De Engelse spionne (uit Aan de Lange Weg)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

JOSJE

Harry zagen we in de oorlog niet vaak thuis. Hij moest in verband met de arbeidsdienst uit handen van de Duitsers zien te blijven, hij zat een tijd ondergedoken in Drenthe, terwijl Cor en zijn broer uit Drenthe juist weer hier in Brabant ondergedoken zaten. Harry slachtte illegaal bij de boeren in de omgeving. Tot het fout ging en hij in concentratiekamp Vught terechtkwam. Of hij daaruit ontsnapt is of dat ze hem hebben vrijgelaten, weet ik niet, hij kwam er in ieder geval vel over been uit. Nu is hij druk met het opbrengen van collaborateurs. Als hij thuis komt, moet een van ons aardappelen voor hem bakken, want hij eet niets anders dan gebakken aardappelen, nauwelijks vlees. Vreemd voor een slager, zou je zeggen.

           Ik maak me weer eens ongerust over Ferrie. Hij reed eerst rond in een Rode Kruiswagen. Goed, dat is zijn werk. Maar nu heeft hij het voor elkaar dat dokter Wouters in de Rode Kruiswagen rijdt en hijzelf in de auto van de dokter. Zo schijnen ze allebei goedkoop aan benzine te kunnen komen. En Ferrie vindt het natuurlijk prachtig in een luxe auto te kunnen rijden. Maar dat is niet waar ik me het meest ongerust over maak. Hij is stapelgek op een mysterieuze vrouw die opeens is opgedoken en die alleen Engels spreekt en van iedereen geld leent. En nu willen ze nog gaan trouwen ook. Het ergst vind ik nog dat ze zo vaak bij ons op de meisjeskamer blijft slapen. Ik vertrouw haar voor geen cent.

“Wat ben je onrustig,” zeg ik. “Een vrouw van de wereld als jij.” Ik praat Engels maar slecht Engels, eigenlijk gooi ik er alleen maar zo nu en dan een woordje min of meer Engels tussendoor, zoals iedereen van wie ze geld geleend heeft en die ze toch heel goed duidelijk heeft kunnen maken wat ze wil. En ze verstaat me prima, weet ik, al doet ze net of ze niets verstaat als we onder elkaar praten en dat woordje Engels er niet tussendoor gooien.

            “’t Is vast niet je eerste huwelijk,” zeg ik. “Waarom moet jij nou nog zenuwachtig zijn? ’t Is maar met een boerenpummel dat je vandaag trouwt. Wil je soms helpen om alles voor de plechtigheid in gereedheid te brengen? Nou, dat is al lang voor elkaar hoor. De rode loper ligt al vanaf het hotel dwars over straat naar de kerk aan de overkant. Moet je soms ergens anders voor weg?”

            Dan zegt mijn zus Ria: “Ik ben het die weg moet. Ik moet naar de mis maar ik kan niet want ik heb vreselijke buikpijn.”

            “Je hebt straks meer dan mis genoeg,” zeg ik, “als deze deftige dame hier met onze onnozele broer in het huwelijk treedt. Dat wordt een plechtigheid waar dat vroegmisje van jou niet tegenop kan.”

            “Je begrijpt het niet,” zegt Ria. “Die mis straks is er een voor haar en onze broer. Die van nu is er een speciaal voor mij, een Maria-mis. Ik heet Maria, weet je nog?”

            “Zal ik voor jou gaan?” zegt de deftige Engelse dame gretig. “Ik kan op zo`n dag wel wat extra gebeden gebruiken.”

            Ze zegt het in het Engels en wat simpeler, we begrijpen het prima. Zowel zij als mijn zus gaan elke dag naar de kerk, mijn zus lijkt geen betere vervangster te kunnen treffen. En zo geraakt de aanstaande bruid toch de deur uit en leent in de gauwigheid even mijn hoed en sjaal.

Maar een paar maanden later vind ik haar, de Engelse spionne zoals ze wordt genoemd, én mijn hoed en sjaal terug op het politiebureau. Ze ziet er goed uit, slank, en ze spreekt nu opeens vloeiend Nederlands. Ik sta daar samen met ons melkboertje in zijn grijze melkboerenjasje en op zijn klompen, van hem heeft ze namelijk ook geld geleend. Ik ben een van de weinigen van wie ze geen geld geleend heeft, alleen maar een hoed en een sjaal. Waarom ben ik daar dan? Toch niet voor die hoed en sjaal. Ik had gehoord dat ze in Amsterdam was opgepakt en in Eindhoven vast zat wegens oplichterij. Ik wilde haar gewoon eens zien in haar huidige situatie en haar nog eens vertellen dat ik haar nooit had vertrouwd en dat ze mijn broer Ferrie lelijk had laten zitten maar dat dat mij niks had verbaasd. Ik was weer eens uit op sensatie, denk ik.

            “Bad boy,” zegt ze als ik over Ferrie begin. Het heeft wel iets, vind ik, zoals ik daar sta met die oplichtster die het allemaal lichamelijk geen kwaad lijkt te hebben gedaan en dat melkboertje dat nog een keer zegt: “En mijn geld?” maar ook wel begint te begrijpen dat hij er naar kan fluiten.

            Vooraanstaande Philipsmensen waren erin getrapt, dus niet alleen onze familie en mensen uit het dorp. Mijn broer Harry die op collaborateurs en spionnen jaagt was er ingetrapt. Zelfs mijn zwager in Gelderland, die net als mijn broer Leo in verzekeringen doet maar op een heel andere manier, en die al heel wat mensen een verzekering heeft aangesmeerd die ze niet nodig hebben en die bovendien niet van de borsten van zijn schoonzusjes kan afblijven. De halve Lange Weg had geld aan haar geleend en we gingen met zijn allen naar het Engelse consulaat om dat geld terug te halen. Veel meer dan de informatie dat ze de identiteit had aangenomen van een Engelse van adel waarmee ze in de cel had gezeten, kregen we niet. Maar ik vond het heel interessant, nu begreep ik hoe ze aan die documenten kwam. Ze kreeg extra voedselbonnen, met een stempel van het consulaat. Ze zou een erfenis uit Engeland krijgen, had ze iedereen verteld, maar eerst moest ze nog…

            Ik had wel te doen met Ferrie. Hoewel ik hem vaak had gewaarschuwd. Hij huilde en jammerde toen ze niet terugkwam uit de kerk. Hij had alles betaald. Daar stond de hele familie op haar paasbest bij de rode loper die dwars over de weg vanaf het hotel tot aan de kerkdeur lag. Ferrie ging zoeken bij de Dommel, hoewel we hoorden dat iemand haar in een auto had zien stappen. Een ongeluk, een vermissing, zelfmoord? Wij zoeken altijd bij de Dommel, dat schijnbaar onschuldige riviertje, maar dat op enkele plaatsen venijnig diep schijnt te zijn, om over de levensgevaarlijke draaikolken in sommige bochten maar niet te spreken. Ook toen Ferrie gehoord had dat ze gearresteerd was, zei hij nog steeds van haar te houden, van zijn geliefde die met haar ogen dicht typte en zeven talen kende. Maar geen Nederlands in de tijd dat ze bij ons thuis kwam.

            Ik moet er wel om lachen. Zoals ik al zei: het meest last heb ik nog gehad van het feit dat ze altijd bij ons op de meisjeskamer moest slapen als Ferrie haar mee naar huis nam.

            Ferrie is er trouwens ook al overheen, hij bracht gisteren achter op de motor vanuit Nijmegen een meisje van zeventien met een heel kort rokje mee naar huis. Daar gaat hij nu, op zijn negenentwintigste, mee trouwen, zegt hij. Ze heeft al bij ons op de meisjeskamer geslapen.

Nu de oorlog voorbij is, blijkt het toch allemaal niet zo eenvoudig, voor mij en voor mijn zus Ria tenminste. Voor Ferrie wel, voor hem was het leven altijd simpel geweest. Hij trouwt binnen de kortste keren met het meisje van zeventien met het korte rokje waar iedereen het over had: hoe ze zo achter op de motor en bij ons op de divan durfde zitten!

            “Dat kan toch niet!” Ria is me achterna gelopen naar de keuken. “Je kijkt door haar keelholte weer naar buiten.” Ze is een beetje vroom en een beetje preuts, mijn zus Ria.

            “Ik kan me er niet druk over maken,” zeg ik, “wij kunnen er toch wel tegen? En ik kan me niet voorstellen dat Ferrie iets ziet dat hij al niet eerder gezien heeft, en wat betreft vader: gun die ouwe ook eens wat!”

            “Ik geef die twee zes weken,” zei een buurvrouw die er kijk op had. En inderdaad trouwen ze binnen een paar maanden, maar Ferrie is ook al negenentwintig en dan heb je geen zin om lang te wachten, ook al is zij pas zeventien. De baby is een meisje.

(uit Aan de Lange Weg van Meurs A.M.)

1948: Aan Josje danken we de 10.000ste inwoner van het Dorp Aan de lange Weg

Josje
(…)

(uit VELDHOVEN 4000 jaar geschiedenis van Oerle, Meerveldhoven, Veldhoven en Zeelst doorJacques Bijnen

Voor wíj trouwen wil Cor katholiek worden.

            “Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen,” zegt de pastoor. Maar als ik dan zeg: “O, dan word ik maar niks of protestant” – ik weet niet eens wat ze bij Cor thuis eigenlijk zijn – dan is dat ook weer niet goed, het mag blijkbaar maar één kant op gebruikt worden. Voor mij hoeft het niet, voor mij mag hij blijven zoals hij is, maar katholiek worden maakt het trouwen en de discussie in de familie wel eenvoudiger. Er gaat wel weer een tijd overheen voor Cor genoeg weet over het geloof om toegelaten te worden. Nou, als ze mij al die dingen zouden vragen, zou ik ze ook niet weten, dus wat doet die pastoor nou allemaal moeilijk. Het gaat er toch om hoe je vanbinnen bent, of niet soms?

            Het is dus allemaal niet zo eenvoudig. Als ik trouw en het huis uit ga, blijft Ria achter om voor vader en het huishouden te zorgen, terwijl zij ouder is en dus eigenlijk het eerste recht heeft om te trouwen. Maar ze wil voor het zover is nog wat van het leven genieten, ze vindt dat ze daar in de oorlog te weinig kans voor heeft gehad. En voor de oorlog was het crisistijd en zijn we van Gelderland naar Brabant verhuisd net toen zij de leeftijd begon te krijgen om uit te gaan. Nee, Ria wil nog een poosje lekker gaan dansen, ze is gek op jongens met zwart haar.

            We gaan altijd samen, zeker als we naar de stad gaan. Het zijn nu allemaal Engelsen en Canadezen in de danszalen. Een Canadees blijft maar “Prommes?” aan me vragen. Ik versta er niks van. Ik vraag aan iemand wat “prommes?” betekent. Dan begrijp ik dat ik had moeten beloven dat hij me zou terugzien. Cor komt daar ook wel, maar vaak wat later. Met hem dans ik ook, maar het gaat toch niet zo goed als met sommige anderen. Ik houd er vooral van om met jongens die dat goed kunnen de Engelse wals te dansen.

            Engelse wals mocht je in de oorlog niet zeggen, je moest zeggen: langzame wals. Maar je versprak je natuurlijk wel eens. Ook liet ik me wel eens iets ontvallen als “Die rot­mof!” en dan stond er weer zo eentje naast je met een speldje achter zijn revers. De Duitse soldaten sloegen gretig, nee niet met knuppels, dat deden ze wel bij andere soldaten of bij dronken Nederlanders die de boel op stelten zetten. Nee, het liefst met de vlakke hand tegen je kont, dat deden ze graag, dat vonden ze zeker lekker. Och, dacht ik dan, het is maar tegen mijn kont, dat gaat wel weer over. Ik hield er nu eenmaal van om een grapje te maken en streken uit te halen. Ria was altijd al serieuzer, maar ze lachte meestal wel als ik iets uithaalde.

            Je kon alleen in het begin van de oorlog nog in het patronaat dansen. Daar dansten ook Duitse soldaten die in het patronaat of bij de mensen thuis ingekwartierd lagen. Ik kwam er een Duitser tegen die iemand kende uit mijn geboortedorp aan de Duitse grens en die me eten bezorgde. Maar daar kregen Ria en ik ook de naam dat we niet met Duitsers wilden dansen. Terwijl we alleen maar geweigerd hadden omdat we net hadden afgesproken om de volgende dans samen te doen. We dansten vaak samen.

            Maar dat dansen was alleen in het begin van de oorlog. Daarna kon je alleen nog in Duitse gelegenheden terecht en daar wilden we niet naar toe. Hoewel ik me voor de rest niet zo bewust was van wat er allemaal gebeurde, ik hield meer van flauwekul maken. Ik had het bijvoorbeeld niet door wat het betekende toen de Duitser Knal, die bij ons ingekwartierd was, zei dat er iets gebeurd was op het vliegveld en eraan toevoegde: “So ein ganz kleiner Judenbengel hat Steine gewor­fen.”

            Vóór de oorlog ging ik nog niet dansen. Vader liet me niet gaan. Bovendien zag ik er een stuk jonger uit dan ik in werkelijkheid was. Dus dansen was er jarenlang niet bij geweest. Je kwam als jongere in de oorlog wel bij Leens Cafetaria. Dat was waar ik voor de deur door de zoon van de geitenboer, net als zijn vader een NSB’er, in elkaar was geslagen. Bij de bevrij­ding heeft mijn broer Harry die bij de PAN, de partizanen, was, de geitenboer opgehaald, deze kwam net met een koe uit de wei. Harry heeft veel collaborateurs opgebracht en waar­schijnlijk daarom dacht vrouw Nieuwenhuis dat hij ook de hand had gehad in de arrestatie van haar man. Ze riep: “Be­dankt, hoor!” toen hij voorbij fietste.

“Niks te danken!” riep hij terug, maar hij wist niet wat zij bedoelde. En ook ik had Nieuwenhuis niet aangegeven, hoewel hij op het vliegveld voor de Duitsers had gewerkt en mij bij de fietstocht naar het werk in de stad vaak getreiterd had met de superioriteit van de Duitsers en zich Neuenhaus noemde en mij bij de bevrijding een kunstje had geflikt. Ik zou dat nooit doen, een vader van zo`n groot gezin, met al die kinderen thuis, ik kan er wel om janken als ik eraan denk. Nee, ik zou zoiets nooit doen. En Harry ook niet. Bovendien was een van de zoons van Nieuwenhuis zelf bij de PAN.

Maar nu kunnen we volop dansen, Ria en ik, we gaan de danszalen af en genieten. Nu, al boven de vijfentwintig, zijn we eindelijk jong. Cor en ik kunnen nog niet trouwen en Ria wil nog geen verkering, laat staan dat ze wil trouwen. We genieten van onze jeugd, van onze lichamen. Ria loopt op zeer hoge hakken, ik heb dat nooit goed gekund, dus doe het met wat minder. Het is de tijd van jurken met blote schouders, van de dunne schouderbandjes, soms wel drie paar, van je jurk, je onderjurk en je bustehouder. BH zei je toen nog niet. Tijdens het dansen vallen de bandjes van je schouder.

            “Bandenpech!” grappen de jongens. We willen onze okselharen scheren, maar we weten dat vader dat niet goed zal vinden. Bovendien schijnt het erg ongezond te zijn.

            Twee jaar lang genieten we. Natuurlijk, we gaan ook naar ons werk en doen het huishouden, zorgen voor vader, en gaan helpen bij onze broers en zusters als er kinderen worden geboren. Dat zijn er veel in die eerste jaren na de oorlog, dat is bekend. En wij waren thuis al met ons tienen. Ik blijf meestal in de buurt, zoals bij Anneke en Leo en bij Harry en zijn vrouw Mia. Ria zit vaak wekenlang in Gelderland. Maar ze probeert toch in de weekeinden thuis te zijn en dan gaan we op stap.

De pret is opeens voorbij als ik zwanger raak. Van één keer! Natuurlijk was het al die jaren niet makkelijk geweest, zeker voor Cor niet toen ons huwelijk steeds uitgesteld werd, maar we hadden het nooit gedaan. Tot er iets in Cor zijn familie gebeurde waardoor hij erg in de put zat, wekenlang. Toen heb ik hem willen troosten. Met het bekende gevolg. Het zou nog niet zo erg geweest zijn als niet heel de familie er doodziek van was geweest. Cor krijgt van iedereen te horen: hoe heb je dat nu kunnen doen! En hij begint dan steevast te huilen. Kortom, een drama omdat iedereen het zo opklopt.

            Het slaat ook over op mij. Het is lente, maar geen vrolijke lente. Het groen is overal onbeschaamd opgeschoten, het is veel te fel groen, bijna blauw. Ik heb een hekel aan mijn lichaam. Ik verafschuw mijn eigen geur. Ik haat het schaamhaar dat uit mijn directoire krult. Wat een naam, directoire, bah, ik kan er niet om lachen. Ik zweet, natte slierten onder mijn oksels. Vooral haat ik mijn dikke buik. Hoe heeft het zover kunnen komen!

            Ik zit bij Cor achterop de fiets en wil eraf springen, recht onder de vrachtwagen die aan komt rijden. Cor voelt het en pakt mijn arm vast.

            “Niet doen,” zegt hij, “ik kan je niet missen, we komen hier samen doorheen.”

            Vanaf dat moment ben ik er eigenlijk overheen. Het zijn niet wijzelf, denk ik, die er mee zitten, het is wat we ons door anderen aan laten praten.

            Alleen juist de preutse en vrome Ria heeft me al die tijd gesteund. Maar door al het gedoe, eerst Ria die eigenlijk vóór mij zou moeten trouwen maar liever nog wat van haar jeugd wil genieten, vervolgens de voorwaarde dat Cor eerst een volwaardig katholiek moet worden, is ons huwelijk wel erg lang uitgesteld. Dan komt ook nog mijn vader te overlijden. Tien dagen na zijn dood trouwen we dan eindelijk. Drie maanden later krijgen we een flinke dochter.

            Als er nog iemand in het Dorp Aan de Lange Weg is die niet weet dat ons huwelijk een moetje is, dan weet die het nu. Want als onze dochter geboren wordt, komt burgemeester Van Tuin – ja, hij nog steeds – haar huldigen, is er feest en natuurlijk een wielerwedstrijd, want ons kind is de tienduizendste inwoner van de gemeente. Hiephiephoera!

En eigenlijk valt er hierna over mij niet meer zoveel te vertellen. Ik krijg in vijftien jaar elf kinderen. Cor is een ideale, geëmancipeerde echtgenoot, al voordat dat woord bestond. We hadden geen kind minder willen hebben. Iedereen blijft gezond en we lachen erg veel in ons grote gezin.

            Het drama waar ik het nog over wil hebben begint in Gelderland, ruim een jaar na de geboorte van mijn eerste kind. Ria is in huis bij een van onze zussen die een baby heeft gehad. Die zus overlijdt aan trombose, tien dagen na de geboorte. Trombose? Iedereen krijgt trombose, wie overlijdt er nu aan trombose! Ik ben woedend.

            Ria blijft plichtsgetrouw het moederloze gezin van zes kinderen ondersteunen. Zo nu en dan komt ze een weekeind naar huis om op adem te komen, huilt bij mij uit en gaat met lood in de schoenen terug naar Gelderland. Haar jeugd is voorbij en de jongens met zwart haar zijn volkomen uit beeld. Toch hoopt ze de eerste jaren nog dat, als de kinderen wat groter zijn, ze weer haar eigen leven kan gaan leiden, want natuurlijk houdt ze van die kinderen die ze nu grootbrengt maar toch…

            Ze helpt jarenlang zo plichtsgetrouw dat haar zwager bij wie ze in huis is gaat denken dat ze het voor hem doet. Ontkennen helpt niet, hij is ervan overtuigd dat hij helemaal aan haar wens voldoet als hij haar ten huwelijk vraagt. Na maanden huilen tijdens de weekeinden in Brabant stemt ze toe.            
Nog kan ik in janken uitbarsten van medelijden als ik eraan denk hoe op haar eenendertigste het leven met mijn zus aan de haal is gegaan. Ze sterft op haar tweeënvijftigste.

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)

Over ruilverkaveling en van keuterboeren naar megastallen in Aan de lange weg

Scènes uit de 60-er jaren bij Hotel/Café Den Os

DE VROUWEN VAN DE EERSTE HUIZEN in OP DE THEE BIJ ANNEKE

Als je meer wilt weten, moet je het aan boer Vrieskens vragen die daar tegenover woont en van wie het land was dat tussen hem en de Lange Weg ligt. Hij schijnt het voor een goede prijs aan de gemeente verkocht te hebben. En zelf mag hij aan de zuid­kant van het dorp voor een appel en een ei opnieuw gaan boeren. Ze hebben voor die boeren zelfs de Run gekanaliseerd.

            Maar als je nog meer wil weten, kun je het ook aan die mannen in de korte broek vragen die, als ze niet rondfietsen, bij hotel/café Den Os zitten. Die mannen lijken het er niet zo mee eens te zijn. Zeker niet nu ze ontdekt hebben dat een van die boeren voor wie de gemeente zoveel kosten heeft gemaakt, gewoon een grote schuur met honderden varkens heeft neerge­zet en alleen nog maar wat maïs en bieten verbouwt en zijn mest niet kwijt kan, en dat soms opeens de sloten daar in de buurt keihard beginnen te stromen – een nieuwe omlegging van de Gender, denk je eerst nog – maar de boer is bezig zijn gierkel­ders leeg te pompen.

(UIT OP CAFÉ EEN, De bezoekers van hotel/café Den Os aan het woord)

Teun is niet de enige, er zijn meer van die fietsers. Maar die zijn wat meer verdacht. Die dragen vaak een korte broek en dat vinden we gek bij ons in het dorp. Niet dat ze bij hotel/café Den Os ooit iemand lastig vallen – ze zouden het bij de vaste bezoekers al niet moeten proberen! – maar we vermoeden toch dat ze op de fiets en met die korte broek achter de jongens aan zitten. Waarom anders die korte broek?

            Maar ze weten alles, de fietsers, alles van en rond het dorp. Van de Gender, de nieuwe en de oude. En zoals iedereen die hem gekend heeft zweren ze bij de oude Gender, die van voor de omlegging. Daar zat nog vanalles in, die leefde nog. Er zijn nog een paar stukken van over, na hevige regen staat er soms zelfs weer wat water in. De nieuwe Gender is alleen op zondag, wanneer de wasserijen en weverijen stil liggen, nog tamelijk helder. Dan heb je in een strenge winter zelfs kans dat hij nog bevriest en kun je erover naar de Leef schaatsen, de ijsbaan tegenover de steenfabriek richting stad. Wel zie je ook op zondag, als het grijsblauw van het afvalwater van de fabrieken hem niet verkleurt, dat de Gender steeds bruiner wordt. IJzer waarschijnlijk. Dat heb je met die omleggingen! zeggen de fietsers.

            Ze weten dus alles, die mannen op de fiets. Van de ruilverkaveling, de boeren die vanuit de dorpskernen en de noord- en westkant van de gemeente naar het natte zuiden verhuizen, naar het gebied van de Dommel, de Run en Gender. Want, weten ze te vertellen, er komen nog veel meer nieuwe wijken. En in het zuiden komen de boerderijen en, wat dichter­bij, vlak achter de Lange Weg, de industrie. Van het hele natuurgebied tussen de riviertjes blijft niks over. Voor de landbouw moet er gekanaliseerd en ontwaterd worden. En voor loodsen en industriehallen moet er ontwaterd en opgehoogd worden. Kijk, dat die boerderijen in het zuiden komen, dat begrijpen de fietsers wel, het was altijd al het vruchtbaarste gebied van de gemeente, zij het vaak te nat. Nat en zompig, noemen de mensen die aan de Lange Weg wonen het Broek­land, waar de huizen vochtig zijn en de mensen klein en ach­terlijk blijven. Dat was het beeld, maar met de moderne metho­den moet dat kunnen worden opgelost. Maar wat die industrie daar doet, begrijpen de mannen op de fiets niet. Omdat er traditioneel al industrie was aan de zuidkant van de Lange Weg? Vanwege de Gender die schoon water aanvoerde en vuil water afvoerde? Maar dat is toch achterhaald, daar heb je toch pompen en riolering voor tegenwoordig! De fietsers verklaren het gemeentebestuur voor gek en voor slaaf van Philips en van Eindhoven. Dat is precies wat oud-burgemeester Van Tuin altijd heeft tegengehouden, zeggen de fietsers. Je zou bijna terugverlangen naar de tijd dat die godsdienstgek het hier voor het zeggen had. Als die terug zou komen en een dam zou opwerpen tegen al die ‘vooruitgang’, dan mocht hij wat hen betreft ook heilig verklaard worden, net als Pius X.

            Maar de meeste fietsers mogen met hun korte broek dan wel modern willen doen, het zijn toch flikkers die tegen de vooruitgang zijn, zeggen we bij hotel/café Den Os. En wat betreft Teun, die versta je niet en is gewoon gek.
(uit Aan de Lange Weg van Meurs A.M.)


(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)



Willem Adams: <DOMMEL>, 160 x 170cm, Nijmeegs Museum Commanderie van St Jan