Mijn moeder, 2e deel, model voor Anneke, in AAN DE LANGE WEG van Meurs A.M


Mijn moeder, 2e deel, model voor Anneke, in AAN DE LANGE WEG van Meurs A.M., mét De Vrouwen van de Eerste Huizen.


Mijn moeder, model voor Anneke in Aan de Lange Weg
(de vlek zit op de foto)

Het leek een leuk idee: de passages van Anneke, waarvoor mijn moeder in Aan de Lange Weg model stond, uit het boek te halen en in het kader van de Boekenweek op internet te zetten. Maar al gauw zat het me niet lekker. Het leuke van het boek waren nu net De Vrouwen van de Eerste Huizen, die niet alleen buren en personages zijn, maar die ook de andere personages, de gebeurtenissen én het geschrevene en de schrijver becommentariëren. Alleen Anneke eruit halen is net zoiets als het verhaal van Ondine uit De #DeKapellekensbaan afzonderlijk publiceren. Dan krijg je een ouderwets boek. De Vrouwen van de Eerste Huizen heten niet alleen zo omdat ze inderdaad in die eerste huizen van het dorp wonen maar ook als eerbetoon aan #LouisPaulBoon die schrijft over de Eerste Vuile Huizen van de Kapellekensbaan waar Ondine woont en waar de sleutel van de kapel bewaard wordt. Hier dus Anneke met De Vrouwen van de Eerste Huizen uit het 1e deel van de 3 delen #AandeLangeWeg heeft. Tussen haakjes, 2 van de 3 Vrouwen van de Eerste Huizen zijn ook moeder.

(Anneke Weels, woont in de eerste bocht van de Lange Weg, in 1940 getrouwd met
Leo Weels, ze krijgen acht kinderen, waaronder
Tonnie Weels, het eerste kind, een meisje dat van haar vierde tot haar achtste in het sanatorium ligt vanwege tbc;
Jantje Weels, hun tweede, met wiens geboorte het verhaal begint, volgens het schrijverpersonage A.M.
vaak hinderlijk aanwezig;
Mimi Weels, op haar vijfde levensgevaarlijk verbrand door een val vanaf het aanrecht in een kokende ketel met wasgoed;
Hugo, hun laatste kind dat een uur heeft geleefd, maar gelukkig is het er een van een tweeling en dat andere is nummer acht.)

(De Vrouwen van de Eerste Huizen, te weten: Hanna Bosmans, Hanna Knietel en De oudste dochter van Meijer; zij zijn tegelijk personages, vertelsters, commentatoren én Muzen van A.M;)

Onrust aan de Lange Weg

Er heerst onrust aan de Lange Weg. Maar het meest onrustig lijkt toch A.M. te zijn die daar rondstruint op zoek naar de vorm voor zijn boek van de Lange Weg.

     “Wat is dat!” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen. “Begint Jantje, het jongetje, je alter ego, het toch een beetje van ons over te nemen, iets wat je eerst absoluut niet wilde?”

     Jantje lijkt inderdaad tegen wil en dank de rode draad geworden, meer dan de Vrouwen van de Eerste Huizen, hoewel de strijd nog niet is gestreden.

     Allemaal hadden ze het mogen zijn: de visboer, de vodden­boer, de ziekenfondsbode, een ander jongetje, als ze maar langs die huizen van de Lange Weg gingen, allemaal behalve het jongetje, behalve Jantje. En toch lijkt die het te worden: de enige echte bindende factor.

     De vertelsters, Anneke, Josje en Bet, hebben het niet gehaald, alleen Anneke speelt nog mee, hoewel Josje veel intensiever aanwezig was. Maar in 1947, wanneer ze heeft moeten trouwen, is ze uitgepraat. En van Bet kon het verhaal van haar leven verteld worden, zoals dat van haar man Toontje, maar als dat verteld is, zijn we er, afgelopen.

     Daarom toch: het verfoeide jongetje. Hoewel de Vrouwen van de Eerste Huizen die het eeuwige leven hebben veel leuker en interessanter zijn en zich nog niet gewonnen geven. Dus wie weet!

     Want de Vrouwen van de Eerste Huizen die willen altijd!
(Pag. 104)

De Vrouwen van de Eerste Huizen willen het overnemen

De Vrouwen van de Eerste Huizen willen het overnemen omdat ze vooruit willen in de tijd, maar dat kan A.M. zelf ook, zegt hij.

            De oudste zoon van de familie Brems, Harry, hebben we nog niet leren kennen, maar die is dan ook meestal op stap. Tot nu toe rustte op zijn talloze ondernemingen niet veel zegen, gaf hij bovendien het geld dat hij verdiende net zo snel weer uit, al zorgde hij wel dat er een telefoon in huis kwam, wat nog tamelijk uitzonderlijk is.

            Maar nu lijkt er een kentering te zijn gekomen en die heet: wasmachine!  Hij heeft de tijd mee, ook de dorpsmensen willen nu thuis gaan wassen, hij kan tweedehands wasmachines voor weinig geld en op afbetaling aanbieden. Ze gaan vaak stuk, ook omdat de mensen nog niet gewend zijn ermee om te gaan, en dan brengt hij voor maar een klein beetje meer geld een andere, want de garantie die hij heeft gegeven is nog niet voorbij en hij zou niet weten hoe hij ze moest repareren.

            Maar ook daar komt verandering in, want zijn jongere broer Karel, een van de vroegere bedpissers, is ondertussen een jaar of veertien en niet alleen een stuk gezonder en sterker maar ook technisch en handig geworden. En daarmee is de zaak rond: de familie Brems heeft de verkoop en reparatie van wasmachines in handen.

            Toch is de weg naar succes nog niet definitief. Vrouw Brems, die altijd al zwak was, vlug moe, en wie het gauw te veel werd, laat haar bed tussen de planten voor het raam aan het binnenplaatsje zetten en wacht daar met een rozenkrans in haar handen de dood af, want ze heeft kanker en veel meer dan vijf jaar zal ze haar man niet overleven. Ze komt nog één keer buiten als ze hoort dat er een buurjongetje zoek is. Met een mantel over haar nachtkleding en een brandende kaars in haar hand loopt ze biddend midden over de Lange Weg in de richting van het ongelukkige gezin in de Acht-Huizen. Het helpt, want de jongen wordt teruggevonden.

            Nog een paar maanden kunnen de kinderen hun drukke bezigheden even onderbreken om bij het bed van hun moeder te horen over liefde, vriendschap, de natuur en over God, in het bijzonder over het kindje Jezus en zijn moeder Maria.
(pag. 139 – 140)

Op de thee bij Anneke

‘t Is wel een beetje wat men noemt een asociaal gezin maar kwaad zit er niet bij, zeggen ze van een van de toekomstige buren van Anneke in de Acht-Huizen. Dat zeggen ze trouwens van meer huishoudens in de Acht-Huizen, en dat asociale schijnt in de praktijk ook wel mee te vallen.

            Ja, Anneke gaat inderdaad in de Acht-Huizen wonen. Ze heeft er wel eens mee gelachen sinds haar huur is opgezegd omdat de huisbaas zelf in haar huis wil, maar het is inderdaad zo. Daarom zijn ze nu bij Anneke op de thee, voor de laatste keer in het oude huis, waar alle acht kinderen van Anneke zijn geboren en waar ze heel wat heeft meegemaakt.

            Anneke maakt wat mee! Pas nog heeft ze haar oude moeder van achtentachtig moeten begraven op het kerkhof van Sas en het was nog ijskoud ook. Ze hadden de grond moeten openhakken. Het valt niet mee je oude moeder achter te moeten laten in die koude grond!

            De Vrouwen van de Eerste Huizen maken ook heel wat mee natuurlijk, en Ineke het buurmeisje dat bijna alle kinderen van Anneke heeft leren lopen ook, maar toch valt het bij Anneke meer op.

            Maar Hanna Bosmans wil niet over de droevige dingen praten. Ze neemt het initiatief: Weet Anneke nog dat de oude buurman Dries Westerweel, de oom van degene die nu in haar huis gaat wonen, als het onweerde altijd bij Anneke thuis achter de deur kwam zitten? Och, wat was die bang voor onweer en hoe lang is die alweer dood! Met zijn broer heeft hij daar jaren gewoond maar de broer ging het eerste. En toen ze allebei dood waren kwamen de Koenders daar achter wonen, een pas getrouwd stel dat de hele dag in bed lag, daar moest je niet onverwachts op bezoek komen. Och, en aan de voorkant de schoenmaker, hoe vaak is die niet met zijn houten been hier achterom komen lopen om schoenen terug te brengen en even bij zijn vrouw weg te zijn. Maar de buurman aan de andere kant van de schoenmaker zei: “Ik kom die schoenen zelf wel ophalen als ze klaar zijn, want elke keer als jij met je hond komt kost me dat een paar doodgebeten konijnen, en wat kan ik anders doen dan ze zelf maar opeten?” Die hond beet zo dat gaas door en had er een paar te pakken.

            “Dus Robert kwam voortaan zelf zijn schoenen wel opha­len,” lacht Hanna Bosmans, “dat scheelde een paar konijnen.”

            Dus die oude Westerweels die hiernaast achter woonden waren ooms van de eigenaar van dit huis, en herinner je je nog die vrouw van de eigenaar die altijd de huur kwam ophalen? Daar zat ze met haar bril en haar bontjas en haar spitse neus en haar grote leren handtas met het opgehaalde huurgeld voor zich op tafel. Achter dat tochtschot zat ze altijd en kreeg een kop thee en de kinderen mochten van vader Weels dan niet hatelijk doen of lachen. Weet je dat nog, Anneke? Ja, en of Anneke het nog weet!, ze heeft het allemaal zelf verteld. En ze weet ook nog goed dat dat wijf van Wester­weel, want zo noemden we haar, de huur kwam verhogen en later de huur opzeggen. Dat laatste is alweer drie jaar geleden. Enfin, de woning in de Acht-huizen valt mee, vier slaapkamers boven, maar de wc is nog steeds buiten, wel met een closetpot nu maar waar je met een emmer water door moet gooien en een put die ze met een wagen en een slang leeg komen maken. Hier moeten we dat nog zelf doen. En de hof is natuurlijk ook een stuk minder, we zullen die fruitbomen nogal missen!

            Ach, er verandert zoveel en zo snel, het is voor een gewoon mens niet meer om bij te houden. Neem nou die nieuwe wijk die zo goed als klaar is. Onze jonge jongens weten te vertellen dat daar meisjes van hun leeftijd zijn komen wonen die voor ze gaan slapen in hun blote kont boven voor het slaapkamerraam komen staan. Het schijnt nog waar te wezen ook. Misschien is het er maar eentje, maar de jongens trekken in ieder geval massaal ‘s avonds rond half negen naar de nieuwe wijk. En als ze erom vragen schijnt dat kind zich ook nog om te draaien! Och, je weet toch niet meer waar je aan toe bent tegenwoordig. De oudste jongen van Anneke, Jantje, heeft nu een Ambonees vriendje, ook al uit de nieuw­bouwwijk.

            En aan het eind van het pad naar Sas is een nieuw huis gebouwd en wat daarin is komen wonen! Ook zo`n jong, flauw stel. Hij komt elke morgen de kant van de Lange Weg op fietsen en al die tijd staat zij buiten in haar peignoir te zwaaien tot hij op de Lange Weg is en om de bocht naar de stad verdwijnt. Die afstand is ruim een kilometer, dus zij staat elke morgen zeker vijf minuten buiten en na elke honderd meter kijkt hij om en steekt zijn arm op. Schijnt tekenaar bij Philips te zijn en er zouden er meer van dat soort komen, een hele wijk vol. Als je meer wilt weten, moet je het aan boer Vrieskens vragen die daar tegenover woont en van wie het land was dat tussen hem en de Lange Weg ligt. Hij schijnt het voor een goede prijs aan de gemeente verkocht te hebben. En zelf mag hij aan de zuid­kant van het dorp voor een appel en een ei opnieuw gaan boeren. Ze hebben voor die boeren zelfs de Run gekanaliseerd.

            Maar als je nog meer wil weten, kun je het ook aan die mannen in de korte broek vragen die, als ze niet rondfietsen, bij hotel/café Den Os zitten. Die mannen lijken het er niet zo mee eens te zijn. Zeker niet nu ze ontdekt hebben dat een van die boeren voor wie de gemeente zoveel kosten heeft gemaakt, gewoon een grote schuur met honderden varkens heeft neerge­zet en alleen nog maar wat maïs en bieten verbouwt en zijn mest niet kwijt kan, en dat soms opeens de sloten daar in de buurt keihard beginnen te stromen – een nieuwe omlegging van de Gender, denk je eerst nog – maar de boer is bezig zijn gierkel­ders leeg te pompen.
(pag. 141 – 143)

Voorheen de Acht-Huizen

Vrouw Teunis uit de Acht-Huizen vindt Anneke Weels maar een verwaand ding, met die toch al vooruitspringende onder­kin, die ze dan ook nog eens omhoogsteekt, en altijd dat opscheppen over de kinderen, die best goed zullen kunnen leren, maar ondertussen hebben ze daar bij Weels geen nagel om hun reet te krabben, want met al dat leren is er geen kind dat al wat binnenbrengt.

            Anneke Weels, voorheen uit de eerste bocht van de Lange Weg, en nu ook, zij het nog steeds niet fanatiek, uit de Acht-Huizen, vindt vrouw Teunis een norse vrouw, erg tuk op geld en luxe, en vooral lomp, lomp in de omgang. Ze lijkt boven­dien wel een woonwagen-bewoonster met dat zwarte haar, die donkere blik en al die sieraden. Maar daar kunnen de kinderen ook niets aan doen en vader Teunis is een goed mens.

            De oude en nieuwe bewoners van de Acht-Huizen hebben hun bedenkingen over elkaar, maar soms valt het ook mee, want de buurman van de ene kant, het koddige Willeke, komt zeggen: “Weels, ik zag het eerst niet zitten, maar u bent, geloof ik, toch een fatsoenlijk mens.” Een jonger broertje van Jantje had de buurman toen wel een kusje willen geven.

            “Voor de kinderen was het heel wat anders,” zegt Hanna Bosmans van de Eerste Huizen. Bij de volwassenen was het een kwestie van een idee, van een bepaald beeld dat men van elkaar had: in de Acht-Huizen wonen voornamelijk asociale gezinnen, buiten de Acht-Huizen voelen de mensen zich boven ons verheven ook al stellen ze zelf niet veel voor.

Maar voor de kinderen Weels is het een echt probleem, een praktisch probleem. Want jarenlang zijn ze op weg naar het dorp daar voorbijgelopen, en bij het ene huis werden ze al eens uitgescholden voor spuitelf, bij het andere hebben ze al eens belletje getrokken, soms zelfs bij een huis waarvan ze wel met de kinderen speelden. Want hoe zit een kind in elkaar? Dat waren gewoon verschillende dingen: dat huis en die bel en die deur waarachter, spannend!, misschien wel een ouder stond te wachten… en dat kind waar je mee speelde. Je wist natuurlijk wel dat het daar woonde, maar toch bracht je het veel meer in verband met de plek waar jullie altijd speelden, bijvoorbeeld bij jou thuis of bij een van de andere buren, dan met dat huis waar je altijd belletje trok.

            En wie heeft er hulppolitieagent van Vulpen met zijn voeten op tien voor twee niet nagedaan?

            Pijnlijk was het soms ook andersom: het jongste meisje van Teunis roept de oudste van Weels, Tonnie, na: “Doe maar niet zo verwaand, spuitelf, zo bijdehand zijn jullie niet, bij ons liggen de maandverbanden niet op zolder te rotten!”

            Dat was inderdaad een pijnlijke zaak, want hoe goed ze ook konden leren, erg bij de tijd waren de meisjes van Weels op dat gebied niet. Kwestie dat er nooit over seks en vrouw-worden werd gesproken. Dat was nog in het vorige huis geweest, maar hoe wist zo`n meisje uit de Acht-Huizen dat? Dat moest ze gehoord hebben van een vriendinnetje van de meisjes Weels dat wél in hun vorige huis op zolder was geweest.

            Neem nou dat tweede meisje van Weels, het braafste kind van de klas, allemaal negens en tienen, dat heeft wel jarenlang belletje getrokken bij Trees Meps, dikke Trees, en haar uitge­scholden voor Trees Tiet. En waarom? Wel, omdat ze dacht dat dat wel mocht, dat was geen normaal gezin, je zag Trees niet in de kerk en de kinderen hadden verschillende achternamen, dus kon je je dat permitteren, een vader zag je er trouwens nooit, dus bang hoefde je niet te zijn.

            En Jantje Weels van veertien, die kwam maar één huis van zusje Schors vandaan wonen, met wie hij vroeger doktertje had gespeeld, o wel tien jaar geleden, en wie had er niet met zusje Schors doktertje gespeeld!: een hegblaadje op haar blote kontje gelegd en daar doorheen een stokje in haar gatje gestoken. Maar wie durft er in zijn puberteit zo`n meisje aan te kijken, vooral als je haar sinds die tijd nauwelijks hebt gezien?

            “Toch een vorm van penetratie, zouden we tegenwoordig zeggen,” lacht Hanna Bosmans. Maar serieus, Anneke Weels kon haar verdriet openlijk tonen, ze miste het oude huis, de tuin, de hoge bomen en vooral Ineke, het buurmeisje dat al haar kinderen had leren lopen. Maar de kinderen moesten hun geheimen voor zich houden, de kans dat de ouders, nu ze zo dicht bij elkaar woonden, zouden gaan kletsen was te groot.

            “Maar terug naar de familie Teunis,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen. Of A.M. wist dat dat kleine magere mannetje naar de pas aangebouwde bijkeuken was verbannen, met zijn hoest en zijn glimlach, vooral met zijn hoest natuur­lijk, ofschoon, leek het wel, het vooral die glimlach was die zijn vrouw in de weg zat. Maar voor de rest van het gezin en de bezoekers, de televisiekijkers, de kaarters, was het toch vooral de hoest, die hartverscheurende of liever duidelijk hoorbaar slijmscheurende hoest, gadverdamme. Maar zijn vrouw, zijn stevige, forse, gezonde, met sieraden bedekte vrouw stoorde toch vooral die glimlach, als een van triomf, van haha nooit meer terug te moeten naar de mijn, niet onder de grond en ook niet, als surrogaat, boven de grond; daarvoor was de hoest te ver gevorderd.

            En of A.M. wist dat ze speciaal daarom nóg een televisie hadden aangeschaft, toe maar, en die in de bijkeuken hadden opgesteld, hangend aan de muur, zodat dat mannetje met zijn hoest daar in zijn eentje zat, vlakbij de geëmailleerde wasma­chine, de enige aan de Lange Weg. En geen wonder dat je met zo`n wasmachine, waar je geen heet water meer hoefde in te gooien, als eerste maandagsmorgens de was aan de lijn had, soms al voor zeven uur, en ook de witste was had, want nu was er Omo en ook die kon vrouw Teunis betalen. En of ze wilden of niet, de andere bewoners van de Acht-Huizen moesten daarin mee, en al gauw werd het een soort wedstrijd, wie de witste was had dus en het eerst aan de lijn, maar wel een wedstrijd waarvan de eerste plaats al bij voorbaat was verge­ven.

            En nadat de zonen van Teunis rond het voortuintje een muurtje met een sierstang erop gebouwd hadden, omdat een gewoon ligusterhegje zoals de buren hadden niet meer goed genoeg was, en nadat er een bijkeuken aan de keuken gebouwd was en de wc verplaatst, zodat zij de eersten waren die niet meer naar buiten hoefden om naar de wc te gaan en bovendien de eersten die een toilet met waterspoeling hadden, en nadat er dus twee televisies waren gekomen en een elektrische klok en allerlei koperen en vergulde voorwerpen, zoals een lepelrek en asbakken, en nadat de vrouwen in het gezin allemaal een nieuwe fiets en de mannen een brommer hadden gekregen – behalve de dikke Hors, die bleef uiterst traag, bijna stapvoets op zijn nieuwe fiets van huis naar café naar voetbalveld rijden – en toen de moeder zoveel sieraden had dat ze elke dag van de week andere om kon doen, en de dochters ook hierin steeds meer op de moeder begonnen te lijken… toen ging het kleine, magere mannetje, dat nog geen zestig was en tientallen jaren veel geld verdiend had in de mijnen, de pijp uit met nog steeds die glimlach van triomf op de lippen.

            En toen beseften de zoons dat ze eigenlijk, en niet alleen van uiterlijk, veel op hun vader leken, en hoe al te waar dat was konden ze niet eens vermoeden, want ze wisten toen nog niet dat verschillenden van hen zich eveneens kapot zouden werken voor een naar luxe hunkerende vrouw, en vooral wisten ze niet dat ze geen van allen oud zouden worden en dat hun moeder, voor wie ze alles over hadden gehad, hen allemaal zou overle­ven. Maar ondertussen misten ze de vader en zeiden soms zelfs: “Wat is het hier stil!” want ook aan een hoest, zij het dan vanuit de bijkeuken, kun je blijkbaar wennen.

            “Hé!” roept Hanna Bosmans, “wist je dat allemaal? Nee? Dan weet je het nu in ieder geval!”

            Buurvrouw Marietje, die zoals elke morgen tussen negen en tien uur bij Anneke Weels in de deuropening tussen keuken en kamer staat, heeft het verhaal van de dood van vader Teunis verteld. Maar Anneke luistert maar met een half oor, want ze heeft het diezelfde ochtend al van de toekomstige schoon­dochter van Marietje gehoord die op haar beurt elke ochtend tussen half zeven en zeven uur bij Anneke zit omdat ze dan thuis al de deur uit moet en bij Marietje nog niet binnen kan. Om kwart over zeven gaat ze samen met haar verloofde, de zoon van Marietje, naar de sigarenfabriek. Annekes oren tuiten van de verhalen die ze vaak dubbel te horen krijgt – ze krijgen bij die mijnen een goed pensioen, dat heeft ze wel begrepen – en hoewel ze zelf graag en veel praat, houdt ze zich tegen de nieuwe buren op de vlakte, want alles wordt doorverteld, en telkens denkt ze: was Ineke het vroegere buurmeisje er maar, want daar kan ik echt mee praten.

            Aanloop heeft Anneke genoeg, al is het maar van de buur­man van de andere kant, Adri de Laat die, voor hij naar de begrafenis gaat in zijn bruine zondagse pak waarmee hij al uren aan de weg staat, achterom komt om door Leo Weels zijn stropdas te laten strikken.

            “Veel te jong,” zegt Adri. Zeg dat wel, Adri. Ja, net als jouw broer. Want toen zijn broer was overleden speelde zich hetzelfde af en werd er hetzelfde gezegd. De familie de Laat is de andere meest opvallende familie van de Acht-Huizen.

            “En dus kun je die beter aan ons overlaten,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen, “dan kunnen wij meteen de link naar de brommer leggen, want die speelt niet alleen een grote rol in het verhaal van Adri de Laat maar voor iedereen aan de Lange Weg, eerst vooral voor de jongelui maar later ook voor de ouderen, het is hét vervoermiddel voor het gewone volk in het begin van de jaren zestig van de twintigste eeuw.”

            Wie kan zich niet herinneren dat de fiets van Leo Weels terugkwam, met de lijnbus, en nu met een motortje erop ge­monteerd zodat het een bromfiets was? Dat was lachen!

            En hoewel we verteld hebben dat bij de familie Teunis dikke Hors een uitzondering was met zijn fiets, was het toch zo dat Hors ook een brommer heeft gehad, heel even. Maar geen brommer ter wereld kon zo langzaam rijden als Hors wilde, trager dan stapvoets. Dus lag hij daar met zijn buik op dat ding, zijn voeten aan weerskanten over de grond schuivend, en vooral bezig met de motor niet af te laten slaan en niet om te vallen. Binnen een week zat hij weer op zijn fiets.

            Als er een brommer een van de gangetjes, tunneltjes, van de Acht-Huizen in rijdt, is het geluid oorverdovend, je zit in een bombardement, het geluid kan niet weg, weerkaatst, botst tegen zichzelf op, je zit te trillen. Als Adri de Laat op zijn brommer thuiskomt hoor je hem “hoho, hoho!” roepen en met een klap tegen de poort tot stilstand komen. De poorten staan in een punt op het gangetje, één voor het met betonnen schuttin­gen afgezette binnenplaatsje aan de linkerkant en één voor dat aan de rechterkant.

Vrouw de Laat is dan plotseling omringd door motorgeronk en ze schrikt wakker met de stopmand op haar schoot, met haar piekhaar van onbestemde kleur, haar altijd bolle buik onder de vale blauwgebloemde schort en haar ondoorzichtige vleeskleu­rige kousen.

“Hij is thuis,” zegt ze met een hoge hese stem.

“Misschien lijkt ze wel een beetje op mij,” zegt Hanna Knietel tegen de twee andere Vrouwen van de Eerste Huizen. “Ik word soms ook helemaal versuft van het huishouden en ik ben dan blij dat ik vriendinnen als jullie heb om eens uit te praten. Je valt overdag in slaap boven de stopmand of de aard­appelschil­lenmand, omdat je de hele nacht met zo`n kind bezig bent geweest en je man maar lag te snurken. En dan komt hij thuis, en het eerste dat hij vraagt is niet: hoe is het met jou of hoe is het met het kind, maar: hoe is het met de jonge hondjes en is er nog iemand aan de deur geweest? En jij vraagt je af of je de bel wel hebt gehoord en hoopt maar dat iemand die zo`n adver­tentie leest gewoon achterom komt. Altijd heeft je man wel iets: als hij geen hondjes fokt dan heeft hij duiven of zijn het de voetbaluitslagen die hem meer interesseren dan zijn gezin. En als hij thuis is, en hij is vaak thuis want hij loopt ook regelma­tig in de ziektewet, dan repareert hij geen dingen of helpt in het huishouden of werkt in de hof – de nieuwe buurman heeft nog een stukje tuin met plantjes voor hem moeten aanleggen – nee, dan ligt hij aan de weg, letterlijk vaak, tegen de heg of in de sloot aan de overkant, en roept naar iedereen, vooral naar de meiden, en als er een voorbijkomt met de fiets aan de hand, dan zegt hij ‘zozo, lekke band?’ maar redding is van hem niet te verwachten, dat ziet zo`n meisje in één oogopslag. Zijn ogen schieten heen en weer, hij gebaart als iemand die alles aan wil pakken, hij praat aan één stuk door, maar al dat bewegen, van die ogen, die mond, die armen en benen, dient alleen voor dat bewegen zelf, wordt nergens nuttig voor gebruikt, nergens op overgebracht: een gesloten circuit van nutteloze, alleen voor zichzelf dienende energie. En als hij dan toch uit zijn slof schiet, gaat hij iets belachelijks doen op een belachelijke plaats: houtjes voor de kachel hakken midden in de zomer en midden in de keuken, ‘want het kan al flink koud worden ‘s avonds voor jou en het kind,’ zegt hij terwijl de spaanders door de keuken vliegen, en jij denkt dan: hij bedoelt het goed.”

            Hanna Bosmans en de oudste dochter van Meijer schieten in de lach maar kijken ook verbaasd naar Hanna Knietel, zo`n woordenstroom, daar is over nagedacht. Die Hanna heeft goed naar Adri de Laat gekeken, of was dat niet eens nodig, zag ze al gauw de overeenkomsten met haar eigen man en wist ze wat voor vlees ze in de kuip had?

            “Weten jullie nog toen dat kind zoek was?” zegt de oudste dochter van Meijer met haar zware stem, en natuurlijk weten ze dat nog maar ze willen het opnieuw horen, gewoon voor het plezier, en misschien zijn er toch dingen bij die ze vergeten zijn. Maar eerst willen ze het over het varken hebben, want dat is een fenomeen op zich. En ze weten ook waar ze uit zullen komen met hun verhalen, want ze zijn niet voor niks begonnen met te vertellen hoe Adri thuiskomt op zijn brommer. Het geeft allemaal niks, het is het verhaal van een lach en een traan, zoals alles in het leven, als je tenminste oog hebt voor die lach. Maar eerst het varken.
(pag. 149 -156)

Het varken

Het varken is net zo min als de andere dieren bij de familie Weels een troeteldier. Niemand zal het in zijn hoofd halen het varken, zelfs het biggetje, aan te halen. De kippen zijn vanzelfsprekend geen troeteldieren, de konijnen ook niet, en zelfs het hondje Blacky was dat niet toen het er nog was.

            Het varken is iets waar je voor moet zorgen. Elke dag moet er een etensprak gemaakt worden, en net als voor de konijnen en kippen staat Leo erop dat er elke dag vers gras geplukt wordt. Dat moet van de straatkanten komen, van bij de sloot aan de overkant of van de zijkanten van het paadje, openbaar groen dus. Er moet ook regelmatig stro in zijn hok toegevoegd worden. En soms dient het hele zooitje ververst te worden. Maar gelukkig doet Leo dat meestal zelf.

            Na het slachten bestaat het varken uit spek, dat elke dag, met sop! – saus, jus – klaarstaat als je uit de kerk komt en dat ook koud op het brood erg lekker is en dat je mee naar school of naar het werk kunt nemen of thuis tussendoor kunt eten. Verder bestaat het varken uit bloedworst om te bakken en droge worst, uit ham die bij tante Jo of bij een boer in de schouw gerookt wordt (de boer is een verzekeringsklant), uit kaantjes om uit te bakken die, net als de stukken zout smakend vlees en gehakt, uit weckpotten met wit vet komen. Het varken bij de familie Weels bestaat vreemd genoeg, ontdekt Jan later, niet uit karbonades en gekookte ham. Gekookte ham eet hij voor het eerst bij tante Jo, die altijd komt helpen, dat wil zeggen de leiding neemt, als het varken geslacht wordt. En karbonades leert hij pas later kennen, bij de slager of de super­markt.

            Om het varken te mogen slachten heb je de keurmeester nodig. De keurmeester draagt een smetteloos witte doktersjas en een wit overhemd met stropdas. Zijn haar zit gepommadeerd in een scheiding en hij zet een leesbril met een zwaar montuur op en af. Hij laat de familie in zenuwachtige spanning. Is het varken gezond om te worden geslacht? Is er vlees voor de winter? Of zal de rekening bij de slager tot aan de driemaande­lijkse kinderbijslag hoog oplopen?

            De slachter draagt een vlekkerig witte doktersjas. Hij drukt een pistool tegen de kop van het varken, dat erg gegild heeft toen het op het binnenplaatsje werd gebracht, schiet een pin in de kop en snijdt meteen de keel open, waarbij het varken wat omhooggehouden wordt zodat tante Jo het bloed kan opvangen in een witte, emaillen wasbak. De zusjes van Jan hebben gezorgd dat ze niet thuis waren en eten trouwens geen bloed­worst.

            Het varken wordt op de ladder gelegd en aan zijn poten vastgebonden. Met man en macht wordt het overeind getrok­ken en schuin tegen een muur gezet, het varken is gekruisigd. Dan wordt het van boven tot onder opengesneden. ’s Avonds wordt de ladder met het varken, waarschijnlijk nadat de inge­wanden zijn verwijderd, in de keuken geplaatst, waardoor de deur van keuken naar gang zeker een dag en een nacht is versperd. Ook is het waarschijnlijk dat de darmen eerst worden schoongemaakt en gekookt voor de worst erin wordt gepropt. Voor de worst en het gehakt heeft tante Jo haar vleesmolen meegebracht die ze zelf driftig bedient. Het slachten en het verwerken van het varken nemen een paar dagen in beslag.

            Een dood varken is iets doodgewoons. Tenminste als het dood is omdat het geslacht is. Een varken dat gewoon dood gaat is een ramp.

            Op een dag ligt het varken van de familie Weels levenloos in het hok. Anneke huilde alsof het om een dood kind ging. Even was er nog hoop dat het gezond was gestorven: een hartaanval of een hersenbloeding, dat kan toch, zeiden de buren.

            De keurmeester liet een halve dag op zich wachten. Toen keurde hij het varken af om geslacht en opgegeten te worden.

“Het zijn altijd de arme mensen die ze moeten hebben,” zei Anneke. Iedereen kwam haar geld brengen, een rijksdaalder, vijf gulden, een tientje, zo hadden ze met haar te doen.

            Moest de familie Weels wel een nieuwe big kopen, hem een heel jaar vetmesten en opnieuw het risico lopen dat het varken ziek werd en doodging? Eerst werd er daarom een verzekering op het varken afgesloten. Dan een nieuwe big aange­schaft, Leo haalde hem op in Sas, in een mand achter op de fiets. Maar deze winter was er dus geen vlees.
(pag. 157 – 159)

(Uit Aan de Lange Weg van Meurs A.M. 1e druk 2004, 3e, door Ufuk Kobas geïllustreerde druk 2009)
(Zie 1e deel)

Kaft 3e, door Ufuk Kobas geïllustreerde 3e druk 2009


Kaft 1e druk 2004

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *