De ‘nieuwe’ pakjesman of toch gewoon Het ‘nieuwe’ lawandorder-mannetje?

Mijn stukje in 2006 <De ‘nieuwe’ Securitate, beste meneer Aboutaleb>,
die toen nog wethouder was in Amsterdam, begon zo:

‘Tijdens het regiem van Ceaucescu, waarmee het Westen, bijvoorbeeld de regeringen van Engeland en Nederland, zo wegliep – ze lieten hun koningin meneer en mevrouw Ceaucescu als een vorst ontvangen – werd er vaak bij de burgers op de deur gebonsd onder de roep: “Securitate!” .
Kort nadat de Roemeense dictators waren terechtgesteld, vertelde in de Bali in Amsterdam een Roemeense schrijver een anekdote:

‘Na de democratische revolutie werd alles “Nieuw” genoemd, de “nieuwe” regering, de “nieuwe” vakbond, de “nieuwe” krant, ga zo maar door, hoewel veel mensen uit de oude tijd op hun oude plaats bleven zitten. Zo werd er ook na de revolutie weer op de deur gebonsd en toen men vroeg wie daar was, klonk het: “De nieuwe Securitate!” ‘

Ondertussen is het 15 jaar later en heeft Aboutaleb als burgemeester van Rotterdam zich met zijn politie vaak gewelddadig en illegaal misdragen tegenover demonstranten en is daar ook even vaak voor teruggefloten, zowel door de rechter als door de ombudsman. Maar het kwaad is dan al geschied en er staan helaas geen sancties op. Voorbeelden: het in 2016 gewelddadig insluiten, aanhouden en beboeten van demonstranten die met lege (verhuis)dozen naar het Maasgebouw wilden met de boodschap dat algemeen directeur Eric Gudde moest vertrekken.

Hetzelfde gebeurde met het gewelddadig optreden tegen o.a. #antizwartepietacties en #blacklivesmatter. En recent deden Aboutaleb en zijn politie het opnieuw tijdens de #woonopstanddemonstratie. Ze haalden met grof geweld een groep vredig demonstrerende anti-fascisten uit de demonstratie. Opnieuw heeft dit hevige verontwaardiging opgeroepen, op de eerste plaats van de overige demonstranten. En ongetwijfeld zal Aboutaleb hiervoor opnieuw op zijn vingers worden getikt. Maar zolang er geen sancties op een dergelijke aantasting van het #demonstratierecht staan, zal hij het even ongetwijfeld een volgende keer weer proberen. Hoe lang dulden we dit nog?

Mijn stukje uit 2006 heeft als aanleiding dat Aboutaleb als wethouder van Amsterdam mensen die afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering onaangekondigd controleurs op hun dak stuurt. Mijn standpunt was: je belt in deze tijd niet meer zo maar onaangekondigd bij iemand aan. Ik schreef: ‘… of een paar keer per jaar is het misschien de postbode die een pakje wil afgeven.’ En kwam tot de conclusie dat eigenlijk alleen de glazenwasser nog een keer per maand aanbelde. Aboutaleb mocht van mij dan, als hij zo nodig moest, aanbellen als de ‘nieuwe’ glazenwasser.
Maar die toestand is ingrijpend veranderd. Tegenwoordig is het de Pakjesman die tenminste 3 keer per week aanbelt, en als het niet voor jou is, dan wel voor iemand in de buurt. Met alle gevolgen van distributiecentra in de natuur en eindeloos rondrijdende busjes in de bebouwde kom. Daar moeten we natuurlijk, vanwege gezondheid, milieu, klimaatverandering zo snel mogelijk weer vanaf.
Dus Aboutaleb aan de deur, als hij zo nodig moet, als de ‘Nieuwe’ Pakjesman heeft geen toekomst.
Dan toch maar, als hij zo nodig moet, als het ‘nieuwe’ lawandorder-mannetje?
Er is eigenlijk niks nieuws meer aan Aboutaleb wat dit betreft, maar vooruit, het schept in ieder geval duidelijkheid.
Maar sorry, een fooitje zit er niet meer in. Ik denk dat ik zelfs voorlopig niet meer opendoe. Jammer misschien voor de echte pakjesman.
Maar, al zijn de redenen dan heel verschillend, net als Aboutaleb moet hij eigenlijk gewoon op zoek naar een andere job.

De ‘nieuwe’ Securitate

Beste meneer Aboutaleb,

‘Tijdens het regiem van Ceaucescu, waarmee het Westen, bijvoorbeeld de regeringen van Engeland en Nederland, zo wegliep – ze lieten hun koningin meneer en mevrouw Ceaucescu als een vorst ontvangen – werd er vaak bij de burgers op de deur gebonsd onder de roep: “Securitate!” .

Kort nadat de Roemeense dictators waren terechtgesteld, vertelde in de Bali in Amsterdam een Roemeense schrijver een anekdote:

Na de democratische revolutie werd alles “Nieuw” genoemd, de “nieuwe” regering, de “nieuwe” vakbond, de “nieuwe” krant, ga zo maar door, hoewel veel mensen uit de oude tijd op hun oude plaats bleven zitten. Zo werd er ook na de revolutie weer op de deur gebonsd en toen men vroeg wie daar was, klonk het: “De nieuwe Securitate!”  

Bij een vakbondsbijeenkomst op 25 februari van dit jaar voorafgaande aan de Herdenking van de Februaristaking 1941 moesten we door een controlepoortje, net als op Schiphol.

‘Vanwege die Aboutaleb, weetjewel,’ zei iemand.

Ik verwachtte niet zoveel van Aboutaleb. Eigenlijk denk ik al een groot deel van mijn leven dat alle bestuurders opportunisten zijn. Maar Aboutaleb hield een uitstekende redevoering, de beste van allemaal. Zonder papiertje, zoals hij zelf zei. Laat dat papiertje voortaan maar altijd weg, dacht ik. Een paar weken later koos hij partij voor vluchtelingen, maar toen men hem vroeg of hij dus tegen het regeringsbeleid in ging, antwoordde hij dat hij niet tegen minister Verdonk in wilde gaan. Allemaal opportunisten, dacht ik opnieuw.

Aboutaleb motiveert het huisbezoek van de Sociale Dienst met te zeggen dat er zo heel wat fraude wordt blootgelegd. En als glijmiddel (viezerik!) geeft hij aan dat er zo sociale misstanden aan het licht komen, schrijnende armoede en verwaarlozing bijvoorbeeld, en dat mensen op hun rechten, zoals op bijzondere bijstand, kunnen worden gewezen. Jaja. Voor deze dingen kan er gewoon een maatschappelijk werker langs gaan. Die gewoon telefonisch of schriftelijk een afspraak maakt.

Bij ons thuis kwam vroeger ook een maatschappelijk werkster. Die kwam tot de niet  zo moeilijke conclusie dat een gezin met acht kinderen niet kon rondkomen van het loon van een ongeschoold bouwvakker. Maar in plaats van wat extra geld gaf ze mijn moeder een huishoudboekje. En toen dat (natuurlijk) niet hielp, zorgde ze dat we betaald thuiswerk voor Philips konden doen: het in elkaar zetten en ponsen van een onderdeeltje. Dat hielp wel een beetje, vooral omdat hiermee onze, op grote schaal voorradige, kinderarbeid werd ingezet. Maar het zette pas echt zoden aan de dijk toen mijn vader een malletje ontwierp waarin de onderdeeltjes los van het ponsapparaat gemonteerd konden worden, en er dus een voorraad van te ponsen onderdeeltjes kon klaargezet worden. Met zo’n ideale en bijkans (zeg je dan in plaats van ‘bijna’) geniale oplossing voor een armlastig gezin zie ik Aboutaleb nog niet aankomen. En daar zit ook niemand op te wachten. Evenmin als op het bezoek van Aboutaleb en de zijnen. Mensen willen redelijk kunnen rondkomen en fatsoenlijk worden behandeld.

Als je niet meewerkt, de mensen van Aboutaleb niet binnen laat, kan je uitkering worden ingehouden of gekort. Machtspolitiek dus.

Maar de actie van Aboutaleb is illegaal. Machtsmisbruik dus.

Deze illegale actie van de Amsterdamse overheid staat niet op zichzelf.

Burgemeester Cohen meende een van ‘terrorisme’ verdachte vrouw hinderlijk te kunnen laten volgen: aanbellen, opbellen, een politiebusje in de buurt van haar woning, dat soort illegale flauwekul. Het beginsel ‘je bent onschuldig tot je schuld is bewezen’ gold opeens niet meer. De burgemeester meende dat hij zich andere dan de normale wettelijke strafmaatregelen mocht toe-eigenen, andere maatregelen mocht treffen dan die van ‘openbare orde of veiligheid’, die m.i. niet op een bepaalde persoon mogen zijn gericht maar alleen op een ‘situatie’, bijvoorbeeld de toestand in een bepaalde buurt. Wanneer je iemand van een strafbaar feit verdenkt, kan er toestemming verleend worden iemand te laten schaduwen. Maar een overheid die een burger gaat ‘hinderen’, ‘pesten’? Je moet als overheidsdienaar wel erg overtuigd zijn van jezelf, niet alleen van je gelijk, ook van je eigen ‘goedheid’ en ‘wijsheid.’

En het allerergste, de verdediging: ‘Als het niet mag, zal de rechter ons wel terugfluiten.’

Stel je voor dat wij ons als burgers zo zouden gaan gedragen. Niet meer volgens de wet of de regels die we allemaal kennen of volgens ons geweten, maar gewoon ons gedragen zoals het ons uitkomt, want ‘als het niet goed is, zal de rechter ons wel terugfluiten’. Nou, de rechter zal vaak helemaal niet fluiten, doodeenvoudig omdat hij het niet weet.

Er is in de maatschappij in grote mate overeenstemming hoe wij ons dienen te gedragen. Voor de duidelijkheid zijn er, in geval van twijfel, wetten en regels opgesteld en is er een rechter die deze kan interpreteren. Het is dus niet andersom. Dat zou ook gevaarlijk zijn. Zulke handelingen van Aboutaleb en van Cohen bedreigen die grote mate van overeenstemming hoe wij ons in de maatschappij dienen te gedragen. Daarvoor in de plaats dreigt te komen: ik ga mijn gang zolang ik niet word teruggefloten.  

Bovendien ziet niet alleen het individu hoe de overheid zich (mis)(ge)draagt (tot zij wordt teruggefloten) en zal daarom minder gemotiveerd zijn om zich wel goed te gedragen, het individu dat direct getroffen wordt door dit (illegale) gedrag van de overheid zal ook geneigd zijn zich direct tegen deze overheid te richten, en wel met alle middelen. De rem die hier normaal op bestaat, wordt door het eigen gedrag van de overheid weggenomen.

Beste meneer Aboutaleb, wij zijn niet meer gewend dat er op de deur wordt gebonsd, we zijn zelfs niet meer gewend dat er aan de deur wordt gebeld. Wanneer er overdag wordt aangebeld zijn het kinderen, of een paar keer per jaar is het misschien de postbode die een pakje wil afgeven. Het kan ook nog een monteur zijn, voor wie je een halve dag moet thuis blijven en voor wie je een briefje op de deurpost doet dat hij hard moet bellen, eventueel ook bij de buren, want je wilt niet voor niks zijn thuisgebleven. Maar deze heeft zijn bezoek dus aangekondigd. Wanneer er nadrukkelijk en herhaaldelijk wordt aangebeld, is het de buurvrouw die haar sleutels is vergeten. Als er ’s avonds wordt aangebeld, kijk je naar de ramen aan de voorkant en trek je de deur open en dan wordt er geroepen: ‘De glazenwasser!’ In de huidige tijd van telefoon, wordt een bezoek telefonisch aangekondigd, je belt niet zomaar bij iemand aan.

Als er wordt aangebeld, meneer Aboutaleb, doen de meeste mensen dus niet open, tenzij men de glazenwasser verwacht.

Dus, beste meneer Aboutaleb, u mag van mij best aan de deur bellen, we zullen even nadenken, naar de ramen kijken en ‘o ja’ tegen elkaar zeggen, we zullen open doen en u mag dan wat ons betreft naar boven roepen: ‘De nieuwe glazenwasser!’

Wij zullen u hartelijk ontvangen, wel in het trappenhuis ja, en, als u uw werk goed heeft gedaan, zit een fooitje er ook wel aan.

Nog een stukje dat zich afspeelt bij Hotelcafé Den Os in Aan de Lange Weg

(het begon al bij de terugkeer van de Indiëganger in 1951)

Wij weten dat hij zich in hotel/café Den Os is gaan bezatten. Met alleen Marie, de barjuffrouw, als gezelschap, want alle stamgasten zijn naar het feest: daar is het drinken gratis.

De jongen van Vlek zit dan sinds zijn behouden terugkeer uit Indië de godganse dag bij hotel/café Den Os. In het begin hebben zijn verhalen nog iets van bravoure, hoewel hij ook lang stil kan vallen. De “blauwen” belaagden hen van alle kanten en zij sloegen keihard terug. Okay. Maar dan is er dat merkwaardige verhaal dat ze munitie moesten sparen en geen bloed mochten laten vloeien. Ze verdronken een gevangene in tien centimeter water. Tien centimeter water? Ja, door hem met zijn gezicht in een slootje te duwen en dan op zijn hoofd te gaan staan. En er waren altijd gretige vrijwilligers om zo`n executie uit te voeren. Ja maar, Vlek, jongen! Pak er nog eentje, maar maak dat de kat wijs.

     Als hij niet in Den Os zit, is hij in het Patersgat en staart naar de stekelbaarsjes in de sloten. Het is een moerassig natuurgebied met hoge populieren waar je niet mag komen. De Heeskop in zijn manchesterpak en met zijn snor en zijn jachtgeweer struint daar rond en springt opeens uit het riet als je aan het vrijen bent. Hij heeft de jongen dagenlang in de gaten gehouden, want hij was ervan overtuigd dat die op een gegeven moment met een meisje zou komen. Toen hij begon te denken dat de jongen gewoon van dat plekje hield en er tot rust wilde komen, zag hij hem een aantal flessen chloor in het water legen en hoorde hem zeggen: “Voor­uit, sterf nu maar. Over twintig jaar is dit er toch allemaal niet meer.”

     Alle waterleven is doodgegaan, ondanks dat de Gender werd afgedamd en men het gebied heeft laten overstromen.

     Hij is gek, zeggen de mensen, vooral toen hij in Den Os het verhaal vertelde van het gehalveerde meisje.

     Ze pikten wel eens meer meisjes op als ze op patrouille door een kampong liepen. Zo`n kind weegt niks, je hangt het over je heen en laat het met je spelen. Met haar enkels over elkaar hangt ze vast in je nek, jij hebt alles voor je wat je wilt hebben en bovendien je handen vrij voor je geweer. Een beter schild kun je niet hebben. En er is geen oponthoud, wat voor de sergeant het belangrijkst is. Je loopt met zijn allen gewoon door. En als je er genoeg van hebt gooi je haar in de bosjes of de kali, dood of levend naargelang je stemming.

     Dit was anders. Na een bocht ziet hij Van Daal voor zich lopen met de benen van een meisje over zijn schouders. De knieën liggen op de schouders en de tenen steken omhoog. Ze hangt andersom. Hij wil zeker haar tietjes zien. “Hé, Van Daal!”

     Als die zich omdraait, zien ze dat hij alleen het onderstuk van een meisje om zijn nek heeft, het lichaam is doormidden gehakt. “Van Daal, man!”

     Hij tilt het onderlichaam een stukje op en kijkt eronderdoor. Hij grijnst, zijn gezicht zit onder het bloed. Hij heeft niet alleen met zijn klewang het bovenlijf eraf geslagen maar haar ook een houw tussen de benen gegeven. Zo liep hij al die tijd met zijn gezicht in die grote wond.

     “Ik heb het gat een beetje groter gemaakt,” zegt de gek.

     In het begin hebben ze hem aangemoedigd, de jongen van Vlek, hem een pilsje gegeven bij hotel/café Den Os. Maar toen ging het nog over pret maken met lekkere bruine meisjes of over het te grazen nemen van zo`n blauwe die hen beschoten had. Nu zeggen ze steeds vaker “hou je kop, jongen, wij moeten die vuiligheid hier niet horen” en ze vragen zijn vrienden hem naar huis te brengen. En die hebben daar eerst nog bij gelachen, want als je hem losliet liep hij diep voorovergebogen steeds rondjes en kwam vaak in de heggen terecht. Dat kwam volgens hen omdat hij niet gewoon bier dronk maar ook jenever, en dat dronk uit grote glazen en daarbij “whisky!” riep – waar had hij dat vandaan? – nadat hij die ene fles whisky, die daar sinds de oorlog ruim vijf jaar had gestaan, soldaat had gemaakt. Waar vind je hier nou whisky? Dat is toch geen drank voor ons soort mensen. Dat is weer zo`n mode zeker die de geallieerden hebben meegebracht en die in soldatenkringen is blijven hangen. Of zou het door de cowboyfilms komen die ze in de City in de stad draaien?

     De Vrouwen van de Eerste Huizen geloven niks van de verhalen.

     “Die jongens hebben daar een paar jaar vakantie gehouden,” zegt de lacherige lange Hanna Bosmans. “Moet je die bruine koppen maar eens zien.”

     “Die hebben geen vijand gezien,” zegt de oudste dochter van Meijer met haar zware trage stem.

     “Peetje pret maken met pruine meisjes,” spuugt Hanna Knietel.

     Hij mag geen verhalen meer vertellen bij hotel/café Den Os. Maar soms barst hij toch los.

     “Toch was hij de kleinste moordenaar van ons allemaal,” snikt de jongen van Vlek. “Want ’s nachts is hij eerst begonnen te snikken, dan te brullen, en is zo de duisternis in gelopen. Tot hij, gelukkig voor hem, struikelde en door ons werd teruggehaald voor de vijand hem te pakken had. Hij was alweer op de boot of in het vliegtuig of misschien zelfs weer thuis toen bij ons het echte moorden begon, hele kampongs tot en met de baby’s en de huisdieren. Och, dat kan ik jullie allemaal niet vertellen,” zegt de jongen van Vlek.

(uit De blijde terugkeer van onze Indiëganger

zie ook OP CAFÉ EEN, eveneens zich afspelend in Den Os,
uit Aan de Lange Weg ,
roman van Meurs A.M., geïllustreerd, hier graag bestellen via mijn Boekwinkeltje Wonderland, in nieuwstaat en zonder verzendkosten. U koopt rechtstreeks bij de schrijver die de kosten voor de uitgave zelf gefinancierd heeft. Zo u wilt gesigneerd. Hartelijk dank!)

(illustraties Ufuk Kobas)

Bet (in Aan de Lange Weg)



Net Neggers-Gielens, model voor Bet

Haar vader overleed toen ze heel jong was, haar moeder hertrouwde al gauw en kreeg nog vier dochters. Maar geen zoon die de smederij kon voortzetten. Daarom zouden ze naar Sas verhuisd zijn. Maar zij heeft altijd gedacht dat het om haar was. Dat haar stiefvader zich schaamde om wat haar was overkomen. Hij was een erg trotse man met een tot op het laatst kaarsrechte rug, zijn hoofd met de hoekige hoge platte pet geheven, zijn pijp als een scepter in zijn hand.

Het gaat goed met ons nadat ik zo moeizaam na het bombardement uit de kelder gekropen ben. Behalve met mijn been dan.

            In het begin is nog bijna alles op de bon. Maar de mensen beginnen toch langzaamaan wat geld te krijgen. In ieder geval voor hun eerste levensbehoeften. En daarvoor kunnen ze bij ons terecht. Van ’s morgens voor zevenen tot ’s avonds na elven.

Het hoofddoel van het huwelijk is: kinderen voor God voort te brengen en christelijk op te voeden, staat er in mijn trouwboekje, en daar heb ik me aan gehouden. Ik ben ervan overtuigd dat ze allemaal, van het eerste tot het laatste, christelijk opgevoed zijn. Ook al had ik dat bij het eerste niet zelf in de hand.

            Maar er staat ook: De vrouw moet aan den man onderdanig zijn in alles wat goed en eerbaar is en de man moet door echt christelijke liefde dien plicht veraangenamen.

            Dat was iets waar ik wel wat op had af te dingen. Toontje is geen kwaad mannetje en ik ken hem, vooral vanaf het moment dat we het winkeltje van zijn moeder Liesbetje overnamen, als een harde werker die heel wat bereikt heeft, maar hij heeft zo zijn streken, en bovendien doe ik ook mijn werk. Ik krijg de kinderen, breng ze groot, zorg voor het huishouden en help zoveel mogelijk in de winkel. Dus onderdanig aan mijn man, nou nee. Hij mag me er wel eens mee plagen en ik wil ook wel de reactie geven die hij wil uitlokken, maar dat is het dan.

Er waren ook tegenslagen. Met de brouwerij bijvoorbeeld. Ach, het was gewoon een plek in de stal waar een bottelmachine stond. Maar het werd toch een groot succes. We moesten ermee stoppen omdat de mensen die handige kleine smalle beugelflesjes die Toontje speciaal had laten maken niet terugbrachten. Ze gebruikten die om bijvoorbeeld thee mee naar het werk te nemen. En Toontje had geen statiegeld willen vragen. Zo moesten de mensen de prikkellimonade die ze zo lekker vonden missen door hun eigen kortzichtigheid.

            En er was natuurlijk jaloezie. En niet alleen van de winke­lier verderop, op het pleintje. Er werd geroddeld. De kruide­nierswaren die met paard en kar werden bezorgd, zouden naar vis smaken. Terwijl we verdomme de hele vrijdagavond schrobden en boenden om de kar proper te hebben voor de kruidenierswaren op zaterdag.

            Als de mensen kwaad willen vertellen, kun je er niet veel tegen doen, dat heb ik wel geleerd. Er waren er die wel eens gezien hadden dat er een kat op de viskar sprong. En dat hondje dat er altijd bij was vertrouwden ze ook niet. Nou ja.

            Volgens andere roddelaars dan weer zou Toontje niet kunnen tellen en amper kunnen schrijven. Schrijven had hij inderdaad pas als soldaat geleerd en foutloos zou het nooit gaan – hij schreef bijvoorbeeld luzifers – maar dat was bij de meeste gewone mensen die nog in de negentiende eeuw geboren waren het geval. En tellen kon hij als de beste.

De pijn en de lap om het been die iedereen kon zien maakten mij er niet vrolijker op. Mijn stem werd hard, ik werd ongedul­dig en veeleisend en ergerde me aan mensen die vrolijk waren, speciaal aan Toontje.

            Het was soms of ze ‘t erom deden. Het was zo`n feest waar alle ooms en tantes en neven en nichten aanwezig waren. Wij, ooms en tantes, zaten op een verhoging naast elkaar, aan één kant van een aantal aan elkaar geschoven tafels. Iedereen kon onder de tafel door kijken. Iedereen kon dus ook mijn been zien. Tot overmaat van ramp, bleek achteraf, was er ook nog een foto gemaakt.

            De neven en nichten, en de tantes waren ook niet wijzer, daagden hem dan uit.

            “Oom Toontje, draag een versje voor, zing een liedje.”

            “Doe niet zo gek, Toon,” zei ik dan. “Blijf hier! Kom van die stoel af!”

            En dan lachten ze allemaal nog harder en zweepten hem nog meer op. Het duurde net zo lang tot hij boven op een stoel of tafel stond en zong:

            “Van je remplemplem, van je mosselemem.”

            Het was: “Van je ramplanplan, van je mosselman.” Maar mosselemem was natuurlijk veel leuker. Het was nog een vreselijk lang lied ook. De tantes en nichten pisten in hun broek van het lachen.

Ik was overal met mijn been geweest, in het hele land. Dat had me heel wat geld en tijd gekost. Eerst met de bus, maar vanaf midden jaren vijftig bracht ons Peet me met de auto, als die niet kapot was tenminste. Want dat had je in het begin ook nog vaak met die tweedehands auto’s. Met de kar was geen doen, na tien minuten was ik al geradbraakt.

            Jarenlang hadden ze me naar een kruidendokter in Baarle-Nassau gebracht. Naar gebedsgenezers was ik ook geweest. Toontje deed dat hand opleggen ook, maar mij kon hij niet helpen. Die van ons kon iedereen helpen behalve mij.

            Hij legde zijn ene hand op iemands hoofd en hield de hand van de zieke in zijn andere hand, of legde die andere hand op zijn eigen hart. Hij stond met zijn ogen dicht te prevelen, met die stijve bovenlip, die strakke mondhoeken, waarnaar men keek omdat men verwachtte dat ze zouden gaan krullen, en dat zijn lippen zouden gaan trillen. Als toeschouwer kon men de spanning niet volhouden en begon men opgelucht hard te lachen. En men verwachtte dat Toontje zou gaan meedoen, maar niets daarvan, hij bleef onverstoorbaar, hij keek zelfs niet naar je. Tot hij klaar was en een stap achteruit deed, dan pas keek hij je aan en glimlachte.

            Bij mij werkte het dus niet. En natuurlijk nam ik hem kwalijk dat hij iedereen kon helpen maar mij niet. Misschien lag het aan mij, geloofde ik er gewoon niet in, kende ik hem te goed.

Ik was dus de kelder uit geklommen met mijn been en de koningin was terug in Nederland gekomen met haar bontjas. Toen Toontje iets over haar zei – of was het over de nieuwe koningin die we korte tijd later kregen? – werd hij op zijn gezicht geslagen. Dat was wel eens goed voor hem, zij het niet speciaal dáárom. Maar het was goed dat hij met zijn grote mond wat weerwerk kreeg.

            Toontje zit aan de bar en is het gezwam van zijn buurman over de koningin beu en zegt: “Wat de koningin! De koningin heeft hetzelfde kutje als ons Bet!”

            De man wordt kwaad en slaat Toontje van de kruk af. Toontje krabbelt overeind en zegt: “En het was nog wel be­doeld als een compliment.”

            Maar om hem vanwege de koningin op zijn gezicht te slaan, was natuurlijk onzin. Van mij mocht hij over de koningin zeggen wat hij wou. Hoewel, het was beter als hij zijn grote kop eens leerde houden. Hij moest maar leren dat hij niet overal mee kon lachen. Met mij ook niet.

Mijn stiefvader had me uit zijn trouwboekje voorgelezen, en later wees hij er nog eens op dat in het onze precies hetzelfde stond: Elke poging aangewend om het ongeboren kind, hoe jong ook, te dooden, is poging tot moord en daarom een zeer zware zonde tegen het 5e gebod: ‘Gij zult niet dooden’.

            Een zeer zware zonde is eveneens elke opzettelijke poging, om het hetzij door inwendige, hetzij door uitwendige middelen de zwangerschap af te breken op een tijdstip, waarop de vrucht nog niet buiten het lichaam kan blijven leven (vruchtafdrij­ving).

            Zoiets zou niet eens in me opgekomen zijn. Het was of hij het meer tegen zichzelf zei, hij zat er meer mee dan ik. Hij wilde het absoluut verborgen houden. En daarom, dat bleef ik denken, waren we ook verhuisd. Dat hij geen opvolger had in de smidse, was toch geen reden om te verhuizen! Je kon het hoogstens omdraaien: de smederij was geen reden om te blijven.

Toontje is erg trots op de nieuwe Solex zoals dan nog niemand er een heeft. Hij is de eerste in Sas en in het dorp aan de Lange Weg. Hij gaat nu nog vaker naar Bets zuster Anneke aan de Lange Weg. Iedereen mag de Solex uitproberen. Maar ze weten niet hoe het ding te stoppen, en als dan de motor einde­lijk afgeslagen is, vaak na een botsing of valpartij, durft men er niet meer op en komt te voet terug, wat wel eens een uurtje kan duren. Dan lacht Toontje niet, dan is hij ongerust, zeker als het zijn jonge nichtje Tonnie is dat zo lang wegblijft met de Solex.

            Wanneer hij te lang blijft hangen – als hij aan het buurten is en veel aandacht krijgt en regelmatig een nieuwe kop koude koffie (die speciaal voor hem wordt bewaard) en hij uit zijn zakken stukjes worst en zuurtjes en dubbeltjes uitdeelt aan de kinderen en de worst ook aan de hondjes, verliest hij alle tijd uit het oog – en wanneer het dan al donker wordt moet Jantje meefietsen naast de Solex van zijn peetoom, want in het donker is Toontje zo goed als blind.

Toen ik mankend en een en al pijn op het eind van de oorlog met mijn been uit de kelder geklommen was, had ik me ver­sproken. Ik zei: “Ik heb negen kinderen op de wereld gezet, ’t is mooi geweest.” Maar ons gezin telde acht kinderen. Mis­schien kwam het omdat Mientje toen net getrouwd was en ook in Sas was komen wonen. Misschien kwam het omdat het einde van de oorlog in zicht was en ik daarom aan mijn stief­vader moest denken, en met name dacht: “Dat einde heeft hij dus net niet gehaald terwijl hij zo graag wilde weten hoe het zou aflopen.”

            Ik was ervan overtuigd dat vooral hij degene was geweest die het geheim had willen houden en die ook de hele construc­tie, waarin mijn eerste kind in een ander gezin in ons dorp werd opgevoed en wij naar Sas verhuisden, daarvoor bedacht had. Hij, de trotse eigenaar van een smederij en een van de notabe­len van mijn geboortedorp.

            Door die hevige gebeurtenissen vlak voor de bevrijding had ik aan mijn stiefvader en mijn eerste kind moeten denken en had me versproken. Dat was het vast geweest.

Tinuske Neggers, model voor Toontje Wolfers

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)

Een belangrijke dag (voor Aan de Lange Weg, dat 6 jaar later verscheen)

In mijn herinnering is het een maandag, 18 januari, 1998 of zo, en 18 graden. Ik woon 30 jaar in Amsterdam en mijn kameraad en vroegere dorpsgenoot Willem Adams de schilder, die al zo’n 35 jaar in Eindhoven woont, zal me laten zien wat er in rond Veldhoven allemaal veranderd is. Op de fiets.

Zie aub de eerste 5 foto’s en tekst.


Bij de Dommel. Het is er prachtig. Voor we Eindhoven uit waren hadden we op een rustig plekje aan de Gender een soortgelijke vergadering bijgewoond.



Ook bij de Dommel.



Het patronaat van Meerveldhoven ziet er aan de voorkant nog vrij goed uit.



Aan de achterkant is het anders. Het kwam zo in Aan de Lange Weg terecht:

<Aan de achterkant van het patronaat graast jaren later achter een dubbel rasterwerk een paard. Het staat vlak tegen de ramen waarachter vroeger de kleuters zaten. De ramen zijn grotendeels geblindeerd. Op de bovenverdieping zijn er ruitjes ingegooid. Van de dikke haag met de beroemde poortjes tussen bewaarschool en kloosterhof en tussen meisjesschool en kloosterhof is niks over. De kloostertuin zelf staat vol bouwwerken van ongelijke hoogte en vorm.>
(uit het hoofdstuk Het Patronaat)



<De meisjesschool is gekraakt, er steken kachelpijpen door de ruiten, het stinkt, er wordt rotzooi gestookt.>
(uit het hoofdstuk Het Patronaat)

Ik laat me vertellen dat er op deze maandagmiddag in heel de gemeente Veldhoven maar één café open is: Neggers aan de Heuvelstraat in Zeelst. Ik ben er vroeger met de kermis wel eens geweest. Het café was van een broer van mijn peetoom Tinuske Neggers. Het is er druk, allemaal mannen, er wordt flink geouwehoerd, ik ben een spons. Ik doe er het volgende verhaal op:

<Maar het gesprek van de dag is de voetbalpool. Opeens kun je in één dag stinkend rijk worden. En je hoeft geen verstand van voetballen te hebben, al moet je wel een beetje je gezond verstand gebruiken. Ergens verderop aan de Lange Weg is een man die zegt dat het een kwestie is van kansberekening, alles kan in min- en pluscijfers uitgedrukt worden. Hij begon op een velletje papier: de resultaten tot nu toe, de uitslag de vorige keer tegen dezelfde club, een uit- of thuiswedstrijd, het weer in verband gebracht met het type spelers van een bepaalde club, doet de voornaamste aanvaller mee? Allemaal min- of pluspunten. De vellen papier lagen eerst nog op tafel, toen op de vloer, en dan moesten de schuifdeuren open en werd de voorkamer vol gelegd en moesten de kinderen stil zijn op zondagmiddag en uit de buurt blijven om niet op de papieren te trappen. En hij heeft wel eens wat gewonnen maar tot nu toe geen echt grote prijzen. Maar dat is een kwestie van tijd, want hoe langer het duurt hoe meer gegevens hij natuurlijk krijgt en op een gegeven moment kan het niet meer missen.> (uit het hoofdstuk Als het maar weer eens zomer wordt )

Bij al dat bier moet ik veel eten van het enige dat er te eten is: chips en pinda’s. Het is al donker wanneer we terug naar Eindhoven beginnen te rijden. Maar Willem heeft nog een tussenstop in gedachten, aan de Binnenweg, bij de burgemeester van Zeelst, zegt Willem, hier worden de echte gemeenteraadsvergaderingen gehouden, het blijkt bij de familie Van de Weijer.

Ik maak kennis met de broer van mijn vroegere buurman in de Achtwoningen, en met zijn vrouw. We krijgen volop te eten en koffie en thee.

De heer Van de Weijer wil alleen op de foto als dat samen mag met het portret van zijn kleinzoon.
De informatie bij deze foto klopte niet, op verzoek van de kleinzoon heb ik de foto verwijderd. Juist omdat de heer Van de Weijer alleen wilde poseren met het portret van zijn kleinzoon in zijn hand, wil ik dit respecteren en de foto niet publiceren zonder dat portret in zijn hand. Dat geldt ook voor andere foto die ik nog van hem heb.


De foto van zijn vrouw wordt prachtig.

Ik leer een zeer wereldwijs man kennen. Van die eerste ontmoeting herinner ik me boven alles de uitspraak: ‘Het zou met Willem heel anders zijn gelopen als ze vroeger bij hun thuis hem een hutje in hun hof hadden gegeven en wat linnen en verf.’

Het is een belangrijke ontmoeting, ik zal er nog herhaaldelijk terugkomen om over Tinuske Neggers, mijn oom, te praten, naar wiens verhaal ik op zoek ben.

Als ik op de fiets ben word ik met fiets en weekendtas de gang in getrokken. Wanneer zijn vrouw is overleden en hij in Merefelt terechtkomt zoek ik hem ook daar op. Hij is de enige in heel het gebouw met een duivenkooi op zijn balkon. Tenslotte zal ik ook op zijn begrafenis zijn en in het zaaltje in Zeelst mijn vroegere buurjongens en buurmeisjes, zijn neven en nichten, terugzien. Mijn boek Aan de lange Weg, waarvoor dit zo’n belangrijke dag was, is dan al verschenen.


En zo prachtig schilderde Willem Adams daarvoor al de Dommel. Willem vloog.

Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M., geïllustreerd, nieuwstaat, verkrijgbaar, €19,95, geen verzendkosten, op verzoek gesigneerd.

Sal Santen De schrijver die niet schreef omdat eerst de wereld veranderd moest worden (special van HetWerk uit 2008)

Voorkaft en uittreksels uit HetWerk52 12e jrg 29 juli 2008 literair kladschrift van Meurs A.M.
SAL SANTEN-SPECIAL


Juli 1998

Schrijver en revolutionair Sal Santen overleden!

Toch nog onverwacht is op zaterdag 25 juli de schrijver Sal Santen overleden.

Sal Santen werd op 3 augustus 1915 geboren uit  joodse ouders, zijn vader was schoenmaker. Zijn  enkele jaren oudere en enige zus Saartje overleed eind jaren 20 aan tbc. Vader en moeder en enige en jongere broer Maurits werden in de tweede wereldoorlog door de nazi’s gedeporteerd en vermoord. Schoonvader en revolutionair voorbeeld, Henk Sneevliet, werd door de nazi’s gefusilleerd. Zelf werd hij als jood ongemoeid gelaten omdat hij met een niet-joodse vrouw was getrouwd, zijn grote liefde Bep, dochter van Mien, die hertrouwd was met de internationaal beroemde revolutionair Sneevliet.

Sal Santen was al op zeer jonge leeftijd aktief in de radikaalsocialistische jeugdbeweging  en tijdens de oorlog aktief in het verzet. Hij was lid van de Vierde Internationale die door Trotski werd opgericht.. Hij vervulde internationaal een vooraanstaande rol in deze beweging en was goed bevriend met de leider van deze organisatie, Michel Raptis, met wie hij ruim een jaar in een Amsterdamse gevangenis zat vanwege steun aan het Algerijnse antikoloniale verzet. Midden jaren zestig brak hij, na een reeks van teleurstellingen op het menselijke vlak, met de beweging.  In 1969 debuteerde hij op 54-jarige leeftijd als schrijver met ‘Jullie is jodenvolk’, dat meteen zeer goed werd ontvangen. Alle hierboven genoemde feiten spelen een grote rol in de bijna 20 boeken die Sal Santen tussen 1969 en 1995 heeft gepubliceerd.

Groots in kleine woorden voor groot leed

Sal Santen beschrijft in zijn boeken voornamelijk zijn eigen leven, waaronder de genoemde drama’s van leven en dood. Hij doet dat in een zeer kenmerkende, eigen, eenvoudige stijl: hoe groter het leed, hoe eenvoudiger de woorden. Samen met het hanteren van korte scènes bereikt hij zo een groot dramatisch effekt. De voornaamste boeken die zich afspelen tussen 1918 en 1945 zijn: Jullie is Jodenvolk (1969), Sneevliet, rebel (1971), Saartje gebakken botje (1983), De B van Bemazzel (1989).

Veel aandacht kreeg Sal Santen voor zijn Adiòs Compagneros!(1974), waarin hij zijn afscheid van de revolutionaire organisatie beschrijft. Dit, dan blijkbaar nog niet verwerkte drama, haalt echter niet de kwaliteit van de eerdere boeken. De afstand is misschien nog te klein om er al grote literatuur van te maken.

Santens meest literaire boek is Brand in Mokum (1977). Hier komen liefde, lichamelijke en psychische problemen, de jeugd, de oorlog, de gevangenis, de krant waar hij 20 jaar stenograaf was, én humor samen: een meesterwerk!

Revolutionair en mens

Sal Santen bleef tot  aan zijn dood revolutionair, misschien de laatste. Als mens was hij absoluut betrouwbaar, zonder trucs, leugens of smoesjes. Niet liegen, niet om bestwil, en eigenlijk ook niet tegen je vijanden. Dan heb je het als verzetstrijder en revolutionair moeilijk. Een betere vriend kun je echter niet hebben.

(…)

Midden mei (1998) zat ik midden in de productie van HetWerk12. (…) Plotseling hoorde ik dat mijn vriend Sal Santen, die in het ziekenhuis was opgenomen voor een heupoperatie, complicaties had gekregen en het niet zou overleven. Dat was volkomen onverwacht, want de operatie zou zwaar zijn maar niet levensbedreigend. Een dag voor zijn opname waren we nog met de rolstoel gaan wandelen. Ik kon nergens anders aan denken en nergens anders over schrijven. Van de nood een deugd makend, schreef ik ‘De laatste tochtjes met Sal’, over onze wandelingen en over onze gesprekken. Wonder boven wonder overleefde Sal, de oude strijder, het toch. Hij knapt nu langzaam op.

Over een flink aantal jaren hoop ik een totaal nieuwe versie van de ‘tochtjes’ te schrijven, met veel nieuw materiaal.

Die nieuwe versie hoefde ik, bleek 2 maanden later,  dus niet te schrijven.

De laatste tochtjes met Sal

Zullen we links of rechts gaan? Links in de richting van het Amstelpark, rechts naar de plantsoenen die tussen de wegen liggen. Waar vangen we nog wat zon? We gaan vanaf de deur van het  joodse verzorgingshuis Beth Shalom  rechtsaf, naar het groen, maar tegelijk zijn we op weg naar een open plek in dat groen waar we de namiddagzon kunnen zien. Hij heeft hier in de buurt gewoond, zegt hij, toen Bep nog leefde. Daar op het grasveldje links staat de zon. Met enige moeite duw ik de rolstoel het veldje op en hurk naast Sal, hij sluit  zijn ogen en heft zijn gezicht naar de zon. Achter ons staan oude hoge bomen. Hij wil altijd graag naarbuiten. We zwijgen. Na een minuut of tien gaan we verder. We komen aan de weg met de trambaan. Zullen we ergens wat drinken? Aan de overkant moet iets zijn. Het is zondagnamiddag, het zal wel open zijn. Voorzichtig de weg over, in étappes, een omweg maken om oneffenheden te ontwijken. Hij maakt met zijn hand een gebaar naarvoren als we verder kunnen, alsof hij manschappen aanvoert. Achterstevoren de drempel van het café over, er moet een wat úitstekende stoel opzij geschoven worden, een andere stoel weggehaald, dan kan hij met rolstoel aan het tafeltje. Hij drinkt een glas wijn. Zouden ze hem herkennen met zijn opvallende witte kop met haar en zijn dikke wenkbrauwen? Ze zijn vriendelijk, maar het lijken me geen lezers. Terug op weg naar het verzorgingstehuis schemert het al, het is een aardige nazomerdag. ‘Het perspectief is gunstig,’ zegt Sal, ‘Frankrijk heeft een socialistische premier gekozen.’ Sal ziet altijd een politiek lichtpuntje.

Een dag of tien later bel ik hem op. Hij heeft ondertussen een paar exemplaren ontvangen van het artikel dat ik in HetWerk over hem heb geschreven.’ Komt het uit als ik nu meteen kom? Dan kunnen we nog even naarbuiten.’ ‘Ja, fijn,’ zegt hij.

We besluiten naar het Amstelpark te gaan. ‘Hoe vond je het artikel?’ zeg ik. ‘Goed,’zegt hij, maar ik heb wel een opmerking. Maar daar zullen we het onderweg over hebben.’ Ik help hem in de rolstoel en hang het kleine tasje met o.a. zijn kamersleutel om zijn hals. Zijn deur hoeft niet op slot. Onderweg wijst hij zoals altijd de plekken aan waar je het makkelijkst de stoep af kunt. Als er toch een drempel is, maakt hij een draaiend gebaar met zijn vinger: rolstoel omdraaien. Wanneer we een recht stuk voor ons hebben, begint hij: ‘Je hebt het als een interview gepresenteerd, alsof ik het je verteld heb en dat is niet zo.’ ‘Nee, Sal,’zeg ik, ‘ik heb bewust niet met je over de inhoud gesproken omdat ik mijn eigen mening wilde geven. Ik zeg juist steeds: hij moet dit of dat gevoeld of gedacht hebben, ik presenteer het dus als een veronderstelling van mij.’ We zijn stil blijven staan tijdens deze diskussie en besluiten verder te praten als we in het Amstelpark zijn. Maar we komen er verder niet op terug.

‘Ik denk dat ik iets voor je heb,’ zegt hij de volgende keer, ‘je mag wat van me publiceren.’ Ik vind het moeilijk. Ik heb me voorgenomen in HetWerk alleen werk van mezelf af te drukken en anderen alleen te citeren wanneer ik over hen schrijf. Ik krijg eenkleur als ik het hem probeer uit te leggen, ik stuntel, ik vind het erg pijnlijk. Hij begrijpt het, zegt hij. Maar ik blijf mezelf kwalijk nemen dat ik zo rechtlijnig ben geweest, zo dogmatisch. Waarom heb ik niet toegegeven aan mijn goede vriend die zo met zijn werk bezig blijft, die zich niet te groot acht om in mijn bescheiden tijdschriftje te publiceren? Toch zullen we bij een volgende tocht weer een moment krijgen waarop ik mijn eerlijkheid vervloek. Vandaag gaan we vanuit Beth Shalom niet links- of rechtsaf maar rechtdoor, de polder in. Daar hebben we het over Harry Mulisch. Over die zijn we het eens: die vinden we niks.

Mijn schoonmoeder, die ook boven de tachtig is, heb ik Sals dichtbundel ‘Een veertje in de wind’ laten lezen. Deze uitgave is hem door zijn kinderen aangeboden op zijn tachtigste verjaardag. Zoals ik verwacht had, vond ze hem prachtig. Ik vertel dat aan Sal, weid nog wat uit, maar hij heeft me door en onderbreekt me: ‘Hoe vond je hem zelf?’ We zijn aan het rechte stuk weg parallel aan het Amstelpark. Het lijkt of we op dit stuk steeds de pijnlijkste momenten hebben! Misschien is het gewoon het eerste rechte stuk waarop we niet zo hoeven op te letten waar we rijden, maar het is een feit. Ik moet toegeven dat ik de gedichten zeer ontroerend vind, maar niet zozeer gedichten als wel versjes. En dit is het ogenblik dat ik mezelf vervloek en me er daarna op betrap dat ik denk: zijn toenemende vergeetachtigheid zou voor dit moment een zegen zijn! Ik moet me inhouden, want ik begin automatisch veel te hard tegen de rolstoel te duwen.

Ik doe hem een microcassette cadeau. Ik denk: misschien komt hij er makkelijker toe om zijn gedachten in te spreken dan op te schrijven, om als het ware hardop te denken. Het wordt geen succes. (Zoals ook de voice mail die ik voor hem installeer een ramp wordt en snel door de familie moet worden opgeheven!) Hij vraagt een vriendin bij Beth Shalom of zij hem voor de microfoon vragen wil stellen. Ook ik heb gemerkt: als je hem vragen stelt, is hij bijzonder gretig, alsof hij een startvonk nodig heeft om los te branden. Maar het lukt haar niet. We nemen het cassetterecordertje mee naar het Amstelpark,  je weet maar nooit. Maar eerst moet ik even in zijn postbus kijken. Hij blijft elke dag weer even belust op zijn post. Als de post nog niet geweest is kijken we op de terugweg weer. Het is voorjaar. Er bloeien al bloemen en struiken in het park. De kippen zoeken naar wormen en zaadjes. Het is midden op de dag, ik kon alleen in lunchtijd, straks gaan we in een cafetaria een kop soep met een broodje eten. De zon staat pal in het zuiden, we gaan met ons gezicht naar de zon zitten, links van ons schittert de Amstel. Met het cassetterecordertje onder onze neuzen vraag ik hem over de Februaristaking van 1941. Hij gaat meteen geïnteresseerd rechtop zitten. ‘Je ging eerst naar de Slingerbeekstraat omdat je een schuiladres zocht en daar kon je niet terecht en toen trof je op een ander adres stom toevallig je schoonvader Henk Sneevliet die je zijn oproep voor de staking liet zien?’ ‘Ja, het was trouwens eigenlijk de Schipbeekstraat,’ zegt Sal, ‘ik heb de naam veranderd, en toen kwam ’s nachts de Sicherheitsdienst in de Schipbeekstraat, dus ik had inderdaad geluk gehad.’ We praten over de invloed van de RSAP (Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij) van Henk Sneevliet op de Februaristaking. Sal zat toen trouwens zelf vanwege ideologische meningsverschillen bij een andere club. Hij slaapt in de zon even in. Op zijn kamer vertelt hij trots dat binnenkort in één band de herdruk van 3 van zijn boeken verschijnt. Hij zal ook signeren maar kan me de preciese datum niet noemen. Zondagmiddags om kwart voor zes zie ik in een kranteadvertentie dat hij die middag tussen 3 en 5 heeft gesigneerd. De volgende keer dat ik hem zie heeft hij het boek voor me klaar liggen. Ik vraag of ik het aan een vriendin mag geven die jarig is en wier man zeer ernstig ziek is. Ik zal dan voor mezelf een nieuw exemplaar kopen en meebrengen voor zijn handtekening.

Het is zondag en redelijk weer. ‘Het komt trouwens goed uit,’ heeft hij door de telefoon gezegd, ‘want ik moet maandag worden opgenomen in het ziekenhuis, voor  een nieuwe heupoperatie.’ Het is net na lunchtijd, we moeten voor drie uur terug zijn, want dan komt  zijn dochter Ellen om in te pakken. Hij vertelt tegen iedereen die hij tegenkomt dat hij moet worden opgenomen. Onderweg zakt  een van de voetsteunen van zijn rolstoel omlaag en raakt de grond. Ik til zijn grote voet eraf, draai de steun vast en zat zijn voet er weer op. Het is mooi weer en het is druk in het park. Er zijn wel veel vliegen met lange zwarte vleugels, je ziet ze maar een paar dagen per jaar. We maken een zeer grote ronde, uiteindelijk moeten we ons nog haasten om om kwart voor drie terug te zijn. Haastig hollen we over de rails van het treintje dat we overal kruisen. Sal klaagt niet.

            Bij de receptie horen we dat zijn dochter hem al gezocht heeft. ‘Dag meneer Santen,’ zegt een oude man voor de lift. ‘O,’ zegt Sal en richt zich een beetje op in de rolstoel en maakt een gebaar in de richting van de man, ‘ik moet maandag naar het ziekenhuis, geopereerd, duurt zeker 6 weken alles bij elkaar.’ ‘Maandag, dat is morgen,’ zegt de man, en je ziet hem denken: zeg dan ‘morgen’ of heb je niet in de gaten dat dat  morgen is?

            Op zijn kamer staat Ellen zijn spullen te pakken voor de ziekenhuisopname morgen. Voor zeker 6 weken, alles bij elkaar.

            ‘Het gaat beter met de wereld,’ zal Sal op zijn sterfbed zeggen, ‘Soeharto is ook al van het toneel verdwenen.’

            Voor de handtekening in zijn laatste boek ben ik te laat.

________________

De drie boeken van Sal Santen die in het voorjaar van 1998 in één band verschenen waren: Jullie is Jodenvolk, Saartje gebakken botje en De kortste weg, herinneringen aan een jeugd.

De passage die waarschijnlijk voor Sal aanleiding was om te zeggen dat ik het als een interview had gepresenteerd terwijl dat niet zo was, was waarschijnlijk de volgende die buiten het eigenlijke artikel stond.

Toen zijn geliefde Bep was overleden en hijzelf verzorging nodig had, ging Sal Santen in het Henriëtte Roland Holsthuis wonen. Om de naam alleen al. Een van de bestuurders bleek een antisemiet. Nu woont Sal in het joodse tehuis ‘Beth Shalom’. Als atheist beschouwt hij dit als een nederlaag. Als u hem goedgezind bent, zoekt u hem dan eens op.(HetWerk5 pag. 2, 26 september 1997.)

Ik had hier inderdaad moeten schrijven: ‘Als atheist moet hij dit als een nederlaag beschouwen.’ Ik denk dat Sal sowieso de zin pijnlijk vond voor zijn medebewoners en het personeel van Beth Shalom. Hier volgt mijn artikel over Sal Santen:

Sal Santen

De schrijver die niet schreef

Omdat eerst de wereld

Veranderd moest worden

Sal Santen (geb. 1915) werd schrijver toen hij boven de vijftig was. Zijn eerste boek Jullie is Jodenvolk verscheen in 1969, op zijn vierenvijftigste. Zij tweede, Sneevliet, rebel in 1971. Kleine boekjes, uiterst ingehouden geschreven, groot drama. Hoewel er  in latere boeken vaak en eveneens zeer ingehouden en soms nog ‘mooier’ op wordt teruggekomen, staan de grote drama’s van leven en dood in het leven van Sal Santen in deze twee werken: de dood door tbc van zus Saartje, de deportatie in de oorlog van achtereenvolgens vader Barend, moeder Sientje en broer Maurits die niet meer terugkeren, de fusillering door de nazi’s van schoonvader en revolutionair voorbeeld Henk Sneevliet, over wie dan nog bijna terloops vermeld wordt dat hij eerst twee zonen verloren heeft door zelfmoord, de laatste, Pam, omdat hij niet naar de Spaanse burgeroorlog mocht.

Natuurlijk zou Pam terugkomen. Pam bleef weg, een dag, een week. Dan was hij toch naar Spanje gegaan. Groot gelijk. Als hij het werkelijk had gemeend met dat dreigement was hij nu al lang gevonden. Over enige weken zou er wel een brief uit Spanje komen.

Maar Pam kwam te voorschijn toen het ijs ging smelten op de sloten rond Amsterdam, na een koude februarimaand.

Grote drama’s, met minder woorden beschreven dan de dood van poes Mimi, waaraan de jonge Sal in zijn onnozelheid schuld heeft. Hoewel, zoals ik zei, de grote drama’s herhaaldelijk terugkomen in later werk. Zoals in De B van Bemazzel (1989) de machteloze frustratie van de volwassen zoon die de vader niet kan overtuigen dat hij, om zijn leven te redden, de stansmachine uit de schoenmakerij moet afstaan aan de schoenmakerij van de Joodse Raad. ‘Ben je wel goed bij je hoofd jij?’ of woorden van gelijke strekking, krijgt hij te horen. Het kort daarop volgende afscheid grijpt je naar de keel.

Steeds is er hoop, vaak waarschijnlijk tegen beter weten in. Zo verhuist het jonge gezin Santen nog in de oorlog naar een grotere woning, want er  moet immers voldoende plaats zijn voor hen die terugkeren. Zo moet er voor de revolutie steeds nog een schepje bovenop gedaan worden, een laatste ruk gegeven worden, want al staat hij dan nog niet op wereldschaal voor de deur, dan toch wel in Zuid-Amerika of in Algerije.

De wereld veranderen

Voor Sal Santen moet de wereld veranderd worden. Want de armoe in die wereld heeft de dood van Saartje, gestorven aan tbc, op zijn geweten. En het nazisme heeft de vader, de moeder, de broer en de revolutionaire schoonvader Sneevliet en bijna het hele joodse volk vermoord. En het kapitalisme heeft twee wereldoorlogen veroorzaakt en met zijn kolonialisme de rest van de wereld uitgebuit. Genoeg redenen om revolutionair te worden. En Sal volgt het spoor van Leon Trotski die volgens hem de vlag van de socialistische revolutie heeft hooggehouden.

Maar hij wil ook een gezin terug zoals de nazi’s er een van hem hebben afgenomen: met 3 kinderen.

Verscheurd

Tientallen jaren lang  moet  hij verscheurd geweest zijn tussen ‘grote’ en ‘kleine’ belangen, tussen ‘algemeen’ belang en ‘eigen’ belang, tussen ‘revolutie’ en ‘kleinburgerlijkheid’, zoals dat in kringen met een groot doel voor ogen heet.

Tussen wereldrevolutie en gezin. Twee keer heeft de wereldrevolutie of de reactie daarop hem zelfs voor meer dan een jaar totaal van zijn gezin gescheiden: de eerste keer van november 1952 tot december 1953 als hij door de Vierde Internationale naar Zuid-Amerika wordt gestuurd, de tweede keer als hij in juli 1960 vanwege steun aan het Algerijnse verzet tegen het Franse kolonialisme samen met zijn voorman Michel Raptis 13 maanden in een Amsterdamse gevangenis moet doorbrengen. Beide periodes heeft hij beschreven in Adiós Companeros!(1974), in een herziene uitgave herdrukt in de politieke trilogie Poste Restante Rood (1986). Over de tweede periode heeft hij bovendien het brievenboek Dapper zijn omdat het goed is (Brieven uit de cel, 1993) gepubliceerd. De hier en daar in het artikel dat u nu leest afgedrukte fragmenten uit brieven aan zijn vrouw Bep zijn uit de Zuid-Amerikaanse periode.

Er zijn ook paters aan boord, waaronder vreselijke types.

Een Italiaanse matroos zegt tegen een Spanjaard dat ze Franco zijn keel moeten afsnijden. De Spanjaard beaamt het, maar kijkt angstig om. (…) Een Franse arbeider die naar Dakar moet: In Frankrijk geen derde wereldoorlog meer, dan komt er revolutie. Nog erger, interrumpeert de dikke Syriër verschrikt.

(uit brief aan Bep, geschreven aan boord van schip naar Zuid-Amerika, gepost op 14/11/1952 in Dakar)

MAAR er moet een derde belangrijke reden tot verscheurdheid in het leven van Sal Santen zijn geweest: het schrijven. Literair proza schrijven. Niet het schrijven van artikelen over de wereldrevolutie of verslagen van partijbijeenkomsten of het stenograferen van verhalen van anderen (hij was met een onderbreking van 4 jaar [1952 – 1956] van 1950 tot 1970 redactiestenograaf bij Het Vrije Volk). Behalve dat hij de wereld wilde veranderen, moet hij ook altijd al het plan gehad hebben om de grote drama’s in zijn leven te beschrijven  en het  opgroeien van een ‘jodenjongetje’ dat niet wist dat het een jodenjongetje was tot het door hatelijke anderen daarop werd gewezen: ‘Hee, smousie, wat doe jij hier eigenlijk?’ (in Jullie is Jodenvolk (1969) Het moet toen 1922 en hij moet toen zeven geweest zijn en net met zijn familie naar Tuindorp-Oostzaan verhuisd, in het uiterste noorden van Amsterdam, ver van de Jodenhoek waar zijn grootouders wonen  en ver van de Jordaan waar hij is geboren. Zijn vader roept hem binnen en zegt dat hij er voortaan op moet slaan als ze hem nog eens uitschelden. En dat terwijl hij Salie altijd verboden heeft om te vechten!

Literatuur komt in het werk van Sal Santen niet voor. Alleen in een ‘reflecterend’ boek als Schimmenspel (filmdagboek 1982, n.a.v. een film over zijn leven Sal Santen rebel door Rudof van den Berg). Zijn moeder heeft eens gezegd: ‘Die jongen moet in een bibliotheek werken.  Hij houdt zo van boeken.’ Ironisch genoeg zal dat pas gebeuren als hij in 1960 vanwege zijn revolutionaire werk in de gevangenis komt.

Ik ben maar een matig schaker, maar als je ziet hoe hier gespeeld wordt, erbarmelijk gewoonweg. Tot nu toe heb ik nog geen kans gehad mijn krachten te meten. Eén spel op zoveel mensen, probeer dan maar eens aan de beurt te komen als je alleen bent.

(uit brief aan Bep, geschreven aan boord van schip naar Zuid-Amerika, gepost 14/11/1952 in Dakar)

(Omdat je de geschiedenis kent, heb je ironisch genoeg de neiging te zeggen: ‘Rustig maar, Sal, over 9 jaar, in de cel, krijg je alle kans.’ Zie o.a het verhaal ‘Brammetje’ uit Deze vijandige wereld (1972)

In zijn jeugd moet zijn broer Maurits hem samen met een vriend eens een boek gegeven hebben waarin ze geschreven hadden: ‘Van 2 acteurs voor een auteur.’ In Adiós Companeros! zegt hij dat hij één keer op het punt stond om tegen zijn politiek leider en vriend Michel Raptis te zeggen dat hij eigenlijk altijd had willen schrijven, maar hij slikt het  in, want hij vindt dat hij het dan maar waar had moeten maken.

En zo wordt en blijft de revolutionair Sal Santen de eerste vijftig jaar van zijn leven een gemankeerd schrijver. Want schrijven en literatuur zijn zo opvallend afwezig dat ze niet anders dan verdrongen kunnen zijn. Zoals bij een droogstaande alcoholist ook dat ene glaasje niet kan, uit angst voor een terugval.

De brieven, vooral die van begin vijftiger jaren vanuit Zuid-Amerika maar ook die van begin zestiger jaren uit de cel, zijn hét voorbeeld van brieven van een schrijver die zichzelf (nog) niet toestaat schrijver te zijn. In de brieven uit Zuid-Amerika schrijft hij zich nergens uit, nooit gaat hij in op wat hem werkelijk bezighoudt, geeft hij zelfs maar een beschrijving die meer dan een alinea beslaat. En als je dan weet, uit o.a. Adiós Companeros!, wat hem allemaal voor ellende overkomt, dan moet er sprake geweest zijn van opzettelijke beperking.

Minder gunstig waren mijn eerste ervaringen. Er waren weer lichtzinnige beloften gedaan, en niet alleen ik was daar het slachtoffer van, maar ook de man die mij geholpen heeft. Ik zat vreselijk in de put en durf het je nu te schrijven.

            (uit brief aan Bep, Santiago, 13 augustus 1953)

Natuurlijk had die beperking op de eerste plaats als reden dat hij het in Nederland achtergebleven gezin niet  ongerust wil maken of ontmoedigen. Bep en kinderen hebben het immers al moeilijk genoeg, zelfs het geld voor hun onderhoud arriveert aanvankelijk niet op tijd. Bovendien blijft het de bedoeling dat ze hem achterna komen.

Maar dan nog, dan had hij toch over wat ‘onschuldiger’ zaken wat meer uit kunnen weiden. Maar als hij dat zou doen, zou hij aan het ‘schrijven’ raken en dan zouden die andere zaken ook opduiken, want schrijven betekent ‘reflectie’, je afvragen waar je mee bezig bent, en daar mocht hij niet bij stilstaan, hij moest vooruitkijken, het grote doel voor ogen houden. En bovendien, als hij zou gaan schrijven dan toch niet over zulke dagelijkse problemen, dan toch op de eerste plaats over de grote drama’s van leven en dood in zijn bestaan! Daar moest hij mee beginnen, dat was hij aan de nagedachtenis verplicht.

En zo is het ook gegaan. Hij wist toen nog niet dat de breuk met de revolutionaire beweging het volgende grote drama in zijn leven zou worden, en zijn andere literaire thema. Al zou het nooit zo’n belangrijk thema worden als het opgroeien met twee wereldoorlogen en alles wat daarmee te maken had, dat wil zeggen, als de eerste dertig jaar van zijn leven. Ondanks de aandacht in de pers voor juist vooral het thema van de breuk met de revolutionaire beweging, voor Adiós Companeros! dus.

Hij zal genoten hebben van het vertrouwen dat hij genoot, dat hem deed gekozen worden tot in het hoogste orgaan van de beweging, hij zal de voldoening hebben gehad dat hij wat deed voor de bevrijding van de onderdrukte volkeren. Maar hij moet ook steeds om zich heen gekeken hebben of er niemand dat praktische werk kon overnemen. Hij moet ermee doorgegaan zijn omdat anderen het minder goed deden: dan maar zelf doen, dan gaat het uiteindelijk beter en sneller. Maar hij moet ook al die tijd geweten hebben dat hij ergens anders toch nog beter en unieker in was: schrijven. En dat dat uiteindelijk dus ook zijn taak was.

Ik raad je aan om de onverkorte vertaling van Don Quichot te lezen. Don Quichot is hier erg populair. Grappen, vergelijkingen en dergelijke worden vaak aan hem ontleend, in alle kringen.

            (uit brief aan Bep, Santiago 24 augustus 1953)

En als de REVOLUTIE dan nog eens bepaald en belemmerd wordt door fractiestrijd, door onbetrouwbaarheid, door kinnesinne, dan wordt de innerlijke verscheurdheid tussen revolutie, gezin en schrijven van de mens Sal Santen steeds groter.

Hij keert pas terug uit Zuid-Amerika als zijn vrouw ernstig ziek wordt. Ze heeft nog getelegrafeerd ‘Blijf daar!’ maar haar lichaam geeft een ander signaal. Na ruim een jaar komt hij terug uit Zuid-Amerika en van de plannen om met zijn gezin naar daar te vertrekken komt niets meer terecht.

Aan het eind van dit jaar vol verrassingen, complicaties en zorg, zit ik dus op de boot, op weg naar m’n Beppeke en m’n jongens. Wat zullen we blij zijn, Bep, als we weer bij elkaar zijn. Dan blijven we bij elkaar, eerst in Amsterdam, en dan, naar Amerika.

            (uit brief aan Bep, 13 oktober 1953)

Afgejakkerd

Maar er verandert in de jaren daarna niet veel. Het blijft hollen, nog even alles op alles zetten. Binnen tien jaar is het voorbij. Dan is er ofwel een derde wereldoorlog of een socialistische wereldrevolutie. Nog even volhouden, Sal, zegt zijn leider Michel Raptis.

En ze begrijpen niet dat als hij een reis maakt voor de beweging naar Rome, Parijs of Algiers, dat hij, ‘de kleinburger’, de volgende dag weer gewoon op zijn werk moet zijn, in de nachtdienst. Hij holt van hot naar haar, jakkert zich zo af dat hij zijn been breekt. Er zijn complicaties, hij ligt maanden in het ziekenhuis. Komt dat even slecht uit voor de Beweging! Kameraad Santen wordt zo snel mogelijk terugverwacht om zijn werkzaamheden te hervatten! En in het ziekenhuis kan hij toch ook heel wat doen…

Niet kiezen

Hij kan de revolutie en zijn grote voorbeeld, Michel Raptis, niet in de steek laten. Hij kan niet kiezen, met zijn verstand kan hij geen afstand nemen van de beweging. Wat geeft hem het recht om niet langer te vechten tegen sociaal onrecht?

Dan maakt zijn lichaam de keuze voor hem en weigert nog langer dienst. Hij krijgt, zonder aanwijsbare reden, twee keer een longontsteking. En bovendien gaat hij opnieuw in therapie bij een psychiater die hem in de oorlog ook al eens tijdens een moeilijke periode heeft bijgestaan.

Dan kan hij eindelijk schrijver worden, het vak waarvoor hij, na alles wat hij in zijn leven zowel om den brode als om te wereld te veranderen heeft gedaan, het meeste talent heeft. Maar makkelijk zal hij het zichzelf niet maken: al schrijvend zal hij de eerste vijftig jaar van zijn leven opnieuw beleven en proberen te begrijpen. En wat valt er te begrijpen?

De grote thema’s

Vooral het boek Adiós Companeros! kreeg veel aandacht in de pers: de revolutionair, de hoge pief in de Vierde Internationale, die door zijn beweging een jaar naar Zuid-Amerika was gestuurd om daar de revolutie voor te bereiden, die in de gevangenis had gezeten vanwege steun aan het Algerijnse verzet, de man die tientallen jaren als communist (trotskist) actief geweest was, en nu met de beweging had gebroken en die allerlei intriges en kinnesinne van binnenuit beschreef, dát was interessant! En dat in een tijd dat sinds provo in Nederland en de culturele revolutie in China en mei ’68 in Frankrijk en de Maagdenhuisbezetting in Nederland juist allerlei radikaallinkse stromingen vooral onder jongeren zeer populair waren.

In een interview in Vrij Nederland van 1982 zegt Igor Cornelissen tegen Sal Santen dat hij zonder de Vierde Internationale als schrijver minder te melden had gehad. Maar hoe belangrijk ook in het leven van Sal Santen, achteraf, nu, weten we dat (de breuk met) de revolutionaire beweging maar een betrekkelijk klein deel van het literaire werk van Sal Santen inneemt. Eigenlijk maar één boek, 220 bladzijden, Adiós Companeros! dus. Het filmdagboek Schimmenspel gaat daar natuurlijk ook wel over, maar dat is geen gewoon boek, dat is een reflectie op de reflectie van de filmer Rudolf van den Berg  op zijn leven en vooral op zijn verhouding met Michel Raptis. In hetzelfde Schimmenspel staan een paar nooit eerder of later gepubliceerde fragmenten in romanvorm die de verhouding tussen hem en Michel Raptis beschrijven. Hoewel je begrijpt wat Sal Santen bedoelt, zijn het niet de beste stukken die hij geschreven heeft. En ook Adiós Companeros! is niet zijn beste boek, hoe belangrijk voor Sal persoonlijk en sociaal-historisch ook. Daarvoor moet er te veel verteld, uitgelegd en betoogd worden, wordt er misschien te veel begrip gevraagd en te veel geprobeerd te begrijpen wat er gebeurd is. Toen Multatuli, in Max Havelaar, wist dat hij veel zou moeten betogen (‘De Javaan wordt onderdrukt!’), kwam hij op het idee om dat af te wisselen met de verhalen van Droogstoppel en van Saïdja en schiep een van de meesterwerken van de wereldliteratuur. Waarmee, met een knipoog, gezegd is dat veel betogen en veel begrip kweken zonder meer, een moeilijke zaak is in de literatuur.

Maar het meesterlijke van Sal Santen ligt dan ook in zijn andere grote thema.

Meesterlijk

Het meesterlijke van Sal Santen ligt in het beschrijven van de eerste dertig jaar van zijn leven. Twee wereldoorlogen en de tijd daartussen. De grote drama’s van leven en dood die zich in de wereld en in zijn naaste nabijheid afspelen. Dit alles zeer ingehouden beschreven, door alleen te laten zien. Er valt niets te betogen, niets te begrijpen. Al vraagt hij zich wel voortdurend af hoe het kon gebeuren en houdt hij er een slecht geweten aan over. Bijna al zijn boeken gaan hier over. Mijn favorieten zijn: Jullie is Jodenvolk (1969), Sneevliet, rebel (1971), Saartje gebakken botje (1983) en De B van Bemazzel (1989).

Er zijn, behalve de hierboven genoemde thema’s, twee andere onderwerpen: de gevangenis en zijn ervaringen als werknemer bij Het Vrije Volk (De Rode Burcht). De gevangenis levert de beste verhalen op.

Liefdesverhaal

Maar behalve dit alles is Sal Santen ook de schrijver van  een van de mooiste liefdesverhoudingen die ik ken: die tussen Jules en Jeltje in Brand in Mokum (1977). Of moet ik zeggen: die van Jeltje voor Jules, want die is het prachtigst uitgebeeld? Maar of de geliefde nu Liesje (in Stormvogels, 1976), Jeltje of gewoon Bep heet, het is altijd Bep, het is altijd de ontroerende liefde van Bep voor haar ‘jongen’.

Dit steekt het prachtige ‘liefdesverhaal’ (over Engeltje en haar ‘jongen’) van Hans Fallada, Wat nu, kleine man?, naar de kroon. En het is natuurlijk een superieur eerbetoon aan de vrouw zonder wie Sal Santen geen revolutionair en geen schrijver geweest zou zijn.

Brand in Mokum

Brand in Mokum is ook in andere opzichten een bijzonder boek. De hallucinaties en dromen zijn zo goed geschreven als in Dennis Potters De Zingende Detectieve. Sal Santen splitst zich in dit boek op in 3 andere personages: de hoofdpersoon Jules die uiterlijk niet op hem lijkt maar voor de rest wel, Salz die een karikatuur is van het uiterlijk van Sal, en Sander over wie Salz een oorlogsverhaal heeft geschreven.

Hier komen liefde, lichamelijke en psychische problemen, de oorlog, de jeugd, de gevangenis, Het Vrije Volk, en, niet te vergeten, humor samen. Brand in Mokum is een (zeer onderschat)  literair meesterwerk.

In 1990, op vijfenzeventigjarige leeftijd, bij het verschijnen van zijn bundel Een slecht geweten, noemde Sal Santen zichzelf  ‘uitgeschreven’, zijn leven was in kaart gebracht. Hij publiceerde daarna nog  de van notities voorziene brievenbundel Dapper zijn omdat het goed is (1993) en De nalatenschap van Henk Sneevliet (1995).

Ik ben de laatste die Sal Santen op twee-entachtigjarige leeftijd zijn rust misgunt. Maar ik weet dat het schrijven in zijn hoofd doorgaat, al zijn de lichamelijke mogelijkheden beperkt. In een groots boek als Brand in Mokum heeft hij aangetoond dat zijn literaire mogelijkheden niet beperkt zijn tot wat hij heeft meegemaakt.

————————–

Ik voegde er destijds nog een stukje aan toe over het Letterkundig Museum en noemde het het

Literair Museum

Het is bekend dat Sal Santen bij het Literair Museum de brieven van zijn zus Saartje niet kwijt kon. Waren het nou brieven van hemzelf, de schrijver geweest, dan wel. Is de bekende pijp van de schrijver, die in zijn werk geen rol speelt, belangrijker dan gegevens over en van een van de belangrijkste personages uit het werk van Santen? Saartje komt in elk boek voor.

Boeken van Sal Santen

  1. Jullie is Jodenvolk (1969);
  2. Sneevliet, rebel (1971);
  3. Deze vijandige wereld (1972)
  4. Adiós Companeros! (1974);
  5. Een geintje (1975);
  6. Stormvogels (1976);
  7. Brand in Mokum (1977);
  8. De kortste weg (1979);
  9. Brieffragmenten (bibliofiel, 1981);
  10. Schimmenspel, filmdagboek (1982);
  11. Saartje gebakken botje (1983);
  12. Poste Restante Rood (Sneevliet, rebel; De Rode Burcht; Adiós Companeros!, 1986);
  13. Heden kijkdag (1987);
  14. Kinderdief (1988);
  15. De B van Bemazzel (1989);
  16. Een slecht geweten (1990);
  17. Dapper zijn omdat het goed is (brieven, 1993);
  18. De nalatenschap van Henk Sneevliet (1995);
  19. Een veertje in de wind (gedichten, niet in de handel, 1995);
  20. Jullie is Jodenvolk, De Kortste Weg en Saartje gebakken botje in één band (1998).

Op 25 juli 1998, 10 jaar na zijn dood, is van Sal Santen geen enkel boek nieuw verkrijgbaar!

Anno 2021 zijn de meeste van zijn boeken (slechts) als E-boek verkrijgbaar, een enkel ook nog tweedehands.

Mooi en interessant is ook het boekje van dochter Ellen Santen: Aan twee minuten stilte heb ik niet genoeg (1983)

DE WILDEMAN TWEE (uit Aan de lange Weg)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was, Zeelst zoals het was en Oerle zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

(Zie ook DE WILDEMAN EEN:
De Wildeman Een (uit Aan de Lange Weg van Meurs A.M.) – Meursam

De Wildeman Twee

“Laten wij het verhaal van de Wildeman dan maar afmaken en weer eens vooruitblikken in de tijd,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen.

(illustratie Ufuk Kobas)

            De Wildeman verdween op de dorpen een beetje uit beeld, hij scheen zich meer in de stad op te houden. Hij zou zelfs getrouwd zijn en gekalmeerd en zelfs al een paar kinderen hebben. Ook had hij een prijs gewonnen met zijn schilderijen. De beroemde schrijver – zelfs van de tv! – Louis Paul Boon, zou door weer en wind uit België zijn gekomen om een ten­toonstelling van hem te openen.

            “Dus hij kan echt wat,” zeiden zijn vroegere dorpsgenoten.

            Maar daar stond dan weer het gerucht tegenover dat hij met zijn kunst gestopt was en alleen nog maar ging vissen.

            Terwijl anderen weer zeiden dat hij al jaren bij Philips werkte en niets meer met zijn vroegere leventje te maken wilde hebben.

            “Hij is getrouwd, dat klopt,” zei iemand, “maar heeft zijn vroegere streken nog niet verleerd.”

            Want zijn vrouw, ook niet gek, was op een ochtend in een villabuurt achterom door de tuin gelopen, was door de tuindeuren naar binnen gegaan en had hem daar bij de vrouw des huizes uit bed gehaald.

            “Hoe rijker hoe geiler,” zeiden de mensen.

            Maar wat was er waar van het verhaal – en ook in dit verhaal is hij getrouwd, dus dát zal wel waar zijn – dat er een mooi jong meisje bij hem thuis had aangebeld met de vraag of ze de heer Mens kon spreken, ze had er nog een keer voor terug moeten komen, en toen ze tegenover hem zat, had gevraagd: “Meneer Mens, zou u mij willen ontmaagden, alstublieft?” Dat leek de mensen die hem van vroeger kenden een verhaal dat hijzelf de wereld in had gebracht.

            In werkelijkheid leest hij hele nachten, wist men te vertel­len, alles, Streuvels, W.F. Hermans, Boon, de brieven van Vincent van Gogh, Wilde, Céline, want hij is wel wild maar niet stom, zei men.

            Maar dat moest dan zijn omdat hij zijn leven gebeterd had nadat hij in Veenhuizen had gezeten en was afgekickt.

            “Zijn leven gebeterd? Welnee! Hij is pas nog door zijn beste vrienden in elkaar geslagen.” Hij had de vrouw van een van zijn vrienden gepakt na een gezamenlijk avondje met vrienden en hun vrouwen. Maar dat was niet de reden. Hij had haar mee naar zijn atelier genomen, daar had hij wat linnen en andere rotzooi op de vloer gelegd en hadden ze liggen pinnen, zoals hij het noemde. Alle honden van de buurt hadden de hele nacht geblaft. En dat was de reden dat de bedrogen man, die ook in die buurt woonde, zo woedend was geweest: hij had geen oog dicht kunnen doen.

            “O, daarom is hij natuurlijk een tijd in Antwerpen ondergedo­ken,” zei iemand. En dat niet alleen, hij scheen terwijl hij daar was zelfs helemaal geen alcohol gedronken te hebben. Wilde zeker niet riskeren dat hij nog eens in elkaar werd geslagen terwijl hij dronken was.

            Nounou, komkom, dan zou hij ook op moeten houden met zelf allerlei verhalen rond te strooien. Want daar zit hij op de vroege morgen bij De Poort van Kleef met een grote pils voor zijn neus aan een jonge vriend – is dat niet Jan Weels? – te vertellen: “En drie uur doorgaan zonder erin te komen, en omdat ik zoveel gedronken had kon ik dat volhouden, snap je? En dan eindelijk erin, geloof me dat ze het gevoeld heeft!… van dat degelijke gele spul weetjewel… van onderen beginnen, jonge, en met de snor erdoorheen, dat vinden ze fijn. Ze schrok er af en toe van wat ik deed, maar dan hè, helemaal weg hè! En dat was mooi, vanmorgen wist ze niet hoe ze me buiten moest krijgen – ik zal je de situatie daar wel eens laten zien. Heeft ze hier een kamer vooraan de weg en vlak daarnaast is een slage­rij, en daar hangt nu nog alleen maar een gordijn tussen, tussen haar kamer en de slagerij. En vanmorgen vroeg begon die slager al te hakken, dus moesten we heel stil zijn. Hij riep al een keer: ‘Ja vervelend!… heb ik je wakker gemaakt?… dat is maar een paar keer per jaar dat ik zo vroeg aan de gang moet!…’ Moet je je eigen voorstellen: lig ik daar te neuken en vlak daarnaast staat die slager in het vlees te hakken… Ik dacht: dadelijk komt-ie vast binnen en béng!… Ik moest dus op het binnenplaatsje gebukt langs het raam van de slagerij, heel stil en voorzichtig, loop ik vlug naar de poort… zit die godver­domme op slot, en een schutting zo hoog!, echt niet om over­heen te klimmen – ik zal het je wel eens laten zien, dan klop ik wel een keer tegen haar raam. Dus ik moet weer terug, en dat allemaal in de regen, want ik ben nog kletsnat… moet ik haar gaan halen, godverdomme jongen… komt zij buiten met alleen maar zo`n maillot en een bh aan, weetjewel… en in die regen gaat ze de poort openmaken… en net op dat moment komt de slager buiten, met een grote dampende bak van het een of an­der… Dus in die regen voor die schutting ik daar, zij met alleen maar een zwarte bh en maillot… en dan die slachter met die grote dampende bak, balkenbrij of zo, denk ik. Jongejonge, ik kan nou nooit eens gewoon neuken, altijd moet dat iets aparts zijn… toen daar op die houten vloer van mijn vorige atelier terwijl al de honden van de buurt de hele nacht lagen te blaffen, en nou dit weer!”

            Nee, als je midden in de kroeg zulke verhalen zit te vertel­len, dan wordt het niet rustig rond je. Maar toch raken steeds meer mensen ervan overtuigd dat al die verhalen nooit op het conto van één persoon kunnen worden geschreven. Dat de Wildeman op totaal verschillende plaatsen gelijktijdig is gezien, is daarvan het beste bewijs.


En zo maakte hij van zijn ouderlijk huis een plaats zoals hij dacht dat de echte Wildeman er een moest hebben.

            En dan wordt er inderdaad een dubbelganger gevonden. En niet zomaar eentje. Een dubbelganger die in dezelfde straat in het dorp aan de Lange Weg is geboren, dus alles weet van de achtergrond van de Wildeman. Die zich zijn uiterlijk heeft aangemeten en zich voor hem uitgeeft in de stad en in de dorpen er omheen en zelfs kroegschulden op zijn naam heeft achtergelaten. Het is een man die een jaar of vijf jonger is dan de echte Wildeman en die als jongen door zijn ouders, die een slagerij hadden en in de wereld samen met hun kinderen vooruit wilden, van de dorpsschool werd gehaald omdat hij niet mee kon komen, waarvan de ouders, zoals meer mensen uit de middenstand en ‘het groot’ van het dorp, de school de schuld gaven. Toen moest de jongen die niet kon leren, en waarvoor de stadsschool evenmin hielp, elke dag de kilo­meterslange weg naar de stad fietsen terwijl hij wist dat het niks uithaalde. Toen al moet hij gedacht hebben dat hij op een andere manier door het leven moest zien te geraken, want dat hij persoonlijk gewoon te weinig had meegekregen. Hij werd dan ook geen slager, laat staan dat hij hogerop kwam, wel bleef hij in het ouderlijk huis wonen dat allang geen slagers­winkel meer was sinds zijn ouders dood waren. Sommigen dachten aan een kringloop-winkel, want die kwamen toen in de mode. Maar hij verkocht niets, hij verzamelde in en rond het huis allerlei rommel waar hij niets mee deed, en gooide evenmin iets weg. En zo maakte hij van zijn ouderlijk huis een plaats zoals hij dacht dat de echte Wildeman er een moest hebben.

            Maar de ontdekking van deze dubbelganger deed dan weer het gerucht toenemen dat er misschien wel drie Wilde­mannen waren en dat de echte zich allang had teruggetrokken en al dertig jaar bij Philips werkte en binnenkort met pensioen ging.

            Toch wilde weer een ander verhaal dat de Wildeman een succesvol kunstenaar was, die door de bekende museumdirecteur Rudie Fuchs was ontdekt, en met hem naar Amsterdam was verhuisd en exposeerde in de belangrijkste musea ter wereld.

 …en ook die ‘godverdommese bloedmooie meid van een Petra’ nooit meer noemt…(pag. 237 Aan de Lange Weg, illustratie Ufuk Kobas)           

Niemand weet het.

            “Maar ik weet wel,” zegt iemand, “dat de echte Wildeman gestopt is met het vertellen van verhalen over vrouwen en ook die ‘godverdommese bloedmooie meid van een Petra’ nooit meer noemt, nadat hij haar onverwacht heeft aangetroffen bij zijn ouders thuis die toen nog leefden: een oude vrouw met spierwit haar die zei dat ze maar eens opstapte omdat ze nog moest poetsen. En die dus blijkbaar door de smetvrees was gegrepen, net als vroeger buurvrouw Van de Stal, bij wie ze nog ooit aan de deur was geweest voor een betrekking, en die de kolenkist vanbinnen schrobde.”

            En de vrouw van de Wildeman zou gezegd hebben: “Het is maar goed dat hij haar zo eens heeft gezien, hij altijd met zijn verhalen!”

            De Wildeman zelf had haar naam nog één keer genoemd toen hij haar broer aanhaalde: “Onze Petra zou nooit gek zijn geworden als ze met jou was getrouwd.”

            Daarna noemde de Wildeman haar naam nooit meer. En ook schepte hij nooit meer op over andere vrouwen. Dus als er toch nog zulke verhalen de ronde doen, dan komen die vast van zijn dubbelgangers.

            “Ziezo,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen.


(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M., geïllustreerd, hier graag bestellen via mijn Boekwinkeltje Wonderland, in nieuwstaat en zonder verzendkosten. U koopt rechtstreeks bij de schrijver die de kosten voor de uitgave zelf gefinancierd heeft. Zo u wilt, gesigneerd. Hartelijk dank!)

20 Jaar geleden stierf MOEMOE (uit Aan de lange Weg)

20 Jaar geleden stierf MOEMOE
Dat kwam zo in Aan de Lange Weg terecht:

<Dan moemoe. Die ging zoals ze zesentachtig jaar geleefd had, rustig haar plicht doend, en vooral zonder ophef. Hoewel, spectaculair was haar dood toch heel even, in ieder geval van dichtbij. Haar temperatuur steeg tot ongekende hoogte, tot drieënveertig graden. De digitale thermometer sprong stuk en ook twee haastig opgehaalde gewone thermometers begaven het. Toen zuchtte ze en was dood. Buiten de paar vierkante meter van de ziekenhuiskamer had niemand iets gemerkt, zelfs de vrouw in het bed naast haar sliep rustig door. Maar A.M. luisterde, nadat hij haar dood telefonisch had doorgekregen, vijftig kilometer daarvandaan naar de radio en merkte dat hij verwachtte dat ze haar overlijden bij het nieuws zouden melden. Hij hield dat zo een paar dagen.>

Uit het hoofdstuk: ER VALLEN WEL VEEL DODEN: https://meursam.nl/?p=1163

DE VROUWEN VAN DE EERSTE HUIZEN: ER VALLEN WEL VEEL DODEN… SCHRIJVEN TEGEN DE VOORUITGANG? ‘MIJN ZOON IS DOOD!’ JAMMERT HANNA BOSMANS VAN DE EERSTE HUIZEN
Op facebook met foto’s en bijbehorende hoofdstukken/ verhalen: https://www.facebook.com/ton.meurs.7/posts/3851029394916030

De dood van mijn vader (in het hoorspel De Gekke Onderwijzer en in de special HetWerk43 uit 2006 over het theaterboek Spelen)

(in mijn ‘werk’)


6 juli 2021
Vandaag is het 45 jaar geleden dat mijn vader, Theo (Theet) Meurs overleed. Zijn dood beschreef ik kort in het hoorspel De Gekke Onderwijzer. Naar aanleiding van het verschijnen van het boek Spelen met 4 theaterstukken, waaronder dat hoorspel, maakte ik een Theaterspecial van mijn literair kladschrift HetWerk43 uit 2006 met als titel De dood in vele gedaanten. Zie hieronder Waar de doden vandaan komen, de inleiding en de uitleg bij deze special, eveneens in HetWerk43.
De eerste dode over wie ik daar schreef was mijn vader. Theet Meurs werd geboren op 29 juni 1906 in Gelderland. In 1929 verhuisde hij naar Veldhoven in Noordbrabant. Daar bleef hij wonen tot aan zijn dood. Theet staat model voor Leo Weels in de roman Aan de Lange Weg.

Mijn vader

De dood van mijn vader was puur drama, en dat was het ook zowel ervoor als erna. Hij was bezig zijn horloge aan zijn grote teen te doen. Daar kun je om lachen. Maar daaraan zag mijn moeder dat het mis was. Hij wilde zich aankleden om naar het ziekenhuis te gaan voor controle. Na jarenlange pijn was hij aan zijn been geopereerd en nu ging het beter. De dag ervoor had hij zijn zeventigste verjaardag gevierd. Hij overleefde die eerste hartaanval. Als hij niet binnen vijf dagen een nieuwe zou krijgen, was de kans groot dat hij er weer bovenop zou komen. Op de vierde dag mocht hij van de intensive care. Aan de tafel in de ziekenhuiskamer zaten drie kamergenoten klaar om te gaan kaarten. Ze zeiden: “Theet, kom je?” Toen hij niet reageerde en ze naar hem keken zat hij dood in de kussens.

De acht kinderen hadden onderling contact over de bezoekregeling. Er waren nog geen mobiele telefoons. Men wist wanneer wij kwamen. Mijn broer kon me daarom al op het station opvangen.

Een van mijn zussen had minder geluk. Op haar ervaring is het begin van de scène hiernaast gebaseerd.

Wanneer iemand zei: “Nou ja, zeventig,” dan werden we kwaad, want we hadden helemaal niet het idee dat hij oud was, bovendien was hij het pas net. Op zijn zevenenvijftigste had hij op de bouw moeten stoppen vanwege de pijn in zijn heup en benen. Zijn collega’s moesten hem op zijn brommer zetten en hem aanduwen. Thuis stapte hij af door zich met brommer en al tegen de muur van het smalle gangetje tussen de woningen te laten zakken.

Toen hij na jarenlang gesukkel en pijn geopereerd was, leek hij van zijn oude dag te kunnen gaan genieten. Hij werd ook milder, zijn humor kwam boven, misschien door de afwezigheid van pijn.

Ik woonde al acht jaar in Amsterdam. Hij was nooit op bezoek geweest. Misschien wilde hij niet weten dat ik ongehuwd samenwoonde. Een paar weken voor zijn dood kwam hij opeens. Had hij iets voelen aankomen?, denk je dan achteraf.

Door zijn plotselinge dood was de eerste week van onze vakantie komen te vervallen. Kort na de begrafenis zaten we op een zondagochtend in de brandende zon op een paard dat in de Franse heuvels achter andere paarden met ruiters aan sukkelde. Toen er een kerkklok begon te luiden kreeg ik het te kwaad.

Hij heeft maar twee van zijn acht kleinkinderen gekend. De zelfmoord van zijn dochter is hem bespaard gebleven. Het heeft jaren geduurd voor ik in staat was de scène van hiernaast op te schrijven.

GEKKE ONDERWIJZER: (normale stem, wel enigszins ge­jaagd)
Ik kwam op bezoek
wist van niks
hij was niet op zaal
ga zuster zoeken
trek gordijnen opzij
stoot op hem:
dood! (
wacht)
dat bleke gezicht
de ogen een beetje open
ik gil het uit…
(
stilte)
maar even later
als de anderen erbij zijn
is zijn voorhoofd ijskoud
aan mijn lippen

en wij staan daar verbijsterd
in dat rommelhok
waar een paar te snel
dichtgetrokken gordijnen
mijn vader afscheiden
van de dingen die alleen
met elkaar gemeen hebben
nergens anders een plaats te hebben
en ik schop woedend tegen een bed
als een priester profiteert:
‘heer, zie de droefheid van deze mensen’
en schreeuw: ‘sodemieter op!’
en het deed me goed te horen
dat hij die zo vroom was
al die dagen op de hartbewaking
niet naar een priester had getaald.

(uit De Gekke Onderwijzer, pag. 116, 117)

Uit:
HetWerk
(toen nog!) Maandelijks literair kladschrift van Meurs A.M.
9e Jaargang
Nr.43, 24 januari 2006
www.meursam.nl
hetwerkliterair@hotmail.com

Waar de doden vandaan komen

Dit is een theaterspecial die ik heb gemaakt ter gelegenheid van de ver­schijning van mijn boek Spelen. Dat wil in dit geval zeggen dat hij over mijn toneelstukken gaat. Maar het gaat niet over toneel. Het gaat over de tekst. Over de dood in de tekst dwars door alle toneelstukken heen. Vaak is het de dood van familieleden, van bekenden van mij, de schrijver van de stukken. En het personage dat over de dood van zijn vader vertelt, die in feite de dood van mijn vader is, is een totaal ander karakter dan het personage dat over de dood van zijn moeder, die in feite mijn moeder is, vertelt. Ze zitten niet eens in hetzelfde stuk en ze zijn ook geen familie van elkaar. Wat betekent dat? Dat betekent dat ik totaal verschillende karakters in totaal verschillende omstandigheden een stukje uit mijn le­ven, een stukje dood uit mijn leven heb meegegeven. Zo ver ben ik ge­gaan om me in het karakter in te leven. En toch zijn deze karakters geen alter ego’s. (Zie het voorwoord uit het boek Spelen dat achter in dit nummer van HetWerk staat.)

Dit nummer van HetWerk gaat over de dood in vele gedaanten. Dat is een mooie uitdrukking, mooier dan de dood in vele vormen of op veel manieren. Gedaante maakt de dood tot een levend wezen: de man met de zeis, Pietje de dood. De tuinman en de dood. Ispahan. De dood als meisje van acht. Ook prachtig. “Tenslotte werd zij de moeder van te veel dode kinderen.” Heel mooi. Over de net gestorven moeder, die het niet meer zag zitten toen ze vier van haar, ik meen, zeven kinderen had overleefd. De dood in deze, zojuist genoemde gedaanten komt niet voor in mijn toneelstukken.

De dood heeft in mijn toneelstukken, en dus ook in dit nummer van
HetWerk, wel de gedaante van mijn vader, mijn moeder, mijn zus, mijn oom, van de dichter Frans Babylon, verschillende buurvrouwen en enkele andere doden die ik niet persoonlijk gekend heb. Ten opzichte van het boek zijn er in dit nummer van HetWerk zelfs weer enkele doden bij gekomen, zoals mijn buurman, de filmmaker Emil Busurcã. De dood in de gedaante van de doden, de dood soms ook in de gedaante van de daders. De on­verwachte en de gewenste dood, de dood als ouderdom, de dood als moord. De moord op eigen houtje, de moord van staatswege, met het recht en God aan zijn kant. De dood als oorlog, de dood als genocide. De zelf gewenste dood, de zelfmoord, de dood als verlossing.

Ik was me er niet van bewust, en ik was zeker niet van plan, dat het hoorspel De Gekke Onderwijzer over de dood zou gaan, ik wilde oor­spronkelijk gewoon die onderwijzer in de kerk en in zijn bibliotheek laten zien.

Voor de stukken zelf is het niet zo interessant waar de doden vandaan komen, ze hebben gewoon hun functie in het stuk. Maar ik moet toege­ven dat je niet zomaar iemand de dood van je vader of moeder laat ver­tellen, als waren het zijn vader en moeder. Als we het over het stuk
Srebrenica of de mandaad hebben: ik ben geen bewonderaar van de Oudere Militair, ik vind het een beetje een lul, maar wel van een lulligheid die ook bij onszelf altijd op de loer ligt. Hij “mag” wel de dood van mijn/zijn moeder vertellen. Het is volkomen ondenkbaar dat de Vluchte­ling/Generaal uit hetzelfde stuk dat zou mogen of een bruut als soldaat Herman.

Is het voor de toneelstukken zelf niet zo interessant, voor HetWerk, dat niet alleen de proeftuin is voor nieuw werk maar ook achtergrond wil ge­ven bij geschreven werk, kan wel de keuze gemaakt worden om aan te geven, op de eerste plaats, dat die doden in vele gedaanten er zijn en, op de tweede plaats, waar ze vandaan komen.

Temeer omdat de schrijver zelf zich daar ook eerst van bewust moest worden.

Spelen, 4 theaterstukken van Meurs A.M.
Aan de Lange Weg, roman

De Wildeman Een (uit Aan de Lange Weg van Meurs A.M.)

(Nieuwe FB-pagina’s als Oerle zoals het was,Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)
(Op Facebook met illustraties)
(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M., verkrijgbaarheid, bestellen, illustraties)

De Wildeman Een

Midden jaren vijftig van de 20e eeuw is de Wildeman nog geen wildeman maar een magere jongen die Dolf heet en die van tekenen en Van Gogh houdt, en misschien ook wel van de bloedmooie Petra Donkers, bij wie hij op deze zaterdagmiddag achteromloopt, over het tegelpaadje langs de zijmuur van haar huis waar de voordeur zit, met links van hem de voordeur van Van Zand. Hij doet de poort in de manshoge schutting open en fluit een deuntje van Bix Beiderbecke.

            Petra staat zich in zwart broekje en bh te wassen aan de gootsteen naast het raam. Ze kijkt even onderzoekend het binnenplaatsje op en doet dan haar bh af. Dolf komt de poort door en deinst achteruit. Dan maakt hij rechtsomkeer. Ze zullen elkaar dat weekeinde niet meer zien.

Net wanneer Petra vanuit de Kerkstraat te voet de Lange Weg wil oversteken, duikt Dolf met zijn fiets vanachter haar op en zet zijn fiets schuin voor haar. Ze schrikt en hij lacht en dan lachen ze allebei. Ze wisselen enkele zinnen, steken samen de weg over en zij springt achterop. De mensen bij de bushalte kijken hen na. Ze zit achteraan op de bagagedrager, ver van hem af, beide benen aan de linkerkant van de fiets. Ze zoekt waar ze haar handen kan laten, legt ze dan in haar schoot. Met haar hoofd iets gebogen zit ze te glimlachen. Op de stoep van de sigarenfabriek zitten mannen met hun rug tegen de muur te schaften. Bij het bord “Fietsers oversteken” pakt hij haar arm, drukt die in zijn zij en steekt snel de Lange Weg over. Op het fietspad voor twee richtingen laat hij haar arm weer los en meerdert vaart. Zij zoekt een plekje om zich vast te houden, ze pakt de zadelpen. Ze bloost en kijkt verlegen om zich heen.

             “Stop!” roept ze even later. “Je rijdt de bushalte voorbij.” En dan: “Ze zullen ons zien bij ons thuis!” en gaat ineengedo­ken zitten terwijl ze haar huis aan de overkant voorbijrijden en hij zich lachend naar haar omkeert en zij moppert: “Maar ik ga niet bij die eenzame halte bij de steenfabriek staan.” Dolf pakt haar arm.

            “Ik breng je naar de stad,” zegt hij. “Kom dichterbij, dan blaast de wind niet tussen ons door.” Zij schuift dichter tegen hem aan. Hij laat haar arm los, maar nu blijft ze deze rond zijn middel houden. Hij buigt zijn hoofd een beetje en trapt stevig tegen de wind in. Glimlachend zit ze dicht tegen hem aan.

In het smalle gangetje tussen de muren van de winkel en de bakkerij van Wenkenbeek komt Petra met haar hoge zwarte fiets tussen haar benen op ons toelopen. Ze draagt een crème­kleurige wijde rok met zwarte ceintuur en een witte blouse met korte mouwen. Het valt ons weer eens op hoe buitengewoon mooi ze is. Tussen haar handen op het hoge stuur van haar fiets houdt ze een gebakdoos geklemd. Maar ze huilt! Ze fietst weg. Vijftig meter verderop stopt ze, een been aan elke kant van de fiets. Ze komt terugfietsen. Ze is harder gaan huilen. Voor de winkel laat ze de fiets langs haar benen op de grond glijden. Ze gooit luid snikkend de doos tegen de etalageruit. De ruit blijft heel, een stuk gebak zakt langzaam langs het glas naar bene­den.

            Mevrouw Wenkenbeek, vijfenveertig jaar en met schort, kijkt door de glazen deur naar buiten, waar Petra met gebogen hoofd staat te snikken. Mevrouw Wenkenbeek komt naar buiten, slaat haar linkerarm om het middel en legt haar rechter­hand op de buik van het meisje. In het smalle gangetje achter hen steekt bakker Wenkenbeek zijn bovenlijf door de deurope­ning van de bakkerij en kijkt naar de beide vrouwen. Mevrouw Wenkenbeek merkt hem op en jaagt hem achter Petra’s rug met een woedend slaand gebaar van haar linkerarm weg. Petra duwt mevrouws hand van haar buik. Mevrouw Wenkenbeek raapt de fiets op en legt de handen van Petra op het stuur, ze gebaart haar te wachten. Mevrouw Wenkenbeek komt met een nieuwe doos gebak buiten en legt die tussen Petra’s handen op het stuur.

            “Van mij,” zegt ze, “dat is wat anders.”

            Petra fietst zonder op of om te kijken weg, ze huilt niet meer. Als ze weet dat ze uit het zicht is, staat ze stil met de fiets tussen haar benen. Zonder aandacht te schenken aan de voor­bijgangers eet ze zeer gulzig achter elkaar drie gebakjes op. Ze fietst verder. Bij de kerk heeft ze geen erg in de kerkklok en gaat rechtsaf het pad tussen de hoge hagen in. Voorbij de meisjesschool fietst ze linksaf richting de Lange Weg. Ze stopt bij de winkel voor manufacturen op de hoek.

            Ze neemt de doos gebak op de binnenkant van haar linker onderarm, duwt met haar rechterhand de rechthoekige stan­daard van haar fiets naar beneden, duwt dan met haar voet verder tot het achterwiel van de grond komt en de fiets staat.

            Ze komt even later buiten met een wit kledingstuk, gevou­wen in doorzichtig plastic: een verpleegsters-uniform. Ze doet het onder de snelbinder en haalt binnen de doos gebak op. In gedachten fietst ze dezelfde weg terug die ze gekomen is. Ze schrikt als ze merkt dat ze weer in de richting van de bakkerij fietst. Bij de meisjesschool gaat ze nu rechtsaf weer het pad in, ziet dat het op de kerktoren tien voor half twee is, schrikt geweldig en begint hard te fietsen. Op het eind van het pad slaat ze voor de kerk rechtsaf en zet nu echt de vaart erin. Ze kijkt ver voor zich uit naar de T-kruising met de Lange Weg, vaag ziet ze de zijkant van een autobus.

            De bus zit vol jongens in mariniersuniform. Alleen Dolf loopt nog buiten zenuwachtig heen en weer met een tekenmap onder zijn arm. Zijn vader is net geweest om hem op het laatste moment een hand te geven. Er staan nog een paar meisjes om de jongens uit te zwaaien. De chauffeur toetert en begint meteen langzaam op te trekken. Dolf springt naar binnen. Terwijl hij de Kerkstraat in kijkt ziet hij Petra gebogen over de gebakdoos aan komen fietsen. De bus is al vijftig meter ver weg als ze de weg oversteekt en achter de bus aan rijdt. Dolf is naar achter in de bus gehold en kijkt naar haar door de achter­ruit. De bus meerdert vaart, de afstand wordt groter en Petra stopt abrupt, de doos gebak valt op de grond. Ze staat met de fiets tussen haar benen midden op de weg en blijft de bus nakijken tot hij om de bocht bij hotelcafé Den Os verdwijnt. Dolf gaat dan zitten.

Sommigen zeiden dat het door die zon kwam in Nieuw Guinea, anderen door wat hij daar gezien had. Weer anderen zeiden: “Welnee, ’t is omdat hij twee jaar niets van zijn meisje had gehoord – ‘maar hij had helemaal geen meisje!’ onderbreekt nog iemand – “en toen hij terugkwam bleek ze al twee jaar uit het dorp verdwenen en zou ze zelfs een kind gehad hebben dat ze had afgestaan en zou ze ergens bij de grote rivieren in de verpleging werken.”

            In ieder geval was de magere jongen een woeste man geworden die zijn haar en zijn baard liet groeien en woest op zijn motor door het dorp reed en ergens in een hutje was gaan wonen waar je door de modder alleen te voet of met de motor kon komen. En het scheen dat hij daar in die verlaten hoek zelfs niet over de paden reed maar soms dwars door de weiden en akkerlanden en zelfs door het prikkeldraad scheurde. De rustige magere jongen was een wildeman geworden die wilde tekeningen van Nieuw Guinea liet zien en bijna even wilde tekeningen van vrouwen- en paardenkonten, zoals hij ze noemde, en die die tekeningen ook exposeerde en de affiches met “Dolf Mens exposeert vrouwen- en paardenkonten” nog net niet zoals Luther op de kerkdeuren spijkerde, maar wel op de bomen rond de kerk. En die dronk en vloekte en kaartte en voor wie geen vrouw veilig was. Zei men.

            Ja, de verhalen deden al gauw de ronde. Dat hij de meisjes op de benzinetank van zijn motor door de opspattende modder tot vlak voor zijn hutje reed. Dat hij, als ze klaagden dat ze helemaal onder zaten, de modder van hun gezicht en benen likte.

            Maar Truus Brechten die ze allemaal kenden kwam op eigen gelegenheid. Die zou trouwens nooit samen met hem op die motor gekund hebben, laat staan op de benzinetank. Nee, Truus kwam in vol ornaat, imposant en breed als ze was aanfietsen. Tot ze niet verder kon en ook geen zin had om de fiets honderden meters over de modder te tillen. Ze zette hem dan maar tegen een weipaal, en daar bleef hij dan meestal staan tot de volgende dag.

            En over Truus kon je Dolf zelf in de café`s horen vertellen. Hij was nog een jonge jongen en Truus een vrouw zooo, en hij spreidt allebei zijn armen. En je moest het van haar met praten winnen. Dan was ze op een gegeven moment flink opgewarmd en kon ze zich goed naakt uitkleden. En dan had ze van die tieten zo… zoo (bij het eerste zo de handen gebogen op een afstand van twee decimeter, de toppen omhoog, bij  het tweede zo hetzelfde maar met de toppen naar elkaar toe). En hij kon dan niet, want hij was dan nog helemaal niet opgewarmd. En die kont van haar, dat was ook geen huid, dat was dik rubber. Truus is een meid, die hoeft hij maar op te bellen, dan gaat ze mee. En de mensen mochten dan zeggen: “Truus Brechten is een hoer”, maar tegen hem had ze gezegd: “Met jou wil ik trouwen, je hoeft niet te werken, ik verdien genoeg.”En dat kan hij nou wel doen om de stoere peer uit te hangen maar… Als hij een of andere lul was zou hij het doen.

            Hij vertelde in het café en het was dan doodstil, en men vertelde ook weer verhalen over hem. Zo zou hij in een boe­rendorp de torenklok op hol hebben gezet. En op zijn beurt kon hij ook de mensen laten vertellen, hij lokte ze uit. Zoals de man die uitbeeldde hoe iemand zand van de vloer had gepakt en in de ogen van een tegenstander gegooid. Keer op keer liet Dolf de man opnieuw vertellen. “Hoe pakte hij dat zand?” En opnieuw sloeg de man met zijn handen op de tegels. Dolf ging door tot het uiterste, kende geen medelijden. Tot de vingers van de man bloedden, bloedden!

            Het scheen dat hij ook de zus van zijn maat uit Nieuw Guinea niet met rust had kunnen laten. En dat hun oude moe­dertje al begon te janken als ze hem aan zag komen, want dan werd er weer gezopen.

            Hij was nog wel eens bij Petra thuis geweest en hij had niet naar haar gevraagd en men was zelf ook niet over haar begon­nen. Maar de zus van Petra liet hem even uit en drong zich tegen hem aan en nam hem mee naar het varkenshok en van haar kreeg hij waar hij bij zijn geliefde niet aan toe was geko­men. Hij werd er alleen maar woester van en scheurde nog harder op zijn motor door het dorp. Hij vocht en trok de bar­leuning met een ruk van de bar.

            Maar er waren ook mensen die hem konden kalmeren. Soms hoorde je dagen niks van hem en men zei dat hij dan met een oude veekoopman België in fietste en dat ze dan ook wel dronken en kaartten maar alles heel rustig, bovendien bleven ze overdag vaak in de velden en bossen.

            Toch stond daar weer tegenover dat hij een keer wakker werd in een woonwagenkamp en, zoals hijzelf zei, met alle respect werd behandeld omdat hij een wedstrijd wie het snelst drie flessen jenever achterover kon slaan, had gewonnen. Zijn tegenstander was nog niet bij kennis, zeiden de bewoners.

            “Die voelt dan ook zijn hoofd nog niet, zoals ik,” had Dolf gezegd.

            “Nee, hij is nog lang niet gekalmeerd,” zei iemand eens. “Ben ik zaterdag in Valkenswaard, springt er op een gegeven moment een meid op het biljart en begint zich spiernaakt uit te kleden. En met wie gaat ze daarna mee, denken jullie?”

            “Wanneer was dat?” zegt een ander. “Zaterdagavond? Dat kan niet, want toen kwam hij met mij met de bus uit Deurne, hij kent mij niet, maar ik heb gezien hoe hij iemand, een burgerlijk mannetje, zijn stropdas heeft afgeknipt.”

            En zo begon men te twijfelen, niet alleen aan de sterke verhalen die de Wildeman zelf vertelde, maar ook aan de verhalen die anderen over hem vertelden, want hij kon onmo­gelijk op twee plaatsen tegelijk zijn geweest.

            “Dat is waar,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen, “maar daar hebben wij wel een verklaring voor. Maar dat komt later, anders gaan we te ver vooruit in de tijd.”


(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M., geïllustreerd, hier graag bestellen via mijn Boekwinkeltje Wonderland, in nieuwstaat en zonder verzendkosten. U koopt rechtstreeks bij de schrijver die de kosten voor de uitgave zelf gefinancierd heeft. Zo u wilt gesigneerd. Hartelijk dank!)

DE PATERSFABRIEK meursamstory

in HetWerk70 3e gecorrigeerde oplage

(Dit verhaal sluit minofmeer aan bij het in ik-vorm vertelde verhaal Alles beter dan zo’n pak slaag HetWerk 63 van 20 november 2013. Beiden zijn bedoeld als hoofdstukken van een roman)

Bestellen
Abonnement: zie onder verhaal.

meursam story


DE PATERSFABRIEK

De lagereschooltijd van Driek was plotseling afgelopen. In het weekeind al, vlak na de laatste schooldag, werd hij in de kost gedaan bij een boer in een dorp op een twintig kilometer afstand. Dat had hij totaal niet verwacht. Hij was in alle klassen, net als trouwens de meesten van zijn broertjes en zusjes, de beste geweest. Pas in de 6e en laatste klas had hij wat concurrentie gehad van de kinderen van ‘het groot’ van het dorp, de gefortuneerde klasse. Hij was bij de deelnemers aan de Franse les geweest, had voor het eerst van zijn leven huiswerk meegekregen en vond het heerlijk. Hij was er altijd vast van overtuigd dat zijn ‘echte’ vader, die hij nog steeds situeerde in het kasteel,  grootse dingen met hem voor had. En nu zat hij bij de boer. Nu bond hij korenschoven en plaatste ze als een wigwam tegen elkaar. Nu moest hij oefenen met een voor zijn leeftijd en lengte te grote zeis, liep hij gebukt tussen de graanstoppels om achtergebleven aren op te rapen. Het was heet, gloeiend heet. Hij was vol verwachting geweest waar hij naartoe zou gaan, misschien naar de stad, een middelbare school en in de kost bij burgermensen. Misschien in een internaat, alles was goed als hij maar thuis weg was, weg van zijn broer.
            Ook bij de andere boerderijen daar in de buurt waren nieuwe jongens gekomen. Het was de vaste bestemming voor jongens uit grote boerengezinnen. Trouwens ook met de meisjes ging het zo, die gingen ‘in betrekking’, kwamen in het huishouden te werken van meestal ook boerengezinnen. De huishoudschool en de ambachtsschool waren nog ver weg, letterlijk en figuurlijk. Laat staan de middelbare opleidingen als HBS. Als de jongens vrij waren, wat zeldzaam was, hadden ze onderling contact en haalden kattenkwaad uit. Ze stalen fruit, knolletjes, wortels, noten bij andere boeren. Dat ze daar waren vonden de meesten best, ze waren over het algemeen blij dat ze thuis weg waren, ondanks hun beperkte vrije tijd ervoeren ze hier meer vrijheid. Ze schikten zich in hun lot. Er was nog één jongen die zich in een vergelijkbare situatie als Driek bevond. In die zin dat hij volkomen onverwacht in een boerengezin was terechtgekomen. Die jongen kwam uit een rijke familie en zijn ouders hadden hem bij een boer geplaatst omdat ze meenden dat dat goed was voor zijn opvoeding. Ze gingen ervanuit dat hij in zijn leven vaak de weg zou moeten wijzen aan al dan niet zelfstandige boeren. Maar of de jongen het daarmee eens was hadden ze niet gevraagd. Die jongen werd meestal de aanvoerder van het kattenkwaad dat ze uithaalden.
            Bij een boer waar geen jongens in de kost waren – zelfs daar is hij te gierig voor, zei men – bonden ze de koeien met de staarten aan elkaar. Ze holden een biet uit, maakten er gaten in voor ogen, neus en mond en plaatsten er een brandende kaars in, een bekend kunstje om mensen bang te maken. Ze maakten lawaai, de boer kwam buiten, het was niet de eerste keer, hij kwam dan ook meteen buiten met zijn bats in zijn hand en zwaaide er dreigend mee. De jongens hadden minachting voor de boer, ze liepen niet eens weg, ze dachten de oude man makkelijk voor te kunnen blijven. De boer was getergd, hij zwaaide zijn bats, hij mikte met de platte kant op het hoofd van een van de jongens, hij raakte deze maar half maar de jongen viel neer en bleek achteraf zwaargewond. De boer zwaaide opnieuw zijn bats, hij was uitzinnig, moordzuchtig, hij moest worden gestopt. De jongen van rijke komaf die op gymnastiek zat, dook onder de bats door, ging in de zwaai mee en pakte de bats over van de boer en sloeg hem met de platte kant tegen zijn hoofd. De boer viel met zijn hoofd op een laag muurtje rond de mesthoop en was op slag dood.
            In de hoogste klassen van de lagere school werd er voor elk vak een prijs gegeven, een boek. Al die prijzen gingen naar de kinderen van de rijken uit het dorp. De rijken kregen op die manier hun compensatie voor het geld dat ze aan de school gaven. Bijdragen die ze leverden voor een verbouwing, een kapot dak en dergelijke. Zoals dat ook gebeurde met de kerk, voor hun plaats vooraan in de kerk, voor privileges zoals vooraan te mogen lopen in een processie, direct achter de pastoor, de misdienaars en de bruidjes. Iedereen vond dat vanzelfsprekend en gewoon, men was eraan gewend, legde er zich bij neer. Behalve Driek en de jongen uit rijke familie die de boer had neergeslagen, ze zagen dat allemaal wel gebeuren maar ze waren het er niet mee eens.
            Alle jongens werden verhoord. Driek nam de schuld op zich. Hij hield het namelijk bij zijn boer, bij het leventje dat hij nu had, niet langer uit. Dan maar tuchtschool. Maar eigenlijk was hij ervan overtuigd dat hij aan de tuchtschool zou ontsnappen door toedoen van de kasteelheer. De andere jongens verklaarden dat het achter hun rug gebeurd was want dat zij weg waren gehold. De ernstige verwonding van de jongen die door de boer met zijn bats was neergeslagen woog zwaar. Het was duidelijk waartoe de boer in staat was geweest en hij had daarvóór al een reputatie. Hoewel de rijke jongen in dit geval ook op de invloed van zijn rijke familie rekende, wist Driek hem te overtuigen dat ook hij, Driek,  geen echt gevaar liep, want dat hij op de kasteelheer kon rekenen. De 2 jongens waren makkelijk opgewassen tegen de agenten die hen verhoorden. De familie van de rijke jongen vermoedde wel hoe het werkelijk gegaan was maar accepteerden het verhaal van de jongens. Wel hielden ze voeling met de kasteelheer. De twee jongens kregen allebei hun zin, ze werden beiden bij hun boer weggehaald, de rijke jongen ging naar een HBS in de stad en Driek, die volgens de rechter wel in de gaten moest worden gehouden, ging naar een internaat in het dorp van het kasteel.

Naar kostschool

Dat werd dus lopen. Zijn vader liep met een grote kartonnen koffer met daaromheen een touw. Driek droeg een kleinere kartonnen koffer waar gelukkig nog een riem om paste. Vader droeg ook nog een stoffen tasje, daar zaten boterhammen in, een kruikje thee en voor elk een appel. Driek vroeg zijn vader, toen ze uit de stoomtram waren gestapt en erachter kwamen dat er verder geen verbinding was, hoe ver het lopen was. ‘Och, zo’n 2 kilometer, zoon,’ zei deze. Maar Driek wist dat het 8 kilometer was want hij had het de dag ervoor in een atlas opgezocht. Zijn vader had die moeite niet genomen. Hij had gezegd: ‘Er gaat een tram, een stoomtram, en als die er niet is dan gaat er een paardentram, want die boeren zijn niet gek, die hebben paarden.’ Maar de stoomtram ging tot H, waar ze net uitgestapt waren, en vanaf hier moesten ze lopen. Dat zou ze zo’n 2 uur kosten en geen half uur zoals zijn vader zei, ze zouden te laat komen voor het toelatingsexamen dat om 11 uur plaatsvond, ze waren sukkels, vond Driek. Eenmaal het dorp uit was er aan de weg geen bebouwing meer. Hij had flink de pest in en hij schoot 2 keer, eerst op een zeldzame auto die passeerde zonder een teken te geven, deze vloog meteen in brand en verdween aan de zijkant in een sloot. Daarna schoot hij nog een keer, nu op een boerderij in een zijpad van waaruit geen enkel signaal kwam van maar enigszins begaan zijn met de eenzame wandelaars. In beide gevallen was het verdiend.
            Ze spraken nauwelijks onderweg. Zijn vader zei wel: ‘Je zult zien dat er allemaal paters en nonnen zijn. De paters geven les en hebben de leiding, de nonnen regelen het huishouden. De paters zullen je geloof wel testen en je vragen of je de negertjes in Afrika wilt gaan bekeren. Ik geloof dat het een orde is die zich speciaal op Afrika richt. Verheffen, zo noemen ze dat ook wel. Je vertelt ze gewoon zoals het is, dat je allerlei mooie verhalen over Afrika hebt gelezen. En verder hou je je op de vlakte. Je mag je vingers aflikken met zo’n opleiding. Ik heb zo’n kans nooit gehad. Denk eraan dat wij er ook een bijdrage aan moeten leveren. Na die 6 jaar kun je nog altijd zien wat je doet.’ Driek kon zich niet goed voorstellen wat hij moest verwachten, maar leren daar had hij wel zin in. Hij zag dat vooral als het lezen van een heleboel boeken. Ze zwegen terwijl hij hieraan dacht. Maar de irritatie over de onnodig lange voettocht wilde niet echt wegzakken.
            Toen na bijna 2 uur het rode dak van het college in zicht kwam schoot hij dat meteen in brand. De vader had niets in de gaten. Ze zouden daar rondlopen tussen de verbrande resten van het gebouw en tussen de verkoolde lijken. Maar de sukkels om hem heen zouden het niet merken.
            Ze waren inderdaad te laat voor het toelatingsexamen maar men geloofde blijkbaar het verhaal van zijn vader, al keken ze deze wel wat medelijdend aan. Maar zeiden dan: we nemen het wel een keer particulier af.
            Zijn vader en hij waren door de voordeur binnengelaten en een paar dagen later al realiseerde hij zich dat dat de eerste en voorlopig ook de laatste keer was geweest dat hij door die deur ging, want de leerlingen mochten daar niet in of uit en zelfs mochten ze helemaal niet in dat deel van het gebouw komen waar de paters woonden.
            Ze hadden samen een maaltijd gekregen in een van de kamers naast de voordeur – gekookte aardappelen, rode bietjes en een gehaktbal –  en zijn vader was even met een pater mee geweest om wat zaken af te spreken en daarna had hij al afscheid moeten nemen, want zijn vader had nog een voettocht en een tramtocht voor de boeg en er ging maar twee keer per dag een tram. ‘Vaarwel, jongen, hou je goed,’ zei zijn vader en kuste hem, wat ongewoon was. Ze zouden elkaar 3 maanden lang niet zien.
            De pater liep met hem vanaf de paterskant de eetzaal binnen die refter werd genoemd en aan de gangkant waar de klassen waren er weer uit. De pater wees naar de trap naar de slaapzalen, zei dat de jongens deze niet mochten gebruiken, dat deze voor de paters was, tikte in het voorbijgaan tegen de deuren van de klaslokalen, wees de kamer van de Overste aan die net als de Prefect, de ordebewaarder, niet alleen een kamer in het patershuis maar ook een hier in de gang had, hij opende de deur van de kapel – ‘deze deur is altijd open, hier kun je tot God en tot rust komen’ – zwaaide naar de andere trap naar de slaapzalen die ze wel mochten gebruiken. Ze liepen midden door de studiezaal, staken de recreatiezaal over langs een biljart en pingpongtafels, en vlak voor wat de pater de aula noemde gingen ze de speelplaats op die cour heette. Hij wees Driek op de toiletten aan de overkant en zei dat daarachter een beek liep en dat de bomen van hun bos waren. Met een gebaar naar links noemde hij het volley- en het handbalveldje en weer daarachter, nauwelijks te zien door de bomen, het voetbalveld. En rechts van het voetbalveld, aan de andere kant van de beek, zei hij, was zelfs een zwembad dat de jongens zelf gegraven hadden. Kortom, op sportief gebied kwam Driek hier niets tekort. Als het regende konden ze onder de loods die naast de aula lag. ‘Kom, dan gaan we weer naarbinnen en laat ik je je chambrette zien, een chambrette is een kamertje zonder plafond met voor de ingang een gordijn.’ Er was een aan de houten, lichtgroen geschilderde wanden vastgemaakt bed, en een kast. Vanboven was het inderdaad open maar Driek zag meteen dat hij hier meer privacy zou hebben dan hij thuis ooit gehad had. ‘Op de slaapzaal mag je niet praten op straffe van naar huis gestuurd te worden. Kom,’ zei de pater weer en leek hem aan een touwtje met zich mee te trekken, ‘dan geef ik je in de refter het reglement waar dat allemaal in staat, en je bagage, dan kun je die naar je chambrette brengen. Je wordt om zeven uur in de studiezaal verwacht. Om negen uur ga je na het avondgebed naar bed.’
            Toen de pater naar de bomen achter de toiletten op de cour wees had Driek daar met één hand aan een tak een meer dan drie meter grote aap zien hangen die met zijn andere hand met zijn pik speelde. Driek keek naar de pater of die de aap ook zag maar dat was duidelijk niet het geval. Hij besloot niets over de aap tegen de pater te vertellen. Hij ging hier zijn eigen leven leiden. Net als de aap dat deed.
            De studiezaal zat, en ook al de keren erna, helemaal vol met leerlingen uit alle klassen. Ze waren hier elke dag op het einde van de middag en ’s avonds. En voor de vrije woensdag- en zaterdagmiddag begon zat je ook eerst een uur in de studiezaal. Ook zondags bracht je tussen ontbijt en middageten twee uur in de studiezaal door. De middagen dat ze geen school hadden werden gezamenlijk doorgebracht met verschillende sporten of een gezamenlijke wandeling.
            Hij had nooit geleerd wat studeren was, nou ja, een klein beetje toen hij in de laatste klas van de lagere school Franse les kreeg en huiswerk waarbij hij ook woordjes en grammatica moest leren.
            Nu had hij voor elk vak een boek en een schrift waarin je schreef wat de leraar zei en wat niet in het boek stond. Driek bedacht dat er veel energie, tijd en papier bespaard had kunnen worden als de leraar gewoon zou vertellen wat er in het boek stond. Het schrift had dan gereserveerd kunnen worden voor vragen van de leerlingen en verduidelijkingen van de kant van de leraar. Hij leerde hoe hij met zijn ellenbogen op de lessenaar en zijn vingers op zijn voorhoofd en zijn duimen in zijn oren kon studeren. Vanwege die ellenbogen had hij al meteen de tweede dag dat hij hier was naar huis geschreven voor studiemouwen. In de studiezaal stonden ze onder bewaking van een surveillant. Driek wist dat de surveillant naakt was onder zijn toga en dat deze dacht dat Driek dat niet in de gaten had.
            De verbazing dat hij zijn best moet doen om te leren ging niet zomaar weg. Het duurde weken, misschien wel twee maanden, voor het werkelijk tot hem doorgedrongen was en hij er zich ook bij neergelegd had dat hij om te leren zich moest inspannen. De lagere school was veel te gemakkelijk geweest, hij had zich overschat, had zich om de tuin laten leiden.

De dagorde:

6.25u: Opstaan junioren (1e t/m 3e klas), 10 minuten na de senioren (4e t/m 6e klas). Met grote passen en wapperende witte rok slaat de pater tegen de gordijnen van de chambretten om te kijken of er nog iemand in bed ligt, hij houdt halt, wie zou er nog in liggen? Ochtendgymnastiek op de cour, rondje in draf rond het voetbalveld, terug naar de slaapzaal, in hemdje en kort gymnastiekbroekje je gezicht, oksels en armen wassen aan de wasbakken in het waslokaal tussen grote en kleine slaapzaal, 12 wasbakken naast elkaar aan elke wand, in het midden een rij van 2 wasbakken tegenover elkaar, 2 deuren tegenover elkaar, naar elk van de 2 zalen een; aan de andere kant van de muur, aan de zijde van de grote slaapzaal, zijn de voetwasbakken, veel gebruikt na sport of wandeling. Er is alleen koud water. Wassen dus ’s morgens aan een klein wasbakje en verder aankleden.

6.45u: Morgengebed en meditatie van de senioren in de kapel.
6.55u: Morgengebed van de junioren. De junioren hoeven niet te mediteren en trekken nu voorlopig gelijk op met de senioren. Van beide groepen zijn er een paar jongens die nog gauw hun doodzonde biechten omdat ze anders niet ter communie mogen. (Driek heeft geen idee wat deze doodzonde is, hij merkt wel dat deze als een zwarte schaduw boven hun dagelijks leven hangt)
7.00u: H. Mis. Dat betekent Heilige Mis. Naar de mis dus, nuchter, want ze moesten ter communie kunnen.
7.40u: Studie. Dat wil zeggen dat de Mis bijna 40 minuten kan duren. Maar iedereen weet dat het ook in 20 minuten gebeurd kan zijn. Dat hangt van de celebrant af, de pater die de mis doet (20 minuten), of die de mis celebreert, dat wil zeggen viert (40 minuten). Dat is net zoiets als iemand die zegt dat hij ‘het leven viert’. Loop gillend weg of maak je schoorvoetend maar vastberaden uit de voeten. Niet alleen omdat degene die dit vreselijke cliché durft te poneren, je triomfantelijk zal aankijken alsof hij het heeft uitgevonden, maar vooral omdat zo iemand zelden feestelijk leeft maar er wel uren over kan ouwehoeren. Driek denkt na deze zin even na en sluit niet uit dat ook hij deze uitdrukking wel eens heeft gebezigd. Maar komt tot de conclusie dat dit niets afdoet aan zijn stelling.
            Dat is dus elke morgen om 7 uur weer spannend: welke pater komt er achter de misdienaar de sacristie uit? De jongens rekken zich, buigen zich om degene voor zich heen, kunnen niet wachten tot de pater voor iedereen duidelijk in beeld is. Dan hoor je zuchten van opluchting of van teleurstelling. Driek is nooit misdienaar geweest, hij moet het hier leren, misdienen. Hij had het altijd vreemd gevonden, jongens die vies deden, vloekten, scholden, pesten, werden opeens misdienaar, kregen een mispakket, speelden thuis altaartje. Anderen die te dom waren om voor de duvel te dansen, kenden opeens het confiteor vanbuiten, in het latijn dus, opeens op een zolder waar je aan het spelen was begonnen zij het confiteor te zingen. Driek had een groot wantrouwen tegen dat misgedoe ontwikkeld. En nu zit hij er middenin.
8.10u: Bed opmaken, ontbijt en vrije tijd (buiten door te brengen) (lokalen in orde brengen)
            Hij heeft het moeilijk.  Hij heeft meestal slecht geslapen. Tijdens het half uur studie kun je je lessen nog een beetje voorbereiden als je dat de vorige avond niet gedaan hebt. Als je tenminste niet met je duimen in je oren en je vingers op je voorhoofd in slaap valt. En je ellenbogen opeens van de rand van je lessenaar af schieten. Telefoon!

8.45u: 1e Les.
           
Slaapzaal, cour, rennen rond het voetbalveld, slaapzaal, kapel, studiezaal, refter, klaslokaal. Hij kwam op al die plekken vaak te laat. Hij was er met zijn hoofd niet bij.
           
Zijn moderator – elke jongen had een patermoderator – maakte na een week op het internaat een afspraak met hem. Ze zaten in een leeg klaslokaal, de moderator achterstevoren in de bank voor hem met zijn gezicht naar hem toe en zijn benen in het gangpad. ‘Zo, jongen,’ zei de pater, ‘vertel me eens, hoe ben je erachter gekomen dat je roeping hebt?’ Driek keek hem niet begrijpend aan. ‘Je roeping om priester te worden, om je leven aan God te wijden, zoiets komt niet van de ene dag op de andere.’ Driek werd vuurrood. In één klap was hem veel duidelijk van wat hij in de afgelopen week niet goed begreep. Bijvoorbeeld dat er alleen maar paters les gaven, hoewel hij zich herinnerde dat zijn vader dit onderweg verteld had. Maar ja, op de bewaarschool waren ook alleen maar nonnen geweest en op de meisjesschool ook nog heel lang. Opeens begreep hij het: dit was geen gewone katholieke kostschool, geen gewoon internaat, dit was een seminarie, een priesteropleiding, dit was een patersfabriek. En hij voelde zich bedonderd, op de eerste plaats door zijn vader van het kasteel. Hij vermande zich even en slaagde erin om min of meer normaal te zeggen: ‘Dat weet ik niet meer precies.’ Dan holde hij het klaslokaal uit.

Kort daarna richtte Driek ‘De Vereeniging voor de rechten van het Groote kind’ op (twee e’s en 2 o’s, zo schreef je dat toen). Hij had aan andere namen gedacht, bijvoorbeeld ‘De Vereeniging voor de rechten van den Puber’, maar hij vond dat te veel latijn. En daar had hij al moeite genoeg mee. Bovendien stond er in het Latijns woordenboek bij het woord ‘pu(b)er’ als mogelijke betekenissen: ‘in staat zaad te maken, in staat een kind te verwekken’. Die betekenissen associeerde hij niet met zichzelf of met zijn vrienden, – die hij nog niet had maar die hij al wel lid maakte van de vereniging,  hoewel hij voorlopig niemand op de hoogte stelde van de oprichting, ze zouden dat nog niet begrijpen. Hij associeerde deze betekenissen met zijn grote broer en dat was geen prettige gedachte. Zijn broer zou zich uit puur eigen belang tegen deze rechten keren maar dat kwam Driek goed uit, daarmee ging zijn broer regelrecht op weg naar de guillotine. Driek interesseerde zich erg voor de Franse Revolutie. Ook verschillende paters zouden deze smadelijke gang niet kunnen ontlopen, voorop de Prefect die op zijn kamer in de gang voor het minste of geringste de jongens gelastte hun broek omlaag te doen, ze over de knie legde en ze met de blote hand een pak slaag op hun blote kont gaf. Met zijn hoofd al tussen de planken van de guillotine zouden de billen van de Prefect publiekelijk ontbloot worden en zou hij voor de ogen van de menigte allereerst zelf zijn favoriete lijfstraf ondergaan. Daarna zou het mes vallen en zijn kop rollen.

Driek schrijft zijn:
RECHT OP ALGEMEEN EN OPENBAAR ONDERWIJS VOOR HET GROOTE KIND

1. Elk groot kind, het kind vanaf 12 jaar, heeft het recht onderwijs te volgen tot tenminste het bereiken van zijn 17e levensjaar. Het mag daarbij wel vrijwillig enige werkzaamheden verrichten maar deze mogen slechts een gering deel van zijn schoolweek uitmaken.
(Dus aan het bij een boer in de kost geven van 12-jarigen om daar zonder verdienste werkzaamheden te verrichten wordt met onmiddellijke ingang een einde gemaakt evenals aan het in betrekking doen van 12-jarige meisjes.)
2. Alle onderwijs, van welke aard of van welk niveau ook, is tot het bereiken van de leeftijd van 17 jaar uitsluitend algemeen en openbaar en staat onder controle van de staat.
(Dus onderwijsinstellingen die reeds vanaf het 12e levensjaar van de leerling gericht zijn op een beroep dat deze pas veel later, bijvoorbeeld op zijn 24e, en na het volgen van hoger onderwijs, zal uitoefenen, zoals dat van pater, zullen moeten worden opgeheven of moeten overgaan op algemeen en openbaar onderwijs.)
3. Het is dom, onverantwoord en immoreel en dus verboden het grote kind tot 17 jaar vast te pinnen op of te dwingen tot een beroepskeuze of levenswijze.
4. Dus en wellicht ten overvloede: VOOR EEN PATERSFABRIEK VOOR ONDER 17-JARIGEN IS OP DEZE WERELD GEEN PLAATS! VOOR ZOVER DEZE NOG BESTAAN DIENEN ZIJ MET ONMIDDELLIJKE INGANG TE WORDEN OPGEHEVEN!

Driek zuchtte.

Hij kreeg brieven van zijn moeder en schreef ook terug. Hij schreef dat alles goed ging. Voor het eerst van zijn leven haalde hij een onvoldoende, het was voor latijn. Op zijn herfstrapport had hij voor latijn een 5,5. Het was normaal. Alleen de zittenblijvers slaagden erin een voldoende te halen voor latijn. Zo maakten de paters duidelijk hoe belangrijk en moeilijk dat vak was, ze moesten elke dag een uur aan latijn besteden. Maar hij schaamde zich voor een onvoldoende, kon het niet uitstaan. Hij was blij dat hij als eerstejaars in de herfstvakantie niet naar huis mocht – dat was omdat de eerstejaars moesten leren zich te onthechten, om 3 maanden te wennen aan niet thuis te zijn – en dat hij nergens zijn schoolrapport hoefde te laten zien.

Als je over de beek het bos in ging had je aan de rechterkant al gauw het kerkhofje waar enkele paters begraven lagen. Maar hij kwam erachter dat er nog een graf was, een heuveltje ver weg in het bos, bijna aan de rand, met iets dat op een kruis leek, maar dan als dat van de goede moordenaar met boven de armen van het kruis geen opstaand gedeelte, een T dus. Het graf was van een weesjongen die in diverse gestichten, internaten, had gezeten. Tot ze op zijn 12e besloten hem naar de Patersfabriek te sturen. De jongen wist van niks. Toen hij erachter kwam waar hij terecht was gekomen maakte hij een einde aan zijn leven. Ze wisten niet waar ze hem moesten begraven, hij mocht als zelfmoordenaar niet op het kerkhofje in de gewijde aarde bij de paters liggen. Het zal mij niet overkomen, dacht Driek, ik laat me niet gek maken. Soms bracht hij in het geheim en zwijgend een bezoek aan zijn bondgenoot, zijn lotgenoot ook. Ook deze jongen was ergens geplaatst waarvan hij niet wist wat het was. 

Midden in de herfst. Een hele middag werken op het koude, natte land van een boer. Bietjes uitdoen. Wat krijgen ze ervoor? Twee zuurstokken of kaneelstokken. Ze hebben geen werkhandschoenen en ook hun kleding en schoenen zijn niet geschikt voor dit werk in deze tijd van het jaar.

Hij had een enorme scrupulositeit. Of hij een snoepje zou nemen of niet, hoe hij ze daarna met grote aantallen tegelijk in mijn mond propte, hevig begon te zuigen, ademnood kreeg, opgelucht de plakkerige troep in de palm van zijn hand liet vallen, achterover zakte en na bleef hijgen, een papiertje zocht, ze daarin liet vallen, één snoepje in zijn mond stopte en er hevig op begon te zuigen. Rollen groene menthol, het eten van stophoest. De pijnlijke tong, het schrale gehemelte als gevolg. Hij leende geld van andere jongens om te snoepen, hij zou het na de Kerstvakantie terugbetalen.
            Ze mochten soms roken op voorwaarde dat ze dat van thuis mochten. Natuurlijk mochten ze dat allemaal. Hij stak na het ochtendgymnastiekrondje om het voetbalveld een sigaret op en werd misselijk. Hij besloot tot zijn 13e niet meer te roken. Dat zou zijn na het eerste jaar in de Patersfabriek.

Tegen Kerst had hij een 6-plus voor latijn. Maar had er geen voldoening van. Hij was meegegaan in hun spel. Ze verwachtten nu vast dat hij voor het overige ook aan hun verwachtingen zou voldoen.

Een week voor Kerst. Op de fiets in de sneeuw, ijskoud, naar huis, in H moest hij al een keer afstappen, van G naar E heeft hij praktisch gelopen, een uur lang op een draf naast zijn fiets vanwege ijskoude voeten. Normaal is het een uur fietsen, nu kwam hij uitgeput en koud na 3 uur voor het eerst in 3 maanden thuis. Hij kon er niet tegen dat zijn broers en zusjes zo onaardig tegen elkaar deden en begon te janken.
 
Een van de dingen die in de vakantie van hem verwacht worden is buren- en familiebezoek om zijn schoolrapport, puntenkaart, zeggen de oudere mensen, te laten zien. Hij beantwoordt geduldig de vragen als: Was dat niet lang, zo 3 maanden zonder je familie? Dat viel wel mee, zegt hij. Bij het weggaan geven ze hem een paar stuivers. Of al eerder als de echtgenoot, meestal de oom of neef die het niet hoeft te weten, ze hebben het zelf ook hard nodig, even de kamer uit is. Hij schaamt zich en zou het liever niet aanpakken. Maar zijn moeder zegt dat de mensen ook wel weten dat zo’n school geld kost en een leerling die niet werkt moeilijk is voor een gezin. En dan geneert Driek zich ook daar voor. ‘Later krijg je het allemaal terug,’ zegt Driek. ‘Dat denk ik niet,’ zegt zijn moeder. Ze gelooft echt dat ik pater wordt, denkt Driek.
            Voor hij de kans krijgt zijn eveneens verplichte bezoek aan de pastoor af te leggen komt deze al bij hem thuis. Hij wil iets voorstellen, niet alleen aan hem maar ook meteen aan zijn ouders.
Driek zit aan het lage tafeltje in de woonkeuken waar normaal de kleine kinderen zitten, die zijn al naar bed. Hij leest een missieboekje dat aan de deur is gekocht. Het lijkt erop dat men een Afrikaanse sage volledig heeft gekatholiseerd. De heidenen keren zich af van de magische figuren, mensen en dieren, van de sprookjesachtige wezens tussen mens en dier in, en tussen hun voorouders en goden in. Ze bekeren zich tot het ‘ware geloof’. Het boekje kostte 1 gulden. Dat is veel geld, opbrengst voor de missie. Het is normaal dat de pastoor, als een van de weinigen, via de voordeur binnenkomt. Maar gewoonlijk blijft hij in de voorkamer maar daar is het nu te koud. Als hij verwacht werd zou de kachel daar zijn aangemaakt. Hij komt nu de woonkeuken binnen en zit aan tafel achter het tochtschot waar ook altijd het wijf van de huur zit. ‘Hoe gaat het?’ zegt de pastoor, ‘ik kom eens kijken, want ik heb je nog niet op de pastorie gezien in deze vakantie.’ ‘Ik ben 3 maanden niet thuis geweest,’ zegt Driek, ‘en moest veel familie goedendag zeggen.’ ‘Je bent nu 3 maanden daar geweest,’ zegt de pastoor, ‘en misschien heb je nog eens kunnen nadenken. Is het wel zeker dat je naar Afrika wilt, het is natuurlijk een prachtig doel, en ook nodig, maar hier ben je ook hard nodig, de roepingen lopen hier terug, de kerk kan iemand als jou ook goed hier gebruiken en je blijft in de buurt van je familie’
Drieks hoofd zakt op zijn borst, hij staart naar het tafelblad voor zich, de pastoor blijft maar doorpraten, er komt geen eind aan. Dat moet stoppen, denkt Driek, en hij roept: ‘Tis goed, ik blijf wel hier.’ Hij heeft zich geërgerd aan het boekje, aan het verhaal dat de paters helemaal naar hun hand hebben gezet. Ik wil helemaal niemand bekeren, denkt hij. ‘Tis goed, tis goed,’ zegt hij. ‘Weet je het zeker?’ zegt de pastoor. ‘Ik wil hier blijven,’ zegt Driek. ‘’t Is goed,’ zegt de pastoor. ‘Dan praten we morgen verder, kom maar naar de pastorie.’
Zijn moeder gaat met de pastoor de voorkamer in om deze door de voordeur uit te laten. Als de deur tussen woonkeuken en voorkamer net dicht is springt Driek op en gooit het boekje woedend tegen de deur waarachter de pastoor net verdwenen is. Zijn vader springt naar de deur en gaat haastig de voorkamer in. De pastoor wordt teruggeroepen. Hij was nog net niet op zijn fiets gestapt, hij haalt geërgerd zijn schouders op. Hij stapt op zijn fiets, komt niet meer terug de kamer binnen. Bij zijn bezoeken aan de pastoor elke anderhalve maand blijft het voorval tussen Driek en de pastoor in staan, hoewel ze normaal elkaar wel kunnen vinden in hun liefde voor boeken.

Toen hij terugkwam van vakantie vroegen sommige paters hem waarom hij niet op hen reageerde. Hij kon niet zeggen dat hij hen al een week geleden had geliquideerd. Hun tragiek was dat ze het zelf niet doorhadden. Hij wist niet of hij daar wel iets op wou verzinnen.

Het tweede trimester

Ik moet beginnen met u te vertellen dat ik in de Kerstvakantie ook bij onze buurvrouw tante Net ben geweest. Ze zit altijd in het donker, dat kost geen lampolie of kaarsen of elektriciteit als die er is. Ze kan op die manier niets doen, niet schoonmaken, niet strijken en evenmin sokken stoppen of breien. Ze heeft een ziekte, ze heeft hoge bloeddruk. Als ze wel eens in het licht komt zie je de paarsrode adertjes op de koontjes van haar wangen. Wanneer ik zo oud ben lijkt die ziekte me ideaal, dan heb je een rustig leven. Ik heb van haar De Navolging van Christus van Thomas a
Kempis
cadeau gekregen. Ik weet niet of ik er blij mee moet zijn: Ik lees allemaal circelredeneringen. Misschien kom ik hier nog wel een keer op terug. Naar u toe, bedoel ik, niet in de zin dat ik er anders over zal gaan denken, want dat verwacht ik niet, het is te duidelijk.
           
Ik moet u ook iets bekennen, meester, ik slaap vaak met een servet rond mijn oren met de bedoeling mijn uitstaande oren tegen mijn hoofd te dwingen. Na het middageten of in de ochtendpauze van 20 minuten ga ik dikwijls naar mijn chambrette en sta dan een poos voor de spiegel. Deze  heeft een lichtgroene houten rand en hangt aan de binnenkant van mijn kastdeur. De kast zit aan de wanden vast, de linker- en achterkant zijn onderdeel van de wanden van de chambrette. Je mag eigenlijk in die pauzes niet op de slaapzaal komen. Ik kam mijn haar met slaolie vermengd met zeep, het glimt dan mooi, je moet het wel wassen voor het begint te stinken. Ik kijk altijd goed naar het haar van de andere jongens, duw slagen in mijn eigen haar. Met een hand in mijn nek, een duim op een oor en de wijsvinger op het andere kijk ik hoe knap, hoe anders ik dan ben en vraag me af of ik nog wel het knapste jongetje van de klas ben. Als ik daar zo sta, mijn mond dicht houd, mijn onderlip niet laat hangen en niet bloos, mag ik er zijn. Het wordt een obsessie mezelf zo te gaan bekijken.


Soms heb ik staan dromen en ben of kom ik opeens in een volkomen lege zaal. Dan is er een bel gegaan of een teken geweest dat me is ontgaan. Ik begin te hollen en zie nog net de laatste de kapel of de refter ingaan. De rector maakt de deur van de refter dicht. Soms houdt hij de deur van de refter open tot ik binnen ben. Vaak ziet de rector me goed aankomen maar doet toch de deur dicht. Ik moet dan wachten tot na het bidden. Er zijn dan dikwijls nog enkele mededelingen. De laatkomers mogen tijdens deze naarbinnen gaan en aan de andere kant van de deur blijven staan. Maar soms wordt dat ze belet doordat de pater met een hand achter zijn rug de klink van de deur vasthoudt.  De jongens wringen er dan toch aan, proberen hem omlaag te drukken en horen aan de stem van de pater terwijl hij de mededelingen doet de krachtsinspanning waarmee hij de deur dichthoudt. Hij laat soms opeens los, doet snel een stap opzij  en zij vliegen naarbinnen. ‘De deur klemt,’ zeggen ze tegen de pater die rood is van inspanning.

Mijn leven hier is niet bepaald vrolijk, beste meester, maar u hoeft geen medelijden met me te hebben. Ik zal een voorbeeld geven. Vrienden heb ik hier eigenlijk niet, daarvoor ben ik nog te veel op mezelf gericht, maar ik beleef de dingen ook anders als zij en dat is mijn geluk. Als zij bijvoorbeeld over het houten bruggetje de beek naar het bos oversteken steek ik de Berezina over, over planken half onder water op palen, tussen verdrinkende paarden door terwijl ik drijvende lijken probeer te ontwijken. We komen dus totaal verschillend aan de overkant, wil ik maar zeggen. Dat vertel ik ze natuurlijk niet,  ze zouden me voor gek verklaren maar u wil ik het wel toevertrouwen, ook al noemen ze u, of misschien juist wel daarom, de Gekke Onderwijzer.

Het voorjaar is koud en vooral nat, op veel plaatsen hoog water. Waar we in het begin van het schooljaar nog op rietpollen die boven het water uitsteken durfden springen, durven we op de vrije middagen nu alleen aan de onderkant tegen stammetjes te springen en tegelijk zo’n stammetje vast te pakken zodat we niet omvallen. Maar hoe komen we zonder natte voeten daar weer vandaan? Dat lukt dan ook meestal niet, want we kunnen ons nauwelijks afzetten, laat staan een aanloop nemen.

Ik kom de trap van de slaapzaal aflopen en meen links van de trap in de kamer van de Prefect tussen trap en kapel gehuil te horen. Straks zal vanuit deze kamer door een omhooggeschoven raam het winkeltje open zijn waar we vanaf de cour schoolgerei en snoep kunnen kopen. Ik loop de gang met de klaslokalen in tot aan de refter en keer dan om en inderdaad komt er uit de hoek naast de kapel een jongen snikkend met rood betraande ogen de gang op en buigt gauw zijn hoofd. Die heeft vast op zijn blote kont gehad. En weer keer ik om in de richting van de refter en op de terugtocht zie ik in een klaslokaal de jongen op de schoot van de Wasbeer zitten. Straf van de Prefect, troost van de Wasbeer, die twee spelen elkaar de bal toe. Twee jongens uit de hogere klassen die hadden proberen te ontsnappen werden in de kelder temidden van allerlei leidingen en buizen tussen 3 broeders heenenweer geslagen. De paters, net als de Prefect dus, maakten hier hun handen niet aan vuil. Er werd niet over ge-sproken. De jongens werden niet naar huis gestuurd, want dat wilden ze juist en hun ouders waren hierop tegen. Ik denk aan het heuveltje in het bos.

Er loopt naast het gebouw een breed kilometers lang zwart pad, steenkolengruis, hoe komt het anders zo zwart, naar de inrichting waar broeders samen met leken patiënten met vallende ziekte verplegen. Als de patiënten 7 jaar geen aanval hebben gehad mogen ze naar huis. Meestal krijgen ze vlak voor die 7 jaar om zijn een aanval en begint het aftellen opnieuw. Is het de spanning of wordt er geknoeid met de medicijnen? We voetballen wel eens tegen ze en een keer lag er een schuimbekkend op de middenstip. We lopen dat brede zwarte pad af om daar een film te gaan zien, het is The Kid van Charley Chaplin, de film breekt en de voorstelling is afgelopen en wij weer terug over datzelfde zwarte pad naar onze eigen inrichting. Het is toch niet helemaal voor niks geweest want er zijn daar ook meisjes die helpen bij de verzorging en ik zorg altijd dat ze me goed zien, waarom weet ik eigenlijk niet. Als ze naar me kijken bloos ik.

In de Paasvakantie speel ik met heel kleine kinderen in de speeltuin, de oudere zijn allemaal naar school, mijn vakantie duurt langer. Wat doet die grote lummel hier, zie ik de ouders denken.
In de zomer, voor de grote vakantie, is het Grote Wandeling. Het is prachtig weer, we komen bij een ven, we hebben een zwembroek en een handdoek bij ons. Als we ons in de bosjes willen gaan omkleden roept Pater Simpie ons terug. Hij wil ook geen gedoe achter handdoeken. ‘Jongens onder elkaar!’

De zomervakantie. Mijn grote broer is nergens te bekennen. Hij blijft al die tijd weg, niemand weet waar hij is. Maakt hij een grote reis? Vlucht hij voor mij?


Het tweede jaar

Na de vakantie blijkt een flink aantal jongens thuisgebleven. Het najaar verloopt zoals verwacht.  Op een nacht kom ik uit mijn bed en sluip door het gangetje naast de refter naar de keuken en verslind wel zo’n 20 tomaten. Na een poosje op mijn rug in bed te hebben gelegen doe ik nog een keer hetzelfde. Wat betekent dit? vraag ik me af terwijl ik daarna opnieuw in het donker lig te staren. Wel herfstvakantie deze keer, mijn eerste dus want vorig jaar niet, 4 dagen inclusief Allerheiligen. Slecht hierop gekleed werken we in november opnieuw op het natte koude land van een boer met als beloning een paar kaneelstokken .

Ik durf van het dak van de loods te springen, dat gaat goed, maar fout gaat het wanneer ik me uit een van de dennenbomen bij het volleybalveldje laat vallen – er was een pluimballetje van wat ook wel badminton wordt genoemd in de boom blijven hangen – ik verstuik mijn enkel en lijd wekenlang de ergste pijn die ik ooit gehad heb, waarschijnlijk trouwens omdat pijnstillers nog niet erg in zijn. Ik zit met mijn been op een krukje naast mijn schoolbank in het klaslokaal en in de studiezaal, ik heb geen loopkruk, ik hinkel, de schokken doen extra pijn. Ik denk: wat heerlijk als ik nu niets had, geen kapotte mondhoeken, geen korst onder mijn neus van verkoudheid, geen verstuikte voet. Achteraf wijt ik mijn verschrikkelijke pijn aan achterlijkheid wat betreft pijnbestrijding en onderschatting van mijn probleem. Ik speel met jongens die het naaischooltje worden genoemd omdat ze zelf eenvoudige reparaties aan hun kleren uitvoeren. Dat naaischooltje zou later tegen me gebruikt worden, meester.
Het duurt weken voor ik weer normaal kan lopen.
            Met Sinterklaas liggen ’s avonds om 7 uur de cadeautjes klaar op het bed in onze chambrette. Degenen die zich net als vorig jaar om 7 uur eerst nog een poosje knielend willen gaan versterven in de kapel – als genoegdoening voor de eigen zonden of voor die van de mensheid – worden door de overste, de Baas, de kapel uit gehaald. ‘Kom op, jongelui, ’t is wel goed, ga gewoon die pakjes openmaken en geniet ervan.’ Een aansteller stribbelt tegen, pakt dramatisch de soutane naast de dikke buik van de baas vast en zegt zeurderig: “Nee, pater, ik heb het nog niet verdiend, ik moet eerst nog boete doen.’ ‘En nu gauw naar boven!’, zegt de Baas, ‘of ik geef je pakje aan de arme negertjes, ondankbaar joch dat je bent!’
            Het is de bedoeling dat we op zondag een stropdas dragen. En een stropdas knopen was altijd een heel gedoe. Ik leer om er een vaste, verschuifbare knoop in te leggen, waardoor een lus ontstaat die ik groter en kleiner kan maken. Ik kan die lus over mijn hoofd doen en rond mijn hals aantrekken zonder dat ik de knoop los hoef te maken. In al mijn stropdassen, een stuk of vier, leg ik zo’n knoop.
            Voor het priesterkoor in de kapel hangt aan de linkerkant een Mariabeeld en aan de rechterkant een Heilighartbeeld. Als ik naar het laatste kijk moet ik aan de uitdrukking denken: Het hart op de juiste plaats dragen. Dat wil in dit geval zeggen: in het midden van de borst en bovenop de kleding, het is donkerrood en er schieten gouden stralen uit.
            Wanneer ik, een beetje voorover, geknield in de kerkbank zit, ruik ik vaak een stank. Ik kijk het vak voor de kerkboeken na, ruik aan het vilten knielkussentje, zoek onder de knielplank. Overal ruik ik dezelfde stank maar vind niets. Als ik de volgende zondag een stropdas om mijn nek doe is de stank verschrikkelijk. Ik kokhals als ik aan de knoop ruik. Er zit een verdikking onder de knoop. Ik loop naar het toilet op de slaapzaal en maak boven de toiletpot de knoop los, ik schud en er valt een half verdroogde muis in de toiletpot. Die moet in de holle stropdas zijn gekropen tot aan de knoop en niet meer voor- of achteruit hebben gekund. Daarmee heb ik dus minstens 2 zondagen om mijn hals in de kapel gezeten! Ik gooi de stropdas naast de muis in de toiletpot en trek door voor ik weer moet kokhalzen. Ik heb zó al mijn beproevingen, meester, ik hoef ze niet zoeken.
           
De Kerstvakantie is net zo snel voorbij als dat hij er opeens was. Ik heb vanaf nu voor alles voldoendes. Zelfs voor Grieks dat we vanaf het tweede schooljaar kregen. Mijn oudere broer is nergens te bekennen. Ik merk dat de familieleden bij bijeenkomsten van me verwachten dat ik voortaan bij de volwassenen zit. Ze luisteren naar me maar eigenlijk wil ik helemaal niks vertellen.
            In het voorjaar heb ik opeens hevige griep. Ik sta te dollen op mijn benen, kan niet recht blijven staan. Ik word opgenomen in de ziekenboeg op de Broedersgang, 40 graden koorts. Normaal mag je hier nooit komen, hoogstens om de mis te dienen in het kapelletje verder op de gang. Na een dag of 4 mag ik terug naar de slaapzaal, maar nog niet naar mijn eigen chambrette maar naar een in de buurt van de ziekenboeg om me nog regelmatig te kunnen controleren. Je hebt geijld, zeggen ze tegen me, het leek of je franse woordjes aan het leren was. Pontonnier?  Ik moet nog in bed blijven.
            Ik lees maar begin als er niemand in de buurt is rond te snuffelen. Zo ontdek ik in een van de chambretten in een kast een luchtbuks. Ik vraag een jongen om een reep chocola voor me te kopen vanwege het zilverpapier. Van het zilverpapier maak ik propjes en schiet met de windbuks. Ik beheers me denkend aan de gevolgen en schiet niet op de lampen. Misschien vlak voor ik hier wegga, houd ik mezelf voor. Ik ontdek ook een chambrette waarvan de kast helemaal vol ligt met pakken suikerklontjes. Dat wordt mijn vaste snoepgoed.
            Weer beter moet ik mijn leerachterstand van ruim een week inhalen. Aan mijn klasgenoten vraag ik hun schrift met aantekeningen te leen. Maar die stellen niks voor, ik heb er niks aan. Ik heb geen idee hoe ik het moet inhalen. Ik lees in de leerboeken de pagina’s door van wat de behandelde stof zou zijn maar niemand kan me zeggen of er niet een heel ander verhaal is verteld. Ik ben wel zo wijs om niet naar de leraren te gaan, ik ben geen slijmerd.

Ik had dus hevige griep, maar ik was niet bang dat ik Spaanse griep had. Die was immers al 2 jaar onder de knie. Er waren zoveel miljoenen mensen aan gestorven, er waren zoveel, een half miljard, mensen besmet geweest dat de overlevenden immuun waren. Zonder dat er een vaccin aan te pas was gekomen. Want ze wisten de oorzaak niet. En als je niet weet wat het is kun je er ook geen geneesmiddel tegen maken. Ze hielden het op een bacterie, maar ze vonden geen bacterie. Als ze alle bacteries uitfilterden, ging nog de besmetting  gewoon door. Er moet iets zijn, vindt de Nederlandse bioloog Martinus Willem Beijerinck, dat veel kleiner en simpeler dan een bacterie is en dat je met de huidige microscopen nog niet kunt zien. Hij noemt het virus, het Griekse woord voor vergif. Het wachten is volgens hem op een veel betere microscoop. Ondertussen is het enige dat helpt, isolatie van anderen, afstand houden, mondkapjes, handen wassen met zeep. De Spaanse griep duikt steeds opnieuw op omdat de maatregelen te vroeg worden opgeheven of omdat de mensen er zich niet meer aan houden.

Als we op de vrije middagen niet gezamenlijk gaan wandelen, in groepjes met een wandelleider, dan doen we aan sport. In het bos is ook een sportveld, we doen er aan honkbal en aan dingen waar ik nog nooit van gehoord heb zoals de hinkstapsprong. In hoogspringen ben ik niet slecht, ik kan mezelf goed zijwaarts achterover gooien.
            Ik lees in bed onder de dekens met een zaklamp. Die heeft me heel wat sigaretten, snoepgoed, zelfs geld gekost. Maar toen ik er een jongen mee zag, moest ik zo’n ding hebben. Als de batterij een keer leeg is besluit ik op het toilet te gaan lezen. Er brandt licht maar de deur is niet op slot. Als ik de deur open stinkt het en zie ik dat iemand met stront op de gele muur heeft geschreven: IK WIL NAAR HUIS.

Op een avond schuift een van de jongens van het naaischooltje onder mijn dekens, hij zegt niks. Als we de deken over ons hoofd hebben getrokken zegt hij: Hoi. Ik zeg hoi terug. We liggen op onze rug, draaien een keer op onze zij en later op de andere zij. We raken elkaar niet aan. We fluisteren, maar alleen onder de dekens. Het is de eenzaamheid, de ellende, het verlangen naar huis, de stront op de muur. Als we op onze rug liggen zien we de bewegende schaduwen van de jongen in de chambrette naast ons die oefeningen doet om een bodybuildingfiguur te krijgen. ‘Dan moet hij nog lang oefenen,’ fluisteren we weer onder de dekens en lachen gesmoord.
            We worden niet betrapt maar wel verraden. Door de jongen van het wouldbe-bodybuilderfiguur? We worden niet samen verhoord, alleen apart. Pater Simon doet zo’n verhoor gretig, ook in de biechtstoel vraagt hij graag details. Om de zwaarte van de penitentie te bepalen, zegt hij. Maar op dit vergrijp staat geen penitentie maar een strenge straf: naar huis gestuurd worden. Jullie lagen achter of naast elkaar? Nooit omgedraaid? Raakten jullie elkaar niet aan? Waarom noemen jullie je clubje het naaischooltje? Bij al die suggesties moet ik opeens aan mijn oudere broer denken. Kort daarna is het grote vakantie. Pater Simon komt bij mij thuis langs, hij probeert met me alleen te zijn maar ik weet dat te voorkomen. Ik praat niet over mijn grote broer. Maar ik weet dat mijn moeder aan hem denkt en aan wat hij met mij heeft gedaan. Wat moeten ze met me als ze me van school sturen? Ik word immers nog steeds verdacht van het doden van de boer. Waarschijnlijk komt ook de kasteelheer weer in beeld. De Patersfabriek was een goede oplossing, vonden ze. Wat moeten ze nu met me?

Voor het eerste gedeelte, het moerassige gebied tot aan het water, kon hij gelukkig nog lagere brugjukken maken. Waar de eigenlijk rivier de Berezina stroomt, hevig stroomt met ijsschotsen, waar het water 2 meter diep is, zijn jukken van minstens 3 meter nodig. En dan moeten ze nog rekening houden met de modder, hoewel die met zo’n sterke stroming mee zal vallen. ‘Drie meter,’ grapt iemand, ‘dat is twee keizers op elkaar.’ Ze lachen erom, maar het helpt toch als daar een keizer staat die je bemoedigend toeknikt en vertrouwen schenkt aan je onderneming wanneer je in je blote bast het ijskoude water in gaat. Het hout is schaars, ze kunnen maar 2 in plaats van 3 bruggen bouwen. Gelukkig zijn de daken van de huizen hier gemaakt van planken die ze kunnen gebruiken. Die zijn wel kort, ze moeten aan elkaar worden gespijkerd, wat de stevigheid van de brug niet verhoogt. Als Nederlandse pontonniers hebben ze een naam op te houden. Die keizer die daar aan de kant ze toe staat te knikken kan ook averechts werken, mannen overschatten zichzelf, blijven te lang in het ijskoude water, raken bevangen, worden meegesleurd. Redden kunnen de pontonniers elkaar niet, misschien wel het brugjuk als het ergens aan hun kant blijft steken, het kan dan op een kar teruggehaald worden. Sommige brugdelen houden geen stand en daarvoor moeten ze opnieuw het water in.
Al gauw raakt de brug verstopt met paarden, onder de voet gelopen mensen, karren. Dan begint hun moeilijkste taak, om alles wat in de weg ligt en niet verder kan, want terug kan niet, om mensen en dieren, dood of levend, alle materiaal van de brug af het water in te duwen.

Wat moeten ze nu met me?

(wordt vervolgd)
________________________________________

HetWerk

literair kladschrift van

Meurs A.M. ISSN 2215-1494

24e Jaargang Nr.70 (69 was nog de 23e, dat stond verkeerd), 1 juni 2021.

Los nr: €4,- Verkrijgbaar bij Fenix en Streppel in Amsterdam. Of door (inclusief verzending) €5,92 over te schrijven naar
IBAN: NL97 TRIO 0379 4947 87 t.n.v. Meurs A.M. Amsterdam ovv Uw adres en HetWerk70. Alle nummers en boeken ook verkrijgbaar via Boekwinkeltje Wonderland. HetWerk70 bij Wonderland

Grootabonnement NL (11 nrs looptijd ca 4 jaar maar wordt korter): €41;
Kleinabonnement (6 nrs, looptijd ca 2 jaar, doet mee aan de korting): €21,50;

Steunabonnement (11 nrs): €50.
België en rest Europa: €50. Overmaken op
(attentie nieuw banknummer!): IBAN: NL97 TRIO 0379 4947 87 t.n.v. Meurs A.M. Amsterdam ovv Uw adres. Of mail naar:
hetwerkliterair@hotmail.com