De Engelse spionne (uit Aan de Lange Weg)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

JOSJE

Harry zagen we in de oorlog niet vaak thuis. Hij moest in verband met de arbeidsdienst uit handen van de Duitsers zien te blijven, hij zat een tijd ondergedoken in Drenthe, terwijl Cor en zijn broer uit Drenthe juist weer hier in Brabant ondergedoken zaten. Harry slachtte illegaal bij de boeren in de omgeving. Tot het fout ging en hij in concentratiekamp Vught terechtkwam. Of hij daaruit ontsnapt is of dat ze hem hebben vrijgelaten, weet ik niet, hij kwam er in ieder geval vel over been uit. Nu is hij druk met het opbrengen van collaborateurs. Als hij thuis komt, moet een van ons aardappelen voor hem bakken, want hij eet niets anders dan gebakken aardappelen, nauwelijks vlees. Vreemd voor een slager, zou je zeggen.

           Ik maak me weer eens ongerust over Ferrie. Hij reed eerst rond in een Rode Kruiswagen. Goed, dat is zijn werk. Maar nu heeft hij het voor elkaar dat dokter Wouters in de Rode Kruiswagen rijdt en hijzelf in de auto van de dokter. Zo schijnen ze allebei goedkoop aan benzine te kunnen komen. En Ferrie vindt het natuurlijk prachtig in een luxe auto te kunnen rijden. Maar dat is niet waar ik me het meest ongerust over maak. Hij is stapelgek op een mysterieuze vrouw die opeens is opgedoken en die alleen Engels spreekt en van iedereen geld leent. En nu willen ze nog gaan trouwen ook. Het ergst vind ik nog dat ze zo vaak bij ons op de meisjeskamer blijft slapen. Ik vertrouw haar voor geen cent.

“Wat ben je onrustig,” zeg ik. “Een vrouw van de wereld als jij.” Ik praat Engels maar slecht Engels, eigenlijk gooi ik er alleen maar zo nu en dan een woordje min of meer Engels tussendoor, zoals iedereen van wie ze geld geleend heeft en die ze toch heel goed duidelijk heeft kunnen maken wat ze wil. En ze verstaat me prima, weet ik, al doet ze net of ze niets verstaat als we onder elkaar praten en dat woordje Engels er niet tussendoor gooien.

            “’t Is vast niet je eerste huwelijk,” zeg ik. “Waarom moet jij nou nog zenuwachtig zijn? ’t Is maar met een boerenpummel dat je vandaag trouwt. Wil je soms helpen om alles voor de plechtigheid in gereedheid te brengen? Nou, dat is al lang voor elkaar hoor. De rode loper ligt al vanaf het hotel dwars over straat naar de kerk aan de overkant. Moet je soms ergens anders voor weg?”

            Dan zegt mijn zus Ria: “Ik ben het die weg moet. Ik moet naar de mis maar ik kan niet want ik heb vreselijke buikpijn.”

            “Je hebt straks meer dan mis genoeg,” zeg ik, “als deze deftige dame hier met onze onnozele broer in het huwelijk treedt. Dat wordt een plechtigheid waar dat vroegmisje van jou niet tegenop kan.”

            “Je begrijpt het niet,” zegt Ria. “Die mis straks is er een voor haar en onze broer. Die van nu is er een speciaal voor mij, een Maria-mis. Ik heet Maria, weet je nog?”

            “Zal ik voor jou gaan?” zegt de deftige Engelse dame gretig. “Ik kan op zo`n dag wel wat extra gebeden gebruiken.”

            Ze zegt het in het Engels en wat simpeler, we begrijpen het prima. Zowel zij als mijn zus gaan elke dag naar de kerk, mijn zus lijkt geen betere vervangster te kunnen treffen. En zo geraakt de aanstaande bruid toch de deur uit en leent in de gauwigheid even mijn hoed en sjaal.

Maar een paar maanden later vind ik haar, de Engelse spionne zoals ze wordt genoemd, én mijn hoed en sjaal terug op het politiebureau. Ze ziet er goed uit, slank, en ze spreekt nu opeens vloeiend Nederlands. Ik sta daar samen met ons melkboertje in zijn grijze melkboerenjasje en op zijn klompen, van hem heeft ze namelijk ook geld geleend. Ik ben een van de weinigen van wie ze geen geld geleend heeft, alleen maar een hoed en een sjaal. Waarom ben ik daar dan? Toch niet voor die hoed en sjaal. Ik had gehoord dat ze in Amsterdam was opgepakt en in Eindhoven vast zat wegens oplichterij. Ik wilde haar gewoon eens zien in haar huidige situatie en haar nog eens vertellen dat ik haar nooit had vertrouwd en dat ze mijn broer Ferrie lelijk had laten zitten maar dat dat mij niks had verbaasd. Ik was weer eens uit op sensatie, denk ik.

            “Bad boy,” zegt ze als ik over Ferrie begin. Het heeft wel iets, vind ik, zoals ik daar sta met die oplichtster die het allemaal lichamelijk geen kwaad lijkt te hebben gedaan en dat melkboertje dat nog een keer zegt: “En mijn geld?” maar ook wel begint te begrijpen dat hij er naar kan fluiten.

            Vooraanstaande Philipsmensen waren erin getrapt, dus niet alleen onze familie en mensen uit het dorp. Mijn broer Harry die op collaborateurs en spionnen jaagt was er ingetrapt. Zelfs mijn zwager in Gelderland, die net als mijn broer Leo in verzekeringen doet maar op een heel andere manier, en die al heel wat mensen een verzekering heeft aangesmeerd die ze niet nodig hebben en die bovendien niet van de borsten van zijn schoonzusjes kan afblijven. De halve Lange Weg had geld aan haar geleend en we gingen met zijn allen naar het Engelse consulaat om dat geld terug te halen. Veel meer dan de informatie dat ze de identiteit had aangenomen van een Engelse van adel waarmee ze in de cel had gezeten, kregen we niet. Maar ik vond het heel interessant, nu begreep ik hoe ze aan die documenten kwam. Ze kreeg extra voedselbonnen, met een stempel van het consulaat. Ze zou een erfenis uit Engeland krijgen, had ze iedereen verteld, maar eerst moest ze nog…

            Ik had wel te doen met Ferrie. Hoewel ik hem vaak had gewaarschuwd. Hij huilde en jammerde toen ze niet terugkwam uit de kerk. Hij had alles betaald. Daar stond de hele familie op haar paasbest bij de rode loper die dwars over de weg vanaf het hotel tot aan de kerkdeur lag. Ferrie ging zoeken bij de Dommel, hoewel we hoorden dat iemand haar in een auto had zien stappen. Een ongeluk, een vermissing, zelfmoord? Wij zoeken altijd bij de Dommel, dat schijnbaar onschuldige riviertje, maar dat op enkele plaatsen venijnig diep schijnt te zijn, om over de levensgevaarlijke draaikolken in sommige bochten maar niet te spreken. Ook toen Ferrie gehoord had dat ze gearresteerd was, zei hij nog steeds van haar te houden, van zijn geliefde die met haar ogen dicht typte en zeven talen kende. Maar geen Nederlands in de tijd dat ze bij ons thuis kwam.

            Ik moet er wel om lachen. Zoals ik al zei: het meest last heb ik nog gehad van het feit dat ze altijd bij ons op de meisjeskamer moest slapen als Ferrie haar mee naar huis nam.

            Ferrie is er trouwens ook al overheen, hij bracht gisteren achter op de motor vanuit Nijmegen een meisje van zeventien met een heel kort rokje mee naar huis. Daar gaat hij nu, op zijn negenentwintigste, mee trouwen, zegt hij. Ze heeft al bij ons op de meisjeskamer geslapen.

Nu de oorlog voorbij is, blijkt het toch allemaal niet zo eenvoudig, voor mij en voor mijn zus Ria tenminste. Voor Ferrie wel, voor hem was het leven altijd simpel geweest. Hij trouwt binnen de kortste keren met het meisje van zeventien met het korte rokje waar iedereen het over had: hoe ze zo achter op de motor en bij ons op de divan durfde zitten!

            “Dat kan toch niet!” Ria is me achterna gelopen naar de keuken. “Je kijkt door haar keelholte weer naar buiten.” Ze is een beetje vroom en een beetje preuts, mijn zus Ria.

            “Ik kan me er niet druk over maken,” zeg ik, “wij kunnen er toch wel tegen? En ik kan me niet voorstellen dat Ferrie iets ziet dat hij al niet eerder gezien heeft, en wat betreft vader: gun die ouwe ook eens wat!”

            “Ik geef die twee zes weken,” zei een buurvrouw die er kijk op had. En inderdaad trouwen ze binnen een paar maanden, maar Ferrie is ook al negenentwintig en dan heb je geen zin om lang te wachten, ook al is zij pas zeventien. De baby is een meisje.

(uit Aan de Lange Weg van Meurs A.M.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *