Als het maar weer eens zomer wordt…



(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

Als het maar weer eens zomer wordt…(uit Aan de lange weg)

De afgebroken huizen….

In het huis aan de andere kant van de schoenmaker met het houten been ligt tante Erna van wie Anneke Weels zegt: “En ze had nog wel van die flinke armen!” Ze ligt daar dood te gaan, te verschrompelen aan kanker.

“Aan K,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen, want ze durven de gevreesde ziekte niet uit te spreken. En tegen beter weten in troosten ze tante Erna die vorig jaar nog zulke mollige armen had en nu ligt dood te gaan: “Als het maar weer eens zomer wordt…”  Tante Erna doet haar best te glimlachen, want het is al lente en de zomer zal ze waarschijnlijk niet halen, en hoe moeten haar broers het stellen zonder haar? Want ze zijn heel hun leven met hun drieën samen gebleven.

Soms lukt het haar om ondanks de pijn even in slaap te vallen en wordt ze toch glimlachend wakker en denkt: ik heb verkering want ik heb bij Nandje op schoot gezeten. En ze denkt eraan wat een grappig mannetje het is, hun huisvriend, zo klein, zo parmantig met dat pak en dat vest. Ze ziet hoe zij een hoofd boven hem uitsteekt op hun trouwfoto en ze hoort haar vader zeggen: “Wat moet je met zo`n klein mannetje, je zult alles in huis en in de hof zelf moeten doen!” Hoe lang is haar vader al dood? Dood, en ze zucht.

Eén keer in haar bijna zestigjarige leven heeft ze bij een man op schoot gezeten. Het was toen ze stond te huilen omdat ze dood zou gaan en haar broers alleen zouden achterblijven. Nandje had gevraagd wat er scheelde en toen had ze er uitge­flapt dat ze kanker had, en zo wist hij het nog eerder dan haar broers. Hij had haar op schoot getrokken om haar te troosten en had eens over haar haar gestreeld en het hielp, ze was er helemaal warm van geworden, want zo`n gebaar had ze nooit eerder meegemaakt. Maar ze vroeg zich af of ze het wel had mogen doen, op zijn schoot gaan zitten, want nu ging hij haar extra missen. En toen was de jongen opeens binnengekomen en die zag ze sindsdien weinig.

Jantje kwam altijd zomaar binnenlopen, dat mocht, hij was er kind aan huis, hij hielp oom Robert bij de konijnen en de geiten, vooral bij de konijnen. Er staan zo`n vierentwintig hokken in de konijnenstal, drie boven elkaar. Dat is hoog genoeg, oom Robert is niet zo groot. Het onderste staat niet helemaal op de grond, dat mag namelijk niet. De bodem van de hokken loopt naar achter een beetje schuin af en steekt over, anders loopt de zeik in de lager gelegen hokken. Een ko­nijnenhok mag nooit nat zijn, konijnen mogen ook nooit nat voer krijgen. Anders gaan ze dood. Ze kunnen ook dood gaan door allerlei ziektes of als er een watergang onder de hokken zit. Een watergang is een onderaardse gang waarin het grond­water zijn weg zoekt. Je kunt je die zo groot en gevaarlijk voorstellen als je wilt. Er hangen in de stal konijnenvellen te drogen en er hangt een stuk vet aan een touwtje, dat is om de messen in te vetten. Soms hangt er ook een gestroopt konijn – “het vel over de oren getrokken” – het vel zit er nog aan vast en hangt eronder, vanbinnen wit met rode en blauwe adertjes. Het vlees moet eerst versterven. Jantje voelt zich ook zo`n konijn als híj zich zit te versterven, wanneer hij zaterdags in de vastentijd nog een extra uur wacht voor hij zijn snoeptrommel­tje opent. Het is fijn in de konijnenstal, zomers koel en ‘s winters niet te koud, het ruikt er lekker, als je ervan houdt. In de geitenstal ook wel, maar daar hebben meer mensen moeite mee. Konijn is lekker, alleen wel veel gedoe, veel botjes.

Op zondagmorgen is het gezellig in het voorkamertje van tante Erna. Op de schouw staat aan de ene kant een wit borst­beeldje van Mozart en aan de andere kant een van Beethoven. Jantje heeft nooit muziek in dit huis gehoord. Zondagsmorgens zit het kamertje vol, aan elke kant van de tafel zit een kaarter, oom Robert, oom Lex, Nandje en de Heeskop, de jager. In een stoel tussen schouw en raam zit Driekje, de zus van de Heeskop. Tante Erna loopt heen en weer met koffie, thee en geitenmelk. Je kunt maar moeilijk achter de kaarters langs om bij de krantenbak bij het raam te komen waar alleen gratis kranten in liggen, zoals de Sint Jansklokken, het parochieblad. Er hangt sigarenrook. Nandje rookt een sigaar, oom Lex ook maar minder snel achter elkaar, oom Robert pruimt, net als de Heeskop. Straks gaan ze wandelen in het Broekland, in ieder geval Jantje, oom Robert en de Heeskop. Onderweg halen ze Piet de klompenmaker op en Jantje krijgt dan bij Jamin door het omhooggeschoven raam een ijsco van een dubbeltje. Maar eigenlijk moest deze rokerige rustige warmte, waarin je slape­rig en gelukkig wordt, eeuwig blijven duren.

Vooral Nandje praat veel. Over de oorlog die voorbij is en over een nieuwe aan het Suezkanaal. Maar het gesprek van de dag is de voetbalpool. Opeens kun je in één dag stinkend rijk worden. En je hoeft geen verstand van voetballen te hebben, al moet je wel een beetje je gezond verstand gebruiken. Ergens verderop aan de Lange Weg is een man die zegt dat het een kwestie is van kansberekening, alles kan in min- en pluscijfers uitgedrukt worden. Hij begon op een velletje papier: de resul­taten tot nu toe, de uitslag de vorige keer tegen dezelfde club, een uit- of thuiswedstrijd, het weer in verband gebracht met het type spelers van een bepaalde club, doet de voornaamste aanvaller mee? Allemaal min- of pluspunten. De vellen papier lagen eerst nog op tafel, toen op de vloer, en dan moesten de schuifdeuren open en werd de voorkamer vol gelegd en moesten de kinderen stil zijn op zondagmiddag en uit de buurt blijven om niet op de papieren te trappen. En hij heeft wel eens wat gewonnen maar tot nu toe geen echt grote prijzen. Maar dat is een kwestie van tijd, want hoe langer het duurt hoe meer gegevens hij natuurlijk krijgt en op een gegeven moment kan het niet meer missen.

Jantje zag tante Erna bij Nandje op schoot zitten, hij schrok geweldig en draaide meteen om. Hij had zijn eigen moeder nog nooit bij zijn vader op schoot gezien. En aan tante Erna had hij nog nooit gedacht in verhouding tot een man, zoals hij nog nooit aan oom Lex en oom Robert gedacht had in relatie tot een vrouw. Zij ook al! dacht hij en haatte het leven en vond de mensen vies, want was het niet erg genoeg dat hij bij zijn vriendje Wouter het geflikflooi op de divan van de oudere zussen met hun vrijer moest aanzien? Een paar hadden er al moeten trouwen!

Hij holde weg, dacht aan Sodom en Gomorra, holde door tot thuis, dacht: niet omkijken, anders verander ik in een zoutpilaar, en verborg zich in het hooi boven de schuur en dacht niet aan de ratten. Hij zat te snikken, want hij bedacht wat de werkelijkheid kon zijn, weg was de onschuld van dat huis. Hij zag Nandje opeens met heel andere ogen, en ook de gezellige zondagmorgens, wanneer behalve Nandje ook de Heeskop en zijn zuster Driekje er waren, ook al een ongetrouwde broer en zus die samenwoonden! En die het waarschijnlijk ook wel met elkaar deden, zoals oom Robert en oom Lex en tante Erna het ook wel met elkaar zouden doen, en die twee families ook weer met elkaar. Misschien waren die gezellige zondagmor­gens wel het vervolg op de nacht ervoor, misschien waren ze daar allemaal al vanaf de vorige avond! Hij nam zich voor daar nooit meer een voet binnen te zetten, maar begon harder te huilen toen hij eraan dacht hoe hij zou moeten leven zonder oom Robert en de konijnen.

Na een week kwam oom Robert kijken wat er met hem was, of hij ziek was geweest, en Jantje ging weer met hem mee. Eerst dacht hij: misschien staat oom Robert er wel helemaal buiten, weet hij van niks. En toen: misschien heb ik me wel helemaal vergist. Maar hij kwam toch maar heel weinig op het opkamertje van tante Erna, want het bleef een feit dat ze op schoot bij Nandje had gezeten, maar hij zei: “Ze wordt zo mager, en dat kan ik niet aanzien.”

Oom Robert loopt langs de Lange Weg, voorovergebogen als altijd. Dubbeltjes zoekend, zeggen de mensen. Maar hij is er niet met zijn gedachten bij. Normaal ziet hij alles wat er langs de weg ligt, inderdaad elk dubbeltje en elk sigaretten­pakje. In de kartonnen doosjes, zoals van Cross of Miss Blan­che of Chief Whip, blijft vaak een sigaret achter. Maar nu is hij al verschillende doosjes voorbijgelopen die hij niet gezien heeft.

Hij komt in zijn konijnenstal waar het ook niet goed gaat, er zijn al enkele konijnen doodgegaan. Het derde konijn durfde hij niet meer op te eten, bang voor een ziekte. Eerst heeft hij op de gebruikelijke dingen gelet: vocht en tocht in de stal, nat hooi, nat voer. Toen aan een vloek, lag zijn zuster daar vooraan in huis ook niet dood te gaan? Toen zocht hij het bij zichzelf, hij was er met zijn gedachten niet bij sinds hij steeds aan Erna moest denken die daar in het opkamertje lag. En de melk van de geiten werd ook al veel eerder zuur.

Er is meer eigenaardigs aan de hand. Als je tot voor kort achter de huizen aan de Lange Weg kwam en naar het zuiden keek, zag je net over de Gender een populierenbos met heel hoge bomen. Dat bos begon in het westen achter het Patersgat en liep in het oosten tot aan de Leef dat in de winter de schaatsbaan is.

Maar wanneer je nu achter de huizen komt, kijk je dwars door het bos heen. Je kijkt tot aan de horizon, over de velden waar het eerste kievitsei werd gevonden en voorbij de Ontginningsweg, een naam die ook al weinig goeds voorspelt.

Als je dichterbij komt, zie je de bomen schots en scheef lig­gen, veel zijn er over de Gender gevallen. Het is geen enkel probleem meer om aan de overkant te komen, je loopt er zo overheen.

De stronken zijn in de grond blijven zitten. En heel de winter is oom Lex de Gender overgestoken en heeft hij de geweldige stobben uit de grond gehaald, aan stukken gehakt en op de kruiwagen naar huis gebracht. Met bovenmenselijke inspanning. Heel zijn energie, zijn woede om zijn ten dode opgeschreven zuster ging in die stronken zitten.

Hij leeft zich uit in de moerassige grond op posten die nog te nat zijn om door te hakken, hij graaft ze uit. Als hij met een niet verder kan gaat hij naar de volgende. De aarde zuigt, houdt ze vast. Ze zouden eerst verder moeten drogen, maar Lex heeft geen geduld. Hij zou allang in de hof en op het land bezig moeten zijn maar dit voorjaar heeft hij ook daar geen geduld voor. Zijn hoofd staat niet naar zaaien en planten, zijn handen zijn precies te grof, hij wil groot en zwaar werk, en soms lijkt zo`n stronk op een kruis, woedend hakt hij er de armen af en maakt het onherkenbaar.

Tante Erna sterft nog voor de zomer en Jantje krijgt op school geen vrij om haar mee te gaan begraven.

(uit Aan de lange weg , roman van Meurs A.M.)


Broer en zus Richard en Emma Verhoef
(model voor Oom Robert en tante Erna in “Als het maar weer eens zomer wordt…)




Toen die huizen voor de Kempenbaan waren afgebroken bleef ons geboortehuis daar staan. Ik schreef er een gedicht over, het heet HET STAAT ER NOG. Het is zelfs nog op muziek gezet en gezongen. Wij waren daar al vanaf 1957 weg. En deze foto is van rond 1988. Toen wij daar woonden, waren er nog 2 voordeuren, wij woonden links. Rechts woonden aan de voorkant De Schoenmaker met het houten been en zijn vrouw, tenminste tot 1953 toen de schoenmaker stierf. Dat verhaal zou ik heel mijn leven meedragen. Achter woonden de toen al oude gebroeders Oosterbosch, familie van de eigenaar. Die familie zou er komen wonen. Het huis is nog niet zolang geleden afgebroken. Maar ik heb geen zin een nieuw gedicht te schrijven.

HET STAAT ER NOG

De overlevende van de tweeling
Heeft de ruimte van de ander ook ingenomen
Omspannen door nieuwe witte huid

Het verbergt zich

Met voor zich verkeer dat zich
In nieuwe bochten wringt

En een weg die kinderverlamd
Het rechterbeen zwaait voor het linker
Om rechtdoor te kunnen gaan

En naast en achter zich
In plaats van hof
Auto’s die tweedehands worden verkocht

En verder achter zich
In plaats van veld
De autosnelweg
Met snel alles er naartoe
En snel alles er vanaf

Het staat er nog
Het geboortehuis
Maar vraag niet hoe

Het staat er nog
En dat is goed

Meurs A.M. 



Provincialeweg 168 in augustus 1940. Rechts Nelleke Saris en Theet Meurs, links Antoon van Lexmond en Cisca Saris. De paren trouwden op dezelfde dag, Theet en Nelleke gingen daar wonen. Mijn moeder staat in ‘Aan de lange weg’ model voor Anneke Weels, mijn vader voor Leo Weels. 

Het Liefdegesticht (uit Aan de lange weg)

… en waar je als oudje terechtkwam wanneer je niet meer zelfstandig kon wonen. Misschien noemden de nonnen vanwege dat laatste het klooster wel het Liefdegesticht
(Illustratie Ufuk Kobas)


(Nieuwe FB-pagina’s als 
Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

Het Liefdegesticht
 
 
In het dorp aan de Lange Weg lag een aantal gebouwen waar iedereen mee te maken had overzichtelijk in een vierkant bij elkaar: het raadhuis waar je trouwde en aangifte deed van de geboorte van je kind, wat verderop het patronaatsgebouw waarin het consultatiebureau en de wijkverpleegster waren gevestigd, en waaraan weer de fröbelschool zat en in de tijd van Jantje Weels ook de eerste klas van de jongensschool. Naast het patronaat lag de meisjesschool, en als je door de poortjes achter de meisjes­school en de fröbelschool ging kwam je via de kloosterhof bij het klooster, waar de nonnen vandaan kwamen om les te geven aan de meisjesschool en de bewaarschool, en waar je als oudje te­rechtkwam wanneer je niet meer zelfstandig kon wonen. Mis­schien noemden de nonnen vanwege dat laatste het klooster wel Het Liefdegesticht. Tegenover het klooster, net buiten het vier­kant, was de kerk en langs de zijkant van de kerk liep de School­straat met aan het begin, voorbij het plein dat eerst nog een zandpleintje was, de jongensschool, die werd gesloten toen Jantje Weels er juist af was.
            “Zeg maar tegen die verrekte nonnen dat ons Ria vanmiddag niet komt.”
            Met die boodschap stuurde Hanna Bosmans van de Eerste Huizen Tonnie Weels alleen naar het klooster. Het was Konin­ginnedag, maar voor de dienstmeisjes van het klooster was het een gewone werkdag.
            “Kunnen die verrekte nonnen nou nooit eens een dag vrij geven, zelfs niet op Koninginnedag?” had Hanna Bosmans gezegd, en ze zei nog veel meer, maar toen Tonnie Weels de boodschap zo neutraal mogelijk probeerde over te brengen en eraan toevoegde dat zij vandaag ook eerder naar huis ging, moest zij het ontgelden, was zij de kwaaie pier.
            Maar Hanna Bosmans zei nog veel meer. Dat de meisjes toch al van die lange dagen maakten, elke dag van half acht tot na zeven, en dat zes dagen per week. Alsof ze thuis niet nog een boel te doen hadden, ook thuis moest gekookt, gestreken en gepoetst worden en boodschappen gedaan, de jongste moesten naar bed gebracht en zaterdags in bad gedaan worden. En bij de nonnen diende het dan ook nog allemaal voor een paar centen te gebeuren. Want het was een eer daar te mogen werken, lang niet iedereen kwam daar voor in aanmerking.
            “Jaja, zo ken ik er nog een paar,” had Hanna Bosmans ge­zegd.
            Hoewel de meiden er zelf om lachten, moesten ze toch voortdu­rend op hun hoede zijn dat ze niet aan hun kont werden gezeten. Vooral door de mannen die nog fit genoeg waren om trappen te lopen en die daarom op zolder, op de tweede verdie­ping sliepen. Als je de trap schoonmaakte, moest je als een schichtig vogeltje steeds opkijken of je niet belaagd werd. Daar stond je in je jurk of rok, want in een lange broek werken mocht ook al niet van die verrekte nonnen, en je kon van die jonge meisjes toch niet verwachten dat ze ook zo`n lang habijt aantrok­ken. En de grootste viezeriken probeerden niet alleen de meisjes onder hun kleren te kijken en ze vast te pakken maar ze riepen ook nog eens “billen!” “tieten”! wanneer ze de trap opliepen.
            Hanna durfde te wedden dat er mannen tussen zaten die zich heel wat dementer voordeden dan ze waren, alleen maar om die meiden eens aan te raken. Maar geef die oudjes eens ongelijk! Ze mogen niet samen wonen, al zijn ze veertig of zestig jaar ge­trouwd. Ze moeten heel de dag op de zaal bij andere oude man­nen zitten, en hun vrouw in een andere zaal bij andere oude vrouwen. En ’s nachts slapen de mannen op de mannenzaal en de vrouwen op de vrouwenzaal. Soms zag je zo`n stel dan heel zielig even samen op de gang staan. Tot er zo`n verrekte non aan kwam die ze weer uit elkaar haalde. Geen wonder dat die mannen achter de jonge meiden aan gingen. Het was het enige verzetje dat ze hadden.
            Maar als je geld genoeg hebt, dan krijg je wel je eigen kamer, met je eigen man of vrouw en je eigen meubels, en aan de straat­kant, zodat je kunt zien wie er voorbijkomen en wie er te laat zijn voor de mis in de kerk aan de overkant en wie er meteen na de communie de kerk uit gaan. Dat kun je allemaal bekijken, want een goede bril heb je dan natuurlijk ook.
            Dat alles had Hanna Bosmans gezegd. Maar het ergste was toch dat de dienstmeisjes nooit vakantie hadden, nooit eens vrij waren, zelfs niet op Koninginnedag; dat ging maar het hele jaar door, van maandag tot en met zaterdag.
            Het was allemaal waar, maar Tonnie Weels was toch blij dat ze weg kon, ontsnappen aan dat geratel van Hanna, en misschien gold dat ook voor Ria, want die voelde zich er ongemakkelijk bij nu ze haar collega`tje moest laten gaan dat bovendien de bood­schap moest overbrengen. Tonnie zag dat wel aan die blikken vanuit de andere kamer, en misschien ging Ria wel liever gewoon mee, want thuis zou ze toch ook moeten werken al was het dan Koninginnedag, en in het klooster konden ze tenminste nog eens lachen.
            Want ze lachten wat af, ook als ze door die oude mannetjes achterna werden gezeten. Bij de meesten was het onschuldig, zat er niks kwaads bij, maar sommigen moest je toch in de gaten houden, zoals die ene die zijn tong door de brievenbus stak en hem dan snel bewoog, als een hond. Dat was niet meer onschul­dig, zoals die je aankeek en je probeerde vast te pakken, en sommigen van die oudjes waren nog behoorlijk sterk!
            Maar de dienstmeisjes konden er ook wat van! Zoals toen ze, verkleed als zogenaamde missiezusters bij Trijn Minussen op bezoek gingen bij wie de drollen verpakt in krantenpapier in de kast lagen. Ze hadden werkkleding van de nonnen uit de werkkast gepakt en die aangedaan.
            “Hoe gaat het met u?” had Tonnie gezegd. ‘Wij komen uit de missie en hebben veel van u gehoord. Dat u heel lekkere dingen in de kast heeft, bijvoorbeeld. Nee, blijft u zitten, we pakken het zelf.”
            En Ria had de krant met de drol op tafel gelegd en Tonnie had gezegd: “Dat ziet er bijzonder goed uit, maar neemt u eerst zelf een stukje.” Maar toen had ze haar lachen niet meer in kunnen houden en ook haar pies niet, wat meestal samenging. En die pis was in die pluche stoelen getrokken, wat geweldig stonk, en ze hadden moeten maken dat ze wegkwamen, want ze gierden nu van het lachen en dat kon zelfs Trijn niet zijn ontgaan, en wie zei bovendien dat er met haar neus iets mis was? Want het begon verschrikkelijk te stinken in de kamer, daar was de drol niets bij. En ook in de werkkast zou het nog lang stinken, want de nonnenkleding hadden ze met pis en al teruggehangen.
            “Zeg maar tegen die verrekte nonnen dat ons Ria vandaag niet komt,” had Hanna Bosmans gezegd, en nu staat Tonnie Weels daar in de gang voor de half geopende deur van de kapel tegen­over de hoofdzuster die erbij gehaald is. De hoofdzuster glim­lachte in het begin nog minzaam, maar toen Tonnie de boodschap had overgebracht en eraan toevoegde: “En ik ga zelf ook naar huis,” was de bom gebarsten. Tonnie kijkt, terwijl moeder overste tegen haar tekeergaat, langs haar heen de kapel in met het afzich­telijke mokka stucwerk op de muren. Tonnie houdt niet van mokka. Maar ze lacht in zichzelf, want ze ziet zich met Ria de kapel binnenkomen en ze zagen het al meteen: het was weer een van die dagen. Een van die dagen dat de nonnen elkaar aanstaken, elkaar de loef afstaken in aanstellerij. Een zat er in het gangpad op de knieën, de armen geheven, het liefst zou ze haar gebed hardop uitgeschreeuwd hebben maar dat mocht niet tijdens het rozenhoedje, maar het misbaar van haar lippen was er niet minder om, je zag haar onhoorbaar gillen. De twee dienstmeisjes stootten elkaar aan en begonnen te lachen, want op de twee treden naar het altaar lag een andere non, de armen gestrekt naar voren en de handen met de palmen tegen elkaar gedrukt, terwijl tussen die twee nonnen in er een op haar knieën naar voren kroop, de gevouwen handen voor zich uit stekend in de richting van het altaar, zoals in sommige zuidelijke landen fanatieke boetebede­vaartgangers een rotsachtige berg opkruipen. Ze begonnen te lachen, de twee dienstmeisjes, en dat was niks dat beginnen, maar het stoppen! De een kon dat, zelfs met een stalen gezicht, als opeens iemand keek of gewoon zomaar als ze dat wilde, maar Tonnie kon dat niet, integendeel, dat werd alleen maar erger, dat werd gieren, hikken, snikken, én broekpissen. Dat liep, met die grote witte onderbroeken met die te wijde pijpen, zo met stralen langs haar benen. Zodat ze de kapel uit moest vluchten naar de wc, om haar benen af te vegen en haar grote onderbroek vol te proppen met wc-papier. Dat was er dan tenminste in het klooster, want thuis gebruikten ze krantenpapier dat vader Weels langs de rand van de keukentafel op maat afscheurde en aan een spijker in de plee buiten hing.
            Ook nu zou Tonnie het liefst wegvluchten bij die lege kapel, waaruit men moeder-overste geroepen heeft die daar steeds kwader wordend tegenover haar staat, vooral om Tonnies onver­stoorbaarheid die toch vooral verbazing is.
            “Zo Tonnie,” zegt de hoofdzuster, “en moet jij de boodschap overbrengen?”
            “Ja,” zegt Tonnie.
            “Ja? Kun je niet met twee woorden spreken?” zegt de hoofd­zuster. Tonnie zwijgt. Ze was na de huishoudschool als dienst­meisje in het klooster terechtgekomen omdat ze absoluut niet naar de fabriek wilde.
            “Voel je je daar te goed voor?” had Anneke Weels gezegd. Annekes jonge vriendin, buurmeisje Ineke, ging immers ook naar de sigarenfabriek, eigenlijk iedereen in de buurt, meteen na de lagere school of toch zeker meteen na de huishoudschool. Anneke en haar zusters hadden zelf in de schoenfabriek gewerkt, dus waarom zou Tonnie dan te goed zijn voor de fabriek? Omdat ze goed kon leren? Ze mocht blij zijn dat ze de lagere school in drie jaar had mogen doen, na al die jaren in het sanatorium. Tonnie had graag een opleiding willen volgen waarbij je Engels en typen leerde. Maar moeder Anneke was niet te vermurwen, er waren nog zes andere kinderen en vader Weels verdiende niet veel in de bouw. Maar Tonnie bleef vastbesloten wat die fabriek betrof. En zo was ze als dienstmeisje in het klooster terechtgekomen.
            “Zo,” zegt de hoofdzuster, “en laat jij je daarvoor gebruiken?”
            “Nee,” zegt Tonnie, “ik laat me niet gebruiken, ik breng gewoon de boodschap over en ik ga zelf ook eerder weg.”
            “O,” zegt de hoofdzuster, “gebruik jij dan Ria misschien, heb jij tegen Ria gezegd dat ze vandaag niet hoefde te komen en dat jij het wel in orde zou maken?”
            “Daar klopt geen bal van, van wat u zegt,” flapt Tonnie eruit, tot haar eigen verbazing.
            “Wat zeg je me daar, brutaal nest!” valt de eerwaarde moeder uit haar rol van lijdzame heilige. “Wat voor taal durf jij tegen mij te gebruiken?” Tonnie zegt niets meer.
            Hanna Bosmans had nog gezegd: “En als het niet die ouwe viezeriken zijn, dan zijn het de nonnen die de meisjes over hun bovenarm aaien en, wijzend op de afgezakte bandjes van bh en onderjurk, zeggen: ‘Zeg Tonnie, of zeg Ria, waar dienen toch al die bandjes voor?’“
            En als dat andere bijdehante dienstmeisje, dat van dat café uit Sas, vertelt met wie ze afgelopen weekeind naar bed is geweest – hoewel dat bed wel niet letterlijk zal zijn, ze zal wel ergens in een hoekje gestaan hebben – dan staan de nonnen vooraan om de verhalen aan te horen. Maar ondertussen halen ze wel die oude getrouwde stellen uit elkaar, en als Trijn Minussen, die nog niet zo oud is en daar mag zitten omdat ze niet helemaal tof is en haar oude moeder er ook zit, een koekje op de kapstok legt voor een mannetje waar ze verliefd op is, dan halen de nonnen het koekje weg, want ze willen in het Liefdegesticht geen contact tussen mannen en vrouwen.
            “Ja,” zei Hanna Bosmans, “en als ze niet van die meisjes kunnen afblijven, zullen ze ook wel niet van zichzelf kunnen afblijven, en ook niet van elkaar kunnen afblijven – niet dat het mij wat uitmaakt wat die nonnen onder elkaar uitvreten – en vandaar ook dat misbaar in die kapel, voor de zonden waar ze vergiffenis voor moeten vragen, de zonden van de geest en de zonden van het lichaam, de zonden die ze hadden willen doen en de zonden die ze ook daadwerkelijk bedreven hebben. ‘Gô Tonnie, gô Ria, waar dienen toch al die bandjes voor?’ Ik zeg al: het kan mij niet schelen hoeveel die nonnen aan hun gleuf zitten en aan elkaars gleuf zitten en dat ze daar boete voor willen doen, maar dat die oudjes daar de dupe van zijn… Die kunnen er niets aan doen, die hebben geen gelofte van kuisheid afgelegd maar moeten nu het kuise leven leiden dat die nonnen eigenlijk zouden willen lei­den…”
            Hanna Bosmans haalde diep adem: “Tenzij je geld hebt om op een eigen kamer te wonen. Bovendien weet iedereen dat de maatschappelijk werkster die bij sommige van die rijke mannetjes op bezoek komt gewoon een hoer is, waarom zit anders bij die bezoeken de kamer steeds op slot? Maar voor de gewone manne­tjes, die daar samen in de zaal de hele dag boeren en scheten zitten te laten en niet van de zaal af mogen, is dat er allemaal niet bij. Ze zitten maar versuft in die zaal hun sigaar of pijp te roken. Het stinkt er altijd, en ook daar moeten de meisjes proberen schoon te maken, terwijl de mannetjes nauwelijks opzij gaan, niet eens opzij kúnnen gaan vaak.”
            “Moet je haar daar zien staan!” zegt de hoofdzuster woedend. Tonnie blijft verongelijkt met de handen in de zakken van haar werkschort staan en zegt niets meer.
            Nadat Tonnie die keer met Ria de kapel was uitgevlucht omdat ze in haar broek had gepist van het lachen en haar benen had afgeveegd en haar grote witte onderbroek had volgepropt met wc-papier, moest ze het koper van de voordeur en de zijdeur gaan poetsen. Het vroor hard, zeker tien graden, en met het poetsen van de bel, de brievenbus en het naambordje stond ze wel een half uur buiten in haar schort, haar rok en daaronder de natte onderbroek met het wc-papier. Haar onderbroek en het wc-papier bevroren en toen ze eindelijk naar binnen kon en de trap opliep, viel het bevroren wc-papier uit die wijde pijpen van de bevroren onder­broek. Terwijl ze het opraapte en merkte dat Ria het had gezien, schoten ze allebei in de lach en terwijl ze gierend van het lachen de trap opliepen, piste Tonnie opnieuw in haar broek. Je lachte en piste wat af in dat klooster.
“Zeg maar tegen die verrekte nonnen dat ons Ria vandaag niet komt,” had Hanna Bosmans gezegd. En ze zei ook nog: “En om vier uur is het dan door de hof en door het poortje naar de meis­jesschool, want ook die hoort bij het klooster. Ook hier moeten de lokalen en het enorme trappenhuis gedaan worden. Maar het ergst zijn de wc’s onder het afdak buiten. Die lekken en stinken altijd, daar zijn de pisbakken van de oude mannetjes in het klooster en die van de jongetjes in de bewaarschool heilig bij. De bewaar­school is trouwens een geval apart wat schoonmaken betreft. Daarvoor komen de meisjes met zware zinken emmers met van links naar rechts klotsend sop, dat eerst in het klooster voor de was is gebruikt, helemaal door de tuin van het kloos­ter aansjou­wen. Het sop is volkomen dood, maar de bewaarschool moet er nog wel mee schoongemaakt worden. Want die verrekte nonnen bezuinigen niet alleen op het loon van de dienstmeisjes en op de vrije dagen die ze niet krijgen, maar ook op het spul waarmee ze moeten schoonmaken,” zei Hanna Bosmans.
            “En moet je haar daar zien staan!” zegt de hoofdzuster vol woede omdat ze geen greep heeft op het zwijgende meisje tegenover zich, dat geschrokken is van de felheid en de woede van de non maar toch vooral verbaasd is en verongelijkt.
            “Vraag vergiffenis!” schreeuwt de non, “Voor het lied dat je gemaakt hebt om een van onze bewoners te bespotten.”
            Tonnie schrikt nog meer. Hoe weet die non dat? Want de dienstmeisjes hadden tijdens het eten inderdaad een lied gezon­gen over Manus Venray, een beruchte inwoner van het huis die uit het tehuis voor daklozen in de stad kwam, tamelijk fit was, dus op zolder sliep en de meisjes vaak op de trap tegenkwam en ze met grappen en grollen achterna zat. Alle meisjes kenden hem en het lied dat Tonnie gemaakt had was een groot succes. De nonnen moesten dat in hun refter een verdieping lager gehoord hebben, misschien had zelfs iemand ze de tekst in handen gespeeld, en nu begint de hoofdzuster dus ook hier over en schreeuwt steeds harder.
            “Moet je haar daar zien staan! Haal die handen uit je zakken! Vraag vergiffenis!”
            Maar Tonnie doet niets van dit alles. Verongelijkt om zoveel onbegrip, zoveel woede, blijft ze daar staan en de non aankijken. Tot die uitzinnig begint te schreeuwen: “Ga uit mijn ogen, ik wil je niet meer zien!”
            Ook dan gaat Tonnie niet weg, totaal overdonderd, maar ook vastbesloten om nooit vergiffenis te vragen. Tot de hoofdzuster ten slotte zelf maar weggaat, gillend: “Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt!”
            Nooit van mijn leven! denkt Tonnie als ze een beetje is bijgekomen. Maar ze huilt bijna als ze werktuiglijk de kapeldeur dichtmaakt en met trillende benen over de lege gang loopt.
            “Psst,” hoort ze dan. “Tonnie, kom eens.” Het is zuster Maria Josepha die haar vanuit haar op een kier geopende kamerdeur roept. Tonnie aarzelt, want ze staat op het punt in huilen uit te barsten en ze wil liever alleen zijn.
            “Kom, Tonnie,” fluistert de poetsnon, “ik heb alles gehoord, kom maar even hier.” Zuster Maria Josepha is op oudere leeftijd ingetreden, heeft niet de normale opleiding aan het nonneninter­naat gevolgd en is nu poetsnon en ook daarom staat ze in haar dagelijkse leven heel dicht bij de dienstmeisjes, maar toch vooral omdat ze al een heel leven in de buitenwereld achter de rug heeft en veel levenswijzer en begripvoller is dan de meeste andere nonnen.
            “Tonnie, laat ze maar praten,” zegt Maria Josepha als ze de deur achter Tonnie heeft gesloten. “Ga zitten, hier neem een stukje chocola. Je moet het moeder Johannie maar niet kwalijk nemen,” zegt ze even later. “Ze heeft een grote verantwoordelijk­heid, moet je maar denken,” en ze knipoogt tegen Tonnie. “We weten allemaal dat je je werk goed doet en dat je ook van een lolletje houdt, en dat is maar goed ook, anders zou het hier maar een sombere boel worden met die chagrijnige nonnen en die oude mensen.”
            Vroeger dacht Tonnie dat nonnen een soort heiligen waren maar nu wist ze beter, daarvoor had ze teveel ervaring met nonnen. Van haar vierde levensjaar in het sanatorium al, waar ze eens een non de kap van het hoofd had geslagen, en daarna op de meisjesschool en de huishoudschool, en haar werk in het klooster had haar achting voor de nonnen niet doen stijgen. Maar voor zuster Maria Josepha maakte ze graag een uitzondering, die deed niet mee aan het systeem van onderlinge na-ijver en pesterijen. “Laat ze maar praten, Tonnie,” zei ze altijd, ook nu dus. Ze had oog voor Tonnies toestand, wist dat ze het thuis arm hadden met die ondertussen acht kinderen, en soms gaf ze Tonnie geld voor een bloesje of een bh. Bij zuster Maria Josepha komt Tonnie weer tot zichzelf. Maar ze weet dat ze niet lang meer in het klooster zal blijven werken.
 
De rijke dames van het dorp ronselden hun dienstmeisjes onder de ouder wordende werkmeisjes van het klooster. Eerst was er uit de meisjes die met hun veertiende van de huishoudschool kwa­men al de vrij scherpe selectie wie er in het klooster mocht werken. In de eerste jaren viel er dan een flink aantal af. En als ze een jaar of zeventien, achttien waren werden de besten doorge­sluisd naar de rijke dames van het dorp of zelfs van de stad. Eigenlijk werden ze gewoon doorverkocht, want de dames leverden een forse vrijwillige bijdrage voor de armen van het klooster.
            Tonnie Weels kreeg van moeder-overste de allerbeste aanbeve­lingen mee: ze hadden in het klooster nog nooit zo`n goed meisje afgestaan. Ze komt bij een architect in de stad te werken en heeft het prima naar haar zin. Een paar avonden per week werkt ze nog, samen met de dochter van een van de andere Vrouwen van de Eerste Huizen, Ada Knietel, in het patronaat. Daar wachten nieuwe avonturen.
            De actie van Hanna Bosmans had trouwens wel gevolgen. De werkomstandigheden van de meisjes verbeteren en ze krijgen voortaan ook zo nu en dan een dag vrij.
            De verhouding tussen Tonnie en de hoofdzuster was na het incident weer genormaliseerd.
            “Maar nooit van mijn leven dat ik vergiffenis vraag aan die verrekte nonnen!” had Tonnie gezegd en was in de lach gescho­ten, want ze merkte dat ze begon te praten als Hanna Bosmans.
 

 

Download

(uit Aan de lange weg , roman van Meurs A.M.)

(Bouwplaats Liefdegesticht, het klooster, appartementen in aanbouw voordat er een nieuwe gevel was opgetrokken zodat het weer een beetje op het klooster leek)

(Illustratie Ufuk Kobas)
(Hanna Bosmans is een van de Vrouwen van de Eerste Huizen. Haar dochter Ria werkt samen met Tonnie Weels als dienstmeisje in het klooster. Hanna wil niet dat haar dochter op Koninginnedag gaat werken en heeft daarbij tegen Tonnie een enorm verhaal over ‘die verrekte nonnen’ afgestoken. Als Tonnie tegenover de hoofdzuster staat om te vertellen dat Ria vandaag niet komt en dat ze zelf ook weer naar huis gaat, komt dat hele verhaal van Hanna weer bij haar naarboven.)


De nagebootste gevel van Het Liefdegesticht, het klooster, in 2005. Er bleef iemand blijkbaar hardnekkig voor staan. Achter de gevel bevinden zich nieuwe appartementen. De foto is gemaakt door radiomaker @WimNoordhoek, die ik op mijn beurt fotografeerde voor de gebouwen die voor de meisjesschool en het patronaat in de plaats waren gekomen. Zie het verhaal Het Patronaat.
Dat al die huizen van mijn buren aan de Provincialeweg waren afgebroken, dat al die gebouwen als de jongens- en meisjesschool, het klooster en het patronaat zouden worden afgebroken, was de reden dat ik de verhalen uit die woningen en gebouwen besloot op te schrijven. Uitgebreid met andere verhalen uit Meerveldhoven, Zeelst en Veldhoven werd dat in december 2004 de roman Aan de Lange Weg. In 2009 werd de door @UfukKobas geïllustreerde 3e druk uitgebracht. De hoorspelversie, door Patrizia Filia gemaakt, werd in huiskamerachtige zaaltjes in en rond Dordrecht gespeeld. In september 2010 werd het hoorspel vergezeld van vele foto’s en afbeeldingen eenmalig gespeeld in De Schalm in Veldhoven.

Op café Een (uit Aan de Lange Weg)

(In Op café Een toont de gehandicapte Teun van Leer zich erg verontwaardigd over de zelfmoord van de jongen van Vlek, de Indiëganger)
( Toen De blijde terugkeer van onze Indiëganger plaatsvond was ik 7 jaar. Die gebeurtenis was de aanleiding voor dit gelijknamige verhaal. Toen ik eind jaren Negentig dit verhaal begon te schrijven wisten we ondertussen wat er destijds in Indonesië was gebeurd. Ik bracht de buren en dorpsgenoten weer bij elkaar in 1951 en verwerkte de belevenissen, daden en trauma’s van meerdere Indiëgangers in de Jongen van Vlek.

Op café Een

Teun van Leer is erg kwaad: Hoe kan iemand die recht is van lijf en leden, een beetje slungelig okay, maar die verder niks mankeert, die gezond is, geen zorgen heeft, zoiets doen?

            “Dat weet je niet,” zegt een ander bij hotel/café Den Os.

            “Hoezo?” zegt Teun, kwaad en ongeduldig omdat ze hem niet gewoon laten doorfoeteren. Eigenlijk stoot hij alleen de klanken uit die op ‘hoezo?’ lijken.

            “Dat weet je niet,” zegt de ander weer, “of-ie niets man­keerde, hij kon wel iets onder de leden hebben, en je weet ook niet wat er in die kop omging.”

            Welke gek gaat er nou met Teun in discussie, en zeker onder deze omstandigheden? Dat is vast niet iemand van hier.

            Teun zit, hangt aan de bar zoals hij loopt, zijn rechterbeen voor het andere, hij steunt zwaar op zijn rechter elleboog. Teun kan alleen klinkers uitstoten, eenlettergrepige woordnabootsin­gen met een of twee medeklinkers erachter: “Eèk òòmm ull! (verrekte stomme lul!)” Hij is erg opgewonden. Ga dan maar uit de weg, weet iedereen die hem kent. En wie in het dorp kent hem niet!

            Teun is kwaad omdat die lange slungel van Vlek zich heeft opgehangen. Een gezonde man van nog geen dertig. Van leeftijd zullen ze niet veel verschillen, Teun en de jongen van Vlek. Maar voor de rest! Teun noemt het ’t toppunt van ondankbaarheid. Om als je niets mankeert je leven zo weg te gooien.

            Teun stoot de eenlettergrepige klanken snel na elkaar het café in. We verstaan hem allemaal, niemand waagt het nog hem te onderbreken, die ene van het begin is allang de mond gesnoerd, hoogstens proberen we Teun een beetje af te remmen door hem een pils in zijn hand te drukken: “Drink eens, Teun.”

            Als hij, Teun, er nou een eind aan zou maken, hij had er alle reden toe. Nooit behoorlijk hebben kunnen lopen, nooit behoorlijk hebben kunnen praten! Natuurlijk is dit een verta­ling.

            “Ooit oet oop, ooit oet aat!” stoot Teun in werkelijkheid uit.

            “Ik ijk àas…!” en hij maakt een gebaar of hij zich verhangt: Ik zou gelijk hebben als ik me ophing!

            Wat moet je daar op zeggen? Elke tegenwerping maakt de woede en daarmee de schokkerige woordenstroom van Teun alleen maar erger.

            “Blijf zitten, Teun,” zeggen we, en als hij niet luistert: “En hou je aan de bar vast of aan een stoel, anders val je nog en ben je nog verder van huis.”

            Natuurlijk trekken wij het ons ook aan, wat wil je, zo`n jong iemand, maar zo persoonlijk als Teun nemen we het toch niet. Wij zijn al gauw gefascineerd hoe hij het gedaan heeft, die jongen van Vlek. Aan de kelderdeur, hebben we gehoord, aan de klink van de kelderdeur. Maar die zit toch niet zo hoog? Aan de binnenkant, mogen we dan aannemen. En is die kelder dan diep genoeg? Is hij dan naast de trap gesprongen? Of stond daar een losse houten trap en heeft hij die weggeschopt? Dat vinden wij eigenlijk interessantere vragen dan het waarom. Want waarom, daar kom je toch niet achter. Hoewel we na­tuurlijk wel aan de verhalen over Indië moeten denken die de jongen hier zat te vertellen, zoals van dat gehalveerde meisje. En volgens de Heeskop was hij ook verantwoordelijk voor de vergiftiging van het Patersgat, het moerasgebied bij de Gender, wat overigens nooit was bewezen. Wij zijn evenmin vergeten dat hij vanuit hun hof met een mitrailleur op de bomen aan de andere kant van de Gender schoot toen daar nog bomen ston­den. En werd er destijds niet verteld dat hij gek was op de bloedmooie Petra Donkers? Maar welke jongen uit de buurt was dat niet?

            Het schijnt trouwens dat veel jongelui er een eind aan maken. Alleen hoor je daar nooit van. Dat mag niet in de krant. Dat verklaart meteen, voor een deel toch, en dan hebben we het over een aantal jaren geleden, over de tijd dat die soldaten terugkwamen uit Indië, dat enthousiasme om zich te melden voor Korea. Gewoon verkapte zelfmoord. Zelf durven ze het niet, maar hopen gewoon… En nog als held begraven worden ook. Weet u dat wij nog respect krijgen voor die jongen van Vlek? Die komt er tenminste eerlijk voor uit en doet het ten­minste zelf.

            Maar voor dat respect hoef je bij Teun niet aan te komen. Die strompelt ondertussen langs de bar, overal tegenaan sto­tend en zich aan iedereen vastgrijpend. En nu is hij zelfs voor ons slecht te volgen. Maar we menen dat het erover gaat dat hij die benen van die jongen dan wel had willen hebben, en die tong, ook al heeft iemand anders die dertig jaar in zijn bek gehad, menen we dat hij zegt, maar het is mogelijk dat we dit zelf invullen. Of zou het toch aan mijn hersens liggen, horen we hem weer duidelijk, zij het natuurlijk op zijn manier, zeggen. Nou ja, dan maar een hersentransplantatie. Ze kunnen toch alles tegenwoordig! Als ze het met huid kunnen, zoals bij dat verbrande kind van Weels, waarom dan niet met hersens?

            Teun komt terugstrompelen van de pisbakken en wil meteen naar buiten, naar zijn fiets die hij vlakbij de deur heeft gezet. Op zijn fiets en als hij zijn mond houdt is Teun precies als ieder ander. Maar soms gaan de kinderen met zijn fiets aan de haal en hinkelepinkt Teun achter ze aan, vloekend. De kinderen doen hem na: “Ont iet aat oe!” Tot iemand het voor hem opneemt, de kinderen opvangt, ze een schop onder hun kont geeft en Teun zijn fiets teruggeeft.

            Teun is een fietser. Wat wil je! Wat verder van huis ziet niemand iets bijzonders aan Teun op zijn fiets die vriendelijk knikkend en glimlachend de mensen groet, zonder geluid.

            Teun is niet de enige, er zijn meer van die fietsers. Maar die zijn wat meer verdacht. Die dragen vaak een korte broek en dat vinden we gek bij ons in het dorp. Niet dat ze bij hotel/café Den Os ooit iemand lastig vallen – ze zouden het bij de vaste bezoekers al niet moeten proberen! – maar we vermoeden toch dat ze op de fiets en met die korte broek achter de jongens aan zitten. Waarom anders die korte broek?

            Maar ze weten alles, de fietsers, alles van en rond het dorp. Van de Gender, de nieuwe en de oude. En zoals iedereen die hem gekend heeft zweren ze bij de oude Gender, die van voor de omlegging. Daar zat nog vanalles in, die leefde nog. Er zijn nog een paar stukken van over, na hevige regen staat er soms zelfs weer wat water in. De nieuwe Gender is alleen op zondag, wanneer de wasserijen en weverijen stil liggen, nog tamelijk helder. Dan heb je in een strenge winter zelfs kans dat hij nog bevriest en kun je erover naar de Leef schaatsen, de ijsbaan tegenover de steenfabriek richting stad. Wel zie je ook op zondag, als het grijsblauw van het afvalwater van de fabrieken hem niet verkleurt, dat de Gender steeds bruiner wordt. IJzer waarschijnlijk. Dat heb je met die omleggingen! zeggen de fietsers.

            Ze weten dus alles, die mannen op de fiets. Van de ruilverkaveling, de boeren die vanuit de dorpskernen en de noord- en westkant van de gemeente naar het natte zuiden verhuizen, naar het gebied van de Dommel, de Run en Gender. Want, weten ze te vertellen, er komen nog veel meer nieuwe wijken. En in het zuiden komen de boerderijen en, wat dichter­bij, vlak achter de Lange Weg, de industrie. Van het hele natuurgebied tussen de riviertjes blijft niks over. Voor de landbouw moet er gekanaliseerd en ontwaterd worden. En voor loodsen en industriehallen moet er ontwaterd en opgehoogd worden. Kijk, dat die boerderijen in het zuiden komen, dat begrijpen de fietsers wel, het was altijd al het vruchtbaarste gebied van de gemeente, zij het vaak te nat. Nat en zompig, noemen de mensen die aan de Lange Weg wonen het Broek­land, waar de huizen vochtig zijn en de mensen klein en ach­terlijk blijven. Dat was het beeld, maar met de moderne metho­den moet dat kunnen worden opgelost. Maar wat die industrie daar doet, begrijpen de mannen op de fiets niet. Omdat er traditioneel al industrie was aan de zuidkant van de Lange Weg? Vanwege de Gender die schoon water aanvoerde en vuil water afvoerde? Maar dat is toch achterhaald, daar heb je toch pompen en riolering voor tegenwoordig! De fietsers verklaren het gemeentebestuur voor gek en voor slaaf van Philips en van Eindhoven. Dat is precies wat oud-burgemeester Van Tuin altijd heeft tegengehouden, zeggen de fietsers. Je zou bijna terugverlangen naar de tijd dat die godsdienstgek het hier voor het zeggen had. Als die terug zou komen en een dam zou opwerpen tegen al die ‘vooruitgang’, dan mocht hij wat hen betreft ook heilig verklaard worden, net als Pius X.

            Maar de meeste fietsers mogen met hun korte broek dan wel modern willen doen, het zijn toch flikkers die tegen de vooruitgang zijn, zeggen we bij hotel/café Den Os. En wat betreft Teun, die versta je niet en is gewoon gek.

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)

De blijde terugkeer van onze Indiëganger (uit Aan de lange weg)

De blijde terugkeer van onze Indiëganger

Het dansen is dan eindelijk begonnen. En allereerst danst daar de schoenmaker met het houten been.

     En het lijkt of het houten been zelfs nog wat voor hem uit danst. Niet zozeer om hemzelf voor te blijven als wel om zijn chagrijnig wijf te vlug af te zijn dat hem elk ogenblik kan komen halen.

     De Vrouwen van de Eerste Huizen zijn laat. Maar ze hebben ook al dagen in en rond het feesthuis doorgebracht. Al dat sparregroen, die duizenden gekleurde lampjes, het span­doek en de leuzen, de heerlijke koude schotel met eieren en echte mayonaise en soepvlees – draadjesvlees, zeggen de kinderen – het is allemaal hun werk.

     Ze staan nog met hun tweeën over Hanna Knietel heen gebogen. Ze maken haar niet gewoon op, nee ze krijgt zowat een masker, en een pruik en een hoofddoek en kleren aan die haar man niet kent. Want Hanna heeft zich in haar hoofd gehaald dat ze naar het feest moet zonder dat Knietel, die daar al uren is, haar kan herkennen. En zo gaat ze proberen hem te verleiden, en als hij daar instinkt dan weet ze dat het waar is wat ze over hem vertellen en zwaait er wat!

     De mannen van de muziek, de harmonie, zaten al uren hun dorst te lessen. Ze zijn van ver, vanuit de Kerkstraat waar hun thuishaven café Van Keul is, op komen stappen in hun blauwe uniformen die op mariniersuniformen lijken. Maar deze gelijkenis vinden de stoere mariniers, waarvan we er ook een paar in het dorp hebben, helemaal niet leuk. “Hé, Piet, ook bij de harmonie, jongen?”

     Met kleine pasjes zijn de muzikanten, keurig in de maat, over de Lange Weg gekomen, kinderen voor en achter hen.

     “Stil eens,” zeiden de mensen bij het feesthuis als er even geen auto voorbijkwam, “ik hoor de harmonie al.”

      Want al rijden er over de Lange Weg nog steeds karren, waar je als kind onder kunt zitten en op de as meerijden, er komen ook al veel auto’s vanuit de stad richting België. In de bocht waar de schoenmaker en Anneke en Leo wonen gebeuren regelmatig ongelukken. Er zijn al mensen die aan de aanleg van een snelweg van Eindhoven naar Antwerpen denken.

     Maar nu komt de harmonie over de weg, voorop een mannetje dat op de maat jongleert met een prachtige stok met aan de einden een zilveren bal. De kinderen marcheren eromheen en zingen op de maat van de trommen: “Daar heb je de Guld, daar heb je de Guld, daar heb je goddomme de Guld.”

     De pastoor, met voor de gelegenheid een paarse sjerp diago­naal over zijn borst, fietst ze op zijn hoge zwarte damesfiets voorbij en kijkt wat minder streng dan anders. Hij ziet de blote benen van de jongens en de meisjes. Ze dragen allemaal witte onderbroeken die ze ’s nachts aanhouden en die maar eenmaal per week, zaterdags na het bad, ververst worden. Zo dadelijk zal hij aan zijn borrel en zijn sigaar zitten.

     Maar het feest wil niet op gang komen zolang de pastoor er is. Sommige jongelui worden wel wat vrijmoediger naarmate hij er langer is en zij wat meer hebben gedronken.

     “Waarom weigert u de vrouwen de communie, meneer pastoor, als ze geen hoed of hoofddoek op hebben?”

     “Waarom is iets onkuisheid vóór het huwelijk en erna niet meer?”

     Met de jongen van Vlek is iets eigenaardigs. Het ene moment zit hij te lachen – is het om dit soort vragen, vindt hij die belache­lijk, is hij die allang voorbij? – dan zit hij weer nors voor zich uit te staren.

     Als de pastoor bij hem gaat zitten en vraagt hoe het met hem, het feestvarken is, kijkt hij hem alleen maar aan. Dat hij gerust eens mag komen praten, zegt de pastoor, en biechten zou mis­schien ook geen kwaad kunnen, probeert de pastoor luchtig te doen. Opeens steekt de jongen zijn tong uit. De pastoor schrikt en krijgt een rooie kop. De jongen van Vlek staat op en klopt hem op zijn schouder.

     “Het is goed, hoor, Rinuske,” zegt hij, “ik zie wel. Je rust zou verstoord zijn als ik kwam biechten.” Dan loopt hij weg. De pastoor is even later met een bleek gezicht en gefronste wenk­brauwen op zijn fiets gestapt.

     “Dag, meneer pastoor, hoe gaat het met u?” zeiden de Vrou­wen van de Eerste Huizen die net aankwamen enthousiast. Ze hadden zich maar allemaal verkleed om Hanna Knietel niet uit de toon te doen vallen. Ze kwamen proestend binnen maar sloegen om toen de pastoor niet antwoordde en zij zijn gezicht zagen. Maar het duurde niet lang of ze waren de pastoor vergeten; dat die niet van al te grote uitbundigheid hield was bekend.

     Het dansen is dan eindelijk begonnen en de meeste jongeman­nen hebben alleen maar oog voor de bloedmooie, weliswaar veertienjarige maar vroegrijpe Petra Donkers, die, zo is de alge­mene gretig vastgestelde mening, zowat in haar blote kont danst. Je ziet ze slikken en haastig drinken, de jongens, en dan opeens verdwijnen naar de wc of naar de bosjes – “even pissen” – en met een blos op hun wangen terugkomen: “Wat is het hier heet!”

     Ook Knietel zit op een stoel tegen de muur naar Petra te kijken en het stoort hem als de vrouwen binnenkomen, luidruch­tig, zogenaamd als jonge meiden.

     “Hé, schatje,” zegt Hanna Knietel, “zullen wij eens dansen? Wat ben jij een stevig stuk!” En omdat ze een jonge meid wil spelen praat ze nog sneller dan anders en spuugt nog meer bij alle s’en en t’s. Knietel, opgewonden door Petra en geërgerd dat Hanna hem het zicht op haar ontneemt, pakt zijn vrouw met een hand bij de borst en met de andere in het kruis, trekt haar boven op zich en zoent haar vol op haar mond. De rest van de avond maken ze ruzie, waarbij zij in talloze variaties herhaalt dat hij de eerste de beste meid pakt, en hij dat hij haar meteen herkende en het recht heeft zijn eigen vrouw te kussen. En zij weer: “Noem je dat kussen?” en dat gaat zo maar door.

     Behalve Petra is het vooral de schoenmaker die opvalt. Hij heeft zelfs zijn houten been afgedaan, heeft ermee gezwaaid, heeft rondgehinkt waarbij hij het been als kruk gebruikte. Maar hij is ook al een paar keer gevallen en kon dan niet meer overeind komen. En toen hebben degenen die hem steeds moesten oprapen hem verboden het nog af te doen, want ze hadden er genoeg van. Met zoiets blijf je niet lachen.

     De jongen van Vlek wendt zijn hoofd af als de schoenmaker bezig is. En wanneer die zijn been afdoet, wordt hij zelfs onrustig en staat er afschuw op zijn gezicht. Is hij daarginds soms bijgelovig geworden? Maar ook van Petra kijkt hij weg, hoewel dat uit verlegenheid kan zijn. En de scène met de Knietels lijkt hem ook niet te bevallen.

     Hij drinkt te veel jenever in plaats van bier en eigenlijk wil hij whisky maar die is er niet en jenever is er ook niet al te veel.

     “Wat moet dat?” zegt hij tegen Van Vulpen, die hulppolitie­agent is en wiens voeten op tien voor twee staan en die met twee borrels tegelijk naar buiten gaat. Maar die slijmerd heeft in het voorbijgaan fabrikant en ex-burgemeester Van Tuin tussen de coniferen in zijn tuin zien staan en hem over het weiland naar het feest zien loeren, en gaat hem nu een borrel brengen.

     Als er iemand voor het bier komt dan is het wel Walterke Smits. Hij heeft heel de middag moeten wachten, hij hield het niet meer uit en heeft in het winkeltje van Piet van Doelen in de andere bocht van de Lange Weg al twee dikbuiken achterover geslagen. Walterke weet van zichzelf dat hij een groot vakschil­der is en heeft voor het feest een smetteloos witte schildersoveral aangetrokken.

     De meisjes draaien rond die bruine kop van de jongen van Vlek. Wat ziet hij er goed uit! Hoewel hij er in zijn soldatenpak nog stoerder uitzag. Maar om een of andere reden heeft hij dat na een paar uur verwisseld voor een antraciet broek en wit nylon overhemd. Ze vragen hem te dansen, kruipen tegen hem aan, maar hij gaat steeds meteen weer zitten en als ze op zijn knie kruipen, duwt hij ze weg.

     Hij zit op de divan, zijn elleboog staat op zijn knie en hij ondersteunt zijn kin met zijn duim terwijl hij de rest van zijn vuist tegen zijn lippen drukt. Hij ziet in de keuken Petra zich over het aanrecht rekken om op een van de schappen erboven iets te pakken. Haar kont is volledig te zien, iets wat op een broekje lijkt is helemaal in de naad getrokken. Terwijl ze, zich uitrekkend, met haar linkerhand hoog daarboven iets zoekt, krijgt ze blijkbaar jeuk aan haar aars, steekt de middelvinger van haar rechterhand erin en draait hem rond. Dat vindt ze lekker, want ze schudt wellustig met haar billen. Ze kijkt niet om, weet dat hij loert.

     Hij wendt zijn hoofd af, draait het in de houder van zijn duim en wijsvinger. Dan ziet hij boven de divan het kleed uit Indië hangen dat hij zijn moeder heeft gegeven, met de vrouwenfiguren met harkachtige armen tot op de grond. Hij is er met zijn gezicht vlakbij en schrikt. Hij springt op en botst weglopend tegen de schoenmaker aan die omvalt maar die hij nog net kan opvangen. Vol afgrijzen zet hij hem schuin tegen de muur, als een opge­klapte strandstoel. Hij holt het huis uit.

     Wij weten dat hij zich in hotel/café Den Os is gaan bezatten. Met alleen Marie, de barjuffrouw, als gezelschap, want alle stamgasten zijn naar het feest: daar is het drinken gratis.

De jongen van Vlek zit dan sinds zijn behouden terugkeer uit Indië de godganse dag bij hotel/café Den Os. In het begin hebben zijn verhalen nog iets van bravoure, hoewel hij ook lang stil kan vallen. De “blauwen” belaagden hen van alle kanten en zij sloegen keihard terug. Okay. Maar dan is er dat merkwaardige verhaal dat ze munitie moesten sparen en geen bloed mochten laten vloeien. Ze verdronken een gevangene in tien centimeter water. Tien centimeter water? Ja, door hem met zijn gezicht in een slootje te duwen en dan op zijn hoofd te gaan staan. En er waren altijd gretige vrijwilligers om zo`n executie uit te voeren. Ja maar, Vlek, jongen! Pak er nog eentje, maar maak dat de kat wijs.

     Als hij niet in Den Os zit, is hij in het Patersgat en staart naar de stekelbaarsjes in de sloten. Het is een moerassig natuurgebied met hoge populieren waar je niet mag komen. De Heeskop in zijn manchesterpak en met zijn snor en zijn jachtgeweer struint daar rond en springt opeens uit het riet als je aan het vrijen bent. Hij heeft de jongen dagenlang in de gaten gehouden, want hij was ervan overtuigd dat die op een gegeven moment met een meisje zou komen. Toen hij begon te denken dat de jongen gewoon van dat plekje hield en er tot rust wilde komen, zag hij hem een aantal flessen chloor in het water legen en hoorde hem zeggen: “Voor­uit, sterf nu maar. Over twintig jaar is dit er toch allemaal niet meer.”

     Alle waterleven is doodgegaan, ondanks dat de Gender werd afgedamd en men het gebied heeft laten overstromen.

     Hij is gek, zeggen de mensen, vooral toen hij in Den Os het verhaal vertelde van het gehalveerde meisje.

     Ze pikten wel eens meer meisjes op als ze op patrouille door een kampong liepen. Zo`n kind weegt niks, je hangt het over je heen en laat het met je spelen. Met haar enkels over elkaar hangt ze vast in je nek, jij hebt alles voor je wat je wilt hebben en bovendien je handen vrij voor je geweer. Een beter schild kun je niet hebben. En er is geen oponthoud, wat voor de sergeant het belangrijkst is. Je loopt met zijn allen gewoon door. En als je er genoeg van hebt gooi je haar in de bosjes of de kali, dood of levend naargelang je stemming.

     Dit was anders. Na een bocht ziet hij Van Daal voor zich lopen met de benen van een meisje over zijn schouders. De knieën liggen op de schouders en de tenen steken omhoog. Ze hangt andersom. Hij wil zeker haar tietjes zien. “Hé, Van Daal!”

     Als die zich omdraait, zien ze dat hij alleen het onderstuk van een meisje om zijn nek heeft, het lichaam is doormidden gehakt. “Van Daal, man!”

     Hij tilt het onderlichaam een stukje op en kijkt eronderdoor. Hij grijnst, zijn gezicht zit onder het bloed. Hij heeft niet alleen met zijn klewang het bovenlijf eraf geslagen maar haar ook een houw tussen de benen gegeven. Zo liep hij al die tijd met zijn gezicht in die grote wond.

     “Ik heb het gat een beetje groter gemaakt,” zegt de gek.

     In het begin hebben ze hem aangemoedigd, de jongen van Vlek, hem een pilsje gegeven bij hotel/café Den Os. Maar toen ging het nog over pret maken met lekkere bruine meisjes of over het te grazen nemen van zo`n blauwe die hen beschoten had. Nu zeggen ze steeds vaker “hou je kop, jongen, wij moeten die vuiligheid hier niet horen” en ze vragen zijn vrienden hem naar huis te brengen. En die hebben daar eerst nog bij gelachen, want als je hem losliet liep hij diep voorovergebogen steeds rondjes en kwam vaak in de heggen terecht. Dat kwam volgens hen omdat hij niet gewoon bier dronk maar ook jenever, en dat dronk uit grote glazen en daarbij “whisky!” riep – waar had hij dat vandaan? – nadat hij die ene fles whisky, die daar sinds de oorlog ruim vijf jaar had gestaan, soldaat had gemaakt. Waar vind je hier nou whisky? Dat is toch geen drank voor ons soort mensen. Dat is weer zo`n mode zeker die de geallieerden hebben meegebracht en die in soldatenkringen is blijven hangen. Of zou het door de cowboyfilms komen die ze in de City in de stad draaien?

     De Vrouwen van de Eerste Huizen geloven niks van de verhalen.

     “Die jongens hebben daar een paar jaar vakantie gehouden,” zegt de lacherige lange Hanna Bosmans. “Moet je die bruine koppen maar eens zien.”

     “Die hebben geen vijand gezien,” zegt de oudste dochter van Meijer met haar zware trage stem.

     “Peetje pret maken met pruine meisjes,” spuugt Hanna Knietel.

     Hij mag geen verhalen meer vertellen bij hotel/café Den Os. Maar soms barst hij toch los.

     “Toch was hij de kleinste moordenaar van ons allemaal,” snikt de jongen van Vlek. “Want ’s nachts is hij eerst begonnen te snikken, dan te brullen, en is zo de duisternis in gelopen. Tot hij, gelukkig voor hem, struikelde en door ons werd teruggehaald voor de vijand hem te pakken had. Hij was alweer op de boot of in het vliegtuig of misschien zelfs weer thuis toen bij ons het echte moorden begon, hele kampongs tot en met de baby’s en de huisdieren. Och, dat kan ik jullie allemaal niet vertellen,” zegt de jongen van Vlek.

Hulppolitieagent Van Vulpen is nog het meest driftig over de verhalen van de jongen. Hij vindt dat het gezag, en met name het geüniformeerde gezag, door de verhalen wordt ondermijnd. Hij heeft immers zelf ook nog zijn uniform van hulppolitieagent in de kast hangen.

     Hij doet het uniform aan en loopt net zolang met zijn tien-voor-twee-pasjes van de een naar de ander tot hij ex-burgemees­ter en fabrikant Van Tuin, gemeentesecretaris Van de Reyden en de weleerwaarde heer pastoor Van Olen voor noodberaad bij elkaar heeft. Afgesproken wordt bij Van Tuin.

     Maar Van Tuin ontvangt ze niet in zijn villa zoals iedereen had gehoopt maar in het kantoortje van zijn fabriek achter de villa. En de twee notabelen, de pastoor en de gemeentesecretaris, wijten dat aan Van Vulpen met zijn malle uniform. Hij is immers niet een van hen, maar hij is nou eenmaal de initiatiefnemer en het raakpunt met het gewone volk.

     Ze hebben er duidelijk niet zo`n zin in, de notabelen, ze zouden het liever doodzwijgen. Als hulppolitieagent Van Vulpen over de vergiftiging van het Patersgat begint, zegt ex-burge­meester en fabrikant Van Tuin zelfs dat de jongen eigenlijk aan de toekomst heeft meegewerkt.

     De hoge heren komen al vlug tot de conclusie dat de jongen van Vlek werk moet hebben en een meisje. Dan zal het gauw allemaal vergeten zijn.

     Ze heffen de bijeenkomst op, hulppolitieagent Van Vulpen gaat naar huis en de heren gaan alsnog de villa binnen.

En het lijkt of het houten been zelfs nog wat voor hem uit danst. Niet zozeer om hemzelf voor te blijven als wel om zijn chagrijnig wijf te vlug af te zijn dat hem elk ogenblik kan komen halen. (pag.84)


(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)

Het Engelenkopje

“Ik weet het ook niet,” zegt de lange Hanna Bosmans van de Eerste Huizen, “ik heb genoeg werk om mijn eigen vent in de gaten te houden, laat staan dat ik ook nog op die van een ander moet letten. Ik vind het leuk om eens te lachen met dat soort dingen en er de kinderen mee te plagen, zo van ‘Hoe is het met jullie vader en moeder, slapen ze nog steeds samen in één bed?’. Maar het moet natuurlijk wel bij een grapje blijven. Wat die van mij uithaalt op zijn busreizen, weet ik ook niet, maar laat ik het niet merken! Ook als de sjeu eraf is,” zegt ze, “mag ik toch op een soort solidariteit rekenen, niet dan?”Hanna Knietel weet het ook niet. Ze praat nog vlugger dan Hanna Bosmans en ze sproeit erbij en weet dat haar man nog slomer is dan die van Hanna Bosmans, en daarom gelooft ze niet dat hij zoiets voor elkaar krijgt, maar je weet maar nooit bij die kerels. Aan de rand van het voetbalveld schijnt hij ook tot leven te komen, daar staat een heel ander iemand, heeft ze zich laten vertellen. Dus een beetje wantrouwig is ze wel. En die ene dochter van Donkers is niet zomaar een meid, dat is wel iets bijzonders. Daar hoef je geen geile kerel voor te zijn om dat te zien.“Als de jongen van Vlek terugkomt uit Indië,” zeggen de twee vrouwen tegen elkaar, “mag buurman van Zand wel uitkijken, want die jongen is gek op Petra Donkers. En van die jongen zelf kan het niet zijn, want die is al te lang weg.”Ja, waarom van Zand, dat weten ze eigenlijk niet, want iedereen is verdacht. Maar toch vooral degenen die langs de deuren gaan. Zoals de voddenman Frans de Lepper, die in een kuil tussen de vodden op zijn karretje ligt te slapen en het kleine paardje sukkelend zijn gang laat gaan en die opschrikt als de kinderen vlakbij zijn hoofd “hé Frans!” roepen. Dat verdacht zijn geldt dus ook voor Hans Buiting met zijn bakfiets met speculaas. En voor de woonwagenbewoners die scharen slijpen of elastiek verkopen. Zelfs voor de jongen die rozen­kransen verkoopt voor de missie, al is die nog wat jong en bovendien onnozel, en tegen wie van Zand heeft gezegd: “Hier bidden we niet”, wat deze nog meer verdacht maakt dan hij al is.En dan dat mannetje van de familie Klapper, waarom zijn ze uit Sas verhuisd, want hij werkt daar nog steeds? Is dat niet verdacht? Heeft hij daar misschien ook al wat uitgehaald?“Ja, Hanna,” zegt de ene Hanna tegen de andere, namelijk Hanna Bosmans tegen Hanna Knietel, “die van mij is meestal de hort op met zijn touringcar, maar die van jou is ermee gestopt en heeft een gewone lijndienst genomen en, ik lach er maar eens mee,” lacht ze, “maar dat kan toch ook zijn reden hebben.”“Och, Hanna,” zegt de andere, “och Hanna…” En dan stopt ze, want ze wil zo haastig vanalles zeggen dat ze helemaal niets kan zeggen, alleen maar een paar keer “och Hanna”, en dan is het alweer een paar minuten later en lijkt het niet meer belang­rijk, want gaat het alweer over iemand anders.In dit geval is er ondertussen zelfs iemand bij komen staan om het over iemand anders te hebben, het is de oudste dochter van Meijer, de andere buurvrouw van mevrouw Knietel. Ze komt altijd met grote passen van de sigarenfabriek over de Lange Weg lopen, ze praat met een zware stem, en met die zware stem zegt ze dat, omdat zij op de sigarenfabriek werkt, zij weet hoe bazen van sigarenfabrieken en van fabrieken in het algemeen zijn. En daarom wil ze Van Tuin, die niet alleen burgemeester is geweest maar nog steeds fabrieksbaas is, niet uitvlakken.“Maar die komt nooit op straat!” zegt vrouw Knietel en wil nog veel meer zeggen, maar vrouw Bosmans haakt al in door te zeggen dat hij daarvoor niet op straat hoeft te komen. Zoiets kan ook gebeuren langs de tuinen en hoven en stukken land­bouwgrond achter de huizen. Hij kan zelfs helemaal langs de Gender om komen. En anders kan zij dat wel.Maar ze sluiten eigenlijk niemand uit, zelfs niet de traditio­nele melkboer, zeker niet omdat die een beetje flauw praat, een beetje fleemt. En zijn knecht, dat is een flinke jongen. Dan heb je ook nog de groenteboer, maar vooral de visboer met zijn vierkante kop met zwart nat haar in een scheiding. Ja, de visboer, die van de stad komt en daar weer heen verdwijnt, bij die zouden ze wat langer stil kunnen blijven staan, een flinke man als je van kort en gedrongen houdt, en van die geur natuurlijk.“Ja,” lacht de lange Hanna Bosmans, “die ruikt in zijn geheel zoals jij in je kruis ruikt. Geen wonder dat die kerels gek zijn op vis.”“Nou die van mij klaagt anders tegenwoordig alleen nog hoe ik ruik,” zegt Hanna Knietel. “Had-ie vroeger geen last van.”Maar wie maakt er nou een waterhoofd? Wie zit er zelf zo vol vocht dat hij een waterhoofd maakt? Het is de dochter van Meijer die zich dit afvraagt met haar zware stem. En hoewel de vrouwen niet zeker weten of dat allemaal wel iets met elkaar te maken heeft, gaan nu de dronkaards over de tong. Zoals het mannetje dat niet aan de kant van de huizen loopt maar aan de overkant, op het gras tussen weg en fietspad, en daar achter­volgd wordt door de kinderen en soms zelfs wordt omgeduwd, en dat dan ook blij is dat het de huizen achter zich kan laten en na een stuk niks verdwijnen kan achter de bocht tegenover de steenfabriek, waar nog een laatste café is en waar in kleine huisjes wat vreemde mensjes bij elkaar wonen, zoals het vrouwtje van Piggelmee.“Er zijn er nog meer die in aanmerking komen!” roept iemand die aan de overkant op de fiets voorbij gaat richting stad langs de steenfabriek. Maar hoe kan die hen gehoord hebben, of heeft hij het gewoon geraden toen hij de vrouwen die kant zag opkijken?Wat was dat trouwens voor een manier van doen, om die schoolkinderen langs te sturen terwijl dat kind met dat veel te grote hoofd in de gang lag in plaats van in de voorkamer! Om afscheid te nemen van een broertje/zusje van een klasgenootje? Wat was het eigenlijk? Dat werd toch anders ook niet gedaan. Was dat een streek van de pastoor en van het hoofd van de school, zo van: “We weten dat er een kind geboren is en dat er iets mee aan de hand was en we houden jullie in de gaten?”En had de familie Donkers daar weer op gereageerd door het kind alvast op de gang te leggen, vlakbij de voordeur, zodat men niet echt het huis in hoefde te komen?Hanna Knietel, die een poosje stil is geweest, barst opeens los: “We weten allemaal wat de officiële lezing is, namelijk dat het kind van vrouw Donkers is. Maar wij geloven dat niet, want die is ver boven de veertig, heeft al meer dan tien jaar geen kind gehad en bovendien heeft niemand iets aan haar gezien. En iedereen denkt nu dat het van de bloedmooie Petra is omdat die met haar – wat zal het zijn, veertien jaar? – man­nen aantrekt als een vlinderstruik vlinders… Maar is die Petra daar niet te gehaaid voor, te veel gewend aan en dus ook beducht voor mannen, en moeten we het dus niet veel eer zoeken bij iemand die dat niet gewend is en dus eerder valt voor de manieren van zo`n ouwe geile beer – want dat het van een oude viezerik is en niet van een jonge jongen, staat voor mij als een paal boven water – en moeten we dan niet eerder denken,” zegt Hanna Knietel, “aan de zus van Petra, die niet helemaal honderd procent is, misschien blij is dat er iemand aandacht aan haar schenkt in plaats van altijd maar aan Petra, en die zich door zo`n zak – en dat kan een van onze mannen zijn! – vol heeft laten stoppen?”Hèhè, het is eruit en Hanna Knietel leunt uitgeput tegen de oudste dochter van Meijer.Maar dan zouden degenen die elke dag met de zus van Petra naar de sigarenfabriek lopen en die bij haar werken er toch iets van hebben moeten merken?Nou, ze draagt altijd van die wijde mantels en op haar werk van die wijde schorten, en bovendien zit ze niet bij de sigaren­maaksters maar loopt er een beetje omheen, maakt wat schoon.“En kan dus makkelijk in een hokje of een wc te grazen genomen zijn door zo eentje die last heeft van zijn sigaar,” lacht de lange magere Hanna Bosmans die overal mee lacht.De oudste dochter van Meijer blijft het buiten hun eigen soort volk zoeken en zegt met haar zware stem, opnieuw doelend op fabrikant en ex-burgemeester Van Tuin: “Ik ver­trouw ze niet, die mannen met een huis waarvan de voordeur van de weg is afgewend, en waar altijd een dienstmeisje open doet dat de deur weer sluit als ze naar achter gaat, en waar jij maar staat te wachten tot de deur weer wordt geopend.”“Jamaar,” zeggen de anderen, “er zijn meer voordeuren die niet aan de straatkant zitten, zoals die van Donkers zelf en van Van Zand, en die deuren staan zelfs naar elkaar toe gekeerd!”En meteen is alle aandacht weer op van Zand gericht.Maar Hanna Bosmans zegt zich zo`n van Zand niet te kunnen voorstellen, en ze bedoelt: sexueel actief voorstellen. Zo`n man die altijd in zijn schuurtje aan het prutsen is en dan opeens aan een vrouw aan het prutsen zou zijn, ook al in dat schuurtje, waar anders, toch niet achter op het land, in de haver soms? En de vrouwen gaan terugrekenen wat voor seizoen het geweest moet zijn toen de baby werd verwekt.Voor die kleine, fanatieke mannetjes met een oogopslag als die Klapper die vanuit Sas, een aangrenzend kerkdorp, hier is komen wonen en niemand weet waarom, daar moet je meer voor oppassen. Die heeft al eens tegen de lange Hanna gezegd: “Zo, is je man weer op stap? Nou, die komt niks tekort. Zorg jij ook maar dat je niks tekort komt.”En Hanna Bosmans heeft gelachen: “Nee, daar zorg ik heus wel voor.” Maar ze dacht, zegt ze: Jou houd ik in de gaten. En dan maakt ze Hanna Knietel verlegen als ze zegt: “Kun jij je voorstellen hoe zo`n mannetje het doet?”Vrouw Knietel kan zich helemaal geen man meer sexueel actief voorstellen sinds ze haar eigen man niet meer zo kan voorstellen. En ze lacht maar eens net als de anderen als vrouw Bosmans doorgaat: “Ik weet het natuurlijk ook niet, maar zoals zo`n man op de fiets zit, krijg ik toch een bepaald idee hoe hij het doet. Maar behalve door het aan zijn vrouw te vragen, is er natuurlijk maar één manier om daar achter te komen.”“Dat heb ik er niet voor over,” zegt Hanna Knietel die een beetje bijgekomen is.Ze denken dat er bij de oude Donkers nog wel wat venijn in zit, zij het niet meer voor zijn eigen vrouw. Hij zou toch niet met zijn eigen dochter…?Ze zijn er een vergeten, tenminste als ze het bij de directe buren houden: dat kleine mannetje van Vlek, dat net iets te veel in een korte broek rondloopt. Hij is bezig een noodhuisje te bouwen in zijn tuin, voor een van zijn getrouwde kinderen. Maar het paar is er nog steeds niet ingetrokken, en de vrouwen vinden dat hijzelf wat veel tijd in dat huisje doorbrengt. Zijn zoon komt binnenkort terug uit Indië.Dan denken de vrouwen er opeens aan dat ze nog heel wat te doen hebben om die jongen welkom te heten! Dat huis en dat voortuintje moeten nog versierd worden met groen en met gekleurde lampjes, en ook de lantaarnpalen in de buurt, en er moet nog een doek met “Welkom Thuis” gemaakt worden. Allemaal zaken die ze als goede buren voor hun rekening dienen te nemen. En ze besluiten dat ze snel aan de slag moe­ten, dat ze al genoeg tijd verkletst hebben en dat ze er nog wel op terugkomen.Een paar dagen lang staat alles in het teken van de behou­den terugkeer uit Indië van onze dappere buurjongen. En als de repatriant een paar weken na zijn terugkeer verhalen begint te vertellen hoe ze daar tekeer zijn gegaan, ze zouden voor de lol vrouwen en kinderen hebben afgemaakt, heeft de buurt heel iets anders om over te praten en is het dode kind met het veel te grote hoofd in de gang gauw vergeten. Alleen de schoolkinderen die op bezoek moesten, denken er nog wel eens aan als ze in de kerk naar de dikke engelenkopjes aan de pilaren kijken. “Precies zo zag het eruit,” zeggen ze tegen elkaar.

(uit Aan de Lange Weg. roman van Meurs A.M.:
https://www.boekwinkeltjes.nl/b/105679570/Aan-deLange-Weg-roman-van/ )

Het Patronaat

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

Het Patronaat

Vooral het patronaatsgebouw was het centrum van leven van het dorp aan de Lange Weg. Dat begon al in het consultatiebu­reau dat in het patronaat was gevestigd en waar je voor het eerst gewogen werd en waar later ook het schoolgezondheids­onderzoek plaats vond.

Het oudste meisje van Anneke Weels, Tonnie, lag dus van haar vierde tot haar achtste in het sanatorium en sindsdien sjouwde Anneke inderdaad met de andere kinderen steeds naar het consultatiebureau in het patronaat.

Tonnie Weels was bij het schoolgezondheidsonderzoek mis­schien een jaar uit het sanatorium. De dokter keek in een bovenkamertje van het patronaat naar het litteken van de longoperatie, bekeek ook de rest van haar rug aandachtig, zei verder niks en praatte daarna zacht met moeder Anneke. Tonnie bleek zwarte vlekken op haar rug te hebben. Zelf weet ze het aan de manier waarop ze zich thuis moest wassen: op het opkamertje, met een klein wasbakje met warm water waarmee ze het trapje opgeklommen was, geen spiegel, en achter een koord dat ze tussen kelderkop en raam spande en waarover ze een handdoek hing. Het was altijd haastwerk, want de opka­merdeur kon niet op slot en het was de slaapkamer van de jongens en de doorgang naar zowel de meisjesslaapkamer als de zolder.

            Bij het schoolgezondheidsonderzoek werden er schermen neergezet in de grote zaal van het patronaat. De jongens deden achter een scherm hun plas in een bekertje. De meesten lukte dat wel, maar sommigen ook absoluut niet. Bovendien bleek een aantal niet te kunnen stoppen als het bekertje vol was en ging de rest van de plas over de vloer of, bij degenen die dat niet durfden, in de broek. Of de verpleegster kreeg zo`n volle beker aangereikt dat ze hem niet kon hanteren. Dus werden er toen standaard twee bekers uitgedeeld, waarop met balpen – toen nog zeldzaam – een streep werd gezet tot hoe ver een beker vol mocht zijn, en werd er de instructie bij gegeven dat in de tweede beker alleen wat mocht als het echt niet anders kon.

            De meisjes mochten wel in de toiletten met hun bekertje. Het experiment achter schermen met een pispotje en dan overgieten was mislukt. Het potje moest immers tussendoor toch steeds omgespoeld worden.

            Ondertussen moesten de jongens die buiten op het muurtje bij de meisjestoiletten klommen om naar binnen te kijken of in ieder geval iets te roepen, voortdurend worden weggejaagd.

            Als jongen werd je bij het schoolonderzoek aan je piemel getrokken, zeiden de jongens die al geweest waren. Al was dat meestal niet voor het eerst, want er waren jongens die er ook wat van konden. Zoals Leo Vlek, een jongere broer van ‘die jongen van Vlek’, de Indiëganger. Bij Leo liep het altijd op hetzelfde uit, ervoer Jantje Weels, of het nou tikkertje of verstoppertje of stoeien was, hij probeerde uiteindelijk altijd zijn hand door de pijp van je korte broek te steken en je bij je ballen te pakken. De nieuwkomers waren erg zenuwachtig. Stel je voor dat je een stijve kreeg.

            De eerste klas van de lagere school was ook in een vleugel van het patronaatsgebouw, de tweede sommige jaren ook. Dat lag eraan hoeveel leerlingen er waren, dat kon namelijk rond 1950 behoorlijk oplopen en had alles met de voorbije oorlog te maken, wisten degenen te vertellen die vonden dat ze het wisten.

            Maar eerst ging je in diezelfde vleugel van het patronaat, maar met een andere ingang, naar de fröbelschool, of bewaar­school, zoals de nonnen hem noemden die het daar nog hele­maal alleen voor het zeggen hadden, daar kwam geen leek aan te pas. Op de nabijgelegen meisjesschool moesten ze al gauw concessies doen en onderwijzeressen toelaten, zeker toen de bevolking sterk toenam en de roepingen bij de zusters achter­bleven, ondanks hun pogingen om zoveel mogelijk meisjes naar hun nonnenopleiding te krijgen.

            In de bewaarschool zaten jongens en meisjes door elkaar. Het was een sensatie als de zuster met kleurkrijt op het bord schreef, bijvoorbeeld in verschillende kleuren de tekst van het liedje Annemieke hou je vast aan de takken van de bomen.

            Op de gang waren niet alleen de toiletten maar ook de kapstokjes gescheiden. Een lange rij kapstokjes met gefiguur­zaagde en gewaterverfde Walt Disneydiertjes erboven, elk kind zijn vaste diertje. De rij pisbakjes was aan het ene eind van de gang, daarvan gescheiden door saloondeurtjes. Als je stond te pissen liepen de jongens je hard voorbij en gaven je een duwtje. Je stond altijd gespitst of er iemand aankwam, klaar om elk moment af te knijpen. Toch waren ze je soms nog te vlug af, ze stormden met een schreeuw naar binnen en van schrik ging het over je broek en been. Dat schrijnde. Soms waren ze met zijn tweeën. Een hield de klapdeurtjes open terwijl de ander kwam aanstormen.

            “Daar valt niet tegen af te knijpen,” zei Jantje Weels in zichzelf, terwijl hij aan het zakje aan een touwtje om zijn hals trok waarin hij van thuis een gulden moest meebrengen om weer een maand op de bewaarschool te mogen blijven.

De absolute heerser van het patronaat is al jaren Keesje Jansen. Keesje komt op zijn fiets met een colbertje over zijn stofjas van zijn werk in de stad. Thuis, tegenover het patronaat, doet hij een andere stofjas aan. Met tegenzin pakt hij van de schoor­steenmantel de briefjes en mompelt: “Daar heb ik vandaag toch geen tijd voor!” Op de briefjes staan dingen als: “Keesje, wil je het meisjespatronaat extra goed schoonmaken, is dat mogelijk, Keesje?” Vaak staat er dan nog achter waarom men dat wil. Maar dat interesseert Keesje geen lor. Of er staat: “Keesje, mag ik dinsdagavond twee ketels koffie, een beetje goed warm graag.” Vooral om dat “een beetje goed warm graag” kan Keesje erg kwaad worden, maar meestal laat hij daar niks van merken. Hij frommelt de papiertjes in elkaar en gooit ze in een hoek. Als zijn vrouw vraagt hoe laat hij wil eten, valt hij uit: “Eten? Zijn jullie dan allemaal wereldvreemd, weet er dan niemand wat er vandaag aan de hand is? Ik zal al blij zijn als ik vannacht om een uur of twaalf kan eten!”

            Hij smeert twee sneden witbrood en valt in de lage stoel bij de kachel in slaap. Precies vijf minuten, dan springt hij op. Hij zegt: “Ik schijn de enige te zijn die beseft wat het betekent als Mieke Telkamp in het patronaat komt!” Dan gaat hij op een sukkeldrafje naar de overkant.

“Er zijn er maar weinig, geen een is er, wed ik, die kan zeggen dat hij de jurk van Mieke Telkamp heeft mogen dichtritsen, ja haar man misschien als ze die heeft, maar ik dus wel, en dat is niet voor niks, zo`n dame merkt gauw genoeg wat voor vlees ze in de kuip heeft, mij dus,” zegt Keesje Jansen.

            “Zo`n onnozelaar, zo`n voering van een stofjas, vertelt nu rond dat hij Mieke Telkamp heeft mogen helpen met aankle­den, dat hij haar halfnaakt heeft gezien, en suggereert dat het alleen aan hem heeft gelegen dat er niet meer tussen hen is gebeurd,” zegt Hanna Bosmans van de Eerste Huizen.

            “Hij staat altijd naar je te loeren, dat mannetje, en als Ada Knietel dan zo dom is om met een petticoat aan te komen serveren, hoeft hij maar te wachten tot ze een beetje over een tafeltje moet leunen om tegen haar billen aan te kijken,” zegt Tonnie Weels die samen met Ada, de dochter van Hanna Knietel van de Eerste Huizen, serveert in het patronaat.

            “Alles is prima gegaan,” zegt Keesje Jansen. “Het was hele­maal vol en ze heeft heel wat toegiften gegeven. Ik kreeg trouwens nog een compliment van haar voor de organisatie. Maar wat die kapelaan daar nou bij kwam doen, begrijp ik niet.”

Zondagsavonds loopt Keesje even een rondje, dat patronaat en die danszaal komen later wel, daar is het dan zo`n rotzooi, maar de volgende dag begint de bewaarschool weer en de eerste klas, en die worden dan wel door de meiden van het klooster schoongemaakt, maar hij kijkt ze toch liever zelf even na, en hij gaat ook altijd een keer door het Maagdenpad, en wat je daar allemaal ziet en hoort!

            Maandagsavonds heeft hij in de koude tijd de kaartavonden en in de rest van het jaar verenigingsavonden zoals van St. Jozef of voorstellingen zoals die van Mieke Telkamp, en dinsdags feest- of clubavond, woensdags heeft hij judo in de grote zaal, donderdags de vrouwenbond en vrijdags is het speel­avond, zaterdags is het ’s morgens judo en ’s middags is er vaak ook wel het een en ander te doen, fancy fair bijvoorbeeld, hoewel dat ook op zondag kan zijn, maar dikwijls heeft hij ook films, zoals van De Dikke en de Dunne, en die zijn dan natuur­lijk ’s middags zodat de kinderen ook kunnen komen. Zater­dagsmiddags heeft hij de welpen en verkenners op de zolder boven de bewaarschool en zondagsavonds is het dansen. En als hij dan nog vertelt dat maandags en vrijdags de wijkverpleging boven het meisjespatronaat is, waarbij de hal, de trap en de overloop vol zitten met verstuikte voeten en zwerende vingers, en hij alle onregelmatige dingen niet eens op kan noemen, zoals het schoolgezondheidsonderzoek, en hij overal de eind­verantwoording voor heeft, ook voor het geld dat er omgaat, en ze altijd bij hem de sleutel moeten komen halen en terugbren­gen en hij voor de verwarming en voor koffie moet zorgen en dat ook de tapvergunning op zijn naam staat – duidelijk op een emaillen plaatje naast de deur, iedereen kan het zien – dan weet iemand die er een beetje kijk op heeft genoeg.

“Dag Keesje, alles goed?” zeggen een paar Kabouters, jonge meisjes van de jeugdbeweging die woensdagsmiddags in het meisjespatronaat zitten, en ze lopen giechelend weg.

            “Dag jongedames,” zegt Keesje. Zouden ze al haar op hun kutje hebben? denkt hij.

            “Zo Keesje, alles in de hand?” zegt kapelaan Metser die regelmatig een kijkje komt nemen in het parochiehuis.

            “Jazeker, meneer kapelaan, als altijd, dat weet u,” zegt Keesje. Waar bemoei je je mee, lul, denkt Keesje, ik heb je wel zien staan in het Maagdenpad.

“Gek dat je bent!” zegt Tonnie Weels tegen Ada Knietel. “Om weer met een petticoat aan te komen werken. Keesje kijkt recht tegen je onderbroek aan als je even je kin naar voren steekt.”

            “Beetje overdreven, dat van die kin,” zegt Ada. “Kijk maar, ik steek mijn kin naar voren, zie jij iets?” en ze gaat met haar kont naar Tonnie staan.

            “Nog niet,” zegt Tonnie. “Buig nu langzaam naar voren. Ja, knieholten, bovenbenen, ho!: onderbroek. Nou, zie je wel, elke centimeter boven-voor is tien centimeter beneden-achter.”

            En ze proesten het uit. Zo erg dat ze in hun broek pissen.

            “Dat zal me niet overkomen dat dat vieze mannetje tegen mijn onderbroek aankijkt!” zegt Ada.

            “Ja, doe die petticoat maar uit,” zegt Tonnie.

            Als Ada terug komt, draagt ze nog steeds de petticoat. Ze bukt en vraagt aan Tonnie: “Zie je nog steeds mijn onder­broek?”

            Tonnie kijkt tegen Ada’s blote kont die schudt van het lachen.

            “Die petticoat kan niet uit, zit vast aan de rok,” zegt Ada. “En mijn onderbroek was kletsnat. Als ik jou was, deed ik hem ook uit, dat is een stuk gezonder. En jij draagt niet eens een petticoat. Niemand ziet iets. Spoelen we onze onderbroeken uit en leggen die boven op de verwarming te drogen. Daar komt toch niemand.”

            Later op de avond komt Keesje naar beneden met de twee onderbroeken in zijn hand.

            “Boven gevonden,” zegt hij. “Kun je nagaan wat daarboven allemaal gebeurt. En dan zijn ze zo opgewonden dat ze hun onderbroek weer vergeten aan te doen!”

            Tonnie en Ada hollen naar de wc voordat de pis, nergens door tegengehouden, langs hun benen loopt.

            “Loop recht,” sist Tonnie, “hij kijkt ons na!”

“Er zijn jongens die op de dansavond alleen komen om te zuipen,” zegt Keesje Jansen. “Die bij de bar of aan de andere kant van de zaal tegen het toneel aan hangen, soms met twee flesjes bier tegelijk in hun hand. Die alleen maar naar het dansen kijken, of, geil als ze worden, alleen dansen bij een kwijldans, om maar tegen zo`n meid op te kunnen staan rijden. Die soms verkering hebben met een meisje dat al om tien uur thuis moet zijn, dat ze snel naar huis brengen en die dan zelf terugkomen om het met een ander aan te leggen. Vertel mij niks. En bij bepaalde gelegenheden, bijvoorbeeld bij de kermis, worden er dan foto’s gemaakt waar ze met een ander meisje opstaan, en die komen in een etalage te hangen, en dan ziet hun verkering zo`n foto en maakt het meteen uit. Dat moet wel tegenover de vriendinnen, anders is de schande te groot. Je mag niet laten merken dat je het erg vindt of het eigenlijk niet wil, je mag alleen maar kwaad zijn. Prachtig zijn die meiden die nog maar een jaar of vijftien zestien zijn, eigenlijk niet eens binnen mogen, maar zich toch al chagrijnig hooghartig kunnen gedra­gen. De manier waarop ze binnenkomen of op de brommer stappen, met die petticoats en die getoupeerde haren met dat sjaaltje erover, fantastisch!” zegt Keesje.

            “Hoi, Keesje, alles kits?” zegt Tonnie Weels.

            “Achter de rits?” zegt Ada Knietel.

            “Bij jullie ook?,” zegt Keesje. “Nog nattigheid gevoeld?”

            Hij durft zich wat meer te veroorloven, ten slotte flappen die meiden er ook vanalles uit. Geile trutten, denkt hij, mij wel lopen uit te dagen, maar als het erop aan komt niet thuis geven. En als het processie is maar weer voor maagd spelen, want dat moeten echte maagden zijn, vindt de pastoor.

Terwijl het overal al Rolling Stones en Beatles is, is het in het patronaat nog Buddy Holly en Fats Domino, met als nieuwste Vous permettez, monsieur van Adamo. Maar het swingt en sleept wel zeker net zo lekker weg.

            En dan gaan die jongens flink bezweet in hun nylon over­hemd met een meisje naar buiten om daar te staan flikflooien, allicht dat ze dan een kou oplopen en op maandag niet op de bouw of in de fabriek verschijnen.

            Er komt altijd een hele groep op brommers uit een ander dorp. Als ze niet bezopen zijn is er goed met ze te praten. Maar anders vallen ze de meisjes lastig en wordt het vechten.

            Trouwens ook bij die van hier zijn er die de dag erna absoluut niet meer weten wat ze gedaan hebben. Ze vinden wat bloed op hun overhemd de volgende dag en later horen ze dat ze gevochten hebben met een groep die na sluitingstijd kwam binnenstormen. Jan Weels, toch geen vechtersbaas, krijgt te horen dat hij er eentje een arm heeft gebroken. Jan weet van niks, maar het zou kunnen met zijn dronken kop, want zo`n armklem is bij judo wel zijn specialiteit.

            De meeste jongens brengen hun meisje of het meisje van die avond om half elf naar huis en zitten zelf om elf uur in de kroeg. Hoogstens maken ze een omweg voor de fritestent van Heintje van der Horst op het pleintje.

            Voor de pisbakken moet je een paar treden af, ze zijn onder de trap, in een stinkend oksel van het patronaat, de granieten vloer is altijd nat, een mengsel van pis en water. Daar staan de jongens te lallen, hun laatste druppels af te schudden en zich soms zelfs af te trekken. Als ze zich namelijk wel hebben laten opgeilen maar niet verder zijn gekomen bij zo`n griet, zelfs niet tegen haar heup. Bij de wc-pot is meestal geen papier of het ligt op de vloer in het nat. Dus stellen de jongens hun drol maar uit tot straks in de kroeg.

            “Dag akela Van Zomeren, een frisse neus gehaald met de welpen?” zegt Keesje. Trut met je bochel en je spinnewebben in je kut, denkt Keesje.

            “Dag, meneer pastoor,” zegt Keesje, “Fijn dat uw vriend de bisschop weer eens komt.” Kunnen jullie je samen bezatten, net als de vorige keer, denkt Keesje.

             “Hallo, meneer Van de Bos, gooi ze niet te hard hè,” zegt Keesje tegen de judoleraar. Nu zo`n lomp varken uit een achterbuurt van Utrecht Olympisch kampioen judo is geworden, moet opeens iedere gek gaan judoën, denkt Keesje.

Overal steekt die kapelaan zijn lange neus tussen. Terwijl toch duidelijk afgesproken is dat Keesje de leiding van het paro­chiehuis heeft en niemand anders. De kapelaan mag dan populair zijn omdat hij zo snel is met de biecht en de mis afraffelt – dat scheelt met de pastoor zeker tien minuten en met de oude pater van der Weijden bijna een half uur – maar Keesje weet meer van hem. Hij loopt na zo`n dansavond nog wel eens door het Maagdenpad, het staat daar dan hartstikke vol, en jawel, als hij het niet dacht, ook onze nieuwe kapelaan staat er, en om de drommel niet alleen, en niet voor de biecht, al zei hij dat dat meisje gevraagd had om op een rustig plekje met hem te mogen praten. Als die kapelaan nog een keer eisen stelt en commentaar geeft op de gang van zaken in het patronaat, dan doet Keesje een boekje open.

Er wordt een complot gesmeed tegen Keesje. Eigenlijk is het alleen bedoeld om te lachen. En dan nog vooral om te lachen op de culturele avond. Een van de jonge baldadige meiden lokt Keesje in de val bij de toiletten. Als hij net zijn broek heeft laten zakken, springen er een heleboel andere meiden te voor­schijn. Maar het wordt voor Keesje al bijna te veel als kapelaan Metser een toespeling maakt. De naam van Mieke Telkamp valt weer vaak, er worden liederen van haar geneuried.

            Op de culturele avond blijkt waar dat allemaal voor diende. Er wordt een sketch gespeeld waarin Keesje als een geilaard wordt opgevoerd die de meisjes beloert, verlekkerd de jurk van Mieke Telkamp mag dichtritsen en zijn handen niet van haar af kan houden. De zaal ligt plat en in het begin lacht Keesje zelf nog mee. Dat hijzelf te kakken wordt gezet, is niet zo`n pro­bleem voor hem. Maar wanneer Mieke Telkamp wordt opgevoerd als iemand die vals zingt en niks liever doet dan bij Keesje in de broek zitten, en als hij ziet dat dat ook nog gebeurt door een van de jongens van wie hij weet dat ze ’s nachts zijn patronaat binnendringen om tafelvoetbal te spelen, dan schiet Keesje uit zijn slof. Hij vloekt op de geile meiden, schreeuwt alles eruit wat hij weet van kapelaan Metser, gooit de koffieketel omver en zet iedereen in het donker door de stoppen eruit te trekken en mee naar huis te nemen.

            Alleen de pastoor lijkt de volgende dag in staat om hem te kalmeren, Keesje gaat weer aan het werk. Maar zijn kalmte is schijn, het zit te diep. Keesje voelde zich altijd al door die geile meiden geprovoceerd, hij is verongelijkt. Dat uitgerekend kapelaan Metser hem moest aanspreken op onaanvaardbaar gedrag tegenover de meisjes! Maar toen hij diep gekwetst werd in zijn verering voor Mieke Telkamp, toen was er geen weg meer terug. Keesje zal wraak nemen.

            De eerstvolgende nacht dat de jongens het patronaat binnen­dringen, steekt Keesje, nadat ze weer zijn vertrokken, zijn trots, het patronaat, in brand. Hij weet dat de jongens de schuld zullen krijgen, met name degenen die zijn Mieke Tel­kamp hebben onteerd.

            En dan is er de anticlimax. Omdat Keesje wilde vermijden dat het op brandstichting zou lijken en bovendien wilde dat de jongens zelf ook zouden denken dat zij de brand veroorzaakt hadden, had hij maar op één plaats brand gesticht. Zo kon de oorzaak een verwaarloosde sigaret of een omgevallen kaars zijn. Daardoor bleef de schade beperkt, de brandweer kon de zaak blussen voor het een uitslaande brand werd.

            De jongens, die zich schuldig voelden én aan de toestand van Keesje én aan de brand, dit laatste zonder dat ze dat toega­ven, waren bang dat door de brand Keesje nog dieper in de put zou raken. Ze kwamen hun excuus aanbieden en schonken Keesje een langspeelplaat van Mieke Telkamp en een envelop met vijftig gulden.

            Toeval of niet, tegelijk werd bekend dat kapelaan Metser tot pastoor was benoemd in de nieuwbouwwijk. Keesje haalde opgelucht adem.

            “Ik laat me niet meer gek maken door die geile meiden,” zei Keesje tegen zichzelf en ging van de vijftig gulden die hij gekregen had naar de hoeren in de stad.

Aan de achterkant van het patronaat graast jaren later achter een dubbel rasterwerk een paard. Het staat vlak tegen de ramen waarachter vroeger de kleuters zaten. De ramen zijn groten­deels geblindeerd. Op de boven- verdieping zijn er ruitjes ingegooid. Van de dikke haag met de beroemde poortjes tussen bewaarschool en kloosterhof en tussen meisjesschool en kloosterhof is niks over. De kloostertuin zelf staat vol bouw­werken van ongelijke hoogte en vorm. De meisjesschool is gekraakt, er steken kachelpijpen door de ruiten, het stinkt, er wordt rotzooi gestookt.

            Twee vrouwen, met tussen hen in een mannetje van onbe­stemde leeftijd, kijken naar het patronaat en naar de meisjes­school.

            “Dan zie jij er beter uit, Keesje,” zegt de ene vrouw.

            “Omdat je er je hele leven al hetzelfde uitziet, mag je er nu wezen voor je leeftijd,” zegt de andere.

            “Ach,” zegt Keesje en probeert zijn korte armpjes om de vrouwen heen te slaan, “waar blijft de tijd!”

            “Handen thuis, Keesje,” lachen de vrouwen. “We lappen je er zo bij, we weten alles van je, we zouden nog een boekje open kunnen doen.”

            Keesje trekt geschrokken zijn armen terug. De vrouwen, het zijn Tonnie Weels en Ada Knietel op middelbare leeftijd, schieten in de lach.

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M., wordt uitgebreid met foto’s en informatie)

Tinuske Neggers werd Toontje Wolfers (maar die achternaam had hij eigenlijk al)(uit Aan de Lange Weg)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

(In Gekke Familie, deel 1 van Aan de Lange Weg, zijn de 3 hoofdvertelsters Anneke, haar schoonzusje Josje en haar halfzuster Bet. Bet vertelt haar verhaal en daarmee ook dat van haar man Toontje Wolfers. Sas is Zeelst. Tinuske Neggers bleek een aangenomen kind te zijn en eigenlijk Wolfers te heten. Die naam kreeg hij terug in Aan de Lange Weg. Tinuske was een fantastische, vrolijke peetoom, maar dat ponnieke dat hij mij beloofd had, heb ik hem nooit vergeven)

Bet (fragmenten)

Bet

De oorlog in Sas is de strijd om het vliegveld dat maar een kilometer van de kom van Sas ligt terwijl de gehuchten en eenzame boerderijen er als een gespreide duim en wijsvinger omheen liggen. Het is de oorlog van het begin van de oorlog wanneer de Duitsers het vliegveld bombarderen, van afweergeschut en gesprongen ruiten. En tijdens de bezetting is het de oorlog van de uitbreiding van het vliegveld voor de Duitse jagers en bommenwerpers, van boeren die hun boerderijen en land moeten afstaan, van honderden arbeiders die er tewerkgesteld worden en allemaal moeten eten en waarvan, laten we eerlijk zijn, Bet en Toontje met hun winkel ook een behoorlijk graantje meepikken. Levensmiddelen gaan op de bon.

            Een groot deel van de avond brengen ze met zijn allen door met het opplakken van de levensmiddelenbonnen. Het plaksel maken ze zelf. Plakken en drogen. En de volgende dag brengen ze de bonnen naar het distributiekantoor naast het gemeentehuis. De bonnen zijn gratis maar er wordt toch in gehandeld, de een heeft altijd te weinig en een ander heeft altijd over.

            Midden in Sas zijn in het verenigingsgebouw honderdvijftig Duitse soldaten ingekwartierd. ’s Avonds en ’s nachts moet het absoluut donker zijn, na acht uur mag niemand meer op straat. Maar tot die tijd kan men in de winkel terecht. En ’s morgens om zeven uur weer.

           Met de suiker op de bon wordt het onmogelijk om de stroop te maken die nodig is voor de gazeusebrouwerij. ’t Is misschien een groot woord voor de installatie in de oude stal. Er werd limonade gemaakt, een gazeuse in kleine smalle beugelflesjes, prikkellimonade zoals de kinderen zeggen bij wie hij erg populair is geworden. Bets kinderen helpen mee door aan een groot wiel te draaien. Het is een bottelmachien. Niemand begrijpt precies wat er gebeurt en niemand snapt waarom deze limonade zoveel lekkerder is dan ranja, de met water aangelengde oranje siroop die kinderen bij bijzondere gelegenheden te drinken krijgen. Behalve Toontje dan. Het heeft met de grote cilinder met koolzuur te maken waarmee Toontje de prik in de flesjes weet te krijgen. In huis maakten zij tevoren de stroop door suiker met citroenessence te koken. In de brouwerij werd de stroop in de flesjes gedaan en werd er water en koolzuur aan toegevoegd. Je moest er snel bij zijn om de beugelflesjes op tijd af te sluiten.

De bezetting duurt al bijna een jaar wanneer ik, naar ik aan­neem, mijn laatste kind krijg. Waarom zou je geen kinderen krijgen? ’t Is een rustige tijd en het ziet er niet naar uit dat er voorlopig iets zal veranderen. Bovendien komen bij ons de kinderen nu eenmaal zoals ze komen. Toontje is gelukkig boven de vijftig en te oud voor de Arbeidsdienst maar van zijn maten van de handboogvereniging moeten er heel wat wel naar Duitsland. Ze hebben daarom een groepsfoto laten maken. Laten we hopen dat ze allemaal terugkeren.

            Na twee jaar bezetting komen mijn ouwelui naast ons in onze vroegere woning wonen. Mijn stiefvader is ernstig ziek en aan de Lange Weg verwachtte Anneke haar tweede kind. ‘t Is niks geworden, een miskraam, maar het is toch beter dat hij daar weg is. Hier hebben ze hun eigen woninkje en kunnen we de kinderen er toch een beetje weghouden. Bovendien wonen Toontjes moeder Liesbetje, die al midden tachtig is, en zijn broer Doruske er aan de andere kant naast. Zodat ze altijd bij elkaar kunnen gaan buurten.

             Toontje kon het, toen we een nieuwe winkel hadden laten bouwen, niet laten zijn kleine brilletje op te zetten en voor zijn schoonvader te gaan staan die hem altijd een flierefluiter had gevonden, en te zeggen: “Ben ik nu goed genoeg?”

“Toontje is man geworden,” zeiden de mensen, “toen hij bij de sigarenfabriek werd ontslagen. Dat is het beste wat hem in zijn leven is overkomen.”

            “Zo, en dat gaat hier dan allemaal veranderen,” had Toontje rustig gezegd, toen hij uit de sigarenfabriek thuiskwam en hij zijn moeder Liesbetje op de boomstam was gepasseerd en even naar de drie spelende kinderen had gekeken en naar Bet die al weer dik was van het volgende.

            Liesbetje: het gezicht als een uitgedroogde, gele gerimpelde appel die de hele winter op zolder heeft gelegen, maar met pikzwart haar, geen streepje grijs te bekennen. Ze zit op de boomstam voor het rijtje van drie lage woninkjes met rieten dak. Soms zit ze op een stoel. De timmerman van de overkant heeft aan beide kanten van de straat een paar boomstammen liggen, hij zaagt eraf wat hij nodig heeft. En als ze op zijn brengt een sloffend paard nieuwe, die als de kettingen zijn losgemaakt op de weg ploffen en aan de kant worden gerold.

            Toontje keek naar dingen die hij allang kende, het minus­cule winkeltje met het paar sokken en de fles met zuurtjes, bij wijze van spreken dan, want er lagen nog een paar dingen meer.

            “Als je in die tijd een paar sokken in de vensterbank legde, had je een winkel,” zeiden de mensen.

            “Ja,” zei Toontje altijd, “en als je even niet oplette lag er een kind bij.” Maar dan doelde hij wel heel erg op zijn eigen situatie.

            Liesbetje verkocht wat huishoudelijke artikelen en bijvoor­beeld ook klompen. Maar daarvoor moest in het piepkleine winkeltje een trap die aan ringen hing neergelaten worden, want de klompen lagen opgeslagen op het zoldertje.

            Toontje ging door de lage deur het winkeltje in, waarbij zelfs hij, die toch niet zo groot was, moest bukken. Door een deur rechts keek hij in de kamer met de bedstee en bedacht dat die in vergelijking met zijn eigen slaapkamer opvallend leeg was, want in zijn eigen slaapkamer stond nog een wiegje en een kinderbedje. Ach, het zou ook hier snel vol komen staan, maar deze kamer was toch iets groter. En het was bij de winkel.

            “Moeder,” mompelde hij alvast, “ik geloof dat we eens moeten praten.”

            Moeder Liesbetje kon hem buiten op de boomstam onmogelijk gehoord hebben, maar ze begreep wel wat er aan de hand was, er waren nu drie kinderen en volgend jaar zouden het er vier zijn. Ze had niet gedacht dat het ooit nodig zou zijn. Een jaar of zeventig had ze zichzelf altijd gegeven en ze was nu al drieënzeventig geworden, en dat kon nog jaren zo doorgaan. Als Toontje werkelijk dacht wat van de winkel te kunnen maken dan moest het maar.

           “Doruske moet dan maar naar het andere opkamertje,” zei Liesbetje. Toontje schrok op en zag dat zijn moeder achter hem stond en met hem meekeek. Doruske was Toontjes een paar jaar oudere, ongetrouwde broer die bij zijn moeder was blijven wonen.             Toontje was ook de verwaarloosde stal ingelopen die aan de achterkant van het huisje met het winkeltje was gebouwd en waar je vanaf de zijkant in kon. Ook hier had hij goed rondgekeken. Al gauw scharrelen er wat kippen rond die vrij het weilandje naast de stal kunnen oplopen, als ze hun eieren maar binnen leggen. Het weilandje is van een paar oude mensen in het boerderijtje aan de andere kant van het weilandje, en die hebben er geen bezwaar tegen dat Toontje er een aantal bijen­kasten op zet en er gras snijdt voor de konijnen die hij aan­schaft, en ook het paardje dat een poosje later in de stal komt te staan mag er grazen. Ze zijn allang blij met de eieren die Toontje af entoe langsbrengt, en de pot met honing vinden ze een lekkernij. Toontje pakt alles aan wat hij maar kan. In een hoek van de oude verwaarloosde stal vindt hij plek voor een varken. En in de stal komt ook de brouwerij.

(…)

Het was of Toontje op zijn veertigste wakker was geschrokken. Hij had dus eens naar de huisjes gekeken en naar iets gevraagd waarmee hij zich tot dan toe niet had bemoeid: “Hoeveel huur betalen wij hier eigenlijk?” En ook bij zijn moeder Liesbetje had hij geïnformeerd. En bij de buren daarnaast, want het was een blok van drie waarin ze woonden en van één eigenaar.

            Hij wist het geld voor de koop van de huisjes te lenen en gebruikte voortaan de huur die hij ontving én de huur die hij zelf betaald zou hebben om zijn schuld af te lossen.

            “Dat kan zo niet langer,” had Toontje gezegd, alsof hij inderdaad door het ontslag wakker was geschrokken en een ander mens geworden. Hij had dan wel met zijn moeder Liesbetje van woninkje gewisseld en had daarmee wat meer ruimte gekregen, maar praktisch elk jaar kwam er een kind bij. Als het vierde wordt geboren, slaapt zijn oudste dochter van zes bij Bet’s ouwelui die dan nog niet aan de Lange Weg wonen maar in de Polderstraat op de rand van Sas en het Dorp aan de Lange Weg. En Mart van drie slaapt op het opkamertje bij ome Doruske in het woninkje van Liesbetje.

            Toontje had naar het weilandje naast zijn huisje gekeken en naar het boerderijtje aan de andere kant van dat weilandje. Hij leek de afstand te meten.

            En toen de huisjes zijn eigendom waren en het geld alsmaar groeide in zijn broekzak, nam hij een hypotheek en maakte plannen om van het geld een winkelwoonhuis te bouwen op het weilandje naast zijn oude huisje. Het weilandje, dat bij het boerderijtje aan de andere kant hoorde, kocht hij voor een appel en een ei. De oude mensen die nog in het boerderijtje woonden, gebruikten het al jaren niet meer en waren alleen maar blij met de extra zakcent.

            En een paar jaar later stond er inderdaad op het weilandje, dat geen weilandje meer was, een winkelwoonhuis waarin alle zes kinderen, ook de twee dus die ondertussen geboren waren, thuis konden slapen, en waar je ruim met paard en wagen omheen kon rijden.

(…)

Mijn stiefvader gaat dood aan tbc in het kamertje waarin wij ons winkeltje begonnen nadat Toontje met ontslag uit de sigarenfabriek was thuis gekomen. Hij zei altijd dat hij graag lang genoeg zou willen blijven leven om te weten wie uiteindelijk de oorlog zou winnen, maar dat heeft hij dus niet gehaald.

(…)

Bet

Haar vader overleed toen ze heel jong was, haar moeder hertrouwde al gauw en kreeg nog vier dochters. Maar geen zoon die de smederij kon voortzetten. Daarom zouden ze naar Sas verhuisd zijn. Maar zij heeft altijd gedacht dat het om haar was. Dat haar stiefvader zich schaamde om wat haar was overkomen. Hij was een erg trotse man met een tot op het laatst kaarsrechte rug, zijn hoofd met de hoekige hoge platte pet geheven, zijn pijp als een scepter in zijn hand.

Het gaat goed met ons nadat ik zo moeizaam na het bombardement uit de kelder gekropen ben. Behalve met mijn been dan.

            In het begin is nog bijna alles op de bon. Maar de mensen beginnen toch langzaamaan wat geld te krijgen. In ieder geval voor hun eerste levensbehoeften. En daarvoor kunnen ze bij ons terecht. Van ’s morgens voor zevenen tot ’s avonds na elven.

Het hoofddoel van het huwelijk is: kinderen voor God voort te brengen en christelijk op te voeden, staat er in mijn trouwboekje, en daar heb ik me aan gehouden. Ik ben ervan overtuigd dat ze allemaal, van het eerste tot het laatste, christelijk opgevoed zijn. Ook al had ik dat bij het eerste niet zelf in de hand.

            Maar er staat ook: De vrouw moet aan den man onderdanig zijn in alles wat goed en eerbaar is en de man moet door echt christelijke liefde dien plicht veraangenamen.

            Dat was iets waar ik wel wat op had af te dingen. Toontje is geen kwaad mannetje en ik ken hem, vooral vanaf het moment dat we het winkeltje van zijn moeder Liesbetje overnamen, als een harde werker die heel wat bereikt heeft, maar hij heeft zo zijn streken, en bovendien doe ik ook mijn werk. Ik krijg de kinderen, breng ze groot, zorg voor het huishouden en help zoveel mogelijk in de winkel. Dus onderdanig aan mijn man, nou nee. Hij mag me er wel eens mee plagen en ik wil ook wel de reactie geven die hij wil uitlokken, maar dat is het dan.

Er waren ook tegenslagen. Met de brouwerij bijvoorbeeld. Ach, het was gewoon een plek in de stal waar een bottelmachine stond. Maar het werd toch een groot succes. We moesten ermee stoppen omdat de mensen die handige kleine smalle beugelflesjes die Toontje speciaal had laten maken niet terugbrachten. Ze gebruikten die om bijvoorbeeld thee mee naar het werk te nemen. En Toontje had geen statiegeld willen vragen. Zo moesten de mensen de prikkellimonade die ze zo lekker vonden missen door hun eigen kortzichtigheid.

            En er was natuurlijk jaloezie. En niet alleen van de winke­lier verderop, op het pleintje. Er werd geroddeld. De kruide­nierswaren die met paard en kar werden bezorgd, zouden naar vis smaken. Terwijl we verdomme de hele vrijdagavond schrobden en boenden om de kar proper te hebben voor de kruidenierswaren op zaterdag.

            Als de mensen kwaad willen vertellen, kun je er niet veel tegen doen, dat heb ik wel geleerd. Er waren er die wel eens gezien hadden dat er een kat op de viskar sprong. En dat hondje dat er altijd bij was vertrouwden ze ook niet. Nou ja.

            Volgens andere roddelaars dan weer zou Toontje niet kunnen tellen en amper kunnen schrijven. Schrijven had hij inderdaad pas als soldaat geleerd en foutloos zou het nooit gaan – hij schreef bijvoorbeeld luzifers – maar dat was bij de meeste gewone mensen die nog in de negentiende eeuw geboren waren het geval. En tellen kon hij als de beste.

De pijn en de lap om het been die iedereen kon zien maakten mij er niet vrolijker op. Mijn stem werd hard, ik werd ongedul­dig en veeleisend en ergerde me aan mensen die vrolijk waren, speciaal aan Toontje.

            Het was soms of ze ‘t erom deden. Het was zo`n feest waar alle ooms en tantes en neven en nichten aanwezig waren. Wij, ooms en tantes, zaten op een verhoging naast elkaar, aan één kant van een aantal aan elkaar geschoven tafels. Iedereen kon onder de tafel door kijken. Iedereen kon dus ook mijn been zien. Tot overmaat van ramp, bleek achteraf, was er ook nog een foto gemaakt.

            De neven en nichten, en de tantes waren ook niet wijzer, daagden hem dan uit.

            “Oom Toontje, draag een versje voor, zing een liedje.”

            “Doe niet zo gek, Toon,” zei ik dan. “Blijf hier! Kom van die stoel af!”

            En dan lachten ze allemaal nog harder en zweepten hem nog meer op. Het duurde net zo lang tot hij boven op een stoel of tafel stond en zong:

            “Van je remplemplem, van je mosselemem.”

            Het was: “Van je ramplanplan, van je mosselman.” Maar mosselemem was natuurlijk veel leuker. Het was nog een vreselijk lang lied ook. De tantes en nichten pisten in hun broek van het lachen.

Ik was overal met mijn been geweest, in het hele land. Dat had me heel wat geld en tijd gekost. Eerst met de bus, maar vanaf midden jaren vijftig bracht ons Peet me met de auto, als die niet kapot was tenminste. Want dat had je in het begin ook nog vaak met die tweedehands auto’s. Met de kar was geen doen, na tien minuten was ik al geradbraakt.

            Jarenlang hadden ze me naar een kruidendokter in Baarle-Nassau gebracht. Naar gebedsgenezers was ik ook geweest. Toontje deed dat hand opleggen ook, maar mij kon hij niet helpen. Die van ons kon iedereen helpen behalve mij.

            Hij legde zijn ene hand op iemands hoofd en hield de hand van de zieke in zijn andere hand, of legde die andere hand op zijn eigen hart. Hij stond met zijn ogen dicht te prevelen, met die stijve bovenlip, die strakke mondhoeken, waarnaar men keek omdat men verwachtte dat ze zouden gaan krullen, en dat zijn lippen zouden gaan trillen. Als toeschouwer kon men de spanning niet volhouden en begon men opgelucht hard te lachen. En men verwachtte dat Toontje zou gaan meedoen, maar niets daarvan, hij bleef onverstoorbaar, hij keek zelfs niet naar je. Tot hij klaar was en een stap achteruit deed, dan pas keek hij je aan en glimlachte.

            Bij mij werkte het dus niet. En natuurlijk nam ik hem kwalijk dat hij iedereen kon helpen maar mij niet. Misschien lag het aan mij, geloofde ik er gewoon niet in, kende ik hem te goed.

Ik was dus de kelder uit geklommen met mijn been en de koningin was terug in Nederland gekomen met haar bontjas. Toen Toontje iets over haar zei – of was het over de nieuwe koningin die we korte tijd later kregen? – werd hij op zijn gezicht geslagen. Dat was wel eens goed voor hem, zij het niet speciaal dáárom. Maar het was goed dat hij met zijn grote mond wat weerwerk kreeg.

            Toontje zit aan de bar en is het gezwam van zijn buurman over de koningin beu en zegt: “Wat de koningin! De koningin heeft hetzelfde kutje als ons Bet!”

            De man wordt kwaad en slaat Toontje van de kruk af. Toontje krabbelt overeind en zegt: “En het was nog wel be­doeld als een compliment.”

            Maar om hem vanwege de koningin op zijn gezicht te slaan, was natuurlijk onzin. Van mij mocht hij over de koningin zeggen wat hij wou. Hoewel, het was beter als hij zijn grote kop eens leerde houden. Hij moest maar leren dat hij niet overal mee kon lachen. Met mij ook niet.

Mijn stiefvader had me uit zijn trouwboekje voorgelezen, en later wees hij er nog eens op dat in het onze precies hetzelfde stond: Elke poging aangewend om het ongeboren kind, hoe jong ook, te dooden, is poging tot moord en daarom een zeer zware zonde tegen het 5e gebod: ‘Gij zult niet dooden’.

            Een zeer zware zonde is eveneens elke opzettelijke poging, om het hetzij door inwendige, hetzij door uitwendige middelen de zwangerschap af te breken op een tijdstip, waarop de vrucht nog niet buiten het lichaam kan blijven leven (vruchtafdrij­ving).

            Zoiets zou niet eens in me opgekomen zijn. Het was of hij het meer tegen zichzelf zei, hij zat er meer mee dan ik. Hij wilde het absoluut verborgen houden. En daarom, dat bleef ik denken, waren we ook verhuisd. Dat hij geen opvolger had in de smidse, was toch geen reden om te verhuizen! Je kon het hoogstens omdraaien: de smederij was geen reden om te blijven.

Toontje is erg trots op de nieuwe Solex zoals dan nog niemand er een heeft. Hij is de eerste in Sas en in het dorp aan de Lange Weg. Hij gaat nu nog vaker naar Bets zuster Anneke aan de Lange Weg. Iedereen mag de Solex uitproberen. Maar ze weten niet hoe het ding te stoppen, en als dan de motor einde­lijk afgeslagen is, vaak na een botsing of valpartij, durft men er niet meer op en komt te voet terug, wat wel eens een uurtje kan duren. Dan lacht Toontje niet, dan is hij ongerust, zeker als het zijn jonge nichtje Tonnie is dat zo lang wegblijft met de Solex.

            Wanneer hij te lang blijft hangen – als hij aan het buurten is en veel aandacht krijgt en regelmatig een nieuwe kop koude koffie (die speciaal voor hem wordt bewaard) en hij uit zijn zakken stukjes worst en zuurtjes en dubbeltjes uitdeelt aan de kinderen en de worst ook aan de hondjes, verliest hij alle tijd uit het oog – en wanneer het dan al donker wordt moet Jantje meefietsen naast de Solex van zijn peetoom, want in het donker is Toontje zo goed als blind.

Toen ik mankend en een en al pijn op het eind van de oorlog met mijn been uit de kelder geklommen was, had ik me ver­sproken. Ik zei: “Ik heb negen kinderen op de wereld gezet, ’t is mooi geweest.” Maar ons gezin telde acht kinderen. Mis­schien kwam het omdat Mientje toen net getrouwd was en ook in Sas was komen wonen. Misschien kwam het omdat het einde van de oorlog in zicht was en ik daarom aan mijn stief­vader moest denken, en met name dacht: “Dat einde heeft hij dus net niet gehaald terwijl hij zo graag wilde weten hoe het zou aflopen.”

            Ik was ervan overtuigd dat vooral hij degene was geweest die het geheim had willen houden en die ook de hele construc­tie, waarin mijn eerste kind in een ander gezin in ons dorp werd opgevoed en wij naar Sas verhuisden, daarvoor bedacht had. Hij, de trotse eigenaar van een smederij en een van de notabe­len van mijn geboortedorp.

            Door die hevige gebeurtenissen vlak voor de bevrijding had ik aan mijn stiefvader en mijn eerste kind moeten denken en had me versproken. Dat was het vast geweest.

De Vrouwen van de Eerste Huizen

De Vrouwen van de Eerste Huizen hebben het trouwboekje van Toontje en Bet te pakken gekregen en amuseren zich daar blijkbaar kostelijk mee.

     Als het waar is wat hier staat – en ze buigen zich weer lachend over het trouwboekje – dan heeft Bet inderdaad haar taak ruimschoots vervuld. Maar Hanna Bosmans is al weer verder in de tekst en leest over de onderdanigheid van de vrouw aan de man en schatert: “Als die van mij zich hier ooit op zou durven beroepen, krijgt-ie klapjes, dus dat waagt hij niet.”

     “Die van mij ook niet,” zegt de oudste dochter van Meijermet haar zware stem in haar enthousiasme, en ze vergeet even dat ze geen man heeft. Ze kijken elkaar aan die vrolijke vrou­wen, en proesten het uit, en Hanna Knietel wel heel letterlijk.

     Maar de Vrouwen van de Eerste Huizen gaan verder. Omdat ze zelf het eeuwige leven hebben, in dit verhaal in ieder geval, springen ze graag een beetje heen en weer in de tijd, ze staan te popelen om twintig jaar vooruit te springen en het einde te vertellen van het verhaal van Bet:

            Het einde van het verhaal van Bet

Dadelijk zullen ze weten wat haar geheim was. Want ze wilde haar geheim niet mee het graf in nemen, net niet. Ze zullen kwaad zijn, haar kinderen, erg kwaad, om wat er al die tijd voor ze verzwegen is. Maar daarna zullen ze met hun nicht, die hun halfzuster blijkt te zijn en al die tijd bij ze in de buurt woonde, naar de koffietafel gaan. Ze zullen zowat over elkaar heen buitelen met hun uitroepen ‘weet-je-nog-wel toen ik dat zei, als ik toen geweten had’. En Mientje, haar eerste kind, zal haar ogen sluiten, zoals ze dat vaak doet als ze praat, en zeg­gen: ‘Ja, maar ik wist het natuurlijk al die tijd.’ En dan pas zal het tot sommige van haar andere kinderen doordringen dat zij dan wel verontwaardigd kunnen zijn, maar dat zij niet degenen zijn die al die jaren een probleem hebben gehad. Dat probleem had haar eerste, voorhuwelijkse, dochter, en Bet zelf: zij konden zich tegenover elkaar niet als moeder en kind gedragen.

     Bet denkt ook nog aan de grap waarmee Toontje altijd veel succes had en waarmee hij haar steeds weer op de kast kon krijgen, hij zei dan: “Ze mogen op mijn doodsprentje zetten wat ze willen, als het maar niet is: ‘Eens zullen we elkander wederzien.’

     Hij is drie jaar voor haar gestorven, en zij weet niet wat hij op het eind nog geloofde of niet geloofde, maar zij is er niet bang voor dat dat zal gebeuren, dat wederzien. Hoe een mens toch kan veranderen ja.

     Ze ligt te grinniken in de kist want zij voelt haar been niet meer en moet steeds denken aan het slot van het griezelverhaal waarmee je als verteller de toehoorders op het eind geweldig deed schrikken. Zij herinnert zich eigenlijk alleen die dreigend en geheimzinnig uitgesproken laatste zin die eindigde in die uitroep, waarbij de verteller met gestrekte armen in de richting van de toehoorders sprong, wier hart even stilstond. Het verhaal was iets met een zeerover die een goudschat had verstopt in zijn houten been en daarmee begraven was, en iedereen maar in het donker op het kerkhof zoeken naar die schat. En dan klinkt er een stem:

“Het been, het beeeen, het gouououden beeeen, hier HÉB je het been!”

     Die laatste zin hebben de Vrouwen van de Eerste Huizen eerst met langzame donkere dreigende stem ingezet en bij HEB zijn ze tegen elkaar opgesprongen en zijn, ondanks dat ze wisten wat er ging gebeuren en er zelf aan meededen, toch nog van elkaar geschrokken en daarna in lachen uitgebarsten.

En A.M. denkt: als deze dames zo doorgaan wordt het een heel ander boek.


… zijn hoofd met de hoekige hoge platte pet geheven, zijn pijp als een scepter in zijn hand…

Toontje kon het, toen we een nieuwe winkel hadden laten bouwen, niet laten zijn kleine brilletje op te zetten en voor zijn schoonvader te gaan staan die hem altijd een flierefluiter had gevonden, en te zeggen: “Ben ik nu goed genoeg?”
Huisje Miebetje op De Heuvel
Het was of Toontje op zijn veertigste wakker was geschrokken. Hij had dus eens naar de huisjes gekeken en naar iets gevraagd waarmee hij zich tot dan toe niet had bemoeid: “Hoeveel huur betalen wij hier eigenlijk?” En ook bij zijn moeder Liesbetje had hij geïnformeerd. En bij de buren daarnaast, want het was een blok van drie waarin ze woonden en van één eigenaar.
            Hij wist het geld voor de koop van de huisjes te lenen en gebruikte voortaan de huur die hij ontving én de huur die hij zelf betaald zou hebben om zijn schuld af te lossen.



Piet Neggers en zijn vrouw Corrie in de kruidenierswinkel
Frans Neggers in de viswinkel
Tinuske Neggers/ Toontje Wolfers op leeftijd

De viswinkel en de kruidenierswinkel naast de woning van dokter Janssen, later van dokter Bolsius op De Heuvel, waar de Kapelstraat (Noord) op De Heuvel uitkomt.
De 3 aan elkaar gebouwde woninkjes met rieten dak zijn dezelfde als die op het schilderijtje elders in dit bericht. Daar begon Tinuske Neggers zijn carrière als winkelier nadat hij bij Duc George was ontslagen. De plek waar later de winkels werden gebouwd was toen een weilandje. Zie het verhaal van ‘Toontje’. verteld door Bet (Net), voor wie ik steeds meer bewondering kreeg naarmate ik meer te weten kwam. Zo ook voor de kinderen die van jongs-af-aan hielpen in de winkels.
(foto’s uit ‘Veldhoven Historische Spiegeling’ van Jacques Bijnen) 

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)

Het zwembad (uit Aan de Lange Weg)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was en Meerveldhoven zoals het was, zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

Het zwembad

Hij is helemaal alleen in het enorm grote buitenbad. Aan een kant van de groengeverfde houten schutting hebben de jongens drie baden van vijftig meter, aan de andere kant de meisjes hetzelfde.

            Hij staat te bibberen in het hokje dat hij zorgvuldig met het schuifje op slot doet. Op de houten deur zijn met een scherp voorwerp – een spijker, een mes – ovaaltjes gekrast, met in het midden verticaal eroverheen verschillende inkepingen. Je ziet dat het moeilijk is geweest om de flauwe halve cirkels van het ovaaltje te maken. Het scherpe voorwerp is enkele keren uitgeschoten.

            Hij gloeit in zijn gezicht en bibbert tegelijk. Hij zoekt tussen zijn kleren naar zijn zakmes. Hij streelt het heft dat van glimmend, bruinzwart gevlekt mica is. Hij heeft het gekocht in de bazaar van de dikke Brummel vlakbij de school, waar hij ook zijn knikkers en zijn zaklamp die tevens brandglas is heeft gekocht.

            In een plotselinge drift probeert hij ook een verticale streep in het ovaaltje te zetten. Maar het mes slaat dubbel en hij bezeert zich. Hij zuigt op zijn handpalm.

            Dan maakt hij het mes weer open en zet driftig de verticale halen in het ovaaltje.

            “Gleuf, gleuf, gleuf!” mompelt hij. Het is allemaal niets nieuws, het is zo oud als de wereld.

            Dan kijkt hij naar beneden, naar zijn zwembroek die klets­nat in enkele flauwe ronde plooien neerhangt met een heel klein bobbeltje erin. Het is eigenlijk een geverfde onderbroek van een van zijn zusjes. Als zijn moeder een onderbroek van hem geverfd zou hebben, zou je toch de gulp hebben gezien die in die tijd met brede banden was afgezet. Hij rilt opnieuw.

            Jantje kijkt bedroefd en met spijt naar het kleine bobbeltje in de zwembroek. Hij is duidelijk nog te jong.

(uit ‘Veldhoven historische spiegeling’ van Jacques Bijnen)

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)

Brigitte Bardot (uit Aan de Lange Weg)


(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Zeelst zoals het was en Meerveldhoven zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

Brigitte Bardot

Het huis in de eerste bocht van de Lange Weg is leeggemaakt, de schoenmaker met het houten been en zijn chagrijnig wijf zijn dood, de Koendersen, die na de oude Westerweels kwamen en familie van ze waren en altijd in bed lagen, zijn er volgens afspraak uitgegaan, en ten slotte zijn de Weelsen met hun acht kinderen in de Acht-Huizen gaan wonen. En opeens staat daar Brigitte Bardot in een kort rokje op een trap de ramen te lappen van het huis in de eerste bocht van de Lange Weg!

            Dat leidt tot onrust onder de mannen, de oude en de jonge, en tot verontwaardiging onder de vrouwen, maar zelf heeft het piepjonge vrouwtje – wat zal ze zijn, negentien? – dat daar is komen wonen, niets in de gaten en van ruiten zemen heeft ze ook geen verstand.

            Het is vooral het bloed van ex-burgemeester en fabrikant Van Tuin dat hoog wordt opgejaagd, en hij sluipt helemaal naar de voorkant van zijn tuin, omdat hij dan pas de voorkant van het huis ernaast kan zien waar Brigitte Bardot op het trapje de ramen doet. Eigenlijk zou hij nog verder naar voren willen maar dan moet hij zich blootgeven en tussen de struiken uitkomen, en eigenlijk zou hij nóg verder willen gaan en achter haar gaan staan en zijn hand uitsteken naar dat jonge strakke kruis. En als zij klaar is en al rekkend en bukkend alles heeft laten zien wat ze in haar bloesje en onder haar rokje heeft, sluipt hij terug, slaat een kruis, haalt zijn rozenkrans uit zijn broekzak en kust vol wroeging en spijt het kruis en mompelt: “JezusMaria, vergeef uw zondaar.”

            En ‘s middags schiet hij gefrustreerd met zijn windbuks op de kont in een korte manchesterbroek van een jongen die appels in zijn boomgaard komt stelen. Surrogaat, het verkeerde wapen en de verkeerde kont.

            Het is vooral de onschuld die Brigitte Bardot voor ex-burgemeester en fabrikant Van Tuin zo aantrekkelijk
maakt. Hoerige meisjes is hij gewend in Parijs. Maar deze! Ze heeft niet in de gaten dat ze mooi is en sexy en anders met haar stadse taaltje. Ze wil gewoon met de mensen praten maar die houden haar op afstand. Van Tuin loopt als een gekooide aap door zijn reservaat. Ze moet niet met die dorpsbewoners aanpappen, ze moet anders blijven net als hijzelf, ze horen bij elkaar, zij en hij! Maar hoe maakt hij haar dat duidelijk?

            De bomen om hem heen worden neergehaald. Die van het populierenbos achter zijn land zijn met geweldige klappen op de grond gevallen. Ook de hoogstam-fruitbomen van de Weel­sen naast hem zijn geveld. De grond om hem heen wordt door autohandelaar Westerweel weggekocht en ook hijzelf staat onder druk om te verkopen. En ondertussen laten ze zo`n godverdomd appetijtelijk jong ding de ramen lappen, zodat je als man alles om je heen vergeet.

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)


…en hij sluipt helemaal naar de voorkant van zijn tuin, omdat hij dan pas de voorkant van het huis ernaast kan zien waar Brigitte Bardot op het trapje de ramen doet.

De schoenmaker met het houten been (uit Aan de Lange Weg)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was en Meerveldhoven zoals het was, zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

Twintig jaar met hem getrouwd is ze, zijn tweede vrouw is ze en veel plezier heeft hij niet aan haar beleefd en dat hoeft ook niet, want dat heeft ze aan hem ook niet. Zegt ze.

     ’t Is een niksnut die met schoenmaken het zout in de pap nog niet verdient en als zij niet af en toe wat bij scharrelde was hij allang van honger omgekomen. Hij loopt de hele dag te zingen, daarvan alléén al wordt zij helemaal gek, en zit op zijn stoel voor het huis naar de meiden te roepen of is bij de buren achterom om daar de boel te vermaken en om stiekem geld in zijn hand gestopt te krijgen voor schoenen die hij veel te goedkoop heeft gerepareerd. Maar als hij slaapt voelt zij zijn zakken na en vindt het wel, tenminste als hij ’t er al niet heeft doorgedraaid of ergens verstopt.

     Ze zegt: “Ik heb geld en jij hebt niks en jij zult doen wat ik zeg!”

     ’t Is dat zij helemaal tot aan de nieuwe wijk loopt die ze daar voor Philips aan het bouwen zijn en anders wel om hem vol te stoppen met Ambonezen, en dat zij met een volle schort kolen thuiskomt die zij langs de weg heeft opgeraapt… anders hadden ze niks te stoken. Maar wie heeft het altijd het eerste koud?

     “Dat komt doordat je tot het donker op je kont aan de weg bent blijven zitten,” zegt ze. “En toen je daar zat had je het niet koud of wel soms?”… “Dat komt omdat zolang die beesten er zijn dat raampje moet openblijven,” zegt ze, “want je geeft meer om die zwaluws dan om mij”… “Je kan het nooit zo koud als ik hebben,” zegt ze, “want in die ene poot heb je geen gevoel, en als ik díe op het vuur smijt dan zál je het warm hebben! ’t Is dat-ie zoveel gekost heb.”

     Die zondagmorgen dat-ie het raam en de deur tegen elkaar had openstaan om de geur eruit te krijgen, toen had-ie ’t niet koud! Het hele huis ruikt naar gesmolten boter en gebakken aardappels als ze hem tegen de hond hoort zeggen: “Ga maar naar het vrouwtje”, en ze begrijpt dan waarom zij altijd achter die hond aan moet als ze uit de kerk komt – “Sjaaauwsjaaauw! Sjaaauwsjaaauw!” – dan duurt het langer, denkt-ie, en hoor ik haar aankomen.

     Maar ze kruipt uit de bedstee en zegt: “Als je míj moet hebben is het toch níet om me mee te laten eten, wel?… want alleen de geur hangt er nog.”

     “Had het kunnen weten,” zegt hij, “jij gáát niet naar de kerk wanneer er een extra collecte is zoals nu voor die watersnood­ramp.”

     Alsof zij zich door een extra schaal af laat schrikken, zolang ze voor zichzelf weet dat ze er nooit meer dan drie centen op toe kan leggen omdat ze nooit méér bij zich heeft. En ze brengt ze meestal weer mee naar huis, want in de zak aan de stok hoef je alleen je hand te steken, met de koperen schaal is het iets moeilijker, maar meestal lukt het wel alleen met de cent op de bodem te tikken. Hij heeft het beter dan zij, die pastoor, en als zij gewoon haar zondagsplicht vervult kan hij haar niks verwijten… waarom moet daar geld bij komen?

Tegen het buurmeisje had ze gezegd terwijl hij daar lag: “Wij zijn niet van dat bidderige in de familie, doe jij het maar, ik ben nog te veel geschrokken.”  Tenslotte heb-ie voor jou de vlag uitgehangen toen je na vier jaar uit het sanatorium kwam, dacht ze daarbij, weliswaar op zijn kop, maar dat kun je van hem verwachten.

     Zij vervult haar kerkelijke plichten en dat kan je van hem niet zeggen, hij heeft “dispensatie”, zegt hij, vanwege zijn houten poot… waar hij wel een heel eind mee kan komen als er iets te doen is of te halen valt… als een van die Indiëjongens terugkomt, dan staat hij wél met zijn neus er bovenop en kan hij zelfs dansen of wat daar voor doorgaat terwijl hij zijn lijflied zingt:  “Japie zijn vrouw, die had geen neus, alleen twee grote gaten.”

     Zelf heeft-ie ook twee enorme gaten maar hij heeft er wel een neus bij. En als zij dan binnenkomt zeggen ze: “Ha, vrouw van de schoenmaker, hoe is het met de schoenmaker?” Alsof zij niet weet dat-ie zich daar ergens heeft verstopt, tussen al die feestgangers en dat sparrengroen en die gekleurde lampjes die maar branden alsof het allemaal niks kost.

     “Nog een geluk,” zegt ze, “dat die gasten niet meteen doorgaan naar Korea, want dan hadden ze hier iets anders moeten verzinnen om de boel erdoor te jagen.”

     Dansen kan hij ook als hij met die blagen aan de weg staat, hij staat te springen als een gek als het een van die snotneuzen lukt met zijn haktol een andere door midden te kappen. Kapot maken, dat kunnen ze wel. En allemaal gebruiken ze leren veters die ze zogenaamd hier gekocht hebben, maar zij heeft er maar verdomd weinig poen voor teruggezien. Ze weten dat hij nog gekker is dan zij en dat spelletje niet kan missen en toch weer afkomt met zijn veters… Eén grote schreeuwende bende, dat is het, de Mau-Mau is er niks bij.

     “Fausto Coppi, hup Coppi!” zit hij een andere keer aan de weg te schreeuwen als die apen de ronde van de Ontginnings­weg aan het fietsen zijn, ouwe zot dat hij is.

     En al loopt hij nog zo bij de buren achterom, nóóit zal hij es wat meebrengen, terwijl de appels voor het oprapen liggen. Integendeel, ze maakt zich sterk dat hij van die paar centen die hij gevangen heeft nog de helft terugdraagt… terwijl zij vindt: als je zeven kinderen op de wereld kan schoppen moet je ook zorgen dat je hun schoenen kan betalen.

     En dan zegt de buurman wel dat zij best wat appels krijgen kan, maar zij denkt: die zal die halve gare die zo vaak daar achterom loopt wel voor me meebrengen, dus ze zegt: “Nee, Leo, dat kan ik niet doen! Maar nee, Leo, je heb ze zelf hard nodig met al die kindjes!”

     Maar omdat die lapzwans er nooit geen meebrengt kan zij stiekem in het donker achterom lopen en haar schort gaan volladen!… terwijl als híj een beetje handig was met een mánd­vol zou thuiskomen, genoeg om voor heel de winter appelmoes te wecken.

     Van die zeven naast haar zijn er een stuk of vier die al een rapport van school meekrijgen en dat komen ze dan laten zien, en natuurlijk allemaal van de allerbeste punten, anders komen ze niet – van de andere kinderen uit de buurt heb je helemaal geen last – en daar willen ze dan een stuiver of liefst een dubbeltje voor hebben en dat is meer dan zij een heel jaar in de schaal doet, dus ze zegt: “Hier is een appel.” Maar weet je wat ze durven zeggen?… “Die hoef ik niet, die hebben we zelf genoeg”! …Zo waren wij vroeger niet, denkt ze, maar als ze toevallig een beetje kunnen leren, denken ze dat ze wat meer zijn dan een ander.

     Hij zal en moet buiten zijn tot de Belgische bussen met die draaiende wieltjes erop zijn langsgekomen, ook al is het don­ker, en als hij dan eindelijk binnenkomt zegt ze: “Dat zijn mensen die iets voor hun gezin over hebben, die verdienen goudgeld in de mijnen, maar jij kan dat weer niet met die poot van je… als je het dan nog geprobéerd had!… misschien had men je op een karretje laten rijden, en nu ben je oud… maar weet je dat de nabestaanden van die mijnrampen heel goed verzorgd zijn achtergebleven?”

     Maar hij blijft buiten tot de bussen voorbij zijn, ook al is het bijna winter en koud, en ’t is dus geen wonder dat hij aan het hoesten is geraakt. Kijk, zij weet van zichzelf dat ze geen sterk gestel heeft en nogal es bedlegerig is, maar hij heeft het alle­maal aan zichzelf te wijten.

“Nee, doe jij het maar,” had ze gezegd tegen het oudste meisje van de buren dat al zo`n jaar of dertien is, “ik kan nog geen woord over mijn lippen krijgen.”

     Ze vindt: als ie altijd goed genoeg was om grappen mee te maken en voor een habbekrats schoenen te repareren, dan moet-ie nou maar goed genoeg zijn om voor te bidden, al ligt-ie er dan niet zo mooi bij als die Stalin erbij lag midden in die bloemen. Het hele jaar had-ie ’t er over gehad dat hij er zo bij zou willen liggen als ’t zover was… En nou is ’t zover en ligt-ie in de bedstee en gaat zij op de divan slapen.

     “Als je bij nacht en ontij aan de weg ligt moet je niet verwonderd zijn dat je ’t te pakken krijgt,” zegt ze, “daar zou een heel wat jonger iemand ’t van op de borst krijgen.” En al heb je het benauwd, je moet toch eten, en als je keel zeer doet, wat is dan beter dan wat pap?… kan je haar niet gaan verwijten dat-ie daarin dan gestikt is, ook al was die pap wat dik. Ze is er zelf ook van geschrokken.

“Hij is dóód!” riep ze, “kom toch gauw!” En ze klopte aan de straatkant tegen het slaapkamerraam van de buren zoals hij dat altijd deed. “Kom toch gáuw! Hij is dóód! Kom gáuw!”

     En toen ging ze vlug naar binnen en bracht de pap weer naar de keuken en ook maakte ze het raampje boven de deur weer open, want ze had gedacht: “Ziezo, dat kan dicht en dat nest op de lamp dat gaat ook weg…”

Tot het eerste beest er met een klap tegen vloog.

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)


Van Facebook:
Meerveldhoven zoals het was :
Mijn ouders, Nelleke Saris en Theet Meurs, trouwden in augustus 1940, tegelijk met mijn moeders zus, Cisca Saris, met Antoon van Delft. Sinds 10 mei was Nederland bezet door de Duitsers. Nelleke en Theet gingen wonen in het huis waarvoor ze poseren: Provincialeweg 168. Het was een tweewoonst. Als je ervoor stond woonden zij aan de linkerkant. Aan de rechterkant woonden aan de voorkant Antoon van Lexmond, de schoenmaker met het houten been, en zijn vrouw, en aan de achterkant 2 broers op leeftijd, de gebroeders Oosterbosch. De laatsten waren familie van de eigenaar. De schoenmaker en zijn vrouw sliepen in een bedstee, op zijn hanglamp nestelden zwaluwen. Daarom moest het raampje boven de deur altijd open staan. Die zwaluwen op de lamp hadden al eens de krant gehaald. De schoenmaker was ondanks zijn handicap een opgewekte en vrijgevige man, zijn vrouw was chagrijnig en gierig. Stalin was niet zo lang geleden overleden, hij had opgebaard temidden van tienduizenden bloemen in de krant gestaan. De schoenmaker was de eerste dode die ik zag. Ik was 10 jaar. De Schoenmaker met het houten been is waarschijnlijk het eerste verhaal dat ik schreef over de Lange Weg. Misschien ook wel het beste. Als monoloog van zijn chagrijnig wijf vond ik het nog beter. Maar zo paste het niet in het boek.


  

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)