DE WILDEMAN TWEE (uit Aan de lange Weg)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was, Zeelst zoals het was en Oerle zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

(Zie ook DE WILDEMAN EEN:
De Wildeman Een (uit Aan de Lange Weg van Meurs A.M.) – Meursam

De Wildeman Twee

“Laten wij het verhaal van de Wildeman dan maar afmaken en weer eens vooruitblikken in de tijd,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen.

(illustratie Ufuk Kobas)

            De Wildeman verdween op de dorpen een beetje uit beeld, hij scheen zich meer in de stad op te houden. Hij zou zelfs getrouwd zijn en gekalmeerd en zelfs al een paar kinderen hebben. Ook had hij een prijs gewonnen met zijn schilderijen. De beroemde schrijver – zelfs van de tv! – Louis Paul Boon, zou door weer en wind uit België zijn gekomen om een ten­toonstelling van hem te openen.

            “Dus hij kan echt wat,” zeiden zijn vroegere dorpsgenoten.

            Maar daar stond dan weer het gerucht tegenover dat hij met zijn kunst gestopt was en alleen nog maar ging vissen.

            Terwijl anderen weer zeiden dat hij al jaren bij Philips werkte en niets meer met zijn vroegere leventje te maken wilde hebben.

            “Hij is getrouwd, dat klopt,” zei iemand, “maar heeft zijn vroegere streken nog niet verleerd.”

            Want zijn vrouw, ook niet gek, was op een ochtend in een villabuurt achterom door de tuin gelopen, was door de tuindeuren naar binnen gegaan en had hem daar bij de vrouw des huizes uit bed gehaald.

            “Hoe rijker hoe geiler,” zeiden de mensen.

            Maar wat was er waar van het verhaal – en ook in dit verhaal is hij getrouwd, dus dát zal wel waar zijn – dat er een mooi jong meisje bij hem thuis had aangebeld met de vraag of ze de heer Mens kon spreken, ze had er nog een keer voor terug moeten komen, en toen ze tegenover hem zat, had gevraagd: “Meneer Mens, zou u mij willen ontmaagden, alstublieft?” Dat leek de mensen die hem van vroeger kenden een verhaal dat hijzelf de wereld in had gebracht.

            In werkelijkheid leest hij hele nachten, wist men te vertel­len, alles, Streuvels, W.F. Hermans, Boon, de brieven van Vincent van Gogh, Wilde, Céline, want hij is wel wild maar niet stom, zei men.

            Maar dat moest dan zijn omdat hij zijn leven gebeterd had nadat hij in Veenhuizen had gezeten en was afgekickt.

            “Zijn leven gebeterd? Welnee! Hij is pas nog door zijn beste vrienden in elkaar geslagen.” Hij had de vrouw van een van zijn vrienden gepakt na een gezamenlijk avondje met vrienden en hun vrouwen. Maar dat was niet de reden. Hij had haar mee naar zijn atelier genomen, daar had hij wat linnen en andere rotzooi op de vloer gelegd en hadden ze liggen pinnen, zoals hij het noemde. Alle honden van de buurt hadden de hele nacht geblaft. En dat was de reden dat de bedrogen man, die ook in die buurt woonde, zo woedend was geweest: hij had geen oog dicht kunnen doen.

            “O, daarom is hij natuurlijk een tijd in Antwerpen ondergedo­ken,” zei iemand. En dat niet alleen, hij scheen terwijl hij daar was zelfs helemaal geen alcohol gedronken te hebben. Wilde zeker niet riskeren dat hij nog eens in elkaar werd geslagen terwijl hij dronken was.

            Nounou, komkom, dan zou hij ook op moeten houden met zelf allerlei verhalen rond te strooien. Want daar zit hij op de vroege morgen bij De Poort van Kleef met een grote pils voor zijn neus aan een jonge vriend – is dat niet Jan Weels? – te vertellen: “En drie uur doorgaan zonder erin te komen, en omdat ik zoveel gedronken had kon ik dat volhouden, snap je? En dan eindelijk erin, geloof me dat ze het gevoeld heeft!… van dat degelijke gele spul weetjewel… van onderen beginnen, jonge, en met de snor erdoorheen, dat vinden ze fijn. Ze schrok er af en toe van wat ik deed, maar dan hè, helemaal weg hè! En dat was mooi, vanmorgen wist ze niet hoe ze me buiten moest krijgen – ik zal je de situatie daar wel eens laten zien. Heeft ze hier een kamer vooraan de weg en vlak daarnaast is een slage­rij, en daar hangt nu nog alleen maar een gordijn tussen, tussen haar kamer en de slagerij. En vanmorgen vroeg begon die slager al te hakken, dus moesten we heel stil zijn. Hij riep al een keer: ‘Ja vervelend!… heb ik je wakker gemaakt?… dat is maar een paar keer per jaar dat ik zo vroeg aan de gang moet!…’ Moet je je eigen voorstellen: lig ik daar te neuken en vlak daarnaast staat die slager in het vlees te hakken… Ik dacht: dadelijk komt-ie vast binnen en béng!… Ik moest dus op het binnenplaatsje gebukt langs het raam van de slagerij, heel stil en voorzichtig, loop ik vlug naar de poort… zit die godver­domme op slot, en een schutting zo hoog!, echt niet om over­heen te klimmen – ik zal het je wel eens laten zien, dan klop ik wel een keer tegen haar raam. Dus ik moet weer terug, en dat allemaal in de regen, want ik ben nog kletsnat… moet ik haar gaan halen, godverdomme jongen… komt zij buiten met alleen maar zo`n maillot en een bh aan, weetjewel… en in die regen gaat ze de poort openmaken… en net op dat moment komt de slager buiten, met een grote dampende bak van het een of an­der… Dus in die regen voor die schutting ik daar, zij met alleen maar een zwarte bh en maillot… en dan die slachter met die grote dampende bak, balkenbrij of zo, denk ik. Jongejonge, ik kan nou nooit eens gewoon neuken, altijd moet dat iets aparts zijn… toen daar op die houten vloer van mijn vorige atelier terwijl al de honden van de buurt de hele nacht lagen te blaffen, en nou dit weer!”

            Nee, als je midden in de kroeg zulke verhalen zit te vertel­len, dan wordt het niet rustig rond je. Maar toch raken steeds meer mensen ervan overtuigd dat al die verhalen nooit op het conto van één persoon kunnen worden geschreven. Dat de Wildeman op totaal verschillende plaatsen gelijktijdig is gezien, is daarvan het beste bewijs.


En zo maakte hij van zijn ouderlijk huis een plaats zoals hij dacht dat de echte Wildeman er een moest hebben.

            En dan wordt er inderdaad een dubbelganger gevonden. En niet zomaar eentje. Een dubbelganger die in dezelfde straat in het dorp aan de Lange Weg is geboren, dus alles weet van de achtergrond van de Wildeman. Die zich zijn uiterlijk heeft aangemeten en zich voor hem uitgeeft in de stad en in de dorpen er omheen en zelfs kroegschulden op zijn naam heeft achtergelaten. Het is een man die een jaar of vijf jonger is dan de echte Wildeman en die als jongen door zijn ouders, die een slagerij hadden en in de wereld samen met hun kinderen vooruit wilden, van de dorpsschool werd gehaald omdat hij niet mee kon komen, waarvan de ouders, zoals meer mensen uit de middenstand en ‘het groot’ van het dorp, de school de schuld gaven. Toen moest de jongen die niet kon leren, en waarvoor de stadsschool evenmin hielp, elke dag de kilo­meterslange weg naar de stad fietsen terwijl hij wist dat het niks uithaalde. Toen al moet hij gedacht hebben dat hij op een andere manier door het leven moest zien te geraken, want dat hij persoonlijk gewoon te weinig had meegekregen. Hij werd dan ook geen slager, laat staan dat hij hogerop kwam, wel bleef hij in het ouderlijk huis wonen dat allang geen slagers­winkel meer was sinds zijn ouders dood waren. Sommigen dachten aan een kringloop-winkel, want die kwamen toen in de mode. Maar hij verkocht niets, hij verzamelde in en rond het huis allerlei rommel waar hij niets mee deed, en gooide evenmin iets weg. En zo maakte hij van zijn ouderlijk huis een plaats zoals hij dacht dat de echte Wildeman er een moest hebben.

            Maar de ontdekking van deze dubbelganger deed dan weer het gerucht toenemen dat er misschien wel drie Wilde­mannen waren en dat de echte zich allang had teruggetrokken en al dertig jaar bij Philips werkte en binnenkort met pensioen ging.

            Toch wilde weer een ander verhaal dat de Wildeman een succesvol kunstenaar was, die door de bekende museumdirecteur Rudie Fuchs was ontdekt, en met hem naar Amsterdam was verhuisd en exposeerde in de belangrijkste musea ter wereld.

 …en ook die ‘godverdommese bloedmooie meid van een Petra’ nooit meer noemt…(pag. 237 Aan de Lange Weg, illustratie Ufuk Kobas)           

Niemand weet het.

            “Maar ik weet wel,” zegt iemand, “dat de echte Wildeman gestopt is met het vertellen van verhalen over vrouwen en ook die ‘godverdommese bloedmooie meid van een Petra’ nooit meer noemt, nadat hij haar onverwacht heeft aangetroffen bij zijn ouders thuis die toen nog leefden: een oude vrouw met spierwit haar die zei dat ze maar eens opstapte omdat ze nog moest poetsen. En die dus blijkbaar door de smetvrees was gegrepen, net als vroeger buurvrouw Van de Stal, bij wie ze nog ooit aan de deur was geweest voor een betrekking, en die de kolenkist vanbinnen schrobde.”

            En de vrouw van de Wildeman zou gezegd hebben: “Het is maar goed dat hij haar zo eens heeft gezien, hij altijd met zijn verhalen!”

            De Wildeman zelf had haar naam nog één keer genoemd toen hij haar broer aanhaalde: “Onze Petra zou nooit gek zijn geworden als ze met jou was getrouwd.”

            Daarna noemde de Wildeman haar naam nooit meer. En ook schepte hij nooit meer op over andere vrouwen. Dus als er toch nog zulke verhalen de ronde doen, dan komen die vast van zijn dubbelgangers.

            “Ziezo,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen.


(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M., geïllustreerd, hier graag bestellen via mijn Boekwinkeltje Wonderland, in nieuwstaat en zonder verzendkosten. U koopt rechtstreeks bij de schrijver die de kosten voor de uitgave zelf gefinancierd heeft. Zo u wilt, gesigneerd. Hartelijk dank!)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.