Op INTERNATIONALE VROUWENDAG Monoloog van een zwerfster. KITTY aan het woord. Niet zozeer over allerlei idealen dus, maar een vrouwenleven.

KITTY aan het woord, o.a. over de Telegraafrellen van 1966, waarbij ze werd verkracht, en over een van die andere mislukte ‘oorlogen’ van de VS, die tegen Irak. Ze is ongeremd en lijdt, zoals ze zelf zegt, aan decorumverlies. En over dat ze zich vroeger lid voelde van het rode leger maar nu meer van het leger der hopelozen. Maar dat ze blijft lachen.
Niet zozeer over allerlei idealen dus, maar een vrouwenleven.

Uit de roman MIJN LIEFDE IS SCHARLAKENROOD.

2003
Monoloog van een zwerfster
(fragmenten)

Ik kom scheldend en vloekend de trap af. Ik zeg kom en niet ga omdat ik mezelf scheldend en vloekend die brede granieten treden af zie lopen zoals de portier me van beneden die trap af ziet komen. Ik brul, ik ben echt kwaad maar het is tegelijk ook gespeeld, het is heerlijk om het beest in me los te laten, het zelfs aan te moedigen, het beest te voeren. Ik ben toch gek, ik heb geen normen, geen fatsoen, ik ben ongeremd. Ik heb wat ze ook van sommige demente bejaarden of gestoorden zeggen: decorumverlies. Als je dat hebt kun je rustig scheten laten, boeren, je gulp open laten staan, aan je geslacht zitten en aan elkaar zitten en nog veel meer. En ik doe dat ook allemaal, en inderdaad vaak zonder dat ik me ervan bewust ben. Maar niet altijd dus.
 Het ging om de krant. Ik heb hem altijd als eerste, want iedereen hier blijft langer in zijn bed liggen ronken dan ik. Maar nu had hem iemand anders, een nieuwe, een die nog niet weet dat ik de krant altijd als eerste heb. Ik wilde hem niet afpakken, ik wilde alleen weten hoe het in Irak was. Eigenlijk wilde ik gewoon weten of er wel een substantiële hoeveelheid Amerikanen in Al-Kut was omgekomen. Want dan was ik tevreden, en dat zei ik ook hardop, want dat er veel Irakezen waren gedood was me via de radio en de televisie wel duidelijk geworden. Ik zei dus: “Laat me even zien of er wel een substantiële hoeveelheid Amerikanen is omgekomen in Al-Kut.” Ik gebruikte bewust het woord substantieel omdat die politieke zeikers op de tv dat ook zo zeggen. En ik ben wel dakloos maar niet hersenloos, zeg ik altijd. Ik ben ervan overtuigd dat Bush er ook zo naar kijkt. Zo gauw er Amerikaanse slachtoffers vallen geeft hij allereerst opdracht dat er, liefst veel meer, slachtoffers aan Irakese zijde gemaakt moeten worden. Anders zien de Irakezen het als een overwinning en dat is slecht voor de positie van Bush. Bovendien is het makkelijker om Irakese slachtoffers te maken dan om Amerikaanse slachtoffers te voorkomen. Ik zei dus nog een keer hardop: “Er zijn toch zeker substantieel wel flink wat Amerikanen gesneuveld in Al-Kút?” Ik vond het heerlijk dat zo te zeggen. “In AlKút?” zei ik. En toen: “Geef me even de krant, want ik wil het weten.” Ik trok een beetje aan de krant, maar zoals ik zei, die jongen was nieuw en kende de gewoontes hier niet en de groepswerker bemoeide zich ermee en zei: “Kitty, laat die jongen met rust!” En toen ben ik vloekend en tierend het trappenhuis in gelopen, want als je toch wilt vloeken en tieren kun je dat beter daar doen want daar klinkt het lekker en hoort iedereen het, op alle verdiepingen.
 “Godverdommese kuttekoppen, sloeries!” schreeuw ik terwijl ik de trap af loop. Ik ben niet bloeddorstig maar het is oorlog en ik zou niet weten hoe de Irakezen de oorlog alsnog zouden moeten winnen zonder Amerikanen te doden. Want dat doe je toch in een oorlog, de tegenstander doden, of niet? Dat hebben de Amerikanen toch ook gedaan, tienduizenden Irakezen gedood, waaronder heel veel burgers, en zo de oorlog gewonnen. In eerste instantie tenminste. Of zie ik dat verkeerd? Ben ik te simpel? Wedden dat het met al die mooie verhalen van iedereen daar toch op neer komt?
 Ik geef nog een enorme brul. “Hé, portiertje,” zeg ik op heel andere toon want ik ben nu beneden, “heb je een knaakje voor me?” Het snot loopt uit mijn neus. “Niet hierbinnen,” zegt hij. “Niet hierbinnen,” brouw ik hem na terwijl ik doorloop naar buiten. “Ik wil je ook niet hierbinnen pijpen, gòòòdverdomme.” Dat is niet aardig van me, ik ben er eigenlijk helemaal niet met mijn gedachten bij. Ik hoef helemaal niets te doen om wat van hem te krijgen. Maar niet hierbinnen, daar kan hij niet aan beginnen. Dan kan hij iedereen die naar binnen of naar buiten loopt wel wat geven, dat kost hem een vermogen. En je mag ook niet voor de deur op hem staan wachten. Maar als je hem toevallig op straat tegenkwam, dan zit je goed.
 Ik vloek dus ook tegen de portier, maar ik zeg er meteen zacht achter: “Nee hoor, jij bent mijn engel.” Ik weet niet of hij dat gehoord heeft.
 Hij is ook tegen de Amerikanen in Irak, zoals hij vroeger, net als ik, tegen de Amerikanen in Vietnam was, en om maar iets te noemen: tegen een rotkrant als de Telegraaf. Daar ben ik verkracht, bij de Telegraaf, in 1966, ik was toen nog geen zestien, in een steegje dat schuin uitkwam op de Nieuwezijds Voorburgwal. Er waren rellen, er stonden daar vuilcontainers dicht tegen elkaar aan, ik werd door een marechaussee vanachter omlaag getrokken en gepakt toen ik er overheen probeerde te klimmen. De portier, hij heet T, heeft dat gezien, of gezien eigenlijk niet, meer gehoord, jaren later zat ik stomtoevallig met hem in een actiegroep.

1970
We kwamen elkaar in 1970 tegen bij de Vrijheidsschool. Natuurlijk herkenden we elkaar niet, ik had hem nog nooit en hij mij maar heel vaag gezien. Het moet bijna vier jaar daarvoor, in juni 1966, ongeveer tien uur ’s avonds geweest zijn, het was donker, zomertijd had je toen nog niet. Ik was, begin 1970 toen we elkaar leerden kennen, een jaar of twintig. Ik had een kind, nee niet van die marechaussee. En ook niet van Rooie Willem waar ik toen nog maar net mee ging. Ik vertelde mijn verhaal in een groepsgesprek toen we het over politieoptreden hadden. T zei niets maar kwam later naar me toe. Hij informeerde nog eens naar de plaats en de tijd, het was een bekende dag, de dag van de Telegraafrellen, en toen zei hij dat hij het allemaal gehoord had. “Ik zat tussen die containers,” zei hij. “Waarom heb je me niet geholpen?” zei ik. “Je had hem met een steen op zijn hersens moeten slaan.” Toen vertelde hij van zijn diarree. En ik schoot in de lach en zei: “Ik dacht toen al: wat stinkt het hier.” Maar ik ging in die tijd dus met Rooie Willem.

(…)

1970
T was net verhuisd. Van een zolderkamertje zonder toilet naar een voormalig hoerenhotelletje op de Nieuwmarkt. Hij had geen vensterbanken, maar ik timmerde met een paar spijkers een plankje onder zijn raam en zette er een plant op die ik voor hem had gekocht. Ik had toen een kind van een jaar of vier. Het leuke bruine schoolmeisje van een jaar of zestien dat bij mij logeerde – van huis weggelopen zou een overdreven term zijn – was er ook bij. Die vond hij ook leuk. Hij keek zijn ogen uit als we ’s ochtends alleen in ons slipje rondliepen.
 Hij is geëngageerd, dat portiertje, mijn engel. Ben ik zelf ook geweest. We waren in 1970 hele dagen in Ons Huis in de Rozenstraat. Van daaruit voerde de Vrijheidsschool actie. Nadat T en ik elkaar hadden leren kennen waren we een paar dagen weggebleven bij de Vrijheidsschool. Ik werd bij terugkeer hevig de huid vol gescholden, T was er net bij, had nog geen verplichtingen, hem ontzagen ze nog. Hij schrok er wel van. Ik eigenlijk niet, ik begon toen zelf ook al zo te reageren, half overspannen. Wat ik dacht te kunnen maken! Zomaar wegblijven terwijl er allerlei dingen liepen! Ja, ze hadden allemaal mooi praten, ik had tenslotte ook nog mijn kind, en bovendien, dankzij hen, nog een scholiere in huis van een jaar of zestien, uit huis gegaan vanwege de acties, en wie ving haar op? Ik dus.  “Maar dan heb je ook een babysit,” zeiden ze. “Over het algemeen moet je je kind natuurlijk gewoon meenemen, maar als dat niet kan, kun je afspraken maken, misschien is het meestal belangrijk dat jij komt, maar soms is het juist belangrijk dat de scholiere komt.” Eigenlijk was ik het op dat moment wel met ze eens, ik was ook gegrepen door het fanatisme waar we toen allemaal in zaten. Maar een paar maanden later dacht ik: wat zijn ze wereldvreemd, ze hebben totaal geen aanraking met het normale leven. Wat stoten ze de mensen af!

(…)

Wij, mijn liefje T en ik, zeiden wel eens tegen elkaar: stel je voor dat je ons vanboven af had kunnen zien, ik daar liggend op mijn buik op die container terwijl ik verkracht werd en jij die daar even verderop met je broek op je enkels zat te schijten en de dunne stront die naar de goot liep. Maar je zag niks, laat staan vanboven, het was aardedonker.
  “Ik kon jullie ook niet zien,” zei hij dan, “ik zag jullie even toen jullie aan kwamen lopen, even in het licht van die lantaarnpaal, en later toen jullie weer wegliepen.”
 Als ik goede zin had dan zei ik: “Ik dacht toen al: wat stinkt het hier. Maar ja, dacht ik toen, misschien is het die marechaussee die tegelijk spuit en in zijn broek schijt. Zoals je, als je moet poepen, niet kunt pissen zonder te poepen.” En als ik geen goede zin had, als ik kwaad wilde, zei ik: ”Had je me niet kunnen helpen! Jij zat daar maar!” En hij zei dan: “Hoe dan? Ik kon niet eens overeind komen! Het zou zo over mijn enkels zijn gelopen. En het was niet zo dat ik naar huis kon gaan om me te verschonen, ik had geen huis, mijn kleren waren op het station, ik wist niet eens waar ik die nacht moest slapen.”  Dat was ook voor mij toen nog ongewoon, dus ik begreep het wel, later heb ik dikwijls op straat geslapen, en ook vaak niet al te fris.
 Die scène kwam steeds terug tussen ons. Hij was de basis van ons contact, we lachten erom, zonder die scène zouden we nooit een relatie hebben gehad, maar hij leidde ook vaak tot wrevel, ergernis, en schaamte. Bij mij omdat ik verkracht was en bovendien nog iemand dat gezien of in ieder geval gehoord had. En bij hem omdat hij niets gedaan had, daar machteloos boven zijn eigen dunne stront had gezeten.

(…)

Op een bepaald moment liet ik ook T vallen, je was immers van niemand, en er werd ook verondersteld dat je dat accepteerde, dat je gedumpt werd, bedoel ik. Het overkwam mij ook. Ik liet hem vallen voor een jongen die wat stringenter in de leer was, meer invloed had, meer macht had, zou je kunnen zeggen. Wat dat betreft ging het precies hetzelfde als in de maatschappij die we bestreden: de machtigste mannetjes kregen de meeste en de mooiste vrouwtjes. Vreemd genoeg bleek in de jaren daarna dat de machtigste vrouwtjes nog nauwelijks mannetjes konden krijgen.
Net goed, zeiden de antifeministische mannetjes en vrouwtjes.

Wat stelde zo’n relatie eigenlijk voor? Je was bijna nooit alleen. En als je kans had op seks was je te moe. De eerste dagen gingen wel, ik was toen bij hem, de scholiere paste op mijn dochtertje. We kwamen dus daarna terug bij de acties daar bovenin Ons Huis in de Rozenstraat en ik kreeg ontzettend op mijn sodemieter van die heks. Nou stonk het daar geweldig in dat keukentje als gevolg van het plaksel dat ze al dagen hadden laten staan, dus ik kon meteen gaan opruimen. Dat is het typische van dat soort lui, ze zijn wel met de wereldrevolutie bezig maar de gewone dagelijkse dingen daar hebben ze geen oog voor. We huurden die hele bovenverdieping, in de grote zaal werden regelmatig films vertoond.
 Dat hij daar zat te schijten tijdens mijn verkrachting was uiteindelijk net zo’n breekpunt als de seks van Mabel Wisse Smit met Klaas Bruinsma gaat worden. Als het goed gaat tussen Mabel en prins Willem Friso lachen ze erom en kiezen samen partij tegen de boze buitenwereld en zijn roddels en verdachtmakingen. Maar als ze ruzie hebben zegt hij: ”Je hebt je toch wel mooi laten neuken door die vieze vuile gangster.” Dan zegt zij: ”Ik heb me helemaal niet laten neuken en bovendien was hij niet vies.” En hij: ”Nee, je bent zo’n Clintonschlemielhoer, je hebt hem zeker alleen maar gepijpt en beweert dan dat je geen seks met hem hebt gehad en hij zat zeker alleen maar met de loop van zijn pistool in je kut zoals Clinton met zijn sigaar.” Zo ging het ook tussen T en mij als we het over mijn verkrachting hadden. Ging het goed tussen ons, dan versterkte het onze band, ging het slecht dan leidde het gesprek over mijn verkrachting van kwaad tot erger. Zo kun je ook voorspellen hoe het met prins Willem Alexander en, hoe heet ze, Maxima zal gaan. Hebben ze ruzie dan zegt hij: “Ik was toch een beetje dom! Hier, pats, ik zal je laten voelen hoe dom ik ben… Godverdomme op de televisie voor het hele volk zeggen: ‘Hij was een beetje dom.’ Dat was precies wat ze wilden horen. Hoe kon jij zo dom zijn om dat te zeggen! Hier, een beetje dom!…” en ze krijgt nog een klap. Zo gaat het gewoon, maak mij niks wijs. Maar ze slaat terug, die Maxima. En bij de volgende wereldkampioenschappen voetbal leidt dat tot grote rellen tussen Nederlanders en Argentijnen. Daar gaan doden bij vallen. Vertel mij wat! Ik weet precies wat er in de wereld te koop is.
 Ik zag ook wel dat T naar die scholiere keek met die sexy lange benen onder die minirok. Seksueel stelde onze verhouding niet veel voor, er waren altijd mensen, logé’s. Bovendien waren we allebei meestal te moe. Als we tijdens het plakken door een politieagent achterna werden gezeten, gaven we het na twintig meter al op, van pure uitputting. We sliepen gewoon te weinig, we waren dag en nacht bezig. Plakken of kalken tot twee uur ’s nachts en om zes uur, half zeven weer op om pamfletten uit te delen bij bedrijven en voor werk of kind.

(…)

Ik heb me, misschien is dat vreemd, misschien ook niet, misschien hebben andere vrouwen dat ook, in verschillende delen van mijn leven een heel ander soort vrouw gevoeld, met een heel ander lichaam ook. Natuurlijk verandert het lichaam van elke vrouw, maar bij mij was het niet alleen de normale, natuurlijke verandering, van klein naar groot, van dunner naar dikker.
 Toen ik een jaar of vijftien, zestien was en verkracht werd door die marechaussee was ik een stevig jong meisje met weinig taille, weinig verschil tussen kont en middel, een flinke jonge meid met stevige benen en dito kont. Toen ik een kind had gehad, niet van die marechaussee maar een paar jaar later, werd ik een ander soort vrouw. Misschien door de zwangerschap, door de bevalling. Mijn borsten bleven groot en ik hield nog jaren daarna mijn buik in, zoals iemand met een pijnlijk litteken dat wegdraait van degenen die er tegen kunnen stoten. Misschien omdat die borsten vrij zwaar waren ten opzichte van de rest die toen nogal mager was, liep ik wat voorover. En omdat ik, misschien als gevolg van die ingetrokken buik, mijn kont wat achteruit stak, had ik in die tijd het gevoel dat mijn lijf de vorm had van een acht. Zo voelde ik me in de tijd van Willem en T, in die zogenaamde revolutionaire tijd.
 Later zou ik, mede als gevolg van medicijnen, een stuk molliger worden. Dat leek mannen op het eerste gezicht meer aan te spreken en daar profiteerde ik van, want ik was begonnen het voor geld te doen, wat inmiddels nodig was om mijn verslaving, voornamelijk aan alcohol, maar ik heb eigenlijk alles wel geprobeerd, te bekostigen. Nu ben ik vel over been, mijn broek zakt van mijn kont en het kan me niks verrotten.
 Puriteins was ik allerminst, ik had eerder een nuchtere seksuele moraal. De marechaussee had bij mij op brute, gewelddadige wijze genomen wat hem niet toekwam maar waar hij zin in had. Ik nam wat mij toekwam en waar ik zin in had maar zonder geweld. List, ja die gebruikte ik wel.

(…)

Ergens in de jaren 70
Het was allang uit met Willem en ook allang met T, toen ik op een middag naar de Nieuwmarkt ging. Ik was ongesteld, misschien was ik daarom wel zo opgewonden. Ik wist dat hij bereid was, graag zelfs, me in mijn kont te pakken. Mijn toenmalige vriend zag dat niet zo zitten, met die had ik het eigenlijk nooit over wat ik lekker vond, trouwens ook niet over wat hij lekker vond, we deden het gewoon. En als ik ongesteld was kon het niet, daar ging hij blijkbaar vanuit, misschien dacht hij wel: even rust. Dus ging ik hitsig, het zal een zondagmiddag zijn geweest, naar de Nieuwmarkt. Daar zaten T en een paar jongelui bij elkaar, ze hadden een bespreking, over een krantje of zo, het zou niet! Toen ik binnenkwam begon T de anderen langzaamaan de deur uit te werken, hij besefte blijkbaar wat er aan de hand was, misschien giechelde ik een beetje vreemd, ik kon het niet helpen. Ze begonnen te ginnegappen, bleven wat aarzelen op de gang. T maakte de deur open en gaf een schreeuw “Wegwezen!”, een enkeling bracht hij zelfs helemaal drie verdiepingen naar beneden, de voordeur uit. En terwijl hij me, zittend op handen en knieën, vanachter in mijn aarsgaatje nam, zag ik door de vitrage hoe ze nog vanaf het plein naar boven stonden te kijken, ze zagen niets maar wisten wat er gebeurde, en dat wond me extra op. Het was mijn triomf op die fanatieke revolutionairen, misschien wel op de revolutie zelf, dacht ik uit het raam kijkend terwijl we bezig waren en ik hoger en hoger steeg. Want ik was in die tijd zeker niet minder radicaal maar wel een stuk cynischer geworden. Dan hoorde ik mezelf brullen. Dat moest op het plein zijn te horen. Maar ik kon het niet controleren, ik kon mijn ogen op dat moment absoluut niet meer openhouden, ik kon ook niet meer denken of iets anders voelen dan dat ene.

2003

“Kitty,” zeggen ze hier in huis, “die portier mag je, jij bent de enige hier die van hem een verjaardagscadeautje krijgt. Maar dan moet je niet allerlei rare verhalen over hem gaan vertellen, dat jullie een relatie hebben gehad, dat jullie hebben geneukt, dat het meestal niks was maar dat het één keer geweldig is geweest. Dat moet je niet doen, is niet leuk voor hem.”
 Maar hij weet dat het wel zo is, hij kan het zelfs gewoon toegeven, ze denken toch dat hij een grapje maakt, als ze naar hem kijken en dan naar mij, hoe ik er nu uitzie.
 Ik loop de trap af. Ik weet dat T bij de receptie zit. Niemand gelooft dus dat we ruim dertig jaar geleden iets samen hebben gehad. Ze weten wel dat we goed overweg kunnen. Hij neemt het voor me op, de schat, als ik door het lint ga.
 “Weet je,” zeg ik tegen T, terwijl ik me met mijn rug tegen de muur waar hij rechts van het loket op kijkt wat naar beneden laat zakken, want het loket is een raam in een muur en zit nogal laag. “Weet je dat Rooie Willem nooit iets heeft geweten van 11 september, de oorlog tegen het terrorisme, Afghanistan en Irak? Eigenlijk heeft hij nooit geweten wat echt terrorisme en de oorlog ertegen betekent.”
“Daar denk jij aan,” zegt T, “en dat begrijp ik, maar weet je waar ik ook vaak aan denk?” en hij buigt een beetje over zijn bureau heen in de richting van het loket.
“Net toen,” zegt T door het loket van het receptiehok en kijkt even om zich heen, “net toen ik wist dat Rooie Willem nog steeds bij me in de buurt woonde, toen ik alles een beetje op een rij probeerde te krijgen van die tijd en net toen ik hem wilde vragen waar hij destijds na zijn Chinareis opeens was gebleven, en hem nog een heleboel meer wilde vragen, net toen ik misschien toch die paar tientjes die ik hem geleend had terug had kunnen krijgen, is hij de pijp uitgegaan.”
 Hij kijkt me vol verontwaardiging aan, maar hij ziet dat mijn lippen beginnen te krullen. En dat is niet omdat Rooie Willem tamelijk jong de pijp uit was gegaan, want daar lach je niet om, ik kan ook niet beoordelen of dat erg voor hem was, want ik kende zijn situatie op dat moment niet, ik weet alleen dat het me niet verbaasde, nee mijn lippen beginnen te krullen omdat T net doet of het zijn probleem is en Willem de pijp uit is gegaan om hem een laatste keer dwars te zitten.
 Mijn lippen beginnen dus te krullen en ik zeg: “Godsklere, wat heb jij een probleem!” En dan barsten we allebei in lachen uit en lig ik al gauw helemaal onderuit tegen de muur met mijn magere lijf, mijn afgezakte broek en met mijn gulp open. We lachen en lachen.

                                                                          ____________

Uit de roman MIJN LIEFDE IS SCHARLAKENROOD van Meurs A.M. Bij mij (Boekwinkeltje Wonderland) uitverkocht. Alleen de Booklightuitgave is voor mij aanvaardbaar. Voor veel te veel geld op internet te koop.