Vóór Srebrenica, de moorden op Sarajevo

De val van Srebrenica kwam terecht in het toneelstuk Srebrenica of de mandaad, aan het schrijven waarvan ik meteen na die val in juli 1995 begon.
De moorden op bewoners van Sarajevo, die in de jaren daarvoor plaatsvonden, zowel door hun Servische buren als door Serviërs uit
Bosnië en Servië, die door de week op kantoor of in de fabriek werkten maar in het weekeind de bergen rond Sarajevo introkken om op de mensen beneden in de stad te schieten, liet ik opduiken in het hoorspel De gekke onderwijzer.

De gekke onderwijzer, hoorspel in 3 episodes, fragment

Episode 2

Op de achtergrond oorlogslawaai: gierende projectie­len, ontploffingen, geratel van machinegeweren. Op de voor­grond zwaar hijgen van een man, voetstappen, gevloek, ge­mompel in een niet herkenbare taal. De voetstappen stoppen, met een zucht wordt iets zwaars op de grond gezet, gerom­mel, gemompel, gesnuif, ge­rommel, vergenoegd gesnuif, geschuifel, even stilte, dan barst een machinegeweer los, een vloek, geratel, triomfantelijk gejuich. De oorlogsgeluiden op de ach­tergrond gaan door.

GEKKE ONDERWIJZER: (luid)
Je loopt de berg op
en schiet naar beneden
het is heel eenvoudig
je schiet gewoon naar beneden
je raakt altijd wat
je schiet op alles wat beweegt
je vroegere buren
vrouwen en kinderen
niemand is onschuldig
daar beneden
het mag
je buurvrouw komt buiten
je probeert haar te raken
het is oorlog
je wilde haar altijd al
maar mocht nog geen blik
op haar werpen
je zou moordend, brandend, verkrachtend
rond willen gaan
daar beneden
het kan nog niet
moet nog vanaf de berg
je kan haar wel doden
je bent pervers
mikt op haar kruis
niemand zal het weten
het is oorlog
niemand is onschuldig
daar beneden.

Een klik, de oorlogsgeluiden stoppen plotseling. Even stilte, weer een klik: landelijke geluiden, wel keihard, vo­gels, een schaap, een hond, plotseling een droge knal. Het terugspoelen van een recorder, weer de vo­gels, het schaap, de hond, de knal. Steeds opnieuw.

GEKKE ONDERWIJZER (schreeuwt er bovenuit)
Opeens kan het
de een twee meter
achter de ander
de ander schijnbaar struikelend
al dood misschien
in ieder geval stervend
de een machtig
de ander machteloos
een verschil van leven
en van dood
Omstanders!
waar zijn de omstanders?
wat doen ze?
opeens kan het
postbode die nu politie is
en een pistool heeft
dat hij gebruikt
Standrechtelijk!
Oooooooooooh!
de een wordt de ander
ik word de een
ga achter de ander
(hijgt gespannen)
koekje van eigen deeg
net goed
eigen schuld
neeeeeeeeeeeeeh!
(een klik, stilte)

DE 

GEKKE

ONDERWIJZER

Hoorspel in 3 episodes

De gekke onderwijzer (c) 1990, 2005 Meurs A.M.

Spelen © 2005 Meurs A.M.  www.meursam.nl

Gerechtigheid © 1987, 1989, 2005 Meurs A.M

Srebrenica of de mandaad © 1996, 2005 Meurs A.M

Mijnwerkersmacht © 1990,2005 Meurs A.M

De gekke onderwijzer © 1990, 2005 Meurs A.M

ISBN 90 5045 020 2

D/2006/4689/1

Nur 307

www.uitgeverijdegraal.be

Foto voorkant omslag: Johan van Nijen

uit Spelen 2006 Meurs A.M.


Srebrenica of de mandaad – Derde bedrijf


toneelstuk in 3 bedrijven door Meurs A.M.

(Eerste Bedrijf)

(Tweede bedrijf)

Personen

OUDERE MILITAIR

 De oudere militair is niet alleen Overste Karre­mans maar net zo goed de oudere soldaat Piet Hein Both als minister Voorhoeve, premier Kok, het Neder­lands op­perbevel, de VN, zelfs opperbevelhebber Janvier en president Chirac en wij allemaal met ons opportu­nisme en onze problemen.

JONGE SOLDAAT

 De jonge soldaat is niet alleen de argeloze die gebruikt wordt, die het niet meer weet en die verdringt, maar ook de wij allemaal die uiteindelijk uit elkaar barst door de ongerijmdheid en misdadigheid.

MARSKRAMER

 De marskramer is het soort oude slachtoffer, in de zin van slachtoffer van eerdere misdaden, dat letterlijk, ook moreel, boven de partijen is komen staan, zich daarop niet laat voorstaan en zijn ogenschijnlijk onno­zele rol speelt.

VROUW

GIJZELAARSTER

 De vrouw en de gijzelaarster zijn de slachtoffers aan beide kanten wier levensrollen verwisselbaar zijn.

VLUCHTELING/GENERAAL

 De vluchteling/generaal is niet alleen Mladic maar net zo goed Karadzic en Milosovic, de wapenhandelaars en iedereen die macht en voordeel ontleent aan de oorlog.

SOLDAAT HERMAN

 Soldaat Herman is de botterik, de voetbalvandaal, de discovechter, de eigen-volk-eerst-aanhanger, kortom het kanonnenvlees bij uitstek voor beide partijen.

BODYBUILDER

 Typisch iemand die niet is wat men denkt. Een spiegel, hoe dan ook.

DERDE BEDRIJF

Kort voor de genocide van Srebrenica. De resten van een loods vol kogelgaten en bloedvlekken, boven de hoofden van de personages hangt een brug. De militai­ren hebben hun mouwtjes karikaturaal hoog opge­schoven, ze doen steeds tussendoor wat lichaamsoefe­ningen, hun bodycultuur steekt schril af tegen de (on­zichtbare), vermagerde en verpauperde bevolking.

De OUDERE MILITAIR en de JONGE SOLDAAT los­sen een vrachtwagen met grote blikken, dozen en kratten.

JONGE SOLDAAT: Hoe was het in Bratunac, majoor? Weer zo in de watten gelegd door die Serviërs, ma­joor? U bent de hele nacht weggebleven, majoor.

OUDERE MILITAIR: Onvoorstelbaar, jongen. Wat die lui je voorschotelen: eten, wijn!… Om van de zaken waarvan ik als hoofd van een gezin geen gebruik wens te maken maar te zwijgen.

JONGE SOLDAAT: U bent gelukkig getrouwd, hè majoor?

OUDERE MILITAIR: Maar ja, je koopt dan ook in één keer voor 25000 mark. Daar willen ze wel wat tegen­over stellen.

JONGE SOLDAAT: (kijkt geïnteresseerd in een half geopende doos) Ze schijnen ook aan de Moslims te verkopen, maar die kunnen natuurlijk nooit de prijs betalen die wij geven, majoor. (Haalt een blikje uit de doos) Bavaria, dat is toch uit de buurt van Breda, ma­joor?

OUDERE MILITAIR: Wat ze aan ons niet kwijt kun­nen, slijten ze aan de plaatselijke bevolking. Nou, die willen wel na die maandenlange blokkades.

JONGE SOLDAAT: (houdt de doos omhoog, leest) “Dutchbat, speciale zending.” Zouden ze ons onze eigen spullen durven verkopen, majoor?

OUDERE MILITAIR: (antwoordt niet, kijkt naar SOLDAAT HERMAN, die in trainingsbroek en een ge­bloemd over­hemd, de mouwen extreem hoog opge­rold, onopvallend het toneel op is komen schuifelen) Hoezo ben jij in burger? Heb jij soms iets geprobeerd? Kijk maar uit. Ze heb­ben het recht je als spion zonder meer te liquideren. Als guerilla-strijder trouwens ook.

JONGE SOLDAAT: Ja eigenaardig. Beide partijen ma­ken gebruik van spionnen, maar ze vinden het no­dig zo verontwaardigd te doen over die van de te­genpartij dat ze menen het recht te hebben deze zonder meer neer te schieten.

SOLDAAT HERMAN: Na ze eerst gemarteld te heb­ben om nog zoveel mogelijk te weten te komen na­tuurlijk.

JONGE SOLDAAT: Natuurlijk. Een riskant beroep, spion.

SOLDAAT HERMAN: Maar wel goed betaald.

JONGE SOLDAAT: Toch geen vluchtpoging gedaan, hè Herman?

SOLDAAT HERMAN: (scherp) Als ik een vluchtpo­ging doe, dan lukt ie ook. Dan ben ik vertrokken.

JONGE SOLDAAT: Rustig maar, ‘t kon zijn dat ‘t je alle­maal teveel werd. ‘t Valt niet mee om maan­denlang opgesloten te zijn en niet met verlof te kunnen. Wij hebben het daar ook moeilijk mee.

SOLDAAT HERMAN: Zoals ik zei, ik ben geen mietje. Als ik weg wil, ben ik weg.

Haalt zijn uniform, legt zijn pistool en een dikke por­te­monnee uit zijn broek, wrijft liefkozend over de por­temon­nee terwijl de JONGE SOLDAAT zegt:

JONGE SOLDAAT: Had jij trouwens niet veel meer kleren aan daar­straks?

Er rennen enkele gestaltes over de hangbrug.

SOLDAAT HERMAN: Verrek, dat waren Moslims! Die haal ik terug!

Pakt een machinepistool en gaat, nog steeds in trai­nings­broek, achter ze aan over de hangbrug, de ande­ren kijken hem hoofdschuddend na.

OUDERE MILITAIR: Moet jij niet eens proberen weg te komen? Je neemt gewoon een voertuig mee. Ik heb liever dat het jou lukt dan Herman. Die durf ik niet bij me thuis langs te sturen.

JONGE SOLDAAT: Ik wil de zaak hier niet in de steek laten.

OUDERE MILITAIR: Kom zeg, normaal was je allang met verlof geweest.

JONGE SOLDAAT: Stil, daar is ie weer.

SOLDAAT HERMAN: (Komt op met enkele verou­derde gewe­ren, gooit ze op de grond) Waren zoge­naamd op jacht.

OUDERE MILITAIR: Die mensen zíjn op jacht! Ze hebben niets te eten. Die lui zijn wanhopig. Er zijn al meer dan tien mensen van honger omgekomen!

SOLDAAT HERMAN: Ik hou me aan het mandaat: ont­wapen iedereen binnen de compound.

JONGE SOLDAAT: Heb jij al één Serviër een wapen afge­nomen?

SOLDAAT HERMAN: Nee, maar dat doet niets af aan het principe.

Er gaat een mijn af. Daarna is het even doodstil. Dan klinkt een jongemeisjesstem:

JONGEMEISJESSTEM: (buiten beeld) Zijn jullie daar, schatjes van me? Lieve Hollandertjes! Wij waren met ons tweeën gekomen om jullie te ver­wennen en wat brood en sigaretten van jullie te krij­gen. Maar nu mijn zusje op een mijn is gelopen, wil ik jullie vragen mij een keer extra te neuken, zodat ik de begrafenis kan betalen. Doen jullie dat, lieve Hollan­dertjes van me?

OUDERE MILITAIR: (Overstuur) Ga weg! Ga terug! Loop midden op de weg. Hier zijn brood en sigaretten. Kom niet terug!

Pakt een brood en een pakje sigaretten, wil ze gooien, maar wordt tegengehouden door SOLDAAT HERMAN die nog maar half is aangekleed.

SOLDAAT HERMAN: Zonde! (halveert het brood, pakt een paar sigaretten uit het pakje) Zou marktbe­derf zijn. (roept) Ik kom eraan, schatje! (gaat af)

JONGE SOLDAAT: (mompelt) O god, laat hem op een mijn lopen voor hij bij dat meisje is. (Blijft staan luiste­ren, sluit zich dan bij de OUDERE MILITAIR aan die woest ver­der gaat met het lossen van de vrachtwagen. Na een poosje) Misschien moet ik inderdaad hier weg voor ik een van mijn eigen mensen vermoord.

Ze lossen de vrachtwagen.

SOLDAAT HERMAN komt terug en trekt wellustig zijn trainingsbroek op.

Had je die sigaretten en dat brood niet zo kunnen ge­ven?

SOLDAAT HERMAN: Ik neem wat ze aanbiedt, zij krijgt wat ze vraagt. Ik blij met haar kutje, zij blij met het brood. Ik ben lief tegen haar. Wat wil je nog meer! Bovendien vrij ik veilig. Ook voor mezelf en mijn meisje thuis trouwens.

JONGE SOLDAAT: Je bent een schoft.

SOLDAAT HERMAN: De Serviërs snijden haar bor­sten en haar schaamlippen af! Want, zeggen ze, dat deden de Ustasja’s in de Tweede Wereldoorlog ook met de Servische vrouwen.

JONGE SOLDAAT: Klootzak, moet ze soms blij zijn dat jij dat niet doet?

SOLDAAT HERMAN: Gelul, ik doe gewoon wat ie­dere man zou doen en betaal ervoor wat ervoor staat. Als de prijs omhoog gaat betaal ik meer. We weten pre­cies wat we aan elkaar hebben. Niet meer en niet minder. De rest is schijnheiligheid. Bovendien heb ik haar zus begraven. De stukken bij elkaar geraapt en begraven. Moest terplekke gebeuren. Zie ik jou nog niet doen. Ben je vast ook te fijngevoelig voor. Ik heb er een extra beurt voor gekregen. Maar daar deed ik het niet voor. Ik had echt met haar te doen. Ik heb ook mijn zwakke kanten. En nou, shit, wil ik een pils.

Er sluipen, nu van de andere kant, gewapende gestal­tes over de brug.

OUDERE MILITAIR: Serviërs, zie je zo, aan de wapens en hun hele stijl: goed getraind.

Er wordt over hun hoofden heen geschoten.

Ik moet toegeven dat ik de verdwaalde kogels van de Moslims voor ons gevaarlijker vind dan het gerichte vuur van de Serviërs.

JONGE SOLDAAT: Moet je er niet achteraan, Herman?

Heviger artillerievuur.

OUDERE MILITAIR: De mensen zitten daar op elkaar ge­pakt. Dat kan nooit missen.

JONGE SOLDAAT: Ik voel me niet op mijn gemak.

SOLDAAT HERMAN: Dat zijn je vrienden, man! (luistert naar het schieten, grinnikt) Ik geloof dat ik eens ga kij­ken of er in de stad iets te beleven valt. (af)

De OUDERE MILITAIR en de JONGE SOLDAAT zit­ten elkaar een poosje aan te kijken.

JONGE SOLDAAT: (staat op) Ja, ik denk dat ik het moet proberen.

OUDERE MILITAIR: Wacht.( af en meteen terug met een klein pakje) Geef dit voor me af. (Drukt de JONGE SOLDAAT even tegen zich aan)

JONGE SOLDAAT af. De OUDERE MILITAIR raakt in een cri­sis vol drukke bewegingen en wanhoopsgeba­ren maar maakt geen geluid, gaat dan zitten, zegt voor zich uit:

Jezus in de hof van Getsemane… (plechtig) Kunt gij dan niet één uur met mij waken? (stilte)

JONGE SOLDAAT: (komt verslagen op, geeft de OUDERE MI­LITAIR het pakje terug) Herman is erger, staat vastge­bonden aan een lantaarn­paal de verschrikkelijkste dingen te schreeuwen. Als zo dadelijk mét de Serviërs ook de pers komt, gaat dat de hele wereld rond. We moeten hem doodschieten. Ik geef me op als vrijwilliger.

SOLDAAT HERMAN: (buiten beeld schreeuwend) Jullie heb­ben de verkeerde! Ik sta aan jullie kant! Ik heb een hekel aan Moslims. Het zijn geen mensen! Het zijn scharminkels! Haal me hier weg! Ik vecht met jullie mee! Geef me Arkan! Dat is een man naar mijn hart. Stelletje dienstplichtigen die me hier vastgeketend hebben. Ik wil Arkan zien! Arkan! Was ik Serviër zou ik een Arkan zijn! Arkan! Weg met de NAVO! Fuck de NATO! Maak me los, Arkan! Maak je vriend los, Arkan!

Het schieten neemt in hevigheid toe, dan klinkt er mars­muziek en wordt een ijzeren gevaarte in de vorm van een hoge steile tent op wielen het toneel op ge­trokken. Het heeft ijzeren pinnen als een fakirbed en in het midden van een de zijden is een opengesneden varken gespietst.

OUDERE MILITAIR: Jezus, de generaal komt eraan!

GENERAAL: (komt autoritair op) Zo, majoor. Wij moeten even wat dingen regelen. Tus­sen haakjes, ik heb vers vlees voor je meegebracht. Mijn jongens komen mor­gen binnen en ik verwacht dat jij je er buiten houdt. Ik bedoel dat niet een van je mannen per ongeluk be­gint te schieten, uit plichtsbesef of zo. Daarginds heb ik een oude tank neergezet, daar mogen jouw land­genoten een luchtaanval op uitvoe­ren. Dus blijf uit de buurt. Dat is van hogerop zo gere­geld. Grote po­litiek, majoortje. Nog wat, een van jouw gasten staat daar de hele tijd te schreeuwen – weinig militaire discipline trouwens –  die krijg je zo terug. Zo, neem het vlees mee, nee op je nek. (tegen JONGE SOLDAAT) Help even. Morgen rekenen we wel af.

Legt samen met de JONGE SOLDAAT het varken op de rug van de OUDERE MILITAIR, de JONGE SOLDAAT ondersteunt de OUDERE MILITAIR, sa­men gaan ze af, de GENERAAL kijkt goedkeurend en zelf­voldaan in het rond, zijn ‘stan­daard’ wordt van het toneel getrokken en hijzelf gaat daarna met ferme pas af.

OUDERE MILITAIR: (komt verslagen op met JONGE SOL­DAAT) Niet te geloven dat dat dezelfde man is die me gisteren in Bratunac zo voorkomend heeft behan­deld. Hij was toen wel in burger.

SOLDAAT HERMAN: (komt op, verwilderd maar lachend) Misverstand. Het was een misverstand. Als ze ge­weten hadden wie ik was, hadden ze het niet ge­daan, zeiden ze. Kom, ik heb goeie zin. Morgen zijn ze hier en wij kunnen naar huis. Zet de tv even aan: RTL 4.

Kijkt naar tv buiten beeld.

Tjee, hun jeugd afgenomen, willen liefst zo ver moge­lijk weg, niemand doodschieten… En wij dan! Wij hier voor ze de kastanjes uit het vuur halen. Mooi niet! Eerst zij, dan wij! Als we er dan toch alle­maal aan moeten. Maar wat klets ik!

Staat op, gaat met vinger over een grote rode vlek op de muur van de loods, ruikt aan zijn vinger.

Slechte verf trouwens. Morgen is het afgelopen. We hebben wat te vieren. Niet in het minst mijn behou­den terugkeer natuurlijk.

Ze drinken, de OUDERE MILITAIR en de JONGE SOLDAAT aanvankelijk met tegenzin. SOLDAAT HERMAN zet telkens flarden van het lied ‘Wij houden van oranje’ in, geleidelijk aan beginnen de anderen mee te zingen, ze worden senti­menteel.

OUDERE MILITAIR: Mijn vader had in Indië ge­vochten, kwam terug, dacht een baantje te krijgen. Maar hij kon kolen gaan sjouwen! Ja, een paar jaar la­ter, toen hadden ze hem weer nodig. Toen kwamen ze aan de deur. Voor Korea. Om het Vrije Westen te ver­dedi­gen.

JONGE SOLDAAT: Libanon, o Libanon, het liefste wat ik heb zit in Libanon.

SOLDAAT HERMAN: Ik was de beste op de oefen­baan, eigenlijk was ik in alles de beste. Ik had álles kunnen bereiken in het leger. Als ik die mietjes niet was te­gengekomen. Handen van het lijf, zei ik nog. Maar ze dachten dat ik een grapje maakte. Maar met zulke dingen lach ik niet. Ik heb ze vreselijk in elkaar ge­ramd. Er was niets aan te doen. Ik moest het gewoon doen.

BODYBUILDER: (staat plotseling daar in camouflage­tenue dat zijn figuur goed doet uitkomen) Goeden­avond.

OUDERE MILITAIR: U bent vroeg, u bent de eerste.

SOLDAAT HERMAN: (kijkt bewonderend, raakt de bovenar­men van de BODYBUILDER aan) Tjee, wat een spieren, daar zitten wat oefenuurtjes in! De superiori­teit straalt er toch vanaf, zeg nou eerlijk. Als je dit ziet kun je toch niet volhouden dat die Moslims gelijk­waardig zijn, dat ze dezelfde rechten hebben. ‘t Is toch in één oogopslag duidelijk wie hier de baas moet zijn.

BODYBUILDER: Ik ben Moslim. Ik kom jullie een voorstel doen.

SOLDAAT HERMAN: Moslim? Met zo’n lichaam, dat be­staat niet!

BODYBUILDER: (richt zich tot de OUDERE MILITAIR) De zaak is ernstig. Ik ben commandant Pilav. Morgen doen de Cetniks een beslissende aanval. We denken een kans te hebben als Dutchbat zijaanzij met ons wil vechten.

De JONGE SOLDAAT kijkt hoopvol, de OUDERE MILITAIR schrompelt in elkaar, SOLDAAT HERMAN zegt verontwaar­digd:

SOLDAAT HERMAN: Wat!

BODYBUILDER: (Gaat ernstig verder)U, wij allemaal weten wat er gebeurt als we ons overgeven. U bevindt zich hier bij een loods waar al eerder massa-excecuties hebben plaatsgevonden. Alle mannen zullen worden afgeslacht. Net als in de andere plaatsen die de Cet­niks hebben veroverd. Iedereen kan dit weten, want het is overal gebeurd. Als u niet samen met ons vecht, zult u medeverantwoordelijk zijn voor de moord op duizen­den mannen.

JONGE SOLDAAT: Ik wil vechten!

De OUDERE MILITAIR lijkt nog verder in elkaar te krim­pen.

SOLDAAT HERMAN: Shit, wat een klerezooi!

Er klinken voetstappen en geweerschoten vlakbij, de BO­DYBUILDER duikt de coulissen in.

OUDERE MILITAIR: (dronken) Er moet iets gebeuren. We hebben te weinig steun. Er moet iets gebeuren dat de Amerikaanse publieke opinie achter president Clinton gaat staan. En dat de Russen de Serviërs moeten laten val­len. Zoiets als met die vele doden op de markt van Sarajevo. We moeten ze tot iets provo­ceren waardoor er een ommekeer ont­staat. Enkele tientallen levens om duizenden te redden. (Jankt) Hoe moet ik het thuis uitleggen als mijn jon­gens niet terugkomen? (Begint te zingen🙂

’De machtigste koning van storm en van wind is de arend geweldig en groot.’

SOLDAAT HERMAN: (zingt aanvankelijk mee) Shit, ik ben ervandoor. Straks laat ik mijn hachie voor iets waar ik totaal niet achtersta. Dat zou ik mezelf erg kwalijk nemen.

JONGE SOLDAAT: Dat is een fascistenlied.

OUDERE MILITAIR: Dat zongen we vroeger al bij het kampvuur en bij de wandelclub. Je kon er prachtig op marcheren. De wandelclub van het gekkenhuis won trouwens altijd de eerste prijs. Die waren door niks afgeleid en gingen kaarsrecht en fier vijfentwin­tig kilometer lang de paden en lanen door.

SOLDAAT HERMAN verdwijnt, stilte, de OUDERE MILITAIR neuriet zijn lied, dan buiten beeld schreeu­wend:

SOLDAAT HERMAN: Kleremoslims, laat me door. Herman laat zich niet tegenhouden. Niet door een stelletje schapeneukers. Jullie zijn het niet waard dat we voor jullie opkomen. Weg met de ayatolla’s! Ga uit de weg, stelletje fundamentalisten! Herman gaat door!

Er klinkt een schot, stilte, de OUDERE MILITAIR en de JONGE SOLDAAT staren elkaar aan. Stilte.

Hevige beschietingen, lichtflitsen, geren over de hang­brug, de OUDERE MILITAIR en de JONGE SOLDAAT gaan in dek­king, dan laat de brug aan één kant los en dondert naar beneden. Het wordt stil, er klinkt mars­muziek, de ‘stan­daard’ met een open gesneden varken erop wordt het toneel opgetrokken en achter op het toneel, het varken richting publiek, neergezet. De GENERAAL komt op en begint meteen het toneel met roodwitte plastic linten in ‘corri­dors’ te verdelen, zegt tegen de OUDERE MILITAIR en de JONGE SOLDAAT die opgesprongen zijn:

GENERAAL: Hier help even mee. Hier de vrouwen, daar de mannen.

Pakt de helm van het hoofd van de OUDERE MILITAIR en zet hem op, drukt zijn eigen helm op het hoofd van de OU­DERE MILITAIR, gaat naar de coulis­sen en roept:

Kom maar, jullie zijn hier veilig. Verenigde Naties hier, kom maar. Ja, u hier, ja en u daar. Prima.

Er komt een eindeloze stroom mannen en vrouwen op gang, die opkomen, via de uitgezette ’gangen’ ge­scheiden worden en weer afgaan. Telkens als er een man is afgegaan klinkt er een schot. De OUDERE MILITAIR staat stram in de houding en salueert met op zijn hoofd de helm van de GE­NERAAL.

(opgewekt) Ons volk is blij, majoor. Ze schieten in de lucht. Ze zijn terug op hun geboortegrond. Ze zijn blij, majoor!

De GENERAAL blijft de mensen lokken en indelen.

(steeds opgewekter) Ja, kom maar, u daar en u daar. ‘t Gaat goed zo. Verenigde Naties ja, komt u maar hoor. In spin de bocht gaat in, uit spuit de bocht gaat uit. Zo was het toch, hè majoor?

De JONGE SOLDAAT krimpt bij elk schot in elkaar alsof hij­zelf geraakt wordt. Een salvo machinegeweer­vuur, door­gaand terwijl de lichten doven. Stilte.

EPILOOG

Terwijl de lichten zijn aangegaan, het publiek eventu­eel klapt en de acteurs buigen, doet de JONGE SOLDAAT plotse­ling een stap naar voren, er klinkt een schot, de JONGE SOL­DAAT krimpt in elkaar, doet nog een stap naar voren, weer een schot, krimpt weer in elkaar, nog een stap, maar stoot dan een woedende schreeuw uit, draait zich om en rent op de OUDERE MILITAIR en de VLUCHTELING/GENERAAL af die stram in de houding saluerend naast elkaar staan, deze doen een stap opzij om hem door te laten, maar hij sleurt ze met gespreide armen op hun keelhoogte ach­terwaarts mee en spietst ze ieder aan een kant naast het varken op de ‘stan­daard’. Dan blijft hij er hijgend even naar kijken. Het licht gaat uit. De acteurs blijven in het donker doodstil op hun plek staan. Vóór de zaallichten aangaan zijn ze verdwenen en KEREN NIET TERUG.

Einde

Srebrenica of de mandaad (c) 1996, 2005 Meurs A.M.
uit Spelen 2006 Meurs A.M.

Srebrenica of de mandaad – Tweede bedrijf

toneelstuk in 3 bedrijven door Meurs A.M.

Tweede bedrijf

(Eerste Bedrijf)

Personen

OUDERE MILITAIR

 De oudere militair is niet alleen Overste Karre­mans maar net zo goed de oudere soldaat Piet Hein Both als minister Voorhoeve, premier Kok, het Neder­lands op­perbevel, de VN, zelfs opperbevelhebber Janvier en president Chirac en wij allemaal met ons opportu­nisme en onze problemen.

JONGE SOLDAAT

 De jonge soldaat is niet alleen de argeloze die gebruikt wordt, die het niet meer weet en die verdringt, maar ook de wij allemaal die uiteindelijk uit elkaar barst door de ongerijmdheid en misdadigheid.

MARSKRAMER

 De marskramer is het soort oude slachtoffer, in de zin van slachtoffer van eerdere misdaden, dat letterlijk, ook moreel, boven de partijen is komen staan, zich daarop niet laat voorstaan en zijn ogenschijnlijk onno­zele rol speelt.

VROUW

GIJZELAARSTER

 De vrouw en de gijzelaarster zijn de slachtoffers aan beide kanten wier levensrollen verwisselbaar zijn.

VLUCHTELING/GENERAAL

 De vluchteling/generaal is niet alleen Mladic maar net zo goed Karadzic en Milosovic, de wapenhandelaars en iedereen die macht en voordeel ontleent aan de oorlog.

SOLDAAT HERMAN

 Soldaat Herman is de botterik, de voetbalvandaal, de discovechter, de eigen-volk-eerst-aanhanger, kortom het kanonnenvlees bij uitstek voor beide partijen.

BODYBUILDER

 Typisch iemand die niet is wat men denkt. Een spiegel, hoe dan ook.

TWEEDE BEDRIJF

Enkele maanden na de genocide van Srebrenica, een dag na de vorige scène. De OUDERE MILITAIR en de JONGE SOLDAAT bij hun tent in de weer met kratten en blikken en een notitieblok. Ze horen wat en brengen hun geweer in de aanslag

JONGE SOLDAAT: Daar komt iemand!

Geluiden van iemand die nadert, de MARSKRAMER komt op.

MARSKRAMER: Laat geweren maar zakken. Het is jullie ouwe marskramer Cupic. Cupic had jullie al­lang dood kunnen schieten. Maar Cupic heeft geen schiet­geweer in zijn mars. Cupic heeft heel wat in zijn mars, jullie oude vriend Cupic. Cupic mars is de
v-e-r-b-r-o-e-der-i-ng tussen de volken.

OUDERE MILITAIR: (Opgelucht) Kom erbij, ouwe sja­che­raar. Maar een ogenblik, ik moet even wat recht­zetten. (Loopt de tent in en begint in de telefoon te schreeuwen)
Jullie hebben wel iemand doorgelaten, ja! Kwam wel van jullie kant, ja! Toevallig was het een oude bekende, ja! Maar als het geen oude bekende was, ja! Waren we er wel geweest, ja! We zijn NAVO, ja! (legt hoorn neer, mompelt) Stelletje Dutchbatters!

MARSKRAMER: (Heeft zijn mars afgedaan en is op zoek ge­gaan naar koffie, die op een brander staat) Beetje sui­ker, beetje melk ja. Alles beetje. Echte melk. Niet melk-poe-der. (Proeft vooral de wat moeilijkere Ne­derlandse woorden). Krijg ik jeuk van.
Jullie hebben veel spullen. Hebben jullie zelf meege­bracht? Niet meer van Serviërs kopen? Cupic heeft niet veel spullen. Maar wel bijzonder. (triom­fantelijk) Klein maar fijn. (Probeert wat spullen aan de man te bren­gen, van portemonnee tot condoom met haar. Tot JONGE SOLDAAT) Vindt jouw meisje lekker! En toch veilig vrijen!

OUDERE MILITAIR: Vertel eens, man, hoe heb je over­leefd? Kerel, ik ben blij je te zien. Met iedereen aan­gepapt zeker.

MARSKRAMER: Alleen met handel. Handel zal er altijd zijn. Ben jij Joegoslaaf? Heet jij Cupic?

OUDERE MILITAIR: Joegoslaven bestaan niet meer.

MARSKRAMER: (tot JONGE SOLDAAT) Ben jij Joegoslaaf?

JONGE SOLDAAT: Ja.

MARSKRAMER: Hoe heet jij?

JONGE SOLDAAT: Cupic. (Kan zijn lachen niet hou­den.)

MARSKRAMER: Heet jij Cupic?

JONGE SOLDAAT: Nee, ik maak een grapje.

MARSKRAMER: Ik heb geen moeder!

JONGE SOLDAAT: (praat als de MARSKRAMER) Ik weet het, ik weet het dat jij iedereen vraagt.

MARSKRAMER: Mijn moeder heet Angelina Cupic. Ik heb Kroatische naam, maar ik ben Serviër, dat weet ik. Mijn moeder Angelina, (op zijn engels) angel, en­gel. Naam van katholieke nonnen. Maar ik ben geen Kroaat. Nonnen hebben mijn moeder deze naam ge­ge­ven. (Wacht) Communisten hebben mijn moeder mis­schien een spuitje gegeven. Misschien vind ik mijn moeder. Misschien vind ik broer of zuster.

OUDERE MILITAIR: Hoe weet jij jouw naam?

MARSKRAMER: Ik heb papieren gezien.

OUDERE MILITAIR: Cupic is de naam van je moeder, niet van je vader?

MARSKRAMER: Ik heb geen vader. Mijn moeder is ver­kracht door vreemde man.

OUDERE MILITAIR: Jammer, wij zijn allemaal Nederlan­ders.

MARSKRAMER: Ik wil ook naar Nederland. In Neder­land veel Joegoslaven. Ik leer Nederlands. (Haalt leerboek te voorschijn, leest invuloefening) Ik heb een ver-drie-ti-ge moeder. Mijn moeder heeft veel ver­driet. Zelfstandig naamwoord.

De telefoon gaat, de OUDERE MILITAIR neemt hem aan.

OUDERE MILITAIR: Ja, Wat? Twee VROUWen. Goed, laat maar komen. (Legt hoorn neer, tot JONGE SOLDAAT) Twee gekke wijven, denk ik. Met een touw aan el­kaar verbonden. Hum, bergbeklimmers? Toch maar even voorzichtig. Kom!

Beduidt JONGE SOLDAAT en MARSKRAMER mee in dekking te gaan achter de kratten, MARSKRAMER wil eerst zijn spullen bij elkaar pakken, gaat als laatste, valt over een bot.

MARSKRAMER: Jullie hebben wel een plek uitgeko­zen! (Legt het bot eerbiedig in een bepaalde orde die hij alleen zelf ziet.)

OUDERE MILITAIR: Kom, nou maar. ‘t Is overal wat. Onze vorige plek was in een vroegere accufabriek. Er lag overal accuzuur.

Ze wachten.

VROUW: (buiten beeld) Hollander, ben je daar?

OUDERE MILITAIR: Ja.

VROUW: (buiten beeld) Ben jij dat, Hollander?

OUDERE MILITAIR: Ja, kom nu maar.

Een VROUW (klein, vinnig, met leren rokje) trekt een GIJZELAARSTER (groot, kinderlijk, goedaardig) aan een touw om de hals met zich mee.

JONGE SOLDAAT: (Komt overeind achter de kratten, kijkt verbaasd naar de vrouwen en springt dan blij verrast achter de kratten vandaan, ook de anderen komen te voorschijn. JONGE SOLDAAT pathetisch::) Sarajevo! Jullie zijn uit Sarajevo! Waar de cultuur niet kapot was te krijgen. Waar de be­schaving heeft overleefd!

VROUW: (Gaat op klapstoeltje zitten, zucht, laat GIJZELAAR­STER op de grond plaatsnemen, nuchter)

Ik laat haar niet gaan voor ik mijn dochter terug heb. Ze kunnen me nog meer vertellen!

JONGE SOLDAAT: Jullie zijn Pozzo en Lucky uit ‘Wach­ten op Godot’ van Becket. Wel ondeugend hoor! Door vrouwen gespeeld! Dat zou Becket niet goed vinden! Nou ja, oorlogsomstandigheden.

VROUW: (zonder iemand aan te kijken) Hebben jullie mijn dochter gezien?

GIJZELAARSTER: (van de een naar de ander kijkend, hoopvol) Hebben jullie haar dochter gezien?

MARSKRAMER: (zonder zich duidelijk tot een van beide vrouwen te richten, weinig hoopvol) Heet jij Cupic?

VROUW: (blij) Ja!… (bedenkt zich) Nee…, dat was een an­der. Op sommige plaatsen heet iedereen Cupic.

MARSKRAMER: (springt op haar af) Waar? Waar?

VROUW: Och, laat maar.

GIJZELAARSTER: (blij in het rond) Als we haar doch­ter vinden, ben ik vrij! Ze is heel goed voor me, hoor! Kan ik mijn man en zoon gaan zoeken.

MARSKRAMER (probeert, half over de VROUW heen gebogen, druk gebarend meer van haar te weten te komen) Waar, zeg dan waar!

VROUW: (duwt de MARSKRAMER weg) Bij de Kroaten heet iedereen Cupic.

MARSKRAMER: (op wanhoopstoon maar gerouti­neerd) Ik ben geen Kroaat, ik ben Serviër! Mijn moeder is verkracht door vreemde man.

VROUW: Door een Serviër? (mompelt) Ook toen al?

MARSKRAMER: (nog steeds op dezelfde toon) Mijn moeder is Servische. Angela Cupic is naam die zij heeft van katholieke nonnen! Ik voel het, ik ben geen Kroaat! (schiet plotseling in de lach, vermant zich, gaat rechtop staan) Ik ben in-ter-na-ti-o-naal!

VROUW: Ga nou maar zitten. We hebben allemaal wat. Mijn dochter terug en mijn en haar probleem is op­gelost.

JONGE SOLDAAT: (kijkt naar de GIJZELAARSTER) Dan kan ze de mannen gaan zoeken.

MARSKRAMER: (schudt meewarig zijn hoofd, loopt naar zijn ransel, stoot tegen een bot, legt het voorzich­tig opzij, pakt zijn leerboek, zoekt en vormt naar het publiek het woord:) Volks-ver-lak-ker-ij (kan ondanks zijn treurnis het plezier in het uitspreken van dit woord niet verbergen).

Plotseling komt een VLUCHTELING met getrokken re­volver het toneel op springen, hij draagt een ski-jack boven een militaire camouflagebroek, hij zegt “eh,eh” en richt beurtelings zijn revolver op de OUDERE MILI­TAIR en de JONGE SOLDAAT die hun machine­geweer willen pakken, richt op de andere aanwezigen en stopt dan met een geroutineerd gebaar de revolver in de hol­ster, zegt:

VLUCHTELING: Okay, okay (steekt zijn handen half om­hoog).Vluchteling! (pakt een klapstoeltje en gaat in het midden zitten, kijkt om zich heen) Alles goed hier? (Iedereen is nog verbouwereerd) Is er wat te bikken? (De JONGE SOLDAAT staat op) Nee, blijf maar zitten. Laat die (knikt naar de MARSKRAMER) het maar doen.

De GIJZELAARSTER maakt aanstalten overeind te ko­men.

VROUW: Ksst! (trekt haar aan het touw terug)

VLUCHTELING: Laat haar het niet wagen ook maar iets aan te raken wat ik moet eten of drinken! (tot de MARSKRAMER) Kom op, Kroaat!

MARSKRAMER: (beweegt zich niet) Heet jij Cupic?

De VLUCHTELING verstijft, wil hem aanvliegen, be­heerst zich. De JONGE SOLDAAT staat haastig op en geeft de VLUCHTELING wat te eten. Terwijl deze eet, kijkt iedereen zwijgend naar hem, behalve de MARSKRAMER. Die verdiept zich in zijn leerboek. Zegt a een poosje:

Lui-s-ter-oe-fe-nin-gen zijn voor mij extra moei­lijk.

VLUCHTELING: (richt zich tot de JONGE SOLDAAT, het is duidelijk dat de VLUCHTELING en de OUDERE MILITAIR elkaar ontwijken)

Ik ben op de vlucht. Kan ik asiel krijgen in Nederland en kan ik met jullie mee? Waar moet ik aan voldoen? Doet het ertoe voor wie ik op de vlucht ben? Navo, Moslims bijvoorbeeld. Kan ik een zaak beginnen daar bij jullie en maakt het uit in wat? Mogen het bijvoor­beeld, laten we zeggen, strategische goederen zijn? Of kan ik bij jullie bij de politie? Of misschien in het leger?

JONGE SOLDAAT: (gooit er zo nu en dan een woordje als ‘aanmeldcentrum’, ‘vluchtverhaal’ en ‘asielzoekers­centrum’ tussendoor maar de VLUCHTELING luistert alleen naar zijn eigen vragen en schijnt niet op ant­woorden te rekenen)

VROUW: Dat soort lui heeft ons vanalles beloofd en kijk hoe ik hier zit… voor mijn eigen belangen op te komen. Met een andere vrouw die er ook allemaal niks aan kan doen.

VLUCHTELING: (ergert zich aan de onverstoorbaar­heid van de MARSKRAMER) Ben je soms een jood? Of een zigeu­ner? Ben je overal doorheen geglipt? Glui­perd! Heb je van alle walletjes gegeten? Gewacht op de krui­mels die van tafel vielen? Zielepoot! Kruimeldief! Pak eens een keer iets groots aan. Ik wacht niet als een hond onder de tafel. Ik spring op tafel! (Springt tegelij­kertijd op) Niet van dat kleine, dat benepene! Zigeu­ner! Jood! Schapeneuker! Muzelman!

MARSKRAMER: (Heeft een schedel in zijn hand, praat voor zich uit in opvallend vloeiend Nederlands, als een tekst die hij vanbuiten heeft geleerd)

Ze zullen per schedel betaald worden. Zodat je niet het verhaal van de ratten kan krijgen, waarvan in het ene dorp de kop en in het andere de staart werd in­geleverd voor 10 gulden per stuk. Ze zullen alleen de schedels opgraven en inleveren, de rest laten liggen. (tot de VLUCHTELING) Ik ben Serviër.

VLUCHTELING: Jij Serviër? Beledig niet mijn bloed en het bloed van onze voorvaderen.

MARSKRAMER: (met tegenzin) Ik heb Kroatische naam, maar ik ben Serviër. Dat voel ik. Maar ik ben niet zo­als jij. (zet voorzichtig de schedel opzij) Ik heb met wat hier is aangericht niets te maken.

VLUCHTELING: (schopt een bot weg) Ik verstop je in die rotzooi, klootzak. (Trekt zijn revolver) Ben jij Servisch? Dan leggen we jou ertussen en maken er een Servisch massagraf van en geven de Moslims de schuld. Ben je als lijk toch nuttig voor je echte vader­land.

Er vliegen stenen over het toneel.

VROUWENSTEMMEN: (buiten beeld, klaaglijk) Wij willen onze mannen terug. Ze hebben ons bedrogen. Ze zouden ons beschermen. Wij willen weten waar onze mannen zijn. Wij willen weten of ze dood zijn.

VLUCHTELING: Godverdomme! (Loopt de coulissen in en schiet, er klinkt een kreet, komt terug) Ze denken dat je niet op ze schiet en daarom doe ik het juist wel. Om­dat er geen wapenstokken en rubberkogels zijn, den­ken ze hun gang te kunnen gaan. (Ziet dan dat de JONGE SOLDAAT hem met zijn machinegeweer in de aan­slag staat op te wachten, doet zijn revolver weg) Okay, okay, ik wist niet dat je zo gauw kwaad werd.

GIJZELAARSTER: (kan van nervositeit haar mond niet hou­den, op haar zeurderige toon) Kan mezelf soms ook niet begrijpen, hoor. Ik ben helemaal niet voor dat ge­weld en voor wraak en zo, maar een keer vond ik het helemaal niet erg dat een veertienjarige jongen werd verkracht en vermoord, want die jongen was de zoon van een Servische generaal en had zelf heel wat meisjes verkracht en vermoord, waaronder mijn ei­gen dochter. Maar toch was ik van mezelf geschrok­ken, hoor, want ze zeggen dat ik heel goedmoedig ben, en ik denk dat ik dat ook ben, hoor, maar toch vond ik het die keer niet erg.

Ze kijkt in het rond, de anderen vermijden haar en de VLUCHTELING aan te kijken, de MARSKRAMER schudt zijn hoofd, tenslotte staat de VLUCHTELING met een zucht op, neemt het touw over van de VROUW, mompelt:

VLUCHTELING: Ik heb zelf ook wat beweging nodig, ik laat haar even de benen strekken.

OUDERE MILITAIR: Ja, genera… (slikt het in, kijkt naar de anderen)

De VLUCHTELING en de GIJZELAARSTER gaan sa­men af, de JONGE SOLDAAT doet nog een paar pas­sen achter ze aan, maar dan is er al de knal.

Einde 2e bedrijf

(wordt vervolgd)

Srebrenica of de mandaad – Eerste bedrijf

SREBRENICA

OF DE

MANDAAD

toneelstuk in 3 bedrijven door Meurs A.M.

Personen

OUDERE MILITAIR

 De oudere militair is niet alleen Overste Karre­mans maar net zo goed de oudere soldaat Piet Hein Both als minister Voorhoeve, premier Kok, het Neder­lands op­perbevel, de VN, zelfs opperbevelhebber Janvier en president Chirac en wij allemaal met ons opportu­nisme en onze problemen.

JONGE SOLDAAT

 De jonge soldaat is niet alleen de argeloze die gebruikt wordt, die het niet meer weet en die verdringt, maar ook de wij allemaal die uiteindelijk uit elkaar barst door de ongerijmdheid en misdadigheid.

MARSKRAMER

 De marskramer is het soort oude slachtoffer, in de zin van slachtoffer van eerdere misdaden, dat letterlijk, ook moreel, boven de partijen is komen staan, zich daarop niet laat voorstaan en zijn ogenschijnlijk onno­zele rol speelt.

VROUW

GIJZELAARSTER

 De vrouw en de gijzelaarster zijn de slachtoffers aan beide kanten wier levensrollen verwisselbaar zijn.

VLUCHTELING/GENERAAL

 De vluchteling/generaal is niet alleen Mladic maar net zo goed Karadzic en Milosovic, de wapenhandelaars en iedereen die macht en voordeel ontleent aan de oorlog.

SOLDAAT HERMAN

 Soldaat Herman is de botterik, de voetbalvandaal, de discovechter, de eigen-volk-eerst-aanhanger, kortom het kanonnenvlees bij uitstek voor beide partijen.

BODYBUILDER

 Typisch iemand die niet is wat men denkt. Een spiegel, hoe dan ook.

EERSTE BEDRIJF

Enkele maanden na de genocide van Srebrenica. Een veld. Hier en daar steken menselijke beenderen uit de grond. Een tent, wat kratten en grote blikken. Een oude en een jonge militair op klapstoeltjes bij een kampvuur, waakzaam, ma­chinegeweren op schoot. Meisjesstem­men zingen: “In spin, de bocht gaat in, in spin de bocht gaat in.”

OUDERE MILITAIR: Dat zijn de nieuwe kinderen. Heb je geen last van.

JONGE SOLDAAT: (kijkt de ander nadenkend aan) Ik heb een kind in Libanon, weet je dat?

OUDERE MILITAIR: (ongemakkelijk) Jaja.

JONGE SOLDAAT: Ze heet Maria. Mooi hè?

OUDERE MILITAIR: Ja, mooi.

Meisjesstemmen:“In spin, de bocht gaat in.”

JONGE SOLDAAT: Ze is binnenkort jarig, ze wordt twee.

OUDERE MILITAIR: (niet op zijn gemak, begint heen-en-weer te lopen, struikelt over een bot, schopt het weg) Ik ben geboren op het eind van de tweede we­reld­oorlog. Ik zat er met mijn poepluiers nog in. Toch is nu, vijftig jaar later, die oorlog voor mij veel dichter­bij. In plaats van er vanaf ben ik er met mijn bewustzijn naartoe gegroeid.

JONGE SOLDAAT: Soldaten praten en schrijven lelijk. Erger dan politieagenten die een rapport opmaken.
Hangt zijn geweer aan het stoeltje, loopt naar de tent, komt terug met een laptop en begint te typen.
God, wat is dat ding langzaam!

Er ontploft een mijn, de soldaten schrikken, de OUDERE MILITAIR brengt zijn geweer in de aanslag, de JONGE SOLDAAT kijkt even naar het zijne aan zijn stoeltje en typt verder.

S R E B R E N I C A (herhaalt de naam) Vreemde naam vind je niet? Kom ook altijd in de knoei met die r’s, die medeklinkers… Sru… Bru… (herhaalt de naam langzaam) Een naam vol droefheid en melan­cholie, zoals S-O-B-I-B-O R … Waar ken ik die naam van?

OUDERE MILITAIR: (Opent zijn mond om het ant­woord te geven maar doet het niet.) Als jij nou eens even dat ding weg wilde leggen en dat andere ding (knikt naar het geweer aan de stoel) op wilde pakken, dan kon ik ook even wat anders gaan doen!

JONGE SOLDAAT: O, wil je ook naar huis schrijven? Wil je ook schrijven dat het nog veertig dagen is voor­dat je thuis komt? Dat je er naar uit kijkt, dat het hier nu heel anders is dan de vorige keer? Dat Dutchbat zich nu veel anders opstelt (legt laptop op de grond, pakt zijn geweer), veel waakzamer! (springt op met zijn machinegeweer in de aanslag) Dat we niks meer pikken!

OUDERE MILITAIR: (scherp) We zijn geen Dutchbat meer!

JONGE SOLDAAT: We hebben onze naam veranderd. Wat voor reden kan iemand hebben om van naam te veranderen?

OUDERE MILITAIR: Let jij nou even op, dan kan ik nog even wat doen, ja!

JONGE SOLDAAT: Okay, okay! (springt quasi-waak­zaam van de ene hoek van het toneel naar de andere)

De OUDERE MILITAIR pakt de laptop op, loopt de tent in, komt terug met een doos met schoenpoets­spullen, trekt zijn kistjes uit en begint ze in te smeren. De JONGE SOLDAAT staat verbaasd naar hem te kij­ken.

JONGE SOLDAAT: Dat kan niet hoor! Als er alarm is, loop jij op je sokken.

De OUDERE MILITAIR trekt zijn schoenen aan, gaat met de schoenpoetsspullen de tent in, komt eruit met scheergerei, vult zijn helm met water uit een jer­rycan en scheert zich. De JONGE SOLDAAT kijkt weer ver­baasd toe.

JONGE SOLDAAT: En als die helm nu eens plotseling op moet?

De OUDERE MILITAIR doet alsof hij de helm met zeepsop op zijn hoofd wil zetten.

JONGE SOLDAAT: Als je zover bent, wil ik graag weer.

Duwt de OUDERE MILITAIR zijn geweer in zijn handen, gaat zitten en begint zijn eigen geweer uit elkaar te halen en schoon te maken, de OUDERE MILITAIR kijkt hoofdschuddend toe.

OUDERE MILITAIR: En als… (Zwijgt, er gaat opnieuw een mijn af, de JONGE SOLDAAT steekt haastig zijn geweer in elkaar.) Daar gaat er weer een. Drie dollar om er een te leggen, drieduizend of een leven om er een op te ruimen.

Begint heen en weer te lopen, stoot met zijn voet tegen het bot van een arm, neemt zijn geweer in één hand, raapt het bot op, bekijkt het aandachtig maar ziet niet wat het is, gooit het achteloos weg.

Hoor jij de kinderen nog? (kijkt naar zijn eigen hand en onderarm) Mijn moeder kreeg steeds meer een vogel­kopje toen ze op sterven lag. Tenslotte lag er een dood vogeltje. Maar haar hand, waarmee ze me kort tevoren nog geknepen had, lag daar ijzersterk op de rand van het bed, als de poot van een oude, taaie kip.

JONGE SOLDAAT: Het was heet die dagen nadat we als helden ingehaald waren. Dus de kant van de zon wilde ik niet op. Aan twee kanten waren hui­zen, met mensen ernaast en ervoor, of die er plot­seling uit te voorschijn konden schieten. Aan de andere kant was geen uitweg. Ik bleef dus thuis.

OUDERE MILITAIR: Ik keek vanuit mijn raam naar twee vrouwen in de achtertuinen die net zo lang achter een kat hadden aangezeten tot die de vogel liet vallen. Ze hadden elkaar opgezweept met uit­roepen als ”zie­lig!”, “wat erg!”, maar wisten toen ze plotseling de gewonde vogel konden pakken, niet goed wat te doen. Eigenlijk hadden ze hier niet op gerekend. Maar ze konden niet meer terug, raapten de vogel op en gingen naar de dierenarts. “Kunt u hem nog redden, dokter, alstublieft?,” zei­den de vrouwen. De dierenarts had medelijden met de vogel en de vrouwen, pakte de vo­gel met twee handen aan, trok ongemerkt aan het kopje en zei: “Helaas, hij is al dood.”

De JONGE SOLDAAT heeft zijn oren gespitst, springt naar de rand van het toneel en begint te schie­ten, de OUDERE MILITAIR duikt op zijn buik en vuurt in dezelfde richting.

OUDERE MILITAIR: (staat op) Wat was er nou?

JONGE SOLDAAT: Je maakt me nerveus met die ver­halen over de dood. Die kinderen zijn allang naar huis. Ze mogen hier trouwens helemaal niet ko­men.

OUDERE MILITAIR: Ik vind dat de dood steeds ge­woner wordt. Vroeger was dat onvoorstelbaar. Niet dat ik erop zit te wachten. Maar er gewoon niet meer zijn. Zoiets als slapen zonder dromen.

JONGE SOLDAAT: Je moet gewoon niets willen.

OUDERE MILITAIR: De mensen zijn misdadig. Als ze zich goed gedragen is het schijnheiligheid. Of be­reke­ning.

JONGE SOLDAAT: Mensen zijn kuddedieren. Er zijn er maar een paar die van de grote hoop durven af­wij­ken. Dus moet je een klimaat scheppen waarin misda­digheid ‘not done’ is. (nadenkend) Dat is het enige wat je kunt doen.

Stilte.

Houdt u van voetballen, kolonel?… In Bratunac is een voetbalstadion. Er doen allerlei verhalen over de ronde.

OUDERE MILITAIR: Ik kan me de verhalen over voet­balstadions in Chili nog herinneren. Voetbalstadi­ons zijn kwetsbare plaatsen. Er wordt gauw over geluld. Dat heeft niets met voetballen te maken.

JONGE SOLDAAT: Ben gisteravond naar een cowboy­film geweest. Leuk maar ongeloofwaardig. De held redde, en offerde zich op voor, een dorpsgemeen­schap die hem nota bene verstoten had.

OUDERE MILITAIR: Ach, het is film, moet je maar denken. (Begint waakzaam heen en weer te lopen.) Van die lokale strijders hebben we wel geen last meer, maar er loopt hier nog vanalles rond.

JONGE SOLDAAT: (Begint ook heen en weer te lopen, struikelt over beenderen) Jezus, wat is dit hier? Zitten we bovenop een vuilstortplaats? Of is dit een oli­fan­tenkerkhof. Dan zitten we gebakken, kolonel.

OUDERE MILITAIR: Wat zeg je opeens vaak: kolonel. Er is hier nog nooit een olifant geweest, mafkees. Niet eens met een circus.

JONGE SOLDAAT: Weet ik veel. Misschien met de Mongolen. Hadden die geen olifanten? Of alleen paar­den? Hannibal had toch ook olifanten! 

Ze gaan allebei weer zitten en staren voor zich uit.

Ik heb een vriendin!

OUDERE MILITAIR: Zo, hartstikke mooi.

JONGE SOLDAAT: Ik heb twee-en-een-half jaar geen seks gehad. Da’s lang, hè?

OUDERE MILITAIR: Ja, da’s lang.

JONGE SOLDAAT: Ja, een hele tijd. Ik ben ziek ge­weest.

OUDERE MILITAIR: Nou ja, dan maar kalm aan in het begin hè. (Neemt plotseling een besluit) O.K, O.K, we mogen allebei ons verhaal vertellen. Ik zal luisteren naar wat jij schrijft.

De JONGE SOLDAAT staat blij op, haalt zijn laptop en gaat weer zitten.

JONGE SOLDAAT: Hè, wat is dat ding langzaam! 

Hij typt terwijl de OUDERE MILITAIR aan het woord is, zo gauw hij er even tussen kan komen leest hij wat hij typt of getypt heeft.

OUDERE MILITAIR: Ze waren al uren liederen aan het zingen, alles door elkaar, religieuze liederen, po­pulaire liedjes. Het repertoire was op, van mij werd een nieuwe impuls verwacht, maar het hoefde niet meer.

JONGE SOLDAAT: (plechtig en houterig) Wij weten dat het nu goed met je gaat. Jij bent nu op een goede plaats. Er is daar veel gebeurd. Maar jij mag jezelf niets verwijten. Wij weten dat je dat niet mag. Want wij zijn jouw vrouw en kind (denkt na).

OUDERE MILITAIR: Laat gaan, moeder, het hoeft niet meer. Geef het op. Ga maar naar vader. Wij doen ie­dereen de groeten. Je hebt je best gedaan. We zijn er allemaal.

JONGE SOLDAAT: (plechtig en houterig) Wij weten dat jij terugkomt naar Libanon. Want wij zijn jouw vrouw en kind (snikt). Wij zijn Fatima en Maria. Maria is jouw kind. Zij wordt binnenkort twee jaar.

OUDERE MILITAIR: Ze stierf een half uur nadat ik, na twee uur treinvertraging, aankwam. Ze had op mij gewacht, zei mijn zus.

JONGE SOLDAAT: (plechtig en houterig) Wij houden heel veel van jou. Wij hebben contact met jou door onze stemmen. Wees gerust. Het komt allemaal goed. Ga nu maar slapen.

OUDERE MILITAIR: ‘t Is gestopt, ik voel het, nee, nog niet. Niet huilen, nog niet, ze mag het niet merken. Nee, ‘t klopt nog, heel zwak, dit kan nog uren du­ren. Nee, het is nu zo afgelopen. Rustig maar, moeder, we zijn er allemaal.

JONGE SOLDAAT: (plechtig en houterig) Het is goed dat jij daar een taak hebt. Dat jij de kolonel helpt. Jij doet dat ook voor ons, jouw vrouw en kind. Welte­rus­ten. Wij houden van je. Geen dode zal jouw slaap ver­storen. Ga nu maar lekker slapen. Ga maar slapen.

OUDERE MILITAIR: (Kijkt vol medelijden naar de JONGE SOLDAAT) Ga maar, moeder, laat het maar los. (wacht) Langzaam was het bloed weggetrokken en voelde haar gezicht en ook haar lichaam al koud aan. Ze ademde nog één keer uit. Het leek op een fluiste­rend “jaaaaah”.

De JONGE SOLDAAT is boven zijn laptop in slaap gevallen, de OUDERE MILITAIR loodst hem naar de tent.

Kom, morgen is er weer een dag.

Einde 1e bedrijf

(wordt vervolgd)

Het einde van een honderdjarige – Meursam story


(2e, gecorrigeerde, versie, uit HetWerk69, 1e oplage 1 juni 2020)


De oude man opent zijn voordeur en houdt deze met één arm open, hij draait zijn hoofd naar binnen en beweegt dan zijn gebogen hoofd terug naar buiten alsof hij met zijn ogen een hond volgt die onder zijn gestrekte arm door loopt. Maar hij heeft geen hond meer, die stierf een paar maanden geleden. De oude man had daar vrede mee, hij wilde geen nieuwe hond omdat die te veel zou lijden als zijn baasje er niet meer was. Hij is de enige die me echt zal missen, dacht hij. Dat baasje zou er na vanavond niet meer zijn. Om 12 uur vannacht wordt hij 100, dan is het mooi geweest. Misschien is daarom alles vanavond wel anders dan anders en is dat de reden dat hij zijn oude hond weer onder zijn arm door het huis ziet verlaten.
            Schuin tegenover hem is de sigarenfabriek, waar hij straks ook moet zijn, hij is nachtportier en het is begin van de avond, hij gaat naar links en na 100 meter een straatje in naar de weverij.  Aan de linkerkant een paar lage aan elkaar gebouwde huisjes. Hier wilden ze na de oorlog een meisje wier vader om den brode voor de Duitsers had gewerkt kaal scheren. Hij had het met de revolver in de hand kunnen verhinderen.
            Bij de weverij heeft hij zijn sleutelbos klaar maar de deur gaat vanzelf open. Wat is dat toch vanavond? En hij denkt: bestaat die weverij waar ik nu binnen ben eigenlijk nog wel? Toen hij jaren geleden hier als wever werkte was er Heintje die later een fritestent op het pleintje bij de kerk zou beginnen, hij stond hier elke week tegenover de baas die zijn weefwerk met gaten erin omhooghield en tien minuten lang tegen hem vloekte en hem dan wegstuurde, en een week later hetzelfde tot de man van de fritestent na tien jaar tenslotte wegbleef omdat hij zijn nieuwe bestemming had gevonden. En hij denkt aan Walterke die al oud was en ingehuurd werd om de boel te schilderen en een hele week deed over één deur en die voor hij naar huis ging in het snoepwinkeltje in de bocht van de weg 2 dikbuiken bier achterover sloeg omdat hij thuis niet mocht drinken van zijn vrouw die hij verloor omdat eerst haar nylon schort waarmee ze tegen de kachel stond in brand vloog en toen zijzelf, en de emmer water die de buurman over haar heen gooide te laat kwam.
            Hij is weer buiten, hier komen twee stukjes weg in een punt bij elkaar en gaan samen verder richting het zuiden waar op het eind van de oorlog de eerste gevechtswagen van de bevrijders vandaan kwam die ook meteen het laatste voertuig was dat daar vandaan het dorp in kwam omdat de tank die volgde een kilometer van hier verwijderd door de houten brug over het riviertje zakte. Hij staat bij de beek die hier diep onder de weg doorgaat naar het terrein van de weverij. Er is een hek omheen waar hij als kind vaak over is geklommen om naar het water enkele meters ver naar beneden te klauteren en te kijken of hij net als het water ook onder de weg door zou kunnen gaan. Maar hij heeft het nooit gedurfd. Zelfs in de zomers als het water laag stond kon je je hoofd maar nauwelijks boven het oppervlak houden. Aan de andere kant van de weg liep de beek over het fabrieksterrein waar het water verkleurd werd door de verf waarmee de stoffen werden behandeld. Behalve op zondag. Dan was het water helder en niet verwarmd en verkleurd door het spoelwater en kon het in de winter ook bevriezen waardoor je over de beek naar het ondergespoten weiland kon schaatsen. Maar het moest al hard vriezen wilde daar op maandag al geen eind aan komen.
            Hij loopt over het stukje weg waar de Linnen en Damastfabriek aan ligt terug naar de grote weg. Hij gaat nu langs de voorkant van de fabriek, controleert de ramen van het huis van de eigenaar en denkt: De Linnen- en Damastfabriek? Moet ik hier nog naar binnen, hoelang is dat al geleden? Hij begint te beseffen dat hij op zijn laatste avond niet overal naar binnen kan wat op zijn pad komt. Het is te veel. Alles wat er ooit geweest is, is er weer. Daar had hij niet op gerekend.
            Het kruisbeeld, de jongenskliniek, de drukkerij, de metaalwarenfabriek, vooruit die laatste toch maar even, misschien zouden ze daar merken dat hij niet geklokt had. Hij is er snel weer buiten en staat nu voor de schoenfabriek. Het was hier inderdaad al meer dan een eeuw een echt industriedorp: een weverij, sigarenfabrieken, een linnenfabriek, metaalfabrieken, wasserijen, schoenfabrieken. Bij de schoenfabriek hadden twee zussen van hem gewerkt. De oudste was met haar haar in een machine gekomen en gescalpeerd maar had het overleefd en was ver in de negentig geworden. Ze had heel haar leven een pruik gedragen maar je zag een litteken op haar voorhoofd. Ze fokte konijnen die ze eigenhandig slachtte en overleefde meerdere echtgenoten. Slechts een van haar drie kinderen overleefde haar.
            De villa’s, waar de families wonen/woonden die de fabrieken bezitten/bezaten, laat hij maar even voor wat ze zijn. Het zou wel heel toevallig zijn als daar nu net vanavond iets gebeurde. Hij houdt van het paadje waar hij nu door loopt, verbinding tussen twee straten, tussen de tuinen door die achter die huizen liggen, in dit geval de keurige hagen aan de ene kant en aan de andere kant de aangetaste resten van een heg afgewisseld met golfplaten, planken en allerlei rommel waarmee je een afscheiding kan maken met daarachter het terrein van Jantje van de Velden, vol oudijzer, koelkasten, wasmachines, kachels, autowrakken, oud papier en vodden onder krakkemikkige afdakjes. Het is smal, er wordt zowel gelopen als gefietst maar als je elkaar wil passeren moet een van beiden de heg in of zich tegen de golfplaten of planken aandrukken. Je kan geen kant op.
            Het is hier dat de hond altijd toeslaat. Tenminste sinds hijzelf geen hond meer heeft. De hond maakt geen geluid. Ook nu ziet of hoort hij hem niet. De hond springt in zijn zij en passeert hem tegelijkertijd. De vraag is nu of hij terug zal komen en de aanval van de andere kant inzetten. De oude man leunt met zijn rug tegen een oud stuk houten schutting. Hij houdt met twee handen een stok omhoog en luistert gespannen, probeert het getrippel van de hondenstappen te horen, de versnelling, dan de stilte tijdens de sprong waarin hij zijn knuppel zal zwaaien om het beest te treffen. Maar hij hoort niets. Het beest is waarschijnlijk stilletjes doorgelopen. De man vervolgt zijn weg in het donker. Hij is niet bang, integendeel, laat hem maar komen, denkt hij. Ik maak er vannacht voor mezelf een eind aan maar ik neem er eentje mee. Die hond heeft me te veel gepest de laatste maanden. Hij durft sinds Victor er niet meer is, de lafbek. De ogen van de man tranen als hij aan zijn eigen trouwe hond denkt.
            Hij heeft het gevoel of hij heel even in al die oude gebouwen is geweest, het patronaat, de meisjesschool, het klooster, de kerk, de pastorie, de jongensschool, zelfs in het meisjesinternaat aan de rand van het dorp. Ha, daar staat zijn fiets. Dat komt goed uit. Heeft hij die ook klaargezet? Hij heeft in de loop van de laatste weken heel wat op verschillende plekken klaargezet voor vanavond. Met de fiets is hij zo bij ASML.  Zijn chipkaart werkt nog, het wachtwoord is ook nog hetzelfde (hoe slim ze verder ook mogen zijn, denkt hij…) en voor de ogenscanner hoeft hij alleen even zijn bril af te zetten. Hij is hier portier geweest in 1984 toen ASML begon. 1984? Zou Orwell aan zoiets als ASML gedacht hebben? Zou best kunnen. Het eerste hoofdgebouw is tegenover zijn geboortehuis gebouwd. Dat zei hem destijds niet veel, hij had er nooit bij stilgestaan, woonde toen een heel eind uit de buurt. Nu is zijn geboortehuis nog eerder afgebroken dan dat eerste ASML-gebouw. Dat zit hem niet lekker. Hij had er nooit rekening mee gehouden dat zijn geboortehuis zomaar opeens weg zou zijn. Geen spoor achtergelaten. Het zou allemaal wel voor ASML zijn, alle grond in de buurt kwam bij ASML. Eindhoven had verkeerd gegokt, in verband met het vliegveld hadden ze grond in het noorden verworven en geruild met grond in het zuiden. Maar in het zuiden was het gebeurd, het vliegveld in het noorden lag zo goed als stil en erg veel drukker zou het daar niet worden. Het dorp had zelfs het ziekenhuis van Eindhoven over mogen nemen.
            Op verzoek van een luidsprekertje geeft hij opnieuw het wachtwoord. Het is inderdaad nog steeds Nano. Hoe kwam je erbij, nietwaar? De nanometer, dat was het principe waarop ASML steeds kleinere transistortjes probeerde te maken om die in chips te verwerken. Dat zou ze met behulp van waterstralen en spiegels echt wel lukken. Dat kleine, kleiner, steeds kleinerder was niet het probleem. Probleem was dat steeds groterder. (Dankjewel, Alice uit Wonderland)  Steeds grotere machines die nodig waren, het terrein dat steeds uitgebreid moest worden. Tot het dorp te klein was en omliggende gemeenten (in het begin: graag!) er ook niet meer aan wilden. Tot de machines niet meer vervoerd konden worden, ook al werden ze in 3, 5, 10 delen gedemonteerd. Eerst konden ze alleen nog per boot vervoerd worden en werden er zelfs kanalen voor gegraven. De machines werden niet meer in een gebouw geplaatst maar de gebouwen werden om de machines heen gebouwd. Dat steeds groter pikte de maatschappij op een bepaald moment niet meer en daaraan ging ASML ten onder. Zoals kernenergie niet ten onder ging aan het principe zelf maar aan de steeds grotere berg niet afbreekbaar afval. Dat was wat Driek voorspelde toen ASML voor het eerst had uitgebreid naar de andere kant van de snelweg. Het eens eerste en enige viaduct van het dorp, symbool van een gemeente opgestoten in de vaart der volkeren, werd hiervoor afgesloten. Mensen hadden zich hier, toen er nog geen weg overheen liep, op laten fotograferen, hadden erop staan zwaaien en de toeschouwers hadden teruggezwaaid. Wat een sensatie was dat, dat de voetgangers, de fietsers en de auto’s onder je door gingen. Maar voor ASML was niets heilig. In het jaar dat Drieks boek over het dorp verscheen, 2004, bestond  ASML 20 jaar. Ze waren gevraagd het boek te sponsoren maar ze hadden geen interesse, het was voor hun het oude dorp, het dorp van het verleden, niet dat van de toekomst, waar zij voor stonden. Het was het begin van Drieks tweede schrijfcarrière, een die hij niet gepland had, hij was er een tijd uit geweest door verblijf in het buitenland en ook door ziekte, en was toen hij terugkwam als schrijver vergeten. Hij had zijn schouders opgehaald, hij wilde alleen nog voor zijn vrienden schrijven, maar hij had onverwacht succes. ASML was ondertussen volwassen geworden en zou er waarschijnlijk anders over denken.
            Driek was zonder problemen in zijn beschermende pak geraakt, had zijn kap en zijn masker op, was ook de stofdouche gepasseerd. Mocht er een plaag uitbreken, hij was erop gekleed.
            Het dorp was eerst wijd en zijd bekend geweest vanwege het Mariabeeldje en de heilige Eik. Op zeker moment mocht je een eik niet meer heilig noemen, dat was bijgeloof. Het geloof in het beeldje was dat niet. Later was de bekendheid vanwege de industrie, eerst de huiswevers, dan de weverijen, de sigarenfabrieken, schoenfabrieken en wasserijen. In de 50-er jaren van de 20e eeuw was het de snelst groeiende gemeente van Nederland. Het meisjesinternaat met meer dan 1000 leerlingen, ook extern, had faam tot buiten de landsgrenzen. Maar met ASML stond het dorp op de wereldkaart. En beet Eindhoven zich de vingers stuk van spijt. Het was daarom dat Eindhoven geweigerd had uitbreiding van ASML op Eindhovens grondgebied toe te staan. Het was alles of niets.  Het was of ASML verhuizen of het gebied waar ASML gevestigd was weer aan Eindhoven overdragen. ASML zou aan expansie en grootheidswaan ten onder gaan. De plaag kwam niet van buiten maar van binnen. De plaag zat al achter de maskers en in de beschermende pakken.
            Het naar buiten gaan verliep even vlekkeloos als dat hij binnen was gekomen. Opnieuw komt hij voorbij de plek waar zijn geboortehuis heeft gestaan, het oude hoofdgebouw van ASML staat nog steeds aan de overkant van de weg. Hier in de buurt is de plek waar hij de hond kan verstoppen. Tussen de struiken van het voortuintje van een villa die er in zijn jeugd ook al was heeft hij een soort korte lans in de grond gestoken, een stok van zo’n anderhalve meter met daarop een mes. Terwijl de man de stok pakt is de hond daar al, dat kon niet beter, hij springt in zijn rug maar bijt niet door. Er zijn veel lage muurtjes van beton met kiezel bij de villa. De oude man laat zich aan de binnenkant, de kant van de villa, met zijn rug tegen een van de muurtjes zakken, hij is nu vanaf de weg uit het zicht. Hij zit met plat gespreide benen op de stenen, de lans die hij losjes vasthoudt daar tussenin, het mes naar voren. De hond springt van achter hem over het muurtje en hem heen, de man verroert zich niet, de hond keert en springt opnieuw, nu naar de keel van de man. Die trekt met een ruk de stok met het mes omhoog en treft de hond in de strot net onder de halsband. De man is een oude harpoenier. Dat zou vanavond nog meer van pas komen. Niet dat hij nog iemand van kant wil maken. Hij is niet bang voor de dood. Hij heeft er wel  problemen mee dat sommige rotzakken blijven leven als hij er niet meer is. Maar hij zal zijn handen niet aan ze vuilmaken. Dat met de hond moest wel even gebeuren, die had hem de laatste maanden het leven te zuur gemaakt.
            Hij kijkt over het muurtje maar het is nog steeds doodstil op deze provinciale weg. Hij bindt een touw aan de halsband van de hond en sleept hem, om de 5 meter even rustend, naar de rioolbuis van de sloot, maar enkele tientallen meters van de villa. Ik dacht dat die sloten allang dichtgegooid waren, denkt de man, vervangen door riolering. Maar goed, ik heb het gecontroleerd, hij is er nog, des te beter. Na weer even gerust te hebben rolt hij de hond vlak voor de buis de sloot in. Hij haalt een ijzeren bout uit zijn zak, bindt die aan het uiteinde van het touw en gooit de bout met het touw door de buis heen naar de andere kant. Zo kan hij, met enige moeite, de hond naar het midden van de buis trekken. Dan gooit hij het touw met de bout bovenop de hond. Ze zullen hem wel vinden als hij gaat stinken. Of als andere honden er zich mee gaan bemoeien. Maar ik denk dat ze mij eerder zullen vinden.
            Het is nu 11 uur geweest, hij is bijna 100 en de man gaat nu verder resoluut op zijn doel af. Zijn fiets zet hij tegen de zijmuur van een huis waar een jongen woont waarmee hij bevriend is. Hij gaat de kerktoren in naar de zolder vlak onder de spits. Hier heeft hij wat spullen verstopt. Hij gaat opvallend gedecideerd te werk. Hij trekt aan een touwtje van een opblaasbare kano die zich vult, steekt deze schuin door het raampje en legt er een lattenbodem in die hij aan de vloer vastschroeft. Naast de kano steekt hij ook een balk met een haak door het raampje en schroeft de balk hier en daar vast. Aan een haak binnen hangt hij een aantal zaken die hij nodig heeft en die hij kan pakken terwijl hij op zijn rug in de kano ligt en uitzicht heeft op het kruis en het haantje op de toren. Met een soort harpoen schiet hij een dunne dubbele staalkabel voorzien van een katrolletje over de haan, zet alles strak door middel van een takeltje aan de haak in de uit het raampje stekende balk. Hij doet nu een bergklimmersvest aan compleet met musketons, bevestigt alvast een strop van gewoon touw rond zijn hals, zodat ze dit kunnen doorsnijden, windt het touw onder zijn armen door een paar keer rond zijn borst, bevestigt het accutakeltje aan de gespannen kabel en zichzelf ook aan het takeltje en tevens op een paar plaatsen met musketons aan de kabel. Hij drukt op de knop van het accutakeltje en hijst zich omhoog tot op een van de armen van het kruis, maakt zich los van het materiaal dat hij aan de opstaande balk van het kruis vastzet, maakt het touw rond zijn borst los, doet het andere eind van de strop  met een musketon rond de arm van het kruis en kruipt dan met het touw naar het eind van de arm (hij heeft ook  in hoogspanningsmasten gewerkt) en laat zich vallen.
            Hij breekt zijn nek en is op slag dood. Hij hangt op anderhalve meter (weer die anderhalve meter) onder de arm van het kruis. Nu heeft hij het zelf niet meer in de hand. Maar alles gebeurt verder precies zoals hij had verwacht. (wordt vervolgd)

Ondanks wat ik zei op pagina 2 heb ik toch DE DOOD IN VELE GEDAANTEN naar voren gehaald zoals ik die in 2006 beschreef in HetWerk43 en in mijn toneelstukken in het boek Spelen. Zie de volgende 4 bladzijden.

(volgt later)


HetWerk, een kijkje in de keuken van het schrijven.

www.meursam.nl
hetwerkliterair@hotmail.com https://www.facebook.com/ton.meurs.7
https://twitter.com/TonMeurs.
De meeste nrs van HetWerk zijn nog verkrijgbaar à €3 (oud)
of €4 (kleur)
Het volledige werk van Meurs A.M. ligt ter inzage bij de

Koninklijke Bibliotheek in Den Haag.












HetWerk69 bestellen

REGERING ZET VAKBEWEGING BUITENSPEL

REGERING ZET VAKBEWEGING (zoals eerder de PERS) in feite BUITENSPEL (van mijn twitter). N.a.v. het opheffen van ontslagboete.

Als er sprake is van groeps- of #massaontslagen is altijd de #vakbeweging mede aan zet.

Door het afvoeren van zgn ‘illegale’ werknemers en zgn #zzp-ers maar die in werkelijkheid volledig van het bedrijf afhankelijk zijn, van
0-uurcontractanten en #flexwerkers

… is in elk bedrijf in feite al sprake van groeps- of massaontslag. Alleen al daarom heeft de vakbeweging een goede reden om vast te houden aan de #boeteregeling bij ontslag van vaste werknemers.

Het afschaffen van die regeling is, weer in feite, niet alleen
het wel beschermen van de #ondernemers en tegelijk #vogelvrij verklaren van de #werknemers, het is ook het buitenspel zetten van de vakbeweging.

Dat is minstens even ernstig als het buitenspel zetten van de #pers, wat ook gebeurt.

Juist de #vakbeweging hoort te beoordelen of een bedrijf deels of geheel (nog) levensvatbaar is, ook wat betreft redelijke #arbeidsvoorwaarden.

Zowel wat de pers als de vakbeweging betreft maakt de regering oneigenlijk gebruik van een #noodsituatie. Ze heeft haar hand overspeelt.

Zowel pers als vakbeweging zijn juist in een noodsituatie van levensbelang.

Anders vallen we terug op een ongeremde en niet meer kritisch gevolgde vorm van #kapitalisme.

lekker ouderwets

Het vervolg op Vluchtgarage Kempering. Hoe een succes kan…

Sporthal Elsenhagen in Amsterdam Noord, de plek voor de Nachtopvang van de ongedocumenteerde vluchtelingen uit de Garage. Overdag kunnen ze naar cafécomplex De Ceuver, ook in Noord, waar een ander deel van de groep in 24Uursopvang zit.

Vorige week donderdag was het zo dat Stichting Family on a Mission​ een overeenkomst had bereikt met de Gemeente Amsterdam​ die inhield dat vanaf die dag ALLE ongeveer 80 #vluchtelingen van de #GarageKempering VOOR REKENING VAN DE GEMEENTE elders zouden worden opgevangen, zowel ‘S NACHTS ALS OVERDAG.
Stichting Family on a mission heeft sinds zo’n driekwart jaar het algehele welzijn van deze groep op zich genomen.
Het was voor het eerst dat de gemeente Amsterdam de verantwoording (en de KOSTEN) op zich nam voor een groep #ongedocumenteerde #vluchtelingen van Wij Zijn Hier​.
Mede door de #coronacrisis mocht dat vanwege de regels van de #RIVM niet op één plaats zijn.
Daarom zou de helft (40 man), zolang de cafés niet open mochten, #24Uursopvang krijgen in cafécomplex De #Ceuver
(https://deceuvel.nl/nl/about/general-information/) in Noord.
De andere helft zou #Nachtopvang krijgen in een gymzaal (zie foto) van SporthalElzenhagen
(https://www.amsterdam.nl/sport/sporthallen/sporthal-elzenhagen/) en #Dagopvang in dezelfde De #Ceuver, op 8 minuten fietsen afstand van elkaar.
In de gymzaal hebben ze vanzelfsprekend een bed, zijn er douches en toiletten en hebben ze bovendien een eigen tafel en stoel.
Tijdens de #dagopvang in De #Ceuver zouden allerlei activiteiten waaronder cursussen plaatsvinden.
IEDEREEN van de #Garage kon dus donderdag 8 mei naar een van deze 2 plekken.
De groepen in de 24Uursopvang in de Ceuver en die van de Nachtopvang in Sporthal Elzenhagen zouden onderling rouleren. En IEDEREEN KON DUS iedere dag OVERDAG NAAR DE CEUVER.
Langer in de Garage blijven was tegen de afspraak met de Gemeente, schiep bovendien een ILLUSIE waar niemand iets mee opschoot, veroorzaakte een hoop ellende en was pure tijdverspilling. Het maakte het ook moeilijk voor de hulpverleners die donderdag 8 mei op de 2 locaties klaarstonden om de mensen van de Garage op te vangen.

Ondertussen bevindt zich inderdaad een 20tal mensen 24/24 uur in De Ceuver en ook zo’n 20 ’s nachts in Sportzaal Elzenhagen.
De overige vluchtelingen zijn blijkbaar door allerlei acties en berichten in verwarring gebracht, waardoor de hele regeling nu gevaar loopt.
Degenen die achter deze negatieve berichten en acties zitten dragen dan ook een zware verantwoording. Waarbij niet zij maar de vluchtelingen het slachtoffer zijn.

Actuele artikelen

Rutger Groot Wassink, los deze ONGERIJMDHEID aub nog voor het Paasweekeind op!
https://www.facebook.com/ton.meurs.7/posts/3136694776349499

Als wij zeggen: ‘Er zijn geen veilige landen in Afrika’, dan is dat dichter bij de waarheid dan de suggestie van wethouder Rutger Groot Wassink dat #vluchtelingen uit #Gambia, #Nigeria of #Senegal VEILIG naar hun land terug kunnen.

Bovendien kan er door de #Coronacrisis helemaal niemand terug, niet naar het land van #herkomst en niet naar het land van #eersteAankomst (#Dublinregeling).
Dus:
<Geen kans op veilige uitzetting naar land van herkomst> zou moeten betekenen: Recht op asiel!
En <geen kans op veilige uitzetting naar land van eerste aankomst> (Dublinregeling): Recht op asielprocedure in Nederland!
DAT IS DUS DE TAAK VAN REGERING.

Maar ondertussen liggen deze mensen op de stoep van #Amsterdam en mag de stad en Rutger Groot Wassink niet over ze heen stappen: Rutger Groot Wassink, los deze ONGERIJMDHEID aub nog voor het Paasweekeind op!
https://www.facebook.com/ton.meurs.7/posts/3136694776349499

VluchtelingenGarage in feite onderdeel van gemeentelijk Corona-opvangbeleid maar particulieren moeten kosten dragen


VALLEN EN OPSTAAN IN DE VLUCHTELINGENGARAGE


DE SCHANDE VAN AMSTERDAM Nog steeds Geen #Noodopvang voor #ongedocumenteerde, #dakloze #vluchtelingen
O


Als de hulp is uitgeput, wat zijn dan zij die deze hulp nodig hebben?


Onze particuliere financiële hulpactie voor de vluchtelingen van WijZijnHier, gecombineerd met De Mensensmokkelaar van Amsterdam in afleveringen


Onze strijd voor de onmiddellijke opening van een noodopvang voor ongedocumenteerde vluchtelingen in Amsterdam (en de correspondentie met de gemeente)

VluchtelingenGarage in feite onderdeel van gemeentelijk Corona-opvangbeleid maar particulieren moeten kosten dragen

DE #SCHANDE VAN #AMSTERDAM
De kosten van minimaal €1300 per week voor de noodzakelijke voorzieningen voor 100 #vluchtelingen die geen kant op kunnen worden al maanden gedragen door particulieren.

De gemeente schrijft op 31 maart:


<Er is momenteel geen sprake van verhuizing van de groep naar een 24-uursopvang, omdat de GGD het besmettingsgevaar daar groter acht dan op hun huidige locatie.>
Daaruit blijken 2 dingen: 1. Dat er wel sprake zou zijn van verhuizing van de groep naar een 24-Uursopvang als het besmettingsgevaar daar NIET groter werd geacht dan op hun huidige locatie; 2. Dat hun huidige locatie, de Garage Kempering, dus duidelijk een rol speelt in het huidige gemeentelijk opvangbeleid.

(13 april 2020)
In tegenstelling tot wat de gemeente in het kader van #Coronabestrijding doet met de #Nachtopvang aan de Transformatorweg en de Sporthallen o.a. in Zuid, namelijk de ZORG EN DE REKENING OP ZICH NEMEN, beperkt zij zich wat betreft de #Vluchtelingengarage tot het plotseling daar neerkwakken van een overdreven aantal Dixies (toiletten).
De logische consequentie zou dan ook zijn dat de gemeente eindelijk tenminste de kosten van die opvang in de #Vluchtelingengarage van particulieren overneemt en een gebouw ter beschikking stelt. Er staat genoeg (hotel)ruimte leeg.

Van: Ollivieira, Anouschka <A.Ollivieira@amsterdam.nl>
Verzonden: dinsdag 31 maart 2020 13:10
Aan: ‘frans.zoer@hotmail.com’ <frans.zoer@hotmail.com>
CC: Bestuursondersteuning SDZO <Bestuursondersteuning.SDZO@amsterdam.nl>
Onderwerp: RE: vraag over sloop van parkeergarage Kempering  

Geachte heer Zoer,

Het huidige beleid is dat er tijdens de Coronacrisis geen ontruiming van garage Kempering zal plaatsvinden. Het is nu nog niet bekend welke einddatum daarmee gepaard gaat.

Er is momenteel geen sprake van verhuizing van de groep naar een 24-uursopvang, omdat de GGD het besmettingsgevaar daar groter acht dan op hun huidige locatie.

Het beleid wordt regelmatig tegen het licht gehouden wanneer er weer nieuwe informatie beschikbaar is. De bevindingen en het advies van de GGD blijven hierin leidend.

Mochten er andere maatregelen getroffen of een nieuwe voorziening verzorgd worden voor de personen in garage Kempering, dan stellen wij u hiervan op de hoogte.

Met vriendelijke groet,
 
Anouschka Ollivieira
Adviseur Openbare Orde en Veiligheid
Stadsdeel Zuidoost
Gemeente Amsterdam

De boodschap die vluchtelingen op 9 mei 2019 meekregen op een visitekaartje toen zij zich wilden aanmelden voor de 24Uursopvang. De gebouwen waar vluchtelingen die al lang in de opvang zaten werden opgevangen in afwachting van de 24Uursopvang, werden door de ambtenaren nog steeds <BBB> genoemd, <BedBadBrood>, terwijl dat niet meer bestond. Door de Coronacrisis is dit systeem feitelijk weer ingevoerd, omdat er voor daklozen een #Nachtopvang is ingesteld waarbij men overdag de straat op moet, met alle gevaren vandien voor besmetting. De inconsequentie: iedereen binnenblijven maar daklozen juist de straat op.

De ongedocumenteerde vluchtelingen vechten al bijna een jaar voor een #Noodopvang naast de meteen al verstopte #24Uursopvang.

VALLEN EN OPSTAAN IN DE VLUCHTELINGENGARAGE

(bij de foto: Vraag op FB: Wat is dat? Antwoord: Daar slaapt iemand onder.)

Het is een leegstaande, aan alle kanten open parkeergarage waar we naarbinnen gaan, het beton waar we over lopen gaat zigzaggend langzaam omhoog, water stroomt ons tegemoet. Het stinkt hier, is het urine?
Vluchteling Samba voor me draagt in één hand een gasfles, in de andere hand een oud butagaskacheltje dat ik gratis ergens mocht ophalen. Maar er was geen fles bij en daarom kost de gasfles die Samba draagt het dubbele: €52. Hij zet het kacheltje neer en draagt de gasfles als een groot kind in zijn beide armen naarbinnen. Ik volg met 2 kleine accu’s, wat gereedschap en een paar lampjes. Achter een ‘wand’ van opgehangen zeilen tegen de kou en de wind zitten in het donker mensen rond een brandende vuurkorf. Het enige licht in de ruimte komt daar vandaan. Met een zaklampje in mijn mond als verlichting sluiten Samba en ik het kacheltje aan. De rode gloed lijkt een hopeloze strijd te zijn begonnen tegen de omringende koude.
De volgende dag wordt er dankzij de stichtingen @Familyonamission en Gelukszoekers en hun donateurs terrasverwarming geïnstalleerd, ook met glasflessen. Weer een dag later sjouwen de vluchtelingen zogenaamde Dixies naarbinnen, verplaatsbare toiletcontainers die op de riolering worden aangesloten. Maar dit alles kost kapitalen, en er is zoveel meer nodig: voedsel, drinken, winterkleding, beltegoed, vervoerskaartjes. En de @StichtingFamilyonamission is onlangs al een keer bijna failliet geweest.
Ik besluit daarom mijn particuliere financiële hulpactie voor de ongedocumenteerde vluchtelingen van Wij Zijn Hier​, die niets krijgen van staat of stad, te herstarten. De nood is te hoog. De gemeente blijft weigeren de zorg voor deze mensen op zich te nemen.
Ik ben weer terug in de Garage, hoeveel tijd er tussen mijn vorige bezoek zit, weet ik nu niet meer. Een paar dagen. Mijn telefoontje vanuit de auto voor het hek wordt niet beantwoord. Als ik de Garage inloop, hoor ik zang en muziek. Ik ga de ruimte achter de zeilen in. Ze staan in een kring met de armen over elkaars schouders te zingen. In hun midden staat het gaskacheltje dat ik de vorige keer gebracht heb. De enige verlichting komt van een ledstripje dat op de 2 kleine accu’s is aangesloten waarmee de telefoons worden opgeladen. Geen terrasverwarming, geen aggregaat voor de elektriciteit. Het enige wat er is, is wat ik er vorige keer gebracht heb. Terug bij af. Wat is er gebeurd?
Twee keer in korte tijd hadden de vluchtelingen gedacht een betere plek te vinden. Beide keren werden ze, zonder met het opgebouwde Huisrecht rekening te houden, en zonder de kans te krijgen een Kort Geding te voeren om hun belangen te bepleiten, ontruimd. Het later door burgemeester #Halsema officieel afgekondigde beleid, bij kraken meteen door de politie laten ontruimen, was voor de zoveelste keer in 2019 toegepast.
Terug bij af. Vallen en opstaan. De vluchtelingen begonnen geduldig vanvoren af aan. De terrasverwarmers kwamen terug, meer en grotere tenten, een sterker aggregaaat voor de electra. Met behulp van handige krakers werden de ruimtes afgeschut met houten schotten met deuren, werden er kamers getimmerd, een trap. Er kwam een watercontainer een verdieping hoger te staan met leidingen naar het woongedeelte. Alles werd gedaan om de Garage voor zo’n 100 mensen leefbaar te maken. En er waren meer plannen: een tent om te vergaderen en onderwijs te krijgen.
Maar toen kwam de aankondiging van ontruiming, de garage zou afgebroken worden, zonder de bewoners iets anders aan te bieden.
En dan was er opeens #Corona en mochten ze blijven. Opeens is de dakloosheid van al die andere Amsterdammers, terecht, een probleem. Neemt de gemeente Amsterdam eindelijk zijn verantwoordelijkheid en gaat zij ze 24 Uur per dag opvangen?

———————–


Steunt u aub ondertussen deze vluchtelingen in de Garage die (nog steeds) niets krijgen van staat of stad. Doe het vandaag nog, dan hebben ze er dit weekeind al wat aan. Hartelijk dank!
Steun aub deze vluchtelingen op NL17TRIO0379714574 van AMJ Meurs.
Hartelijk dank!
Via supporters als dokter Co Van Melle​ en Chiara Reneman​ gaat uw bijdrage door middel van voorzieningen rechtstreeks naar de vluchtelingen in een kraakpand of op straat. Daarnaast wordt ook een charitatieve organisatie als Stichting Family on a Mission​ ondersteund die samen met de Stichting Gelukszoekers​ het voortouw neemt bij de voorzieningen.

ONZE STRIJD VOOR EEN NOODOPVANG vanaf juni 2019.

Over DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM en vermelding ontvangsten vanaf in december 2019.