Loopjongen (uit Aan de Lange Weg)

Net als de hoofdstukken Op Café Een en Op Café twee begint het hoofdstuk Loopjongen bij HotelCafé Den Os, waarvoor HotelCaféRestaurant De Leeuw model staat.

Om geen aandacht te trekken zou hij niet rechtstreeks van hotel/café Den Os naar café Willems gaan, over de Lange Weg en bij de sigarenfabriek de Broeklandweg in, maar zou hij eerst even naar huis gaan en dan door villawijk Het Zilverstrand, waar vroeger het zandpaadje naar school liep, naar Willems. En daar ging hij gewoon aan de bar zitten en een paar pilsjes drinken. Dan pas zou hij proberen het briefje aan Kareltje Manshoog te geven, die daar ongetwijfeld al die tijd op zijn vaste plaats tegen de muur aan de bar zat. Of misschien wachtte hij tot Kareltje ging pissen en liep dan met hem mee. “Ik loop even mee,” zou hij luid zeggen, “want ik heb er thuis ook al een paar op.” En met die mededeling sloeg hij twee vliegen in één klap: de verklaring waarom hij al zo gauw moest pissen én de mededeling dat hij van huis kwam en dus niet van Den Os.

            Maar Jan Weels staat pas van zijn barkruk bij Den Os op als hij al wat aangeschoten is en het tegen sluitingstijd loopt en hij al lange tijd de verwijtende blikken van Marie vanachter de bar heeft moeten doorstaan.

            “Straks is hij weg!” vormt ze met haar lippen en zegt er gauw hardop achter want haar man kijkt: “Staat je goed.” En ze voegt eraan toe: “Dat kort haar, bedoel ik.”

            Hij heeft zijn beatlehaar af laten knippen om te voorkomen dat ze hem in militaire dienst helemaal kaal zouden scheren, maar hij voelt zich er niet lekker bij. Terug bij af, vindt hij. Hij neemt nu de kortste weg naar café Willems.

            “Schiet op, anders komt hij hiernaartoe omdat hij denkt dat Gerrit in de nachtploeg zit!” had Marie de jongen nog toege­fluisterd.

            “Misschien is Wouter bij Willems,” zei ze hardop. “Ik heb hem hier de hele dag niet gezien.” Met zijn vriend Wouter was hij gisteren doorgezakt omdat hij morgen in dienst moet. Het probleem was dat hij daar niets van had gezegd toen hij drie maanden geleden een grote krantenwijk overnam. Hij had bovendien nog schuld aan de krant. Hij moest nu eerst die boodschap van Marie overbrengen!

            Waarom eigenlijk? Waarom liet hij zich voor dit karretje spannen? Waarom hielp hij mee om Gerrit te besodemieteren, dat goedaardige kereltje waar hij helemaal niets tegen had, dat nooit een verkeerd woord tegen hem gezegd had, ook niet als ze beiden teveel gedronken hadden. Was het omdat hij Marie nog nodig kon hebben vanwege die schuld? Of wilde hij gewoon bij dat stoere, door iedereen gevreesde Kareltje in de smaak vallen? Hij weet het niet en kan op het moment ook niet goed nadenken.

            Daar aan de rechterkant van de Broeklandweg woont Dinie Duinker, misschien wel het knapste meisje van het patronaat. Jan weet niet eens meer of hij haar wel eens naar huis heeft gebracht. Hij is aan die deur geweest, dat is zeker. Maar dat kan ook voor de krant geweest zijn. Als hij haar al ooit thuis­gebracht heeft na het dansen, zal hij als gewoonlijk wel teveel gedronken hebben, want hij kan er zich niets van herinneren, laat staan van haar gekust te hebben.

            En daar woont Sjaantje Sjaalmans, de vlotte cafémeid die nu serieus lijkt te zijn geworden, nu ze verkering heeft met de voorman op de bouw van zijn vriend Wouter die eindeloos elektrakabel trekt in de eindeloze rijen huizen van de nieuwe wijken. Maar wat moet je met die meiden?

Café Willems waarvoor Café Jansen ofwel Café Den Driesprong model staat.

            Zou hij bij Willems naar binnen gaan? Of eerst naar de fritestent op het pleintje, want hij heeft honger en eigenlijk al te veel gedronken. Het is nog bijna een half uur voor sluitingstijd. Waarschijnlijk treft hij zijn vriend Wouter daar ook. Dan kunnen ze samen naar Willems. Dat maakt het makkelijker. Hij heeft echt te veel gedronken. Hij loopt Willems voorbij naar de frituur. Gelukkig komt er bij Willems niemand naar buiten.

            Goed dat de jongensschool er nog staat, ook al wordt hij al tien jaar niet meer als zodanig ge­bruikt. De fritestent staat met zijn rug naar de jongensschool. Hij bestelt een halve haan/frites. Hij weet dat de half gestoomde, half gebakken smaak van de haan niet is zoals het hoort, maar juist aan deze smaak is hij verslaafd.

            “Hein, gooi er voor mij nog een loempia in,” roept iemand naast hem. Hein doet het en glimlacht, hij zegt nooit veel maar luistert des te beter, maar nu zegt hij wel tegen Jan: “Heb je Wouter niet bij je?” Jan lacht schaapachtig, Heintje is door Wouter blijkbaar in het complot betrokken.

            Wouter denkt natuurlijk dat hij hem niet gezien heeft, maar Jan heeft heel goed gezien hoe Wouter, toen hij hem zag aankomen, gauw naar de schaduw van de winkelgalerij op het pleintje is gelopen.

            Gerrit van hotel/café Den Os mag wel uitkijken met dat Kareltje. Als die ergens zijn zinnen op heeft gezet! Je zag nooit dat hij zich kwaad maakte. Maar ondertussen.

            Als Wouter nou niet te lang flauw bleef doen konden ze samen nog op tijd naar Willems. Anders kwam Kareltje bij Den Os aan terwijl Gerrit thuis was. Kareltje zou geen kik geven, maar Gerrit zou lastig kunnen gaan doen op dit uur en met drank op. Er moest iemand zijn mond voorbijgepraat hebben, want Gerrit had vrijdagavond toen Marie er niet was, bij hen, de jongens, dronken zitten uithuilen. Ze hadden gezegd dat ze van niets wisten. En ze konden het zich trouwens ook niet voorstellen! Maar dat was uit medelijden dat ze dat gezegd hadden, en uit eigenbelang. Ze mochten hun neus niet in dat wespennest steken.

            Wat Kareltje Manshoog uiteindelijk wil, daar kom je niet achter. “Jaja,” zegt hij boven zijn pils, maar kijk uit voor dat mannetje! Kareltje heeft er al eens eentje koudgemaakt.

            Wat Wouter daar nu aan vindt om zich maar steeds achter een volgende lantaarnpaal te verstoppen! Als het behalve donker niet ook een beetje mistig was, zou hem dat al helemaal niet lukken.

            Ja, Gerrit mocht wel uitkijken. Hij zou niet de eerste zijn. Was hijzelf, de jongen van negentien die morgen in dienst moest, nou bang voor Kareltje? Eerlijk zijn! Ja, eigenlijk wel, hij zou geen schijn van kans maken tegen die straatvechter, bovendien zou het gevecht nooit afgelopen zijn. Kareltje zou altijd weer op een nieuwe gelegenheid loeren. Maar dat was het niet. Er bestond weinig kans dat Kareltje hem ooit zou bedrei­gen. Waarom zou hij? Daar was Kareltje ook te uitgekookt voor. Hij hoorde zichzelf tegen Kareltje zeggen: “Ik wil best een keer een boodschap overbrengen, en verraden zal ik je nooit, maar ik wil niet de spil zijn waarop jullie verhouding draait. Dat kan ik voor mezelf niet verantwoorden ten opzichte van Gerrit.” Het was zeer onwaarschijnlijk dat hij ooit zo`n lang betoog tegen Kareltje zou afsteken. Waarschijnlijk zou het al gauw zijn blijven steken in Kareltjes dodelijk ironische blik.

            Waar was Wouter in hemelsnaam mee bezig! Waar ie al lol in had! Waarom kwam hij niet gewoon naast hem lopen?

            Moeilijk om je gedachten bij elkaar te houden op zo`n manier. Hij hoefde niet bang te zijn voor Kareltje. Hij was hem ook niets schuldig. Bij Marie lag dat misschien wat anders. Hoewel hij en Wouter over het algemeen gewoon voor hun drank betaald hadden. Maar okay, ze hadden bepaalde privile­ges, ze zaten ook nog wel eens na sluitingstijd in de keuken. Misschien was het toch dat hij door Kareltje geaccepteerd wilde worden, met zijn negentien jaar voor vol wilde worden aangezien door het dertigjarige stoere mannetje. Hij zou graag van zichzelf willen zeggen dat hij daar bovenstond, maar dat was niet zo. Een andere verklaring kon hij niet geven voor zijn houding tegenover Kareltje. Puur laf in de smaak willen vallen. Eigenlijk veel beschamender dan angst. Maar waren niet de meeste mensen daar voortdurend mee bezig, met gewoon aardig te willen worden gevonden? Behalve door degenen die door iedereen worden veracht? Was dat nou net niet dat mee­huilen met de wolven in het bos waar hij zich tegen af wilde zetten? Hij was geen haar beter dan de anderen. Hij moest morgen in militaire dienst maar eens beginnen met daar goed over na te denken.

            Militaire dienst. Hij als soldaat, hij kan het zich eigenlijk niet voorstellen. Maar goed dat er nu die ‘hot line’ Moskou-Washington bestond. Met de Cubacrisis had het weinig ge­scheeld of de derde wereldoorlog was uitgebroken. Naar Nieuw-Guinea kon hij ook niet meer gestuurd worden. De Papoea’s waren al door de grote wereldpolitiek aan Indonesië uitgeleverd.

            Wouter, hou op met die flauwe kul, laten we samen bij Willems naar binnen gaan!

            Er kan vanalles mis gaan. Kareltje zou Gerrit kunnen koud­maken. Gewoon zo. Een duidelijke moord. Hij kan het ook op een ongeluk laten lijken. Op de brommer aangereden door een auto, een bouwvakkerbusje. Of Kareltje vraagt Gerrit hem te helpen bij een bouwklusje. En duwt hem van de steiger af. Of laat een lading stenen of dakpannen op hem vallen. Of Marie wordt er bij betrokken. Dan wordt het een ongeluk wanneer Gerrit te veel heeft gedronken. Hij valt uit het raam of van de trap. Of ze stoppen iets in zijn eten of drinken. In één keer of elke dag een beetje. Of ze rekenen erop dat hij gewoon van het dag en nacht werken, zowel bij Philips als in het café, de pijp uit gaat. Van het uitsloven en van nijd en frustratie. Eindelijk dacht hij uit de ploegendienst te kunnen, eindelijk hebben ze een goedlopende zaak en denkt hij thuis te kunnen blijven, en nu houdt zijn vrouw het met een ander en probeert hem kwijt te raken! Hij maakt er een eind aan. Nee, dat is precies wat die twee willen. Maar hij drinkt wel veel te veel, verwaarloost zich, vreet zichzelf op en krijgt een hartaanval.

            Of nee, integendeel, Gerrit gaat zelf in de aanval. Nee, hij probeert niet meer zoals eerder in een dronken bui te vechten met Kareltje – die duwde hem gewoon opzij – en ook probeert hij niet meer Marie te slaan. Want Kareltje heeft hem via Marie met de dood bedreigd als hij het nog eens waagt, dat zegt Marie tenminste. Nee, eerst vertelt hij het verhaal van die twee die hem proberen uit te schakelen aan alle vaste klanten. Die ook Marie’s versie én de verzekering moeten aanhoren dat zij en Kareltje Gerrit niks zullen doen, maar dat het wel eens moeilijk is als iemand je het leven zo zuur maakt. Nee, Gerrit saboteert eerst de boel, laat de tap leeglopen, dat soort dingen. Maar dan steekt hij de boel in de fik. Hij staat op de Lange Weg in het schijnsel van het brandende hotel/café Den Os te lallen: “Ík geen café, niemand een café!”

            Het kan ook bij Marie totaal mislopen. Ze kan door Kareltje bij de eerder genoemde intriges worden betrokken, maar ook zelf gewoon zwanger raken bijvoorbeeld. Ze had de jongens wel eens gevraagd hoe aan kapotjes te komen, maar tegelijk had ze er lacherig koket aan toegevoegd dat ze niet zag hoe ze Kareltje met zo`n ding in bedwang moest houden. Want als die erin wil, gaat-ie er ook in! En ze had vanachter haar hand gelachen, zogenaamd beschaamd maar eigenlijk apetrots dat ze dat nog teweeg kon brengen. Maar ze was ook al eens over tijd geweest. En had ze niet gehoord dat híj, Jan, ergens ver weg – nee, ze zou het niet tegen zijn meisje hier vertellen – een vriendinnetje had dat in de verpleging werkte? Die wist vast wel waar je terecht kon.

            Kom op, Wouter, we moeten bij Willems naar binnen.


“Schiet op, anders komt hij hiernaartoe omdat hij denkt dat Gerrit in de nachtploeg zit!” had Marie de jongen nog toege­fluisterd.

            Marie kon ook hysterisch worden, ze had nu al van die buien. Dan zou ze worden opgenomen. Dat was misschien nog de beste oplossing. Hij zou haar dan opzoeken. Kareltje ging ook een keer maar liet het daarna afweten. Gerrit zou proberen het café draaiende te houden maar dat lukte niet, ondanks dat hij van Philips thuisbleef. De vaste klanten bleven geleidelijk aan weg, de jongelui omdat de muziek voortaan zachter moest en er niks meer viel te lachen, de mannetjes die op Marie geilden zochten hun heil elders.

            Hij heeft te maken met mensen die allemaal voor grote veranderingen in hun leven staan. Marie, Gerrit, Kareltje. Kareltje? Misschien is het voor Kareltje gewoon een spel. Hij verdient geld als water met het plaatsen van onafzienbare rijen televisiemasten op de onafzienbare rijen huizen van de nieuwe wijken, genoeg om, wanneer hij niet werkt, in de kroeg te kunnen zitten. Als hij daarbij een vrouw in bed kan krijgen, is dat meegenomen. Kareltje loert gewoon op een prooi.

            En hijzelf? Over een paar uur moet hij in dienst. Gaat hij over anderhalf jaar op dezelfde voet verder? Met hetzelfde nietszeggende kantoorbaantje in de stad? En ging hij weer opnieuw kranten rondbrengen om in het weekeind te kunnen drinken? Als ze hem tenminste weer wilden hebben bij de krant, want hij moest eerst nog maar uit deze situatie zien te raken. Bleef hij een loopjongen voor de teksten van anderen, voor de journalisten… en – hij tastte weer naar het briefje – voor de liefdesaffaires van anderen? Of moest hij naar de Wildeman luisteren die had gezegd: “Er moet gewerkt worden, die pen moet over het papier krassen!” Maar de Wildeman zat ook meer in de kroeg dan dat hij schilderde en liet, ondanks zijn stoere verhalen over vrouwen, zondagsmiddags gewoon zijn vaste vriendin komen, die voor hem kookte en waste, en waar hij dus ook wel gewoon mee zou trouwen. En Ko Bierhof haalde de tijd die hij verzuimde met uitgaan en drinken en uitslapen braaf ’s avonds of zaterdags weer in. Het was alle­maal niet wat het leek. Maar wie was hij om anderen iets te verwijten? Misschien was zijn zogenaamde consequent zijn wel het meest rechtlijnige en domste wat je kon zijn.

            “Er staat hier nog een brief voor de schouw!” hadden zijn zusjes pesterig uit het raam geroepen, terwijl hij aan de over­kant van de Lange Weg met zijn vriendinnetje uit het dorp liep. Hij had de brief nog niet geopend, iedereen kon zien van wie hij kwam, de afzender stond achterop. Bovendien kenden al zijn huisgenoten het handschrift van zijn correspondentievrien­din. Maar er was iets veranderd. Hij had haar twee weken geleden voor het eerst ontmoet. En dat was hem niet in de koude kleren gaan zitten. Hij moest meer aan haar denken dan hem lief was. Hij was er een beetje bang van. Vandaar dat hij de brief liet staan.

            Hij schrikt van het slaan van de kerktoren vlakbij. Het is zo dichtbij dat hij omhoog moet kijken. Twaalf keer. Sluitingstijd. Maar dat is de kerk van Sas! Hij is de verkeerde kant op gelo­pen. Dat heb je met die nieuwe wijken waar alles op elkaar lijkt. Maar het kwam ook door Wouter. Hoewel hij begon te denken dat hij zich maar verbeeld had dat Wouter steeds achter een volgende lantaarnpaal stond. Hij was verstrooid geweest, te veel bezig met zijn opdracht als… noem het maar ‘minnebode’. Maar daar kwam niks meer van terecht. Hij moest nu dat lange eind van de kerk van Sas over de Broeklandweg naar Willems teruglopen. Het zou gesloten zijn als hij daar aankwam. En bij Den Os ook.

            Over minder dan zes uur ging de bus naar de trein die hem naar de kazernestad moest brengen. Naar het soldatenbestaan. Een luizenleventje, zei men, want Nederland was niet in oorlog. Als er in Suriname of op de Antillen wat gebeurde, gingen er beroeps naar toe. Daar woonden zo weinig mensen. Toch werd er op verschillende plaatsen gevochten: Cyprus, Jemen, in Laos en Vietnam. Irak was bezig aan een genocide op zijn Koerden. In de VS vochten zwarten voor hun burger­rechten, racistische blanken vermoordden zwarte kinderen die ze niet op hun blanke scholen wilden hebben. Kennedy was vermoord. In Zuid-Afrika had Nelson Mandela levenslang gekregen. Hij wist het allemaal wel, maar hij had het van zich afgeduwd. Hij was jong en wilde van het leven genieten.

            Het is een lang stuk over de Broeklandweg, langs café Willems, de sigarenfabriek, en dan over de Lange Weg langs hotel/café Den Os naar huis. Ging hij wat studeren in dienst? Hij hoefde geen carrière te maken, als hij zich maar weer ergens mee ging bezighouden, als hij maar weer ging lezen. Want zo oppervlakkig als hij nu leefde, dat was hij niet. Ging hij na dienst weer thuis wonen? Nee toch! Hier kwam hij niet van de grond. Moest hij niet in fabrieken of in de haven gaan werken om het leven een beetje te leren kennen? Naar Amster­dam. Er rommelde vanalles. Er waren anti-rookhappenings gehouden op het Spui in Amsterdam, nadat eindelijk was toegegeven dat roken kankerverwekkend was. Gelukkig was hij drie maanden geleden gestopt. Pour moi la vie va commen­çer, neuriede hij. Maar dan ging hij over op: Because I used to love her, but it’s all over now.

            De Rolling Stones waren net in het Kurhaus in Schevenin­gen geweest en de tent was afgebroken. Zijn handen tintelden. Er was niemand te zien en hij zette een combinatie van ju­doworpen in. Ippon! Hij was degene die zijn leven moest veranderen. Zelfstandiger zijn, niet alleen tegenover zijn ouders, dat was geen kunst. Eerst moest hij een methode vinden om zich te weren tegen de domheid en de lompheid van de militaire dienst. Dat had hij tot nu toe verdrongen.    

            Misschien moest hij maar eerder afslaan en door de nieuwe wijk Het Zilverstrand recht naar huis gaan. Hij liep dan niet het risico dat, als hij voorbij Willems en Den Os kwam, iemand hem nog zag.

            Hij begon het briefje in heel kleine snippers, van een halve centimeter te scheuren en strooide ze over een lengte van meer dan vijftig meter over het trottoir en het begin van de voortuin­tjes van de dure wijk. Over een paar uur zouden de dames buiten komen om de papiertjes op te vegen en uit de haagjes en struikjes te plukken.

            “Wie doet nou zoiets?” zouden ze tegen elkaar zeggen, “in onze wijk! Dat is vast iemand geweest van de Lange Weg.”

Uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M., 3e, geïllustreerde, druk,
in Nieuwstaat alleen nog verkrijgbaar: Boekwinkeltje Wonderland (geen verzendkosten NL en België)

Op de Filipijnen zijn ze gek geworden, zoon van verjaagde dictator Marcos, 36 j later president, zijn weg geplaveid door massamoordenaar Duterte, en aan de hand van het Monster in Rood, zijn moeder Imelda: Bongbong!

DUIZENDEN MENSEN HEEFT DE FAMILIE MARCOS VERMOORD EN MILJARDEN HEEFT DE FAMILIE GESTOLEN VAN HET FILIPIJNSE VOLK, EN VOORAL IMELDA HEEFT DIE MILJARDEN MET DE GROOTSTE MINACHTING AAN LUXE GOEDEREN EN OOK BELACHELIJKE ZAKEN UITGEGEVEN. ZIJ IS DE DRIJVENDE KRACHT ACHTER HAAR GINNEGAPPENDE ZOON EN ACHTER DE GESCHIEDVERVALSING. IN HAAR EEUWIGE RODE JURK NOEMDE ZE ZICH STEEVAST HUICHELACHTIG DE MOEDER VAN AL DIE FILIPIJNEN DIE ZE HEEFT BESTOLEN EN BESTEELT TOT OP DE DAG VAN VANDAAG.
Zo’n moeder, of het nou om Helena Ceaucescu of om Imelda Marcos gaat, treedt op als de Koningin in het toneelstuk Mijnwerkersmacht.

MIJNWERKERSMACHT
toneelspel in 10 scènes

We bevinden ons in een psychiatrische inrichting. Ook welkom.

Scène 2

De KONINGIN (een jongeman in een geweldige her­melijnen mantel) komt snel lopend op met in haar kiel­zog GORBATSJOW (uw vader dus), STALIN (een se­niel Chineesje) en de KAMPKOMMANDANT (hoge zwarte laarzen). Met een weidse zwaai van haar man­tel komt de KONINGIN tot stilstand.

KONINGIN: (theatraal)
Als een moeder
ben ik voor jullie geweest
(wacht even)
alles heb ik me ontzegd
letterlijk alles
om jullie te brengen
waar jullie zijn gekomen
als een moeder, zeg ik

Aarzelt, GORBATSJOW doet wat nonchalant, de KAMPKOMMANDANT staat in de houding plechtig te luisteren, STALIN wil van de aarzeling gebruik ma­ken.

STALIN: Ik ben –

KONINGIN: (wat gewoner)
Het is allemaal fout gegaan
toen gewone jongens
landskampioen
konden worden

GORBATSJOW: (kijkt niet naar haar) Landskampioen? Je bedoelt landshoofd, staatshoofd!

KONINGIN: (in de war, denkt na, STALIN staat te knikken, zij gaat dan plotseling verder)
Aan mijn borst
heb ik jullie gedrukt
als mijn eigen kinderen
sterker
mijn eigen kinderen
heb ik voor jullie verwaarloosd
of toch minstens
op het tweede plan gezet
terwijl ik  zielsveel hield
van mijn eigen kinderen
gingen jullie voor
(ze stokt)

STALIN: Ik ben Jozef Stalin, zoon van een schoenma­ker en ex-seminarist. (goedmoedig rondscharrelend, nu tegen de KAMPKOMMANDANT) Ik ben Jozef Stalin, zoon van een schoenmaker, en ex-seminarist.

De KAMPKOMMANDANT blijft stram naar de KO­NINGIN kijken.

KONINGIN: (komt aarzelend op gang)
Als een moeder zeg ik
mijn eigen kinderen
hebben dit niet begrepen
(enthousiast)
dat ik zielsveel van ze hield
(zakt weer weg)
maar dat ik jullie
voor moest laten gaan
hoewel mijn eigen kinderen
niets zijn tekort gekomen
heb ik toch jullie (stokt)

STALIN: (loopt snel van de een naar de ander en zegt steeds) Ik ben Jozef Stalin, zoon van een schoenma­ker, en oud-seminarist.

GORBATSJOW: (hard) Kop dicht, Deng!

STALIN stopt, goedmoedig in zichzelf mopperend, men kijkt naar de KONINGIN.

KONINGIN:
Ik heb niet op jullie
laten schieten
niet op jullie
een moeder laat niet
(stokt)
maar er waren er
(snikt)
bij jullie
jullie stonden tussen
en toen moest ik
als een moeder
(huilt)

STALIN: Ik ben Jozef Stalin (valt stil)

KONINGIN: (vermant zich, koppig)
toen gewone jongens
landskampioen
konden worden
gewone jongens
schieten niet op moeders
als een moeder ben ik

Plotseling gaan met een luide klik de lichten uit.

GORBATSJOW: Shit, alweer tien uur.

(uit het toneelstuk Mijnwerkersmacht in het boek Spelen van Meurs A.M.)

#Bongbong #Marcos #Duterte #dictatuur #verkiezingsfraude #Imelda #MonsterinRead #diefstal



De Vrouwen van de Eerste Huizen op weg naar het Boekenbal

Volgens velen zijn De Vrouwen van de Eerste Huizen de jus van Aan de lange Weg, zijn zij het die het ook tot een leuk boek maken. Het verscheen in december 2004. Eerst gebeurde er niets. Dan verscheen er een artikeltje in de Ahrenberger en kwam het op gang. Een maand later een pagina in het Eindhovens Dagblad. Toen begon het echt te lopen, het Boekenbal kwam eraan en De Vrouwen van de Eerste Huizen vonden dat ze daar nu ook bij moesten zijn. Een stukje vervolg op Aan de Lange Weg.

De Vrouwen van de Eerste Huizen op weg naar het boekenbal.

Nauwelijks waren de eerste tientallen exemplaren van Aan de Lange Weg verkocht of de Vrouwen van de Eerste huizen waren op weg gegaan naar het boekenbal. Ze hadden besloten, hoewel het boekenbal nog een aantal weken ver weg was, zich thuis al om te kleden. Kwestie van inleving in hun rol vonden ze dat. Ze zouden die kleren dan onderweg wel een keer wassen. Hanna Knietel dacht dat ze het beste als Arnon Grunberg kon gaan, vanwege zijn meisjesachtige uiterlijk. Maar die stem, hoog, beschaafd, bekakt, hoe kreeg ze dat voor elkaar? En Arnon sproeit niet voor zover wij weten, dachten de andere twee vrouwen, ook niet bij de s-en en de t’s, maar dat zeiden ze niet hardop. De oudste dochter van Meijer wil wel als A.F.TH. Dat Geldropse gedoe is een zacht eitje, met een beetje platbrabants geouwehoer, kom je al een heel eind.

Ze willen eerst een bijzondere daad stellen, namelijk de enige schrijver opzoeken die ze ooit hebben gekend en die nu in een inrichting zit. In de Rijks Psychiatrische Inrichting in Best, menen ze. De schrijver was bij een paar dames aan de Lange Weg in de kost geweest. Hij zat altijd boven op zijn kamer op een schrijfmachine te rammelen. Hij schreef vieze boekjes, wisten ze. Hij kreeg er niet veel geld voor. Je moest heel veel vieze boekjes schrijven om een boterham te verdienen. Hij wilde eigenlijk heel andere boeken schijven, zei men, maar men betaalde hem alleen voor vieze boekjes. Daarom was hij op de duur gek geworden. Je zou van minder…

Daar liep iemand. Zouden ze die de weg vragen? “Doe die maar niet,” zei Hanna Bosmans nog nadat ze een blik op de man had geworpen. Waarom niet? Je kon toch niet zomaar zeggen: Nou, als ik die zo eens aankijk, dan weet die het vast niet. Vooruit dan maar.

 “Weet u misschien waar de RPI is?” vroeg de oudste dochter van Meijer op beschaafde toon maar natuurlijk wel haar zware stem. De man keek hen nadenkend aan. Hij dacht na, misschien was het niet zo erg met hem gesteld als dat het leek. Toen antwoordde de man, terwijl hij hen nadrukkelijk aankeek: “Weet ú het?”

Hanna Bosmans trapte plotseling het gaspedaal in en lag met haar hoofd op het stuur van het lachen. Ook de andere twee proestten het uit, terwijl ze de wedervraag van de man herhaalden. Je zag toch al meteen dat die man niet goed was! Omdat ze met al dat gelach niet hadden opgelet, bleek even later dat ze een voetbalveld waren opgereden. Hanna Bosmans was al een keer het veld rondgereden maar kon de uitgang niet meer vinden. “Zet maar op de stip!” proestte Hanna Knietel het uit. Het was er drassig. Op een gegeven moment konden ze niet meer voor- of achteruit. Toen kwam er gelukkig een mannetje het veld oplopen dat ze de weg naar de RPI konden vragen.

“Als je maar gek genoeg doet kom je er vanzelf,” zei het mannetje. Nu konden ze helemaal niet meer. Hanna had de voorwielen zo heftig laten draaien dat ze tot op de bodem van de auto in het voetbalveld zaten en er geen beweging meer in het stuur was te krijgen. “Lopen jullie ondertussen maar vast met die borden langs het veld,” zei ze, “de huizen staan hier vlak omheen, aan de overkant van de straat, en er is altijd wel iemand die kijkt. Toe nou maar.”

Ze hadden leuzen voor op de borden gezocht en die gevonden in de vijftiger, begin zestiger jaren. Natuurlijk toen, zeiden ze, toen hadden wij ons hoogtepunt! Eentje was er van Harry Mulisch uit de Haagse Post, die toen nog het formaat van het Parool nu had. En daarin stond over de breedte van 2 pagina’s: “ Ik ben een groot schrijver, daar helpt geen lievemoederen aan.” Dus dat was op het bord geworden: A.M. is een groot schrijver, daar helpt geen lievemoederen aan. Het andere bord hadden ze van de kaft van Ik, Jan Cremer. Dat was geworden: Aan de Lange Weg, een onverbiddelijke bestseller. Met die borden om liepen de Vrouwen de volgende ochtend door de stoptrein Eindhoven – Den Bosch, waarin ze in Best waren opgestapt. Ze waren die nacht maar in de auto op het voetbalveld blijven zitten. Ze gingen in diskussie met de passagiers. Er waren in de trein mensen die over de Da Vinci Code begonnen. Maar daarmee waren ze bij de Vrouwen aan het verkeerde adres. “Niet bij ons hoor,” zeggen de Vrouwen, “bij ons trekt Aan de Lange Weg een lange neus naar al die boeken, hé dat is een goeie!”  Weet je wat de Vrouwen wel een goed boek vonden? Nou? Hoe God verdween uit Jorwerd van Geert Mak. Maar die is met zijn laatste boek het ouwe wijf van de literatuur en de geschiedenis geworden, doet zijn naam eer aan. Nee, dan Het Zwijgen van Maria Zachea van Judith Koelemeijer. Dat vinden ze wel een voorbeeld, zeker wat betreft verkoopcijfers. Want nu vergeten we al die boeken, zeggen ze, en hebben we het over Aan de Lange Weg. Opeens donderen ze door de trein heen, een luid gepiep en geknars, gegil. Welke gek heeft er aan de noodrem getrokken? Als ze met bulten en blauwe plekken overeind zijn gekrabbeld en de trein tot stilstand is gekomen, gaan ze uit het raampje hangen en kijken naar voren. “Verrek, dat is de bus van onze Harry die daar dwars op de overweg staat!”  “Waar zijn die gekke wijven?” horen ze hun mannen roepen. “Zeg dat ze naar huis komen!” Ze worden met hun allen een poosje in Den Bosch vastgezet, verkleed en wel en met de sandwichborden. En de Vrouwen weten van geen ophouden. Ze hangen de sandwichborden voor de tralies en roepen: “Hé, Bosschenaren, weten jullie dat Aan de lange Weg ook in het Noordbrabantsmuseum ligt? Hé, Bossche bollen…” Volgend jaar zijn ze zeker op het boekenbal, desnoods vertrekken ze gewoon nog een paar weken eerder van huis. En tegen hun mannen zullen ze zeggen dat ze naar Valkenburg gaan.

——————————

Van HetWerk41, Aan de Lange Weg-special van het (toen nog)maandelijks literair kladschrift van Meurs A.M., 11 maart 2005, werden 150 exemplaren genummerd en gesigneerd.


Kaft 1e en 2e druk 2004, 2005


3e, door @UfukKobas geïllustreerde druk 2009


In Nieuwstaat alleen nog verkrijgbaar: Boekwinkeltje Wonderland (geen verzendkosten)

GERECHTIGHEID toneelstuk in 16 scènes door Meurs A.M.

Vervolg van Facebook Willem Adams

Scène 8

Buiten
Sirenes, een geluidswagen die steeds herhaalt dat men binnen moet blijven en ramen en deuren gesloten houden. De BEUL hanteert vaardig de bijl bij het hakken. De KUNSTENAAR kijkt naar de lucht, snuift, loopt op de BEUL af wanneer deze even stopt.
KUNSTENAAR: Weet je wat dat zijn daarbinnen? Zeikerds! Maar levensgevaarlijke zeikerds! Die maken je af met een glimlach. Doen ze zelf niet, láten ze doen. Houden zelf hun handen schoon. Vinden altijd wel iemand die daar intrapt.
BEUL: Intrapt?
KUNSTENAAR: (van zijn stuk) Heb jij kinderen?
BEUL: (verontwaardigd) Kinderen, natuurlijk! Ik negentien kinderen! KUNSTENAAR: (even stil) Als je er zo veel hebt, dan sta je er boven… Maar als je er een of twee hebt, dan trek je je nog aan wat er met ze gebeurt. Mijn vrouw heeft het voor me verzwegen. De trut! Heb jij een vrouw?… Ach ja, nou ja, jij zit er niet mee. Ik heb een meid van zeventien, ik mocht haar nooit hard aanpakken. Nou is ze het huis uit. Verhuisd. Mijn vrouw wist ervan. Voldongen feiten. Alle vrouwen zijn tochtige hoeren, dat zijn het! BEUL: (verontwaardigd) Mijn vrouwen goed, mijn dochters goed! Niet hoeren! (Wil kwaad weer beginnen te hakken)
KUNSTENAAR: (haastig) Ach, zo bedoel ik het niet. Bij jullie is dat anders. Goed, goed, natuurlijk jouw dochters goed.
BEUL: Vrouwen ook goed! Zonen nog beter. Jij niet zoon?
KUNSTENAAR: (afgemat) Ja, ook al goed. Een zoon heb ik ook. Daar is nog niks mee aan de hand. (Stil, windt zich dan weer op) Weet je wat mijn vader met mij deed?… Die bond me vast aan de ladder en gaf me dan met de gloeiende pook! (stil)
BEUL: Vader? (stil)
KUNSTENAAR: Die ene hè, die met iedereen aangeilt, mannen of vrouwen, als het haar maar uitkomt, die vakbondsbestuurster, die heeft een zoon aan de drugs. Weet je wat ik zou doen? (Haalt een klein zakmesje te voorschijn, maakt een onderhandse, opwaartse kelende beweging) Krrrrst! Afgelopen! (Gaat op de grond zitten, slaat even zijn handen voor zijn gezicht, dan bezwerend)
Wij tweeën hebben niks gemeen met die daarbinnen. Wij zijn proletariërs, handarbeiders!
BEUL: Gemeen?
KUNSTENAAR: O, waar ben ik terechtgekomen! (Slaat opnieuw de handen voor het gezicht.)
De BEUL kijkt naar hem, de bijl aan de voet, heft hem dan op, houdt hem even in de lucht en gaat verder met houthakken.
(Weer duidelijk de geluidswagen: ‘Wilt u binnen blijven en ramen en deuren gesloten houden.’)

Voor bestellen Adams(Boon)-special

GERECHTIGHEID
(Het volledige toneelstuk)

toneelstuk in 16 scènes

Personen:

BEUL: vijfendertig jaar maar ouder uitziend, klein, oosters of Noord-Afrikaans type, vriendelijk, onschuldig uiterlijk; draagt een baard en mist een voortand;

KUNSTENAAR: midden vijftig , een wildeman;

INTELLECTUEEL: tussen de veertig en zestig jaar;

ONDERNEEMSTER: vijfenveertig jaar, verzorgd uiterlijk, goed geconserveerd;

POLITICUS: veertig of ouder;

VAKBONDSBESTUURSTER: achter in de dertig.

KLEDING: ligt alleen voor de BEUL vast. Deze draagt een te groot zwart pak, dat vooral in de schouders te groot is, een wit overhemd en een zwarte stropdas. Behalve in de laatste scène, daar draagt hij een zilvergrijs uniform van bijvoor­beeld een muziekkorps, weer te groot, vooral in de schou­ders, met rode epauletten, rode tressen op de borst, een rode bies rond de pols en op de naad van de broek.

Gespeeld wordt op 2 locaties:

De salon: een mooie kamer van een oud herenhuis; een tafel met 6 stoelen, een salontafeltje met enkele lage stoelen, een hoge buffetkast.

Buiten: buiten de salon, een neutrale plaats, bijvoorbeeld vooraan op het toneel, is soms buitenshuis.

Scène 1 

Buiten

DE BEUL:

Staat in zijn zwarte pak stokstijf op het toneel, staart over het publiek heen, doet dan een stap naar voren en zegt als in het spelletje ‘Wie van de drie’:

Mijn naam is Ahmad. Ik ben de beul van de Jihad. Ik heb in twee jaar drieduizend hoofden afgehakt.

Doet na enkele ogenblikken een stap terug, na weer enkele ogenblikken een stap zijwaarts, idem voor­waarts en zegt op andere toon:

Mijn naam is Ahmad, ik ben de beul van de Jihad, ik heb in twee jaar drieduizend hoofden afgehakt.

Achter hem is geruisloos de KUNSTENAAR opgeko­men. De BEUL maakt dezelfde bewegingen: achter­waarts, zijwaarts en weer voorwaarts, andere intona­tie, vriendelijk:

Mijn naam is Ahmad. Ik ben de beul van de Jihad, ik heb in twee jaar zo’ n drieduizend hoofden afge­hakt.

De KUNSTENAAR verdwijnt schielijk. De BEUL blijft rechtop, glimlachend naar het publiek kijken.

Scène 2

De salon

Aanwezig zijn de ONDERNEEMSTER, de INTELLEC­TUEEL, de POLITICUS en de VAKBONDSBESTUUR­STER, ze houden zich bezig of doen niets.

ONDERNEEMSTER: Ik vind: je moet je waardigheid behouden, onder alle omstandigheden.

INTELLECTUEEL: Dat vind ik zo goed aan je!

VAKBONDSBESTUURSTER: Wat precies?

ONDERNEEMSTER: Mijn uiterlijk is voor mij erg be­langrijk.

INTELLECTUEEL: Dat bedoel ik nou.

POLITICUS: Een van de redenen dat ik van mijn vrouw houd, is dat ze zich goed verzorgt.

KUNSTENAAR: (komt op, hoort nog net het laatste, luch­tig) Welja, als je haar maar goed zit. Weet iemand eigenlijk waarom we hier zijn?

VAKBONDSBESTUURSTER: Hoe is het buiten?

ONDERNEEMSTER: (keert zich hooghartig naar de KUNSTENAAR)  Ja, hoe is het daar?

De sirene van een politieauto is te horen, men luistert.

KUNSTENAAR: Tot aan het hek prima.

VAKBONDSBESTUURSTER: Kunnen we even iets bespreken?

KUNSTENAAR: Voor mijn part, ik haal even Ahmad erbij.

ONDERNEEMSTER: Nee, wacht even. (tot de VAK­BONDSBESTUURSTER) Ik weet niet waar­over jij het wilt hebben maar… Voor mij is het dui­delijk waarom WIJ hier zijn… Er zijn daarbuiten wat vooraanstaande mensen gegijzeld –

KUNSTENAAR: Gegijzeld? Er zijn er al veertien doodgeschoten!

ONDERNEEMSTER: Nou goed. Hierbinnen zijn een politicus, een intellectueel, een vakbondsbestuur­ster, een kunstenaar en een onderneemster. Het is duidelijk: de belangrijkste lagen van de maat­schappij zijn vertegenwoordigd. Wij vormen een soort schaduw-élite. Men heeft ons in veiligheid willen brengen.

KUNSTENAAR: Laat mij er even buiten, wil je, met je élite!

POLITICUS: Nou goed, ze wisten natuurlijk niet welk type kunstenaar… Maar inderdaad, het principe zie ik nu ook.

INTELLECTUEEL: We kunnen niet allemaal hetzelfde zijn.

ONDERNEEMSTER: Okay, we zijn het praktisch eens… Maar wat doet die… eh… gastarbeider hier dan?

KUNSTENAAR: Ik zal hem even roepen, dan vraagt u ’t hem zelf.

VAKBONDSBESTUURSTER: Ik geloof dat u ons be­wust niet wilt begrijpen.

De BEUL komt op met een dienblad waarop theepot en kopjes, hij lacht en knikt terwijl hij de thee serveert.

KUNSTENAAR: (spottend) Heeft er nog iemand vra­gen?

Men drinkt zwijgend de thee.

Scène 3

Buiten, alleen de KUNSTENAAR en de BEUL.

KUNSTENAAR: (enthousiast) Jullie eten toch ook rijst daarginds hè?

BEUL: Rijst, ja!

KUNSTENAAR: Nou, dat bedoel ik. Ik zal voor jou eens een lekker maaltje maken! Doe ik er flink wat knoflook in. Lust je dat?

BEUL: (kijkt rond, fluistert) Lekkerrr! Ik elke dag… drie rauwe knoflookbollen eten. Jij weten?

KUNSTENAAR: Ja, dat wist ik. (gedreven) Soep maak ik ook voor je. Maar dan echte hollandse, met prei, selder, peterselie, wortels, uien… Wij begrijpen el­kaar.

BEUL: (ook enthousiast) Ik voor jou maken tarwekoek met schapevlees!

KUNSTENAAR: Daar gaat het nou niet om maar… Hij luistert naar het schieten in de verte.

Scène 4

De salon, behalve de BEUL is iedereen op, men zit aan een gedekte tafel.

ONDERNEEMSTER: (tot VAKBONDSBESTUURSTER) Ik heb nooit tijd gehad om een gezin te stichten.

INTELLECTUEEL: Een gezin is ook niet alles.

KUNSTENAAR: (in een plotselinge woede-uitval tegen de VAKBONDSBESTUURSTER) Als ík een zoon aan de drugs had, metselde ik een cel en zette hem 3 maanden op water en brood, tot hij er vanaf was! (voor zich uit, nadenkend) Ik maakte de muren wel af met rubber, dat-ie zich niet kon bezeren.

De anderen kijken naar de KUNSTENAAR en de ge­schrokken VAKBONDSBESTUURSTER, stilte.

ONDERNEEMSTER: (tot VAKBONDSBESTUURSTER) Ik vind dat je haar nu echt héél goed zit, je ziet er nu héél mooi uit. (tot de POLITICUS) Vind je ook niet?

POLITICUS glimlacht en knikt verlegen en kijkt dan naar de INTELLECTUEEL.

INTELLECTUEEL: Het verblijf hier doet ons goed.

VAKBONDSBESTUURSTER: (heftig tot KUNSTENAAR die zich zit te ergeren) Jij hebt met hem gepraat hè? (Kijkt naar de deur.)

KUNSTENAAR: (barst los) Godverdomme, er is niet één vrouw die deugt! Tochtige hoeren, dat zijn het! Voor een gewone hoer heb ik respect, die doen het voor het geld, ze hebben gelijk en weten je nog op te beuren, maar – 

De BEUL komt op met een schaal, hij bedient.

ONDERNEEMSTER: (zacht tot VAKBONDSBESTUUR­STER) Verstaat hij eigenlijk ABN?

Scène 5

Buiten

De BEUL alleen op, hij beoefent een soort balletgymnastiek, waarin we een gestileerde onthoofding kunnen herkennen. Hij speelt afwisselend voor slachtoffer en voor beul, steeds opnieuw. Terwijl hij bezig is komt achter hem ongemerkt de POLITICUS op.

POLITICUS: (ogenschijnlijk tegen niemand speciaal) Elke maatschappij heeft mensen nodig die het moeilijke werk opknappen.

De BEUL verstart, staat zeer gespannen zonder de POLITICUS aan te kijken, stil, de POLITICUS geeft een draai aan zijn betoog.

Wij in dit land hebben de weg van de minste weer­stand gekozen, wij hebben duizenden arbeiders van buiten gehaald.

De BEUL ontspant, stilte, de POLITICUS kijkt ter­sluiks naar de BEUL, probeert opnieuw.

Elke machthebber heeft een rechterhand nodig die zijn macht voor hem handhaaft. Dat moet een sterke figuur zijn, niet bang voor vuile handen.

De BEUL, weer zeer gespannen, bekijkt hem wan­trouwend, werpt een steelse blik op zijn eigen handen. Dan gaat hij heel dichtbij de POLITICUS staan, zijn gezicht bijna tegen het zijne, kijkt hem zo onderzoe­kend in zijn gezicht. De POLITICUS houdt het niet uit, hij draait zich om, brengt een hand naar zijn voorhoofd.

Wat ik zeggen wou… ik doe zelf ook aan sport.

Scène 6

De salon

Alle personages op behalve de KUNSTENAAR; de BEUL ruimt op, stoft af, de rest damt, leest of doet niets.

INTELLECTUEEL: (damt met POLITICUS) Jij damt goed, beter dan ik.

POLITICUS: (volgt met zijn ogen de BEUL) Ja, ik heb het spel door.

ONDERNEEMSTER: (bekijkt in 2 spiegels haar nek) Een juiste houding van de hals is alles, voorkomt een onderkin. (tot de VAKBONDSBESTUURSTER) Jij hoeft je daar geen zorgen om te maken.

POLITICUS: (kijkt van de ONDERNEEMSTER naar de BEUL en vice versa) Mijn broer is een bekend jour­nalist – (kijkt onder de tafel, dan naar de INTELLEC­TUEEL die tegen hem glimlacht,  gaat wat achteruit zit­ten) Misschien dat die –

INTELLECTUEEL: Waarom ben je getrouwd? (blijft POLITICUS enkele seconden glimlachend aankijken) …Ik bedoel, wanneer ben je getrouwd?

POLITICUS: O, een aantal jaren geleden. Hoezo? Waar was ik? Mijn broer weet misschien wat meer over de situatie. (kijkt weer naar de BEUL die vriendelijk aanrommelt)

VAKBONDSBESTUURSTER:( langs ONDERNEEM­STER heen tot POLITICUS) Ja, we moeten de zaken eens op een rijtje zetten.

ONDERNEEMSTER: Vergeet die zoon van je nu eens even.

VAKBONDSBESTUURSTER: (fel) Dit heeft met mijn zoon niets te maken!

ONDERNEEMSTER: (sussend) Pardon, neem me niet kwalijk. (dan opgewekt, bewonderend) Jij hebt kinde­ren en je figuur heeft er totaal niet onder geleden.

KUNSTENAAR: (komt op, luid) Er is gif ontsnapt uit een chemische fabriek. Er zijn duizenden doden. Het is ver hiervandaan, maar we moeten toch ra­men en deuren dichthouden.

Stilte, waarin sirenes zijn te horen.

VAKBONDSBESTUURSTER: Het is kil hier, ik heb kippevel. (Pakt een spiegel uit de hand van de ON­DERNEEMSTER en bekijkt haar verontruste ge­zicht)

INTELLECTUEEL: We zouden wat hout voor de haard moeten hakken.

De BEUL kijkt naar de INTELLECTUEEL, knikt vriendelijk en gaat dan af, de POLITICUS volgt hem met zijn ogen en voelt aan zijn nek, de KUNSTE­NAAR kijkt beurtelings naar de POLITICUS en naar de plaats waar de BEUL is ver­dwenen

POLITICUS: We moeten nu –

KUNSTENAAR: Ik ga hem even helpen. (Gaat achter de BEUL aan)

Scène 7

De salon

Iedereen op, behalve de BEUL en de KUNSTENAAR. Er is nog meer lawaai, schoten, sirenes, vliegtuigen.

VAKBONDSBESTUURSTER: Laten we snel spijkers met koppen slaan!

ONDERNEEMSTER: Je bent aanbiddelijk met die op­gewonden kleur. Maar goed, wie weet er meer over onze gastarbeider?

VAKBONDSBESTUURSTER: De kunstenaar praat regelmatig met hem. Met mij heeft hij nog geen woord gewisseld. Ik heb nochtans heel wat gastar­beiders –

POLITICUS: Je zegt het goed: spijkers mèt koppen. En zonder als het aan degenen ligt die ons hebben op­gesloten met die gastarbeider, zoals u zegt.

KUNSTENAAR: (komt luidruchtig op) Ik zou wel eens stevig willen neuken, heb drie weken niks gehad!

De POLITICUS en de INTELLECTUEEL kijken van de KUNSTENAAR naar de ONDERNEEMSTER en de VAKBONDSBESTUURSTER, die geschrokken reageren.

POLITICUS: Moest je daarvoor hém meekrijgen… om hier een paar vrouwen te kunnen –

KUNSTENAAR: (luistert niet) Maar ik zou niet weten met wie hier!

ONDERNEEMSTER en VAKBONDSBESTUUR­STER ontspannen, stil, la­waai van buiten.

POLITICUS: (tot KUNSTENAAR) Je hebt hem zeker ook zijn portie beloofd hè? Een beschaafde vrouw is eens wat anders dan zo’n turken- of marokka­nenhoer en met vijftig in de rij!

KUNSTENAAR: (besteedt geen aandacht aan de POLITI­CUS, op serieuze toon) Er is oorlog tussen Noord en Zuid. Men is bang dat Japan samen met China de kant van het Zuiden zal kiezen. Rusland doet mee met het Zuiden, de Arabische landen hebben nog niet gekozen maar neigen naar het arme Zuiden.

ONDERNEEMSTER: Jij altijd met je ‘nieuws’!

POLITICUS: (opgewonden) We zitten in de val! (tot de KUNSTENAAR) En jij speelt met hem onder één hoedje!

De KUNSTENAAR loopt schouderophalend van hem weg, de POLITICUS loopt achter hem aan en slaat hem onhandig met een voorwerp op zijn achter­hoofd/schouder, ze vechten.

VAKBONDSBESTUURSTER: (buiten zichzelf) Maak hem af, maak hem af!

De BEUL komt op en haalt haastig de vechtenden uit elkaar. Het geluid van buiten, sirenes, schoten, zwelt weer aan.

Scène 8

Buiten

Sirenes, een geluidswagen die steeds herhaalt dat men bin­nen moet blijven en ramen en deuren gesloten houden. De BEUL hanteert vaardig de bijl bij het hakken. De KUN­STENAAR kijkt naar de lucht, snuift, loopt op de BEUL af wanneer deze even stopt.

KUNSTENAAR: Weet je wat dat zijn daarbinnen? Zei­kerds! Maar levensgevaarlijke zeikerds! Die maken je af met een glimlach. Doen ze zelf niet, láten ze doen. Houden zelf hun handen schoon. Vinden al­tijd wel iemand die daar intrapt.

BEUL: Intrapt?

KUNSTENAAR: (van zijn stuk) Heb jij kinderen?

BEUL: (verontwaardigd) Kinderen, natuurlijk! Ik negen­tien kinderen!

KUNSTENAAR: (even stil) Als je er zo veel hebt, dan sta je er boven… Maar als je er een of twee hebt, dan trek je je nog aan wat er met ze gebeurt. Mijn vrouw heeft het voor me verzwegen. De trut! Heb jij een vrouw?… Ach ja, nou ja, jij zit er niet mee. Ik heb een meid van zeventien, ik mocht haar nooit hard aanpakken. Nou is ze het huis uit. Verhuisd. Mijn vrouw wist ervan. Voldongen feiten. Alle vrouwen zijn tochtige hoeren, dat zijn het!

BEUL: (verontwaardigd) Mijn vrouwen goed, mijn dochters goed! Niet hoeren! (Wil kwaad weer begin­nen te hakken)

KUNSTENAAR: (haastig) Ach, zo bedoel ik het niet. Bij jullie is dat anders. Goed, goed, natuurlijk jouw dochters goed.

BEUL: Vrouwen ook goed! Zonen nog beter. Jij niet zoon?

KUNSTENAAR: (afgemat) Ja, ook al goed. Een zoon heb ik ook. Daar is nog niks mee aan de hand.

Stil, windt zich dan weer op

Weet je wat mijn vader met mij deed?… Die bond me vast aan de ladder en gaf me dan met de gloei­ende pook! (stil)

BEUL: Vader? (stil)

KUNSTENAAR: Die ene hè, die met iedereen aangeilt, mannen of vrouwen, als het haar maar uitkomt, die vakbondsbestuurster, die heeft een zoon aan de drugs. Weet je wat ik zou doen?

Haalt een klein zakmesje te voorschijn, maakt een on­derhandse, opwaartse kelende beweging

Krrrrst! Afgelopen!

Gaat op de grond zitten, slaat even zijn handen voor zijn gezicht, dan bezwerend

Wij tweeën hebben niks gemeen met die daarbin­nen. Wij zijn proletariërs, handarbeiders!

BEUL: Gemeen?

KUNSTENAAR: O, waar ben ik terechtgekomen! (Slaat opnieuw de handen voor het gezicht.)

De BEUL kijkt naar hem, de bijl aan de voet, heft hem dan op, houdt hem even in de lucht en gaat verder met houthakken. Weer duidelijk de geluidswagen: ‘Wilt u binnen blijven en ramen en deuren gesloten houden.’

Scène 9

De salon

Iedereen op, de BEUL is bezig.

ONDERNEEMSTER: Een beschaafd iemand kan veel doen zonder dat het direct storend is. Beschaving, daar gaat het om. (Stil)

(Voor zich uit) Ik heb vaak voor heel moeilijke be­slissingen gestaan.

Wendt zich parmantig tot de VAKBONDSBE­STUURSTER. Deze reageert geïnte­resseerder dan te­voren.

We kregen een aanvraag voor zeer geavanceerde richtapparatuur voor geleide wapens. Hoewel een handelaar als bemiddelaar optrad, wisten wij dat het was voor één van de oorlogvoerende partijen in het Oosten. Het was nog voor ze zich verenigd hadden tegen het Noorden.

Legt haar hand op de arm van de VAKBONDSBE­STUURSTER.

Onze apparatuur zou de ene partij geweldig in het voordeel brengen. Wij konden dat niet voor onszelf verantwoorden.

De KUNSTENAAR begint geïrriteerd op en neer te lopen, de BEUL stopt met rommelen om beter te kun­nen luisteren

We hebben bedenktijd gevraagd en in het geheim contact gezocht met de andere partij. Pas toen we met deze ook een contract hadden, hebben we geleverd aan de eerste.

Toen kort daarop een stad volledig werd verwoest, wisten we dat onze apparatuur goed was. En zeker toen er aan de andere kant hetzelfde gebeurde.
(Nadenkend) Het blijft moeilijk… zo’n  direct verband tussen jouw beslissing en duizenden doden.

De BEUL gaat af, stil, de VAKBONDSBESTUUR­STER luistert naar zijn voetstappen boven hen.

VAKBONDSBESTUURSTER: Hij is de bedden aan het doen.

Stil, tikt koket op de hand van de ONDERNEEM­STER.

Die doden zouden toch gevallen zijn, het had al­leen  wat langer geduurd. En vergeet niet: gebrek aan werkgelegenheid kost ook mensenlevens!

Stil, ze pakt het gezicht van de ONDERNEEMSTER in haar handen.

Hij komt ook van die kant vandaan! Zag je hoe hij luisterde? Hij is hier om wraak te nemen!

KUNSTENAAR:

(is woedend voor de ONDERNEEMSTER komen staan) Weet je wat ze jou moesten doen? Ze moesten jou met je kut op zo’n ‘geleid wapen’ zetten! Met je verhalen! Waarom kom je er niet gewoon voor uit dat je haar wil neuken!

ONDERNEEMSTER: Je bent een vreselijk banaal en onbeschoft iemand.

KUNSTENAAR: Weet je zeker dat je niet ‘onbeschaafd’ bedoeld?

Scène 10

De salon

Iedereen op, de bekende achtergrondgeluiden van buiten.

INTELLECTUEEL: (tot de POLITICUS) Heb jij wel eens iemand gedood?

POLITICUS: Niet direct.

INTELLECTUEEL: Hoe bedoel je?

POLITICUS: Eigenlijk niet, niet direct, bedoel ik.

INTELLECTUEEL: Oh. (stil, nadenkend) Doden geeft je macht over een ander.

ONDERNEEMSTER: (terwijl ze met haar uiterlijk bezig is, op aanstellerige toon) Het loopt helemaal uit de hand. Er is geen gezag meer. Het gepeupel neemt de macht over. Het einde van onze beschaving.

INTELLECTUEEL: Tuttut, zo ver zou ik nu ook niet willen gaan.

VAKBONDSBESTUURSTER: Tja, wat is gepeupel? Ik heb zelf ook nog als arbeidster gewerkt, inpakster bij Van Nelle. Waren ook veel gastarbeiders. Mis­schien vergissen we ons in die van ons.

De BEUL die bezig was keert zich naar haar toe, zij glimlacht tegen hem

Het lijkt me wel een aardige man. En hij is niet le­lijk ook. (Ze steekt haar borst vooruit.)

ONDERNEEMSTER: Waar jij mee bezig bent! Je ge­draagt je of je weer bij Van Nelle werkt!

KUNSTENAAR: Een tochtige hoer, dat is het.

ONDERNEEMSTER: (wijst met de zijkant van haar hoofd naar de KUNSTENAAR) Nou ja, bij die was zelfs geen vernisje beschaving dat kon verdwijnen.

INTELLECTUEEL: Zien jullie nou niet in dat we elkaar juist nodig hebben?

POLITICUS: Elkaar?

INTELLECTUEEL: (tot de POLITICUS)  We moeten iets bedenken. Daar ben jij vast handig in.

VAKBONDSBESTUURSTER: (springt voor de BEUL, half op zijn engels) Surprise, surprise! Telefoon voor you!

De BEUL kijkt haar verwonderd aan

Telefoon! Ringring! Jij begrijpen?

(Ze gaat weer zitten, theatraal) Weer niet gelukt!

BEUL: Ik met jullie moet praat, morgenavond.

Men kijkt hem geschrokken aan.

Scène 11

Buiten

De bekende geluiden, de BEUL is hout aan het hakken, de KUNSTENAAR loopt opgewonden heen en weer, gaat dan op de BEUL af, vraagt de bijl en hakt er verwoed op los, dan steunt hij hijgend op de bijl, kijkt smekend de BEUL aan.

KUNSTENAAR: Maak er alstublieft een eind aan! Ruim ze op! Wil je dat voor me doen?

Ik heb nog nooit zo’n doortrapt zooitje bij elkaar gezien.

Doe het niet voor mij, doe het voor de mensheid!

Daarna mag je mij ook te grazen nemen. Als je dat wilt, als je dat moet.

Maar laat me eerst zien dat die anderen eraan zijn, dat gerechtigheid is geschied!

Doe je het? Doe je het?

De BEUL staart hem aan, wendt dan zwijgend het hoofd af.

Scène 12

De salon

Iedereen op, behalve de BEUL. De ONDERNEEMSTER zit aan tafel, de KUNSTENAAR in een fauteuil. Schoten, sire­nes, vliegtuigen, ontploffingen, het licht in huis knippert nu ook.

ONDERNEEMSTER: Geen telefoon, het licht doet het nog nauwelijks… Waar zijn we hier eigenlijk! (gede­cideerd, op geaffecteerde toon) Ik zeg niet graag dit soort dingen, maar ik vrees dat we iets tegen hem moeten ondernemen.  Hoe we hier uit komen en hoe het daarbuiten is, zien we dán wel weer. Ik zeg er meteen bij dat ik mezelf niet tot zoiets in staat acht.

Bekijkt uitgebreid haar hals in een spiegel.

We zullen hem voor moeten zijn. Hoewel, zou ie­mand iets tegen deze goed geconserveerde hals kunnen ondernemen?

Kijkt glimlachend met haar hoofd schuin en gestrekte hals naar de KUNSTENAAR. Die kijkt haar woedend aan.

VAKBONDSBESTUURSTER: (duikt neer bij de KUN­STENAAR) Luister, we hebben meer met el­kaar gemeen dan je wilt toegeven. Ik heb een zoon aan de drugs en jij hebt een dochter die het huis uit is gevlucht.

KUNSTENAAR: (springt woedend op) Dat gaat jou geen moer aan! Wij hebben niks met elkaar te maken! Ik ben geen hoer!

POLITICUS: We weten natuurlijk niet wat jij met je dochter hebt uitgehaald.

INTELLECTUEEL: (haastig) Waar is de…eh… Ahmad eigenlijk?

ONDERNEEMSTER: (luchtig) Die rust, die heeft straks werk te doen.

POLITICUS: Iemand zou hem in zijn slaap kunnen – .

VAKBONDSBESTUURSTER: Maar jij heet vast geen ‘iemand’.

Keert zich weer naar de KUNSTENAAR.

POLITICUS: Ik ben nooit mijn verantwoordelijkheden uit de weg gegaan.

INTELLECTUEEL: (voor zich uit) Ik heb één keer ie­mand dood laten gaan. Ik was er niet verantwoor­delijk voor, ik hoefde het niet te weten, maar ik wist het. Ik had in kunnen grijpen, maar ik heb het niet gedaan.

Stilte, waarin de geluiden van buiten duidelijk zijn te horen.

VAKBONDSBESTUURSTER: (geeft het niet op bij de KUNSTENAAR die weer is gaan zitten) Ik ben ook maar een  gewoon mens, ik heb je toch verteld van Van Nelle! Ik ben niet een van hen! Eigenlijk horen jij, hij en ik bij elkaar.

POLITICUS: (wil indruk maken) Toen ik eenmaal had besloten: er moet ingegrepen worden, wist ik dat er doden zouden vallen bij de gijzelaars. (wacht) Toch is dat beter, politiek gezien, dan één dode die het vliegtuig of de trein wordt uitgegooid, terwijl jij machteloos toeziet. (wacht) Daar wordt de kiezer woedend om. (wacht) Het was verkiezingstijd en het heeft ons inderdaad een vijftien zetels extra op­geleverd. (wacht) Je moet er toch vanuit gaan dat jij zoiets het beste op kunt knappen, en dat als jij de macht verliest het nog erger is voor de situatie.

KUNSTENAAR: (droog) Vijftien zetels. Iets meer dan één dode per zetel. Niet eens zo heel slecht.

INTELLECTUEEL: (voor het eerst geïrriteerd tot POLITI­CUS) Daar hebben we nu allemaal niks aan. Hier maak je weinig indruk. Je slaat nog geen deuk in een pakje boter. Als je wat wilt bekennen, vertel dan liever waarom je bent getrouwd.

POLITICUS: (Ontwijkend, verwaand) Ik ga er vanuit dat mijn carrière ook nuttig is voor de maatschappij. Anders had ik er niet aan moeten beginnen.

VAKBONDSBESTUURSTER: Zeg, hebben jullie een onderonsje? Ga effe samen de gang op en pak me­kaar effe lekker.Toe zeg!

ONDERNEEMSTER: (opeens scherp) Er gaat niemand de gang op!

Stilte.

VAKBONDSBESTUURSTER: Het is toch zo duidelijk als wat!

(Maakt een wanhopig gebaar naar de KUNSTENAAR) Al die verhalen eromheen zetten geen zoden aan de dijk.

(tot de POLITICUS) Doe jij dan iets! Kom er einde­lijk voor uit wat je bent!

(tot de INTELLECTUEEL) Of jij!

Ze probeert de kamer uit te glippen.

POLITICUS (pakt haar vast) Waar ga jij naartoe? Nee­nee, jij gaat niet boven met hém op bed liggen!

VAKBONDSBESTUURSTER: (schreeuwt) Nee, dat zou je liever zelf doen!

Stilte, geluiden van buiten

ONDERNEEMSTER: (opvallend kalm, tot de KUNSTE­NAAR) Wat verdien je eigenlijk zo met die schilde­rijen?…

Stilte

KUNSTENAAR: (spottend) Een gewoon klein mannetje met een bijl maakt er abrupt een eind aan. Afgelo­pen met de elite!

VAKBONDSBESTUURSTER: (geleidelijk aan meer be­heerst maar ook meer verontwaardigd) Laten we elkaar geen mietje noemen! Ik geef tenminste toe dat in mijn pakket een kerncentrale, een chemische fa­briek en een wapenfabriek zit.

(richt zich tot de INTELLECTUEEL) Al doe je dan  halfzacht, jij bent ook niet zo’n lekker jong. Die ene dode waar je van verteld hebt, dat is maar om af te leiden!

Stilte, geluiden van buiten.

KUNSTENAAR: (smalend) Afgelopen! Kop eraf! Een klein beultje maakt er gewoon een eind aan… Ik heb meer gedaan dan alleen schilderijen maken, ik heb gelééfd! Dat pakken ze mij niet af!

Iedereen staart voor zich uit, een straaljager of een projectiel giert laag over.

Scène 13

De salon, niemand op, gestommel, voetstappen achter de coulissen.

ONDERNEEMSTER: (achter de coulissen) Vooruit, naar binnen! (komt op, terwijl ze met de bijl de VAK­BONDSBESTUURSTER voor zich uit duwt) Zo, ga daar staan. Hier. (Duwt de VAKBONDSBESTUUR­STER de bijl in handen) Jij bent em.

De POLITICUS en INTELLECTUEEL zijn nieuws­gierig na hen opgekomen.

De voorstelling kan beginnen. (op autoritaire toon) En we doen allemaal mee, begrepen!

De ONDERNEEMSTER kijkt de anderen een voor een dwingend aan, begint dan heupwiegend, haar rok tot boven de knie geheven over het toneel te wandelen, bootst op aanstellerige toon de VAKBONDSBE­STUURSTER na, terwijl ze doet alsof deze de BEUL is.

Weet je, lief beultje van me, ik ben gespecialiseerd in gastarbeiders. Honderden heb ik er geholpen, ben ik er van dienst geweest.

Alles weet ik van jullie, jullie culturen, jullie gods­dien­sten. Meters boeken heb ik over jullie, de hei­lige Koran en de Bhagavadgita in het middelpunt. (Staat stil, laat haar rok los, stil)

Maar ach, ik was niet altijd vakbondsbestuurster.

Ze wacht even, steekt haar linkervuist in de lucht, marcheert.

Leve de strijdcomite’s! Weg met de reformistische vak­bondsleiding! Verkocht aan het kapitaal! Denk aan het vakbondstientje, het vakbondsgeeltje, het vakbonds­groeneruggetje! Complot om samen met de regering de arbeidersklasse eronder te houden! De crisis nadert! ( marcheert met grote passen) De cri­sis nadert! Zelf het heft in handen nemen! Strijd­comite’s op de bedrijven!  Arbeidersmacht, weet je wel, arbeidersmacht! 

Ze laat haar vuist zakken, richt zich op zogenaamd be­zwerende toon tot de VAKBONDSBESTUURSTER.

Ik weet wat VOLKSVERZET is. Ben nog gearres­teerd bij rellen in de haven. Foto heeft in de Haagse Post gestaan. Weet je niet meer? Ah, dat artikel heeft jullie geheime dienst vast ergens liggen.

Stil, neemt andere houding aan, snikkend.

Ik moet bekennen dat ik mijn zoon niet van de drugs heb kunnen houden. (Huilend) Ik beken, ik ben schul­dig. Ik heb mijn zoon niet van de drugs af kunnen houden

Werpt zich geknield aan de voeten van de VAK­BONDSBESTUURSTER maar graait ondertussen naar haar borsten, haar kruis.

Ik ben schuldig, ik beken, lieve beul. Zal ik je pij­pen? Ik pijp je de hemel in! Stenig me! Werp jij die zonder zonde bent de eerste steen!

De VAKBONDSBESTUURSTER maakt een drei­gend gebaar met de bijl, trekt dan de ONDERNEEM­STER overeind en duwt haar de bijl in de hand.

VAKBONDSBESTUURSTER: Zo is het genoeg. Nu jij. Nu ben jij aan de beurt. Nee, blijf staan. (Vermant zich, dan op de toon van een kinderversje) Beste beul, moet je horen. Ik ben een zeer bruikbaar iemand. Ik weet hoe dingen werken. Samen met jullie Islam laat ik jullie economie over de wereld gaan. Ben een echte ouder­wetse zendeling. In no time liggen ze hier allemaal richting Mekka. Niks geen recht op vloeken tegenover recht op bidden. Alleen  bidden moet!

Staar je toch niet blind op die kunstenaar!

Weet je trouwens wat een kunstenaar en een onder­nemer gemeen hebben? … Dat ze allebei iets BLIJ­VENDS willen maken. 

INTELLECTUEEL: (tot POLITICUS) Hoezo iets ‘blij­vends’? Een ondernemer iets ‘blijvends’? Een ‘blij­vende’ bom?

VAKBONDSBESTUURSTER: (schenkt alleen aandacht aan de ONDERNEEMSTER) Je kunt me vertrou­wen. Ik ben pro het gewone volk. Toen ik jong was, was ik lid van de VVGO.

POLITICUS: (tot INTELLECTUEEL, lachen onder­druk­kend) De VVGO? Vast een damesvoetbalclub. Vrouwen Vooruit Ga Onder? Nee, Vrouwen Voor­uit Ga Omhoog?

VAKBONDSBESTUURSTER: Weet je wel, de Vereni­ging Van Goede Ondernemers!

INTELLECTUEEL: (tot POLITICUS) Goede onderne­mers?… De goede ondernemer? De goede moorde­naar?

VAKBONDSBESTUURSTER: Ondeugend hè? Ben er nog het ouderlijk huis voor uitgegooid. Vertede­rend, niet? Smelt je niet helemaal weg? Onderne­men hoeft niet slecht te zijn, zeiden we, onderne­men kan goed zijn. Een vermogen verwerven als middel tot sociale experimenten. Maar pappie en mammie zagen dat niet zo. Ach, die waren wat ou­derwets. Wij zagen een on­derneming als strijdor­ganisatie. Alles en iedereen noemde zich toen zo. De vakbond, de kerk, de boeren­bond en de hoe­renbond. (stil)

Is ’t een probleem dat ik een vrouw ben? Ja, dat begrijp ik, in jouw wereldbeschouwing. Maar de helft van dat probleem kan ik zo oplossen. Ik val geen mannen las­tig, val niet op mannen. Hoewel, als jij, beultje van me… voor jou zou ik misschien mijn best willen doen.

ONDERNEEMSTER: Ho! Stoppen! Nou de anderen.

POLITICUS: (probeert lacherig te doen) De VVGO!

ONDERNEEMSTER : (tot POLITICUS) Hier, kom op! (steekt de bijl in zijn richting) Doe het maar. Dat wordt toch niks meer tussen jullie.

POLITICUS:

Maakt een bange indruk, kijkt naar de INTELLECTU­EEL, dan weer naar de ONDERNEEMSTER, duwt vlug de INTELLECTUEEL de bijl in handen, praat op­eens snel.

Ik heb verantwoording durven nemen in deze maat­schappij. Ik heb poli – Nee (maakt met kruisende han­den een afkappende beweging alsof er een camera is).Opnieuw. (Op gemaakte toon) Ik ben een man van de wetenschap. Jullie hebben mensen zoals ik nodig voor de ontwikkeling van jullie land. Ik ben progres­sief, ik ben tolerant. Ben het altijd geweest, zal het al­tijd zijn. Wij, progressieve intellectuelen uit de mid­denklasse, plegen individueel klasseverraad, om soli­dair te zijn met de arbeidersklasse.

Was lid van de Bond van Wetenschappelijke Arbei­ders, de BWA. Arbeiders, gastarbeiders… (roept plech­tig uit) Arbeiders van alle landen…! (stil)

Van mij mag alles. Ik ben niet zoals die anderen hier. Ik ben niet gecorrumpeerd. Ik hoef mijn verleden niet te verbergen. Mijn verleden, heden en toekomst één rechte lijn!

Nooit geloofd in waardevrije wetenschap en doe het ook nu niet. Mijn onderzoek wordt betaald door het bedrijfsleven, natuurlijk! Maar ik zal er niet één kriti­sche noot voor laten. Ik gebruik het, het bedrijfsleven. Niet andersom. Dat is het verschil tussen mij en de anderen hier. Neem me niet kwalijk dat ik het zeg, sympathieke beul, maar ik ben gewoon een beter mens. Sterker, zij deugen niet en ik wel. Ik ben funda­mentalistisch betrouwbaar. Als je een keuze moet ma­ken – wat Allah verhoede, want elk leven is mij heilig – moet het niet moeilijk voor u zijn. Laat gewoon de beste mens in leven. Tenzij men van mij vraagt me op te offeren. Dan zal ik niet aarzelen, want zo ben ik. In dat geval vraag ik slechts één gunst. Laat me één keer de politicus mogen –

INTELLECTUEEL: Verrader! Tot op het laatst ben je niet rechtuit. Met je politieke verantwoordelijkheid! Politiek profijt!

ONDERNEEMSTER en VAKBONDSBESTUURSTER: Boeoeoeh! In je rol! In je rol!

INTELLECTUEEL: (duwt POLITICUS bijl in handen, neemt stoere houding aan, zegt geloofsbelijdenis op)

Als Rode Jeugd bereid ik me voor op een harde en ge­welddadige strijd.

Als Rode Jeugd school ik me in Marx, Engels, Lenin, Stalin en Mao Tse Toeng.

Als Rode Jeugd stel ik me ten alle tijde in dienst van het volk.

Als Rode Jeugd leg ik bij arrestatie geen verklaring af tegenover mijn politieke tegenstanders.

Als Rode Jeugd ondersteun ik alle acties tegen het ka­pitalisme, ik distanciëer me niet van stenen- of bom­mengooiers, parkeermeteruitrukkers of hoe het volk nog meer mag heten ten tijde van acties.

Als Rode Jeugd ben ik in voortdurende oorlog met het kapitaal.

Als Rode Jeugd test ik andere Rode Jeugd door deze bij de politie aan te geven.

(begint heen en weer te marcheren)

Ik heb de handschoen opgenomen. Er ligt een lange, gevaarlijke weg voor me. Maar gewapend met de ge­dachten van Marx, Engels, Lenin, Stalin en Mao Tse Toeng, en daadwerkelijk gesteund door het proletari­aat, zal de vernietiging van het kapitalisme een onaf­wendbaar gebeuren zijn.

(staat stram, vuist omhoog) Alle macht aan het volk!

(weer marcherend) Als stadsguerillero ben ik gety­peerd door moed en besluitvaardigheid, sluwheid en voorzichtigheid. Ik moet goed kunnen schieten.

(stram, vuist omhoog) Lang leve voorzitter Mao!

(in richting van POLITICUS, met knarsende tanden) Wij zullen niet aarzelen deze fascistische pestrat te liquideren!

Beheers de straat!

Bombardeer de hoofdkwartieren!

Durf te strijden, durf te overwinnen!

Geweld nu! (pakt bijl uit handen van POLITICUS, doet alsof hij ermee slaat, duwt de bijl terug )

Betaal ze met gelijke munt! Vernietig hun huis zoals zij het jouwe vernielen! (met overslaande stem) Verniel hun patserige auto die betaald is van jouw centen! Be­dreig ze in hun bestaan, zoals ze jou bedreigen door hoge huren en verschrikkelijke leefomstandigheden. Met ratten praat je niet, die trap je dood! Rook ze uit hun holen! Alle macht aan het volk!

Richt zich nu tot POLITICUS

Jullie zijn het platteland van de wereld. Jullie omsin­gelen de steden, het westen, het centrum van het impe­rialisme. Door onze activiteiten hier dwingen we de imperialisten zich op een tweede, binnenlands front te richten. (zingend) Binnenlands front! Binnenlands front. (loopt achter de POLITICUS langs, slaat tegen zijn billen) Lekkere kont!

Schakelt over, doet alsof hij zijn broek opent.

Hier, beul, de splinters van mijn verleden hangen nog in mijn ballen. Een test met een handgranaat, weet je wel. Het beschadigen van onze eigen ballen ging ons beter af dan die van de klassetegenstan­der. Onze bommen waren niet zo indrukwekkend. Wij waren lang geen RAF of Rode Brigades. Misschien maar goed ook. (opgewekt) Misschien ben ik daarom toch nog goed terechtgekomen. (stil)

ONDERNEEMSTER en VAKBONDSBESTUURSTER: (roepend) Afdeling bekentenis! Camera loopt.

INTELLECTUEEL: (jankend) Voor het front van het volk en voor deze camera moet ik bekennen dat ik mijn ware liefde ontrouw ben geweest. Terwille van mijn politieke carrière ben ik in het huwelijk getreden. Ik heb 2 mannen ongelukkig gemaakt, degene die van mij hield en van wie ik hield, en mijzelf. Huhuhuhuhu!   

De BEUL en de KUNSTENAAR zijn opgekomen en zien het schouwspel aan.

ONDERNEEMSTER: (wijzend op BEUL en KUNSTE­NAAR) Hé, de voorstelling in de kleine zaal is ook afgelopen.

VAKBONDSBESTUURSTER: Daar hebben we de ver­tegenwoordiger van de BBA.

ONDERNEEMSTER: De BBA? Is dat geen busonder­neming? Toettoet!

VAKBONDSBESTUURSTER: De Bond van Beeldende Arbeiders. Jawel!

POLITICUS: En de BBB is er ook! De Bond van Beu­lende Beulen! (de vier proesten het uit)

INTELLECTUEEL: Dat wordt dan natuurlijk de BBBA (hij komt niet meer bij) De Bond van Beulende Beul Arbeiders!

De BEUL neemt de POLITICUS de bijl af en zet hem weg.

KUNSTENAAR: (vol verachting) Stelletje Maagden­huisklanten!

Stilte

ONDERNEEMSTER: (kijkt KUNSTENAAR aan, seri­eus, denkt na, begint dan te neuriën, geleidelijk aan komen er woorden bij) … Dit is pas het begin, wij gaan door, wij gaan door, wij gaan door met de strijd.

Allemaal!

ONDERNEEMSTER dwingt VAKBONDS­BESTUUR­STER, POLITICUS en INTELLECTU­EEL in polonaise mee te lopen, die doen dat ook, al zingend:

Hier zijn we eindelijk thuis,

in ons eigen Maagdenhuis.

Dit is pas het begin,

Wij gaan door, wij gaan door, wij gaan door met de strijd!

Ze blijven rondlopen en zingen, steeds hysterischer.

Scène 14

De salon

Op zijn de POLITICUS, de INTELLECTUEEL, ON­DERNEEMSTER en VAKBONDSBESTUURSTER. Er is veel lawaai, zowel van buiten als van binnen. Men doet heel druk en opgewekt, loopt veel heen en weer.

De VAKBONDSBESTUURSTER is vrolijk aan het stof­zuigen.

De ONDERNEEMSTER stoft af.

De INTELLECTUEEL maakt voorbereidingen voor het koken, schilt aardappels, rammelt met pannen.

De POLITICUS loopt met armen vol hout binnen, je hoort hem buiten hakken.

Ze knikken naar elkaar in het druk voorbijlopen, ste­ken hun duim op, doen onnatuurlijk druk.

Na enkele minuten is het plotseling stil, men bevriest ter plekke.

Scène 15

De salon

Iedereen op, behalve BEUL en KUNSTENAAR. Buiten en binnen opvallend rustig, men staart voor zich uit

POLITICUS: Hij is wel lomp, maar hij heeft tevens iets puurs. In mijn studententijd had ik zo’n vriend.

Stilte

ONDERNEEMSTER: Wat vinden jullie, zal ik wat rouge opdoen?

Stilte

INTELLECTUEEL: Als je niet wat goeds ziet in ieder mens, kun je nooit kennis en macht willen verdelen.

Stilte

VAKBONDSBESTUURSTER: Ik zou eindelijk weer eens gewoon, ordinair tennis willen spelen.

Stilte

ONDERNEEMSTER: Het is zo rustig buiten.

Stilte

POLITICUS: Ik hou ook van sport. Als het even kan, ren ik elke dag 5 kilometer. Zo’n keer per week neem ik de trimbaan er nog bij.

Stilte

INTELLECTUEEL: Ik heb in dagen niets gelezen.

Stilte

ONDERNEEMSTER: Eigenlijk zou je mensen niet moeten beoordelen op hun spraak.

Stilte

VAKBONDSBESTUURSTER: Och, dat tennis is ook eigenlijk niks voor mij… Die hele sfeer er omheen.

Stilte

POLITICUS: We vertelden elkaar vaak moppen.

Stilte

ONDERNEEMSTER: Ik was stapelverliefd op Jeanne d’Arc.

Stilte

INTELLECTUEEL: Wij vertelden elkaar heel weinig. Dat was raggen en nog eens raggen!

Stilte

VAKBONDSBESTUURSTER: Als we uit de fabriek naar huis liepen, noemden ze ons de Van Nelle-dellen.

Stilte

POLITICUS: Misschien hadden wij wat minder mop­pen moeten –

Stilte

INTELLECTUEEL: Wat is dat eigenlijk helemaal: ‘pro­fessor’?

Stilte

ONDERNEEMSTER: Ik vond haar haar zo keurig  kort. En de lijn van haar wang!

Stilte

POLITICUS: Ik had het mezelf een stuk makkelijker kunnen maken.

Stilte

INTELLECTUEEL: Ik heb zo’n jongen gekend.

Stilte

VAKBONDSBESTUURSTER: Die jongen is op zich niet slecht, misschien raakt ie er wel vanaf.

Lange stilte

ONDERNEEMSTER: Hoe laat is het?

POLITICUS: Nog niet te laat.

Stilte

INTELLECTUEEL: Hij redt het wel.

Stilte

VAKBONDSBESTUURSTER: Hij is onze redding.

Men knikt instemmend, voor zich uit starend

Scène 16

De salon

Een donker toneel, lichtflitsen, oorverdovend lawaai, we zitten midden in een bombardement.

Als het voorbij is en het licht weer aangaat, zien we de BEUL rustig wat glazen en andere voorwerpen recht­zetten. Hij draagt het uniform dat lijkt op dat van een muziekkorps. Hij kijkt eens op zijn horloge, telt de stoelen, zet koffie, maakt alles klaar voor de bijeen­komst.

Plotseling vliegt de deur open en staat de KUNSTE­NAAR daar, verwilderd, helemaal onder het bloed, een grote bebloede bijl in zijn handen. Hij kijkt wild maar stralend naar de BEUL, hij hijgt.

KUNSTENAAR:Ik heb het voor je gedaan!

Ik wist dat je er tegenop zag, dat je stil wilde gaan le­ven.

Kunnen we nu vrienden zijn?

De BEUL staart hem hevig ontsteld aan, de KUNSTE­NAAR merkt het niet, hij blijft de BEUL met een stra­lend gezicht aankijken, hij steekt beide armen een beetje op in zijn richting, hij verwacht dat de BEUL hem om de hals zal vallen van dankbaarheid.

Einde

Spelen
van Meurs A.M.

Spelen, de toneelstukken Gerechtigheid, Screbrenica of de Mandaad, Mijnwerkersmacht en het hoorspel De Gekke Onderwijzer
Omschrijving en bestelwijze, klik op link.


Voor de Adams (Boon)-special op papier: Zie website: https://www.boekwinkeltjes.nl/…/A-HetWerk71-literair…/ , ook voor verkrijgbaarheid. Fijn als u hem bestelt: genummerd en gesigneerd.


Willem Adams als model voor literaire personages De Wildeman, Dolf (Mens) de kunstenaar, DE KUNSTENAAR, de kankeraar

(Willem Adams 1937 – 2022
In dat kleine streepje tussen die 2 jaartallen zit zijn, soms vrij heftige, leven. De kunstschilder Willem Adams werd geboren op 23 februari 1937 in Veldhoven, in het deel Meerveldhoven, en overleed op 5 januari 2022 in Eindhoven waar hij sinds 1964 woonde. )

DE WILDEMAN (in Aan de lange Weg, roman)

Of moest hij (Jan) naar de Wildeman luisteren die had gezegd: “Er moet gewerkt worden, die pen moet over het papier krassen!”

Tja, wat moet je als schrijver als je, zoals in Aan de lange Weg, zelf ook een personage bent, meerdere zelfs: Jan(tje) en de (schrijver) A.M.? Luisteren naar een ander personage, de Wildeman?
Natuurlijk ben je als schrijver verantwoordelijk voor elk personage, ongeacht wie daarvoor model staat. Alles wat het personage doet komt voor jouw rekening! Want jij schrijft het op… Maar toch. Hoe de personages zich tegenover elkaar gaan gedragen, ho, hoe jij de personages zich tegenover elkaar laat gedragen, zeker als jij een of meerdere van deze personages bent, hoe het model voor een personage zich gedraagt… beïnvloedt jou als schrijver.
SOMMIGE PERSONAGES DRAAG JE JE HELE LEVEN MEE.

Willem Adams noemt in het begin van zijn verhaal Louis Paul Boon in Eindhoven ‘Van de Mierden, een ex-onderwijzer die in zijn huiskamer een uitleenbibliotheek had.’ Bij mij heet die ‘de Gekke Onderwijzer, in Aan de Lange Weg als roman, in een gelijknamig hoorspel, in de roman die ik aan het schrijven ben, ook daarin wordt de Gekke Onderwijzer toegesproken en om raad gevraagd. Hij is een personage dat ik mijn hele leven meedraag. Willem Adams, de Wildeman, Dolf (Mens), DE KUNSTENAAR, enzovoort zijn ook personages die ik mijn hele leven meedraag.

DE WILDEMAN (Aan de lange Weg, roman)

Sommigen zeiden dat het door die zon kwam in Nieuw Guinea, anderen door wat hij daar gezien had. Weer anderen zeiden: “Welnee, ’t is omdat hij twee jaar niets van zijn meisje had gehoord – ‘maar hij had helemaal geen meisje!’ onderbreekt nog iemand – “en toen hij terugkwam bleek ze al twee jaar uit het dorp verdwenen en zou ze zelfs een kind gehad hebben dat ze had afgestaan en zou ze ergens bij de grote rivieren in de verpleging werken.”

            In ieder geval was de magere jongen een woeste man geworden die zijn haar en zijn baard liet groeien en woest op zijn motor door het dorp reed en ergens in een hutje was gaan wonen waar je door de modder alleen te voet of met de motor kon komen. En het scheen dat hij daar in die verlaten hoek zelfs niet over de paden reed maar soms dwars door de weiden en akkerlanden en zelfs door het prikkeldraad scheurde. De rustige magere jongen was een wildeman geworden die wilde tekeningen van Nieuw Guinea liet zien en bijna even wilde tekeningen van vrouwen- en paardenkonten, zoals hij ze noemde, en die die tekeningen ook exposeerde en de affiches met “Dolf Mens exposeert vrouwen- en paardenkonten” nog net niet zoals Luther op de kerkdeuren spijkerde, maar wel op de bomen rond de kerk. En die dronk en vloekte en kaartte en voor wie geen vrouw veilig was. Zei men.

            Ja, de verhalen deden al gauw de ronde. Dat hij de meisjes op de benzinetank van zijn motor door de opspattende modder tot vlak voor zijn hutje reed. Dat hij, als ze klaagden dat ze helemaal onder zaten, de modder van hun gezicht en benen likte.

DOLF DE KUNSTENAAR
(De Personages, columns,
alleen gepubliceerd in literair kladschrift HetWerk,DE KOK IS KONING)

(fragment) “En dan kan Kok zich helemaal richten op wat die niet al te slimme  – hoewel natuurlijk altijd nog slim genoeg om de koning uit te hangen – jongen van een Alexander eruit flapt,” zegt Dolf de kunstenaar.

“Wat anders nu ,” zegt Harrieke, “bij mij in de buurt was geen ei meer te krijgen. En dat deed me, hoewel ik van een eitje hou, deze keer eens oprecht genoegen, want ik wist dat ze goed terechtgekomen waren.”

 “Namelijk op de neus van Adelmund, de staatssecretaris,” zegt Dikke Jos. “Die heeft vroeger als voorzitter van een vakbond geleerd dat je vanaf het podium altijd de leuzen van de demonstranten moet overnemen. Dus die kwam het podium op en riep:

‘We want war!  Het beleid deugt niet! (Pats, een ei!) Weg met de staatssecretaris!’

‘Maar mevrouw, dat bent u zelf!’ (Weer een ei)”

            “En Rosenmöller zegt dat het aan de grootte van zijn neus ligt, dat dat ei erop is terechtgekomen,” zegt de Zangeres, “en dat dat verder niks met hem persoonlijk te maken heeft.”

            “Maar het is een ei op de neus van de gelijkgeschakelde politiek,” zegt Dikke Jos. “Op de salonfähigkeit van Groenlinks dat zich, door de milieubeweging te laten vallen in de zaak Schiphol, klaarmaakt om zitting te nemen in het volgende kabinet.”

            “Het zijn de ruiten die ingegooid worden van de opportunistische politiek rond de Waddenzee,” zegt Dolf de kunstenaar.

“En dan vraag je je niet meer af of het kan en of het mag, die eieren en die kapotte ruiten,” zegt Dikke Jos, “maar of ze het verdienen, die politici.  Voor hun kortzichtigheid, hun schijnheiligheid, hun draaikonterij. Is het niet voor het een dan is het wel voor het ander.”

“En dan is het antwoord volmondig ja!” zeggen de personages.


DE KUNSTENAAR
(Toneelstuk Gerechtigheid, een Kunstenaar, een Intellectueel, een Vakbondsbestuurster, een Politicus en een Onderneemster zijn in een oorlogssituatie opgesloten met een gastarbeider die ze de Beul noemen)

POLITICUS: Een van de redenen dat ik van mijn vrouw houd, is dat ze zich goed verzorgt.

KUNSTENAAR: (komt op, hoort nog net het laat­ste, luchtig) Welja, als je haar maar goed zit.  Weet iemand eigen­lijk waarom we hier zijn?

VAKBONDSBESTUURSTER: Hoe is het buiten?

ONDERNEEMSTER: (keert zich hooghartig naar de KUN­STENAAR)  Ja, hoe is het daar?

De sirene van een politieauto is te horen, men luistert.

KUNSTENAAR: Tot aan het hek prima.

VAKBONDSBESTUURSTER: Kunnen we even iets bespreken?

KUNSTENAAR: Voor mijn part, ik haal even Ahmad erbij.

ONDERNEEMSTER: Nee, wacht even. (tot de VAKBONDSBESTUURSTER) Ik weet niet waarover jij het wilt hebben maar­… Voor mij is het duidelijk waarom WIJ hier zijn… Er zijn daarbuiten wat vooraan­staande mensen gegijzeld –

KUNSTENAAR: Gegijzeld? Er zijn er al 14 doodge­schoten!

ONDERNEEMSTER: Nou goed. Hierbinnen zijn een poli­ticus, een intellectueel, een vakbondsbestuurster, een kunstenaar en een onderneemster. Het is duidelijk: de belangrijk­ste lagen van de maatschappij zijn vertegenwoordigd. Wij vormen een soort schaduwelite. Men heeft ons in veilig­heid willen brengen.

KUNSTENAAR: Laat mij er even buiten, wil je, met je e­lite!

POLITICUS: Nou goed, ze wisten natuurlijk niet welk type kun­stenaar… Maar inder­daad, het principe zie ik nu ook.

INTELLECTUEEL: We kunnen niet allemaal hetzelfde zijn.

ONDERNEEMSTER: Okay, we zijn het praktisch eens… Maar wat doet die… eh..­. gastarbeider hier dan?

KUNSTENAAR: Ik zal hem even roepen, dan vraagt u ’t hem zelf.

VAKBONDSBESTUURSTER: Ik geloof dat u ons bewust niet wilt begrijpen.

De BEUL komt op met een dienblad waarop theepot en kopjes, hij lacht en knikt terwijl hij de thee serveert

KUNSTENAAR: (spottend) Heeft er nog iemand vragen?

Men drinkt  zwijgend de thee.

DE WILDEMAN (in Aan de lange Weg, roman)

Nee, als je midden in de kroeg zulke verhalen zit te vertel­len, dan wordt het niet rustig rond je. Maar toch raken steeds meer mensen ervan overtuigd dat al die verhalen nooit op het conto van één persoon kunnen worden geschreven. Dat de Wildeman op totaal verschillende plaatsen gelijktijdig is gezien, is daarvan het beste bewijs.

            En dan wordt er inderdaad een dubbelganger gevonden. En niet zomaar eentje. Een dubbelganger die in dezelfde straat in het dorp aan de Lange Weg is geboren, dus alles weet van de achtergrond van de Wildeman. Die zich zijn uiterlijk heeft aangemeten en zich voor hem uitgeeft in de stad en in de dorpen er omheen en zelfs kroegschulden op zijn naam heeft achtergelaten. (…)

            Maar de ontdekking van deze dubbelganger deed dan weer het gerucht toenemen dat er misschien wel drie Wilde­mannen waren en dat de echte zich allang had teruggetrokken en al dertig jaar bij Philips werkte en binnenkort met pensioen ging.

            Toch wilde weer een ander verhaal dat de Wildeman een succesvol kunstenaar was, die door de bekende museumdirecteur Rudie Fuchs was ontdekt, en met hem naar Amsterdam was verhuisd en exposeerde in de belangrijkste musea ter wereld.

            Niemand weet het.

            “Maar ik weet wel,” zegt iemand, “dat de echte Wildeman gestopt is met het vertellen van verhalen over vrouwen en ook die ‘godverdommese bloedmooie meid van een Petra’ nooit meer noemt, nadat hij haar onverwacht heeft aangetroffen bij zijn ouders thuis die toen nog leefden: een oude vrouw met spierwit haar die zei dat ze maar eens opstapte omdat ze nog moest poetsen. En die dus blijkbaar door de smetvrees was gegrepen, net als vroeger buurvrouw Van de Stal, bij wie ze nog ooit aan de deur was geweest voor een betrekking, en die de kolenkist vanbinnen schrobde.”

            En de vrouw van de Wildeman zou gezegd hebben: “Het is maar goed dat hij haar zo eens heeft gezien, hij altijd met zijn verhalen!”

            De Wildeman zelf had haar naam nog één keer genoemd toen hij haar broer aanhaalde: “Onze Petra zou nooit gek zijn geworden als ze met jou was getrouwd.”

            Daarna noemde de Wildeman haar naam nooit meer. En ook schepte hij nooit meer op over andere vrouwen. Dus als er toch nog zulke verhalen de ronde doen, dan komen die vast van zijn dubbelgangers.            

“Ziezo,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen.

(Uit de
Adams(Boon)-special bij het overlijden van de kunstschilder Willem Adams, met Persoonlijk eerbetoon, onze kennismaking zoals beschreven in Aan de Lange Weg, Willem- Adams over Louis Paul Boon in Eindhoven, de 3 autotochten heenenweer tussen Eindhoven en Erembodegem in België, de opening in 1967 van zijn tentoonstelling door Boon, de expositie, de problemen met de kunstenaarsregeling de Contraprestatie, de Sociale Dienst, met de publicaties in het Eindhovens Dagblad. Ook de Boontjes in het dagblad Vooruit, en Willem Adams als model voor personages in mijn schrijven, 16 pag, waarvan 4 met afbeeldingen in kleur: €4 plus €1,92 verzendkosten.

Zie ook:
Willem Adams 1937 – 2022;

Willem Adams – Louis Paul Boon in Eindhoven

Louis Paul Boon in Eindhoven 8 december 1967, de avond, de nacht

.

Louis Paul Boon in Eindhoven 8 december 1967, de avond, de nacht


En dat affiche met mij en mijn zonen werd overal gestolen, ze sloegen er de ruit van een etalage voor in om het mee te kunnen nemen.

Uit Willem Adams – Louis Paul Boon in Eindhoven (2007)

Willem Adams:

<De tweede tocht (fragmenten)

Met Wim van Gennep, mijn zwager, ging ik Boon op 8 december ophalen, het was spiegelglad, alles stond stil op de weg naar Antwerpen, dat was nog de oude weg, een snelweg was er nog niet, er zijn er die het de Lange Weg noemen. We konden er niet door en toen hebben we een parallelweg genomen door de bossen. Maar op een bepaald moment waren er, door de zwaarte van de sneeuw op de takken, bomen over de weg gevallen en moesten we dat hele eind weer terug. Tot een kwartier voor Antwerpen was het vreselijk slecht, daarna werd het beter, dus in Erembodegem wist Boon van niks. Daar was het goed weer. We hebben voor Boon verzwegen dat het zo slecht was, anders was hij nooit ingestapt. Maar toen we weer bij Antwerpen kwamen zag hij het wel, dat was niks dan slibberen en schuiven. En we konden ook niet over de weg van Antwerpen naar Eindhoven terug, die zat helemaal dicht, we moesten over Breda en Tilburg met een grote bocht naar Eindhoven.

We kwamen dus al een paar uur te laat in Erembodegem aan, en dat was nog een prestatie, we hadden het eigenlijk al opgegeven. En dan nog eens de terugweg. Ik denk dat het wel een uur of elf, half twaalf was voor we weer in Eindhoven waren. Ik meen dat het om negen uur had moeten beginnen. Ik hoorde van mijn vrouw dat zij en de vrienden hadden staan zweten, komen ze nog of komen ze niet, en dat het viooltrio dat ik had ingehuurd niet wilde spelen voordat wij er waren. Op de radio werd omgeroepen dat vanwege de gladheid niemand meer de baan op mocht en ze wisten dat wij op die baan zaten en ze hoorden niks en zagen niks. Een van de vrienden heeft toen nog een oude pick-up van huis gehaald en platen gedraaid.

En jijzelf hebt, om de mensen bezig te houden, toen nog voorgelezen, heb ik gehoord, uit de interviews die je over mij had gehouden met de hotemetoten uit de zogenaamde Eindhovense kunstwereld, die niet wisten dat we dat samen opgezet hadden en die mekaar vuil maakten, en dat waren nou juist de lui die daar die avond alleen maar stonden te wachten hoe ik op mijn bek zou gaan. Louis Paul Boon, hadden ze tegen me gezegd, het zal wel!>

Meurs A.M. over Louis Paul Boon in Eindhoven

In 1987 schreef Ton Meurs, een voorganger van Meurs A.M., ook al een verhaal over die beruchte 8 december van het jaar 1967. De inleiding van 1967, die vooraf ging aan de opening door Boon en die handelde over het Eindhovens Dagblad en het kunstleven in Eindhoven, was hier blijkbaar vervangen door de artistieke en politieke actualiteit van het jaar 1987. Toch valt het op hoe de schijnbaar groteske uitlatingen over kunst en subsidie gelijkenis vertonen met uitspraken in een interview van de toenmalige wethouder van Cultuur in Eindhoven, de heer Van der Harten in 1967. Ook uitlatingen in die tijd van de directeur van de Sociale Dienst, de heer Adriaans, zijn in de satire duidelijk te herkennen. De Apartheid bestaat in 1987 in Zuid-Afrika nog volop, 1987 is bovendien het Multatuli-jaar. Dat gaat klaarblijkelijk aan de redenaar niet ongemerkt voorbij en behalve Boon kijkt ook Céline hier en daar mee.

LOUIS PAUL BOON IN ZUID-AFRIKA

Ton Meurs

(fragmenten)

Het gebouw van de gehate krant is helemaal volgelopen, met hoogwaardigheidsbekleders uit het kunstleven van de gehate stad… en ik loop tegen de stroom in de trap af, en zit met mijn vriend Jan in het kafetaria aan de overkant en we kijken naar de schaduwen achter de beslagen ruiten daarboven… die, meer nog dan voor de schilderijen van mijn vriend Willem, zijn gekomen om de Opener van de avond te aanschouwen: Louis Paul Boon.

Het is 8 december 1967 en het had om 21.00 uur moeten beginnen.

Het wordt tien uur en nog steeds is het stampvol daar achter de ramen, maar de kunstenaar is er niet en de Opener is er niet… de kunstenaar is de Opener halen, 150 kilometer hier vandaan en het sneeuwt!… alleen de inleider is in de buurt… en dat ben ik.

We hebben het samen gepland, de kunstschilder en ik: hij zal exposeren in het gebouw van Het Groot Eindeloos Dagblad en tijdens de inleiding zal ik die krant afbreken, tot aan de grond… alleen de schilderijen van mijn vriend zullen op mysterieuze wijze in de lucht blijven hangen.

Hoe lang zal ik durven wachten? Heb ik niet de verantwoording?… ik!… nu de kunstenaar noch de beroemde schrijver er zijn… is het niet mijn schuld als het bezoekerspeil in het volgestroomde gebouw weer zakt? Wat moet ik zeggen wanneer die twee straks komen en alleen nog mij aantreffen?

Ik moet het publiek vasthouden!… ik hol naar de overkant, de trap op, en sta al op de katheder.

Zal ik jullie eens wat zeggen?” zeg ik. “Jullie staan hier nou, voor die schilderijen van Adams, maar weten jullie wel… dat de kelders van het stadhuis vol staan met die dingen?… dat we niet weten waar ermee te blijven? Weten jullie dat? Jullie lachen, jullie denken: dat is satire… De kelders staan vol… we geven er wel eens eentje weg – dat mag niet maar dat doen we toch – maar er komen er wel tien voor terug!.. En nou wil ik jullie vragen – jullie komen helemaal niet voor die schilderijen maar toch wil ik jullie… is het niet de vraag… of je zomaar dingen kunt blijven maken waar niemand naar vraagt… het ezelschilderij dus, het schilderij waar geen afzet voor is!

Op elk stukje vrije wand hangen we iets of laten we wat vervaardigen! We weten niet wat we moeten doen… al die schilderingen!.. we verzuipen erin, we komen erin om… Help! Red ons!..”

Ze beginnen te joelen, te protesteren. Een zeer jonge man (hé, moet jij nog niet in bed liggen?), een eihoofd, halve knikkers van ogen erop geplakt, komt naar voren: “Eerbied voor de kunst!  Schande!”

Niets van aantrekken.


<Paard> (1967 of eerder) van #WillemAdams (#Meerveldhoven 1937 – #Eindhoven 2022), particulier bezit.

“We zijn die kunstenaars in hun atelier gaan opzoeken,” zeg ik. “Kwamen ze tenminste niet met die lappen van 3 bij 3 meter naar ons toe!… kochten we de kleinste – ook nog vaak 2 bij 2, hoe halen ze het in hun hoofd! – en als we weggingen vergaten we het kunstwerk zogenaamd…

Je kent dat wel, we brachten een fles mee, dronken wat… en probeerden met de nek tussen onze schouders te verdwijnen, bang dat we teruggeroepen werden… Komt zo’n onnozele hals de volgende dag zo’n lap naar het stadhuis brengen… te voet… of op de bakfiets… en met een wind!… en een gezicht van “als ik toch niet overal aan zou denken!”

Weer dat lastige jochie, hij staat nu met z’n vuisten tegen de katheder te trommelen. Nou, dan maar de volle laag!

“Moet je luisteren, snot, ik zeg dit ook voor jou, voor jouw generatie… Ik ben er niet zo een die de volgende generatie met onze problemen wil opzadelen… o.k., ik neem je niks kwalijk, je bent jong en idealistisch… jij vindt dat we eerbied voor de kunst moeten hebben, dat we de kunst moeten steunen – wat iets anders is dan de individuele kunstenaar! Wij dachten dat vroeger ook… een financieel probleem, dachten we… op te lossen door de kunst te privatiseren… met sponsors en reclame te gaan werken… Waarom niet een klein merknaampje in de hoek van zo’n grote lap?…

Jij denkt natuurlijk: als ik minister was sloot ik wat musea, brak de financiële ondersteuning van de kunstenaars af, en ik was er…

Maar, beste jongen, dat is het probleem niet… Je doet op die manier niets aan de productie! We zijn veel te lang te tolerant geweest! Als we nu niets doen moeten we straks kunstwerken gaan opslaan in onderaardse zoutlagen!… en kunnen we hierboven er alleen een microfiche van bewaren… Dat bedoel ik als ik zeg: de volgende generatie niet onze problemen opschepen!… Mag ik nu verder?”

De jongen lijkt een beetje afgebluft. Vooruit, daar ga ik weer.

(…)

“De zwarte wordt mishandeld in naam van de Makro (de SHV), in naam van Philips, in naam van de Shell!… De zwarte in Zuid-Afrika… och laten we ons beperken tot de kinderen, anders wordt het zo veel, zo algemeen… Welnu: 10.000den zwarte kinderen zijn gevangen gezet, mishandeld, gemarteld, verkracht en vermoord… en wij laten dat toe want wij doen ZAKEN met Zuid-Afrika!…”

Ze hebben me van het podium gesleurd, maar plotseling laten ze me los. Ik zie dat ik voor een vriendelijk glimlachende Louis Paul Boon sta. Hij trekt me aan mijn mouw een beetje omlaag, brengt zijn mond naar mijn oor.

“Ik was er al een poosje,”zegt hij, “maar ik dacht: laat maar even gaan, want Multatuli zelf zou nooit naar Eindwereld zijn gekomen.”

Dan stapt hij onder luid applaus het podium op.


(Inleiding, door Louis Paul Boon uitgesproken bij de opening van de schilderijententoonstelling van Willem Adams in Eindhoven op 8 december 1967 en daarna aan de schilder overhandigd, als Boontje  gepubliceerd in Vooruit, dagblad in Gent van 7 december 1967)

Inleiden

Donderdag 7/12 – Nu heb ik het toch wel wéér aan mijn been! En dit terwijl IK gezworen had dat ze me nooit meer gingen vangen. Ik bedoel, met het inleiden van een ekspositie.

Want dat is nu mode geworden. Vroeger eksposeerde een schilder zijn werken en dat was voldoende. Nu moet er nog iemand bijkomen die een openingswoord spreekt, zoals de burgemeester die de eerste steen legt voor een nieuw stedelijk ziekenhuis.

Ik heb dat eens op een kartoon gezien, die burgemeester, die met het truweel een klop op de eigen vingeren geeft. En met dan als onderschrift: “De burgemeester sprak enkele gepaste woorden”.

En wat erger is, dat die ekspositie te Eindhoven in Holland is! Zodat ik bijna zes uur in een auto moet zitten – heen en retour – om van mijn dorpje aan de grens van Brabant in België, naar Brabant in Holland te gaan inleiden. Iets wat, als we dan nog geluk hebben, maar tien minuten zal duren.

Moest een mens daar geld mee verdienen, ik zou mijn werk op de krant aan anderen overlaten, en op mijn deur een bordje spijkeren “Ekspositie-inleider”, en door dit nieuwe beroep misschien schatrijk worden. Maar nu… vanzelfsprekend had ik die mij totaal onbekende schilder uit Eindhoven een briefje teruggestuurd met “Wat denkt ge wel… dat ik crazy ben?” En prompt schreef hij, nu voor de tweede maal: “Och, het heeft geen belang, maar ik kom toch even langslopen, als ik mag.”

Misschien was het vanuit Brabant in Holland naar Brabant in België niet zo ver als omgekeerd want een paar uur later stond hij reeds aan het tuinhek. Ik zag een man zoals ik me onze voorvaderen, de Nerviërs, de Eburonen en de Batavieren in mijn kinderjaren heb voorgesteld…

Groot en machtig, en vol haren. Addams, heette hij, Een naam die hij niet gestolen had.

Schilderijen had hij niet bij, maar wel een kijkkastje, waarin afbeeldingen ervan konden aangebracht. Ik heb een uur lang naar forsig rood en blauw en geel en groen gekeken.

Bij elk nieuw prentje moest ook mijn vrouw kijken, en die zei steeds maar: “Mooi! Mooi! Mooi!” En ik moet er meteen aan toevoegen, dat zij echt gevoel heeft voor schilderijen. Zij loopt zo een ekspositiezaal door en zegt: “dat is mooi, dat is minder, dat is niets waard.”

Dat laatste zegt ze vooral, als ik eens wat geschilderd heb.

Het is dan ook haar schuld, door dat “mooi, mooi, mooi”, dat ik vrijdagavond naar Eindhoven moet. Want ik kon niet meer weigeren. Goed dan maar, heb ik geantwoord. En Addams gaf me een klap waar ik nog steeds wat scheef bij loop, beloofde me te halen en terug te brengen.

En beloofde bovendien mijn vrouw een schilderij, de grootste die erbij was. Op voorwaarde dan dat ze in de auto kon. Ze hoopt nu dat hij me komt halen met een verhuiswagen, en niet met een Volkswagentje.

Ik weet niet meer wat hij gezegd heeft daar op die katheder waar ik zo lang gestaan had… Zijn woorden aan mij gericht bleven in mijn hoofd zoemen. Ik weet nog wel dat hij daarna in het kafé danste met Sophie, die op haar zeer hoge hakken ver boven hem uitstak. Ikzelf werd afgeleid door een journalist van het Groot Eindeloos Dagblad, die een interview met me wilde en zei dat ik een van de beste lezers van hun blad was…

Louis Paul Boon schreef twee verhaaltjes over deze avond maar keerde nooit in Eindwereld terug.

_____

Louis Paul Boon in Zuid-Afrika werd gepubliceerd in Adem, sept. 1988, in diverse versies in HetWerk51, hier voor het eerst samen met Willem Adams – Louis Paul Boon in Eindhoven op 8 december 2007, 40 jaar na 8 december 1967, en op dezelfde manier in het boek van Meurs A.M. OVER LOUIS PAUL BOON ‘Die twee gebroers en hun zuster, dat was heilig’ Josken Boon-Vermoesen over de familie Boon in 2012.

Zie ook het volledige verhaal van Willem Adams:
Willem Adams – Louis Paul Boon in Eindhoven
en de kennismaking met
Willem Adams 1937 – 2022 ,
alles op papier in de
Adams(Boon)-special, Bij het overlijden van Willem Adams,HetWerk71, literair kladschrift van Meurs A.M., verschenen 6 januari 2022, genummerd en gesigneerd, verkrijgbaar in mijn Boekwinkeltje Wonderland: met Persoonlijk eerbetoon, onze kennismaking zoals beschreven in Aan de Lange Weg, het verhaal Willem- Adams over Louis Paul Boon in Eindhoven, met de 3 autotochten heen en weer tussen Eindhoven en Erembodegem in België, de opening op 8 januari 1967 van zijn tentoonstelling door Boon, de expositie, de problemen met de kunstenaarsregeling de Contraprestatie, de Sociale Dienst, met de publicaties in het Eindhovens Dagblad. Ook de Boontjes door #LouisPaulBoon over deze belevenis in het dagblad Vooruit, en Willem Adams als model voor personages in mijn schrijven, 16 pag, waarvan 4 met afbeeldingen in kleur: €4 plus €1,92 verzendkosten. Klik op de link bovenaan voor het bestelformulier (veiligste manier) of maak €5,92 over naar NL97 TRIO 0379 4947 87 van Meurs A.M. ovv Uw adres (eenvoudigste manier). Hartelijk dank. Een abonnement wordt zeer gewaardeerd.

Willem Adams – Louis Paul Boon in Eindhoven

(Kunstschilder Willem Adams (1937-2022) overleed op 5 januari.)

(Uit de Adams(Boon)-special , HetWerk71, literair kladschrift van Meurs A.M., verschenen 6 januari 2022, zoals ook Willem Adams 1937 – 2022)

Dit is het verhaal van Willem Adams over 3 dramatische, soms hilarische tochten per auto heen en terug tussen Eindhoven en Erembodegem, waarvan 1 keer met Boon. Op de avond van 8 december 1967 wordt Boon, geconfronteerd met ijs, sneeuw en afgesloten wegen, vanuit Erembodegem in België naar Eindhoven gebracht,  zo’n 150 kilometer, en dezelfde nacht weer terug. De snelweg tussen Eindhoven en Antwerpen bestaat nog niet. Het is ook het verhaal van Adams’ expositie, de tegenwerking, de scepsis, het ongeloof dat het hem zou lukken. Willem Adams was in 1967 30 jaar, Boon was 55.  De gebeurtenissen lieten ook Boon niet onberoerd, hij schreef er kort achter elkaar 2 Boontjes en 2 fragmenten over. Ze zijn alle in dit verhaal opgenomen.

Willem Adams – Louis Paul Boon in Eindhoven (verteld in 2007)

Boon opent op 8 dec. 1967 de tentoonstelling van Willem Adams in de Krabbedans in Eindhoven, gebouw Eindhovens Dagblad (uit ED).


Het begin

Ik zag voor het eerst een boek van Boon in een etalage. Het was de Kapellekensbaan en het was een dikke pil, van de Arbeiderspers. Het stond in een etalage van een boekhandel die net begonnen was, op de hoek van de Nieuwstraat en de Vestdijk, hier in Eindhoven. Die boekhandel is er niet meer, er zit nu een goktent. Ik was een jaar of zeventien en op weg naar de schilderles van Jan Gregoor. Het boek was net uit maar Jan kende het al, hij zei: “Wat een boek!” Dat moet in 1953/1954 geweest zijn.

Het enige dat nog een beetje aardig was en dat je destijds in Meerveldhoven, waar ik toen nog woonde, kon krijgen, was Karl May. Die leende ik bij Van de Mierden, een ex-onderwijzer die in zijn huiskamer een uitleenbibliotheek had. En toen ik heel klein was, kreeg ik van een buurmeisje, Maria van Bree, Dick Trom, maar dat moest ik verdomme nog teruggeven ook. Een jaar of zeven, acht was ik toen.

Midden in de jaren zestig had ik hier Bokboek liggen, daarin ging Weverbergh in een artikel uit 1963 hevig te keer dat Hubert Lampo de driejaarlijkse Belgische staatsprijs had gekregen, volgens hem was Boon de echte kandidaat. Toen ik in 1967 ging exposeren, dacht ik: wie kan dat openen? W.F. Hermans heb ik ook nog even overwogen. Maar ik dacht toch: Boon, dat is iets, van al die anderen hoor je over dertig jaar niks meer. Ik belde hem op of ik langs kon komen. Hij  aarzelde, maar ik zei: ik kom wel even langs.

Misschien was het vanuit Brabant in Holland naar Brabant in België niet zo ver als omgekeerd, want een paar uur later stond hij reeds aan het tuinhek. Ik zag een man zoals ik me onze voorvaderen, de Nerviërs, de Eburonen en de Batavieren in mijn kinderjaren heb voorgesteld…Groot en machtig, en vol haren. Adams, heette hij. Een naam die hij niet gestolen had.

(Boontje in Vooruit op 7 december 1967)

De eerste tocht

Theo Kuypers was een keer hier en die moest bij een tentoonstelling in Eijsden zijn, bij Maastricht. Hij had een deux cheveauxtje, een lelijke eend, geen luxe, zo een met een bak erachter, een besteleend. En ik dacht, ik rij mee, we hadden zelf geen auto, dan zijn we al op de helft. We hebben toen geslapen bij Hans Memelink, de bronsgieter van Sint Geertrui. We moesten op de grond slapen in het hondenhaar, tussen de honden in, en daarom schrijft Boon: hij zat vol haar.

 We waren bij dat bungalowtje van Boon in Erembodegem met een houten hek ervoor. Ze schrokken wel van ons, hadden nog nooit twee zulke rauwe figuren gezien, we zagen er ook uit, hadden heel de nacht niet geslapen, zaten onder de rotzooi en het hondenhaar. We zijn daar een uur of anderhalf, twee geweest. Ik had een kijkdoosje bij me met dia’s en Jeanneke zat erbij en was echt verrukt en zei: “Louis, dat moet je doen!”

Huize Isengrimus van Boon

Het was toen al zwaar in de herfst. Op de terugweg hebben we nog ellende gehad. Kuipers wist een bijzondere weg binnendoor, dat was een bolle weg, geen holle maar een bolle weg, en daarop kwam hij met zijn as vast te zitten.

Stichting de Krabbedans

Van de Krabbedans, de stichting die de tentoonstellingsruimte runde in het gebouw van het Eindhovens Dagblad, heb ik geen enkele medewerking gehad. Ik heb zelf nog de vloer staan dweilen. Smit, die in het bestuur zat van de Krabbedans, dat was zo iemand die me recht in mijn gezicht zei: “Louis Paul Boon, dat zal wel zijn!”

 Een van die lui was bij Philips op staande voet ontslagen, waarom wist niemand, zelf zei hij het natuurlijk ook niet, die was toen penningmeester van de Krabbedans, hoe heette die man? Ik heb daar een schilderijtje verkocht – ha, dat was Vredegoor, mooie naam – en dat geld heeft hij ingepikt, ik heb het nooit gezien. Het schilderij was gekocht door Jaap Thieman, al in het begin van de tentoonstelling, hij wou het eigenlijk meteen meenemen. Dat wás iemand, een heel dure antiquair, dat was de direkteur van Pander, die had een verzameling van een van de mooiste Appels, van Jaap Wagenaar en ook van Jan Gregoor. Hij woonde daar in die hoge flats bij de Boschdijk. Hij heeft dat schilderij betaald aan die Vredegoor maar het geld heb ik nooit gezien.

 Mijn vrouw zat daar toen die Jaap Thieman binnenkwam, want ze hadden bij de Krabbedans ook niemand die kon oppassen, mijn vrouw heeft daar dagenlang gezeten.

Ze zat er ook toen er 10 man van de Provincie binnen kwam stormen, en met zijn tienen kochten ze het kleinste schilderijtje dat er bij was, voor 300 gulden, dat was de aankoop van de Provincie. De direkteur van Pijnenborgkoek, die oude, kwam ook kijken en zei tegen mijn vrouw: “U bent zijn vrouw, dat zie ik, maar die jurk past niet bij die schilderijen.” Hij wel met zijn zilveren wandelstok.

 Ik moest op het affiche vermelden dat het 25 cent entree was. En dat affiche met mij en mijn zonen werd overal gestolen, ze sloegen er de ruit van een etalage voor in om het mee te kunnen nemen.

 Kijk, hier heb ik het: Dagelijks, ook zondags van 12 tot 17.00 uur en ook dinsdag- en donderdagavond. Een maand lang moest daar altijd iemand zijn, mijn vrouw heeft daar verreweg de meeste tijd gezeten, maar ik en jijzelf toch ook.

 Toen ik daar zat vroeg er iemand: “En hoe was je indruk van Boon?” Ik zeg: Ik zal het zo zeggen, Boon zat daar aan een tafel tegenover ons en die tafel was wel twee meter breed maar was toch behoorlijk bezet. Op die manier.

De tweede tocht

Met Wim van Gennep, mijn zwager, ging ik Boon op 8 december ophalen, het was spiegelglad, alles stond stil op de weg naar Antwerpen, dat was nog de oude weg, een snelweg was er nog niet, er zijn er die het de Lange Weg noemen. We konden er niet door en toen hebben we een parallelweg genomen door de bossen. Maar op een bepaald moment waren er, door de zwaarte van de sneeuw op de takken, bomen over de weg gevallen en moesten we dat hele eind weer terug. Tot een kwartier voor Antwerpen was het vreselijk slecht, daarna werd het beter, dus in Erembodegem wist Boon van niks. Daar was het goed weer. We hebben voor Boon verzwegen dat het zo slecht was, anders was hij nooit ingestapt. Maar toen we weer bij Antwerpen kwamen zag hij het wel, dat was niks dan slibberen en schuiven. En we konden ook niet over de weg van Antwerpen naar Eindhoven terug, die zat helemaal dicht, we moesten over Breda en Tilburg met een grote bocht naar Eindhoven.

We kwamen dus al een paar uur te laat in Erembodegem aan, en dat was nog een prestatie, we hadden het eigenlijk al opgegeven. En dan nog eens de terugweg. Ik denk dat het wel een uur of elf, half twaalf was voor we weer in Eindhoven waren. Ik meen dat het om negen uur had moeten beginnen. Ik hoorde van mijn vrouw dat zij en de vrienden hadden staan zweten, komen ze nog of komen ze niet, en dat het viooltrio dat ik had ingehuurd niet wilde spelen voordat wij er waren. Op de radio werd omgeroepen dat vanwege de gladheid niemand meer de baan op mocht en ze wisten dat wij op die baan zaten en ze hoorden niks en zagen niks. Een van de vrienden heeft toen nog een oude pick-up van huis gehaald en platen gedraaid.

 En jijzelf hebt, om de mensen bezig te houden, toen nog voorgelezen, heb ik gehoord, uit de interviews die je over mij had gehouden met de hotemetoten uit de zogenaamde Eindhovense kunstwereld, die niet wisten dat we dat samen opgezet hadden en die mekaar vuil maakten, en dat waren nou juist de lui die daar die avond alleen maar stonden te wachten hoe ik op mijn bek zou gaan. Louis Paul Boon, hadden ze tegen me gezegd, het zal wel!

Inleiden

Donderdag 7/12 – Nu heb ik het toch wel wéér aan mijn been! En dit terwijl IK gezworen had dat ze me nooit meer gingen vangen. Ik bedoel, met het inleiden van een ekspositie.

Want dat is nu mode geworden. Vroeger eksposeerde een schilder zijn werken en dat was voldoende. Nu moet er nog iemand bijkomen die een openingswoord spreekt, zoals de burgemeester die de eerste steen legt voor een nieuw stedelijk ziekenhuis.

Ik heb dat eens op een kartoon gezien, die burgemeester, die met het truweel een klop op de eigen vingeren geeft. En met dan als onderschrift: “De burgemeester sprak enkele gepaste woorden”.

En wat erger is, dat die ekspositie te Eindhoven in Holland is! Zodat ik bijna zes uur in een auto moet zitten – heen en retour – om van mijn dorpje aan de grens van Brabant in België, naar Brabant in Holland te gaan inleiden. Iets wat, als we dan nog geluk hebben, maar tien minuten zal duren.

Moest een mens daar geld mee verdienen, ik zou mijn werk op de krant aan anderen overlaten, en op mijn deur een bordje spijkeren “Ekspositie-inleider”, en door dit nieuwe beroep misschien schatrijk worden. Maar nu… vanzelfsprekend had ik die mij totaal onbekende schilder uit Eindhoven een briefje teruggestuurd met “Wat denkt ge wel… dat ik crazy ben?” En prompt schreef hij, nu voor de tweede maal: “Och, het heeft geen belang, maar ik kom toch even langslopen, als ik mag.”

Misschien was het vanuit Brabant in Holland naar Brabant in België niet zo ver als omgekeerd want een paar uur later stond hij reeds aan het tuinhek. Ik zag een man zoals ik me onze voorvaderen, de Nerviërs, de Eburonen en de Batavieren in mijn kinderjaren heb voorgesteld…

Groot en machtig, en vol haren. Addams, heette hij, Een naam die hij niet gestolen had.

Schilderijen had hij niet bij, maar wel een kijkkastje, waarin afbeeldingen ervan konden aangebracht. Ik heb een uur lang naar forsig rood en blauw en geel en groen gekeken.

Bij elk nieuw prentje moest ook mijn vrouw kijken, en die zei steeds maar: “Mooi! Mooi! Mooi!” En ik moet er meteen aan toevoegen, dat zij echt gevoel heeft voor schilderijen. Zij loopt zo een ekspositiezaal door en zegt: “dat is mooi, dat is minder, dat is niets waard.”

Dat laatste zegt ze vooral, als ik eens wat geschilderd heb.

Het is dan ook haar schuld, door dat “mooi, mooi, mooi”, dat ik vrijdagavond naar Eindhoven moet. Want ik kon niet meer weigeren. Goed dan maar, heb ik geantwoord. En Addams gaf me een klap waar ik nog steeds wat scheef bij loop, beloofde me te halen en terug te brengen.

En beloofde bovendien mijn vrouw een schilderij, de grootste die erbij was. Op voorwaarde dan dat ze in de auto kon. Ze hoopt nu dat hij me komt halen met een verhuiswagen, en niet met een Volkswagentje.

(Boontje uit Vooruit, dagblad in Gent van 7 december 1967, door Louis Paul Boon uitgesproken bij de opening van de schilderijententoonstelling van Willem Adams in Eindhoven op 8 december 1967 en daarna aan de schilder overhandigd.)

Val dood met je hondenkar!

Een van de hotemetoten waar ik mee te maken had was Adriaans, direkteur van de Sociale Dienst, waar je in de contraprestatieregeling je schilderijen moest gaan inleveren. Die werden daar in een zaaltje waar allerlei oude heren aan de muur hingen beoordeeld. En als je dan het geluk had dat ze “aangekocht” werden, tussen aanhalingstekens, dan kreeg je niet gewoon je geld, nee dan werd dat bedrag gedeeld door bruto 121gulden 80, ik weet het nog precies – daar hield je nog geen 100 gulden van over – en het getal dat daar uitkwam was het aantal weken dat jij en je gezin daarvan moest leven. Bijvoorbeeld, je komt daar door weer en wind aan met een schilderij van twee bij twee meter op de bakfiets, en als je het geluk hebt dat ze het aankopen, bijvoorbeeld voor 1000 gulden, dan moet je daar ruim 8 weken van leven. Je zat dikwijls uren op je geld te wachten en dan was Adriaans zo’n man die beweerde dat ik niet moest overdrijven want dat niemand het leuk vond om op geld te wachten waar hij niets voor gedaan had. Terwijl ik daarvoor godverdomme wekenlang aan een schilderij had staan zwoegen en dat dan zelf nog moest komen brengen. Die man wist totaal niet waar hij het over had, een keer beweerde hij dat ik niet moest overdrijven over dat gesjouw door weer en wind omdat mijn schilderijen niet groter waren dan zo’n 75 bij 75 centimeter. Zijn vader liep vroeger met een hondenkar melk te bezorgen en ik was vaak zo kwaad op de zoon omdat ik steeds moest bedelen om mijn geld, dat ik het een keer niet kon laten door de telefoon te roepen: Val toch dood, jij en je familie met je hondenkar!

De tweede tocht dus

Ik ging Boon dus ophalen met Wim van Gennep, mijn zwager. Boon is nog bij hem thuis geweest nadat we na de opening het café van Ad Snijders hadden bezocht, de Volksbond, het café van de Werkende stand. Want Boontje moest eerst nog wat eten voor we weer terug naar Erembodegem vertrokken.

 Boon had een bewaker bij zich, een bodyguard. Jeanneke had die meegestuurd, die moest zorgen dat Boontje weer terug in Erembodegem kwam. Anders was hij die nacht in Eindhoven gebleven. Het was een jonge, stevige man. Hij heette Dirk, we hebben nog een tijdje met hem gecorrespondeerd, die brieven moeten nog ergens boven liggen. Hij kon wel een aantal exposities voor mij regelen in België, schreef hij, en hij zou binnenkort wel langs bollen. Ik heb hem nooit meer gezien. Maar die Dirk moest dus Boon weer mee naar huis nemen.

 Ik zat met Boon achterin, zowel op de heen- als op de terugweg. Ja, want Van Gennep met zijn  cultureel erfgoed… “Kijk, meneer Boon, dit is ons Evoluon.” Boontje dacht: Val maar kapot met je Evoluon, dat het maar ontplofte! En hij gaf van die korte antwoorden als ik iets vroeg. Bijvoorbeeld over Hermans: “Die kan nog geen borreltje drinken.” Meer niet. Ze hebben elkaar ook maar één keer ontmoet, in Antwerpen, daarna is er nooit meer contact geweest. En over Claus: “Dat is een showman.” Van die korte antwoorden: Dat was geen schrijver, dat was een showman. Daar kon je het mee doen.

 We kwamen in Erembodegem aan toen het licht werd, een uur of acht ’s morgens dus. We hebben nog een kop koffie gedronken en zijn weer vertrokken, we waren kapot. En op de terugweg bij Antwerpen kregen we een lekke radiator en daarom moesten we telkens stoppen om hem met sneeuw bij te vullen. Want de garages waren dicht omdat er toch geen verkeer op de weg was. We hebben toen mijn vrouw opgebeld, want die moest de garage bellen dat we nooit op tijd terug konden zijn. Het was een huurauto en de garage ging om vijf uur dicht. Ik denk dat we om half zes terug waren, helemaal total loss.

Eindhoven

Donderdag 12/12 – Zoals gezegd moest ik vrijdagavond te Eindhoven in Holland inleiden. Het is te zeggen, de tentoonstelling van een Hollandse schilder voor open verklaren. In november had hij dit reeds gevraagd, en toen was het een zonnige herfstnamiddag en had ik maar ja gezegd…

Er niet aan denkend dat op 8 december sneeuw kon vallen. En alsof die sneeuw speciaal gewacht had om te vallen, dikte hij de weg van Antwerpen naar Breda met een mooie witte maar levensgevaarlijke laag. Want die laag vroor onmiddellijk vast, en het werd met de auto meer walsen dan rijden.

Achteraf heeft mijn vrouw verteld, dat ze thuis ondertussen op TV naar het wegenbulletin luisterde, en men daar zei: “de weg van Antwerpen naar Breda is onberijdbaar.”

Ons moesten ze het niet zeggen, we ondervonden het.

En over een levensgevaarlijke weg rijden is nog niets, als ge daar heel alleen zijt. Maar het stemt u niet hoopvoller als ge links een wagen in de gracht ziet liggen, en rechts een wagen die tegen een boom goedag ging zeggen.

Met dan wat verder het oranje-flikkerlicht van een politiewagen en de wagen van het rode kruis die hulp trachten te bieden aan drie andere in elkaar verstrengelde auto’s.

Want wat denkt ge? Driehonderd meter verder moeten ze ook voor ons met flikkerlichten en de 900 hulp komen bieden, denkt ge. Ik weet het, ik ben geen held, en zeker niet als ik in een auto zit , maar mijn moed zakte nog dieper in mijn schoenen als ik de chauffeur heilige namen ijdelijk hoorde gebruiken, zeggend: “We komen d’r nooit.”

Het was een Hollandse chauffeur, en nu heb ik ook eens in het Hollands horen vloeken. Het is bijna helemaal ’t zelfde als in het Vlaams. Behalve dat zij meer Jezus zeggen in plaats van god, Wij zeggen: “Godverdommenogaantoe.” Zij zeggen: “Kristusgodverdommenogaantoe.”

Dat hebt ge met protestanten. Om halfnegen moest ik te Eindhoven mijn eerste woordje plaatsen… “Dames en heren, het is mij een groot genoegen…” Het was niet halfnegen als we daar arriveerden, maar halfelf. En zonder genoegen.

Toch stond de hele zaal nog vol mensen, die naar ons hadden gewacht. ’t Zou bij ons in Vlaanderen geen waar zijn. Ik heb eens in de sneeuw een ekspositie gaan inleiden te Achterhoek, en toen waren er maar twee mensen meer, de schilder en ik. We hebben daar dan samen biljart gespeeld.

Om halftwaalf hadden de toehoorders er genoeg van, en met een aantal onder hen zijn we nog in een Eindhovens artiestencafé wat weest drinken. Mijn tafelgenote bleek Sofieke te heten, en met haar heb ik het over sommige woorden uit het boek van Jan Cremer gehad.

Maar er was een vervelende vent bij, die zich steeds in ons gesprek mengde, en toen ik hem zei: “man, ga toch weg…. Ge ziet toch dat ik met Sofieke aan het praten ben!” Toen antwoordde hij: “Ja, maar ik ben daarvoor toch haar echtgenoot!”

Zodat we meteen weer uit Eindhoven wegreden, langs dezelfde afschuwelijke baan. Het was zes uur in de ochtend als ik thuiskwam. Kapot. Helemaal kapot. In Eindhoven zullen ze me nooit meer zien.

(Een paar dagen na 8 december, op 12 december 1967, publiceerde Boon opnieuw een Boontje over Eindhoven. Hij zou er die week nog twee keer op terugkomen.)

Het Eindhovens Dagblad

Verslagen van mijn tentoonstellingen werden niet in het Eindhovens Dagblad geplaatst. Ton Frencken schreef een artikel, het werd gepubliceerd in Tilburg en in Den Bosch, zelfs in Nijmegen maar niet in Eindhoven. Het is nu allang iemand anders, Paul Kokke, die werkt er nog, heeft zelfs een hoge functie bij die krant: hetzelfde soort verhaal, dat duurt al 40 jaar. Als hetzelfde artikel in het Eindhovens Dagblad komt, is de tentoonstelling zowat afgelopen of ze publiceren een artikel meteen illustratie maar in het Eindhovens Dagblad wel alleen een detail en dan nog op zijn kop of op zijn kant.  Van de opening door Boon 40 jaar geleden, ook maar een klein artikeltje met een klein foto’tje van Boon op de katheder, ze konden er niet onderuit.

 Ze hadden destijds twee correspondenten over kunst: JPB en OdC, ze tekenden met hun initialen. Juppupbut en OpdeCut, noemde ik die: Jan Paul Bresser en Op de Coul. Als ze je niet doodzwegen, dan was het een heel klein stukje, en dat was altijd hetzelfde, dat was één groot cliché van die twee: zoals “krachtig en rond in de verf gezet” of ( en dan ging het zeker niet over mij): “fijn, lichtvoetig, fris, vindingrijk”, soms in een iets andere volgorde en met een enkel woordje eraan toegevoegd: “fris, fijn, speels, poëtisch”. Bresser schrijft nu voor het Elseviers Weekblad, nou dan weet je genoeg. Deze Juppupbut zat een keer demonstratief op de Markt Sartre te lezen, met de kaft goed zichtbaar omhoog gestoken.

 Ik exposeerde in het gebouw van het Eindhovens Dagblad, jij geeft in je inleiding die krant flink van katoen, er komt een journalist urenlang met je praten, noemt je de beste lezer die de krant ooit gehad heeft, wat komt er in de krant: niks! Dat duurt zo al meer dan 40 jaar.

Boeken tekenen

Woensdag 13/12 – Wat het voorbije weekend betreft, daar zat voor mij nog meer miserie aan vast. Om zes uur in de zaterdagochtend bereikte ik dus weer veilig mijn huis, na een levensgevaarlijke tocht van Eindhoven, in Holland, naar Erembodegem, bij Brabant.

Toch brouwde ik nog wat koffie voor de jongens die me gebracht hadden, sloot daarna het hek achter hun hielen en dacht alleen nog: “Mijn bed, mijn bed, mijn bed.” Ik viel er in neer, zag het nog enkele ogenblikken voortijlen door een gladde besneeuwde weg, alsof het een bed op wielen was, en verzonk toen in een droomloze slaap…

Waaruit ik niet lang daarna gewekt werd door mijn vrouw, die zei: “Weet ge, dat ge straks naar Antwerpen moet om op de boekenbeurs uw werken te tekenen?” Het drong maar vaag tot me door, en dieper onder de dekens kruipend, moet ik nog gezegd hebben: “Hou op met die zwarte humor.”

(fragment Boontje in Vooruit op 13 dec. 1967)

Van haar kant voelde ze zich ook verplicht iets in het midden te brengen. Ze zei: “ge hebt het op de weg naar Eindhoven ook niet voor de poes gehad, zo door die sneeuw en ijzel!” Ik keek haar wat verbaasd aan, want in de krant kon ze het niet gelezen hebben, het relaas had ik nog niet gegeven.

“Ik hoorde dat ge maar rond zes uur in de ochtend weer thuis waart,” zei ze ook nog.

Ik zat ontsteld te kijken. Hoe kon ze dat alles weten, hoe kon ze op de hoogte zijn van de kleinigheden in mijn leventje… zij, die daar elke ochtend in het zonnetje zat, als een vreemde, en me zelfs niet eens aankeek?

– Hebt ge soms een glazen bol, zoals waarzegsters, waarin alles te zien is wat met mij gebeurt? wou ik weten.

– Nee, zei ze, ik weet het gewoon, omdat mijn schoonbroer naast u in de wagen zat.

Haar schoonbroer, dat was dus Dirk, die voorgesteld had me te vergezellen omdat ik niet heel alleen zou zijn op die tocht. En de vrouw van Dirk, Ingridje, was dus haar zuster!

– Da’s mooi! zei ik… de zuster van Ingridje zijn, en daar helemaal niets over zeggen, maar daar zitten zonder me aan te kijken, alsof ik een Chinees uit Tokio ben.

Ze lachte even. Ze vond het zo grappig, zei ze, elke dag haar zuster te vertellen bij wie ik op het treintje ging zitten en wat ik daar uit mijn botten sloeg.

(Fragment in Vooruit waarin Eindhoven terugkomt in Boontje van 15 december 1967)

De derde tocht

De derde keer was met Wim Spruit en Arie Berkulin. Dat was een maand later, na de tentoonstelling. Het schilderij dat Boon heeft gekregen en dat hij zelf heeft uitgezocht was zo’n soort schilderij als daar aan de muur hangt, ook een donker, maar dan zo’n 80 centimeter hoog en 110 breed.  Toen we dat gingen brengen, moesten we het België binnen smokkelen door het uit de lijst te halen en op te rollen. Je werd toen nog aan de grens in Reusel aangehouden en moest vertellen of je iets had aan te geven en dan kon je auto worden nagekeken.

 We reden naar Brussel, Wim wilde een borrel maar we konden geen borrel krijgen. We wilden niet bij Boon met honger aankomen en bestelden bouillabaisse maar kregen het niet. Wim Spruit sprak toch behoorlijk Frans maar we kregen het niet, we waren waarschijnlijk te Hollands. Dat was toen echt nog die taalstrijd.

 We kwamen in Erembodegem en Boon moest naar de presentatie van een dichtbundel, een kilometer of tien daarvandaan. We zijn toen met hem meegegaan. Die dichter was tevens timmerman en had een gedicht geschreven “Waar is de laatste metselaar gebleven?” Dus Boontje die knipoogde al tegen mij.

 Op de terugweg hadden we voor het eerst geen problemen.

_______

De (fragmenten van) Boontjes uit de Vooruit van de maand december 1967 zijn verzameld in <Boontjes 1967>, uitgeverij Houtekiet 2003. INLEIDEN is opgenomen in Avenue-reeks 16, VAN LOUIS PAUL BOON, De Geïllustreerde Pers, 1968. De slotzin is dan veranderd in: ‘In Eindhoven zullen ze me niet gauw meer zien.’

Namen

Adams, Willem: 1937-2022, kunstschilder;

Appel, Karel: 1921-2006, beeldend kunstenaar;

Berkulin, Arie: 1939, beeldend kunstenaar;

Boon, Louis Paul: 1912-1979, schrijver;

Claus, Hugo: 1929-2008, dichter, schrijver;

Fuchs, Rudi: 1942, kunstcriticus, museumdirecteur;

Hermans, Willem Frederik: 1921-1995, schrijver;

Kuypers, Theo: 1939, kunstschilder;

Lampo, Hubert: 1920-2006, schrijver;

May, Karl: 1842-1912, schrijver (van o.a. Old Shatterhand);

Memelink, Hans: 1937-1990, beeldend kunstenaar, bronsgieter;

Snijders, Ad: 1929-2010, beeldend kunstenaar, exploitant café De Volksbond Eindhoven;

Weverbergh, Julien: 1930, schrijver, uitgever, Boonkenner;

Wolf, Jeanneke de: 1915-2005, echtgenote Boon.

——–
Willem Adams – Louis Paul Boon in Eindhoven en Meurs A.M. over Louis Paul Boon in Eindhoven werden eerder gepubliceerd in diverse versies van HetWerk51 en in het boek van Meurs A.M. OVER LOUIS PAUL BOON ‘Die twee gebroers en hun zuster, dat was heilig’ Josken Boon-Vermoesen over de familie Boon.
Boekwinkeltje Wonderland: Boekwinkeltjes.nl – OVER LP BOON, Die twee gebroers en hun zuster, dat was heili

Meurs A.M. over Louis Paul Boon

in Eindhoven

In 1987 schreef Ton Meurs, een voorganger van Meurs A.M., ook al een verhaal over die beruchte 8 december van het jaar 1967. De inleiding van 1967, die vooraf ging aan de opening door Boon en die handelde over het Eindhovens Dagblad en het kunstleven in Eindhoven, was hier blijkbaar vervangen door de artistieke en politieke actualiteit van het jaar 1987. Toch valt het op hoe de schijnbaar groteske uitlatingen over kunst en subsidie gelijkenis vertonen met uitspraken in een interview van de toenmalige wethouder van Cultuur in Eindhoven, de heer Van der Harten in 1967. Ook uitlatingen in die tijd van de directeur van de Sociale Dienst, de heer Adriaans, zijn in de satire duidelijk te herkennen. De Apartheid bestaat in 1987 in Zuid-Afrika nog volop, 1987 is bovendien het Multatuli-jaar. Dat gaat klaarblijkelijk aan de redenaar niet ongemerkt voorbij en behalve Boon kijkt ook Céline hier en daar mee.

LOUIS PAUL BOON IN ZUID-AFRIKA

Ton Meurs

(fragmenten)

Het gebouw van de gehate krant is helemaal volgelopen, met hoogwaardigheidsbekleders

uit het kunstleven van de gehate stad… en ik loop tegen de stroom in de trap af, en zit met mijn vriend Jan in het kafetaria aan de overkant en we kijken naar de schaduwen achter de beslagen ruiten daarboven… die, meer nog dan voor de schilderijen van mijn vriend Willem, zijn gekomen om de Opener van de avond te aanschouwen: Louis Paul Boon.

Het is 8 december 1967 en het had om 21.00 uur moeten beginnen.

Het wordt tien uur en nog steeds is het stampvol daar achter de ramen, maar de kunstenaar is er niet en de Opener is er niet… de kunstenaar is de Opener halen, 150 kilometer hier vandaan en het sneeuwt!… alleen de inleider is in de buurt… en dat ben ik.

We hebben het samen gepland, de kunstschilder en ik: hij zal exposeren in het gebouw van Het Groot Eindeloos Dagblad en tijdens de inleiding zal ik die krant afbreken, tot aan de grond… alleen de schilderijen van mijn vriend zullen op mysterieuze wijze in de lucht blijven hangen.

Hoe lang zal ik durven wachten? Heb ik niet de verantwoording?… ik!… nu de kunstenaar noch de beroemde schrijver er zijn… is het niet mijn schuld als het bezoekerspeil in het volgestroomde gebouw weer zakt? Wat moet ik zeggen wanneer die twee straks komen en alleen nog mij aantreffen?

Ik moet het publiek vasthouden!… ik hol naar de overkant, de trap op, en sta al op de katheder.

Zal ik jullie eens wat zeggen?” zeg ik. “Jullie staan hier nou, voor die schilderijen van Adams, maar weten jullie wel… dat de kelders van het stadhuis vol staan met die dingen?… dat we niet weten waar ermee te blijven? Weten jullie dat? Jullie lachen, jullie denken: dat is satire… De kelders staan vol… we geven er wel eens eentje weg – dat mag niet maar dat doen we toch – maar er komen er wel tien voor terug!.. En nou wil ik jullie vragen – jullie komen helemaal niet voor die schilderijen maar toch wil ik jullie… is het niet de vraag… of je zomaar dingen kunt blijven maken waar niemand naar vraagt… het ezelschilderij dus, het schilderij waar geen afzet voor is!

Op elk stukje vrije wand hangen we iets of laten we wat vervaardigen! We weten niet wat we moeten doen… al die schilderingen!.. we verzuipen erin, we komen erin om… Help! Red ons!..”

Ze beginnen te joelen, te protesteren. Een zeer jonge man (hé, moet jij nog niet in bed liggen?), een eihoofd, halve knikkers van ogen erop geplakt, komt naar voren: “Eerbied voor de kunst!  Schande!”

Niets van aantrekken.

“We zijn die kunstenaars in hun atelier gaan opzoeken,” zeg ik. “Kwamen ze tenminste niet met die lappen van 3 bij 3 meter naar ons toe!… kochten we de kleinste – ook nog vaak 2 bij 2, hoe halen ze het in hun hoofd! – en als we weggingen vergaten we het kunstwerk zogenaamd…

Je kent dat wel, we brachten een fles mee, dronken wat… en probeerden met de nek tussen onze schouders te verdwijnen, bang dat we teruggeroepen werden… Komt zo’n onnozele hals de volgende dag zo’n lap naar het stadhuis brengen… te voet… of op de bakfiets… en met een wind!… en een gezicht van “als ik toch niet overal aan zou denken!”

Weer dat lastige jochie, hij staat nu met z’n vuisten tegen de katheder te trommelen. Nou, dan maar de volle laag!

“Moet je luisteren, snot, ik zeg dit ook voor jou, voor jouw generatie… Ik ben er niet zo een die de volgende generatie met onze problemen wil opzadelen… o.k., ik neem je niks kwalijk, je bent jong en idealistisch… jij vindt dat we eerbied voor de kunst moeten hebben, dat we de kunst moeten steunen – wat iets anders is dan de individuele kunstenaar! Wij dachten dat vroeger ook… een financieel probleem, dachten we… op te lossen door de kunst te privatiseren… met sponsors en reclame te gaan werken… Waarom niet een klein merknaampje in de hoek van zo’n grote lap?…

Jij denkt natuurlijk: als ik minister was sloot ik wat musea, brak de financiële ondersteuning van de kunstenaars af, en ik was er…

Maar, beste jongen, dat is het probleem niet… Je doet op die manier niets aan de productie! We zijn veel te lang te tolerant geweest! Als we nu niets doen moeten we straks kunstwerken gaan opslaan in onderaardse zoutlagen!… en kunnen we hierboven er alleen een microfiche van bewaren… Dat bedoel ik als ik zeg: de volgende generatie niet onze problemen opschepen!… Mag ik nu verder?”

De jongen lijkt een beetje afgebluft. Vooruit, daar ga ik weer.

(…)

“De zwarte wordt mishandeld in naam van de Makro (de SHV), in naam van Philips, in naam van de Shell!… De zwarte in Zuid-Afrika… och laten we ons beperken tot de kinderen, anders wordt het zo veel, zo algemeen… Welnu: 10.000den zwarte kinderen zijn gevangen gezet, mishandeld, gemarteld, verkracht en vermoord… en wij laten dat toe want wij doen ZAKEN met Zuid-Afrika!…”

Ze hebben me van het podium gesleurd, maar plotseling laten ze me los. Ik zie dat ik voor een vriendelijk glimlachende Louis Paul Boon sta. Hij trekt me aan mijn mouw een beetje omlaag, brengt zijn mond naar mijn oor.

“Ik was er al een poosje,”zegt hij, “maar ik dacht: laat maar even gaan, want Multatuli zelf zou nooit naar Eindwereld zijn gekomen.”

Dan stapt hij onder luid applaus het podium op.

Ik weet niet meer wat hij gezegd heeft daar op die katheder waar ik zo lang gestaan had… Zijn woorden aan mij gericht bleven in mijn hoofd zoemen. Ik weet nog wel dat hij daarna in het kafé danste met Sophie, die op haar zeer hoge hakken ver boven hem uitstak. Ikzelf werd afgeleid door een journalist van het Groot Eindeloos Dagblad, die een interview met me wilde en zei dat ik een van de beste lezers van hun blad was…

Louis Paul Boon schreef twee verhaaltjes over deze avond maar keerde nooit in Eindwereld terug._____

Louis Paul Boon in Zuid-Afrika werd gepubliceerd in Adem, sept. 1988, in HetWerk51 en in Meurs A.M. OVER LOUIS PAUL BOON ‘Die twee gebroers en hun zuster, dat was heilig’ Josken Boon-Vermoesen over de familie Boon.

Op 15 april 1967 publiceerde de
kunstcriticus Mr. Ton Frenken in het
Eindhovens Dagblad een gedeelte uit
een brief van Willem Adams. Deze
brief veroorzaakte grote onrust in het
bestuurlijke deel van het Eindhovense
kunstwereldje.

Boon in 1967

Boon is in 1967 een bekend figuur, hoewel hij al jaren nauwelijks iets nieuws heeft gepubliceerd, behalve dan de dagelijkse Boontjes in De Vooruit in Gent.

De boeken die verschijnen zijn vooral verzamelingen van deze Boontjes, zoals Dag aan Dag in 1963 en Dorp in Vlaanderen in 1966. De laatste roman die hij dan heeft gepubliceerd is Het nieuwe Onkruid in 1964 en daarvóór verscheen De zoon van Jan de Lichte, in 1961.

Wel krijgt hij, mede doordat een jonge generatie schrijvers hem als hun voorloper is gaan eren, grote literaire erkenning. Weverbergh deed dat in zijn gestencild tijdschrift Bok in 1963, waarvan de boekuitgave, Bokboek, in 1965 grote invloed had. Het tijdschrift Komma bracht in 1966 een speciaal Boonnummer uit.

In april 1967 wordt in Nederland aan Boon de Constantijn Huygensprijs 1966 uitgereikt. Boon treedt in de jaren zestig veel naar buiten en

is veel op radio en televisie.

Louis Paul Boon met Gaston Durnez op tv in 1963


Adams(Boon)-special , HetWerk71, literair kladschrift van Meurs A.M., verschenen 6 januari 2022, genummerd en gesigneerd, verkrijgbaar in mijn Boekwinkeltje Wonderland: bij het overlijden van de kunstschilder Willem Adams, met Persoonlijk eerbetoon, onze kennismaking zoals beschreven in Aan de Lange Weg, het verhaal Willem- Adams over Louis Paul Boon in Eindhoven, de 3 autotochten heen en weer tussen Eindhoven en Erembodegem in België, de opening op 8 januari 1967 van zijn tentoonstelling door Boon, de expositie, de problemen met de kunstenaarsregeling de Contraprestatie, de Sociale Dienst, met de publicaties in het Eindhovens Dagblad. Ook de Boontjes door #LouisPaulBoon over deze belevenis in het dagblad Vooruit, en Willem Adams als model voor personages in mijn schrijven, 16 pag, waarvan 4 met afbeeldingen in kleur: €4 plus €1,92 verzendkosten. Klik op de link bovenaan voor het bestelformulier (veiligste manier) of maak €5,92 over naar NL97 TRIO 0379 4947 87 van Meurs A.M. ovv Uw adres (eenvoudigste manier). Hartelijk dank. Een abonnement wordt zeer gewaardeerd.

Willem Adams 1937 – 2022

In dat kleine streepje tussen die 2 jaartallen zit zijn, soms vrij heftige, leven. De kunstschilder Willem Adams werd geboren op 23 februari 1937 in Veldhoven, in het deel Meerveldhoven, en overleed op 5 januari 2022 in Eindhoven waar hij sinds 1964 woonde. We waren dus dorpsgenoten, Meerveldhovenaars, ik 7 jaar jonger, maar we leerden elkaar pas kennen korte tijd voor hij naar Eindhoven verhuisde. Ik trok een anderhalf jaar later ook naar Eindhoven en toevallig kwam ik in dezelfde buurt terecht. Een van de grote gebeurtenissen in zijn leven was, na zijn verblijf als marinier/verpleger in Nieuw Guinea, de opening van zijn tentoonstelling door de schrijver Louis Paul Boon op 8 december 1967 in Eindhoven. Een groot deel van de special die ik naar aanleiding van zijn overlijden maakte bestaat dan ook opnieuw uit het relaas van deze opening zoals Willem die mij gedaan heeft en zoals ik die zelf ook heb meegemaakt, over de tentoonstelling, en alles er omheen. Zoals de 3 autotochten vanuit Eindhoven naar Erembodegem in België en terug, eerst om Louis Paul Boon over te halen om de opening te verrichten, dan om hem op te halen en dezelfde nacht weer thuis te brengen, en tenslotte om het schilderij te bezorgen dat aan Boon als beloning was beloofd. Maar Willem Adams werd niet alleen een vriend, hij werd ook een personage in mijn schrijven. Sommige sterke verhalen die in het begin van de 21e eeuw in mijn boek Aan de Lange Weg terechtkwamen zijn al in die begintijd in Eindhoven opgeschreven. Maar eerst even terug naar Veldhoven om onze kennismaking weer te geven, geen sterk verhaal, maar wel een vrijwel nauwkeurige weergave in romanvorm hoe we elkaar ontmoet hebben.

Waarschijnlijk de beroemdste afbeelding van Willem Adams, samen met zijn zonen op het affiche voor de tentoonstelling die Louis Paul Boon op 8 december 1967 kwam openen. Er werden ruiten ingeslagen om het affiche te bemachtigen.


Kennismaking. In mijn roman Aan de lange Weg vrijwel waarheidsgetrouw beschreven als de ontmoeting tussen Jan en de Wildeman.
Dat geldt lang niet altijd voor de overige scènes waarin de Wildeman optreedt. Daarin spelen net zo goed de sterke verhalen die Willem zelf vertelt een rol als die welke over hem verteld worden. Daar komt bij dat een personage als de bloedmooie Petra Donkers, waarmee de Wildeman in aanraking komt, is samengesteld uit het leven van zeker 4 vrouwen. Maar zoals Jan en de Wildeman elkaar leren kennen is inderdaad zo ongeveer als hoe Willem en ik elkaar hebben ontmoet.

(Willems is café Jansen of De Driesprong, café van Oers is café Willeke van Gestel, hotelcafé Den Os is hotelcafé De Leeuw)

DE WILDEMAN

Café Willems, ofwel Jansen ofwel De Driesprong

Het is zondagavond laat en Jan zit bij Willems. De Wilde­man komt binnen, een kunstschilder die zo genoemd wordt vanwege zijn uiterlijk en gedrag. Jan kent hem van de verhalen. Maar er komt iets bij wat de verhalenvertellers niet op waarde wisten te schatten: de Wildeman heeft veel gelezen, Dostojewski, Hermans, Streuvels, Elsschot, Wilde. Het klikt tussen de zeven jaar oudere Wildeman en Jan. Het is al tegen sluitingstijd en ze vertrekken met een liter vieux naar het hutje van de Wildeman. Er staat een kolenkacheltje en er liggen overal tekeningen met een laagje gruis erop. Jan slaapt een paar uur op de rand van het bed van de Wildeman, het hout staat `s morgens in zijn rug. Om half tien zitten ze in café van Oers aan de weg naar Oerle. Ze ontbijten, drinken, kletsen en toepen, en de Wildeman vertelt verhalen, net als de vorige avond. Bij het toepen vertrouwt Jan blindelings op de Wildeman. Bij de verhalen telt voor Jan alleen of ze goed verteld worden. Jan komt zelf ook los. Cafédochter Maria vlucht blozend naar de keuken.

Café van Oers, ofwel Willeke van Gestel

Om een uur of een beginnen ze van Sas naar de Lange Weg te lopen; om half drie moet de Wildeman beginnen bij de weverij. Dan komt Jans zus Tonnie hen tegemoet fietsen.

            “Waar heb jij gezeten? Ik fiets al heel de morgen rond. Bij Den Os wisten ze alleen dat je naar Willems was gegaan en bij Willems was het nog niet open. Ons moeder is hartstikke ongerust. Ik begrijp niet hoe je dit kunt doen. Ze heeft het al zo moeilijk sinds Ineke dood is.”

            Jan was het even vergeten. Want nog geen twee weken geleden, vroeg in de morgen, gooit Anneke Weels de slaapka­merdeur open van haar oudste zoon die eindelijk een eigen kamer heeft nu zijn zus is getrouwd, schreeuwt wat naar binnen en laat de deur open. En die deuropening blijft daar staan als een enorme verticaal geopende mond, als een schreeuw, en Jan weet niet zeker wat hij heeft gehoord, maar ook hij schreeuwt: “Doe godverdomme die deur dicht!” Alles schreeuwt, de moeder, het deurgat, de zoon, want hij beseft nu wat ze heeft geschreeuwd toen ze wanhopig is weggelopen, niet in staat om stil te staan: “Ineke Verstappen is dood!”, haar grootste vrien­din en troost en het meisje dat hem heeft leren lopen.

            “Ik ga zo,” had Ineke tegen haar man gemompeld nadat de wekker was gegaan. Maar toen hij haar een paar minuten later aanstootte en zei: “Toe dan”, reageerde ze niet meer en was dood.

            “Het ergste was nog dat binnen tien minuten de politie daar was,” zei Anneke. “Wat denken die lui wel! Dat krijg je er dan ook nog bij. En het was zo`n goed mens,” zei Anneke. “Als de oudste naar school was, pakte ze de jongste op en zei: ‘Kom op, Hans, we nemen het er vandaag van, we gaan bij Anneke buurten.’” Anneke kon wekenlang niet ophouden met huilen.

De Wildeman kent het verhaal van de plotselinge dood van Ineke, haar man werkt bij hem op de weverij.

“Ga maar gauw naar huis,” zegt de Wildeman. “Een moe­der moet je niet… nou ja, ga maar gauw naar huis.” (uit Aan de Lange Weg)
(wordt vervolgd)

Beknopte info op Wikipedia over Willem Adams:
Willem Adams – Wikipedia

Adams(Boon)-special bij het overlijden van de kunstschilder Willem Adams (1937 -2022), met Persoonlijk eerbetoon, onze kennismaking zoals beschreven in Aan de Lange Weg, Willem- Adams over Louis Paul Boon in Eindhoven, de 3 autotochten heenenweer tussen Eindhoven en Erembodegem in België, de opening in 1967 van zijn tentoonstelling door Boon, de expositie, de problemen met de kunstenaarsregeling de Contraprestatie, de Sociale Dienst, met de publicaties in het Eindhovens Dagblad. Ook de Boontjes in het dagblad Vooruit, en Willem Adams als model voor personages in mijn schrijven, 16 pag, waarvan 4 met afbeeldingen in kleur: €4 plus €1,92 verzendkosten.

Nieuwe zeehelden, uit het hoofdstuk ‘1969 Klaaglied van Rooie Willem’

(uit Mijn Liefde is scharlakenrood, roman van Meurs A.M.)

De nieuwe zeehelden op de Dam in 1970, geïnspireerd door hun voorbeelden in het CS in 1967, en zoals altijd opgehitst door de Telegraaf.

Gewapend met broekriemen, knipmessen en scharen hebben zo’n 140 marinesoldaten de zogenaamde CS-jeugd het Centraal Station van Amsterdam uitgejaagd. Daar waren 20, veelal langharige jongens en tien meisjes van tussen de 15 en 20 jaar aanwezig. Ze hingen in de hal van het CS rond sinds ze door de penose van de Dam waren gejaagd. Eerder had onroerend goedmagnaat Caransa hun vorige pleisterplaats, het Rembrandttheater gesloten. De actie vond plaats nadat een dag eerder de Telegraaf een artikel had geplaatst onder de kop: “CS geen baas in eigen huis. Matrozenmeisjes lastig gevallen na afscheid van hun jongens”. Voordat de “jongens” optraden was er al een verslaggever en een fotograaf van dit blad aanwezig. De volgende dag publiceerden ze dan ook een smeuïge reportage. Evenals bij het optreden van de penose tegen deze jongeren bleef de politie weg, hoewel ze was gewaarschuwd. Wel hield de politie aan het begin van de Haarlemmerstraat een grote groep jongeren tegen die de CS-jeugd te hulp wilde komen. De NS hadden niet om bijstand gevraagd. De jeugd krijgt daarna een kelder aan de Prins Hendrikkade, waar de politie regelmatig invallen doet; volgens hoofdinspecteur Valken is deze jeugd toch alleen uit op rellen.

(…)

1967

We gaan weer even twee jaar terug. Op de redactie van de Telegraaf, april 1967. De reporter van de krant oogt helemaal niet als een burgermannetje. Hij heeft sluik lang haar dat voor zijn gezicht valt en dat hij voortdurend koket wegschudt. Is dat degene die steeds te keer gaat tegen het langharig werkschuw tuig? Hoe zit dat? “Och, dat is een spel,” zegt hij. “Wij dagen de lezers en de langharigen uit, wij moeten daar zelf erg om lachen. Hoe zullen we het bijvoorbeeld nu brengen? We moeten die Jantjes het idee geven dat hun meisjes worden lastiggevallen zo gauw die hen op het Centraal Station hebben uitgezwaaid. Verdomme, moeten die denken: van mijn meissie blijven die vieze langharige werkschuwen af! En je moet ze het idee geven dat de spoorwegpolitie het niet aan kan, dat de marine ze te hulp moet komen. Maar er moet wel een foto bij, van een meisje dat wordt lastiggevallen. Kom mee, dan gaan we nu die foto maken.” “Maar dan zien we niks, want er gebeurt eigenlijk nooit wat, die lui hangen daar maar wat rond.” “Dan nemen we Marie-Louise mee, die is overal voor in, heeft een bloedhekel aan die gozers. Die laten we tegen zo’n langharige op lopen, schelden, een duw geven en wij ‘klik!’ een plaatje.” “Zorg dat haar gezicht niet te zien is.” “Laat maar aan mij over.”

Nieuwe zeehelden. Rooie Willem zit aan de bar van een café aan de Prins Hendrikkade tegenover het Centraal Station. In de spiegel ziet hij achter zich jongens van de marine binnenkomen, de zaak loopt in één keer vol. “Kom, we gaan naar hiernaast!” hoort hij roepen, en “Kwart over acht verzamelen hè.” “Reken maar van Yes!”

Breed zit Willem daar met zijn lange rode haar en zijn baard en met zijn ellebogen op de bar. “Mag ik er even bij?” vraagt een marinejongen. Willem kijkt in de spiegel naar hem. “Waarbij?” zegt Willem. “Een pils,” zegt de marineman. Willem pakt even later het glas aan en steekt het zonder om te kijken omhoog, de marinemilitair wil het uit zijn hand pakken. “Zo’n matrozenpakkie heb ik ook gehad, “ zegt Willem naar de spiegel terwijl ze nog allebei het glas vasthouden, “maar ik ben er al zo’n 15 jaar uitgegroeid, op mijn achtste stond het me erg lief.”

In de hal van het CS staan enkele tientallen jongelui, ongeveer een derde ervan zijn meisjes. Zowel de jongens als de meisjes hebben lang haar. De meeste meisjes dragen minirokjes, sommige spijkerbroeken met wijde pijpen net als de jongens. Ze roken bijna allemaal. Ze hebben het over het artikel dat de Telegraaf gisteren over ze heeft geschreven. Ze willen aan de spoorwegpolitie die meestal in de buurt is vragen of die het ermee eens is dat de jongelui de dienst uitmaken in het CS en de meisjes lastigvallen. Maar er is geen spoorwegagent te bekennen. Vreemd.

Opeens is ieder van ze omringd door zes/zeven, veelal aangeschoten marinejongens. Ze hebben scharen, broeksriemen en boksbeugels. “Pak ze bij hun reet, die meiden!” “Knip dat haar eraf!” “Ze hebben onze meisjes lastig gevallen!”

“Zou niet eens willen wijzen naar die afgelebberde trut van je.” “Rennen, jongens.” “Rot op, marinegoochem!” “Wat mot je van me? Mag je van je meissie er niet an komme? Nou, bij mijn zeker niet.” “Oprottùùù! TelegraafFIFI.” “Hoehoe!” “Van jou krijg ik geen natte kut, modepoppie met je mooie uniformpje.”

Een paar jongens en meisjes zijn op de vloer terechtgekomen en proberen schoppend, slaand en bijtend de dronken marinelui van zich af te houden.

“Moet je die fotograaf zien, die kickt erop als wij hier met onze benen omhoog liggen. Kan je het zien, jochie? Rot op, zeg, ik bijt je pik eraf en anders die gok van je wel.” “We krijgen hulp van de kant van de Haarlemmerdijk!” “Volhouden, jongens!”

“Verdomd, ze worden door de smerissen tegengehouden! De smeris staat aan hun kant. Ja natuurlijk!” “We kunnen dit nooit winnen, jongens, ze zijn met tien keer zoveel man als wij.” “Zullen we wegwezen dan?” “O.K, allemaal verschillende kanten op, maar niet naar de voorkant. Naar de achterkant en naar de sporen, desnoods over de rails. Daar durven die schijters ons toch niet te volgen. Bovendien zijn de meeste lazarus.” “O.k, rennen, geef degene die het dichtst bij je staat een trap in zijn kruis en rennen!”

In de eerste editie van de Telegraaf die laat op de avond al in de cafés wordt verkocht, staat een uitgebreide fotoreportage: “Marine verdedigt eer meisjes!” Een laatste achtergebleven matroos die met zijn hoofd op zijn beide armen op de bar ligt kan geen interesse meer opbrengen voor het artikel dat ze hem letterlijk onder zijn neus proberen te duwen: “Jantje, je staat in de krant.”

(uit Mijn liefde is scharlakenrood, roman van Meurs A.M., klik op link naar Boekwinkeltje Wonderland)


Over Heddy Honigmann nav haar nieuwste film No hay camino: Een herinnering

Alles is geregisseerd, als je goed kijkt. Alleen het treurig ineenzijgende FC Barcelona was niet meer te regisseren – NRC door Arjen Fortuin

Ach ja, Heddy, de maker van de enige film waarin ik ooit een rolletje heb ‘gespeeld’, Het Vuur uit 1981. Ik dacht altijd dat het haar eerste film was, een mengsel van speelfilm en documentaire, maar het is haar 3e. Ik mocht mezelf spelen, activist in de scheepsbouw, de #ADM die met de ondergang bedreigd werd. De ‘crew’ voer in een boot over de grachten, we keken op het IJ naar een schip in een droogdok van de ADM, die toen nog achter het CS aan de overkant was, waar de straten nu Bankwerkerij en Scheepsbouwloods (dit is een gok) heten. We kwamen bij de vuilnisschuiten op de Oude Schans aan de kant van de Zuiderkerk. Ik weet niet meer of het toeval was, maar daar had ik begin 70er jaren ook gewerkt, niet op de schuit maar aan de wal ernaast, waar een reservemagazijn was van Polak, groothandel in glas, aardewerk en porselein, met haar hoofdvestiging toen aan de Geldersekade. Ik mocht op zo’n schuit staan oreren als mezelf ( ik werd geïnterviewd) maar in mijn herinnering ging alles wat ik zei verloren in het gelui van de klokken van de Zuiderkerk. We draaiden ook op straat ergens in Oudwest en kwamen bij elkaar in de woning van #JohanvanderKeuken, een wereldberoemde filmmaker en de vader van… inderdaad, en ik meen dat dat in de Jordaan was. Met een binnentuin, binnendaken, denk ik eigenlijk met heel veel plantenbakken met voornamelijk kruiden. Er waren meer beroemdheden die allemaal gratis voor Heddy werkten (misschien dat ik daarom dacht dat het haar eerste film was), zoals de geluidsvrouw die de vrouw van Johan was maar met haar meisjesnaam werd vernoemd, ik herinner me de klanken en de lettergrepen van haar naam. En de vrouw die de foto’s maakte… De acteurs natuurlijk, en de inspiciënten, ze zorgen voor de spullen, in ieder geval bij toneel heten ze zo. Onze zoon, die toen 2 jaar was, speelde met een andere jongen van ongeveer zijn leeftijd, dat zal de zoon van Heddy en van #FransvanderStaak geweest zijn. Over Frans werd altijd een beetje lacherig gedaan omdat hij elk jaar met een nieuwe experimentele film kwam waar de pers en het publiek geen raad mee wisten. Maar ik denk altijd: die krijgt nog wel eens zijn eerherstel. Ik heb ook altijd gedacht dat Frans de maker was van de film met de mooiste titel die ik ken: <Er gaat een eindeloze stoet mensen door mij heen>. Maar ik zie nu dat hij op naam staat van Heddy en een jaar na Het Vuur, in 1982 is gemaakt. Ik heb Heddy daarna nooit meer gezien. Ze heeft in die tijd nog wel een keer gebeld of gemaild met de vraag of ik, ik meen, Sil de Strandjutter wilde spelen, waarop ik zei of schreef: <Maar Heddy, dat kan toch niet, ik heb een heel ander accent en ik ben geen acteur.> Daar is het bij gebleven en dat is waarschijnlijk maar goed ook. Geen idee of ze ooit iets met Sil de Strandjutter heeft gedaan. In ieder geval niet onder die titel. Ze werd bekend met Hersenschimmen, naar het boek van #Bernlef. Hersenschimmen was voor beiden de doorbraak naar het publiek. Daarvoor was Bernlef een soort Frans van der Staak. #HeddyHonigmann werd met haar films wereldberoemd. De televisie stond een jaar of tien geleden aan en ik herkende opeens haar stem, ik wist niet waar ik naar keek. Ze bleek achter een zerk te zitten op Pierre Lachaise, het beroemdste kerkhof ter wereld, en ze sprak tegen een bezoeker van het graf. Vaarwel, Heddy.