Op café Een (uit Aan de Lange Weg)

(In Op café Een toont de gehandicapte Teun van Leer zich erg verontwaardigd over de zelfmoord van de jongen van Vlek, de Indiëganger)
( Toen De blijde terugkeer van onze Indiëganger plaatsvond was ik 7 jaar. Die gebeurtenis was de aanleiding voor dit gelijknamige verhaal. Toen ik eind jaren Negentig dit verhaal begon te schrijven wisten we ondertussen wat er destijds in Indonesië was gebeurd. Ik bracht in mijn verbeelding de buren en dorpsgenoten weer bij elkaar in 1951 en verwerkte de belevenissen, daden en trauma’s van meerdere Indiëgangers in de Jongen van Vlek.

Op café Een

Teun van Leer is erg kwaad: Hoe kan iemand die recht is van lijf en leden, een beetje slungelig okay, maar die verder niks mankeert, die gezond is, geen zorgen heeft, zoiets doen?

            “Dat weet je niet,” zegt een ander bij hotel/café Den Os.

            “Hoezo?” zegt Teun, kwaad en ongeduldig omdat ze hem niet gewoon laten doorfoeteren. Eigenlijk stoot hij alleen de klanken uit die op ‘hoezo?’ lijken.

            “Dat weet je niet,” zegt de ander weer, “of-ie niets man­keerde, hij kon wel iets onder de leden hebben, en je weet ook niet wat er in die kop omging.”

            Welke gek gaat er nou met Teun in discussie, en zeker onder deze omstandigheden? Dat is vast niet iemand van hier.

            Teun zit, hangt aan de bar zoals hij loopt, zijn rechterbeen voor het andere, hij steunt zwaar op zijn rechter elleboog. Teun kan alleen klinkers uitstoten, eenlettergrepige woordnabootsin­gen met een of twee medeklinkers erachter: “Eèk òòmm ull! (verrekte stomme lul!)” Hij is erg opgewonden. Ga dan maar uit de weg, weet iedereen die hem kent. En wie in het dorp kent hem niet!

            Teun is kwaad omdat die lange slungel van Vlek zich heeft opgehangen. Een gezonde man van nog geen dertig. Van leeftijd zullen ze niet veel verschillen, Teun en de jongen van Vlek. Maar voor de rest! Teun noemt het ’t toppunt van ondankbaarheid. Om als je niets mankeert je leven zo weg te gooien.

            Teun stoot de eenlettergrepige klanken snel na elkaar het café in. We verstaan hem allemaal, niemand waagt het nog hem te onderbreken, die ene van het begin is allang de mond gesnoerd, hoogstens proberen we Teun een beetje af te remmen door hem een pils in zijn hand te drukken: “Drink eens, Teun.”

            Als hij, Teun, er nou een eind aan zou maken, hij had er alle reden toe. Nooit behoorlijk hebben kunnen lopen, nooit behoorlijk hebben kunnen praten! Natuurlijk is dit een verta­ling.

            “Ooit oet oop, ooit oet aat!” stoot Teun in werkelijkheid uit.

            “Ik ijk àas…!” en hij maakt een gebaar of hij zich verhangt: Ik zou gelijk hebben als ik me ophing!

            Wat moet je daar op zeggen? Elke tegenwerping maakt de woede en daarmee de schokkerige woordenstroom van Teun alleen maar erger.

            “Blijf zitten, Teun,” zeggen we, en als hij niet luistert: “En hou je aan de bar vast of aan een stoel, anders val je nog en ben je nog verder van huis.”

            Natuurlijk trekken wij het ons ook aan, wat wil je, zo`n jong iemand, maar zo persoonlijk als Teun nemen we het toch niet. Wij zijn al gauw gefascineerd hoe hij het gedaan heeft, die jongen van Vlek. Aan de kelderdeur, hebben we gehoord, aan de klink van de kelderdeur. Maar die zit toch niet zo hoog? Aan de binnenkant, mogen we dan aannemen. En is die kelder dan diep genoeg? Is hij dan naast de trap gesprongen? Of stond daar een losse houten trap en heeft hij die weggeschopt? Dat vinden wij eigenlijk interessantere vragen dan het waarom. Want waarom, daar kom je toch niet achter. Hoewel we na­tuurlijk wel aan de verhalen over Indië moeten denken die de jongen hier zat te vertellen, zoals van dat gehalveerde meisje. En volgens de Heeskop was hij ook verantwoordelijk voor de vergiftiging van het Patersgat, het moerasgebied bij de Gender, wat overigens nooit was bewezen. Wij zijn evenmin vergeten dat hij vanuit hun hof met een mitrailleur op de bomen aan de andere kant van de Gender schoot toen daar nog bomen ston­den. En werd er destijds niet verteld dat hij gek was op de bloedmooie Petra Donkers? Maar welke jongen uit de buurt was dat niet?

            Het schijnt trouwens dat veel jongelui er een eind aan maken. Alleen hoor je daar nooit van. Dat mag niet in de krant. Dat verklaart meteen, voor een deel toch, en dan hebben we het over een aantal jaren geleden, over de tijd dat die soldaten terugkwamen uit Indië, dat enthousiasme om zich te melden voor Korea. Gewoon verkapte zelfmoord. Zelf durven ze het niet, maar hopen gewoon… En nog als held begraven worden ook. Weet u dat wij nog respect krijgen voor die jongen van Vlek? Die komt er tenminste eerlijk voor uit en doet het ten­minste zelf.

            Maar voor dat respect hoef je bij Teun niet aan te komen. Die strompelt ondertussen langs de bar, overal tegenaan sto­tend en zich aan iedereen vastgrijpend. En nu is hij zelfs voor ons slecht te volgen. Maar we menen dat het erover gaat dat hij die benen van die jongen dan wel had willen hebben, en die tong, ook al heeft iemand anders die dertig jaar in zijn bek gehad, menen we dat hij zegt, maar het is mogelijk dat we dit zelf invullen. Of zou het toch aan mijn hersens liggen, horen we hem weer duidelijk, zij het natuurlijk op zijn manier, zeggen. Nou ja, dan maar een hersentransplantatie. Ze kunnen toch alles tegenwoordig! Als ze het met huid kunnen, zoals bij dat verbrande kind van Weels, waarom dan niet met hersens?

            Teun komt terugstrompelen van de pisbakken en wil meteen naar buiten, naar zijn fiets die hij vlakbij de deur heeft gezet. Op zijn fiets en als hij zijn mond houdt is Teun precies als ieder ander. Maar soms gaan de kinderen met zijn fiets aan de haal en hinkelepinkt Teun achter ze aan, vloekend. De kinderen doen hem na: “Ont iet aat oe!” Tot iemand het voor hem opneemt, de kinderen opvangt, ze een schop onder hun kont geeft en Teun zijn fiets teruggeeft.

            Teun is een fietser. Wat wil je! Wat verder van huis ziet niemand iets bijzonders aan Teun op zijn fiets die vriendelijk knikkend en glimlachend de mensen groet, zonder geluid.

            Teun is niet de enige, er zijn meer van die fietsers. Maar die zijn wat meer verdacht. Die dragen vaak een korte broek en dat vinden we gek bij ons in het dorp. Niet dat ze bij hotel/café Den Os ooit iemand lastig vallen – ze zouden het bij de vaste bezoekers al niet moeten proberen! – maar we vermoeden toch dat ze op de fiets en met die korte broek achter de jongens aan zitten. Waarom anders die korte broek?

            Maar ze weten alles, de fietsers, alles van en rond het dorp. Van de Gender, de nieuwe en de oude. En zoals iedereen die hem gekend heeft zweren ze bij de oude Gender, die van voor de omlegging. Daar zat nog vanalles in, die leefde nog. Er zijn nog een paar stukken van over, na hevige regen staat er soms zelfs weer wat water in. De nieuwe Gender is alleen op zondag, wanneer de wasserijen en weverijen stil liggen, nog tamelijk helder. Dan heb je in een strenge winter zelfs kans dat hij nog bevriest en kun je erover naar de Leef schaatsen, de ijsbaan tegenover de steenfabriek richting stad. Wel zie je ook op zondag, als het grijsblauw van het afvalwater van de fabrieken hem niet verkleurt, dat de Gender steeds bruiner wordt. IJzer waarschijnlijk. Dat heb je met die omleggingen! zeggen de fietsers.

            Ze weten dus alles, die mannen op de fiets. Van de ruilverkaveling, de boeren die vanuit de dorpskernen en de noord- en westkant van de gemeente naar het natte zuiden verhuizen, naar het gebied van de Dommel, de Run en Gender. Want, weten ze te vertellen, er komen nog veel meer nieuwe wijken. En in het zuiden komen de boerderijen en, wat dichter­bij, vlak achter de Lange Weg, de industrie. Van het hele natuurgebied tussen de riviertjes blijft niks over. Voor de landbouw moet er gekanaliseerd en ontwaterd worden. En voor loodsen en industriehallen moet er ontwaterd en opgehoogd worden. Kijk, dat die boerderijen in het zuiden komen, dat begrijpen de fietsers wel, het was altijd al het vruchtbaarste gebied van de gemeente, zij het vaak te nat. Nat en zompig, noemen de mensen die aan de Lange Weg wonen het Broek­land, waar de huizen vochtig zijn en de mensen klein en ach­terlijk blijven. Dat was het beeld, maar met de moderne metho­den moet dat kunnen worden opgelost. Maar wat die industrie daar doet, begrijpen de mannen op de fiets niet. Omdat er traditioneel al industrie was aan de zuidkant van de Lange Weg? Vanwege de Gender die schoon water aanvoerde en vuil water afvoerde? Maar dat is toch achterhaald, daar heb je toch pompen en riolering voor tegenwoordig! De fietsers verklaren het gemeentebestuur voor gek en voor slaaf van Philips en van Eindhoven. Dat is precies wat oud-burgemeester Van Tuin altijd heeft tegengehouden, zeggen de fietsers. Je zou bijna terugverlangen naar de tijd dat die godsdienstgek het hier voor het zeggen had. Als die terug zou komen en een dam zou opwerpen tegen al die ‘vooruitgang’, dan mocht hij wat hen betreft ook heilig verklaard worden, net als Pius X.

            Maar de meeste fietsers mogen met hun korte broek dan wel modern willen doen, het zijn toch flikkers die tegen de vooruitgang zijn, zeggen we bij hotel/café Den Os. En wat betreft Teun, die versta je niet en is gewoon gek.

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *