De blijde terugkeer van onze Indiëganger (uit Aan de lange weg)

De blijde terugkeer van onze Indiëganger

Het dansen is dan eindelijk begonnen. En allereerst danst daar de schoenmaker met het houten been.

     En het lijkt of het houten been zelfs nog wat voor hem uit danst. Niet zozeer om hemzelf voor te blijven als wel om zijn chagrijnig wijf te vlug af te zijn dat hem elk ogenblik kan komen halen.

     De Vrouwen van de Eerste Huizen zijn laat. Maar ze hebben ook al dagen in en rond het feesthuis doorgebracht. Al dat sparregroen, die duizenden gekleurde lampjes, het span­doek en de leuzen, de heerlijke koude schotel met eieren en echte mayonaise en soepvlees – draadjesvlees, zeggen de kinderen – het is allemaal hun werk.

     Ze staan nog met hun tweeën over Hanna Knietel heen gebogen. Ze maken haar niet gewoon op, nee ze krijgt zowat een masker, en een pruik en een hoofddoek en kleren aan die haar man niet kent. Want Hanna heeft zich in haar hoofd gehaald dat ze naar het feest moet zonder dat Knietel, die daar al uren is, haar kan herkennen. En zo gaat ze proberen hem te verleiden, en als hij daar instinkt dan weet ze dat het waar is wat ze over hem vertellen en zwaait er wat!

     De mannen van de muziek, de harmonie, zaten al uren hun dorst te lessen. Ze zijn van ver, vanuit de Kerkstraat waar hun thuishaven café Van Keul is, op komen stappen in hun blauwe uniformen die op mariniersuniformen lijken. Maar deze gelijkenis vinden de stoere mariniers, waarvan we er ook een paar in het dorp hebben, helemaal niet leuk. “Hé, Piet, ook bij de harmonie, jongen?”

     Met kleine pasjes zijn de muzikanten, keurig in de maat, over de Lange Weg gekomen, kinderen voor en achter hen.

     “Stil eens,” zeiden de mensen bij het feesthuis als er even geen auto voorbijkwam, “ik hoor de harmonie al.”

      Want al rijden er over de Lange Weg nog steeds karren, waar je als kind onder kunt zitten en op de as meerijden, er komen ook al veel auto’s vanuit de stad richting België. In de bocht waar de schoenmaker en Anneke en Leo wonen gebeuren regelmatig ongelukken. Er zijn al mensen die aan de aanleg van een snelweg van Eindhoven naar Antwerpen denken.

     Maar nu komt de harmonie over de weg, voorop een mannetje dat op de maat jongleert met een prachtige stok met aan de einden een zilveren bal. De kinderen marcheren eromheen en zingen op de maat van de trommen: “Daar heb je de Guld, daar heb je de Guld, daar heb je goddomme de Guld.”

     De pastoor, met voor de gelegenheid een paarse sjerp diago­naal over zijn borst, fietst ze op zijn hoge zwarte damesfiets voorbij en kijkt wat minder streng dan anders. Hij ziet de blote benen van de jongens en de meisjes. Ze dragen allemaal witte onderbroeken die ze ’s nachts aanhouden en die maar eenmaal per week, zaterdags na het bad, ververst worden. Zo dadelijk zal hij aan zijn borrel en zijn sigaar zitten.

     Maar het feest wil niet op gang komen zolang de pastoor er is. Sommige jongelui worden wel wat vrijmoediger naarmate hij er langer is en zij wat meer hebben gedronken.

     “Waarom weigert u de vrouwen de communie, meneer pastoor, als ze geen hoed of hoofddoek op hebben?”

     “Waarom is iets onkuisheid vóór het huwelijk en erna niet meer?”

     Met de jongen van Vlek is iets eigenaardigs. Het ene moment zit hij te lachen – is het om dit soort vragen, vindt hij die belache­lijk, is hij die allang voorbij? – dan zit hij weer nors voor zich uit te staren.

     Als de pastoor bij hem gaat zitten en vraagt hoe het met hem, het feestvarken is, kijkt hij hem alleen maar aan. Dat hij gerust eens mag komen praten, zegt de pastoor, en biechten zou mis­schien ook geen kwaad kunnen, probeert de pastoor luchtig te doen. Opeens steekt de jongen zijn tong uit. De pastoor schrikt en krijgt een rooie kop. De jongen van Vlek staat op en klopt hem op zijn schouder.

     “Het is goed, hoor, Rinuske,” zegt hij, “ik zie wel. Je rust zou verstoord zijn als ik kwam biechten.” Dan loopt hij weg. De pastoor is even later met een bleek gezicht en gefronste wenk­brauwen op zijn fiets gestapt.

     “Dag, meneer pastoor, hoe gaat het met u?” zeiden de Vrou­wen van de Eerste Huizen die net aankwamen enthousiast. Ze hadden zich maar allemaal verkleed om Hanna Knietel niet uit de toon te doen vallen. Ze kwamen proestend binnen maar sloegen om toen de pastoor niet antwoordde en zij zijn gezicht zagen. Maar het duurde niet lang of ze waren de pastoor vergeten; dat die niet van al te grote uitbundigheid hield was bekend.

     Het dansen is dan eindelijk begonnen en de meeste jongeman­nen hebben alleen maar oog voor de bloedmooie, weliswaar veertienjarige maar vroegrijpe Petra Donkers, die, zo is de alge­mene gretig vastgestelde mening, zowat in haar blote kont danst. Je ziet ze slikken en haastig drinken, de jongens, en dan opeens verdwijnen naar de wc of naar de bosjes – “even pissen” – en met een blos op hun wangen terugkomen: “Wat is het hier heet!”

     Ook Knietel zit op een stoel tegen de muur naar Petra te kijken en het stoort hem als de vrouwen binnenkomen, luidruch­tig, zogenaamd als jonge meiden.

     “Hé, schatje,” zegt Hanna Knietel, “zullen wij eens dansen? Wat ben jij een stevig stuk!” En omdat ze een jonge meid wil spelen praat ze nog sneller dan anders en spuugt nog meer bij alle s’en en t’s. Knietel, opgewonden door Petra en geërgerd dat Hanna hem het zicht op haar ontneemt, pakt zijn vrouw met een hand bij de borst en met de andere in het kruis, trekt haar boven op zich en zoent haar vol op haar mond. De rest van de avond maken ze ruzie, waarbij zij in talloze variaties herhaalt dat hij de eerste de beste meid pakt, en hij dat hij haar meteen herkende en het recht heeft zijn eigen vrouw te kussen. En zij weer: “Noem je dat kussen?” en dat gaat zo maar door.

     Behalve Petra is het vooral de schoenmaker die opvalt. Hij heeft zelfs zijn houten been afgedaan, heeft ermee gezwaaid, heeft rondgehinkt waarbij hij het been als kruk gebruikte. Maar hij is ook al een paar keer gevallen en kon dan niet meer overeind komen. En toen hebben degenen die hem steeds moesten oprapen hem verboden het nog af te doen, want ze hadden er genoeg van. Met zoiets blijf je niet lachen.

     De jongen van Vlek wendt zijn hoofd af als de schoenmaker bezig is. En wanneer die zijn been afdoet, wordt hij zelfs onrustig en staat er afschuw op zijn gezicht. Is hij daarginds soms bijgelovig geworden? Maar ook van Petra kijkt hij weg, hoewel dat uit verlegenheid kan zijn. En de scène met de Knietels lijkt hem ook niet te bevallen.

     Hij drinkt te veel jenever in plaats van bier en eigenlijk wil hij whisky maar die is er niet en jenever is er ook niet al te veel.

     “Wat moet dat?” zegt hij tegen Van Vulpen, die hulppolitie­agent is en wiens voeten op tien voor twee staan en die met twee borrels tegelijk naar buiten gaat. Maar die slijmerd heeft in het voorbijgaan fabrikant en ex-burgemeester Van Tuin tussen de coniferen in zijn tuin zien staan en hem over het weiland naar het feest zien loeren, en gaat hem nu een borrel brengen.

     Als er iemand voor het bier komt dan is het wel Walterke Smits. Hij heeft heel de middag moeten wachten, hij hield het niet meer uit en heeft in het winkeltje van Piet van Doelen in de andere bocht van de Lange Weg al twee dikbuiken achterover geslagen. Walterke weet van zichzelf dat hij een groot vakschil­der is en heeft voor het feest een smetteloos witte schildersoveral aangetrokken.

     De meisjes draaien rond die bruine kop van de jongen van Vlek. Wat ziet hij er goed uit! Hoewel hij er in zijn soldatenpak nog stoerder uitzag. Maar om een of andere reden heeft hij dat na een paar uur verwisseld voor een antraciet broek en wit nylon overhemd. Ze vragen hem te dansen, kruipen tegen hem aan, maar hij gaat steeds meteen weer zitten en als ze op zijn knie kruipen, duwt hij ze weg.

     Hij zit op de divan, zijn elleboog staat op zijn knie en hij ondersteunt zijn kin met zijn duim terwijl hij de rest van zijn vuist tegen zijn lippen drukt. Hij ziet in de keuken Petra zich over het aanrecht rekken om op een van de schappen erboven iets te pakken. Haar kont is volledig te zien, iets wat op een broekje lijkt is helemaal in de naad getrokken. Terwijl ze, zich uitrekkend, met haar linkerhand hoog daarboven iets zoekt, krijgt ze blijkbaar jeuk aan haar aars, steekt de middelvinger van haar rechterhand erin en draait hem rond. Dat vindt ze lekker, want ze schudt wellustig met haar billen. Ze kijkt niet om, weet dat hij loert.

     Hij wendt zijn hoofd af, draait het in de houder van zijn duim en wijsvinger. Dan ziet hij boven de divan het kleed uit Indië hangen dat hij zijn moeder heeft gegeven, met de vrouwenfiguren met harkachtige armen tot op de grond. Hij is er met zijn gezicht vlakbij en schrikt. Hij springt op en botst weglopend tegen de schoenmaker aan die omvalt maar die hij nog net kan opvangen. Vol afgrijzen zet hij hem schuin tegen de muur, als een opge­klapte strandstoel. Hij holt het huis uit.

     Wij weten dat hij zich in hotel/café Den Os is gaan bezatten. Met alleen Marie, de barjuffrouw, als gezelschap, want alle stamgasten zijn naar het feest: daar is het drinken gratis.

De jongen van Vlek zit dan sinds zijn behouden terugkeer uit Indië de godganse dag bij hotel/café Den Os. In het begin hebben zijn verhalen nog iets van bravoure, hoewel hij ook lang stil kan vallen. De “blauwen” belaagden hen van alle kanten en zij sloegen keihard terug. Okay. Maar dan is er dat merkwaardige verhaal dat ze munitie moesten sparen en geen bloed mochten laten vloeien. Ze verdronken een gevangene in tien centimeter water. Tien centimeter water? Ja, door hem met zijn gezicht in een slootje te duwen en dan op zijn hoofd te gaan staan. En er waren altijd gretige vrijwilligers om zo`n executie uit te voeren. Ja maar, Vlek, jongen! Pak er nog eentje, maar maak dat de kat wijs.

     Als hij niet in Den Os zit, is hij in het Patersgat en staart naar de stekelbaarsjes in de sloten. Het is een moerassig natuurgebied met hoge populieren waar je niet mag komen. De Heeskop in zijn manchesterpak en met zijn snor en zijn jachtgeweer struint daar rond en springt opeens uit het riet als je aan het vrijen bent. Hij heeft de jongen dagenlang in de gaten gehouden, want hij was ervan overtuigd dat die op een gegeven moment met een meisje zou komen. Toen hij begon te denken dat de jongen gewoon van dat plekje hield en er tot rust wilde komen, zag hij hem een aantal flessen chloor in het water legen en hoorde hem zeggen: “Voor­uit, sterf nu maar. Over twintig jaar is dit er toch allemaal niet meer.”

     Alle waterleven is doodgegaan, ondanks dat de Gender werd afgedamd en men het gebied heeft laten overstromen.

     Hij is gek, zeggen de mensen, vooral toen hij in Den Os het verhaal vertelde van het gehalveerde meisje.

     Ze pikten wel eens meer meisjes op als ze op patrouille door een kampong liepen. Zo`n kind weegt niks, je hangt het over je heen en laat het met je spelen. Met haar enkels over elkaar hangt ze vast in je nek, jij hebt alles voor je wat je wilt hebben en bovendien je handen vrij voor je geweer. Een beter schild kun je niet hebben. En er is geen oponthoud, wat voor de sergeant het belangrijkst is. Je loopt met zijn allen gewoon door. En als je er genoeg van hebt gooi je haar in de bosjes of de kali, dood of levend naargelang je stemming.

     Dit was anders. Na een bocht ziet hij Van Daal voor zich lopen met de benen van een meisje over zijn schouders. De knieën liggen op de schouders en de tenen steken omhoog. Ze hangt andersom. Hij wil zeker haar tietjes zien. “Hé, Van Daal!”

     Als die zich omdraait, zien ze dat hij alleen het onderstuk van een meisje om zijn nek heeft, het lichaam is doormidden gehakt. “Van Daal, man!”

     Hij tilt het onderlichaam een stukje op en kijkt eronderdoor. Hij grijnst, zijn gezicht zit onder het bloed. Hij heeft niet alleen met zijn klewang het bovenlijf eraf geslagen maar haar ook een houw tussen de benen gegeven. Zo liep hij al die tijd met zijn gezicht in die grote wond.

     “Ik heb het gat een beetje groter gemaakt,” zegt de gek.

     In het begin hebben ze hem aangemoedigd, de jongen van Vlek, hem een pilsje gegeven bij hotel/café Den Os. Maar toen ging het nog over pret maken met lekkere bruine meisjes of over het te grazen nemen van zo`n blauwe die hen beschoten had. Nu zeggen ze steeds vaker “hou je kop, jongen, wij moeten die vuiligheid hier niet horen” en ze vragen zijn vrienden hem naar huis te brengen. En die hebben daar eerst nog bij gelachen, want als je hem losliet liep hij diep voorovergebogen steeds rondjes en kwam vaak in de heggen terecht. Dat kwam volgens hen omdat hij niet gewoon bier dronk maar ook jenever, en dat dronk uit grote glazen en daarbij “whisky!” riep – waar had hij dat vandaan? – nadat hij die ene fles whisky, die daar sinds de oorlog ruim vijf jaar had gestaan, soldaat had gemaakt. Waar vind je hier nou whisky? Dat is toch geen drank voor ons soort mensen. Dat is weer zo`n mode zeker die de geallieerden hebben meegebracht en die in soldatenkringen is blijven hangen. Of zou het door de cowboyfilms komen die ze in de City in de stad draaien?

     De Vrouwen van de Eerste Huizen geloven niks van de verhalen.

     “Die jongens hebben daar een paar jaar vakantie gehouden,” zegt de lacherige lange Hanna Bosmans. “Moet je die bruine koppen maar eens zien.”

     “Die hebben geen vijand gezien,” zegt de oudste dochter van Meijer met haar zware trage stem.

     “Peetje pret maken met pruine meisjes,” spuugt Hanna Knietel.

     Hij mag geen verhalen meer vertellen bij hotel/café Den Os. Maar soms barst hij toch los.

     “Toch was hij de kleinste moordenaar van ons allemaal,” snikt de jongen van Vlek. “Want ’s nachts is hij eerst begonnen te snikken, dan te brullen, en is zo de duisternis in gelopen. Tot hij, gelukkig voor hem, struikelde en door ons werd teruggehaald voor de vijand hem te pakken had. Hij was alweer op de boot of in het vliegtuig of misschien zelfs weer thuis toen bij ons het echte moorden begon, hele kampongs tot en met de baby’s en de huisdieren. Och, dat kan ik jullie allemaal niet vertellen,” zegt de jongen van Vlek.

Hulppolitieagent Van Vulpen is nog het meest driftig over de verhalen van de jongen. Hij vindt dat het gezag, en met name het geüniformeerde gezag, door de verhalen wordt ondermijnd. Hij heeft immers zelf ook nog zijn uniform van hulppolitieagent in de kast hangen.

     Hij doet het uniform aan en loopt net zolang met zijn tien-voor-twee-pasjes van de een naar de ander tot hij ex-burgemees­ter en fabrikant Van Tuin, gemeentesecretaris Van de Reyden en de weleerwaarde heer pastoor Van Olen voor noodberaad bij elkaar heeft. Afgesproken wordt bij Van Tuin.

     Maar Van Tuin ontvangt ze niet in zijn villa zoals iedereen had gehoopt maar in het kantoortje van zijn fabriek achter de villa. En de twee notabelen, de pastoor en de gemeentesecretaris, wijten dat aan Van Vulpen met zijn malle uniform. Hij is immers niet een van hen, maar hij is nou eenmaal de initiatiefnemer en het raakpunt met het gewone volk.

     Ze hebben er duidelijk niet zo`n zin in, de notabelen, ze zouden het liever doodzwijgen. Als hulppolitieagent Van Vulpen over de vergiftiging van het Patersgat begint, zegt ex-burge­meester en fabrikant Van Tuin zelfs dat de jongen eigenlijk aan de toekomst heeft meegewerkt.

     De hoge heren komen al vlug tot de conclusie dat de jongen van Vlek werk moet hebben en een meisje. Dan zal het gauw allemaal vergeten zijn.

     Ze heffen de bijeenkomst op, hulppolitieagent Van Vulpen gaat naar huis en de heren gaan alsnog de villa binnen.

(Lees ook het vervolg op De blijde terugkeer van onze Indiëganger, Op café één.)

En het lijkt of het houten been zelfs nog wat voor hem uit danst. Niet zozeer om hemzelf voor te blijven als wel om zijn chagrijnig wijf te vlug af te zijn dat hem elk ogenblik kan komen halen. (pag.84)


(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *