Nieuwe zeehelden, uit het hoofdstuk ‘1969 Klaaglied van Rooie Willem’

(uit Mijn Liefde is scharlakenrood, roman van Meurs A.M.)

De nieuwe zeehelden op de Dam in 1970, geïnspireerd door hun voorbeelden in het CS in 1967, en zoals altijd opgehitst door de Telegraaf.

Gewapend met broekriemen, knipmessen en scharen hebben zo’n 140 marinesoldaten de zogenaamde CS-jeugd het Centraal Station van Amsterdam uitgejaagd. Daar waren 20, veelal langharige jongens en tien meisjes van tussen de 15 en 20 jaar aanwezig. Ze hingen in de hal van het CS rond sinds ze door de penose van de Dam waren gejaagd. Eerder had onroerend goedmagnaat Caransa hun vorige pleisterplaats, het Rembrandttheater gesloten. De actie vond plaats nadat een dag eerder de Telegraaf een artikel had geplaatst onder de kop: “CS geen baas in eigen huis. Matrozenmeisjes lastig gevallen na afscheid van hun jongens”. Voordat de “jongens” optraden was er al een verslaggever en een fotograaf van dit blad aanwezig. De volgende dag publiceerden ze dan ook een smeuïge reportage. Evenals bij het optreden van de penose tegen deze jongeren bleef de politie weg, hoewel ze was gewaarschuwd. Wel hield de politie aan het begin van de Haarlemmerstraat een grote groep jongeren tegen die de CS-jeugd te hulp wilde komen. De NS hadden niet om bijstand gevraagd. De jeugd krijgt daarna een kelder aan de Prins Hendrikkade, waar de politie regelmatig invallen doet; volgens hoofdinspecteur Valken is deze jeugd toch alleen uit op rellen.

(…)

1967

We gaan weer even twee jaar terug. Op de redactie van de Telegraaf, april 1967. De reporter van de krant oogt helemaal niet als een burgermannetje. Hij heeft sluik lang haar dat voor zijn gezicht valt en dat hij voortdurend koket wegschudt. Is dat degene die steeds te keer gaat tegen het langharig werkschuw tuig? Hoe zit dat? “Och, dat is een spel,” zegt hij. “Wij dagen de lezers en de langharigen uit, wij moeten daar zelf erg om lachen. Hoe zullen we het bijvoorbeeld nu brengen? We moeten die Jantjes het idee geven dat hun meisjes worden lastiggevallen zo gauw die hen op het Centraal Station hebben uitgezwaaid. Verdomme, moeten die denken: van mijn meissie blijven die vieze langharige werkschuwen af! En je moet ze het idee geven dat de spoorwegpolitie het niet aan kan, dat de marine ze te hulp moet komen. Maar er moet wel een foto bij, van een meisje dat wordt lastiggevallen. Kom mee, dan gaan we nu die foto maken.” “Maar dan zien we niks, want er gebeurt eigenlijk nooit wat, die lui hangen daar maar wat rond.” “Dan nemen we Marie-Louise mee, die is overal voor in, heeft een bloedhekel aan die gozers. Die laten we tegen zo’n langharige op lopen, schelden, een duw geven en wij ‘klik!’ een plaatje.” “Zorg dat haar gezicht niet te zien is.” “Laat maar aan mij over.”

Nieuwe zeehelden. Rooie Willem zit aan de bar van een café aan de Prins Hendrikkade tegenover het Centraal Station. In de spiegel ziet hij achter zich jongens van de marine binnenkomen, de zaak loopt in één keer vol. “Kom, we gaan naar hiernaast!” hoort hij roepen, en “Kwart over acht verzamelen hè.” “Reken maar van Yes!”

Breed zit Willem daar met zijn lange rode haar en zijn baard en met zijn ellebogen op de bar. “Mag ik er even bij?” vraagt een marinejongen. Willem kijkt in de spiegel naar hem. “Waarbij?” zegt Willem. “Een pils,” zegt de marineman. Willem pakt even later het glas aan en steekt het zonder om te kijken omhoog, de marinemilitair wil het uit zijn hand pakken. “Zo’n matrozenpakkie heb ik ook gehad, “ zegt Willem naar de spiegel terwijl ze nog allebei het glas vasthouden, “maar ik ben er al zo’n 15 jaar uitgegroeid, op mijn achtste stond het me erg lief.”

In de hal van het CS staan enkele tientallen jongelui, ongeveer een derde ervan zijn meisjes. Zowel de jongens als de meisjes hebben lang haar. De meeste meisjes dragen minirokjes, sommige spijkerbroeken met wijde pijpen net als de jongens. Ze roken bijna allemaal. Ze hebben het over het artikel dat de Telegraaf gisteren over ze heeft geschreven. Ze willen aan de spoorwegpolitie die meestal in de buurt is vragen of die het ermee eens is dat de jongelui de dienst uitmaken in het CS en de meisjes lastigvallen. Maar er is geen spoorwegagent te bekennen. Vreemd.

Opeens is ieder van ze omringd door zes/zeven, veelal aangeschoten marinejongens. Ze hebben scharen, broeksriemen en boksbeugels. “Pak ze bij hun reet, die meiden!” “Knip dat haar eraf!” “Ze hebben onze meisjes lastig gevallen!”

“Zou niet eens willen wijzen naar die afgelebberde trut van je.” “Rennen, jongens.” “Rot op, marinegoochem!” “Wat mot je van me? Mag je van je meissie er niet an komme? Nou, bij mijn zeker niet.” “Oprottùùù! TelegraafFIFI.” “Hoehoe!” “Van jou krijg ik geen natte kut, modepoppie met je mooie uniformpje.”

Een paar jongens en meisjes zijn op de vloer terechtgekomen en proberen schoppend, slaand en bijtend de dronken marinelui van zich af te houden.

“Moet je die fotograaf zien, die kickt erop als wij hier met onze benen omhoog liggen. Kan je het zien, jochie? Rot op, zeg, ik bijt je pik eraf en anders die gok van je wel.” “We krijgen hulp van de kant van de Haarlemmerdijk!” “Volhouden, jongens!”

“Verdomd, ze worden door de smerissen tegengehouden! De smeris staat aan hun kant. Ja natuurlijk!” “We kunnen dit nooit winnen, jongens, ze zijn met tien keer zoveel man als wij.” “Zullen we wegwezen dan?” “O.K, allemaal verschillende kanten op, maar niet naar de voorkant. Naar de achterkant en naar de sporen, desnoods over de rails. Daar durven die schijters ons toch niet te volgen. Bovendien zijn de meeste lazarus.” “O.k, rennen, geef degene die het dichtst bij je staat een trap in zijn kruis en rennen!”

In de eerste editie van de Telegraaf die laat op de avond al in de cafés wordt verkocht, staat een uitgebreide fotoreportage: “Marine verdedigt eer meisjes!” Een laatste achtergebleven matroos die met zijn hoofd op zijn beide armen op de bar ligt kan geen interesse meer opbrengen voor het artikel dat ze hem letterlijk onder zijn neus proberen te duwen: “Jantje, je staat in de krant.”

(uit Mijn liefde is scharlakenrood, roman van Meurs A.M., klik op link naar Boekwinkeltje Wonderland)


Over Heddy Honigmann nav haar nieuwste film No hay camino: Een herinnering

Alles is geregisseerd, als je goed kijkt. Alleen het treurig ineenzijgende FC Barcelona was niet meer te regisseren – NRC door Arjen Fortuin

Ach ja, Heddy, de maker van de enige film waarin ik ooit een rolletje heb ‘gespeeld’, Het Vuur uit 1981. Ik dacht altijd dat het haar eerste film was, een mengsel van speelfilm en documentaire, maar het is haar 3e. Ik mocht mezelf spelen, activist in de scheepsbouw, de #ADM die met de ondergang bedreigd werd. De ‘crew’ voer in een boot over de grachten, we keken op het IJ naar een schip in een droogdok van de ADM, die toen nog achter het CS aan de overkant was, waar de straten nu Bankwerkerij en Scheepsbouwloods (dit is een gok) heten. We kwamen bij de vuilnisschuiten op de Oude Schans aan de kant van de Zuiderkerk. Ik weet niet meer of het toeval was, maar daar had ik begin 70er jaren ook gewerkt, niet op de schuit maar aan de wal ernaast, waar een reservemagazijn was van Polak, groothandel in glas, aardewerk en porselein, met haar hoofdvestiging toen aan de Geldersekade. Ik mocht op zo’n schuit staan oreren als mezelf ( ik werd geïnterviewd) maar in mijn herinnering ging alles wat ik zei verloren in het gelui van de klokken van de Zuiderkerk. We draaiden ook op straat ergens in Oudwest en kwamen bij elkaar in de woning van #JohanvanderKeuken, een wereldberoemde filmmaker en de vader van… inderdaad, en ik meen dat dat in de Jordaan was. Met een binnentuin, binnendaken, denk ik eigenlijk met heel veel plantenbakken met voornamelijk kruiden. Er waren meer beroemdheden die allemaal gratis voor Heddy werkten (misschien dat ik daarom dacht dat het haar eerste film was), zoals de geluidsvrouw die de vrouw van Johan was maar met haar meisjesnaam werd vernoemd, ik herinner me de klanken en de lettergrepen van haar naam. En de vrouw die de foto’s maakte… De acteurs natuurlijk, en de inspiciënten, ze zorgen voor de spullen, in ieder geval bij toneel heten ze zo. Onze zoon, die toen 2 jaar was, speelde met een andere jongen van ongeveer zijn leeftijd, dat zal de zoon van Heddy en van #FransvanderStaak geweest zijn. Over Frans werd altijd een beetje lacherig gedaan omdat hij elk jaar met een nieuwe experimentele film kwam waar de pers en het publiek geen raad mee wisten. Maar ik denk altijd: die krijgt nog wel eens zijn eerherstel. Ik heb ook altijd gedacht dat Frans de maker was van de film met de mooiste titel die ik ken: <Er gaat een eindeloze stoet mensen door mij heen>. Maar ik zie nu dat hij op naam staat van Heddy en een jaar na Het Vuur, in 1982 is gemaakt. Ik heb Heddy daarna nooit meer gezien. Ze heeft in die tijd nog wel een keer gebeld of gemaild met de vraag of ik, ik meen, Sil de Strandjutter wilde spelen, waarop ik zei of schreef: <Maar Heddy, dat kan toch niet, ik heb een heel ander accent en ik ben geen acteur.> Daar is het bij gebleven en dat is waarschijnlijk maar goed ook. Geen idee of ze ooit iets met Sil de Strandjutter heeft gedaan. In ieder geval niet onder die titel. Ze werd bekend met Hersenschimmen, naar het boek van #Bernlef. Hersenschimmen was voor beiden de doorbraak naar het publiek. Daarvoor was Bernlef een soort Frans van der Staak. #HeddyHonigmann werd met haar films wereldberoemd. De televisie stond een jaar of tien geleden aan en ik herkende opeens haar stem, ik wist niet waar ik naar keek. Ze bleek achter een zerk te zitten op Pierre Lachaise, het beroemdste kerkhof ter wereld, en ze sprak tegen een bezoeker van het graf. Vaarwel, Heddy.

Anneke

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is moederNelleke-856x1024.jpg
Nelleke Saris. model voor Anneke in Aan de Lange Weg, op hoge leeftijd.

Ze is nu twee jaar getrouwd, bijna even lang als de bezetting duurt, en hij is altijd weg. De meeste klanten die hij heeft komen oorspronkelijk uit Gelderland, net als hij. Allemaal voor werk naar Brabant gekomen.

“Wat ga je doen met zo`n vreemde kerel uit zo`n ver land!” zei haar moeder toen ze zei dat ze verkering had met Leo.

Ze wonen tientallen kilometers verspreid rond de stad, die klanten, soms in kleine achterafboerderijtjes. Het is altijd laat als hij thuiskomt. Dat is niet prettig, zeker in oorlogstijd. Soms zou Anneke willen dat hij een beroep koos waarbij hij gewoon overdag kon werken. Ook al staat dat wat minder dan verzekeringsagent. Op de zijkant van het huis richting stad, boven de kippenren, heeft hij een groot emaillen bord met een dame met hoepelrok en paraplu gespijkerd. Omdat het huis in een bocht ligt is het van veraf te zien. De Duitsers verdenken, waarschijnlijk na aangifte van een NSB’er, hem ervan dat het ophangen van dat bord met “De Eerste Nederlandsche” erop een uiting is van nationalisme. Hij maakt er geen punt van en hangt het bord op van de andere verzekerings-maatschappij waar hij voor werkt: “De Bataafsche”.

“Weten die Duitsers en hun meelopers veel,” zegt hij. Ze krijgen er ook nog wat geld voor van de verzekerings-maat­schappij.

 Ze wou dat hij ’s avonds thuis was, zeker nu het tweede op komst is. En nu opa en opoe gaan verhuizen. Ze ziet zich al ’s avonds in haar eentje met twee kinderen zitten. Als hij thuis is, is hij met zijn administratie bezig of in de hof met zijn planten of met het graven van de schuilkelder.

            Tonnie is al een ruim een jaar en een echt handenbindertje geworden. Ze klimt overal op, zelfs op het aanrecht. Levensgevaarlijk. Anneke kan dat allemaal niet in de gaten houden en voor haar moeder is die kleine rakker te vlug. Opa doet zijn best. Maar hij hoest steeds meer en raakt daar helemaal uitgeput van. Steeds vaker gaat hij het trapje van de opkamer op en kruipt in bed. Anneke maakt zich ongerust, ook voor de kleine. Het is goed dat ze verhuizen. Zeker nu er een andere kleine op komst is.

            Opa proeft van de soep. Mag Tonnie ook wat? Jawel, maar de lepel is nog te vol. Hij zal er eerst wat vanaf slurpen. Tonnie lacht. Dat is een vreemd geluid hè? Eigenlijk is de lepel veel te groot voor Tonniekes kleine mondje. Maar aan de punt gaat het wel. Wat is dat nou? Kan zij ook al slurpen?

            Kijk, daarom maakt Anneke zich zo ongerust. Want haar vader is duidelijk ziek. Er wordt niet over gepraat. Haar vader en moeder praten sowieso weinig met elkaar. Ze heeft zich altijd afgevraagd of ze eigenlijk wel bij elkaar passen. Moeders eerste man is overleden, daar is haar halfzuster Bet uit Sas van. Een van de weinige keren dat moeder een paar zinnen achter elkaar zei, was toen haar zus Saskia en zij op dezelfde dag trouwden en haar zus in Nijmegen ging wonen. De man van haar zus kon hier geen werk meer vinden in de schoenindustrie en daar wel.

“Als je naar Nijmegen verhuist, zie ik je nooit meer,” zei haar moeder. “Dat overleef ik niet.” Gelukkig zien ze Saskia nog regelmatig, dat is erg meegevallen.

Het is een miskraam geworden en hij was er niet bij. Daar was ze al steeds bang voor geweest, dat hij er niet bij zou zijn. Toch kon hij er niets aan doen, want het kwam een paar weken te vroeg.

            Anneke had steeds in haar hoofd het zinnetje zitten: “Als het erop aan komt, ben je er niet bij.” Of dat zo zou zijn wist ze helemaal niet, maar ze was er wel bang voor. Ze wist ook dat ze hem daarmee kwetste, maar omdat dat zinnetje in haar hoofd zat moest het er ook uit, hoe ze zich ook voornam om het voor zich te houden. Ze heeft er meteen spijt van en begint zelf te huilen. Hij komt de hele dag, het is zondag, niet uit de kuil die hij aan het graven is voor de schuilkelder.

Het is doodgeboren, ik wist al een paar dagen dat het niet goed zat, want ik voelde niets meer. Mijn moeder, die nog elke dag uit Sas naar hier komt lopen om met huishoudelijke karweitjes als aardappels schillen en groente schoonmaken te helpen, laat wel eens merken dat ze dan ook niet had hoeven te verhuizen. Mijn ouders wonen nu naast Bet in een van de lage huisjes met rieten dak waarin Bet en haar gezin ook nog gewoond hebben. Ik vond het niet verantwoord om zo`n zieke man als mijn vader in één huis te laten leven met kleine kinderen. Die zijn het meest kwetsbaar, zeker met dat oorlogseten.

            Leo’s zuster Jo en haar man Piet, die zo dicht bij het vlieg­veld wonen, op amper tweehonderd meter, dat ze nauwelijks meer thuis durven te slapen, doen dat nu vaak hier. Hun zoon slaapt verderop aan de Lange Weg bij het gezin van opa Weels. De Duitsers hebben het vliegveld flink uitgebreid en tot een belangrijke uitvalsbasis voor hun jagers en bommenwerpers gemaakt en daarmee ook tot een voornaam doelwit voor de Engelsen. Laten we eerlijk zijn, rond die miskraam kon ik de hulp van Jo best gebruiken, al is ze dan wat bazig.

            Als Leo thuis is werkt hij aan zijn schuilkelder in de hof. Haast heeft hij nooit. De oorlog moet lang duren, willen we er nog iets aan hebben.

Mijn vader is overleden aan tbc. Ik had altijd al een vermoeden dat hij dat had. Hij is maandenlang niet meer uit bed geweest en uiteindelijk doodgegaan in het kamertje waar tot zeven jaar geleden Bet en Toontje hun winkeltje hadden. Nu hebben ze een grote winkel met woonhuis ernaast. Bet heeft ook nog jonge kinderen. Die wonen dan wel niet in hetzelfde huis als mijn vader en moeder, maar toch. Die dokters zouden meer open kaart moeten spelen. Ze doen alsof gewone mensen onnozel zijn.

            Ik heb een foto laten maken van Tonnie met het grote buurmeisje Ineke dat altijd met haar optrekt. Ik liet die foto trots aan iedereen zien en sommigen zeiden “ja mooi” en anderen zeiden heel weinig en knikten en gaven hem terug, tot iemand zei: “Maar Anneke, zie jij dat dan niet? Dat kind is doodziek! Kijk eens naar die ogen en die koortswangen. Dat kind moet naar een dokter!”

            Daar ben ik geweldig van geschrokken, want inderdaad. Misschien had ik het gewoon niet willen zien. Ik ging naar de dokter en ik zei: “Dokter, ik wil weten of mijn kind tbc heeft.”

            “Hoe kom je daarbij, Anneke?” zei hij. “Je hoeft toch niet meteen het ergste te denken.”

            “Ik wil het weten, dokter,” zei ik, “mijn vader had ook tbc en dat hebben we ook veel te laat gehoord en nooit is er wat gedaan om mijn kind daartegen te beschermen.”

            “Rustig maar,” zei hij, “als iemand tbc heeft wil dat nog niet zeggen dat hij ook een gevaar is voor anderen. Daarvoor moet je zogenaamd ‘open’ tbc hebben.”

            Een week later hoorde ik dat Tonnie inderdaad tbc heeft. Ze ligt nu in onze slaapkamer aan het raam zodat ze de straat kan zien want het kan lang gaan duren. Ze vindt het maar raar: die kinderen die altijd buiten spelen. En die zullen het op hun beurt wel vreemd vinden dat zij daar altijd voor het raam ligt. Over een maand wordt ze drie. Normaal had ik haar kunnen aanmel­den voor de fröbelschool voor over een jaar. Zonde dat ze nu net ziek is.

Ik loop alweer op zeven maanden. Jo en Piet wonen al een tijdje bij ons in, want hun huis bij het vliegveld is door de Duitsers in beslag genomen. Ze hadden daar toch weg gemoeten, want sinds de geallieerden in Frankrijk staan, wordt het vliegveld praktisch elke week gebombardeerd.

            We hopen dat Tonnie gauw in het sanatorium kan worden opgenomen. Iedereen verwacht wel dat de oorlog nu vlug is afgelopen. We kijken erg uit naar de geboorte van ons tweede kind. Ik heb het gevoel dat deze keer alles goed gaat. Aan mij zal het niet liggen, daar ben ik van overtuigd. Maar er kan zoveel van buitenaf gebeuren.

            Leo fietst al maanden op houten banden. Dat maakt het hem nog moeilijker om ’s avonds voor spertijd, dat is acht uur, thuis te zijn. Ik heb al een paar keer doodsangsten uitgestaan omdat hij te laat was. Tot overmaat van ramp werd zijn fiets door een Duitse soldaat gevorderd. Toen heb ik hem voor het eerst echt kwaad gezien! Zo boordevol verontwaardiging dat hij niet te houden was. Iedereen waarschuwde hem voorzichtig te zijn, maar hij ging naar de Duitse kommandant, speelde in het beste Duits dat hij als vroegere grensbewoner een beetje kende zo op over zijn Lebensunterhalt!, kranke Tochter! und  zweite Kind auf  Komst!, dat wonder boven wonder hij zijn fiets terugkreeg. Hij vertelt het trots, terwijl hij net als zijn vader aan zijn pijp trekt.

            “Anders waren die moffen nog niet jarig geweest,” voegt hij eraan toe.

            O ja, de schuilkelder is ook al een paar weken klaar.

We hebben ons tweede kind gekregen, een jongen. Alles is prima gegaan. We hebben hem Jan genoemd naar mijn vader Johannes die een paar maanden geleden is overleden. Peetoom is Toontje geworden, de man van Bet, en hij is zeer vereerd.

“Dat heb je goed gedaan, schoon meidje,” zei hij tegen me, “jij laat zien dat je me meer waardeert dan je vader altijd heeft gedaan.”

Jantje is meteen na de geboorte door zijn peettante Jo de schuilkelder ingebracht, want zo hevig als op die dag was het vliegveld nog niet eerder gebombardeerd.

“Er waren verschillende aanvalsgolven,” zei Leo en: “Maar goed dat we die schuilkelder hebben!” Het deed mij in ieder geval goed dat Jantje betrekkelijk veilig was. Maar het blijft vreemd dat je een kind ligt te krijgen terwijl de vliegtuigen over brommen en de explosies en het afweergeschut klinken. En dat je dan eigenlijk ook nog blij bent met die vliegtuigen en die explosies, als ze maar het juiste doel treffen. Tonnie lag toen gelukkig al in het ziekenhuis in de stad. Tot er plaats is in het sanatorium in Tilburg. Ze was te ziek om nog langer thuis te blijven, bovendien zou ik gaan bevallen. Ik ben er blij om, ik neem aan dat de Engelsen geen ziekenhuis bombarderen. Niet met opzet tenminste, maar de andere missers zijn ook vaak fataal geweest. En Leo zegt dat de vliegtuigen altijd uit het zuiden of zuidwesten komen, dus niet over de stad op het vliegveld afgaan, dat is teveel risico vanwege het Duitse afweergeschut dat vooral rond Philips staat. Laten we maar hopen dat het allemaal waar is.

Dit is dus wat ik bedoelde met die missers die voor de bevolking fataal zijn. In de straat en wat verderop in de buurt van mijn zuster Bet zijn in Sas twintig doden gevallen en nog veel meer gewonden. Weer door te vroeg losgelaten bommen van de geallieerden. Wat is dat toch?

            “Dat is angst bij die vliegeniers dat ze getroffen worden boven het vliegveld en dan door hun eigen bommen exploderen,” zegt Leo. In ieder geval is bij Bet iedereen ongedeerd, ook mijn moeder. De hele dag zijn er vliegtuigen over gevlogen, allemaal naar het noorden. Nog een kwestie van een paar dagen, zegt iedereen, ze zijn de Belgische grens al over.

Zo bang ben ik nog nooit geweest! De bevrijders waren er de volgende dag al en gevochten is er hier in het dorp eigenlijk niet. Wel in mijn geboortedorp, vijftien kilometer hier vandaan, ook nog toen wij hier al waren bevrijd.

            Maar wat gebeurde er op de dag van de bevrijding van de stad? De Engelsen stonden midden in Eindhoven en toen kwam, terwijl er de hele dag geen Duits vliegtuig was te bekennen, de Luftwaffe plotseling terug. Er was nog nauwelijks afweergeschut, de bommen treffen de Engelse munitiewagens, tankwagens worden geraakt, er ontstaan hevige branden. Tweehonderdvijfentwintig mensen sterven, om van de gewonden maar niet te spreken. En ondertussen ligt ons doch­tertje daar midden in de stad in het ziekenhuis! Op nog geen honderd meter er vandaan ligt alles plat. Maar het ziekenhuis blijft ongeschonden. De volgende morgen is Leo daar bij Tonnie. Het is er een heksenketel vanwege de honder­den doden en gewonden. Maar Tonnie ligt daar rustig achter glas naar de drukke gang te kijken en vertelt dat er allemaal soldaten naar haar hebben gezwaaid.

            Nu we, met zijn vieren ondertussen, dit alles hebben over­leefd, zal de rest ook wel goed komen. Als er maar gauw plaats is in het sanatorium.


(uit Aan de Lange Weg ,
roman van Meurs A.M., 3e, geïllustreerde, druk, hier graag bestellen via mijn Boekwinkeltje Wonderland, in nieuwstaat en zonder verzendkosten. U koopt rechtstreeks bij de schrijver die de kosten voor de uitgave zelf gefinancierd heeft. Zo u wilt gesigneerd. Hartelijk dank!)



(uit Aan de Lange Weg ,
roman van Meurs A.M., 3e, geïllustreerde, druk, hier graag bestellen via mijn Boekwinkeltje Wonderland, in nieuwstaat en zonder verzendkosten. U koopt rechtstreeks bij de schrijver die de kosten voor de uitgave zelf gefinancierd heeft. Zo u wilt gesigneerd. Hartelijk dank!)

Op café Twee (uit Aan de lange weg)

Als Jan Weels tot zo laat bij Den Os blijft hangen, zit aan de bar alleen nog de rooie Gielens met zijn lange gezicht en zijn hortende manier van praten. Hij zit altijd aan het gesloten eind van de bar, tegen de muur. Hij kan alles van Marie zien: haar borsten als ze vooroverbuigt en haar benen als ze die over elkaar slaat en haar kont als ze de andere kant op bukt. Marie weet dat en geniet ervan, hoewel ze tegenover anderen erom lacht wanneer de rooie Gielens er niet bij is. Teun van Leer hangt vaak naast de rooie Gielens, scheef zoals hij is geboren en hij stoot alleen zijn klinkers uit. Het is een belevenis een gesprek tussen die twee aan te horen. Maar ze verstaan elkaar als geen ander.

            Het was zeker mede aan jongelui als Jan Weels en zijn vriend Wouter te danken dat het ingeslapen hotel/café Den Os weer tot leven was gekomen. Eigenaresse Marie luisterde naar de jongens en vroeg raad als het om de keuze van muziek op de jukebox ging. Zo waren, naast de oude rockers en naast de populaire tango Speel die dans van Peter Koelewijn en de favoriete dansplaat A steelguitar and a glass of wine van Paul Anka, de Beatles, de Rolling StonesenAdamoop de jukebox gekomen. En zo werd er dan op zaterdag- en zondag­avond vaak spontaan gedanst, jong en oud door elkaar. Toen met de kermis Hanna Bosmans samen met de andere Vrouwen van de Eerste Huizen binnen was komen vallen, was de tent te klein geweest. “De gekste wijven van het dorp bij elkaar in één ruimte, dat is mij te veel,” zei Leo Weels toen hij de benen nam. De kermis had hem een leuke gelegenheid geleken om eens een brandewijntje met suiker te drinken bij hotel/café Den Os waar de laatste tijd zoveel aanloop was.

            Ook Marie laat zich soms tot een dansje verleiden, genie­tend van wat ze nog seksueel kan oproepen bij de mannen die vanachter hun drankje naar haar zitten te loeren. Door een goede klant laat ze zich onder het tafelkleedje wel eens tussen de benen pakken, tegen een andere vertelt ze dan weer dat de eerste dat geprobeerd heeft  – “Eentje teveel op!” lacht ze ver­goelijkend –  maar dat ze hem op de vingers heeft getikt. Ze is duidelijk in haar tweede jeugd. Het is niet alleen het spelletje dat ze speelt, vaak met mannen voor wie dit het enige verzetje met een seksueel tintje is, ze heeft zelf ook het gevoel dat ze aan het begin van een nieuw leven staat. Hoewel ze in een café is opgegroeid, heeft ze nu eindelijk haar eigen café. Ze zal haar middenstandsdiploma en haar rijbewijs gaan halen en ook hierover, hoe zich daarbij te gedragen, vraagt ze de jongelui om raad. En achteraf vertelt ze dan weer trots hoe ze de examinato­ren heeft gecharmeerd. Als Den Os zo blijft lopen komt alles goed.

            Ze flirt niet alleen met de mannen van zestien tot in de tachtig, het ziet er naar uit dat ze nu ook echt een stevige jonge minnaar van dertig heeft, want dat Kareltje Manshoog het niet bij een slippertje wil laten. Allemaal nieuwe leuke dingen, allemaal totaal anders dan toen ze met haar zoon van nog geen zestien en zijn, met zijn vijftig jaar veel te oude, stiefvader Gerrit in dat rijtjeshuis zat weggestopt. De wereld is voor haar op haar veertigste opengegaan.

            Ook de altijd vermoeide, wat tobberige Gerrit ziet het wel zitten als het café zo blijft lopen. Misschien kan hij dan stoppen met die hem zo uitputtende ploegendiensten. En als hij de duivenmelkers en de voetballers naar Den Os zou kunnen halen, dan zou voor hem hobby en inkomen gecombineerd zijn. En dat spelletje van zijn vrouw, tot op zekere hoogte, als dat de zaak ten goede kwam, nou ja. Maar er moest niets serieus aan te pas komen. Want hij laat zich natuurlijk niet in de maling nemen.

            Staat naast hotel/café Den Os aan de Lange Weg nog de laatste boerderij van het dorp, bij café Willems aan het begin van de Schoolstraat zit de ex-boer Noud Lauwers, ook al eentje die er niet helemaal normaal uitziet met zijn armpje dat hij omhoog houdt als een kippevleugel zonder veren. Noud is een van de zonen van de op één na laatste boerderij van het dorp. Hun boerderij staat er nog wel daar aan de Broeklandweg maar het land is verkocht aan de gemeente, voor twee nieuwe wijken die er ondertussen gebouwd zijn. Noud is dus, behalve een vleugellamme, ook een van zijn land losgesneden boer. Alle reden om de hele dag bij Willems te zitten. Noud vergelijkt zich graag met de indiaan, wiens land en levenswijze hem zijn afgenomen en die nu aan het vuurwater is geraakt. Naast hem zit hier aan de bar en tegen de muur Kareltje Manshoog.

            Kareltje is een gevaarlijk mannetje. Je ziet dat aan die kop met vet achterovergekamd pikzwart haar maar vooral aan die stevige nek en de houding van die stoere schouders. En ook aan de manier waarop hij naar je kijkt en luistert zonder iets te zeggen. Tot degene die hem een verhaal vertelt er ongemakke­lijk van wordt en op zijn barkruk ineenschrompelt en Kareltje het verhaal van de ander dodelijk samenvat: “Dus de vrouwen moeten voor jou uitkijken.”

            “Nou, dat valt ook wel weer mee,” zegt de ander met het stemmetje van een muis.

            Bij Willems komt iedereen, ook de Philipsbeambten uit de nieuwe wijk die in de volksmond het Zilverstrand wordt genoemd. Ze gaan zaterdagsmorgens judoën in het patronaat en daarna nemen ze een paar pilsjes bij Willems. Judo is onge­looflijk populair sinds Anton Geesink wereldkampioen is geworden. Nee, net zoals Jan Weels daar dan de hele dag blijven hangen doen ze niet. Om één uur zitten ze gewoon aan de lunch bij de vrouw thuis. Jan komt pas bij het avondeten thuis, en ook dat vaak niet. Soms brengt hij een oud mannetje, dat door zijn toedoen een borrel teveel genomen heeft, terug naar het klooster. Dat is de gelegenheid om zich af te vragen waar hij mee bezig is en of hij zijn judopak niet naar huis moet brengen. Hij blijft op de been met borrelworstjes, pinda`s en paprikachips.

            Vorige zaterdag is hij met Ko Bierhof in de taxi gestapt naar Valkenswaard (10 kilometer!), hoewel hij gezegd had dat zijn geld zo goed als op was. Maar Ko had erop gestaan dat hij meeging en hem in het café in Valkenswaard, waar volgens hem zijn geliefde zat, aan iedereen voorgesteld als zijn ‘jonge vriend’, en ze waren allemaal erg aardig tegen hem geweest. Ko had inderdaad urenlang contact met de bazin, die als ze maar even kon bij hem kwam zitten. Hij zag er in zijn donkerblauwe streepjespak uit als een heer, hij was zeer charmant en zong mee met de Franse chansons. Maar voor zover Jan zich kon herinneren waren Ko en zijn geliefde niet van de bar weggeweest. Het diepe hoge café was hem bijgebleven als een prettige omgeving om te zijn. Ze waren ook met de taxi terug­gekomen, een hele uitgave, en hadden afgesproken om de volgende zaterdag opnieuw te gaan.

            Dat was gisteren, maar hij had vergeefs bij Willems zitten wachten. En toen had men hem uitgelegd waar Ko waarschijn­lijk was. Hij had het timmerfabriekje achter de huizen inderdaad gevonden, en daar had Ko gestaan in zijn beige timmermansoverall. Toen pas had Jan zich gerealiseerd hoe de honderden guldens die Ko het vorige weekeind voor hen beiden had uitgegeven, verdiend moesten worden.

            Mon amour, mon amourr, liet Ko steeds op de jukebox spelen, wat de achterkant was van Non, je ne regrette rien van Edith Piaf. Het was Jans taak geweest de plaat steeds opnieuw te kiezen en zelfs het kwartje daarvoor had Ko hem gegeven. Jan schaamde zich en was niet teruggegaan naar Willems. Voor het eerst in lange tijd kwam hij zaterdags overdag thuis.

            Het is zondagavond laat en Jan zit bij Willems. De Wilde­man komt binnen, een kunstschilder die zo genoemd wordt vanwege zijn uiterlijk en gedrag. Jan kent hem van de verhalen. Maar er komt iets bij wat de verhalenvertellers niet op waarde wisten te schatten: de Wildeman heeft veel gelezen, Dostojewski, Hermans, Streuvels, Elsschot, Wilde. Het klikt tussen de zeven jaar oudere Wildeman en Jan. Het is al tegen sluitingstijd en ze vertrekken met een liter vieux naar het hutje van de Wildeman. Er staat een kolenkacheltje en er liggen overal tekeningen met een laagje gruis erop. Jan slaapt een paar uur op de rand van het bed van de Wildeman, het hout staat `s morgens in zijn rug. Om half tien zitten ze in café van Oers aan de weg naar Oerle. Ze ontbijten, drinken, kletsen en toepen, en de Wildeman vertelt verhalen, net als de vorige avond. Bij het toepen vertrouwt Jan blindelings op de Wildeman. Bij de verhalen telt voor Jan alleen of ze goed verteld worden. Jan komt zelf ook los. Cafédochter Maria vlucht blozend naar de keuken. Om een uur of een beginnen ze van Sas naar de Lange Weg te lopen; om half drie moet de Wildeman beginnen bij de weverij. Dan komt Jans zus Tonnie hen tegemoet fietsen.

            “Waar heb jij gezeten? Ik fiets al heel de morgen rond. Bij Den Os wisten ze alleen dat je naar Willems was gegaan en bij Willems was het nog niet open. Ons moeder is hartstikke ongerust. Ik begrijp niet hoe je dit kunt doen. Ze heeft het al zo moeilijk sinds Ineke dood is.”

            Jan was het even vergeten. Want nog geen twee weken geleden, vroeg in de morgen, gooit Anneke Weels de slaapka­merdeur open van haar oudste zoon die eindelijk een eigen kamer heeft nu zijn zus is getrouwd, schreeuwt wat naar binnen en laat de deur open. En die deuropening blijft daar staan als een enorme vertikaal geopende mond, als een schreeuw, en Jan weet niet zeker wat hij heeft gehoord, maar ook hij schreeuwt: “Doe godverdomme die deur dicht!” Alles schreeuwt, de moeder, het deurgat, de zoon, want hij beseft nu wat ze heeft geschreeuwd toen ze wanhopig is weggelopen, niet in staat om stil te staan: “Ineke Verstappen is dood!”, haar grootste vrien­din en troost en het meisje dat hem heeft leren lopen.

            “Ik ga zo,” had Ineke tegen haar man gemompeld nadat de wekker was gegaan. Maar toen hij haar een paar minuten later aanstootte en zei: “Toe dan”, reageerde ze niet meer en was dood.

            “Het ergste was nog dat binnen tien minuten de politie daar was,” zei Anneke. “Wat denken die lui wel! Dat krijg je er dan ook nog bij. En het was zo`n goed mens,” zei Anneke. “Als de oudste naar school was, pakte ze de jongste op en zei: ‘Kom op, Hans, we nemen het er vandaag van, we gaan bij Anneke buurten.’” Anneke kon wekenlang niet ophouden met huilen.

            De Wildeman kent het verhaal van de plotselinge dood van Ineke, haar man werkt bij hem op de weverij.

“Ga maar gauw naar huis,” zegt de Wildeman. “Een moe­der moet je niet… nou ja, ga maar gauw naar huis.”

zie ook OP CAFÉ EEN, eveneens zich afspelend in Den Os,
uit Aan de Lange Weg ,
roman van Meurs A.M., 3e, geïllustreerde, druk, hier graag bestellen via mijn Boekwinkeltje Wonderland, in nieuwstaat en zonder verzendkosten. U koopt rechtstreeks bij de schrijver die de kosten voor de uitgave zelf gefinancierd heeft. Zo u wilt gesigneerd. Hartelijk dank!)