20 Jaar geleden stierf MOEMOE

20 Jaar geleden stierf MOEMOE
Dat kwam zo in Aan de Lange Weg terecht:

<Dan moemoe. Die ging zoals ze zesentachtig jaar geleefd had, rustig haar plicht doend, en vooral zonder ophef. Hoewel, spectaculair was haar dood toch heel even, in ieder geval van dichtbij. Haar temperatuur steeg tot ongekende hoogte, tot drieënveertig graden. De digitale thermometer sprong stuk en ook twee haastig opgehaalde gewone thermometers begaven het. Toen zuchtte ze en was dood. Buiten de paar vierkante meter van de ziekenhuiskamer had niemand iets gemerkt, zelfs de vrouw in het bed naast haar sliep rustig door. Maar A.M. luisterde, nadat hij haar dood telefonisch had doorgekregen, vijftig kilometer daarvandaan naar de radio en merkte dat hij verwachtte dat ze haar overlijden bij het nieuws zouden melden. Hij hield dat zo een paar dagen.>

Uit het hoofdstuk: ER VALLEN WEL VEEL DODEN: https://meursam.nl/?p=1163

DE VROUWEN VAN DE EERSTE HUIZEN: ER VALLEN WEL VEEL DODEN… SCHRIJVEN TEGEN DE VOORUITGANG? ‘MIJN ZOON IS DOOD!’ JAMMERT HANNA BOSMANS VAN DE EERSTE HUIZEN
Op facebook met foto’s en bijbehorende hoofdstukken/ verhalen: https://www.facebook.com/ton.meurs.7/posts/3851029394916030

De dood van mijn vader

(in mijn ‘werk’)


6 juli 2021
Vandaag is het 45 jaar geleden dat mijn vader, Theo (Theet) Meurs overleed. Zijn dood beschreef ik kort in het hoorspel De Gekke Onderwijzer. Naar aanleiding van het verschijnen van het boek Spelen met 4 theaterstukken, waaronder dat hoorspel, maakte ik een Theaterspecial van mijn literair kladschrift HetWerk43 uit 2006 met als titel De dood in vele gedaanten. Zie hieronder Waar de doden vandaan komen, de inleiding en de uitleg bij deze special, eveneens in HetWerk43.
De eerste dode over wie ik daar schreef was mijn vader. Theet Meurs werd geboren op 29 juni 1906 in Gelderland. In 1929 verhuisde hij naar Veldhoven in Noordbrabant. Daar bleef hij wonen tot aan zijn dood. Theet staat model voor Leo Weels in de roman Aan de Lange Weg.

Mijn vader

De dood van mijn vader was puur drama, en dat was het ook zowel ervoor als erna. Hij was bezig zijn horloge aan zijn grote teen te doen. Daar kun je om lachen. Maar daaraan zag mijn moeder dat het mis was. Hij wilde zich aankleden om naar het ziekenhuis te gaan voor controle. Na jarenlange pijn was hij aan zijn been geopereerd en nu ging het beter. De dag ervoor had hij zijn zeventigste verjaardag gevierd. Hij overleefde die eerste hartaanval. Als hij niet binnen vijf dagen een nieuwe zou krijgen, was de kans groot dat hij er weer bovenop zou komen. Op de vierde dag mocht hij van de intensive care. Aan de tafel in de ziekenhuiskamer zaten drie kamergenoten klaar om te gaan kaarten. Ze zeiden: “Theet, kom je?” Toen hij niet reageerde en ze naar hem keken zat hij dood in de kussens.

De acht kinderen hadden onderling contact over de bezoekregeling. Er waren nog geen mobiele telefoons. Men wist wanneer wij kwamen. Mijn broer kon me daarom al op het station opvangen.

Een van mijn zussen had minder geluk. Op haar ervaring is het begin van de scène hiernaast gebaseerd.

Wanneer iemand zei: “Nou ja, zeventig,” dan werden we kwaad, want we hadden helemaal niet het idee dat hij oud was, bovendien was hij het pas net. Op zijn zevenenvijftigste had hij op de bouw moeten stoppen vanwege de pijn in zijn heup en benen. Zijn collega’s moesten hem op zijn brommer zetten en hem aanduwen. Thuis stapte hij af door zich met brommer en al tegen de muur van het smalle gangetje tussen de woningen te laten zakken.

Toen hij na jarenlang gesukkel en pijn geopereerd was, leek hij van zijn oude dag te kunnen gaan genieten. Hij werd ook milder, zijn humor kwam boven, misschien door de afwezigheid van pijn.

Ik woonde al acht jaar in Amsterdam. Hij was nooit op bezoek geweest. Misschien wilde hij niet weten dat ik ongehuwd samenwoonde. Een paar weken voor zijn dood kwam hij opeens. Had hij iets voelen aankomen?, denk je dan achteraf.

Door zijn plotselinge dood was de eerste week van onze vakantie komen te vervallen. Kort na de begrafenis zaten we op een zondagochtend in de brandende zon op een paard dat in de Franse heuvels achter andere paarden met ruiters aan sukkelde. Toen er een kerkklok begon te luiden kreeg ik het te kwaad.

Hij heeft maar twee van zijn acht kleinkinderen gekend. De zelfmoord van zijn dochter is hem bespaard gebleven. Het heeft jaren geduurd voor ik in staat was de scène van hiernaast op te schrijven.

GEKKE ONDERWIJZER: (normale stem, wel enigszins ge­jaagd)
Ik kwam op bezoek
wist van niks
hij was niet op zaal
ga zuster zoeken
trek gordijnen opzij
stoot op hem:
dood! (
wacht)
dat bleke gezicht
de ogen een beetje open
ik gil het uit…
(
stilte)
maar even later
als de anderen erbij zijn
is zijn voorhoofd ijskoud
aan mijn lippen

en wij staan daar verbijsterd
in dat rommelhok
waar een paar te snel
dichtgetrokken gordijnen
mijn vader afscheiden
van de dingen die alleen
met elkaar gemeen hebben
nergens anders een plaats te hebben
en ik schop woedend tegen een bed
als een priester profiteert:
‘heer, zie de droefheid van deze mensen’
en schreeuw: ‘sodemieter op!’
en het deed me goed te horen
dat hij die zo vroom was
al die dagen op de hartbewaking
niet naar een priester had getaald.

(uit De Gekke Onderwijzer, pag. 116, 117)

Uit:
HetWerk
(toen nog!) Maandelijks literair kladschrift van Meurs A.M.
9e Jaargang
Nr.43, 24 januari 2006
www.meursam.nl
hetwerkliterair@hotmail.com

Waar de doden vandaan komen

Dit is een theaterspecial die ik heb gemaakt ter gelegenheid van de ver­schijning van mijn boek Spelen. Dat wil in dit geval zeggen dat hij over mijn toneelstukken gaat. Maar het gaat niet over toneel. Het gaat over de tekst. Over de dood in de tekst dwars door alle toneelstukken heen. Vaak is het de dood van familieleden, van bekenden van mij, de schrijver van de stukken. En het personage dat over de dood van zijn vader vertelt, die in feite de dood van mijn vader is, is een totaal ander karakter dan het personage dat over de dood van zijn moeder, die in feite mijn moeder is, vertelt. Ze zitten niet eens in hetzelfde stuk en ze zijn ook geen familie van elkaar. Wat betekent dat? Dat betekent dat ik totaal verschillende karakters in totaal verschillende omstandigheden een stukje uit mijn le­ven, een stukje dood uit mijn leven heb meegegeven. Zo ver ben ik ge­gaan om me in het karakter in te leven. En toch zijn deze karakters geen alter ego’s. (Zie het voorwoord uit het boek Spelen dat achter in dit nummer van HetWerk staat.)

Dit nummer van HetWerk gaat over de dood in vele gedaanten. Dat is een mooie uitdrukking, mooier dan de dood in vele vormen of op veel manieren. Gedaante maakt de dood tot een levend wezen: de man met de zeis, Pietje de dood. De tuinman en de dood. Ispahan. De dood als meisje van acht. Ook prachtig. “Tenslotte werd zij de moeder van te veel dode kinderen.” Heel mooi. Over de net gestorven moeder, die het niet meer zag zitten toen ze vier van haar, ik meen, zeven kinderen had overleefd. De dood in deze, zojuist genoemde gedaanten komt niet voor in mijn toneelstukken.

De dood heeft in mijn toneelstukken, en dus ook in dit nummer van
HetWerk, wel de gedaante van mijn vader, mijn moeder, mijn zus, mijn oom, van de dichter Frans Babylon, verschillende buurvrouwen en enkele andere doden die ik niet persoonlijk gekend heb. Ten opzichte van het boek zijn er in dit nummer van HetWerk zelfs weer enkele doden bij gekomen, zoals mijn buurman, de filmmaker Emil Busurcã. De dood in de gedaante van de doden, de dood soms ook in de gedaante van de daders. De on­verwachte en de gewenste dood, de dood als ouderdom, de dood als moord. De moord op eigen houtje, de moord van staatswege, met het recht en God aan zijn kant. De dood als oorlog, de dood als genocide. De zelf gewenste dood, de zelfmoord, de dood als verlossing.

Ik was me er niet van bewust, en ik was zeker niet van plan, dat het hoorspel De Gekke Onderwijzer over de dood zou gaan, ik wilde oor­spronkelijk gewoon die onderwijzer in de kerk en in zijn bibliotheek laten zien.

Voor de stukken zelf is het niet zo interessant waar de doden vandaan komen, ze hebben gewoon hun functie in het stuk. Maar ik moet toege­ven dat je niet zomaar iemand de dood van je vader of moeder laat ver­tellen, als waren het zijn vader en moeder. Als we het over het stuk
Srebrenica of de mandaad hebben: ik ben geen bewonderaar van de Oudere Militair, ik vind het een beetje een lul, maar wel van een lulligheid die ook bij onszelf altijd op de loer ligt. Hij “mag” wel de dood van mijn/zijn moeder vertellen. Het is volkomen ondenkbaar dat de Vluchte­ling/Generaal uit hetzelfde stuk dat zou mogen of een bruut als soldaat Herman.

Is het voor de toneelstukken zelf niet zo interessant, voor HetWerk, dat niet alleen de proeftuin is voor nieuw werk maar ook achtergrond wil ge­ven bij geschreven werk, kan wel de keuze gemaakt worden om aan te geven, op de eerste plaats, dat die doden in vele gedaanten er zijn en, op de tweede plaats, waar ze vandaan komen.

Temeer omdat de schrijver zelf zich daar ook eerst van bewust moest worden.

Spelen, 4 theaterstukken van Meurs A.M.
Aan de Lange Weg, roman