Een belangrijke dag (voor Aan de Lange Weg, dat 6 jaar later verscheen)

In mijn herinnering is het een maandag, 18 januari, 1998 of zo, en 18 graden. Ik woon 30 jaar in Amsterdam en mijn kameraad en vroegere dorpsgenoot Willem Adams de schilder, die al zo’n 35 jaar in Eindhoven woont, zal me laten zien wat er in rond Veldhoven allemaal veranderd is. Op de fiets.

Zie aub de eerste 5 foto’s en tekst.


Bij de Dommel. Het is er prachtig. Voor we Eindhoven uit waren hadden we op een rustig plekje aan de Gender een soortgelijke vergadering bijgewoond.



Ook bij de Dommel.



Het patronaat van Meerveldhoven ziet er aan de voorkant nog vrij goed uit.



Aan de achterkant is het anders. Het kwam zo in Aan de Lange Weg terecht:

<Aan de achterkant van het patronaat graast jaren later achter een dubbel rasterwerk een paard. Het staat vlak tegen de ramen waarachter vroeger de kleuters zaten. De ramen zijn grotendeels geblindeerd. Op de bovenverdieping zijn er ruitjes ingegooid. Van de dikke haag met de beroemde poortjes tussen bewaarschool en kloosterhof en tussen meisjesschool en kloosterhof is niks over. De kloostertuin zelf staat vol bouwwerken van ongelijke hoogte en vorm.>
(uit het hoofdstuk Het Patronaat)



<De meisjesschool is gekraakt, er steken kachelpijpen door de ruiten, het stinkt, er wordt rotzooi gestookt.>
(uit het hoofdstuk Het Patronaat)

Ik laat me vertellen dat er op deze maandagmiddag in heel de gemeente Veldhoven maar één café open is: Neggers aan de Heuvelstraat in Zeelst. Ik ben er vroeger met de kermis wel eens geweest. Het café was van een broer van mijn peetoom Tinuske Neggers. Het is er druk, allemaal mannen, er wordt flink geouwehoerd, ik ben een spons. Ik doe er het volgende verhaal op:

<Maar het gesprek van de dag is de voetbalpool. Opeens kun je in één dag stinkend rijk worden. En je hoeft geen verstand van voetballen te hebben, al moet je wel een beetje je gezond verstand gebruiken. Ergens verderop aan de Lange Weg is een man die zegt dat het een kwestie is van kansberekening, alles kan in min- en pluscijfers uitgedrukt worden. Hij begon op een velletje papier: de resultaten tot nu toe, de uitslag de vorige keer tegen dezelfde club, een uit- of thuiswedstrijd, het weer in verband gebracht met het type spelers van een bepaalde club, doet de voornaamste aanvaller mee? Allemaal min- of pluspunten. De vellen papier lagen eerst nog op tafel, toen op de vloer, en dan moesten de schuifdeuren open en werd de voorkamer vol gelegd en moesten de kinderen stil zijn op zondagmiddag en uit de buurt blijven om niet op de papieren te trappen. En hij heeft wel eens wat gewonnen maar tot nu toe geen echt grote prijzen. Maar dat is een kwestie van tijd, want hoe langer het duurt hoe meer gegevens hij natuurlijk krijgt en op een gegeven moment kan het niet meer missen.> (uit het hoofdstuk Als het maar weer eens zomer wordt )

Bij al dat bier moet ik veel eten van het enige dat er te eten is: chips en pinda’s. Het is al donker wanneer we terug naar Eindhoven beginnen te rijden. Maar Willem heeft nog een tussenstop in gedachten, aan de Binnenweg, bij de burgemeester van Zeelst, zegt Willem, hier worden de echte gemeenteraadsvergaderingen gehouden, het blijkt bij de familie Van de Weijer.

Ik maak kennis met de broer van mijn vroegere buurman in de Achtwoningen, en met zijn vrouw. We krijgen volop te eten en koffie en thee.

De heer Van de Weijer wil alleen op de foto als dat samen mag met het portret van zijn kleinzoon.
De informatie bij deze foto klopte niet, op verzoek van de kleinzoon heb ik de foto verwijderd. Juist omdat de heer Van de Weijer alleen wilde poseren met het portret van zijn kleinzoon in zijn hand, wil ik dit respecteren en de foto niet publiceren zonder dat portret in zijn hand. Dat geldt ook voor andere foto die ik nog van hem heb.


De foto van zijn vrouw wordt prachtig.

Ik leer een zeer wereldwijs man kennen. Van die eerste ontmoeting herinner ik me boven alles de uitspraak: ‘Het zou met Willem heel anders zijn gelopen als ze vroeger bij hun thuis hem een hutje in hun hof hadden gegeven en wat linnen en verf.’

Het is een belangrijke ontmoeting, ik zal er nog herhaaldelijk terugkomen om over Tinuske Neggers, mijn oom, te praten, naar wiens verhaal ik op zoek ben.

Als ik op de fiets ben word ik met fiets en weekendtas de gang in getrokken. Wanneer zijn vrouw is overleden en hij in Merefelt terechtkomt zoek ik hem ook daar op. Hij is de enige in heel het gebouw met een duivenkooi op zijn balkon. Tenslotte zal ik ook op zijn begrafenis zijn en in het zaaltje in Zeelst mijn vroegere buurjongens en buurmeisjes, zijn neven en nichten, terugzien. Mijn boek Aan de lange Weg, waarvoor dit zo’n belangrijke dag was, is dan al verschenen.


En zo prachtig schilderde Willem Adams daarvoor al de Dommel. Willem vloog.

Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M., geïllustreerd, nieuwstaat, verkrijgbaar, €19,95, geen verzendkosten, op verzoek gesigneerd.

Sal Santen De schrijver die niet schreef omdat eerst de wereld veranderd moest worden

Voorkaft en uittreksels uit HetWerk52 12e jrg 29 juli 2008 literair kladschrift van Meurs A.M.
SAL SANTEN-SPECIAL


Juli 1998

Schrijver en revolutionair Sal Santen overleden!

Toch nog onverwacht is op zaterdag 25 juli de schrijver Sal Santen overleden.

Sal Santen werd op 3 augustus 1915 geboren uit  joodse ouders, zijn vader was schoenmaker. Zijn  enkele jaren oudere en enige zus Saartje overleed eind jaren 20 aan tbc. Vader en moeder en enige en jongere broer Maurits werden in de tweede wereldoorlog door de nazi’s gedeporteerd en vermoord. Schoonvader en revolutionair voorbeeld, Henk Sneevliet, werd door de nazi’s gefusilleerd. Zelf werd hij als jood ongemoeid gelaten omdat hij met een niet-joodse vrouw was getrouwd, zijn grote liefde Bep, dochter van Mien, die hertrouwd was met de internationaal beroemde revolutionair Sneevliet.

Sal Santen was al op zeer jonge leeftijd aktief in de radikaalsocialistische jeugdbeweging  en tijdens de oorlog aktief in het verzet. Hij was lid van de Vierde Internationale die door Trotski werd opgericht.. Hij vervulde internationaal een vooraanstaande rol in deze beweging en was goed bevriend met de leider van deze organisatie, Michel Raptis, met wie hij ruim een jaar in een Amsterdamse gevangenis zat vanwege steun aan het Algerijnse antikoloniale verzet. Midden jaren zestig brak hij, na een reeks van teleurstellingen op het menselijke vlak, met de beweging.  In 1969 debuteerde hij op 54-jarige leeftijd als schrijver met ‘Jullie is jodenvolk’, dat meteen zeer goed werd ontvangen. Alle hierboven genoemde feiten spelen een grote rol in de bijna 20 boeken die Sal Santen tussen 1969 en 1995 heeft gepubliceerd.

Groots in kleine woorden voor groot leed

Sal Santen beschrijft in zijn boeken voornamelijk zijn eigen leven, waaronder de genoemde drama’s van leven en dood. Hij doet dat in een zeer kenmerkende, eigen, eenvoudige stijl: hoe groter het leed, hoe eenvoudiger de woorden. Samen met het hanteren van korte scènes bereikt hij zo een groot dramatisch effekt. De voornaamste boeken die zich afspelen tussen 1918 en 1945 zijn: Jullie is Jodenvolk (1969), Sneevliet, rebel (1971), Saartje gebakken botje (1983), De B van Bemazzel (1989).

Veel aandacht kreeg Sal Santen voor zijn Adiòs Compagneros!(1974), waarin hij zijn afscheid van de revolutionaire organisatie beschrijft. Dit, dan blijkbaar nog niet verwerkte drama, haalt echter niet de kwaliteit van de eerdere boeken. De afstand is misschien nog te klein om er al grote literatuur van te maken.

Santens meest literaire boek is Brand in Mokum (1977). Hier komen liefde, lichamelijke en psychische problemen, de jeugd, de oorlog, de gevangenis, de krant waar hij 20 jaar stenograaf was, én humor samen: een meesterwerk!

Revolutionair en mens

Sal Santen bleef tot  aan zijn dood revolutionair, misschien de laatste. Als mens was hij absoluut betrouwbaar, zonder trucs, leugens of smoesjes. Niet liegen, niet om bestwil, en eigenlijk ook niet tegen je vijanden. Dan heb je het als verzetstrijder en revolutionair moeilijk. Een betere vriend kun je echter niet hebben.

(…)

Midden mei (1998) zat ik midden in de productie van HetWerk12. (…) Plotseling hoorde ik dat mijn vriend Sal Santen, die in het ziekenhuis was opgenomen voor een heupoperatie, complicaties had gekregen en het niet zou overleven. Dat was volkomen onverwacht, want de operatie zou zwaar zijn maar niet levensbedreigend. Een dag voor zijn opname waren we nog met de rolstoel gaan wandelen. Ik kon nergens anders aan denken en nergens anders over schrijven. Van de nood een deugd makend, schreef ik ‘De laatste tochtjes met Sal’, over onze wandelingen en over onze gesprekken. Wonder boven wonder overleefde Sal, de oude strijder, het toch. Hij knapt nu langzaam op.

Over een flink aantal jaren hoop ik een totaal nieuwe versie van de ‘tochtjes’ te schrijven, met veel nieuw materiaal.

Die nieuwe versie hoefde ik, bleek 2 maanden later,  dus niet te schrijven.

De laatste tochtjes met Sal

Zullen we links of rechts gaan? Links in de richting van het Amstelpark, rechts naar de plantsoenen die tussen de wegen liggen. Waar vangen we nog wat zon? We gaan vanaf de deur van het  joodse verzorgingshuis Beth Shalom  rechtsaf, naar het groen, maar tegelijk zijn we op weg naar een open plek in dat groen waar we de namiddagzon kunnen zien. Hij heeft hier in de buurt gewoond, zegt hij, toen Bep nog leefde. Daar op het grasveldje links staat de zon. Met enige moeite duw ik de rolstoel het veldje op en hurk naast Sal, hij sluit  zijn ogen en heft zijn gezicht naar de zon. Achter ons staan oude hoge bomen. Hij wil altijd graag naarbuiten. We zwijgen. Na een minuut of tien gaan we verder. We komen aan de weg met de trambaan. Zullen we ergens wat drinken? Aan de overkant moet iets zijn. Het is zondagnamiddag, het zal wel open zijn. Voorzichtig de weg over, in étappes, een omweg maken om oneffenheden te ontwijken. Hij maakt met zijn hand een gebaar naarvoren als we verder kunnen, alsof hij manschappen aanvoert. Achterstevoren de drempel van het café over, er moet een wat úitstekende stoel opzij geschoven worden, een andere stoel weggehaald, dan kan hij met rolstoel aan het tafeltje. Hij drinkt een glas wijn. Zouden ze hem herkennen met zijn opvallende witte kop met haar en zijn dikke wenkbrauwen? Ze zijn vriendelijk, maar het lijken me geen lezers. Terug op weg naar het verzorgingstehuis schemert het al, het is een aardige nazomerdag. ‘Het perspectief is gunstig,’ zegt Sal, ‘Frankrijk heeft een socialistische premier gekozen.’ Sal ziet altijd een politiek lichtpuntje.

Een dag of tien later bel ik hem op. Hij heeft ondertussen een paar exemplaren ontvangen van het artikel dat ik in HetWerk over hem heb geschreven.’ Komt het uit als ik nu meteen kom? Dan kunnen we nog even naarbuiten.’ ‘Ja, fijn,’ zegt hij.

We besluiten naar het Amstelpark te gaan. ‘Hoe vond je het artikel?’ zeg ik. ‘Goed,’zegt hij, maar ik heb wel een opmerking. Maar daar zullen we het onderweg over hebben.’ Ik help hem in de rolstoel en hang het kleine tasje met o.a. zijn kamersleutel om zijn hals. Zijn deur hoeft niet op slot. Onderweg wijst hij zoals altijd de plekken aan waar je het makkelijkst de stoep af kunt. Als er toch een drempel is, maakt hij een draaiend gebaar met zijn vinger: rolstoel omdraaien. Wanneer we een recht stuk voor ons hebben, begint hij: ‘Je hebt het als een interview gepresenteerd, alsof ik het je verteld heb en dat is niet zo.’ ‘Nee, Sal,’zeg ik, ‘ik heb bewust niet met je over de inhoud gesproken omdat ik mijn eigen mening wilde geven. Ik zeg juist steeds: hij moet dit of dat gevoeld of gedacht hebben, ik presenteer het dus als een veronderstelling van mij.’ We zijn stil blijven staan tijdens deze diskussie en besluiten verder te praten als we in het Amstelpark zijn. Maar we komen er verder niet op terug.

‘Ik denk dat ik iets voor je heb,’ zegt hij de volgende keer, ‘je mag wat van me publiceren.’ Ik vind het moeilijk. Ik heb me voorgenomen in HetWerk alleen werk van mezelf af te drukken en anderen alleen te citeren wanneer ik over hen schrijf. Ik krijg eenkleur als ik het hem probeer uit te leggen, ik stuntel, ik vind het erg pijnlijk. Hij begrijpt het, zegt hij. Maar ik blijf mezelf kwalijk nemen dat ik zo rechtlijnig ben geweest, zo dogmatisch. Waarom heb ik niet toegegeven aan mijn goede vriend die zo met zijn werk bezig blijft, die zich niet te groot acht om in mijn bescheiden tijdschriftje te publiceren? Toch zullen we bij een volgende tocht weer een moment krijgen waarop ik mijn eerlijkheid vervloek. Vandaag gaan we vanuit Beth Shalom niet links- of rechtsaf maar rechtdoor, de polder in. Daar hebben we het over Harry Mulisch. Over die zijn we het eens: die vinden we niks.

Mijn schoonmoeder, die ook boven de tachtig is, heb ik Sals dichtbundel ‘Een veertje in de wind’ laten lezen. Deze uitgave is hem door zijn kinderen aangeboden op zijn tachtigste verjaardag. Zoals ik verwacht had, vond ze hem prachtig. Ik vertel dat aan Sal, weid nog wat uit, maar hij heeft me door en onderbreekt me: ‘Hoe vond je hem zelf?’ We zijn aan het rechte stuk weg parallel aan het Amstelpark. Het lijkt of we op dit stuk steeds de pijnlijkste momenten hebben! Misschien is het gewoon het eerste rechte stuk waarop we niet zo hoeven op te letten waar we rijden, maar het is een feit. Ik moet toegeven dat ik de gedichten zeer ontroerend vind, maar niet zozeer gedichten als wel versjes. En dit is het ogenblik dat ik mezelf vervloek en me er daarna op betrap dat ik denk: zijn toenemende vergeetachtigheid zou voor dit moment een zegen zijn! Ik moet me inhouden, want ik begin automatisch veel te hard tegen de rolstoel te duwen.

Ik doe hem een microcassette cadeau. Ik denk: misschien komt hij er makkelijker toe om zijn gedachten in te spreken dan op te schrijven, om als het ware hardop te denken. Het wordt geen succes. (Zoals ook de voice mail die ik voor hem installeer een ramp wordt en snel door de familie moet worden opgeheven!) Hij vraagt een vriendin bij Beth Shalom of zij hem voor de microfoon vragen wil stellen. Ook ik heb gemerkt: als je hem vragen stelt, is hij bijzonder gretig, alsof hij een startvonk nodig heeft om los te branden. Maar het lukt haar niet. We nemen het cassetterecordertje mee naar het Amstelpark,  je weet maar nooit. Maar eerst moet ik even in zijn postbus kijken. Hij blijft elke dag weer even belust op zijn post. Als de post nog niet geweest is kijken we op de terugweg weer. Het is voorjaar. Er bloeien al bloemen en struiken in het park. De kippen zoeken naar wormen en zaadjes. Het is midden op de dag, ik kon alleen in lunchtijd, straks gaan we in een cafetaria een kop soep met een broodje eten. De zon staat pal in het zuiden, we gaan met ons gezicht naar de zon zitten, links van ons schittert de Amstel. Met het cassetterecordertje onder onze neuzen vraag ik hem over de Februaristaking van 1941. Hij gaat meteen geïnteresseerd rechtop zitten. ‘Je ging eerst naar de Slingerbeekstraat omdat je een schuiladres zocht en daar kon je niet terecht en toen trof je op een ander adres stom toevallig je schoonvader Henk Sneevliet die je zijn oproep voor de staking liet zien?’ ‘Ja, het was trouwens eigenlijk de Schipbeekstraat,’ zegt Sal, ‘ik heb de naam veranderd, en toen kwam ’s nachts de Sicherheitsdienst in de Schipbeekstraat, dus ik had inderdaad geluk gehad.’ We praten over de invloed van de RSAP (Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij) van Henk Sneevliet op de Februaristaking. Sal zat toen trouwens zelf vanwege ideologische meningsverschillen bij een andere club. Hij slaapt in de zon even in. Op zijn kamer vertelt hij trots dat binnenkort in één band de herdruk van 3 van zijn boeken verschijnt. Hij zal ook signeren maar kan me de preciese datum niet noemen. Zondagmiddags om kwart voor zes zie ik in een kranteadvertentie dat hij die middag tussen 3 en 5 heeft gesigneerd. De volgende keer dat ik hem zie heeft hij het boek voor me klaar liggen. Ik vraag of ik het aan een vriendin mag geven die jarig is en wier man zeer ernstig ziek is. Ik zal dan voor mezelf een nieuw exemplaar kopen en meebrengen voor zijn handtekening.

Het is zondag en redelijk weer. ‘Het komt trouwens goed uit,’ heeft hij door de telefoon gezegd, ‘want ik moet maandag worden opgenomen in het ziekenhuis, voor  een nieuwe heupoperatie.’ Het is net na lunchtijd, we moeten voor drie uur terug zijn, want dan komt  zijn dochter Ellen om in te pakken. Hij vertelt tegen iedereen die hij tegenkomt dat hij moet worden opgenomen. Onderweg zakt  een van de voetsteunen van zijn rolstoel omlaag en raakt de grond. Ik til zijn grote voet eraf, draai de steun vast en zat zijn voet er weer op. Het is mooi weer en het is druk in het park. Er zijn wel veel vliegen met lange zwarte vleugels, je ziet ze maar een paar dagen per jaar. We maken een zeer grote ronde, uiteindelijk moeten we ons nog haasten om om kwart voor drie terug te zijn. Haastig hollen we over de rails van het treintje dat we overal kruisen. Sal klaagt niet.

            Bij de receptie horen we dat zijn dochter hem al gezocht heeft. ‘Dag meneer Santen,’ zegt een oude man voor de lift. ‘O,’ zegt Sal en richt zich een beetje op in de rolstoel en maakt een gebaar in de richting van de man, ‘ik moet maandag naar het ziekenhuis, geopereerd, duurt zeker 6 weken alles bij elkaar.’ ‘Maandag, dat is morgen,’ zegt de man, en je ziet hem denken: zeg dan ‘morgen’ of heb je niet in de gaten dat dat  morgen is?

            Op zijn kamer staat Ellen zijn spullen te pakken voor de ziekenhuisopname morgen. Voor zeker 6 weken, alles bij elkaar.

            ‘Het gaat beter met de wereld,’ zal Sal op zijn sterfbed zeggen, ‘Soeharto is ook al van het toneel verdwenen.’

            Voor de handtekening in zijn laatste boek ben ik te laat.

________________

De drie boeken van Sal Santen die in het voorjaar van 1998 in één band verschenen waren: Jullie is Jodenvolk, Saartje gebakken botje en De kortste weg, herinneringen aan een jeugd.

De passage die waarschijnlijk voor Sal aanleiding was om te zeggen dat ik het als een interview had gepresenteerd terwijl dat niet zo was, was waarschijnlijk de volgende die buiten het eigenlijke artikel stond.

Toen zijn geliefde Bep was overleden en hijzelf verzorging nodig had, ging Sal Santen in het Henriëtte Roland Holsthuis wonen. Om de naam alleen al. Een van de bestuurders bleek een antisemiet. Nu woont Sal in het joodse tehuis ‘Beth Shalom’. Als atheist beschouwt hij dit als een nederlaag. Als u hem goedgezind bent, zoekt u hem dan eens op.(HetWerk5 pag. 2, 26 september 1997.)

Ik had hier inderdaad moeten schrijven: ‘Als atheist moet hij dit als een nederlaag beschouwen.’ Ik denk dat Sal sowieso de zin pijnlijk vond voor zijn medebewoners en het personeel van Beth Shalom. Hier volgt mijn artikel over Sal Santen:

Sal Santen

De schrijver die niet schreef

Omdat eerst de wereld

Veranderd moest worden

Sal Santen (geb. 1915) werd schrijver toen hij boven de vijftig was. Zijn eerste boek Jullie is Jodenvolk verscheen in 1969, op zijn vierenvijftigste. Zij tweede, Sneevliet, rebel in 1971. Kleine boekjes, uiterst ingehouden geschreven, groot drama. Hoewel er  in latere boeken vaak en eveneens zeer ingehouden en soms nog ‘mooier’ op wordt teruggekomen, staan de grote drama’s van leven en dood in het leven van Sal Santen in deze twee werken: de dood door tbc van zus Saartje, de deportatie in de oorlog van achtereenvolgens vader Barend, moeder Sientje en broer Maurits die niet meer terugkeren, de fusillering door de nazi’s van schoonvader en revolutionair voorbeeld Henk Sneevliet, over wie dan nog bijna terloops vermeld wordt dat hij eerst twee zonen verloren heeft door zelfmoord, de laatste, Pam, omdat hij niet naar de Spaanse burgeroorlog mocht.

Natuurlijk zou Pam terugkomen. Pam bleef weg, een dag, een week. Dan was hij toch naar Spanje gegaan. Groot gelijk. Als hij het werkelijk had gemeend met dat dreigement was hij nu al lang gevonden. Over enige weken zou er wel een brief uit Spanje komen.

Maar Pam kwam te voorschijn toen het ijs ging smelten op de sloten rond Amsterdam, na een koude februarimaand.

Grote drama’s, met minder woorden beschreven dan de dood van poes Mimi, waaraan de jonge Sal in zijn onnozelheid schuld heeft. Hoewel, zoals ik zei, de grote drama’s herhaaldelijk terugkomen in later werk. Zoals in De B van Bemazzel (1989) de machteloze frustratie van de volwassen zoon die de vader niet kan overtuigen dat hij, om zijn leven te redden, de stansmachine uit de schoenmakerij moet afstaan aan de schoenmakerij van de Joodse Raad. ‘Ben je wel goed bij je hoofd jij?’ of woorden van gelijke strekking, krijgt hij te horen. Het kort daarop volgende afscheid grijpt je naar de keel.

Steeds is er hoop, vaak waarschijnlijk tegen beter weten in. Zo verhuist het jonge gezin Santen nog in de oorlog naar een grotere woning, want er  moet immers voldoende plaats zijn voor hen die terugkeren. Zo moet er voor de revolutie steeds nog een schepje bovenop gedaan worden, een laatste ruk gegeven worden, want al staat hij dan nog niet op wereldschaal voor de deur, dan toch wel in Zuid-Amerika of in Algerije.

De wereld veranderen

Voor Sal Santen moet de wereld veranderd worden. Want de armoe in die wereld heeft de dood van Saartje, gestorven aan tbc, op zijn geweten. En het nazisme heeft de vader, de moeder, de broer en de revolutionaire schoonvader Sneevliet en bijna het hele joodse volk vermoord. En het kapitalisme heeft twee wereldoorlogen veroorzaakt en met zijn kolonialisme de rest van de wereld uitgebuit. Genoeg redenen om revolutionair te worden. En Sal volgt het spoor van Leon Trotski die volgens hem de vlag van de socialistische revolutie heeft hooggehouden.

Maar hij wil ook een gezin terug zoals de nazi’s er een van hem hebben afgenomen: met 3 kinderen.

Verscheurd

Tientallen jaren lang  moet  hij verscheurd geweest zijn tussen ‘grote’ en ‘kleine’ belangen, tussen ‘algemeen’ belang en ‘eigen’ belang, tussen ‘revolutie’ en ‘kleinburgerlijkheid’, zoals dat in kringen met een groot doel voor ogen heet.

Tussen wereldrevolutie en gezin. Twee keer heeft de wereldrevolutie of de reactie daarop hem zelfs voor meer dan een jaar totaal van zijn gezin gescheiden: de eerste keer van november 1952 tot december 1953 als hij door de Vierde Internationale naar Zuid-Amerika wordt gestuurd, de tweede keer als hij in juli 1960 vanwege steun aan het Algerijnse verzet tegen het Franse kolonialisme samen met zijn voorman Michel Raptis 13 maanden in een Amsterdamse gevangenis moet doorbrengen. Beide periodes heeft hij beschreven in Adiós Companeros!(1974), in een herziene uitgave herdrukt in de politieke trilogie Poste Restante Rood (1986). Over de tweede periode heeft hij bovendien het brievenboek Dapper zijn omdat het goed is (Brieven uit de cel, 1993) gepubliceerd. De hier en daar in het artikel dat u nu leest afgedrukte fragmenten uit brieven aan zijn vrouw Bep zijn uit de Zuid-Amerikaanse periode.

Er zijn ook paters aan boord, waaronder vreselijke types.

Een Italiaanse matroos zegt tegen een Spanjaard dat ze Franco zijn keel moeten afsnijden. De Spanjaard beaamt het, maar kijkt angstig om. (…) Een Franse arbeider die naar Dakar moet: In Frankrijk geen derde wereldoorlog meer, dan komt er revolutie. Nog erger, interrumpeert de dikke Syriër verschrikt.

(uit brief aan Bep, geschreven aan boord van schip naar Zuid-Amerika, gepost op 14/11/1952 in Dakar)

MAAR er moet een derde belangrijke reden tot verscheurdheid in het leven van Sal Santen zijn geweest: het schrijven. Literair proza schrijven. Niet het schrijven van artikelen over de wereldrevolutie of verslagen van partijbijeenkomsten of het stenograferen van verhalen van anderen (hij was met een onderbreking van 4 jaar [1952 – 1956] van 1950 tot 1970 redactiestenograaf bij Het Vrije Volk). Behalve dat hij de wereld wilde veranderen, moet hij ook altijd al het plan gehad hebben om de grote drama’s in zijn leven te beschrijven  en het  opgroeien van een ‘jodenjongetje’ dat niet wist dat het een jodenjongetje was tot het door hatelijke anderen daarop werd gewezen: ‘Hee, smousie, wat doe jij hier eigenlijk?’ (in Jullie is Jodenvolk (1969) Het moet toen 1922 en hij moet toen zeven geweest zijn en net met zijn familie naar Tuindorp-Oostzaan verhuisd, in het uiterste noorden van Amsterdam, ver van de Jodenhoek waar zijn grootouders wonen  en ver van de Jordaan waar hij is geboren. Zijn vader roept hem binnen en zegt dat hij er voortaan op moet slaan als ze hem nog eens uitschelden. En dat terwijl hij Salie altijd verboden heeft om te vechten!

Literatuur komt in het werk van Sal Santen niet voor. Alleen in een ‘reflecterend’ boek als Schimmenspel (filmdagboek 1982, n.a.v. een film over zijn leven Sal Santen rebel door Rudof van den Berg). Zijn moeder heeft eens gezegd: ‘Die jongen moet in een bibliotheek werken.  Hij houdt zo van boeken.’ Ironisch genoeg zal dat pas gebeuren als hij in 1960 vanwege zijn revolutionaire werk in de gevangenis komt.

Ik ben maar een matig schaker, maar als je ziet hoe hier gespeeld wordt, erbarmelijk gewoonweg. Tot nu toe heb ik nog geen kans gehad mijn krachten te meten. Eén spel op zoveel mensen, probeer dan maar eens aan de beurt te komen als je alleen bent.

(uit brief aan Bep, geschreven aan boord van schip naar Zuid-Amerika, gepost 14/11/1952 in Dakar)

(Omdat je de geschiedenis kent, heb je ironisch genoeg de neiging te zeggen: ‘Rustig maar, Sal, over 9 jaar, in de cel, krijg je alle kans.’ Zie o.a het verhaal ‘Brammetje’ uit Deze vijandige wereld (1972)

In zijn jeugd moet zijn broer Maurits hem samen met een vriend eens een boek gegeven hebben waarin ze geschreven hadden: ‘Van 2 acteurs voor een auteur.’ In Adiós Companeros! zegt hij dat hij één keer op het punt stond om tegen zijn politiek leider en vriend Michel Raptis te zeggen dat hij eigenlijk altijd had willen schrijven, maar hij slikt het  in, want hij vindt dat hij het dan maar waar had moeten maken.

En zo wordt en blijft de revolutionair Sal Santen de eerste vijftig jaar van zijn leven een gemankeerd schrijver. Want schrijven en literatuur zijn zo opvallend afwezig dat ze niet anders dan verdrongen kunnen zijn. Zoals bij een droogstaande alcoholist ook dat ene glaasje niet kan, uit angst voor een terugval.

De brieven, vooral die van begin vijftiger jaren vanuit Zuid-Amerika maar ook die van begin zestiger jaren uit de cel, zijn hét voorbeeld van brieven van een schrijver die zichzelf (nog) niet toestaat schrijver te zijn. In de brieven uit Zuid-Amerika schrijft hij zich nergens uit, nooit gaat hij in op wat hem werkelijk bezighoudt, geeft hij zelfs maar een beschrijving die meer dan een alinea beslaat. En als je dan weet, uit o.a. Adiós Companeros!, wat hem allemaal voor ellende overkomt, dan moet er sprake geweest zijn van opzettelijke beperking.

Minder gunstig waren mijn eerste ervaringen. Er waren weer lichtzinnige beloften gedaan, en niet alleen ik was daar het slachtoffer van, maar ook de man die mij geholpen heeft. Ik zat vreselijk in de put en durf het je nu te schrijven.

            (uit brief aan Bep, Santiago, 13 augustus 1953)

Natuurlijk had die beperking op de eerste plaats als reden dat hij het in Nederland achtergebleven gezin niet  ongerust wil maken of ontmoedigen. Bep en kinderen hebben het immers al moeilijk genoeg, zelfs het geld voor hun onderhoud arriveert aanvankelijk niet op tijd. Bovendien blijft het de bedoeling dat ze hem achterna komen.

Maar dan nog, dan had hij toch over wat ‘onschuldiger’ zaken wat meer uit kunnen weiden. Maar als hij dat zou doen, zou hij aan het ‘schrijven’ raken en dan zouden die andere zaken ook opduiken, want schrijven betekent ‘reflectie’, je afvragen waar je mee bezig bent, en daar mocht hij niet bij stilstaan, hij moest vooruitkijken, het grote doel voor ogen houden. En bovendien, als hij zou gaan schrijven dan toch niet over zulke dagelijkse problemen, dan toch op de eerste plaats over de grote drama’s van leven en dood in zijn bestaan! Daar moest hij mee beginnen, dat was hij aan de nagedachtenis verplicht.

En zo is het ook gegaan. Hij wist toen nog niet dat de breuk met de revolutionaire beweging het volgende grote drama in zijn leven zou worden, en zijn andere literaire thema. Al zou het nooit zo’n belangrijk thema worden als het opgroeien met twee wereldoorlogen en alles wat daarmee te maken had, dat wil zeggen, als de eerste dertig jaar van zijn leven. Ondanks de aandacht in de pers voor juist vooral het thema van de breuk met de revolutionaire beweging, voor Adiós Companeros! dus.

Hij zal genoten hebben van het vertrouwen dat hij genoot, dat hem deed gekozen worden tot in het hoogste orgaan van de beweging, hij zal de voldoening hebben gehad dat hij wat deed voor de bevrijding van de onderdrukte volkeren. Maar hij moet ook steeds om zich heen gekeken hebben of er niemand dat praktische werk kon overnemen. Hij moet ermee doorgegaan zijn omdat anderen het minder goed deden: dan maar zelf doen, dan gaat het uiteindelijk beter en sneller. Maar hij moet ook al die tijd geweten hebben dat hij ergens anders toch nog beter en unieker in was: schrijven. En dat dat uiteindelijk dus ook zijn taak was.

Ik raad je aan om de onverkorte vertaling van Don Quichot te lezen. Don Quichot is hier erg populair. Grappen, vergelijkingen en dergelijke worden vaak aan hem ontleend, in alle kringen.

            (uit brief aan Bep, Santiago 24 augustus 1953)

En als de REVOLUTIE dan nog eens bepaald en belemmerd wordt door fractiestrijd, door onbetrouwbaarheid, door kinnesinne, dan wordt de innerlijke verscheurdheid tussen revolutie, gezin en schrijven van de mens Sal Santen steeds groter.

Hij keert pas terug uit Zuid-Amerika als zijn vrouw ernstig ziek wordt. Ze heeft nog getelegrafeerd ‘Blijf daar!’ maar haar lichaam geeft een ander signaal. Na ruim een jaar komt hij terug uit Zuid-Amerika en van de plannen om met zijn gezin naar daar te vertrekken komt niets meer terecht.

Aan het eind van dit jaar vol verrassingen, complicaties en zorg, zit ik dus op de boot, op weg naar m’n Beppeke en m’n jongens. Wat zullen we blij zijn, Bep, als we weer bij elkaar zijn. Dan blijven we bij elkaar, eerst in Amsterdam, en dan, naar Amerika.

            (uit brief aan Bep, 13 oktober 1953)

Afgejakkerd

Maar er verandert in de jaren daarna niet veel. Het blijft hollen, nog even alles op alles zetten. Binnen tien jaar is het voorbij. Dan is er ofwel een derde wereldoorlog of een socialistische wereldrevolutie. Nog even volhouden, Sal, zegt zijn leider Michel Raptis.

En ze begrijpen niet dat als hij een reis maakt voor de beweging naar Rome, Parijs of Algiers, dat hij, ‘de kleinburger’, de volgende dag weer gewoon op zijn werk moet zijn, in de nachtdienst. Hij holt van hot naar haar, jakkert zich zo af dat hij zijn been breekt. Er zijn complicaties, hij ligt maanden in het ziekenhuis. Komt dat even slecht uit voor de Beweging! Kameraad Santen wordt zo snel mogelijk terugverwacht om zijn werkzaamheden te hervatten! En in het ziekenhuis kan hij toch ook heel wat doen…

Niet kiezen

Hij kan de revolutie en zijn grote voorbeeld, Michel Raptis, niet in de steek laten. Hij kan niet kiezen, met zijn verstand kan hij geen afstand nemen van de beweging. Wat geeft hem het recht om niet langer te vechten tegen sociaal onrecht?

Dan maakt zijn lichaam de keuze voor hem en weigert nog langer dienst. Hij krijgt, zonder aanwijsbare reden, twee keer een longontsteking. En bovendien gaat hij opnieuw in therapie bij een psychiater die hem in de oorlog ook al eens tijdens een moeilijke periode heeft bijgestaan.

Dan kan hij eindelijk schrijver worden, het vak waarvoor hij, na alles wat hij in zijn leven zowel om den brode als om te wereld te veranderen heeft gedaan, het meeste talent heeft. Maar makkelijk zal hij het zichzelf niet maken: al schrijvend zal hij de eerste vijftig jaar van zijn leven opnieuw beleven en proberen te begrijpen. En wat valt er te begrijpen?

De grote thema’s

Vooral het boek Adiós Companeros! kreeg veel aandacht in de pers: de revolutionair, de hoge pief in de Vierde Internationale, die door zijn beweging een jaar naar Zuid-Amerika was gestuurd om daar de revolutie voor te bereiden, die in de gevangenis had gezeten vanwege steun aan het Algerijnse verzet, de man die tientallen jaren als communist (trotskist) actief geweest was, en nu met de beweging had gebroken en die allerlei intriges en kinnesinne van binnenuit beschreef, dát was interessant! En dat in een tijd dat sinds provo in Nederland en de culturele revolutie in China en mei ’68 in Frankrijk en de Maagdenhuisbezetting in Nederland juist allerlei radikaallinkse stromingen vooral onder jongeren zeer populair waren.

In een interview in Vrij Nederland van 1982 zegt Igor Cornelissen tegen Sal Santen dat hij zonder de Vierde Internationale als schrijver minder te melden had gehad. Maar hoe belangrijk ook in het leven van Sal Santen, achteraf, nu, weten we dat (de breuk met) de revolutionaire beweging maar een betrekkelijk klein deel van het literaire werk van Sal Santen inneemt. Eigenlijk maar één boek, 220 bladzijden, Adiós Companeros! dus. Het filmdagboek Schimmenspel gaat daar natuurlijk ook wel over, maar dat is geen gewoon boek, dat is een reflectie op de reflectie van de filmer Rudolf van den Berg  op zijn leven en vooral op zijn verhouding met Michel Raptis. In hetzelfde Schimmenspel staan een paar nooit eerder of later gepubliceerde fragmenten in romanvorm die de verhouding tussen hem en Michel Raptis beschrijven. Hoewel je begrijpt wat Sal Santen bedoelt, zijn het niet de beste stukken die hij geschreven heeft. En ook Adiós Companeros! is niet zijn beste boek, hoe belangrijk voor Sal persoonlijk en sociaal-historisch ook. Daarvoor moet er te veel verteld, uitgelegd en betoogd worden, wordt er misschien te veel begrip gevraagd en te veel geprobeerd te begrijpen wat er gebeurd is. Toen Multatuli, in Max Havelaar, wist dat hij veel zou moeten betogen (‘De Javaan wordt onderdrukt!’), kwam hij op het idee om dat af te wisselen met de verhalen van Droogstoppel en van Saïdja en schiep een van de meesterwerken van de wereldliteratuur. Waarmee, met een knipoog, gezegd is dat veel betogen en veel begrip kweken zonder meer, een moeilijke zaak is in de literatuur.

Maar het meesterlijke van Sal Santen ligt dan ook in zijn andere grote thema.

Meesterlijk

Het meesterlijke van Sal Santen ligt in het beschrijven van de eerste dertig jaar van zijn leven. Twee wereldoorlogen en de tijd daartussen. De grote drama’s van leven en dood die zich in de wereld en in zijn naaste nabijheid afspelen. Dit alles zeer ingehouden beschreven, door alleen te laten zien. Er valt niets te betogen, niets te begrijpen. Al vraagt hij zich wel voortdurend af hoe het kon gebeuren en houdt hij er een slecht geweten aan over. Bijna al zijn boeken gaan hier over. Mijn favorieten zijn: Jullie is Jodenvolk (1969), Sneevliet, rebel (1971), Saartje gebakken botje (1983) en De B van Bemazzel (1989).

Er zijn, behalve de hierboven genoemde thema’s, twee andere onderwerpen: de gevangenis en zijn ervaringen als werknemer bij Het Vrije Volk (De Rode Burcht). De gevangenis levert de beste verhalen op.

Liefdesverhaal

Maar behalve dit alles is Sal Santen ook de schrijver van  een van de mooiste liefdesverhoudingen die ik ken: die tussen Jules en Jeltje in Brand in Mokum (1977). Of moet ik zeggen: die van Jeltje voor Jules, want die is het prachtigst uitgebeeld? Maar of de geliefde nu Liesje (in Stormvogels, 1976), Jeltje of gewoon Bep heet, het is altijd Bep, het is altijd de ontroerende liefde van Bep voor haar ‘jongen’.

Dit steekt het prachtige ‘liefdesverhaal’ (over Engeltje en haar ‘jongen’) van Hans Fallada, Wat nu, kleine man?, naar de kroon. En het is natuurlijk een superieur eerbetoon aan de vrouw zonder wie Sal Santen geen revolutionair en geen schrijver geweest zou zijn.

Brand in Mokum

Brand in Mokum is ook in andere opzichten een bijzonder boek. De hallucinaties en dromen zijn zo goed geschreven als in Dennis Potters De Zingende Detectieve. Sal Santen splitst zich in dit boek op in 3 andere personages: de hoofdpersoon Jules die uiterlijk niet op hem lijkt maar voor de rest wel, Salz die een karikatuur is van het uiterlijk van Sal, en Sander over wie Salz een oorlogsverhaal heeft geschreven.

Hier komen liefde, lichamelijke en psychische problemen, de oorlog, de jeugd, de gevangenis, Het Vrije Volk, en, niet te vergeten, humor samen. Brand in Mokum is een (zeer onderschat)  literair meesterwerk.

In 1990, op vijfenzeventigjarige leeftijd, bij het verschijnen van zijn bundel Een slecht geweten, noemde Sal Santen zichzelf  ‘uitgeschreven’, zijn leven was in kaart gebracht. Hij publiceerde daarna nog  de van notities voorziene brievenbundel Dapper zijn omdat het goed is (1993) en De nalatenschap van Henk Sneevliet (1995).

Ik ben de laatste die Sal Santen op twee-entachtigjarige leeftijd zijn rust misgunt. Maar ik weet dat het schrijven in zijn hoofd doorgaat, al zijn de lichamelijke mogelijkheden beperkt. In een groots boek als Brand in Mokum heeft hij aangetoond dat zijn literaire mogelijkheden niet beperkt zijn tot wat hij heeft meegemaakt.

————————–

Ik voegde er destijds nog een stukje aan toe over het Letterkundig Museum en noemde het het

Literair Museum

Het is bekend dat Sal Santen bij het Literair Museum de brieven van zijn zus Saartje niet kwijt kon. Waren het nou brieven van hemzelf, de schrijver geweest, dan wel. Is de bekende pijp van de schrijver, die in zijn werk geen rol speelt, belangrijker dan gegevens over en van een van de belangrijkste personages uit het werk van Santen? Saartje komt in elk boek voor.

Boeken van Sal Santen

  1. Jullie is Jodenvolk (1969);
  2. Sneevliet, rebel (1971);
  3. Deze vijandige wereld (1972)
  4. Adiós Companeros! (1974);
  5. Een geintje (1975);
  6. Stormvogels (1976);
  7. Brand in Mokum (1977);
  8. De kortste weg (1979);
  9. Brieffragmenten (bibliofiel, 1981);
  10. Schimmenspel, filmdagboek (1982);
  11. Saartje gebakken botje (1983);
  12. Poste Restante Rood (Sneevliet, rebel; De Rode Burcht; Adiós Companeros!, 1986);
  13. Heden kijkdag (1987);
  14. Kinderdief (1988);
  15. De B van Bemazzel (1989);
  16. Een slecht geweten (1990);
  17. Dapper zijn omdat het goed is (brieven, 1993);
  18. De nalatenschap van Henk Sneevliet (1995);
  19. Een veertje in de wind (gedichten, niet in de handel, 1995);
  20. Jullie is Jodenvolk, De Kortste Weg en Saartje gebakken botje in één band (1998).

Op 25 juli 1998, 10 jaar na zijn dood, is van Sal Santen geen enkel boek nieuw verkrijgbaar!

Anno 2021 zijn de meeste van zijn boeken (slechts) als E-boek verkrijgbaar, een enkel ook nog tweedehands.

Mooi en interessant is ook het boekje van dochter Ellen Santen: Aan twee minuten stilte heb ik niet genoeg (1983)

DE WILDEMAN TWEE (uit Aan de lange Weg)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

(Zie ook DE WILDEMAN EEN:
De Wildeman Een (uit Aan de Lange Weg van Meurs A.M.) – Meursam

De Wildeman Twee

“Laten wij het verhaal van de Wildeman dan maar afmaken en weer eens vooruitblikken in de tijd,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen.

(illustratie @UfukKobas)

            De Wildeman verdween op de dorpen een beetje uit beeld, hij scheen zich meer in de stad op te houden. Hij zou zelfs getrouwd zijn en gekalmeerd en zelfs al een paar kinderen hebben. Ook had hij een prijs gewonnen met zijn schilderijen. De beroemde schrijver – zelfs van de tv! – Louis Paul Boon, zou door weer en wind uit België zijn gekomen om een ten­toonstelling van hem te openen.

            “Dus hij kan echt wat,” zeiden zijn vroegere dorpsgenoten.

            Maar daar stond dan weer het gerucht tegenover dat hij met zijn kunst gestopt was en alleen nog maar ging vissen.

            Terwijl anderen weer zeiden dat hij al jaren bij Philips werkte en niets meer met zijn vroegere leventje te maken wilde hebben.

            “Hij is getrouwd, dat klopt,” zei iemand, “maar heeft zijn vroegere streken nog niet verleerd.”

            Want zijn vrouw, ook niet gek, was op een ochtend in een villabuurt achterom door de tuin gelopen, was door de tuindeuren naar binnen gegaan en had hem daar bij de vrouw des huizes uit bed gehaald.

            “Hoe rijker hoe geiler,” zeiden de mensen.

            Maar wat was er waar van het verhaal – en ook in dit verhaal is hij getrouwd, dus dát zal wel waar zijn – dat er een mooi jong meisje bij hem thuis had aangebeld met de vraag of ze de heer Mens kon spreken, ze had er nog een keer voor terug moeten komen, en toen ze tegenover hem zat, had gevraagd: “Meneer Mens, zou u mij willen ontmaagden, alstublieft?” Dat leek de mensen die hem van vroeger kenden een verhaal dat hijzelf de wereld in had gebracht.

            In werkelijkheid leest hij hele nachten, wist men te vertel­len, alles, Streuvels, W.F. Hermans, Boon, de brieven van Vincent van Gogh, Wilde, Céline, want hij is wel wild maar niet stom, zei men.

            Maar dat moest dan zijn omdat hij zijn leven gebeterd had nadat hij in Veenhuizen had gezeten en was afgekickt.

            “Zijn leven gebeterd? Welnee! Hij is pas nog door zijn beste vrienden in elkaar geslagen.” Hij had de vrouw van een van zijn vrienden gepakt na een gezamenlijk avondje met vrienden en hun vrouwen. Maar dat was niet de reden. Hij had haar mee naar zijn atelier genomen, daar had hij wat linnen en andere rotzooi op de vloer gelegd en hadden ze liggen pinnen, zoals hij het noemde. Alle honden van de buurt hadden de hele nacht geblaft. En dat was de reden dat de bedrogen man, die ook in die buurt woonde, zo woedend was geweest: hij had geen oog dicht kunnen doen.

            “O, daarom is hij natuurlijk een tijd in Antwerpen ondergedo­ken,” zei iemand. En dat niet alleen, hij scheen terwijl hij daar was zelfs helemaal geen alcohol gedronken te hebben. Wilde zeker niet riskeren dat hij nog eens in elkaar werd geslagen terwijl hij dronken was.

            Nounou, komkom, dan zou hij ook op moeten houden met zelf allerlei verhalen rond te strooien. Want daar zit hij op de vroege morgen bij De Poort van Kleef met een grote pils voor zijn neus aan een jonge vriend – is dat niet Jan Weels? – te vertellen: “En drie uur doorgaan zonder erin te komen, en omdat ik zoveel gedronken had kon ik dat volhouden, snap je? En dan eindelijk erin, geloof me dat ze het gevoeld heeft!… van dat degelijke gele spul weetjewel… van onderen beginnen, jonge, en met de snor erdoorheen, dat vinden ze fijn. Ze schrok er af en toe van wat ik deed, maar dan hè, helemaal weg hè! En dat was mooi, vanmorgen wist ze niet hoe ze me buiten moest krijgen – ik zal je de situatie daar wel eens laten zien. Heeft ze hier een kamer vooraan de weg en vlak daarnaast is een slage­rij, en daar hangt nu nog alleen maar een gordijn tussen, tussen haar kamer en de slagerij. En vanmorgen vroeg begon die slager al te hakken, dus moesten we heel stil zijn. Hij riep al een keer: ‘Ja vervelend!… heb ik je wakker gemaakt?… dat is maar een paar keer per jaar dat ik zo vroeg aan de gang moet!…’ Moet je je eigen voorstellen: lig ik daar te neuken en vlak daarnaast staat die slager in het vlees te hakken… Ik dacht: dadelijk komt-ie vast binnen en béng!… Ik moest dus op het binnenplaatsje gebukt langs het raam van de slagerij, heel stil en voorzichtig, loop ik vlug naar de poort… zit die godver­domme op slot, en een schutting zo hoog!, echt niet om over­heen te klimmen – ik zal het je wel eens laten zien, dan klop ik wel een keer tegen haar raam. Dus ik moet weer terug, en dat allemaal in de regen, want ik ben nog kletsnat… moet ik haar gaan halen, godverdomme jongen… komt zij buiten met alleen maar zo`n maillot en een bh aan, weetjewel… en in die regen gaat ze de poort openmaken… en net op dat moment komt de slager buiten, met een grote dampende bak van het een of an­der… Dus in die regen voor die schutting ik daar, zij met alleen maar een zwarte bh en maillot… en dan die slachter met die grote dampende bak, balkenbrij of zo, denk ik. Jongejonge, ik kan nou nooit eens gewoon neuken, altijd moet dat iets aparts zijn… toen daar op die houten vloer van mijn vorige atelier terwijl al de honden van de buurt de hele nacht lagen te blaffen, en nou dit weer!”

            Nee, als je midden in de kroeg zulke verhalen zit te vertel­len, dan wordt het niet rustig rond je. Maar toch raken steeds meer mensen ervan overtuigd dat al die verhalen nooit op het conto van één persoon kunnen worden geschreven. Dat de Wildeman op totaal verschillende plaatsen gelijktijdig is gezien, is daarvan het beste bewijs.


En zo maakte hij van zijn ouderlijk huis een plaats zoals hij dacht dat de echte Wildeman er een moest hebben.

            En dan wordt er inderdaad een dubbelganger gevonden. En niet zomaar eentje. Een dubbelganger die in dezelfde straat in het dorp aan de Lange Weg is geboren, dus alles weet van de achtergrond van de Wildeman. Die zich zijn uiterlijk heeft aangemeten en zich voor hem uitgeeft in de stad en in de dorpen er omheen en zelfs kroegschulden op zijn naam heeft achtergelaten. Het is een man die een jaar of vijf jonger is dan de echte Wildeman en die als jongen door zijn ouders, die een slagerij hadden en in de wereld samen met hun kinderen vooruit wilden, van de dorpsschool werd gehaald omdat hij niet mee kon komen, waarvan de ouders, zoals meer mensen uit de middenstand en ‘het groot’ van het dorp, de school de schuld gaven. Toen moest de jongen die niet kon leren, en waarvoor de stadsschool evenmin hielp, elke dag de kilo­meterslange weg naar de stad fietsen terwijl hij wist dat het niks uithaalde. Toen al moet hij gedacht hebben dat hij op een andere manier door het leven moest zien te geraken, want dat hij persoonlijk gewoon te weinig had meegekregen. Hij werd dan ook geen slager, laat staan dat hij hogerop kwam, wel bleef hij in het ouderlijk huis wonen dat allang geen slagers­winkel meer was sinds zijn ouders dood waren. Sommigen dachten aan een kringloop-winkel, want die kwamen toen in de mode. Maar hij verkocht niets, hij verzamelde in en rond het huis allerlei rommel waar hij niets mee deed, en gooide evenmin iets weg. En zo maakte hij van zijn ouderlijk huis een plaats zoals hij dacht dat de echte Wildeman er een moest hebben.

            Maar de ontdekking van deze dubbelganger deed dan weer het gerucht toenemen dat er misschien wel drie Wilde­mannen waren en dat de echte zich allang had teruggetrokken en al dertig jaar bij Philips werkte en binnenkort met pensioen ging.

            Toch wilde weer een ander verhaal dat de Wildeman een succesvol kunstenaar was, die door de bekende museumdirecteur Rudie Fuchs was ontdekt, en met hem naar Amsterdam was verhuisd en exposeerde in de belangrijkste musea ter wereld.

 …en ook die ‘godverdommese bloedmooie meid van een Petra’ nooit meer noemt…(pag. 237 Aan de Lange Weg)           

Niemand weet het.

            “Maar ik weet wel,” zegt iemand, “dat de echte Wildeman gestopt is met het vertellen van verhalen over vrouwen en ook die ‘godverdommese bloedmooie meid van een Petra’ nooit meer noemt, nadat hij haar onverwacht heeft aangetroffen bij zijn ouders thuis die toen nog leefden: een oude vrouw met spierwit haar die zei dat ze maar eens opstapte omdat ze nog moest poetsen. En die dus blijkbaar door de smetvrees was gegrepen, net als vroeger buurvrouw Van de Stal, bij wie ze nog ooit aan de deur was geweest voor een betrekking, en die de kolenkist vanbinnen schrobde.”

            En de vrouw van de Wildeman zou gezegd hebben: “Het is maar goed dat hij haar zo eens heeft gezien, hij altijd met zijn verhalen!”

            De Wildeman zelf had haar naam nog één keer genoemd toen hij haar broer aanhaalde: “Onze Petra zou nooit gek zijn geworden als ze met jou was getrouwd.”

            Daarna noemde de Wildeman haar naam nooit meer. En ook schepte hij nooit meer op over andere vrouwen. Dus als er toch nog zulke verhalen de ronde doen, dan komen die vast van zijn dubbelgangers.

            “Ziezo,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen.


(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M., verkrijgbaarheid, bestellen, illustraties)