MOEDER

MOEDER

Bij de afbeelding van Ufuk Kobas:
‘Zijn moeder doet zijn schoenen en kleren uit en laat deze in de emmer achter terwijl ze hem naakt in een andere emmer zet.’

Zoveel over mijn moeder geschreven, tientallen bladzijden als model voor Anneke in Aan de Lange Weg, maar ook indirect in de dood van de moeder van De oude soldaat in het toneelstuk SREBRENICA OF DE MANDAAD… En dan komt het er op Moederdag 2021 niet van. Alsnog:

Uit JANTJE EN DE STOK:

<(…)
Dan is het al weer terug, de drang wordt erger, hij moet helemaal stilstaan en zich over de kramp in zijn darmen buigen. Daar zijn de jongens, ze zullen hem niet inhalen, wat er ook gebeurt!, en hij gaat verder, kijkt nog één keer naar een plekje waar hij ongezien kan neerduiken, maar daar is het weer, hij zou nu moeten stilstaan en zijn aars dichtknijpen, maar hij hoort de jongens en doet het niet, hij richt zich op om harder te rennen, gooit alles los en tegelijk ploft, spat het in zijn broek als een bevrijding en loopt meteen langs zijn blote benen naar beneden.
Maar zij zullen het niet zien! Terwijl hij blijft draven, bukt hij zich en trekt een bos droog gras los, waarmee hij tijdens het lopen langs zijn benen wrijft. Hij komt zo dadelijk uit het pad, zal de Lange Weg moeten oversteken, dan mag er weinig te zien zijn, en hij begint zich voor te bereiden op de verwijten die hij zal te horen krijgen.
Als er een nieuwe golf over zijn benen spuit, beseft hij de hopeloosheid van alles wat hij probeert en begint, terwijl hij thuis achterom loopt, te huilen en te roepen: “Mama, ik heb in mijn broek gepoept en kon er niets aan doen.”
Misschien is iemand hem op de fiets voorbij gereden en heeft die zijn moeder gewaarschuwd, want er staat onder de lindeboom een emmer met water klaar, waar hij met kleren en schoenen in moet gaan staan. Moeder Anneke jaagt de kinderen weg die grinnikend om de hoek komen kijken.
“Maar we komen schommelen,” zeggen ze.
“Nou niet,” zegt zijn moeder kortaf en vraagt aan hem waarom hij zo`n schijterd is dat hij op school niet durft te vragen of hij naar de wc mag en waarom hij dan niet meteen ná school gaat.
Zijn moeder doet zijn schoenen en kleren uit en laat deze in de emmer achter terwijl ze hem naakt in een andere emmer zet. Hij kijkt even of er geen kinderen zijn, maar kan haar toch niet vertellen dat hij bang was dat de jongens hem zouden opwachten, hem tot een gevecht uitdagen dat hij niet kon winnen en hem pesten met wat in de klas was gebeurd.
Maar terwijl hij in de emmer staat en zijn moeder hem wast, glimlacht hij opeens, opgelucht met het besluit dat hij zojuist heeft genomen, namelijk nooit te trouwen, omdat je daarvoor een meisje moet vragen, en om zich als een kluizenaar van alles en iedereen af te zonderen, of om in ieder geval naar Afrika te gaan, waar hij doorlopend zo roodbruin verbrand zal zijn dat niemand ziet wanneer hij van kleur verandert.
En blij met deze oplossing kijkt hij met glanzende ogen en een blos op zijn wangen langs zijn moeder heen de hof in.>

(Uit: Aan de Lange Weg)
Het hele hoofdstuk JANTJE EN DE STOK: https://meursam.nl/?p=1023. Met illustratie van Ufuk Kobas, foto van de jongensschool in de Schoolstraat en landkaartje van Peter Dillen met het ‘paaike’ tussen de Langendijk (Provincialeweg) en de Broekweg tegenover de Schoolstraat in #meerveldhoven.

(In Gekke Familie, deel 1 van Aan de Lange Weg, zijn de 3 hoofdvertelsters Anneke (Meerveldhoven zoals het was, haar schoonzusje Josje(Veldhoven zoals het was) en haar halfzuster Bet(Zeelst zoals het was). Maar ook in het tweede deel VREEMDE BUREN duikt Anneke nog vaak op, zoals hier op het einde van het hoofdstuk JANTJE EN DE STOK)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

De Engelse spionne (uit Aan de Lange Weg)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

JOSJE

Harry zagen we in de oorlog niet vaak thuis. Hij moest in verband met de arbeidsdienst uit handen van de Duitsers zien te blijven, hij zat een tijd ondergedoken in Drenthe, terwijl Cor en zijn broer uit Drenthe juist weer hier in Brabant ondergedoken zaten. Harry slachtte illegaal bij de boeren in de omgeving. Tot het fout ging en hij in concentratiekamp Vught terechtkwam. Of hij daaruit ontsnapt is of dat ze hem hebben vrijgelaten, weet ik niet, hij kwam er in ieder geval vel over been uit. Nu is hij druk met het opbrengen van collaborateurs. Als hij thuis komt, moet een van ons aardappelen voor hem bakken, want hij eet niets anders dan gebakken aardappelen, nauwelijks vlees. Vreemd voor een slager, zou je zeggen.

           Ik maak me weer eens ongerust over Ferrie. Hij reed eerst rond in een Rode Kruiswagen. Goed, dat is zijn werk. Maar nu heeft hij het voor elkaar dat dokter Wouters in de Rode Kruiswagen rijdt en hijzelf in de auto van de dokter. Zo schijnen ze allebei goedkoop aan benzine te kunnen komen. En Ferrie vindt het natuurlijk prachtig in een luxe auto te kunnen rijden. Maar dat is niet waar ik me het meest ongerust over maak. Hij is stapelgek op een mysterieuze vrouw die opeens is opgedoken en die alleen Engels spreekt en van iedereen geld leent. En nu willen ze nog gaan trouwen ook. Het ergst vind ik nog dat ze zo vaak bij ons op de meisjeskamer blijft slapen. Ik vertrouw haar voor geen cent.

“Wat ben je onrustig,” zeg ik. “Een vrouw van de wereld als jij.” Ik praat Engels maar slecht Engels, eigenlijk gooi ik er alleen maar zo nu en dan een woordje min of meer Engels tussendoor, zoals iedereen van wie ze geld geleend heeft en die ze toch heel goed duidelijk heeft kunnen maken wat ze wil. En ze verstaat me prima, weet ik, al doet ze net of ze niets verstaat als we onder elkaar praten en dat woordje Engels er niet tussendoor gooien.

            “’t Is vast niet je eerste huwelijk,” zeg ik. “Waarom moet jij nou nog zenuwachtig zijn? ’t Is maar met een boerenpummel dat je vandaag trouwt. Wil je soms helpen om alles voor de plechtigheid in gereedheid te brengen? Nou, dat is al lang voor elkaar hoor. De rode loper ligt al vanaf het hotel dwars over straat naar de kerk aan de overkant. Moet je soms ergens anders voor weg?”

            Dan zegt mijn zus Ria: “Ik ben het die weg moet. Ik moet naar de mis maar ik kan niet want ik heb vreselijke buikpijn.”

            “Je hebt straks meer dan mis genoeg,” zeg ik, “als deze deftige dame hier met onze onnozele broer in het huwelijk treedt. Dat wordt een plechtigheid waar dat vroegmisje van jou niet tegenop kan.”

            “Je begrijpt het niet,” zegt Ria. “Die mis straks is er een voor haar en onze broer. Die van nu is er een speciaal voor mij, een Maria-mis. Ik heet Maria, weet je nog?”

            “Zal ik voor jou gaan?” zegt de deftige Engelse dame gretig. “Ik kan op zo`n dag wel wat extra gebeden gebruiken.”

            Ze zegt het in het Engels en wat simpeler, we begrijpen het prima. Zowel zij als mijn zus gaan elke dag naar de kerk, mijn zus lijkt geen betere vervangster te kunnen treffen. En zo geraakt de aanstaande bruid toch de deur uit en leent in de gauwigheid even mijn hoed en sjaal.

Maar een paar maanden later vind ik haar, de Engelse spionne zoals ze wordt genoemd, én mijn hoed en sjaal terug op het politiebureau. Ze ziet er goed uit, slank, en ze spreekt nu opeens vloeiend Nederlands. Ik sta daar samen met ons melkboertje in zijn grijze melkboerenjasje en op zijn klompen, van hem heeft ze namelijk ook geld geleend. Ik ben een van de weinigen van wie ze geen geld geleend heeft, alleen maar een hoed en een sjaal. Waarom ben ik daar dan? Toch niet voor die hoed en sjaal. Ik had gehoord dat ze in Amsterdam was opgepakt en in Eindhoven vast zat wegens oplichterij. Ik wilde haar gewoon eens zien in haar huidige situatie en haar nog eens vertellen dat ik haar nooit had vertrouwd en dat ze mijn broer Ferrie lelijk had laten zitten maar dat dat mij niks had verbaasd. Ik was weer eens uit op sensatie, denk ik.

            “Bad boy,” zegt ze als ik over Ferrie begin. Het heeft wel iets, vind ik, zoals ik daar sta met die oplichtster die het allemaal lichamelijk geen kwaad lijkt te hebben gedaan en dat melkboertje dat nog een keer zegt: “En mijn geld?” maar ook wel begint te begrijpen dat hij er naar kan fluiten.

            Vooraanstaande Philipsmensen waren erin getrapt, dus niet alleen onze familie en mensen uit het dorp. Mijn broer Harry die op collaborateurs en spionnen jaagt was er ingetrapt. Zelfs mijn zwager in Gelderland, die net als mijn broer Leo in verzekeringen doet maar op een heel andere manier, en die al heel wat mensen een verzekering heeft aangesmeerd die ze niet nodig hebben en die bovendien niet van de borsten van zijn schoonzusjes kan afblijven. De halve Lange Weg had geld aan haar geleend en we gingen met zijn allen naar het Engelse consulaat om dat geld terug te halen. Veel meer dan de informatie dat ze de identiteit had aangenomen van een Engelse van adel waarmee ze in de cel had gezeten, kregen we niet. Maar ik vond het heel interessant, nu begreep ik hoe ze aan die documenten kwam. Ze kreeg extra voedselbonnen, met een stempel van het consulaat. Ze zou een erfenis uit Engeland krijgen, had ze iedereen verteld, maar eerst moest ze nog…

            Ik had wel te doen met Ferrie. Hoewel ik hem vaak had gewaarschuwd. Hij huilde en jammerde toen ze niet terugkwam uit de kerk. Hij had alles betaald. Daar stond de hele familie op haar paasbest bij de rode loper die dwars over de weg vanaf het hotel tot aan de kerkdeur lag. Ferrie ging zoeken bij de Dommel, hoewel we hoorden dat iemand haar in een auto had zien stappen. Een ongeluk, een vermissing, zelfmoord? Wij zoeken altijd bij de Dommel, dat schijnbaar onschuldige riviertje, maar dat op enkele plaatsen venijnig diep schijnt te zijn, om over de levensgevaarlijke draaikolken in sommige bochten maar niet te spreken. Ook toen Ferrie gehoord had dat ze gearresteerd was, zei hij nog steeds van haar te houden, van zijn geliefde die met haar ogen dicht typte en zeven talen kende. Maar geen Nederlands in de tijd dat ze bij ons thuis kwam.

            Ik moet er wel om lachen. Zoals ik al zei: het meest last heb ik nog gehad van het feit dat ze altijd bij ons op de meisjeskamer moest slapen als Ferrie haar mee naar huis nam.

            Ferrie is er trouwens ook al overheen, hij bracht gisteren achter op de motor vanuit Nijmegen een meisje van zeventien met een heel kort rokje mee naar huis. Daar gaat hij nu, op zijn negenentwintigste, mee trouwen, zegt hij. Ze heeft al bij ons op de meisjeskamer geslapen.

Nu de oorlog voorbij is, blijkt het toch allemaal niet zo eenvoudig, voor mij en voor mijn zus Ria tenminste. Voor Ferrie wel, voor hem was het leven altijd simpel geweest. Hij trouwt binnen de kortste keren met het meisje van zeventien met het korte rokje waar iedereen het over had: hoe ze zo achter op de motor en bij ons op de divan durfde zitten!

            “Dat kan toch niet!” Ria is me achterna gelopen naar de keuken. “Je kijkt door haar keelholte weer naar buiten.” Ze is een beetje vroom en een beetje preuts, mijn zus Ria.

            “Ik kan me er niet druk over maken,” zeg ik, “wij kunnen er toch wel tegen? En ik kan me niet voorstellen dat Ferrie iets ziet dat hij al niet eerder gezien heeft, en wat betreft vader: gun die ouwe ook eens wat!”

            “Ik geef die twee zes weken,” zei een buurvrouw die er kijk op had. En inderdaad trouwen ze binnen een paar maanden, maar Ferrie is ook al negenentwintig en dan heb je geen zin om lang te wachten, ook al is zij pas zeventien. De baby is een meisje.

(uit Aan de Lange Weg van Meurs A.M.)

1948: Aan Josje danken we de 10.000ste inwoner van het Dorp Aan de lange Weg

Josje
(…)

(uit VELDHOVEN 4000 jaar geschiedenis van Oerle, Meerveldhoven, Veldhoven en Zeelst doorJacques Bijnen

Voor wíj trouwen wil Cor katholiek worden.

            “Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen,” zegt de pastoor. Maar als ik dan zeg: “O, dan word ik maar niks of protestant” – ik weet niet eens wat ze bij Cor thuis eigenlijk zijn – dan is dat ook weer niet goed, het mag blijkbaar maar één kant op gebruikt worden. Voor mij hoeft het niet, voor mij mag hij blijven zoals hij is, maar katholiek worden maakt het trouwen en de discussie in de familie wel eenvoudiger. Er gaat wel weer een tijd overheen voor Cor genoeg weet over het geloof om toegelaten te worden. Nou, als ze mij al die dingen zouden vragen, zou ik ze ook niet weten, dus wat doet die pastoor nou allemaal moeilijk. Het gaat er toch om hoe je vanbinnen bent, of niet soms?

            Het is dus allemaal niet zo eenvoudig. Als ik trouw en het huis uit ga, blijft Ria achter om voor vader en het huishouden te zorgen, terwijl zij ouder is en dus eigenlijk het eerste recht heeft om te trouwen. Maar ze wil voor het zover is nog wat van het leven genieten, ze vindt dat ze daar in de oorlog te weinig kans voor heeft gehad. En voor de oorlog was het crisistijd en zijn we van Gelderland naar Brabant verhuisd net toen zij de leeftijd begon te krijgen om uit te gaan. Nee, Ria wil nog een poosje lekker gaan dansen, ze is gek op jongens met zwart haar.

            We gaan altijd samen, zeker als we naar de stad gaan. Het zijn nu allemaal Engelsen en Canadezen in de danszalen. Een Canadees blijft maar “Prommes?” aan me vragen. Ik versta er niks van. Ik vraag aan iemand wat “prommes?” betekent. Dan begrijp ik dat ik had moeten beloven dat hij me zou terugzien. Cor komt daar ook wel, maar vaak wat later. Met hem dans ik ook, maar het gaat toch niet zo goed als met sommige anderen. Ik houd er vooral van om met jongens die dat goed kunnen de Engelse wals te dansen.

            Engelse wals mocht je in de oorlog niet zeggen, je moest zeggen: langzame wals. Maar je versprak je natuurlijk wel eens. Ook liet ik me wel eens iets ontvallen als “Die rot­mof!” en dan stond er weer zo eentje naast je met een speldje achter zijn revers. De Duitse soldaten sloegen gretig, nee niet met knuppels, dat deden ze wel bij andere soldaten of bij dronken Nederlanders die de boel op stelten zetten. Nee, het liefst met de vlakke hand tegen je kont, dat deden ze graag, dat vonden ze zeker lekker. Och, dacht ik dan, het is maar tegen mijn kont, dat gaat wel weer over. Ik hield er nu eenmaal van om een grapje te maken en streken uit te halen. Ria was altijd al serieuzer, maar ze lachte meestal wel als ik iets uithaalde.

            Je kon alleen in het begin van de oorlog nog in het patronaat dansen. Daar dansten ook Duitse soldaten die in het patronaat of bij de mensen thuis ingekwartierd lagen. Ik kwam er een Duitser tegen die iemand kende uit mijn geboortedorp aan de Duitse grens en die me eten bezorgde. Maar daar kregen Ria en ik ook de naam dat we niet met Duitsers wilden dansen. Terwijl we alleen maar geweigerd hadden omdat we net hadden afgesproken om de volgende dans samen te doen. We dansten vaak samen.

            Maar dat dansen was alleen in het begin van de oorlog. Daarna kon je alleen nog in Duitse gelegenheden terecht en daar wilden we niet naar toe. Hoewel ik me voor de rest niet zo bewust was van wat er allemaal gebeurde, ik hield meer van flauwekul maken. Ik had het bijvoorbeeld niet door wat het betekende toen de Duitser Knal, die bij ons ingekwartierd was, zei dat er iets gebeurd was op het vliegveld en eraan toevoegde: “So ein ganz kleiner Judenbengel hat Steine gewor­fen.”

            Vóór de oorlog ging ik nog niet dansen. Vader liet me niet gaan. Bovendien zag ik er een stuk jonger uit dan ik in werkelijkheid was. Dus dansen was er jarenlang niet bij geweest. Je kwam als jongere in de oorlog wel bij Leens Cafetaria. Dat was waar ik voor de deur door de zoon van de geitenboer, net als zijn vader een NSB’er, in elkaar was geslagen. Bij de bevrij­ding heeft mijn broer Harry die bij de PAN, de partizanen, was, de geitenboer opgehaald, deze kwam net met een koe uit de wei. Harry heeft veel collaborateurs opgebracht en waar­schijnlijk daarom dacht vrouw Nieuwenhuis dat hij ook de hand had gehad in de arrestatie van haar man. Ze riep: “Be­dankt, hoor!” toen hij voorbij fietste.

“Niks te danken!” riep hij terug, maar hij wist niet wat zij bedoelde. En ook ik had Nieuwenhuis niet aangegeven, hoewel hij op het vliegveld voor de Duitsers had gewerkt en mij bij de fietstocht naar het werk in de stad vaak getreiterd had met de superioriteit van de Duitsers en zich Neuenhaus noemde en mij bij de bevrijding een kunstje had geflikt. Ik zou dat nooit doen, een vader van zo`n groot gezin, met al die kinderen thuis, ik kan er wel om janken als ik eraan denk. Nee, ik zou zoiets nooit doen. En Harry ook niet. Bovendien was een van de zoons van Nieuwenhuis zelf bij de PAN.

Maar nu kunnen we volop dansen, Ria en ik, we gaan de danszalen af en genieten. Nu, al boven de vijfentwintig, zijn we eindelijk jong. Cor en ik kunnen nog niet trouwen en Ria wil nog geen verkering, laat staan dat ze wil trouwen. We genieten van onze jeugd, van onze lichamen. Ria loopt op zeer hoge hakken, ik heb dat nooit goed gekund, dus doe het met wat minder. Het is de tijd van jurken met blote schouders, van de dunne schouderbandjes, soms wel drie paar, van je jurk, je onderjurk en je bustehouder. BH zei je toen nog niet. Tijdens het dansen vallen de bandjes van je schouder.

            “Bandenpech!” grappen de jongens. We willen onze okselharen scheren, maar we weten dat vader dat niet goed zal vinden. Bovendien schijnt het erg ongezond te zijn.

            Twee jaar lang genieten we. Natuurlijk, we gaan ook naar ons werk en doen het huishouden, zorgen voor vader, en gaan helpen bij onze broers en zusters als er kinderen worden geboren. Dat zijn er veel in die eerste jaren na de oorlog, dat is bekend. En wij waren thuis al met ons tienen. Ik blijf meestal in de buurt, zoals bij Anneke en Leo en bij Harry en zijn vrouw Mia. Ria zit vaak wekenlang in Gelderland. Maar ze probeert toch in de weekeinden thuis te zijn en dan gaan we op stap.

De pret is opeens voorbij als ik zwanger raak. Van één keer! Natuurlijk was het al die jaren niet makkelijk geweest, zeker voor Cor niet toen ons huwelijk steeds uitgesteld werd, maar we hadden het nooit gedaan. Tot er iets in Cor zijn familie gebeurde waardoor hij erg in de put zat, wekenlang. Toen heb ik hem willen troosten. Met het bekende gevolg. Het zou nog niet zo erg geweest zijn als niet heel de familie er doodziek van was geweest. Cor krijgt van iedereen te horen: hoe heb je dat nu kunnen doen! En hij begint dan steevast te huilen. Kortom, een drama omdat iedereen het zo opklopt.

            Het slaat ook over op mij. Het is lente, maar geen vrolijke lente. Het groen is overal onbeschaamd opgeschoten, het is veel te fel groen, bijna blauw. Ik heb een hekel aan mijn lichaam. Ik verafschuw mijn eigen geur. Ik haat het schaamhaar dat uit mijn directoire krult. Wat een naam, directoire, bah, ik kan er niet om lachen. Ik zweet, natte slierten onder mijn oksels. Vooral haat ik mijn dikke buik. Hoe heeft het zover kunnen komen!

            Ik zit bij Cor achterop de fiets en wil eraf springen, recht onder de vrachtwagen die aan komt rijden. Cor voelt het en pakt mijn arm vast.

            “Niet doen,” zegt hij, “ik kan je niet missen, we komen hier samen doorheen.”

            Vanaf dat moment ben ik er eigenlijk overheen. Het zijn niet wijzelf, denk ik, die er mee zitten, het is wat we ons door anderen aan laten praten.

            Alleen juist de preutse en vrome Ria heeft me al die tijd gesteund. Maar door al het gedoe, eerst Ria die eigenlijk vóór mij zou moeten trouwen maar liever nog wat van haar jeugd wil genieten, vervolgens de voorwaarde dat Cor eerst een volwaardig katholiek moet worden, is ons huwelijk wel erg lang uitgesteld. Dan komt ook nog mijn vader te overlijden. Tien dagen na zijn dood trouwen we dan eindelijk. Drie maanden later krijgen we een flinke dochter.

            Als er nog iemand in het Dorp Aan de Lange Weg is die niet weet dat ons huwelijk een moetje is, dan weet die het nu. Want als onze dochter geboren wordt, komt burgemeester Van Tuin – ja, hij nog steeds – haar huldigen, is er feest en natuurlijk een wielerwedstrijd, want ons kind is de tienduizendste inwoner van de gemeente. Hiephiephoera!

En eigenlijk valt er hierna over mij niet meer zoveel te vertellen. Ik krijg in vijftien jaar elf kinderen. Cor is een ideale, geëmancipeerde echtgenoot, al voordat dat woord bestond. We hadden geen kind minder willen hebben. Iedereen blijft gezond en we lachen erg veel in ons grote gezin.

            Het drama waar ik het nog over wil hebben begint in Gelderland, ruim een jaar na de geboorte van mijn eerste kind. Ria is in huis bij een van onze zussen die een baby heeft gehad. Die zus overlijdt aan trombose, tien dagen na de geboorte. Trombose? Iedereen krijgt trombose, wie overlijdt er nu aan trombose! Ik ben woedend.

            Ria blijft plichtsgetrouw het moederloze gezin van zes kinderen ondersteunen. Zo nu en dan komt ze een weekeind naar huis om op adem te komen, huilt bij mij uit en gaat met lood in de schoenen terug naar Gelderland. Haar jeugd is voorbij en de jongens met zwart haar zijn volkomen uit beeld. Toch hoopt ze de eerste jaren nog dat, als de kinderen wat groter zijn, ze weer haar eigen leven kan gaan leiden, want natuurlijk houdt ze van die kinderen die ze nu grootbrengt maar toch…

            Ze helpt jarenlang zo plichtsgetrouw dat haar zwager bij wie ze in huis is gaat denken dat ze het voor hem doet. Ontkennen helpt niet, hij is ervan overtuigd dat hij helemaal aan haar wens voldoet als hij haar ten huwelijk vraagt. Na maanden huilen tijdens de weekeinden in Brabant stemt ze toe.            
Nog kan ik in janken uitbarsten van medelijden als ik eraan denk hoe op haar eenendertigste het leven met mijn zus aan de haal is gegaan. Ze sterft op haar tweeënvijftigste.

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)

Over ruilverkaveling en van keuterboeren naar megastallen in Aan de lange weg

Scènes uit de 60-er jaren bij Hotel/Café Den Os

DE VROUWEN VAN DE EERSTE HUIZEN in OP DE THEE BIJ ANNEKE

Als je meer wilt weten, moet je het aan boer Vrieskens vragen die daar tegenover woont en van wie het land was dat tussen hem en de Lange Weg ligt. Hij schijnt het voor een goede prijs aan de gemeente verkocht te hebben. En zelf mag hij aan de zuid­kant van het dorp voor een appel en een ei opnieuw gaan boeren. Ze hebben voor die boeren zelfs de Run gekanaliseerd.

            Maar als je nog meer wil weten, kun je het ook aan die mannen in de korte broek vragen die, als ze niet rondfietsen, bij hotel/café Den Os zitten. Die mannen lijken het er niet zo mee eens te zijn. Zeker niet nu ze ontdekt hebben dat een van die boeren voor wie de gemeente zoveel kosten heeft gemaakt, gewoon een grote schuur met honderden varkens heeft neerge­zet en alleen nog maar wat maïs en bieten verbouwt en zijn mest niet kwijt kan, en dat soms opeens de sloten daar in de buurt keihard beginnen te stromen – een nieuwe omlegging van de Gender, denk je eerst nog – maar de boer is bezig zijn gierkel­ders leeg te pompen.

(UIT OP CAFÉ EEN, De bezoekers van hotel/café Den Os aan het woord)

Teun is niet de enige, er zijn meer van die fietsers. Maar die zijn wat meer verdacht. Die dragen vaak een korte broek en dat vinden we gek bij ons in het dorp. Niet dat ze bij hotel/café Den Os ooit iemand lastig vallen – ze zouden het bij de vaste bezoekers al niet moeten proberen! – maar we vermoeden toch dat ze op de fiets en met die korte broek achter de jongens aan zitten. Waarom anders die korte broek?

            Maar ze weten alles, de fietsers, alles van en rond het dorp. Van de Gender, de nieuwe en de oude. En zoals iedereen die hem gekend heeft zweren ze bij de oude Gender, die van voor de omlegging. Daar zat nog vanalles in, die leefde nog. Er zijn nog een paar stukken van over, na hevige regen staat er soms zelfs weer wat water in. De nieuwe Gender is alleen op zondag, wanneer de wasserijen en weverijen stil liggen, nog tamelijk helder. Dan heb je in een strenge winter zelfs kans dat hij nog bevriest en kun je erover naar de Leef schaatsen, de ijsbaan tegenover de steenfabriek richting stad. Wel zie je ook op zondag, als het grijsblauw van het afvalwater van de fabrieken hem niet verkleurt, dat de Gender steeds bruiner wordt. IJzer waarschijnlijk. Dat heb je met die omleggingen! zeggen de fietsers.

            Ze weten dus alles, die mannen op de fiets. Van de ruilverkaveling, de boeren die vanuit de dorpskernen en de noord- en westkant van de gemeente naar het natte zuiden verhuizen, naar het gebied van de Dommel, de Run en Gender. Want, weten ze te vertellen, er komen nog veel meer nieuwe wijken. En in het zuiden komen de boerderijen en, wat dichter­bij, vlak achter de Lange Weg, de industrie. Van het hele natuurgebied tussen de riviertjes blijft niks over. Voor de landbouw moet er gekanaliseerd en ontwaterd worden. En voor loodsen en industriehallen moet er ontwaterd en opgehoogd worden. Kijk, dat die boerderijen in het zuiden komen, dat begrijpen de fietsers wel, het was altijd al het vruchtbaarste gebied van de gemeente, zij het vaak te nat. Nat en zompig, noemen de mensen die aan de Lange Weg wonen het Broek­land, waar de huizen vochtig zijn en de mensen klein en ach­terlijk blijven. Dat was het beeld, maar met de moderne metho­den moet dat kunnen worden opgelost. Maar wat die industrie daar doet, begrijpen de mannen op de fiets niet. Omdat er traditioneel al industrie was aan de zuidkant van de Lange Weg? Vanwege de Gender die schoon water aanvoerde en vuil water afvoerde? Maar dat is toch achterhaald, daar heb je toch pompen en riolering voor tegenwoordig! De fietsers verklaren het gemeentebestuur voor gek en voor slaaf van Philips en van Eindhoven. Dat is precies wat oud-burgemeester Van Tuin altijd heeft tegengehouden, zeggen de fietsers. Je zou bijna terugverlangen naar de tijd dat die godsdienstgek het hier voor het zeggen had. Als die terug zou komen en een dam zou opwerpen tegen al die ‘vooruitgang’, dan mocht hij wat hen betreft ook heilig verklaard worden, net als Pius X.

            Maar de meeste fietsers mogen met hun korte broek dan wel modern willen doen, het zijn toch flikkers die tegen de vooruitgang zijn, zeggen we bij hotel/café Den Os. En wat betreft Teun, die versta je niet en is gewoon gek.
(uit Aan de Lange Weg van Meurs A.M.)


(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)



Willem Adams: <DOMMEL>, 160 x 170cm, Nijmeegs Museum Commanderie van St Jan

Anneke, net na de bevrijding van het Zuiden (uit Aan de lange weg)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)


Mijn moeder Nelleke Meurs-Saris in verzorgingshuis De #Merefelt in #Veldhoven. Toen ze overleed keek ik ook naar die handen. En een paar jaar later liet ik een oudere militair in een toneelstuk zeggen: <Mijn moeder kreeg steeds meer een vogelkopje toen ze op sterven lag. Ten slotte lag er een dood vogeltje. Maar haar hand, waarmee ze me kort tevoren nog geknepen had, lag daar ijzersterk op de rand van het bed, als de poot van oude, taaie kip.> (uit Srebrenica of de mandaad). In het verhaal hieronder woont ze nog als Anneke Aan de Lange Weg. De oorlog is in het Zuiden van Nederland voorbij, zoon Jantje is nog een zuigeling en kleuter Tonnie ligt met tbc in het sanatorium in Tilburg.

Anneke

Tonnie heeft haar eigen ledikantje moeten meenemen naar het sanatorium in Tilburg. Er is nog aan vanalles gebrek, ook aan bedden. Leo had het al van tevoren met de lijnbus meegegeven, dat wil zeggen eerst uit elkaar gehaald en dan de bodem en de poten en de kanten op elkaar gelegd en op zijn precieze manier met touwtjes aan elkaar gebonden. En de chauffeur kreeg behalve de normale vrachtprijs ook instructies waar hij het af moest geven en bovendien een fooitje. Leo keek de bus na, eigenlijk vond hij dat hij er zelf bij moest blijven wilde het allemaal goed gaan.

De volgende dag stapten wij zelf met Tonnie en twee kartonnen koffers op de bus. Ze was wel normaal aangekleed en kon ook wel lopen maar ze moest toch veel gedragen worden, ze was gewoon te ziek.

En ik sjouw met Jantje en Rietje, die anderhalf jaar na hem geboren is en Hennie die weer anderhalf jaar daarna geboren wordt, steeds naar het consultatiebureau in het patronaat. Niet alleen voor de normale controle op gewicht en de prikken tegen pokken en mazelen, maar steeds weer om te laten constateren dat geen van de andere kinderen tbc heeft. Hoewel ze er wel mee in aanraking zijn geweest, want het kruisje op hun arm wordt een grote rode vlek, een bult zou je het zelfs kunnen noemen, want het oppervlak is duidelijk verhoogd.

Maar dat is een goed ding, leg ik aan iedereen uit, die kleine besmetting, want daardoor kunnen mijn kinderen nooit van hun leven meer tbc krijgen. Je kunt die kleine besmetting eigenlijk beschouwen als een inenting tegen tbc, zoals die prikken tegen mazelen en pokken… als de vrouwen begrijpen wat ik bedoel. Zodat het rood opgekomen kruisje bij mijn kinderen eigenlijk beter is dan het niet opgekomen kruisje bij andere kinderen. Want het niet opgekomen kruisje wil weliswaar zeggen dat die kinderen geen tbc hebben, maar dat is maar een momentopname, dat is geen enkele garantie dat ze het niet elk moment kunnen krijgen. Wat niet wil zeggen, zeg ik, dat een opgekomen kruisje altijd iets goeds is, natuurlijk niet, maar in het geval van mijn kinderen wel, snappen jullie? zeg ik.

Leo is nu nog meer van huis. Er is geen avondklok meer die er voor zorgde dat hij meestal voor die tijd thuis was, bovendien gaat hij een keer per week op de fiets naar het sanato­rium in Tilburg. Dat kost een hele dag en die moet voor zijn verzekeringswerk natuurlijk ingehaald worden. Hij zegt zelfs dat het eigenlijk niet in één dag kan, want dat de tijd dat hij bij Tonnie kan zijn dan niet de moeite waard is. Daarom blijft hij het liefst bij zijn neef in Hilvarenbeek slapen. Maar ik weet dat hij, als hij alle tijd van de wereld zou hebben dat ook zou doen, want die neef is een van de weinigen waar hij goed mee kan opschieten. Dus laat hij zich de gelegenheid niet ontnemen om daar eens een avondje te zitten ouwebetten.

Ik kan niet rondkomen van het geld dat hij verdient met de verzekeringen, ook al hebben we groente en fruit uit eigen hof. Een kind in het ziekenhuis kost ook extra. Elke zondag gaan we samen met de bus die kant op. We hebben dan wel kippen en een paar konijnen, de kruidenier en de slager moeten toch betaald worden, al mag ik dat één keer per drie maanden van de kinderbijslag doen. Leo heeft totaal geen besef wat dingen kosten. Hij telt zijn geld van de verzekeringen en begrijpt niet dat het niet veel voorstelt tegenover wat er allemaal in een gezin als dat van ons wordt uitgegeven. Hij noemt prijzen en zegt: “Dat kan goed een hele gulden kosten”, terwijl het dan bijvoorbeeld wel vier keer zoveel is geweest.

Maar nu hebben ze hem een varken aangepraat. Hij heeft het alleen nog maar over zult en spek en balkenbrij zoals ze dat vroeger bij hun thuis hadden. Hij vertelt wat ze volgens mij tegen hem gezegd hebben: “Je hebt toch een hof met groente en fruit en daarvan allerlei afval. Rot fruit en rotte aardappels eet het ook, dat vindt zo ‘n beest juist lekker! En die kinderen laten toch ook eten staan wat anders maar wordt weggegooid. Nou, dat eet dat varken allemaal, dat is een soort vleesmachine. Dat etensafval stop je erin en binnen een jaar krijg je er worst en ham en spek voor terug. In één jaar! Wat wil je nog meer! Aan de slager zul jij niet veel geld meer uitgeven.”

“Je hebt trouwens een broer die het varken kan slachten,” hebben ze tegen hem gezegd. “En je zusters zullen je helpen om het om te zetten in worst en vlees. Het hoeft allemaal niks te kosten.”

Ik weet het niet: kippen, konijnen, weer een varken erbij. Dat moet toch ook allemaal eten gegeven worden, en wie moet dat doen en wanneer?

Neem nou het omkeren van de granieten drinkbak van de kippen. Dat moet, want het water is na één dag modder. Die bak moet je optillen en dan omkieperen. Hem langzaam laten zakken, dat lukt je niet, daar is hij te zwaar voor. Maar als hij een beetje ongelukkig uit je handen glijdt, krijg je met een enorme plets de moddergolf recht tegen je aan, midden in je gezicht, om het over je kleren maar niet te hebben. En dan moet het ding weer worden teruggedraaid.

Wie plukt het gras voor al die beesten? De mensen in de buurt die wat handiger zijn snijden het gras, soms zelfs met een sikkel. Maar voor een scherp mes hoef je bij ons niet aan te komen, laat staan dat we een sikkel hebben. Zelf is hij er door de week niet voor het donker is. Ik ken wel een paar mensen met een varken, we zouden heus niet de enigen zijn, maar ik ken nog meer mensen zonder varken. En waarom moeten wij nou net weer bij degenen mét een varken zijn? God-zal-me-laze­ren.

Al die beesten die gevoerd worden trekken toch ook weer ongedierte zoals ratten aan. En die hebben we al genoeg gehad of hebben we misschien nog wel. Ik zie hem nog op het hooi­schelfje boven de schuur bezig, helemaal buiten zichzelf, een kop zo rood als vuur, aan de riek in zijn hand een bloedende rat van een halve meter groot. Ze piepten, nee gilden, die beesten, en renden alle kanten op, sprongen naar beneden, waar ik op mijn beurt begon te gillen. En al heeft hij er dan een stuk of vier aan de riek gestoken, waar zijn degenen gebleven die ontsnapt zijn? Ik geloof er niks van dat er één kat in de buurt is die zo`n beest aan kan. Die zitten gewoon te wachten om terug te komen. Als ze er al niet zijn. Hij klimt heus niet elke week op de hooischelf met gevaar van er doorheen te vallen. Ik vind het maar niks al die beesten met die kleine kinderen, ik heb al genoeg te prakkiseren met Tonnie die moet worden geope­reerd. Maar maak hem dat maar wijs.

(uit Aan de lange weg van Meurs A.M.)

Anti-Soeharto-acties 1970 met Zuid-Molukkers in roman Mijn liefde is scharlakenrood

Affiche van de #Vrijheidsschool (initiatief #Cineclub) oktober 1970

70 Jaar geleden werden ruim tienduizend ZuidMolukkers vanuit Indonesië per schip overgebracht naar Nederland.
In het derde deel van de roman Mijn liefde is scharlakenrood van Meurs A.M. kijkt Kitty, inmiddels dakloos en verslaafd, vanuit 2003 terug op haar revolutionaire jaren. Hier vertelt ze hoe ze met een, eveneens jonge, ZuidMolukker in Amsterdam leuzen op de muren schildert tegen de komst van Soeharto naar Nederland.

Kitty

1970

Soeharto zou naar Nederland komen en dat wilden we verhinderen. Soeharto was verantwoordelijk voor de moord op 700.000 communisten. De Zuid-Molukkers in Nederland hadden ook een appeltje met hem te schillen, want ze wilden een onafhankelijk Ambon en vooral, hij had hun leider, Soumokil, vermoord. Hoe konden we Soeharto bereiken en de  indruk wekken dat het hier gevaarlijk voor hem was? Door een provocerende leus op de muren te kalken, waar de pers over zou schrijven en die hem op die manier zou bereiken nog voor hij uit Indonesië zou zijn vertrokken. Want zo’n leus, al was die met nog zo’n koeienletters op een kade in Amsterdam gekalkt waar elke dag tienduizenden mensen hem lazen, zou hij natuurlijk nooit zelf onder ogen krijgen. Tenzij via een foto of een artikel in een krant. En dat lukte! De kranten pikten het op, ze spraken er schande van, van zo’n leus, de toon was gezet, en toen een dag voor het geplande bezoek ook nog eens drieëndertig Zuid-Molukse jongeren de Indonesische ambassade in Wassenaar bezetten, waarbij een agent die op wacht stond werd gedood door een kogel – hoe dat gebeurde bleef onduidelijk – werd het bezoek van drie dagen teruggebracht naar één dag en in Amsterdam kwam hij helemaal niet.

En zo lag Jantje, het kleine Zuid-Molukkertje, daar op zijn buik koeien van letters ondersteboven op die schuine kade tegenover het CS te kalken. De Zuid-Molukkers zijn afstammelingen van stoer soldatenvolk maar als ik naar dat kleine Jantje keek leken de afstammelingen een stuk minder stoer en de Molukken een stuk minder uitgestrekt. Dat dacht ik terwijl ik in een maillot met een kort rokje erover op de uitkijk stond en over de stoppende auto’s heen bleef uitkijken en een prijs vroeg waarop geen enkele man serieus kon ingaan. “Voor die prijs neuk ik de koningin!” riep er eentje, “en de prinsessen erbij!” en reed luid toeterend weg. Waar het omging was dat niemand op Jantje lette die daar prachtig, van hem zelf gezien op zijn kop had geschilderd: DOODT SOEHARTO! DIEN HET VOLK!  RJ. We waren daarna een beetje roekeloos geworden en stonden op het stationsplein die leuze, nu aan de overkant van het water, te bewonderen. Ik had de plastic tas met de emmer met kalk van Jantje overgenomen en terwijl we daar stonden zei ik plagend: “Hoe krijg je dat voor elkaar, die grote letters met die kleine armpjes?” “Ik heb mijn hele lijf erin gegooid,” zei Jantje, “soms voelde ik me echt van de wal af glijden.” Een politieauto stopte met gierende remmen achter ons. Ik kon tussen de vele mensen in weg springen – het was midden op de avond – en vluchtte het station in, waar ik weer normaal liep. Een auto kon me nu niet volgen. Ik ging de toiletten op het eerste perron binnen en veegde met toiletpapier de resten muurverf van de buitenkant van de plastic tas. Daarna verliet ik het station aan de andere kant dan die waarvan ik gekomen was. Er was hier niet veel verlichting en dat maakte me opnieuw overmoedig, ik kon nog wel een klusje doen. Op een muur tussen twee laad- en losperrons in schilderde ik DOODT SOEHARTO, tot ik merkte dat er iemand naar me had staan kijken. In het gele licht van een kantoortje zag ik de man telefoneren en ondertussen zijn hoofd en bovenlijf in gebogen houding heen en weer bewegen, ik wist dat hij speurde of hij mij nog zag. Rooie Willem, en T trouwens evenmin, kon dit soort dingen niet begrijpen. Wij deden dit immers, we deden immers álles voor het volk! Wij, die man, Willem, T en ik, de RJ, wij waren in dienst van het volk, wij wáren het volk! En toch lapten die kameraden ons erbij, onbegrijpelijk. Nou ja, gebrek aan politiek inzicht, er moest nog veel aan scholing gedaan worden.

           Maar daar had ik niet op gewacht. Ik verstopte mijn kalkgereedschap bij een bouwkeet die tegen een stukje van die lange achterkant van het CS aan stond. Hier viel het niet op, zeker niet toen ik het uit de tas had gehaald, het leek gewoon bij het materiaal te horen dat er lag. Ik zou het later op de avond wel ophalen. Ik begon dus verstandiger te worden. Tenminste dat dacht ik. In de waan dat niemand me zonder kalktas wat kon maken, wandelde ik weer door het CS om te zien of ik Jantje kon terugvinden. Ik zag hem niet en ik dacht: kom, ik kijk nog één keer naar die mooie grote leus aan de overkant van het water voor ik terugga naar het actiecentrum. Het politieauto’tje verderop was vast allang teruggevallen in zijn dagelijkse, sluimerende routine. Ik was nauwelijks tien meter van de ingang van het CS verwijderd of het voertuig leek met een sprong op me af te stuiven. Ik rende opzij maar ze reden me binnen de kortste keren klem. Toen ze me de wagen in duwden zat Jantje daar al. We deden of we elkaar niet kenden. “Zo, zijn dat nou Black Panthertjes?” zei de ene agent tegen de andere. Ze haalden alles door elkaar, maar we gaven geen kik.

           Ze hielden ons een paar uur vast. We praatten wel, bijvoorbeeld vroegen we wat de tenlastelegging was, maar we gaven geen naam. Dat had ons wel zes uur kunnen kosten, maar het was nu eenmaal afspraak. Ze hadden geen bewijs en hadden ons evenmin op heterdaad betrapt. We hadden niets bij ons en er zaten geen verfspatten op onze kleren en handen. Ik zag dat Jantjes kleren aan de voorkant wel wat goor waren van het op de grond liggen, maar hij zei dat hij gevallen was toen ze als gekken achter hem aanreden. “Anders hadden jullie me nooit te pakken gehad,” lachte hij nog. “Maar we hebben je,” zeiden ze, “daar gaat het om, je bent er gloeiend bij.”

Toen ze ons om een uur of twaalf ’s nachts vrij lieten, konden ze het niet laten om nog een spelletje te spelen. Ze lieten ons spitsroeden lopen tussen een rij van aan elke kant wel acht agenten. Waar haalden ze al die smerissen vandaan? Was dit het verzetje dat ze zichzelf gunden wanneer de nachtploeg de avondploeg afloste? De dubbele rij begon in de smalle gang, waar we alleen maar zijwaarts konden passeren, en liep tot het midden van de Warmoesstraat. Ze keken ons strak aan terwijl we passeerden. Een hief er met een ruk zijn arm op en ging dan door zijn haar. Een ander zette zijn been in de loop en trok het pas op het laatste moment terug. We keken rustig terug, we voelden ons moreel ver verheven boven deze dienaren van het kapitaal. Toen we dertig meter de Warmoesstraat in waren, spraken we af dat elk met een omweg naar zijn eigen huis zou gaan. Ik was net een steegje in geslagen, toen ik Jantje luidkeels hoorde roepen: “MENA! … MURIA!”, de vrijheidskreet van de Zuid-Molukkers.

            Thuis bleek mijn kind nog wakker, of liever gezegd weer wakker. Het luisterde aandachtig naar het verhaaltje dat de scholiere die van huis was weggelopen en bij me logeerde voorlas. Het ging over Black Panthers die voor maaltijden zorgden op zwarte scholen. “Zo, mama is weer thuis,” zei ik. “Alles goed hier?”

#ZuidMolukkers

(uit de roman Mijn liefde is scharlakenrood van Meurs A.M.)

STEM #PRINCIPIËEL EN #RADICAAL!

Het gaat niet meer om de traditionele partijen
en wat die doen of zeggen,
het gaat dus ook niet meer over
welke partijen door en door slecht zijn
of om welke ook wel goede punten hebben,
HET GAAT OM WELK #GELUID ER NOG TOE DOET,
OM WELKE #STEM ER GEHOORD MOET WORDEN,
het gaat nog om
TWEE STEMMEN, TWEE GELUIDEN, TWEE STROMINGEN,
die van HET #KLIMAAT, het milieu, het overleven van de aarde met alles erop,
en het gaat nog om de stem van
DE #GELIJKWAARDIGHEID, van mensen, van landen,
de stem van #ANTIRACISME en #ANTIDISCRIMINATIE.
Het gaat nog om TWEE RADICALE EN PRINCIPIËLE GELUIDEN
die een volledig, allesomvattend programma hebben,
ook over elkaars hoofdthema,
het gaat nog om HET #KLIMAAT
en het gaat nog om #GELIJKWAARDIGHEID,
het gaat nog om
DE #PARTIJVOORDEDIEREN
en de partij #BIJ1,
daar komen de TWEE RADICALE EN PRINCIPIËLE GELUIDEN
vandaan die we het allerhardst nodig hebben,
het geluid van die partijen moeten we laten klinken,
en de andere partijen, groter of kleiner, zullen (moeten) volgen.
Kies PRINCIPIËEL
en voor een PARTIJ WAAR JE VOLLEDIG ACHTER KAN STAAN,
dat is belangrijker dan het machtsspel van al of niet in de regering.
En bedenk bij dit alles dat er meer moet gebeuren,
dat de mogelijkheid van een politieke partij beperkt is,
dat er #BURGERINITIATIEVEN nodig zijn,
dat de meeste invloed op ons leven en op de strijd tegen #KLIMAATVERANDERINGis bereikt door een #BUITENPARLEMENTAIRE organisatie, namelijk #URGENDA,
en dat een eveneens BUITENPARLEMENTAIRE organisatie, #KICKOUTZWARTEPIET,
het VERBORGEN EN VERZWEGEN #RACISME in onze maatschappij heeft blootgelegd,
zodat we daar heel anders tegenaan kijken dan enkele jaren geleden.
STEM PRINCIPIËEL EN RADICAAL!

De Mensensmokkelaar van Amsterdam/The Amsterdam human smuggler door/by Meurs A.M.

(English behind the Dutch text)

Dit verhaal is speciaal geschreven voor mensen die zo’n hekel aan vluchtelingen en vreemdelingen hebben dat ze stemmen op partijen als PVV, FvD, VVD en CDA. In mijn verhaal worden de vluchtelingen geslacht en als halalvlees verkocht.

Als Nederlands schrijver heb ik verbeeld wat er kan gebeuren als de vreemdelingenhaters onder ons nog 1 stap verder gaan. Temeer daar de Nederlandse regering de afgelopen 10 jaar ernstig beïnvloed werd door partijen als de PVV en FVD in plaats van door internationale organisaties als UHNCR en Amnesty International.
Die verbeelding werd, geïnspireerd door het verhaal van Jaroslav Hasek, getiteld De Mensenhandelaar van Amsterdam, mijn DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM.

This story is especially written for people that hate refugees and strangers so much that they will vote for PVV, FvD, CDA or VVD. In my story refugees are slaughtered and sold as halalmeat.
What I as a Dutch writer can do is imagine what can happen when de haters of strangers make one step ahead. The more since the Dutch goverment these last 10 years was very much influenced by party’s like PVV and FVD instead of by the UHNCR and Amnesty International.
This imagination became, inspired by the story of Jaroslaw Hasek, titled The Amsterdam human trafficker, my story THE AMSTERDAM HUMAN SMUGGLER. Meurs A.M.


1

Theorie was een vrij jonge, maar wel volwassen man, van zo´n 35 jaar namelijk, die niet wist hoe hij aan zijn naam kwam. Was het ´theorie in tegenstelling tot de praktijk´? Was het zijn moeder die op die manier tegen zijn vader aankeek die haar al voor zijn geboorte in de steek had gelaten? Zijn moeder, die toen het een jongetje bleek dat bovendien nog op de vader leek, zo wraak had genomen? Theorie zei trouwens zelf altijd: ‘ Het is de theorie die de praktijk voorafgaat en het is de theorie die weer uit die praktijk voortkomt.’ ‘ Jaja, ‘ zeiden zijn toehoorders dan. Of was het gewoon de combinatie van de namen van zijn grootvader aan zijn vaders kant en zijn grootmoeder aan zijn moeders kant? Theo en Rie. Maar dan nog vond zijn moeder het waarschijnlijk een goede grap. Ook zij was uit zijn leven verdwenen voor hij het kon vragen. In ieder geval was Theorie niet tevreden over zijn leven tot nu toe. Wetenschap zat er niet in, rijk worden evenmin, schrijven kon hij niet, andere artistieke aanleg had hij niet, dus hij dacht: ik moet de politiek in. En waar kon je in deze tijd mee scoren? Ja, met rechtspopulisme. En met wat als onderwerp? De vluchtelingenstroom. Haha. De Islam. Haha. Nationalisme, tegen Europa. Haha. Natuurlijk was er al veel op dit gebied, maar hij vond dat hij daar wel een intellectueel tintje aan kon toevoegen. Theorie had namelijk de neiging zichzelf een beetje te overschatten. Hij dacht dat hij origineel was toen hij zei dat het niet genoeg was om te roepen dat er minder vluchtelingen moesten komen, dat de grenzen dicht moesten, dat mensen terug moesten, je moest ook daadwerkelijk aantonen dat jij er voor zorgde dat er vluchtelingen teruggingen, of dat er minder binnenkwamen. Maar dat laatste, en dat vond hij heel slim van zichzelf, die vluchtelingenstroom mocht niet echt stoppen, of hoogstens tijdelijk, want die stroom voedde jouw partij. Je moest als Theorie ook praktisch zijn. Hij noemde zijn partij daarom De Partij voor Theorie en Praktijk, de PTP.

En toen vond Theorie dat citaat. Hij was niet iemand die echt in boekhandels kwam maar in de bakken met ramsj voor de deur wilde hij wel eens rommelen. Voor 1 of 2 euro kon je je immers geen buil vallen. Het was de titel die opviel: De mensenhandelaar van Amsterdam. Dat Amsterdam natuurlijk, maar ook dat mensenhandelaar. Mensenhandel, vrouwenhandel, mensensmokkel, actuele onderwerpen. De schrijver van het boek kende hij niet, pas later zag hij dat het ook de schrijver was van De brave soldaat Svejk. Van dat boek had hij gehoord maar het had hem nooit aangetrokken. Die Svejk leek hem een sukkel, een loser. Ook dit boek viel al meteen tegen. Het waren verhalen, en één  verhaal van maar net iets meer dan 3 bladzijden heette De mensenhandelaar van Amsterdam. En dat bleek dan eigenlijk te gaan over de invloed van keukenmeidenromans op het leven van sommige mensen. Dat sloeg dus  niet op hem. Maar toen stond er dit:
In Amsterdam, in een afgelegen straat bij de haven, waar in het water van een gracht in één jaar honderden vreemdelingen verdwijnen, ligt een klein café waarin je kamers kunt huren. In de drankjes voor de gasten, die hier willen overnachten, wordt echter een slaaptablet gemengd en daarna… daarna verdwijnt het bed met de gast door een valluik in de kelders. Een klap, een huiveringwekkende gedempte kreet… Naast het café is een slagerij. Daar wordt het vlees zo goedkoop verkocht en gehouwen, dat de winkel steeds vol kopers is. Het vlees heeft een eigenaardige bijsmaak – daar wordt immers mensenvlees gehouwen! Begrijpt u hoe dat gaat? In de kelder worden de gasten met een slag van een bijl kapot geslagen, zij worden geslacht, gehouwen en in de nacht wordt het vlees naar de slagerij vervoerd.
Theorie vergat het intellectuele tintje dat hij aan het vluchtelingenvraagstuk wilde toevoegen, hij  wist wat hem te doen stond.
Maar kort daarna besefte hij ook dat hij dat niet zelf kon doen, met zijn reputatie. Hij zou immers een eigen asielzoekerscentrum moeten oprichten, een AZC, maar dan een particulier asielzoekerscentrum, een PAZC, en zo een particuliere bijdrage leveren aan het lenigen van het vluchtelingenvraagstuk. We doen allemaal wat we kunnen, nietwaar? En een met een slagerij erbij. Halal! Pure dienst-verlening.
Hij plaatste een advertentie.
Een advertentie voor een directeur van een PAZC met als buur een Islamitische slagerij?
Nee. Want Theorie was ervan overtuigd dat je iemand die solliciteert op een functie pro-vluchteling niet tot het tegenovergestelde krijgt, zeker niet tot het extreme tegenovergestelde, het andere uiterste.
En andersom wel. Zij het niet vanuit het extreme andere uiterste, het vermoorden van vluchtelingen, waar je natuurlijk ook geen advertentie voor kunt plaatsen. Nog niet in ieder geval. Sommigen moeten nog even geduld hebben.
Theorie plaatst een advertentie voor een persoonlijk assistent. Assistent van hem, Theorie, met zijn anti-vluchtelingen-, anti-vreemdelingen- anti-Moslim, anti-Europareputatie. Zo’n sollicitant hoort dan op gesprek dat het tegenovergestelde van hem verwacht wordt als waarop hij heeft gereageerd. Maar denkt toch: hier zit meer achter. Wanneer hij dan ook, na enig nadenken, toch ja zegt maar even later te horen krijgt dat het pro-vluchteling zijn maar schijn is, en hij opgelucht en dankbaar heeft ademgehaald, en dan te horen krijgt dat het er eigenlijk zelfs om gaat  om zo snel mogelijk zo veel mogelijk vluchtelingen fysiek uit te schakelen en te doen verdwijnen, dan kan de net nog opgeluchte sollicitant niet meer terug. Aldus de gedachtengang van Theorie.
Dus plaatst hij de advertentie voor een personal assistant. Daar komen enkele tientallen mensen op, de meesten leken de conclusie te hebben getrokken dat hij een lijfwacht zocht en zagen er navenant uit. Een totaal ander type, oude hippie met staart maar dan niet zó oud, een jaar of 45, wekte zijn interesse. Theorie vraagt ‘ Ken je mijn doelstellingen? O.k., prima. Maar heb je daar ook iets voor over? Ik moet je vragen om een heel groot offer te brengen. Namelijk om precies het tegenover-gestelde te gaan doen als dat je dacht dat je moest gaan doen. Namelijk, je moet asielzoekers gaan verwelkomen, je moet ze op de stations gaan ophalen, je moet een AZC opzetten, je moet ze daar opnemen en vertroetelen. Wil je dat doen? Dat moet ik eerst van je weten voor ik zeg waarom. Als je niet meteen nee zegt, dan wil ik dat je daar een nachtje over slaapt en morgen terugkomt, dan praten we verder, tenminste als je daar dan zonder meer, zonder te vragen, laat staan te weten waarom, ja op zegt.’             
De sollicitant, die Rein heette, zei de volgende dag zonder te vragen waarom: ja. ‘Goed,’ zei Theorie, ‘maar ons doel is om van asielzoekers af te komen. Ik kan je vertellen dat je uiteindelijk toch dat wat je wilde en wat de reden is dat je hier kwam, zult bereiken. De vraag is: Wat heb je er voor over? Je hebt al aangegeven dat je bereid bent je naar de buitenwereld totaal anders te gaan gedragen dan je overtuiging is, en dat je het er voor over hebt als een asielzoekersvriend aangezien te worden. Maar de eigenlijke vraag is: wat heb je er uiteindelijk voor over om van asielzoekers af te komen? Hoe ver durf je te gaan? Ik zeg niet dat het moet, maar ik moet het wel weten: zou je bijvoorbeeld wat in het burgerlijk jargon een misdaad heet, een moord heet, willen doen om van asielzoekers af te komen?
Nu vroeg de sollicitant of hij er een paar dagen over na mocht denken.
Na die paar dagen kwam hij terug en zei: ‘Het is niet gemakkelijk. Ik ben niet gewend dingen te doen tegen mijn karakter, tegen mijn geweten in. Ik heb het heel moeilijk om asielzoekers binnen te halen, om vriendelijk tegen ze te zijn, ze te vertroetelen. Maar ik heb het ook moeilijk ze te vermoorden. Ik ben wel tegen asielzoekers maar ik ben geen moordenaar. Maar ik geloof nu dat het me toch zal lukken, juist door de combinatie van de twee die de tegenstelling tussen die twee opheft. Dat ik eerst zeer tegen mijn aard en zin asielzoekers moet verwelkomen, ze vertroetelen, zal zo’n frustratie, zo’n agressie in me opwekken, dat ik tenslotte dáárdoor in staat zal zijn ze te vermoorden. Dus: Top! Ik doe het!’

Theorie klopte hem op zijn schouder, omhelsde hem. ‘ Ik wist dat ik op je kon rekenen. Ik weet als ik naar mensen kijk, wat voor vlees ik in de kuip heb. Dat zal trouwens nog wel eens een uitdrukking kunnen blijken waar we aan moeten denken als ik je de komende tijd verder in zal wijden in mijn plannen.’


2
In de dagen hierna wandelden ze veel in het donker rond, ze mochten niet samen gezien worden. Officieel vertegenwoordigden ze elk een totaal andere, een elkaar vijandige  kant van het asielvraagstuk. Aan het woord was meestal Theorie. Het leek of hij jarenlang zijn ei niet  kwijt had gekund. Verder leek hij Rein als een geweldig klankbord te beschouwen, misschien wel omdat ze zo verschillend zijn. Rein die nog niet zo oud is, misschien 45, maar er uitziet als een ouwe hippie,  met staart. Theorie als de nette ideale schoonzoon in pak, 35 jaar oud.
                Bij hun wandelingen droeg Theorie meestal een hoed. Hij was te onrustig om ergens te gaan zitten. Ze liepen vaak over kades. Panden die over het water te bereiken zijn hadden zijn bijzondere interesse. Ze stonden bij een slachthuis. Het is zo goed als failliet, wist Theorie. We kunnen het zo overnemen. En hier zit nog een bank, maar die banken moeten drastisch inkrimpen, ze zijn één keer gered maar dat zal geen tweede keer ge-beuren, ze kampen met een enorm imagoverlies, daar kan geen VVD tegenop. Dus dat gebouw zal binnenkort ook wel leegkomen.
                Behalve een verkenning van de plaatsen waar alles zal kunnen plaatsvinden, wilde Theorie deze keer vooral uiteenzetten hoe ze het verdwijnen van de asielzoekers zouden verklaren, hoe ze zullen uitleggen dat ze een veel grotere doorstroming hebben dan de gewone AZC’s. En tenslotte  wilde hij aangeven hoe hij de aanvoer in stand wilde houden.                    
 ‘Kijk,’ zei Theorie, ‘we zorgen dus voor afvoer. Maar we kunnen de manier waarop niet prijs geven. Komt misschien nog, als meer landen gaan inzien dat het echt niet anders kan. Hoe leggen we dan nu uit hoe wij aan zo’n hoog percentage doorstroming komen, want we blijven natuurlijk nieuw materiaal aanvoeren. Er zijn een aantal mogelijkheden: er verdwijnen er onderweg naar het uitzendcentrum in Ter Apel, de illegaliteit in, er verdwijnen er die bezwijken voor de verlokkingen van de grote stad, die denken hun weg te kunnen vinden buiten het PAZC. Er komen er ook in Ter Apel aan en een enkeling wordt ook daadwerkelijk uitgezet, een enkeling, maar waar het kan moeten we daar gebruik van maken en zo’n gelukte uitzetting ook op ons conto bijschrijven. We houden ons net als de Nederlandse regering van den domme en doen net of we niet weten dat die mensen bij aankomst onmiddellijk worden opgepakt, een kopje kleiner gemaakt of minstens opgesloten.
                Maar meer zoden aan de dijk zetten de vrijwillige schijnuitzettingen. We brengen een groepje mensen naar Schiphol, zwaaien ze uit met de pers erbij, maar ze komen nooit bij de gate, via een sluiproute keren ze enigszins vermomd via het station terug naar Amsterdam, trekken hun plan of melden zich aan bij We Are Here en het circuit begint opnieuw. We Are Here of Wij Zijn Hier is een groep  van 200 volgens de overheid uitgeprocedeerde asielzoekers die niet terug kunnen. Dat wordt onze eerste doelgroep. Een ander groepje stapt wel op het vliegtuig maar keert met het eerstvolgende vliegtuig terug. We hebben dat met de corrupte autoriteiten daar afgesproken. Met vervalste papieren weten we ze als nieuwe asielzoekers te importeren. Zo houden we de instroom in stand. Natuurlijk zullen er ook bij zijn die met behulp van een beetje zakgeld toch echt naar het land van herkomst willen proberen terug te keren, in de wetenschap dat ze hier kansloos zijn en in de hoop toch aan de autoriteiten in hun land te ontsnappen. Soms denken ze met een paar honderd euro daar een onderneming te kunnen beginnen. Hoop is een vreemd ding. Na wat omwegen komt die bij mensen altijd terug. Als het niet lukt in het land van herkomst hebben ze opeens de hoop dat het de volgende keer hier wel zal lukken en staan ze met wat geluk weer bij ons op de stoep en melden zich aan voor onze ‘procedure’, niet wetend wat die eigenlijk inhoudt. Mensen zijn hardleers, vooral in hun hoop.’
                ‘Mensen via een mensensmokkelaar terug laten komen naar Europa, ‘ging Theorie verder  nadat ze een hen tegemoet komend luidruchtig groepje Marokkaanse jongeren hebben ontweken, ‘is eigenlijk een onbegonnen zaak, kost kapitalen. Goedkoper en effectiever is dan om even een gat in een hek in Griekenland of in de Balkan te laten branden, we hebben daar wel contacten ter plaatse voor. Steeds meer ultrarechtse partijen zien immers in dat een volledige afsluiting averechts werkt voor hun aanhang. Men denkt dan dat het geregeld is, de vluchtelingenstroom is gestopt en de mensen vallen weer in slaap en de traditionele partijen zetten hun traditie voort. Dus even een lek in zo’n hek waar een paar duizend mensen door kunnen, de vluchtelingen daar zelf de schuld van geven en iedereen is weer gefocust. Je moet wat.’
                Bij hun afscheid drukte Theorie Rein het boekje De mensenhandelaar van Amsterdam in de hand. ‘Hier,’ zei hij, ’verspil geen tijd en lees alleen het verhaal uit de titel. Dan begrijp je waar ik naar toe wil. Berg het boekje goed op. Het zou iemand op een idee kunnen brengen. Ik zorg voor het vastgoed. Denk na over de geheime verbinding tussen PAZC en slagerij. Neem personeel aan voor het PAZC, zorg dat er één persoon is die je vertrouwt en die zorgt voor de levering van PAZC aan slagerij. De rest van het personeel, dat je die persoon laat aannemen, mag van niets weten. Neem een slager aan waarop je blindelings kunt rekenen omdat hij aan je kant staat maar het liefst ook omdat je iets van hem weet. Laat hem het overige personeel van de slagerij aannemen. Komt goed.’ Hij hoorde zichzelf het laatste zeggen en dacht: ik ontkom niet aan de cliché’s van deze tijd, ik heb ook al eens ‘Fijne dag nog’ gezegd. Maar voor de rest verliep alles prima. Hij gaf Rein een warme handdruk, hij had een compagnon!

3
Theorie had gelijk gekregen. Het slachthuis schreeuwde om overname en de bank had de reorganisatie maar al te graag naar voren geschoven nu er belangstelling was voor het gebouw. Er werden 400 woonkamertjes, een keuken, een waszaal met douches en een recreatiezaal in gebouwd.
                Ze liepen om de gebouwen heen. Rein vertelde dat er een ondergrondse verbinding tussen PAZC en slachthuis wordt  gebouwd met eveneens ondergronds twee nieuwe koelruimtes en daar tussenin een slachtruimte. Alleen de hoofd-slager komt daar en zal daar behalve producten uit het PAZC ook bushmeat, dat zal voornamelijk apenvlees zijn, verwerken, en zo nu en dan een Hooglander of een bizon of ander wildernisvlees uit Nederland.
                “Akkoord,’ zei Theorie, ‘er moet een flink verloop zijn in  het PAZC, in ieder geval van een stuk of 10  per week. Hoeft niet meer te zijn, maar wel het tempo erin  houden. Het vlees moet inderdaad door de slager persoonlijk verwerkt worden. Wanneer anderen ermee in aanraking komen moet het al onherkenbaar zijn, niet meer tot een mens te herleiden. Ter afleiding bushmeat  in het assortiment is heel goed. Verder gewoon schapen, geiten, koeien, kippen, enzovoort aanvoeren. Ondertussen gaan alle mensen die weggaan uit het PAZC, voor een aantal dagen of definitief, doet er niet toe, via het slachthuis. Soms worden ze officieel overdag weggebracht maar brengen  we ze ’s nachts verdoofd terug om alsnog die uitgestippelde weg te gaan. O ja, en we bieden ook vegetarisch vlees aan. Als we klachten krijgen dat het te veel naar gewoon vlees smaakt, verwijzen we naar het etiket waarop staat: Vervaardigd in een omgeving waar ook vleesetende planten worden verwerkt. Laten we dat allemaal gewoon afspreken. Ik geef je volledig de vrije hand, zowel bij de verbouwing als bij het beheren van het PAZC en de slagerij.  Ik vertrouw je.’
Ze waren een beetje uit de buurt geraakt en stonden voor een gebouw vol leuzen en spandoeken.
                ‘O ja,’ zei Theorie, ‘we beginnen ermee om heel We are here onderdak te bieden. Met de manier waarop Amsterdam met die ‘ongedocumenteerden’, ‘uitgeprocedeerden’ is omgegaan, speelt het ons PAZC geweldig in de kaart. Het gaat bovendien vaak om mensen zonder papieren die nergens of maar zeer oppervlakkig staan geregistreerd. Die kunnen verdwijnen zonder dat er een haan naar kraait. We moeten wel rekening houden met de verschillende groepen binnen WAH. Het geheel van WAH is niet zo hecht, maar de groepen vaak wel (Swahili, Francofonen, Somaliërs, enzovoort).
                ‘Laat dat maar aan mij over,’ zei Rein. ‘Als wij in één klap We are here onderdak bieden, zal dat geweldig aandacht trekken Veel AZC’s zullen hun moeilijke gevallen naar ons willen sturen.’ ‘Is natuurlijk prima,’ antwoordde Theorie, ‘als ze maar betalen. De gemeente zal ook mensen uit de Bedbadbrood willen sturen. Prima, maar betalen! We zijn een particuliere organisatie. Wij lossen niet alleen voor de staatssecretaris maar zeker ook voor de gemeente Amsterdam een enorm probleem op, een probleem waar de gemeente door toedoen van de burgemeester met zijn legisme (zoek maar een keer op) helemaal op is vastgelopen. Lossen wij voor ze op. Als ze maar dokken. We nemen WAH in één keer helemaal op en als de gemeente niet snel dokt, dreigen we dat we ze ook in één keer allemaal weer op straat zetten, met vervoer naar de Stopera.’  

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is WAHReddingsvesten.jpg

    
Theorie had nog een ander punt. Hij had op de tv gezien dat ze op Lesbos van reddingsvesten en andere aangespoelde spullen van asielzoekers allerlei dingen recycelden en vroeg aan Rein: ‘Wat doen wij eigenlijk met wat er zoal van een vluchteling over blijft, zijn spullen, maar ook die stoffen van zijn lichaam die niet als voedsel kunnen worden verwerkt? Ik las dat er in de oorlog in Duitsland niet alleen goud uit tanden werd gewonnen maar ook  dure pruiken werden gemaakt van het haar dat voor de dood werd afgeknipt, en ook dat er goede zeep is te peuren uit de lichaamsvetten. Kunnen wij daar iets mee?’
                Rein haastte zich te vertellen dat in deze tijd van kennis van DNA het een zeer groot risico zou inhouden om van een vluchteling ook maar iets te hergebruiken. Alles, maar dan ook alles, werd in de oven van het slachthuis verbrand samen met de menselijke resten die niet tot voedsel konden worden verwerkt, of samen met het vlees dat vanwege ziekte ongeschikt werd bevonden voor consumptie. Het werd via een aparte ‘route’ wel eerst tot onherkenbaar vlees verwerkt zodat onderweg naar de oven geen risico werd genomen. Was verwerking niet mogelijk werd het via handlangers in het crematorium als bijstook mee verbrand samen met verminkte lijken als gevolg van ongelukken of transplantaties.
                Theorie knikte en verklapte nog dat hij er wel tegen kon een lijk te zien en ook wel onherkenbaar verwerkt vlees maar niet iets ertussenin. Rein zei: ‘Begrijp ik, maar een slager heeft daar gelukkig minder moeite mee.’ Theorie probeerde zijn fantasie een andere kant op te sturen en zei benepen: ‘Laten we het ergens anders over hebben. Weet je nog dat je tegen me zei dat je zulke offers had gebracht: ten eerste om aardig te zijn tegen asielzoekers, ten tweede dat je je geweten opzij had gezet door wel de stap te willen zetten ze te vermoorden, te slachten. Ik wilde je niet chanteren door te vertellen welk offer ik gebracht had, maar ik kan het nu wel vertellen. Ik heb het systeem bedacht van een PAZC gekoppeld aan een abattoir, een slachthuis, om vluchtelingen te slachten en te eten. Ik kan je nu vertellen dat ik zelf geen vlees eet en dat ik ook tegen het eten van vlees ben. Kun je je voorstellen wat zo’n slachthuis voor mij betekent als vegetariër? Wat een offer ík gebracht heb? Je begrijpt dat ik niet naar het productieproces kom kijken en evenmin details wil horen over lichaamsdelen.’ 
Ze namen hier afscheid, Theorie ging die avond niet meer opnieuw langs het PAZC en slachthuis.


<Ze stonden bij een slachthuis. Het is zo goed als failliet, wist Theorie. We kunnen het zo overnemen. >

4
Rein vertelde een week later – alles liep op rolletjes – dat hij al enkele zogenaamd uitgeprocedeerden terug in de procedure heeft weten te krijgen.


Theorie is bij een gedwongen uitzetting geweest waarbij de man in een moderne dwangbuis werd vervoerd en KLM-personeel, marechaussee en  de blijkbaar begeleidende vrouwelijke dokter (in opleiding waarschijnlijk) stonden te lachen. Theorie vond het onmenselijk en stuitend.
                Ze kwamen te praten over de AZC’s die leeg staan nu de vluchtelingen in Zuid-Europa worden tegengehouden en hoe moeilijk het destijds ging toen die AZC’s moesten worden opgericht. Theorie zei: ‘Weet je dat wij staatssecretaris Dijkhoff nog hebben ingefluisterd hoe hij dat moest doen? Iedereen moest natuurlijk eigenlijk wel stiekem lachen. Zo’n neoliberale VVDer  die opeens asielzoekerscentra moest gaan oprichten.  Helemaal  tegen de zin van de partij in natuurlijk. Wij zeiden:  je moet dat niet gaan tegenhouden, je moet dat juist net iets té goed doen. Je brengt er juist flink wat meer naar plekken waar ze dat niet verwachten, waar men op zichzelf is  gebleven.  Dat is goed gelukt. Het protest,  het verzet was daarmee ingebakken. In een villawijk lukt dat niet, die gaan er niet zo tegenin, daar denken ze: we zien wel,  we doen rustig aan, die mensen voelen zich hier toch niet thuis, er is geen busvervoer want we hebben allemaal een auto, dus dat werkt niet, die vluchtelingen gaan zelf overplaatsing vragen.’
                Theorie was in een beschouwende stemming: ‘Kon jij je in je jeugd voorstellen dat je aan een mens, dat zou dan een zwerver geweest zijn, niets zou geven, geen eten, geen onderdak, geen kleren, niets?  Crepeer maar, zeg je dan in feite. Je zorgde altijd dat er een tehuis was waar ze terecht konden. Nu het om vluchtelingen gaat die geen asiel hebben gekregen, doe  je dat niet. Je geeft ze niks, want je vindt dat ze hier niet mogen  zijn. Of nog schijnheiliger: Je zegt dat je ze ’s avonds en ’s nachts wilt opvangen in zogenaamd Bed, Bad en Brood. Maar je weet dat er daar geen plaats is.  En ondertussen laat je ze dan verhongeren en verkommeren. Je profiteert ervan dat er mensen zijn die ze wel iets geven, die ze niet laten creperen.
                Dan vind  ik mijzelf eerlijker, ik geef die mensen geen kans om te leven, ik beroof die mensen zelfs van een kans om te leven, ik verlos ze uit hun lijden, wat mij betreft is dat  oprechter.’

5
Nauwelijks 2 maanden na hun eerste afspraak zat het PAZC tjokvol. Het was het enige AZC in Nederland dat vol zat. Inderdaad was het probleem voor We Are Here letterlijk van de straat. Alle steden keken verwonderd toe. Azc’s concentreerden zich opportunistisch op de ‘makkelijke’ Syriërs en stuurden de moeilijker gevallen, meestal uit Noord- en Midden-Afrikaanse landen van wie de IND vond dat hen niet of niet zonder meer asiel kon worden verleend, door naar het PAZC, mét het gevraagde rugzakje met geld dat staat en gemeente samen vulden. Opeens kon dat!
                Het PAZC zat dus vol, kende het gewenste verloop op de geplande wijze en de halalvlees-markt was als enige in zijn soort razend populair.
                De verkiezingen naderden en Rein kon dat aan Theorie goed merken. De zaken liepen dan wel goed maar wat straalde daar van af op zijn nieuwe partij? Hoe kreeg hij de credits voor de asielzoekers die hij op heimelijke wijze deed  verdwijnen? Want dat ze verdwenen was een feit. Maar het oude probleem was gebleven, want wat kon hij openlijk laten zien? Rein overtuigde hem dat hij rustig door moest gaan met de demonstratieve gedwongen uitzettingen op Schiphol, zelf ging hij door met de demonstratieve ‘vrijwillige terugkeer’, eveneens op Schiphol. Misschien konden ze een persmoment organiseren waarop Theorie demonstratief verklaarde dat die ‘vrijwillige terugkeer’ eigenlijk de ideale terugkeer was voor zijn Partij voor Theorie en Praktijk en dat daar in toenemende mate succes mee werd geboekt. Misschien kon hij wel helemaal overschakelen op die ‘vrijwillige terugkeer’. Misschien kon Theorie zelfs op een bepaald moment wel te voorschijn treden als de man achter het succesvolle PAZC, het azc met het grootste percentage vrijwillige terugkeer!
                Maar Rein wist hem eerst ervan te overtuigen dat zijn invloed oneindig groter zou zijn als hij voor de verkiezingen tot een fusie zou weten te komen met de anti-immigratiepartijen. Het kiezerspotentieel van de PVV moest naar die nieuwe partij worden getrokken waarin Theorie als initiatiefnemer een stevige vinger in de pap zou hebben. Dat leek Theorie wel wat.
                Het gevolg was wel dat ze het vanaf nu tijdens hun wandeling heel veel over die andere partijen hadden.
                Theorie: ‘Laten we eerlijk zijn, we zijn een stel ijdeltuiten bij elkaar. Te beginnen met die Wagensveld van Pegida, dat hier niet van de grond is gekomen in tegenstelling tot in Duitsland, en dus ook geen politieke partij is geworden. Hier bleek hun enkele demonstratie vooral een reünie van extreemrechtse groepjes. Duitser Wagensveld had blijkbaar van Pegida Duitsland de opdracht gekregen de beweging over te brengen naar Nederland. Nou, daar staan ze dan met hun varkenskoppen. Wat moet je met die lui? Weet jij het? Die Wagensveld  is bijzonder ijdel. Die laat zich arresteren om in het nieuws te komen en is opvallend camerageil. Van Geert weten we het: alles waar hij voor op komt, zou je ook om kunnen keren, als hij  maar aandacht krijgt. Als hij maar macht kan verwerven. Nou ja, Roos… die heeft typisch zo’n koppie waarmee je er op het schoolplein om vraagt om gepest te worden. Dat is allemaal compensatie.
                Het is bekend dat we het moeten hebben van stemmen van de massa. Niet alleen aan onderbuikgevoelens appelleren zoals vreemdelingenhaat maar ook aan sociale dingen zoals de zorg en armoede. Dus we moeten inderdaad niet alleen nationalisten zijn maar ook socialisten. Nou ja, daar hebben we voorbeelden van: het nationaal-socialisme. Kijk als je nazi zegt, dan klinkt dat heel erg, maar in feite is nazi gewoon de afkorting van Nationalsozialist. Dat daar allerlei rassentheorieën bijgekomen zijn is een andere zaak. Maar met nationalisme in combinatie met socialisme is niks mee. Geert combineert die ook, de zorg, ouderen, dat doen wij ook. Misschien wij iets minder dan Geert, omdat we wat minder populistisch zijn, maar in feite komt het er wel op neer. Al betwijfel ik of Geert de zorg en de ouderen echt interesseren. Zonder dat sociale komen we er niet. Het is geen geheim dat onze kiezers vaak eenvoudige, zelfs simpele mensen zijn, zelfs al gedeeltelijk dementerende ouderen of zelfs zwakbegaafden. Wat denk je van die mensen die daar in Steenbergen stonden te joelen? Natuurlijk, er zijn weekendhooligans bij, mensen met een nette baan die uit pure frustratie in het weekend de lomperik willen uithangen, maar er zijn ook echte zwakbegaafden bij, er komt soms geen redelijk woord uit. Maar het zijn wel stemmen. Natuurlijk moet Wilders zich distantiëren van een man als Breitvik die 80 mensen heeft vermoord. Maar het feit is dat zo’n psychopaat wel mede door Wilders is getriggerd. Hij heeft hem niet alleen geciteerd maar heeft hem ook in Londen opgezocht toen Wilders daar kwam spreken. Wilders roept een aantal zaken bij de mensen op maar als het dan tricky wordt  dan distantieert hij zich daarvan. Heel verstandig maar… Kijk, wij zijn geen nazi’s, wij sturen geen miljoenen mensen naar vernietigingskampen. Hoewel ik soms denk: zijn wij in het klein ook niet met zoiets bezig? Wat je in het klein doet wanneer je nog niet aan de macht bent, kan iets groots worden als je wel aan de macht bent. En laat ons eerlijk zijn, het gaat er ons helemaal niet om of het nou moslims zijn of joden. Als het vóór de oorlog was geweest, zou het om joden gaan. Het gaat er meer om dat we appelleren aan de vreemdelingenhaat van een heleboel mensen. Eigenlijk gaat het om onszelf. We zijn ijdel. Ik geef het eerlijk toe, ik ben ijdel. Nou, en als er iemand ijdel is, dan is het Geert. Over Jan Roos hebben we het al gehad: wraak nemen.  We willen aandacht. En de leuzen die we daarvoor gebruiken  hangen af van de situatie. Nu zijn het de moslims, zo simpel is het, en nationalisme, tegen Europa. Geert weet niet zo veel, is ook niet bijzonder intelligent, hij is wel erg slim. Hij heeft een demagogie waar ik me voor schaam, maar ja, de mensen trappen erin. Zijn invloed heeft niets met de kwaliteit van zijn redevoeringen te maken maar meer met zijn publiek. Als je politicus van het jaar wordt doordat er naar je invloed wordt gekeken en niet naar de kwaliteit van wat je doet, dan is hij politicus van het jaar. Dan was Hitler de politicus van de eeuw, misschien de grootste politicus aller tijden. Maar misschien wordt dat gerelativeerd door het feit dat hij uiteindelijk heeft verloren.
                Ik heb de levens van Hitler, Mussolini, Mussert en Rost van Tonningen gelezen. Ik weet dat ik hoogbegaafd ben. Maar ja, dat zegt die Baudet ook van zichzelf Weet je wat erg is? Als je moeder tegen iedereen vertelt dat je hoogbegaafd bent.                          
                Wij keren ons tegen de élite, tegen de huidige bestuurlijke élite, maar natuurlijk willen wij daar zelf toe behoren of deze vervangen. We beperken ons tot kritiek op de bestuurlijke élite. Geert keert zich tegen de élite in het algemeen, zegt hij, maar hij bedoelt de bestuurlijke, de intellectuele en de culturele élite, en weet dat hij nooit bij de laatste twee zal horen. Zijn aanhang vindt dat prima, maar hijzelf zou daar eigenlijk wel bij willen horen. Maar hij heeft het gewoon niet. Waar je hem niet over hoort, is de financiële élite. Die valt hij niet aan. Natuurlijk, die wil hij op zijn hand krijgen. Zoals dat in Duitsland in de nazitijd is gegaan met Krupp, Volkswagen, IG Farben (Bayer), enzovoort, met alle grote bedrijven, allemaal achter Hitler.
                En Geert denkt nu opeens dat hij ook wel kan wat Trump kan met een grote mond en een hoop getwitter. Maar hij vergeet daarbij dat Trump niet alleen een heleboel zegt wat gewone mensen zouden willen zeggen maar ook een heleboel heeft wat gewone mensen zouden willen hebben! Geld namelijk. Zeg nou eerlijk, heeft Geert ook maar iets, het kleinste kleinigheidje wat jij zou willen hebben? Denk maar aan Rita. Rita …., zie je nou wel, we zijn haar achternaam al vergeten. Zo gaat het ook met Geert, omdat ze allebei niks hebben wat wij zouden willen hebben.
                Er zijn grote verschillen tussen de anti-immigratie, anti-moslim, anti-Europa-partijen. Maar het  grootste probleem zit hem toch in de ego’s van de leiders. Maar goed, laten we het proberen. Degene die met het fusievoorstel komt maakt in ieder geval een goede beurt bij de kiezer.’
                ‘Goed,’ zei Rein, ‘we doen het in Carré.’

6
Op de fusiedag van de anti-immigratiepartijen zat Carré voor driekwart vol. Er waren detectiepoortjes en legitimatiecontroles, het was voor genodigden. De besturen van de partijen zaten op de eerste rij. Iemand mompelde: ‘Daar zit voor 500 jaar lik op een rij.’ En oogste daarmee zowel besmuikt gelach als protest in zijn directe omgeving. ‘En dan zit Geert er nog niet eens bij,’ waagde toch iemand. Geert zou inderdaad met zijn bewakers in een kamertje ergens beneden zitten maar zou wel spreken, fluisterde men.    
                De sprekers zeiden allemaal op iets andere wijze hetzelfde en eindigden zelfs exact hetzelfde:
                ‘Daarom is de PVV de enige partij die…’
                ‘Daarom is WNL de enige partij die…’
                ‘Daarom is het FVD de enige partij die…’
                ‘Daarom is de PTP de enige partij die…’
Elke deelnemende partij had de pretentie de leiding te nemen in de nieuwe fusieorganisatie. Er zou nog heel wat commissiewerk nodig zijn wilde men om te beginnen met één programma en één lijst de verkiezingen in gaan.
                Toen de besturen in de slotceremonie samen op het podium stonden, kwamen er plotseling uit luiken, coulissen, uit de hemel van het toneel, langs kabels en touwen, op rolschaatsen, 100den, men zei later wel 1000,  vluchtelingen tevoorschijn met banieren, spandoeken en borden die het podium en het publiek in de zaal volledig insloten. Er werd al meteen gefluisterd dat ze, via een ondergrondse gang naar de kelders van Carré, uit de atoomschuilkelder onder metrostation Weesperplein kwamen. Ze zongen:
We are here and we will fight
cause shelter and freedom
is everybody’s right!
Theorie was in de praktijk altijd maar voor één ding bang geweest. Hij had namelijk stiekem zelf toch één bladzijde verder gelezen dan het  verhaal De mensenhandelaar van Amsterdam. En sindsdien was hij bang ooit uitgeleverd te worden aan de Tsjoewaziërs. Op die bladzijde stond namelijk beschreven welke begeleiding Hašek, de latere schrijver van ‘Svejk’, meekreeg naar de stad Bugulma in het verre Rusland, waar hij commandant zou worden als de stad veroverd zou zijn, iets waarvan lang niet zeker was dat dit ooit zou gebeuren. Zijn begeleiding beloofde ook al niet veel goeds, want die beschreef Hašek als volgt:
                Beneden bij de wacht stond mijn begeleiding. Twaalf  forse kerels, Tsjoewaziërs, die maar heel weinig Russisch kenden, zodat ze helemaal niet duidelijk konden maken of ze gemobiliseerd of vrijwilligers waren. Naar hun rechtschapen en verschrikkelijk uiterlijk te oordelen, waren het eerder vrijwilligers, tot alles bereid.
De combinatie van een rechtschapen en verschrikkelijk uiterlijk met het feit dat ze vrijwilliger waren en tot alles bereid, was de oorzaak van de vele nachtmerries waaraan Theorie sindsdien leed. De Tsjoewaziërs doken voortdurend in zijn dromen op als de wraakengelen van alle asielzoekers die hij had laten vermoorden. In een zwakke bui had hij dit ooit aan Rein verteld. Het resultaat was dat vandaag 12 van de grootste zwarte mannen, waarvan Theorie dacht dat ze allang verorberd waren, met wilde pruiken op en knuppels in hun handen op Theorie af stoven en vlak voor hem overgingen in een krijgsdans en zongen:
                Tsjoetsjoetsjoe….wawawa…zizizi…
Theorie zakte van schrik in elkaar, stierf ter plekke en ontkwam zo aan een levenslange gevangenisstraf vanwege de opdracht tot moord op honderden asielzoekers. De leiders van de andere partijen die als medeplichtig beschouwd werden waren jaren bezig aan te tonen dat ze wel het doel hadden asielzoekers kwijt te raken maar van deze methode nooit op de hoogte waren geweest.
                De kiezers van de anti-immigratiepartijen namen hun leiders vooral kwalijk dat ze zo afgegaan waren, er werd overal om ze gelachen. Tsjoetsjoetsjoe….wawawa…zizizi…De aanhang schaamde zich voor hun leiders en minachtte hen. Ze namen zichzelf kwalijk dat ze in zulke lui geloofd hadden en verloren hun interesse.
Dit was het einde van het verhaal De mensensmokkelaar van Amsterdam ofwel De moderne menseneter of Het geheimzinnige halal slachthuis.

7
Ik kende Rein al heel lang. Het was altijd al een bijzonder figuur. Van alle markten thuis, was de beste kwalificatie. Hij was een man met een fantasie zoals je die zelden meemaakt. Maar geen fantast. Fantasie was voor hem een middel om te interpreteren wat hij zag en meemaakte en fantasie was voor hem een aftasten van mogelijkheden, van wat gemaakt, ontdekt, ontwikkeld zou kunnen worden.            
                Hij vertelde dat ze met meerdere mensen hadden gesolliciteerd. ‘Als een van de anderen het was geworden, zou die zich hebben teruggetrokken. Het was al snel duidelijk dat Theorie nooit naar de vleesproductie zou durven komen kijken. Er hoefde dan ook helemaal geen extra slachtruimte te worden gebouwd en ook geen ondergrondse gang tussen PAZC en slachthuis. Wat wel moest gebeuren was dat de vluchtelingen daadwerkelijk verdwenen.
                Dat losten we op door ons te verdiepen in de schuilplaatsen van Amsterdam. We gingen daarin heel ver, terug tot in de 17e eeuw, in de statige grachtenpanden, kerkers, kelders, tot aan de katholieke schuilkerken toen het protestantisme de staatsgodsdienst was. Ook gebouwen waarvan we wisten dat er in de Tweede Wereldoorlog op min of meer grote schaal mensen waren ondergedoken.

Maar het meeste en ook het meest massale hadden we aan de atoomschuilkelders die tijdens de Koude Oorlog gebouwd waren, en vooral wanneer deze samenvielen met de bouw van de metro, en dan met zowel de afgebouwde Oostlijn als de nooit afgebouwde Oost-Westlijn Gaasperplas – Geuzenveld. Het hervatten van de metrobouw 15 jaar geleden, nu voor de Noord-Zuidlijn, de geweldige budget- en tijdsoverschrijdingen, wat ook gold voor, en wat in tijd deels samenviel met, de verbouwingen van zowel Rijksmuseum als Stedelijk Museum, wezen niet alleen op de nog steeds bestaande bouwfraude, een onontwarbare verknoping van boven- en onderwereld, het maakte ook weer bouwwerkzaamheden bij die ‘oude’ atoomschuilkelders mogelijk, onder het mom dat alles onder de grond met elkaar te maken had, al was het maar om zaken uit te testen. We hadden aanvankelijk niet veel nodig, meestal beperkte het zich tot het weer toegankelijk maken van de atoomschuilkelders, noodzakelijk onderhoud en het weer in werking stellen van de voorzieningen.
                De bouwfraudeurs werden gechanteerd door onze infiltranten en durfden hier officieel niets tegen te ondernemen. Hoewel ze, toen ze vermoedden dat er onder de infiltranten asielzoekers zaten, wel probeerden om de burgemeester tegen ze op te zetten, wat deels lukte, anders was de houding van de burgemeester niet verklaarbaar. Deze ging namelijk pogingen in het werk stellen om de asielzoekers naar het PAZC te lozen, in de hoop dat ze van daaruit snel doorgesluisd zouden worden. Dat lukte ook, maar vanaf het PAZC hadden wij natuurlijk de route in handen. We lieten ze onderduiken, net als de andere mensen van We Are Here. We tikten de fraudeurs op hun vingers door wat te laten lekken over een van hen – het ging in dit geval om een ambtenaar – en daarmee waren ze weer in het gareel.
                We zetten bedrijfjes op onder de paraplu van legale Nederlandse bedrijven. Een hoog ontwikkelde afdeling legitimatie maakte het mogelijk voor de vluchtelingen om bijna volledig aan het maatschappelijke leven deel te nemen. Ze bestonden weer. Nieuwe asielaanvragen vanuit hun nieuwe identiteit waren zo goed als altijd succesvol.
                Op  stations van de Noord-Zuidlijn waar nog gebouwd werd waren we in staat af te dwingen dat de ruimte net iets breder werd, anderhalve meter bijvoorbeeld. Op de plaats van de oorspronkelijke muur lieten we een verplaatsbare wand plaatsen met daarvóór en vast er tegenaan aan de publiekszijde van vloer tot plafond een aluminium scherm van smalle verticale strips. De wand kon vanaf het aluminium scherm naar de muur worden geplaatst, zodat je tussen de wand en het aluminium scherm kon lopen dat van deze kant doorzichtig was. Je liep langs het scherm, dat op elke plaats kon worden geopend om iemand door te laten, opende dat met je telefoon al lopend en stapte de publieke ruimte in. Je deed dat als er geen mensen waren die dat konden zien, wat hun trouwens moeilijk gemaakt werd omdat er voortdurend op het scherm voorbijgangers geprojecteerd werden. Met je telefoon liet je de wand weer tegen het aluminium scherm schuiven.
                Tussen die wand en dat scherm hebben we nog 2 duidelijke IND-ers, waarschijnlijk ook gestuurd door de burgemeester, een paar uur vastgehouden. Ze liepen maar heen en weer, we lieten de wanden tot vlakbij ze komen en projecteerden ondertussen hele stoeten voorbijgangers op de wanden en ook op driedimensionale kolommen, en die 2 maar op hun telefoons bezig die we ontregeld hadden, en maar zoeken naar een uitgang, tot we ze uiteindelijk vrijlieten en ze op het eerste het beste bankje in het metrostation neerzakten.
              Want een verdere ontwikkeling is, vertelde Rein, dat we met onze telefoon driedimensionale beelden in de ruimte kunnen projecteren. Als projectiekolom gebruiken we heel fijne druppeltjes, een soort mist, of ook rook of stof, zoals bij een regenboog of de zon die op een natte weg schijnt of in een stoffige stal. Omdat die kolom volume heeft kunnen we driedimensionale beelden projecteren. Door middel van magnetisme halen we via onze telefoon die druppeltjes of dat stof overal vandaan. Een plasje op de vloer, een geopend flesje water, de emmer van een schoonmaker, stof in hoekjes, op een buis aan het plafond. Zo kunnen we onszelf al lopend in de publieke ruimte projecteren voor we daar werkelijk zijn. Zo is de voorbijganger al aan ons gewend. Of we kunnen zelfs al voor we weer in de geheime ruimte verdwijnen een scherm tussen ons en het publiek projecteren. Dat mag natuurlijk niet gebeuren als een duivel uit een doosje. Maar zo beschermen we onze vluchtelingen dus, door ze de officiële wereld in en uit te laten stappen.’
Wat die verstelbare wanden betrof geloofde ik Rein nog wel. Maar zoals ik zei: Hij was een man met een fantasie zoals je die zelden meemaakt. Maar geen fantast.
Ik had werkelijk geen idee of hij die fantasie, van de driedimensionale projectie van mensen en dingen op minuscule waterdruppels die hij door middel van magnetisme uit een plasje haalde, en dat allemaal met zijn telefoon, al had kunnen waarmaken.

The Amsterdam human smuggler

1

Theorie was a young yet mature man of around 35 who never really knew for certain how he had gotten his name. Was it supposed to be like ‘Theorie’ as opposed to ‘practice’? Did his mother call him this as a ‘pay-back’ against his father who had abandoned him before his birth? Did she do this to revenge his father – to which he taken a distinctive resemblance? What Theorie himself always said was “Theorie  precedes practice and then it is Theorie which returns back from that practice.” Yes, yes of course that must be so, people would say ironically. Or was the origin of the name a combination of his grandfathers from his father’s side with his grandmothers name on his mother’s side? Theo and Rie. In anycase his mother found this a bit comical – but she also disappeared from his life before he could actually ask her more about it. Whatever the origin of the name was, Theorie was not satisfied with his life thus far. He did not have the smarts for anything scientific nor to become rich. He could not write nor did he possess any artistic abilities so he thought to himself – I will go into politics as a right-wing populist! And what was the political catch phrase that everyone was talking about – the mass immigration of refugees. Yes! And Islam, and nationalism, and being against Europe…Yes! Obviously there was already lots of activity on this front, but Theorie thought he could at least add a somewhat intellectual flavor to it all. He did often over-estimate his own abilities. He thought he was being original when he said it was not enough to just speak against the immigration wave, that we have to tighten and even close the borders, that we should send them back. He wanted to actually show in action that he could in fact get refugees to return to their home countries and that less of them would come into the country. This last part, about less coming into the country he thought was rather cunning of himself; the refugee stream should not be cut off completely because it was in fact  their existence in the country which had and would continue to create support for his populist right-wing political cause. As Theorie you also should be practical. And that is why he gave his party the name The Party for Theory & Practice or PTP.

It was at this time that Theorie found the quotation. Not that he was the kind that would frequent book-stores, but he would sometimes rummage through the on-sale books which were set out on tables outside.  For 1 or 2 Euro you could hardly go wrong. The title caught his attention immediately; ‘The People-Trafficker of Amsterdam’. It was of course ‘the Amsterdam’ but also ‘the People-Trafficker’. People-smuggling, trafficking in women, all of these are topics of the day.  He did not know the author of the book and only later recognized that he was the same author as <The Good Soldier Svejk>. He knew this book but was not overly impressed by it. This Soldier Svejk appeared to him a bit of a fool, a loser. This book seemed also to disappoint him; they were very short stories and the story entitled ‘The People-Trafficker of Amsterdam’ was actually only 3 pages long. And that turned out to be only about the impact of trashy sentimental novels on the lives of some people. So that did nothing for him.  But then he read this:
 <In an isolated back street of Amsterdam, near the harbor, where almost a hundred aliens disappear every year, there is a small café that also rents rooms. In the drinks that are given to the people who overnight here they add sedatives and then…..the bed and guest are dropped through a trapdoor to  the basement. A knock on the head, a chilling muffled cry …. Beside the café there is a butcher’s shop. Their meat is so cheap the low prices ensure the store is always full of customers. The meat The has a strange taste – there is indeed human flesh cut! Do you want to know how that works? In the basement, the ‘guests’ are beaten to pieces with a blow from an ax, slaughtered, cut up and then at night the meat is transported to the butcher shop.>
Theorie forgot about his cute intellectual touch that he wanted to add to the refugee question, he now knew exactly what he had to do!

But not long after all of this, he also realized that someone with his reputation could not possibly do this by himself. He would need to set up his very own needed Asylum Center, an AC but a very specific type of AC , a Private Asylum Center, a PAC. We should all do what we are good at, add value in his or her own particular way. And one with a butchers shop nearby! He placed an advertisement.

An ad looking for the director or a PAC ….beside an Islamlic or Halal butchers shop?

No that would not do. Because Theorie was convinced that someone who applies for a ‘pro-refugee’ position does not get to the opposite, especially not to the extreme opposite, the other extreme.

But one could expect it the other way around and you could never obviously place an ad for the murdering of refugees. Not yet anyway. Some people will just have to have some patience!

Theorie placed and ad for a ‘personal-assistant’.  An ‘assistant for him, Theorie, with his anti-refugee, zenophobic anti-foreigner, anti-Moslem, and anti-Europe reputation. Anyone answering the ad would have to be interviewed to be clear that in fact the opposite would be expected of him as appeared in the ad. At this point one would have to see how the respondents would respond.

But one had to think this through. If this person, after some thought, still said yes but then later succumbed to his ‘pro-refugee’ sentiments, especially when it came to actually physically eliminating them, the person would not be able to turn back. Theorie had to think this through.

So he placed the ad for a ‘personal assistant’. About dozen people responded and it seemed that  most had drawn the conclusion that he needed a bodyguard and accordingly these types answered the ad.

A totally different type, an old hippie with a pony-tail but not so old, around 45 or so, aroused his interest. Theorie asked him “Do you know my company goals? OK fine. But are you willing to provide some special in-put, are you willing to make some personal sacrifices for the job?

You will have to do exactly the opposite of what the advertisement actually says! 

You have to go up at the station and pick up asylum-seekers and bid them welcome, you have to register them and even coddle them if necessary and set up a reception center. Are you able to do that?

I have to know that first before I explain myself. If you do not immediately say no, then I want you to sleep on it for a night and come back tomorrow, we’ll talk further about it. At least if you agree to my proposal without asking questions and without knowing exactly what it entails or why, then we can proceed further.”

The next day without asking any questions, the applicant, named Rein said yes.

Well, “said Theorie, “our goal is to get rid of asylum seekers. I can tell you that now is really what you wanted and what is the reason you came here, and we can reach that goal.

The question is really, what are you willing to do to achieve this?  You have indicated that you are willing to go totally against the values which you had at first indicated were your own and can pretend publicly to be a ‘friend of asylum-seekers’.  But the real question is: what are you ultimately willing to do about getting rid of asylum seekers? How far dare you go?

   I’m not saying you should have to, but I need to know if, for example you might commit in bourgeois jargon ‘a crime’, even if it included a murder, would you do this to get rid of asylum seekers?

At this point the applicant ‘personal assistant’ wanted a couple of days to think it over.

After those few days he came back and said: “It is not easy. I’m not used to do things against my character, against my conscience. It is very hard for me to be pro asylum-seeker, to be kind to them, to ‘coddle’ them. But it would just as difficult for me to murder them. I am against asylum seekers, but I’m not a murderer.

But I believe that it will still succeed me, right by this combination of the two that the contradiction between the two raises. I must first act very much against my nature  and act warm and welcoming and coddle them – and because I will find this so revolting and frustrating it will generate enough aggression in me, that I could probably be able to actually murder them. So yes, I will do it!

Theorie patted him on his shoulder and hugged him. “I knew I could count on you. I know when I look at people what kind of dwells inside. 

2
In the following days they walked around a lot in the dark – they could not be seen together. Officially, they each represented a totally different- each one hostile to each other -side of the asylum issue. Usually it was Theorie that did the talking and it  seemed as if he had not been able to really discuss his inner most thoughts before with anyone. It seemed that he Rein regarded as his great sounding board, perhaps because they were so different. Rein looked around 40-ish, not that old, perhaps 45, but looked like an old hippie, with pony-tail. Theorie looked around mid-thirties and was dressed in a suit and looked the’ ideal son-in’.  
On their walks Theorie usually wore a hat. He was too restless to sit down anywhere and they often walked along the canals. Properties that had accessibility to water were of peculiar interest. They stood in front of an old butchers shop – Theorie knew it was nearly bankrupt.
We can take it over you know – and probably right away. There is another bank over there, but those banks have drastically cut back, they were bailed out once but that will not happen a second time, they face a huge loss of image. So that building will most likely also soon be empty. 
Apart from exploring the places where everything which was being planned would take place,  Theorie, described his idea how they would explain-away the disappearance of their allotted refugees, and how   they would explain their much larger number of people compared to other ordinary ACs. And finally, he wanted to show how he wanted to maintain his supply of refugees.
“Look,” said Theorie, “we therefore provide a thru flow of people without obviously explaining the reason why. At least not at first, perhaps later when other more countries come to realize that it really cannot be otherwise. How then do we explain how we are arriving at such a high rate of thru traffic.  
There are a number of possibilities to explain the discrepancies  – people disappeared on their way to the asylum centrum in Ter Apel because they went under-ground, others were distracted by the temptations of the big city, who think they can find their way outside of any asylumcentres.
There are also in those in Ter Apel , individuals whom are actually extradited or whose refugee status is rejected. These are just a few, but where possible we should take advantage of that and act as if we were responsible. We can play the same game as the Dutch government – play dumb and pretend we do not know that those people be immediately arrested on arrival, decapitated or at least locked up.
We bring a group of people to Schiphol, they wave to the press there, but somehow they never actually arrive at the gate. Via a short-cut we get them slightly disguised return somehow via a back-door back to Amsterdam, draw their plan, or log on to ‘We Are Here’ and the circuit begins again.
‘We Are Here’ is a group of about 200 according to the government of failed asylum seekers who cannot return. That is our first target. Another group gets on the plane…. but then returns with the next plane back to the Netherlands. We have already agreed to that with some corrupt authorities on the other end and with ‘new documentation’ they would just look like ‘fresh’ or new asylum-seekers. That way we can keep the stream of refugees flowing.
Of course there will also be those with a little pocket money who really will attempt to return to their country of origin, in the knowledge that they really have no chance in the Netherlands and hoping still to escape the authorities in their own country.
Some think that with a couple of hundred euro they can start some kind of small business. Hope is a strange thing and does funny things to people. And hope will return even if it has to take some detours.
If indeed it does not succeed in their land of origin, they then suddenly hope that it will all succeed the next time and they stand with luck again at our doorstep and subscribe to our “procedures”, not at understanding what that actually entails. But people are stubborn, especially in their hope.
People who end up using a smuggler will inevitably keep coming back to Europe.”
Theorie said after they had dodged an oncoming group of noisy young Moroccans. “It really is a hopeless case and ends up costing a fortune. It would be cheaper and more effective than to have just leave a hole in a Greek fence and then start some Balkan fires – we do have local contacts for that. Increasingly far-right parties in fact see that a full closure is counterproductive to their supporters. People would think that things have settled down, the refugee flow has stopped and people could fall back asleep again and the traditional political parties could continue with their traditional inertia. So with a breach in a fence where a few thousand refugees break through the blame game can begin again and voila -everybody focused again.”
Before they departed Theorie put a copy of the book “The Amsterdam trafficker” in Rein’s hand. “Here,” he said, “do not waste time and only read the lead story from the title then you will understand exactly what I’m getting at. Look after the book well. It could give some others the idea.   I will look after the real-estate we need.   Think carefully about the secret connection between PAC and the butcher. Hire some staff for the PAC, and ensure that there is one person you can trust and which ensures the supply of PAC to butchery. The rest of the staff – let this person hire them – should know nothing. Hire a butcher which you can rely on blindly because he is on our side but preferably also because you know something about him. Let him hire his own staff at the butchery. ‘Great, that should about do it!’ ‘he heard himself say and could not avoid the cliché of our times – “Have a nice day” he said. But otherwise everything went fine.
He gave Rein a warm handshake – he had found himself a confident and side-kick!

3
Theorie had been proven right. The butcher’s shop did indeed want to be acquired and the reorganized bank was only too happy for a deal now that there was interest in the building. There were now built in 400 roomettes,  a common kitchen,  washrooms with showers and a recreation room.
They walked around the buildings. Rein told him that there was an underground connection between PAC and the butcher shop which also had two new cold rooms and in between a slaughter room.
Only the head butcher is allowed in there and will be processing other than products from the PAC as bushmeat, which will be mainly monkey meat, and occasionally a Highlander or a buffalo or other wild meat from other Dutch sources.
“Agreed,” said Theorie, “there should be quite a throughput from the PAC, at least 10 per week. Should not be any more than this – but  the pace should be kept constant. The meat must indeed be handled personally by the butcher. When others encounter it must already be unrecognizable, no longer be traced back to a human being.
In order to distract and mislead the introduction of the bush-meat range is quite good. Furthermore,  sheep, goats, cows, chickens, would add to the assortment. Meanwhile, all those who leave the PAC, for several days or permanently, does not matter, will exit through the butchers. Sometimes they are taken away officially during the daytime but we’ll take them back at night drugged.
 Oh yes we also have vegetarian meat. If we get complaints that it tastes too much to just flesh, we refer to the label that says “Made and processed in an environment with carnivorous plants.” Let’s all just agree to that. I’ll give you a completely free hand in both the renovation and in managing the PAC and butchery. I trust you.”    
They had in the meantime walked on a bit and ended up in front of a building full of slogans and banners.
“Oh yes,” said Theorie again, “we start by offering to provide shelter. Considering  the very questionable way Amsterdam is dealing with ‘non-documented’ and rejected asylum-seekers, it would actually make us look very good. Often we are dealing with people with absolutely no identity papers or documentation of any kind, are unregistered and at most have only very superficial identification. When these people ‘disappear’ no one will raise a finger. We would have to take account of the various groups within We Are Here, WAH. While not a very tight group in itself, their various components [ like  Swahili, French speakers, Somalis etc etc] are.
“Leave that to me” said Rein. “As soon as we provide the people from ‘We Are Here’ shelter it will create a lot of PR for us. Many AC will want to send us their difficult cases. Well that would be great for us answered Theorie, as long as they pay. The various municipalities will also want to send people from the BedBathBread. Which is fine …as long as they pay! We are a private organization and we are not only solving the problems for the Secretary of State, but also assisting the municipality of Amsterdam in dealing with their huge problem, which the mayor has only made worse with his stubborn stickling to vague legalities. We will fix it for them – as long as they pay.  We take WAH at once completely and if the municipality does not quickly pay us, they will face the risk that we would put them all back on the street at once, transporting them all directly to City Hall.”
Theorie had another point. He had seen on TV people recycling all sorts of things on Lesbos – life jackets and other things washed up on the beach. He asked Rein: “What do we do with refugee remains, their belongings, but also their actual body substances which could not be processed as food?
I read that during World War II the Germans not only extracted gold from teeth, but also made expensive wigs from hair that has been cut off for the dead, and that they were able to make soap from body fat. Can we do something like that?”
Rein hastened to say that in this age of knowledge of DNA it would pose a huge risk to even reuse something of a refugee. Everything, absolutely everything, was burned in the furnace of the slaughterhouse together with the human remains that could not be processed into food, or together with meat which has been declared unfit due to illness for consumption. But first it was processed into unrecognizable meat through a separate ‘route so that no risk was taken on the way to the oven. Processing was not possible it was burned as co-firing using henchmen in the crematorium along with mutilated bodies as a result of accidents or transplants.
Theorie nodded and admitted that he had no problem with a corpse or cadavers or even unprocessed meat but could not stand something in between. Rein said, “I understand, but a butcher fortunately has not problem with that.” Theorie steered his imagination into a different direction, and said small-mindedly, “Let’s talk about something else. Remember when you said you would have to make a sacrifice to me, namely at first to be nice to asylum seekers, and then you had put conscience aside again in order to murder them and take them to the slaughter. I did not want to blackmail you by telling what a sacrifice I had made, but I can tell you now. I’ve devised a system PAC linked to an abattoir, a slaughterhouse to slaughter refugees and then eat them. I can tell you now that I do not eat meat and that I’m against eating meat. Can you imagine what such a slaughterhouse means for me as a vegetarian? What a sacrifice I myself had to make? You understand that I did not come to look at the production, nor did I want to hear about all the dirty details about body parts.” 
They then departed and went their different ways – Theorie did not go again that evening to the PAC and the butchers.

4
Barely two months after their first meeting their PAC , the Private Asylum Center was completely full. It was the only reception center in the Netherlands that was full. Indeed the problem for ‘We Are Here’ literally had disappeared. All Dutch cities watched in wonder and some envy. Other AC’s focused opportunistically on the ‘easy’ Syrians. They sent the more difficult cases -mostly from North and Central African countries – whom the Immigration and Naturalisation Service (INS) did not accept as having enough believable documentation about them and thus could not be granted further asylum to the PAC. They provided them with the requested backpack with some pocket money that state and municipal authorities had between them provided.  Suddenly this all became possible, where in the past it would have been unthinkable!
The PAC was so full and the desired results had been achieved – the halal meat market was the only one of its kind and extremely popular.
The elections were approaching, and Rein could see that Theorie was more than well aware of this.  The business was good but in what way did this influence the chances for his party in the elections? How would he be able to cash in with votes all the good work he had done for the refugees but making them in fact to disappear? Because their disappearence  had now become a reality. But the old problem remained, because he was very limited in what could he openly reveal.
Rein had convinced him to go quietly on with the demonstrative forced evictions at the airport, he himself went through with the demonstrative ‘voluntary return’, also at Schiphol.
Maybe they could organize a press event wherin Theorie would ostentatiously declare that “voluntary return” was actually the ideal return for his Party for Theory and Practice, and this is where his party had achieved the most success.  Maybe he could switch completely over to  ‘voluntary returns’. Theorie could possibly even at some time come out as the very man behind the successful PAC, the asylum seekers’ center with the largest percentage of voluntary returns.
But Rein convinced him that his influence would be infinitely greater if he could find out before the election to try and achieve a merger with all the other anti-immigration parties. The PVV (PFF, Party For Freedom) voters potential had to be drawn to the new party which Theorie as the initiator would have a firm finger in the pie. That appeared to be something which Theorie found  both intriguing and possible.

5
The day  which had been chosen for the merger of all the of the anti-immigration parties a meeting had been arranged at Carré which was about three-quarters full. Temporary security gates had been set up along with identity checks, and it was all for an invited audience only. The official boards of the parties sat in the front row. Someone muttered, “There’s 500-year clink in a row.” And this comment garnered laughter and some furtive protest in the immediate vicinity. “And Geert is not even there,” some added. Geert would indeed not be on the stage yet – he would sit down somewhere with his guards in a room but would speak later they whispered.
The speakers all seemed to be saying the same thing but  different ways but in the end were exactly the same:
“That’s why the PFF is the only party that … ‘
“Therefore VNL is the only party that … ‘
“Therefore, the FFD is the only party that … ‘
“Therefore, the PTP is the only party that … ‘
Each participating party had the pretension to take the lead in the new merged organization. There was still a lot of committee work needed if one wanted to obtain a unified single program and candidates list going into the elections.
When the boards of all the parties had assembled together on stage for the closing ceremony, the unexpected happened. On stage, there appeared suddenly out of doorways, side-wings, ‘exits’ which had been previously closed, from the sky-lights above along cables and ropes, from stage-right and stage- left, from back-stage, and on roller skates, hundreds, it was said later thousands of refugees with banners and signs entirely surrounding the stage and the audience in the hall.
It was immediately assumed that they had all somehow snuck in through an underground hallway to the basement of Carré, which connects to the fallout shelter underneath Weesperplein Metro Station.
And they sang:
We are here and we will fight
cause shelter and freedom
is everybody’s right!
Theorie was ever only afraid of one thing. He had secretly read one page beyond the story <The people-trafficker Amsterdam>. And since then he was most afraid to be ever extradited to the Tsjoewaziërs. On that page was namely described how Hašek, the future author of “Svejk” was given an introduction to the city of Bugulma in distant Russia, where he would be commander if the city would be conquered, something which was far from certain ever to happen.
His guidance promised even though no good, because they were described by as Hašek follows:
<Down at the entrance stood my guard. Twelve strong guys, Tsjoewaziërs who knew very little Russian, so it was not entirely clear whether they were conscripts or volunteers. To judge by their righteous and terrible appearance, they were volunteers, and ready for anything.>
The combination of their righteous and terrible appearance and the fact that they were volunteers and willing to do anything was the cause of many nightmares that Theorie since suffering. The Tsjoewaziërs appeared constantly in his dreams as revenge angels of all asylum seekers he had murdered. He had told this to Rein in one of his weaker moments. The result was that today, 12 of the largest black men, who Theorie thought were already eaten, with wild wigs and bats in their hands approached Theorie in a war dance and sang:
<Tsjoetsjoetsjoe….wawawa…zizizi…>
Theorie collapsed from fright and died on the spot and thus escaped a certain life sentence for ordering the murder of hundreds of asylum seekers. The leaders of the other parties spent their next years trying to prove their innocence and trying to prove that while they did want to ‘get rid’ of refugees, they had never known or approved of this deadly method.
The voters of the anti-immigrant coalition blamed their leaders for their present situation – people everywhere were laughing at them.
<Tsjoetsjoetsjoe….wawawa…zizizi…>
The supporters were ashamed of their leaders and despised them. They blamed themselves that they had believed in such sordid people and lost interest.
This was the end of the story <The smuggler from Amsterdam> or <The modern man-eater> or <Mysterious halal slaughterhouse>.

6
I had known Rein for a long time. He was always a kind of unique figure. An all-rounde  was perhaps the best overal qualification. He was a man with an imagination as you rarely experience, but was by  no means a dreamer. Fantasy was for him a means  to interpret what he saw and experienced; it provided him with possibilities  that could be developed further. He said he had applied for the job with several other people. “Had it been one of the others they would have withdrawn. It was soon clear that Theorie would never dare to come and watch the meat being produced.  Therefore there was never any reason for any additional slaughter area to be built and no underground corridor between PAC and slaughterhouse was really needed. What had to happen was that the refugees would actually just disappeared.
We resolved the problem  by just researching and immersing ourselves in the historical shelters of Amsterdam. We went  quite far back into the 17th century, in the stately canal houses, there were dungeons, cellars, and even places where hidden Catholic masses were held  when Protestantism became the state religion. We even included buildings that we knew were  hiding places  in the Second World War. But most and the most massive, were the atomic bomb shelters that were built during the Cold War, and especially if it coincided with the construction of the Metro subway system, and then with both the completed East Line and the never-completed East-West Line Gaasperplas – Geuzenveld.
The resumption of underground construction 15 years ago, for the North-South line, the great budget and time and cost overruns, happened and coincided at about the same time as the renovation of both the Rijksmuseum and the Stedelijk Museum. What we had was an ongoing construction fraud – an inextricable linking of the above-ground and literally and figuratively the underworld. This had all made work on that legacy atomic shelters possible, under the pretext that everything below the ground was related  with each other, if only to get to try different underground building methods. 
We did not need much initially, limited mostly to just making the atomic bomb shelters accessible again and providing the necessary maintenance up-keep to start operating the facilities.
Construction fraudsters were blackmailed by our infiltrators and dared not officially complain.  Although when they suspected that there were asylum seekers among the infiltrators they tried to mobilize the mayor against them, which succeeded in part. Otherwise the attitude of the mayor was not really explainable.
The mayor had made efforts to discharge the asylum seekers to the PAC, hoping that from there they would be quickly channeled back to their home countries, or at least somewhere else. That worked, but from the PAC course we had the route in hands. We let them go underground, like the other people of ‘We Are Here’. We kept continual pressure on the fraudsters through threatening some leaks on one of them –  in this case to a local city official – and they were quickly back in line.
We created small businesses under the umbrella of legal Dutch companies. A highly developed division legitimacy made it possible for the refugees to participate almost fully in social life. They started to exist again as useful human beings. New asylum applications from their new identity were almost always successful.
Stations along the North-South line which were still being built we were able to enforce that the space was just slightly wider, the wall was originally planned we fitted narrow vertical strips for example by about one and a half meter. On the spot where the wall was originally planned we fitted narrow vertical strips of aluminum screens  which went from floor to ceiling. Between the most outward-built wall of the subway and the aluminum screen we made a movable wall, which in it’s normal state fit firmly against the aluminum screen.
The movable wall could be shifted from the aluminum screen to the stone wall, so a person could just fit in between them. At your side the aluminium screen was transparant. You walked past the screen, which could be opened with your phone at any place to let you through, opened already running and you stepped into the public space . One could do that when there were no people around who could see what was happening. In order to make it even more unclear and opaque for any potential viewers people would be continuously projected on the screen as by passers.
A further development, Rein said ,was that we could project three-dimensional images with a mobile phone into space. As a projection column, we used very fine droplets, a kind of mist, or even smoke or dust, such as a rainbow or the sun shining on a wet road or in a dusty barn. Because this column has volume we could project three-dimensional images. Through activating magnetism we get through our phone droplets or dust from everywhere.  A puddle on the floor, a bottle of water, the bucket of a cleaner, dust in corners, on a pipe or on the ceiling. We could project ourselves while walking in public space as if were really actually there. So the passer-by would already be accustomed to having others sharing the space . We could even disappear before we got in the secret space by projecting a screen between us and any potential viewers. This should not be done as a sort of operatic ‘Deus ex machina’ but rather as a way we can protect our refugees, by bringing them into and out of the official world at a time of our choosing. 
Regarding these adjustable walls, I think I believed Rein. But like I said, he was a man with an imagination as one rarely experiences – but he was no dreamer.
I really have no idea whether he could in fantasy or in reality produce these three-dimensional projections of people and things in tiny water droplets that he pulled through magnetism from a puddle, and all with his phone. 
___________________________________________________



Special: Verhaal voor en over vluchtelingen
Dit is een special met het horrorvluchtelingenverhaal DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM, dat voor het eerst verscheen op 18 januari 2017 in het HetWerk66A, literair kladschrift van Meurs A.M., en dat hier en daar een schok veroorzaakte. Op 18 februari 2017 werd door middel van inlegvellen een Engelse vertaling, THE AMSTERDAM HUMAN SMUGGLER, toegevoegd. Deze special is de derde editie van de gecombineerde Nederlandse en Engelse uitgave, speciaal ter ondersteuning van de vluchtelingen tussen procedures van www.wijzijnhier.org die niets krijgen van staat of stad en evenmin terugkunnen naar hun land van herkomst. De volledige verkoopprijs van €4 gaat naar ongedocumenteerde vluchtelingen. U kunt deze uitgave via internet bestellen bij Boekwinkeltje Wonderland.
U kunt ook €4,92 (inclusief verzending) overmaken naar IBAN: NL39 TRIO 0379 7145 66 van AMJ Meurs ovv een door u gewenst adres.
Ik kan me als schrijver inbeelden wat er kan gebeuren als de vreemdelingenhaters onder ons nog 1 stap verder gaan.
Dat werd, geïnspireerd door het verhaal van Jaroslav Hasek, getiteld De Mensenhandelaar van Amsterdam, mijn DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM.
Meurs A.M.

Special Story for and about refugees

This is a SPECIAL with the horror refugeestory DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM/ THE AMSTERDAM HUMAN SMUGGLER which for the first time appeared on the 18th of January 2017 in HetWerk66A, literary scribbling book of Meurs A.M. and that was causing a shock here and there. On the 18th of February 2017  by supplementary sheets an English traduction was added: THE AMSTERDAM HUMAN SMUGGLER.
THIS SPECIAL is the third edition of the combined Dutch English publication especially to support the refugees between procedures of WE ARE HERE (www. wijzijnhier.org) who got nothing from city or state nor they can  return to their land of origin. The full selling price of €4 is going to undocumented refugees.
You can also order this story at Boekwinkeltje Wonderland (https://www.boekwinkeltjes.nl/b/
178070524/De-mensensmokkelaar-van-Amsterdam-The/
). Or you may transfer €4,92 (transport inclusive) to NL17 TRIO 0379 7145 74 of AMJ Meurs mentioning YOUR address.
What I as a writer can do is imagine what can happen when de haters of strangers make one step ahead.
This became, inspired by the story of Jaroslaw Hasek, titled The Amsterdam human trafficker, mine THE AMSTERDAM HUMAN SMUGGLER. Meurs A.M.



Josje Na de oorlog (uit Aan de Lange Weg)

Josje

Ferrie is er op de dag dat de Engelse tanks over de Lange Weg het dorp binnenkomen al vroeg met mijn fiets vandoor. Hij wil zoals gewoonlijk overal tegelijk zijn. Hij eet ook alles achter elkaar en door elkaar wat de bevrijders hem aan chocola, ander snoep en blikvoedsel toewerpen.

            “Daar ben ik mooi klaar mee,” zeg ik. “En je stinkt ook nog,” zeg ik. Mijn hele fiets zit onder, het is zo dun dat het door zijn broekspijpen op de trappers en de kettingkast is gelopen. Zo komt hij thuis. En als alles schoongemaakt is, gaat hij er opnieuw met mijn fiets vandoor en heb ik mijn fiets nooit meer teruggezien. Ik verdenk hem ervan dat hij hem verpatst heeft, zoals hij de aansteker die ik van Cor heb gekregen ook verpatst heeft. Maar ik kan nooit lang kwaad blijven op mijn jongste broer, want hij is nu eenmaal zo.

            Hij was al zestien en ik twaalf toen we uit Gelderland naar Brabant kwamen en toch had ik het idee dat ik voor hem verantwoordelijk was, altijd op hem moest letten. Natuurlijk was ik het niet alleen, er was ook Ria van veertien en ook Leo, die al een paar jaar eerder naar Brabant was vertrokken en bij ons kwam wonen tot hij met Anneke trouwde. Harry ging toen net in militaire dienst.

            Ik zie ons nog met onze ouders in die oude vrachtauto stappen die mijn broer Peer, die erg handig was, had opgeknapt. Peer, die al getrouwd was, bracht ons ook, met ons hele hebben en houden, veel stelde het niet voor. Als laatste sprongen de honden op de auto.

            We kwamen in een leegstaand sigarenfabriekje aan de Lange Weg te wonen, de Gender liep er vlak achter en de ratten schoten weg op de binnenplaats. Het was maar voor kort, we kregen al gauw een huis in de Kerkstraat, maar na een paar jaar trokken we in dit huis aan de Lange Weg naast het voormalige sigarenfabriekje waarin ondertussen al weer andere Gelderlanders woonden.

            In de Kerkstraat had Leo een kamertje waar hij de administratie van zijn verzekeringswerk deed. Hij heeft de deur op slot. Moeder staat voor de deur te smeken om haar wat van het verzekeringsgeld te lenen voor het huishouden.

            “Leo?”

            “Ja, wat is er nou weer!” Hij weigert zoals altijd, doet de deur niet open.

            “Verrekte kerel,” zegt moeder en sloft weer weg.

            Moeder had altijd geld nodig, maar als ze dan een worst of een brood had gekocht, gaf ze die ook meteen weer weg. Een buurmeisje dat door een ziekte erg dik was, kreeg wel eens wat en Leo zei dan: “Moet jij die dikke nog dikker maken?”

            Mijn moeder was veel te goed. Ik mis haar nog steeds en moet nog vaak aan haar dood denken.

Harry zagen we in de oorlog niet vaak thuis. Hij moest in verband met de arbeidsdienst uit handen van de Duitsers zien te blijven, hij zat een tijd ondergedoken in Drenthe, terwijl Cor en zijn broer uit Drenthe juist weer hier in Brabant ondergedoken zaten. Harry slachtte illegaal bij de boeren in de omgeving. Tot het fout ging en hij in concentratiekamp Vught terechtkwam. Of hij daaruit ontsnapt is of dat ze hem hebben vrijgelaten, weet ik niet, hij kwam er in ieder geval vel over been uit. Nu is hij druk met het opbrengen van collaborateurs. Als hij thuis komt, moet een van ons aardappelen voor hem bakken, want hij eet niets anders dan gebakken aardappelen, nauwelijks vlees. Vreemd voor een slager, zou je zeggen.

           Ik maak me weer eens ongerust over Ferrie. Hij reed eerst rond in een Rode Kruiswagen. Goed, dat is zijn werk. Maar nu heeft hij het voor elkaar dat dokter Wouters in de Rode Kruiswagen rijdt en hijzelf in de auto van de dokter. Zo schijnen ze allebei goedkoop aan benzine te kunnen komen. En Ferrie vindt het natuurlijk prachtig in een luxe auto te kunnen rijden. Maar dat is niet waar ik me het meest ongerust over maak. Hij is stapelgek op een mysterieuze vrouw die opeens is opgedoken en die alleen Engels spreekt en van iedereen geld leent. En nu willen ze nog gaan trouwen ook. Het ergst vind ik nog dat ze zo vaak bij ons op de meisjeskamer blijft slapen. Ik vertrouw haar voor geen cent.

“Wat ben je onrustig,” zeg ik. “Een vrouw van de wereld als jij.” Ik praat Engels maar slecht Engels, eigenlijk gooi ik er alleen maar zo nu en dan een woordje min of meer Engels tussendoor, zoals iedereen van wie ze geld geleend heeft en die ze toch heel goed duidelijk heeft kunnen maken wat ze wil. En ze verstaat me prima, weet ik, al doet ze net of ze niets verstaat als we onder elkaar praten en dat woordje Engels er niet tussendoor gooien.

            “’t Is vast niet je eerste huwelijk,” zeg ik. “Waarom moet jij nou nog zenuwachtig zijn? ’t Is maar met een boerenpummel dat je vandaag trouwt. Wil je soms helpen om alles voor de plechtigheid in gereedheid te brengen? Nou, dat is al lang voor elkaar hoor. De rode loper ligt al vanaf het hotel dwars over straat naar de kerk aan de overkant. Moet je soms ergens anders voor weg?”

            Dan zegt mijn zus Ria: “Ik ben het die weg moet. Ik moet naar de mis maar ik kan niet want ik heb vreselijke buikpijn.”

            “Je hebt straks meer dan mis genoeg,” zeg ik, “als deze deftige dame hier met onze onnozele broer in het huwelijk treedt. Dat wordt een plechtigheid waar dat vroegmisje van jou niet tegenop kan.”

            “Je begrijpt het niet,” zegt Ria. “Die mis straks is er een voor haar en onze broer. Die van nu is er een speciaal voor mij, een Maria-mis. Ik heet Maria, weet je nog?”

            “Zal ik voor jou gaan?” zegt de deftige Engelse dame gretig. “Ik kan op zo`n dag wel wat extra gebeden gebruiken.”

            Ze zegt het in het Engels en wat simpeler, we begrijpen het prima. Zowel zij als mijn zus gaan elke dag naar de kerk, mijn zus lijkt geen betere vervangster te kunnen treffen. En zo geraakt de aanstaande bruid toch de deur uit en leent in de gauwigheid even mijn hoed en sjaal.

Maar een paar maanden later vind ik haar, de Engelse spionne zoals ze wordt genoemd, én mijn hoed en sjaal terug op het politiebureau. Ze ziet er goed uit, slank, en ze spreekt nu opeens vloeiend Nederlands. Ik sta daar samen met ons melkboertje in zijn grijze melk-boerenjasje en op zijn klompen, van hem heeft ze namelijk ook geld geleend. Ik ben een van de weinigen van wie ze geen geld geleend heeft, alleen maar een hoed en een sjaal. Waarom ben ik daar dan? Toch niet voor die hoed en sjaal. Ik had gehoord dat ze in Amsterdam was opgepakt en in Eindhoven vast zat wegens oplichterij. Ik wilde haar gewoon eens zien in haar huidige situatie en haar nog eens vertellen dat ik haar nooit had vertrouwd en dat ze mijn broer Ferrie lelijk had laten zitten maar dat dat mij niks had verbaasd. Ik was weer eens uit op sensatie, denk ik.

            “Bad boy,” zegt ze als ik over Ferrie begin. Het heeft wel iets, vind ik, zoals ik daar sta met die oplichtster die het allemaal lichamelijk geen kwaad lijkt te hebben gedaan en dat melkboertje dat nog een keer zegt: “En mijn geld?” maar ook wel begint te begrijpen dat hij er naar kan fluiten.

            Vooraanstaande Philipsmensen waren erin getrapt, dus niet alleen onze familie en mensen uit het dorp. Mijn broer Harry die op collaborateurs en spionnen jaagt was er ingetrapt. Zelfs mijn zwager in Gelderland, die net als mijn broer Leo in verzekeringen doet maar op een heel andere manier, en die al heel wat mensen een verzekering heeft aangesmeerd die ze niet nodig hebben en die bovendien niet van de borsten van zijn schoonzusjes kan afblijven. De halve Lange Weg had geld aan haar geleend en we gingen met zijn allen naar het Engelse consulaat om dat geld terug te halen. Veel meer dan de informatie dat ze de identiteit had aangenomen van een Engelse van adel waarmee ze in de cel had gezeten, kregen we niet. Maar ik vond het heel interessant, nu begreep ik hoe ze aan die documenten kwam. Ze kreeg extra voedselbonnen, met een stempel van het consulaat. Ze zou een erfenis uit Engeland krijgen, had ze iedereen verteld, maar eerst moest ze nog…

            Ik had wel te doen met Ferrie. Hoewel ik hem vaak had gewaarschuwd. Hij huilde en jammerde toen ze niet terugkwam uit de kerk. Hij had alles betaald. Daar stond de hele familie op haar paasbest bij de rode loper die dwars over de weg vanaf het hotel tot aan de kerkdeur lag. Ferrie ging zoeken bij de Dommel, hoewel we hoorden dat iemand haar in een auto had zien stappen. Een ongeluk, een vermissing, zelfmoord? Wij zoeken altijd bij de Dommel, dat schijnbaar onschuldige riviertje, maar dat op enkele plaatsen venijnig diep schijnt te zijn, om over de levensgevaarlijke draaikolken in sommige bochten maar niet te spreken. Ook toen Ferrie gehoord had dat ze gearresteerd was, zei hij nog steeds van haar te houden, van zijn geliefde die met haar ogen dicht typte en zeven talen kende. Maar geen Nederlands in de tijd dat ze bij ons thuis kwam.

            Ik moet er wel om lachen. Zoals ik al zei: het meest last heb ik nog gehad van het feit dat ze altijd bij ons op de meisjeskamer moest slapen als Ferrie haar mee naar huis nam.

            Ferrie is er trouwens ook al overheen, hij bracht gisteren achter op de motor vanuit Nijmegen een meisje van zeventien met een heel kort rokje mee naar huis. Daar gaat hij nu, op zijn negenentwintigste, mee trouwen, zegt hij. Ze heeft al bij ons op de meisjeskamer geslapen.

Nu de oorlog voorbij is, blijkt het toch allemaal niet zo eenvoudig, voor mij en voor mijn zus Ria tenminste. Voor Ferrie wel, voor hem was het leven altijd simpel geweest. Hij trouwt binnen de kortste keren met het meisje van zeventien met het korte rokje waar iedereen het over had: hoe ze zo achter op de motor en bij ons op de divan durfde zitten!

            “Dat kan toch niet!” Ria is me achterna gelopen naar de keuken. “Je kijkt door haar keelholte weer naar buiten.” Ze is een beetje vroom en een beetje preuts, mijn zus Ria.

            “Ik kan me er niet druk over maken,” zeg ik, “wij kunnen er toch wel tegen? En ik kan me niet voorstellen dat Ferrie iets ziet dat hij al niet eerder gezien heeft, en wat betreft vader: gun die ouwe ook eens wat!”

            “Ik geef die twee zes weken,” zei een buurvrouw die er kijk op had. En inderdaad trouwen ze binnen een paar maanden, maar Ferrie is ook al negenentwintig en dan heb je geen zin om lang te wachten, ook al is zij pas zeventien. De baby is een meisje.

            Voor wíj trouwen wil Cor katholiek worden.

            “Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen,” zegt de pastoor. Maar als ik dan zeg: “O, dan word ik maar niks of protestant” – ik weet niet eens wat ze bij Cor thuis eigenlijk zijn – dan is dat ook weer niet goed, het mag blijkbaar maar één kant op gebruikt worden. Voor mij hoeft het niet, voor mij mag hij blijven zoals hij is, maar katholiek worden maakt het trouwen en de discussie in de familie wel eenvoudiger. Er gaat wel weer een tijd overheen voor Cor genoeg weet over het geloof om toegelaten te worden. Nou, als ze mij al die dingen zouden vragen, zou ik ze ook niet weten, dus wat doet die pastoor nou allemaal moeilijk. Het gaat er toch om hoe je vanbinnen bent, of niet soms?

            Het is dus allemaal niet zo eenvoudig. Als ik trouw en het huis uit ga, blijft Ria achter om voor vader en het huishouden te zorgen, terwijl zij ouder is en dus eigenlijk het eerste recht heeft om te trouwen. Maar ze wil voor het zover is nog wat van het leven genieten, ze vindt dat ze daar in de oorlog te weinig kans voor heeft gehad. En voor de oorlog was het crisistijd en zijn we van Gelderland naar Brabant verhuisd net toen zij de leeftijd begon te krijgen om uit te gaan. Nee, Ria wil nog een poosje lekker gaan dansen, ze is gek op jongens met zwart haar.

            We gaan altijd samen, zeker als we naar de stad gaan. Het zijn nu allemaal Engelsen en Canadezen in de danszalen. Een Canadees blijft maar “Prommes?” aan me vragen. Ik versta er niks van. Ik vraag aan iemand wat “prommes?” betekent. Dan begrijp ik dat ik had moeten beloven dat hij me zou terugzien. Cor komt daar ook wel, maar vaak wat later. Met hem dans ik ook, maar het gaat toch niet zo goed als met sommige anderen. Ik houd er vooral van om met jongens die dat goed kunnen de Engelse wals te dansen.
Engelse wals mocht je in de oorlog niet zeggen, je moest zeggen: langzame wals. Maar je versprak je natuurlijk wel eens. Ook liet ik me wel eens iets ontvallen als “Die rot­mof!” en dan stond er weer zo eentje naast je met een speldje achter zijn revers. De Duitse soldaten sloegen gretig, nee niet met knuppels, dat deden ze wel bij andere soldaten of bij dronken Nederlanders die de boel op stelten zetten. Nee, het liefst met de vlakke hand tegen je kont, dat deden ze graag, dat vonden ze zeker lekker. Och, dacht ik dan, het is maar tegen mijn kont, dat gaat wel weer over. Ik hield er nu eenmaal van om een grapje te maken en streken uit te halen. Ria was altijd al serieuzer, maar ze lachte meestal wel als ik iets uithaalde.

            Je kon alleen in het begin van de oorlog nog in het patronaat dansen. Daar dansten ook Duitse soldaten die in het patronaat of bij de mensen thuis ingekwartierd lagen. Ik kwam er een Duitser tegen die iemand kende uit mijn geboortedorp aan de Duitse grens en die me eten bezorgde. Maar daar kregen Ria en ik ook de naam dat we niet met Duitsers wilden dansen. Terwijl we alleen maar geweigerd hadden omdat we net hadden afgesproken om de volgende dans samen te doen. We dansten vaak samen.

            Maar dat dansen was alleen in het begin van de oorlog. Daarna kon je alleen nog in Duitse gelegenheden terecht en daar wilden we niet naar toe. Hoewel ik me voor de rest niet zo bewust was van wat er allemaal gebeurde, ik hield meer van flauwekul maken. Ik had het bijvoorbeeld niet door wat het betekende toen de Duitser Knal, die bij ons ingekwartierd was, zei dat er iets gebeurd was op het vliegveld en eraan toevoegde: “So ein ganz kleiner Judenbengel hat Steine gewor­fen.”

            Vóór de oorlog ging ik nog niet dansen. Vader liet me niet gaan. Bovendien zag ik er een stuk jonger uit dan ik in werkelijkheid was. Dus dansen was er jarenlang niet bij geweest. Je kwam als jongere in de oorlog wel bij Leens Cafetaria. Dat was waar ik voor de deur door de zoon van de geitenboer, net als zijn vader een NSB’er, in elkaar was geslagen. Bij de bevrij­ding heeft mijn broer Harry die bij de PAN, de partizanen, was, de geitenboer opgehaald, deze kwam net met een koe uit de wei. Harry heeft veel collaborateurs opgebracht en waar­schijnlijk daarom dacht vrouw Nieuwenhuis dat hij ook de hand had gehad in de arrestatie van haar man. Ze riep: “Be­dankt, hoor!” toen hij voorbij fietste.

“Niks te danken!” riep hij terug, maar hij wist niet wat zij bedoelde. En ook ik had Nieuwenhuis niet aangegeven, hoewel hij op het vliegveld voor de Duitsers had gewerkt en mij bij de fietstocht naar het werk in de stad vaak getreiterd had met de superioriteit van de Duitsers en zich Neuenhaus noemde en mij bij de bevrijding een kunstje had geflikt. Ik zou dat nooit doen, een vader van zo`n groot gezin, met al die kinderen thuis, ik kan er wel om janken als ik eraan denk. Nee, ik zou zoiets nooit doen. En Harry ook niet. Bovendien was een van de zoons van Nieuwenhuis zelf bij de PAN.

Maar nu kunnen we volop dansen, Ria en ik, we gaan de danszalen af en genieten. Nu, al boven de vijfentwintig, zijn we eindelijk jong. Cor en ik kunnen nog niet trouwen en Ria wil nog geen verkering, laat staan dat ze wil trouwen. We genieten van onze jeugd, van onze lichamen. Ria loopt op zeer hoge hakken, ik heb dat nooit goed gekund, dus doe het met wat minder. Het is de tijd van jurken met blote schouders, van de dunne schouderbandjes, soms wel drie paar, van je jurk, je onderjurk en je bustehouder. BH zei je toen nog niet. Tijdens het dansen vallen de bandjes van je schouder.

            “Bandenpech!” grappen de jongens. We willen onze okselharen scheren, maar we weten dat vader dat niet goed zal vinden. Bovendien schijnt het erg ongezond te zijn.

            Twee jaar lang genieten we. Natuurlijk, we gaan ook naar ons werk en doen het huishouden, zorgen voor vader, en gaan helpen bij onze broers en zusters als er kinderen worden geboren. Dat zijn er veel in die eerste jaren na de oorlog, dat is bekend. En wij waren thuis al met ons tienen. Ik blijf meestal in de buurt, zoals bij Anneke en Leo en bij Harry en zijn vrouw Mia. Ria zit vaak wekenlang in Gelderland. Maar ze probeert toch in de weekeinden thuis te zijn en dan gaan we op stap.

De pret is opeens voorbij als ik zwanger raak. Van één keer! Natuurlijk was het al die jaren niet makkelijk geweest, zeker voor Cor niet toen ons huwelijk steeds uitgesteld werd, maar we hadden het nooit gedaan. Tot er iets in Cor zijn familie gebeurde waardoor hij erg in de put zat, wekenlang. Toen heb ik hem willen troosten. Met het bekende gevolg. Het zou nog niet zo erg geweest zijn als niet heel de familie er doodziek van was geweest. Cor krijgt van iedereen te horen: hoe heb je dat nu kunnen doen! En hij begint dan steevast te huilen. Kortom, een drama omdat iedereen het zo opklopt.

            Het slaat ook over op mij. Het is lente, maar geen vrolijke lente. Het groen is overal onbeschaamd opgeschoten, het is veel te fel groen, bijna blauw. Ik heb een hekel aan mijn lichaam. Ik verafschuw mijn eigen geur. Ik haat het schaamhaar dat uit mijn directoire krult. Wat een naam, directoire, bah, ik kan er niet om lachen. Ik zweet, natte slierten onder mijn oksels. Vooral haat ik mijn dikke buik. Hoe heeft het zover kunnen komen!

            Ik zit bij Cor achterop de fiets en wil eraf springen, recht onder de vrachtwagen die aan komt rijden. Cor voelt het en pakt mijn arm vast.

            “Niet doen,” zegt hij, “ik kan je niet missen, we komen hier samen doorheen.”

            Vanaf dat moment ben ik er eigenlijk overheen. Het zijn niet wijzelf, denk ik, die er mee zitten, het is wat we ons door anderen aan laten praten.

            Alleen juist de preutse en vrome Ria heeft me al die tijd gesteund. Maar door al het gedoe, eerst Ria die eigenlijk vóór mij zou moeten trouwen maar liever nog wat van haar jeugd wil genieten, vervolgens de voorwaarde dat Cor eerst een volwaardig katholiek moet worden, is ons huwelijk wel erg lang uitgesteld. Dan komt ook nog mijn vader te overlijden. Tien dagen na zijn dood trouwen we dan eindelijk. Drie maanden later krijgen we een flinke dochter.

            Als er nog iemand in het Dorp Aan de Lange Weg is die niet weet dat ons huwelijk een moetje is, dan weet die het nu. Want als onze dochter geboren wordt, komt burgemeester Van Tuin – ja, hij nog steeds – haar huldigen, is er feest en natuurlijk een wielerwedstrijd, want ons kind is de tienduizendste inwoner van de gemeente. Hiephiephoera!

En eigenlijk valt er hierna over mij niet meer zoveel te vertellen. Ik krijg in vijftien jaar elf kinderen. Cor is een ideale, geëmancipeerde echtgenoot, al voordat dat woord bestond. We hadden geen kind minder willen hebben. Iedereen blijft gezond en we lachen erg veel in ons grote gezin.

            Het drama waar ik het nog over wil hebben begint in Gelderland, ruim een jaar na de geboorte van mijn eerste kind. Ria is in huis bij een van onze zussen die een baby heeft gehad. Die zus overlijdt aan trombose, tien dagen na de geboorte. Trombose? Iedereen krijgt trombose, wie overlijdt er nu aan trombose! Ik ben woedend.

            Ria blijft plichtsgetrouw het moederloze gezin van zes kinderen ondersteunen. Zo nu en dan komt ze een weekeind naar huis om op adem te komen, huilt bij mij uit en gaat met lood in de schoenen terug naar Gelderland. Haar jeugd is voorbij en de jongens met zwart haar zijn volkomen uit beeld. Toch hoopt ze de eerste jaren nog dat, als de kinderen wat groter zijn, ze weer haar eigen leven kan gaan leiden, want natuurlijk houdt ze van die kinderen die ze nu grootbrengt maar toch…

           Ze helpt jarenlang zo plichtsgetrouw dat haar zwager bij wie ze in huis is gaat denken dat ze het voor hem doet. Ontkennen helpt niet, hij is ervan overtuigd dat hij helemaal aan haar wens voldoet als hij haar ten huwelijk vraagt. Na maanden huilen tijdens de weekeinden in Brabant stemt ze toe.
Nog kan ik in janken uitbarsten van medelijden als ik eraan denk hoe op haar eenendertigste het leven met mijn zus aan de haal is gegaan. Ze sterft op haar tweeënvijftigste.

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M. verkrijgbaar bij boekwinkeltje Wonderland)

Anneke (uit Aan de Lange Weg)

Anneke

Ze is nu twee jaar getrouwd, bijna even lang als de bezetting duurt, en hij is altijd weg. De meeste klanten die hij heeft komen oorspronkelijk uit Gelderland, net als hij. Allemaal voor werk naar Brabant gekomen.

“Wat ga je doen met zo`n vreemde kerel uit zo`n ver land!” zei haar moeder toen ze zei dat ze verkering had met Leo.

Ze wonen tientallen kilometers verspreid rond de stad, die klanten, soms in kleine achterafboerderijtjes. Het is altijd laat als hij thuiskomt. Dat is niet prettig, zeker in oorlogstijd. Soms zou Anneke willen dat hij een beroep koos waarbij hij gewoon overdag kon werken. Ook al staat dat wat minder dan verzekeringsagent. Op de zijkant van het huis richting stad, boven de kippenren, heeft hij een groot emaillen bord met een dame met hoepelrok en paraplu gespijkerd. Omdat het huis in een bocht ligt is het van veraf te zien. De Duitsers verdenken, waarschijnlijk na aangifte van een NSB’er, hem ervan dat het ophangen van dat bord met “De Eerste Nederlandsche” erop een uiting is van nationalisme. Hij maakt er geen punt van en hangt het bord op van de andere verzekerings-maatschappij waar hij voor werkt: “De Bataafsche”.

“Weten die Duitsers en hun meelopers veel,” zegt hij. Ze krijgen er ook nog wat geld voor van de verzekerings-maat­schappij.

 Ze wou dat hij ’s avonds thuis was, zeker nu het tweede op komst is. En nu opa en opoe gaan verhuizen. Ze ziet zich al ’s avonds in haar eentje met twee kinderen zitten. Als hij thuis is, is hij met zijn administratie bezig of in de hof met zijn planten of met het graven van de schuilkelder.

Tonnie is al een ruim een jaar en een echt handenbindertje geworden. Ze klimt overal op, zelfs op het aanrecht. Levensgevaarlijk. Anneke kan dat allemaal niet in de gaten houden en voor haar moeder is die kleine rakker te vlug. Opa doet zijn best. Maar hij hoest steeds meer en raakt daar helemaal uitgeput van. Steeds vaker gaat hij het trapje van de opkamer op en kruipt in bed. Anneke maakt zich ongerust, ook voor de kleine. Het is goed dat ze verhuizen. Zeker nu er een andere kleine op komst is.

Opa proeft van de soep. Mag Tonnie ook wat? Jawel, maar de lepel is nog te vol. Hij zal er eerst wat vanaf slurpen. Tonnie lacht. Dat is een vreemd geluid hè? Eigenlijk is de lepel veel te groot voor Tonniekes kleine mondje. Maar aan de punt gaat het wel. Wat is dat nou? Kan zij ook al slurpen?

Kijk, daarom maakt Anneke zich zo ongerust. Want haar vader is duidelijk ziek. Er wordt niet over gepraat. Haar vader en moeder praten sowieso weinig met elkaar. Ze heeft zich altijd afgevraagd of ze eigenlijk wel bij elkaar passen. Moeders eerste man is overleden, daar is haar halfzuster Bet uit Sas van. Een van de weinige keren dat moeder een paar zinnen achter elkaar zei, was toen haar zus Saskia en zij op dezelfde dag trouwden en haar zus in Nijmegen ging wonen. De man van haar zus kon hier geen werk meer vinden in de schoenindustrie en daar wel.

“Als je naar Nijmegen verhuist, zie ik je nooit meer,” zei haar moeder. “Dat overleef ik niet.” Gelukkig zien ze Saskia nog regelmatig, dat is erg meegevallen.

Het is een miskraam geworden en hij was er niet bij. Daar was ze al steeds bang voor geweest, dat hij er niet bij zou zijn. Toch kon hij er niets aan doen, want het kwam een paar weken te vroeg.

Anneke had steeds in haar hoofd het zinnetje zitten: “Als het erop aan komt, ben je er niet bij.” Of dat zo zou zijn wist ze helemaal niet, maar ze was er wel bang voor. Ze wist ook dat ze hem daarmee kwetste, maar omdat dat zinnetje in haar hoofd zat moest het er ook uit, hoe ze zich ook voornam om het voor zich te houden. Ze heeft er meteen spijt van en begint zelf te huilen. Hij komt de hele dag, het is zondag, niet uit de kuil die hij aan het graven is voor de schuilkelder.

Het is doodgeboren, ik wist al een paar dagen dat het niet goed zat, want ik voelde niets meer. Mijn moeder, die nog elke dag uit Sas naar hier komt lopen om met huishoudelijke karweitjes als aardappels schillen en groente schoonmaken te helpen, laat wel eens merken dat ze dan ook niet had hoeven te verhuizen. Mijn ouders wonen nu naast Bet in een van de lage huisjes met rieten dak waarin Bet en haar gezin ook nog gewoond hebben. Ik vond het niet verantwoord om zo`n zieke man als mijn vader in één huis te laten leven met kleine kinderen. Die zijn het meest kwetsbaar, zeker met dat oorlogseten.

Leo’s zuster Jo en haar man Piet, die zo dicht bij het vlieg­veld wonen, op amper tweehonderd meter, dat ze nauwelijks meer thuis durven te slapen, doen dat nu vaak hier. Hun zoon slaapt verderop aan de Lange Weg bij het gezin van opa Weels. De Duitsers hebben het vliegveld flink uitgebreid en tot een belangrijke uitvalsbasis voor hun jagers en bommenwerpers gemaakt en daarmee ook tot een voornaam doelwit voor de Engelsen. Laten we eerlijk zijn, rond die miskraam kon ik de hulp van Jo best gebruiken, al is ze dan wat bazig.

Als Leo thuis is werkt hij aan zijn schuilkelder in de hof. Haast heeft hij nooit. De oorlog moet lang duren, willen we er nog iets aan hebben.

Mijn vader is overleden aan tbc. Ik had altijd al een vermoeden dat hij dat had. Hij is maandenlang niet meer uit bed geweest en uiteindelijk doodgegaan in het kamertje waar tot zeven jaar geleden Bet en Toontje hun winkeltje hadden. Nu hebben ze een grote winkel met woonhuis ernaast. Bet heeft ook nog jonge kinderen. Die wonen dan wel niet in hetzelfde huis als mijn vader en moeder, maar toch. Die dokters zouden meer open kaart moeten spelen. Ze doen alsof gewone mensen onnozel zijn.

Ik heb een foto laten maken van Tonnie met het grote buurmeisje Ineke dat altijd met haar optrekt. Ik liet die foto trots aan iedereen zien en sommigen zeiden “ja mooi” en anderen zeiden heel weinig en knikten en gaven hem terug, tot iemand zei: “Maar Anneke, zie jij dat dan niet? Dat kind is doodziek! Kijk eens naar die ogen en die koortswangen. Dat kind moet naar een dokter!”

Daar ben ik geweldig van geschrokken, want inderdaad. Misschien had ik het gewoon niet willen zien. Ik ging naar de dokter en ik zei: “Dokter, ik wil weten of mijn kind tbc heeft.”

            “Hoe kom je daarbij, Anneke?” zei hij. “Je hoeft toch niet meteen het ergste te denken.”

“Ik wil het weten, dokter,” zei ik, “mijn vader had ook tbc en dat hebben we ook veel te laat gehoord en nooit is er wat gedaan om mijn kind daartegen te beschermen.”

“Rustig maar,” zei hij, “als iemand tbc heeft wil dat nog niet zeggen dat hij ook een gevaar is voor anderen. Daarvoor moet je zogenaamd ‘open’ tbc hebben.”

Een week later hoorde ik dat Tonnie inderdaad tbc heeft. Ze ligt nu in onze slaapkamer aan het raam zodat ze de straat kan zien want het kan lang gaan duren. Ze vindt het maar raar: die kinderen die altijd buiten spelen. En die zullen het op hun beurt wel vreemd vinden dat zij daar altijd voor het raam ligt. Over een maand wordt ze drie. Normaal had ik haar kunnen aanmel­den voor de fröbelschool voor over een jaar. Zonde dat ze nu net ziek is.

Ik loop alweer op zeven maanden. Jo en Piet wonen al een tijdje bij ons in, want hun huis bij het vliegveld is door de Duitsers in beslag genomen. Ze hadden daar toch weg gemoeten, want sinds de geallieerden in Frankrijk staan, wordt het vliegveld praktisch elke week gebombardeerd.

We hopen dat Tonnie gauw in het sanatorium kan worden opgenomen. Iedereen verwacht wel dat de oorlog nu vlug is afgelopen. We kijken erg uit naar de geboorte van ons tweede kind. Ik heb het gevoel dat deze keer alles goed gaat. Aan mij zal het niet liggen, daar ben ik van overtuigd. Maar er kan zoveel van buitenaf gebeuren.

Leo fietst al maanden op houten banden. Dat maakt het hem nog moeilijker om ’s avonds voor spertijd, dat is acht uur, thuis te zijn. Ik heb al een paar keer doodsangsten uitgestaan omdat hij te laat was. Tot overmaat van ramp werd zijn fiets door een Duitse soldaat gevorderd. Toen heb ik hem voor het eerst echt kwaad gezien! Zo boordevol verontwaardiging dat hij niet te houden was. Iedereen waarschuwde hem voorzichtig te zijn, maar hij ging naar de Duitse kommandant, speelde in het beste Duits dat hij als vroegere grensbewoner een beetje kende zo op over zijn Lebensunterhalt!, kranke Tochter! und  zweite Kind auf  Komst!, dat wonder boven wonder hij zijn fiets terugkreeg. Hij vertelt het trots, terwijl hij net als zijn vader aan zijn pijp trekt.

“Anders waren die moffen nog niet jarig geweest,” voegt hij eraan toe.

O ja, de schuilkelder is ook al een paar weken klaar.

We hebben ons tweede kind gekregen, een jongen. Alles is prima gegaan. We hebben hem Jan genoemd naar mijn vader Johannes die een paar maanden geleden is overleden. Peetoom is Toontje geworden, de man van Bet, en hij is zeer vereerd.

“Dat heb je goed gedaan, schoon meidje,” zei hij tegen me, “jij laat zien dat je me meer waardeert dan je vader altijd heeft gedaan.”

Jantje is meteen na de geboorte door zijn peettante Jo de schuilkelder ingebracht, want zo hevig als op die dag was het vliegveld nog niet eerder gebombardeerd.

“Er waren verschillende aanvalsgolven,” zei Leo en: “Maar goed dat we die schuilkelder hebben!” Het deed mij in ieder geval goed dat Jantje betrekkelijk veilig was. Maar het blijft vreemd dat je een kind ligt te krijgen terwijl de vliegtuigen over brommen en de explosies en het afweergeschut klinken. En dat je dan eigenlijk ook nog blij bent met die vliegtuigen en die explosies, als ze maar het juiste doel treffen. Tonnie lag toen gelukkig al in het ziekenhuis in de stad. Tot er plaats is in het sanatorium in Tilburg. Ze was te ziek om nog langer thuis te blijven, bovendien zou ik gaan bevallen. Ik ben er blij om, ik neem aan dat de Engelsen geen ziekenhuis bombarderen. Niet met opzet tenminste, maar de andere missers zijn ook vaak fataal geweest. En Leo zegt dat de vliegtuigen altijd uit het zuiden of zuidwesten komen, dus niet over de stad op het vliegveld afgaan, dat is teveel risico vanwege het Duitse afweergeschut dat vooral rond Philips staat. Laten we maar hopen dat het allemaal waar is.

Dit is dus wat ik bedoelde met die missers die voor de bevolking fataal zijn. In de straat en wat verderop in de buurt van mijn zuster Bet zijn in Sas twintig doden gevallen en nog veel meer gewonden. Weer door te vroeg losgelaten bommen van de geallieerden. Wat is dat toch?

“Dat is angst bij die vliegeniers dat ze getroffen worden boven het vliegveld en dan door hun eigen bommen exploderen,” zegt Leo. In ieder geval is bij Bet iedereen ongedeerd, ook mijn moeder. De hele dag zijn er vliegtuigen over gevlogen, allemaal naar het noorden. Nog een kwestie van een paar dagen, zegt iedereen, ze zijn de Belgische grens al over.

Zo bang ben ik nog nooit geweest! De bevrijders waren er de volgende dag al en gevochten is er hier in het dorp eigenlijk niet. Wel in mijn geboortedorp, vijftien kilometer hier vandaan, ook nog toen wij hier al waren bevrijd.

Maar wat gebeurde er op de dag van de bevrijding van de stad? De Engelsen stonden midden in Eindhoven en toen kwam, terwijl er de hele dag geen Duits vliegtuig was te bekennen, de Luftwaffe plotseling terug. Er was nog nauwelijks afweergeschut, de bommen treffen de Engelse munitiewagens, tankwagens worden geraakt, er ontstaan hevige branden. Tweehonderdvijfentwintig mensen sterven, om van de gewonden maar niet te spreken. En ondertussen ligt ons doch­tertje daar midden in de stad in het ziekenhuis! Op nog geen honderd meter er vandaan ligt alles plat. Maar het ziekenhuis blijft ongeschonden. De volgende morgen is Leo daar bij Tonnie. Het is er een heksenketel vanwege de honder­den doden en gewonden. Maar Tonnie ligt daar rustig achter glas naar de drukke gang te kijken en vertelt dat er allemaal soldaten naar haar hebben gezwaaid

Nu we, met zijn vieren ondertussen, dit alles hebben over­leefd, zal de rest ook wel goed komen. Als er maar gauw plaats is in het sanatorium.

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)