hè,” zegt Keesje tegen de judoleraar. Nu zo`n lomp varken uit een achterbuurt van Utrecht Olympisch kampioen judo is geworden, moet opeens iedere gek gaan judoën, denkt Keesje.

Overal steekt die kapelaan zijn lange neus tussen. Terwijl toch duidelijk afgesproken is dat Keesje de leiding van het paro­chiehuis heeft en niemand anders. De kapelaan mag dan populair zijn omdat hij zo snel is met de biecht en de mis afraffelt – dat scheelt met de pastoor zeker tien minuten en met de oude pater van der Weijden bijna een half uur – maar Keesje weet meer van hem. Hij loopt na zo`n dansavond nog wel eens door het Maagdenpad, het staat daar dan hartstikke vol, en jawel, als hij het niet dacht, ook onze nieuwe kapelaan staat er, en om de drommel niet alleen, en niet voor de biecht, al zei hij dat dat meisje gevraagd had om op een rustig plekje met hem te mogen praten. Als die kapelaan nog een keer eisen stelt en commentaar geeft op de gang van zaken in het patronaat, dan doet Keesje een boekje open.

Er wordt een complot gesmeed tegen Keesje. Eigenlijk is het alleen bedoeld om te lachen. En dan nog vooral om te lachen op de culturele avond. Een van de jonge baldadige meiden lokt Keesje in de val bij de toiletten. Als hij net zijn broek heeft laten zakken, springen er een heleboel andere meiden te voor­schijn. Maar het wordt voor Keesje al bijna te veel als kapelaan Metser een toespeling maakt. De naam van Mieke Telkamp valt weer vaak, er worden liederen van haar geneuried.

            Op de culturele avond blijkt waar dat allemaal voor diende. Er wordt een sketch gespeeld waarin Keesje als een geilaard wordt opgevoerd die de meisjes beloert, verlekkerd de jurk van Mieke Telkamp mag dichtritsen en zijn handen niet van haar af kan houden. De zaal ligt plat en in het begin lacht Keesje zelf nog mee. Dat hijzelf te kakken wordt gezet, is niet zo`n pro­bleem voor hem. Maar wanneer Mieke Telkamp wordt opgevoerd als iemand die vals zingt en niks liever doet dan bij Keesje in de broek zitten, en als hij ziet dat dat ook nog gebeurt door een van de jongens van wie hij weet dat ze ’s nachts zijn patronaat binnendringen om tafelvoetbal te spelen, dan schiet Keesje uit zijn slof. Hij vloekt op de geile meiden, schreeuwt alles eruit wat hij weet van kapelaan Metser, gooit de koffieketel omver en zet iedereen in het donker door de stoppen eruit te trekken en mee naar huis te nemen.

            Alleen de pastoor lijkt de volgende dag in staat om hem te kalmeren, Keesje gaat weer aan het werk. Maar zijn kalmte is schijn, het zit te diep. Keesje voelde zich altijd al door die geile meiden geprovoceerd, hij is verongelijkt. Dat uitgerekend kapelaan Metser hem moest aanspreken op onaanvaardbaar gedrag tegenover de meisjes! Maar toen hij diep gekwetst werd in zijn verering voor Mieke Telkamp, toen was er geen weg meer terug. Keesje zal wraak nemen.

            De eerstvolgende nacht dat de jongens het patronaat binnen­dringen, steekt Keesje, nadat ze weer zijn vertrokken, zijn trots, het patronaat, in brand. Hij weet dat de jongens de schuld zullen krijgen, met name degenen die zijn Mieke Tel­kamp hebben onteerd.

            En dan is er de anticlimax. Omdat Keesje wilde vermijden dat het op brandstichting zou lijken en bovendien wilde dat de jongens zelf ook zouden denken dat zij de brand veroorzaakt hadden, had hij maar op één plaats brand gesticht. Zo kon de oorzaak een verwaarloosde sigaret of een omgevallen kaars zijn. Daardoor bleef de schade beperkt, de brandweer kon de zaak blussen voor het een uitslaande brand werd.

            De jongens, die zich schuldig voelden én aan de toestand van Keesje én aan de brand, dit laatste zonder dat ze dat toega­ven, waren bang dat door de brand Keesje nog dieper in de put zou raken. Ze kwamen hun excuus aanbieden en schonken Keesje een langspeelplaat van Mieke Telkamp en een envelop met vijftig gulden.

            Toeval of niet, tegelijk werd bekend dat kapelaan Metser tot pastoor was benoemd in de nieuwbouwwijk. Keesje haalde opgelucht adem.

            “Ik laat me niet meer gek maken door die geile meiden,” zei Keesje tegen zichzelf en ging van de vijftig gulden die hij gekregen had naar de hoeren in de stad.

Aan de achterkant van het patronaat graast jaren later achter een dubbel rasterwerk een paard. Het staat vlak tegen de ramen waarachter vroeger de kleuters zaten. De ramen zijn groten­deels geblindeerd. Op de boven- verdieping zijn er ruitjes ingegooid. Van de dikke haag met de beroemde poortjes tussen bewaarschool en kloosterhof en tussen meisjesschool en kloosterhof is niks over. De kloostertuin zelf staat vol bouw­werken van ongelijke hoogte en vorm. De meisjesschool is gekraakt, er steken kachelpijpen door de ruiten, het stinkt, er wordt rotzooi gestookt.

            Twee vrouwen, met tussen hen in een mannetje van onbe­stemde leeftijd, kijken naar het patronaat en naar de meisjes­school.

            “Dan zie jij er beter uit, Keesje,” zegt de ene vrouw.

            “Omdat je er je hele leven al hetzelfde uitziet, mag je er nu wezen voor je leeftijd,” zegt de andere.

            “Ach,” zegt Keesje en probeert zijn korte armpjes om de vrouwen heen te slaan, “waar blijft de tijd!”

            “Handen thuis, Keesje,” lachen de vrouwen. “We lappen je er zo bij, we weten alles van je, we zouden nog een boekje open kunnen doen.”

            Keesje trekt geschrokken zijn armen terug. De vrouwen, het zijn Tonnie Weels en Ada Knietel op middelbare leeftijd, schieten in de lach.

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M., wordt uitgebreid met foto’s en informatie)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *