De Wildeman Een (uit Aan de Lange Weg van Meurs A.M.)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)
(Op Facebook met illustraties)
(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M., verkrijgbaarheid, bestellen, illustraties)

De Wildeman Een

Midden jaren vijftig van de 20e eeuw is de Wildeman nog geen wildeman maar een magere jongen die Dolf heet en die van tekenen en Van Gogh houdt, en misschien ook wel van de bloedmooie Petra Donkers, bij wie hij op deze zaterdagmiddag achteromloopt, over het tegelpaadje langs de zijmuur van haar huis waar de voordeur zit, met links van hem de voordeur van Van Zand. Hij doet de poort in de manshoge schutting open en fluit een deuntje van Bix Beiderbecke.

            Petra staat zich in zwart broekje en bh te wassen aan de gootsteen naast het raam. Ze kijkt even onderzoekend het binnenplaatsje op en doet dan haar bh af. Dolf komt de poort door en deinst achteruit. Dan maakt hij rechtsomkeer. Ze zullen elkaar dat weekeinde niet meer zien.

Net wanneer Petra vanuit de Kerkstraat te voet de Lange Weg wil oversteken, duikt Dolf met zijn fiets vanachter haar op en zet zijn fiets schuin voor haar. Ze schrikt en hij lacht en dan lachen ze allebei. Ze wisselen enkele zinnen, steken samen de weg over en zij springt achterop. De mensen bij de bushalte kijken hen na. Ze zit achteraan op de bagagedrager, ver van hem af, beide benen aan de linkerkant van de fiets. Ze zoekt waar ze haar handen kan laten, legt ze dan in haar schoot. Met haar hoofd iets gebogen zit ze te glimlachen. Op de stoep van de sigarenfabriek zitten mannen met hun rug tegen de muur te schaften. Bij het bord “Fietsers oversteken” pakt hij haar arm, drukt die in zijn zij en steekt snel de Lange Weg over. Op het fietspad voor twee richtingen laat hij haar arm weer los en meerdert vaart. Zij zoekt een plekje om zich vast te houden, ze pakt de zadelpen. Ze bloost en kijkt verlegen om zich heen.

             “Stop!” roept ze even later. “Je rijdt de bushalte voorbij.” En dan: “Ze zullen ons zien bij ons thuis!” en gaat ineengedo­ken zitten terwijl ze haar huis aan de overkant voorbijrijden en hij zich lachend naar haar omkeert en zij moppert: “Maar ik ga niet bij die eenzame halte bij de steenfabriek staan.” Dolf pakt haar arm.

            “Ik breng je naar de stad,” zegt hij. “Kom dichterbij, dan blaast de wind niet tussen ons door.” Zij schuift dichter tegen hem aan. Hij laat haar arm los, maar nu blijft ze deze rond zijn middel houden. Hij buigt zijn hoofd een beetje en trapt stevig tegen de wind in. Glimlachend zit ze dicht tegen hem aan.

In het smalle gangetje tussen de muren van de winkel en de bakkerij van Wenkenbeek komt Petra met haar hoge zwarte fiets tussen haar benen op ons toelopen. Ze draagt een crème­kleurige wijde rok met zwarte ceintuur en een witte blouse met korte mouwen. Het valt ons weer eens op hoe buitengewoon mooi ze is. Tussen haar handen op het hoge stuur van haar fiets houdt ze een gebakdoos geklemd. Maar ze huilt! Ze fietst weg. Vijftig meter verderop stopt ze, een been aan elke kant van de fiets. Ze komt terugfietsen. Ze is harder gaan huilen. Voor de winkel laat ze de fiets langs haar benen op de grond glijden. Ze gooit luid snikkend de doos tegen de etalageruit. De ruit blijft heel, een stuk gebak zakt langzaam langs het glas naar bene­den.

            Mevrouw Wenkenbeek, vijfenveertig jaar en met schort, kijkt door de glazen deur naar buiten, waar Petra met gebogen hoofd staat te snikken. Mevrouw Wenkenbeek komt naar buiten, slaat haar linkerarm om het middel en legt haar rechter­hand op de buik van het meisje. In het smalle gangetje achter hen steekt bakker Wenkenbeek zijn bovenlijf door de deurope­ning van de bakkerij en kijkt naar de beide vrouwen. Mevrouw Wenkenbeek merkt hem op en jaagt hem achter Petra’s rug met een woedend slaand gebaar van haar linkerarm weg. Petra duwt mevrouws hand van haar buik. Mevrouw Wenkenbeek raapt de fiets op en legt de handen van Petra op het stuur, ze gebaart haar te wachten. Mevrouw Wenkenbeek komt met een nieuwe doos gebak buiten en legt die tussen Petra’s handen op het stuur.

            “Van mij,” zegt ze, “dat is wat anders.”

            Petra fietst zonder op of om te kijken weg, ze huilt niet meer. Als ze weet dat ze uit het zicht is, staat ze stil met de fiets tussen haar benen. Zonder aandacht te schenken aan de voor­bijgangers eet ze zeer gulzig achter elkaar drie gebakjes op. Ze fietst verder. Bij de kerk heeft ze geen erg in de kerkklok en gaat rechtsaf het pad tussen de hoge hagen in. Voorbij de meisjesschool fietst ze linksaf richting de Lange Weg. Ze stopt bij de winkel voor manufacturen op de hoek.

            Ze neemt de doos gebak op de binnenkant van haar linker onderarm, duwt met haar rechterhand de rechthoekige stan­daard van haar fiets naar beneden, duwt dan met haar voet verder tot het achterwiel van de grond komt en de fiets staat.

            Ze komt even later buiten met een wit kledingstuk, gevou­wen in doorzichtig plastic: een verpleegsters-uniform. Ze doet het onder de snelbinder en haalt binnen de doos gebak op. In gedachten fietst ze dezelfde weg terug die ze gekomen is. Ze schrikt als ze merkt dat ze weer in de richting van de bakkerij fietst. Bij de meisjesschool gaat ze nu rechtsaf weer het pad in, ziet dat het op de kerktoren tien voor half twee is, schrikt geweldig en begint hard te fietsen. Op het eind van het pad slaat ze voor de kerk rechtsaf en zet nu echt de vaart erin. Ze kijkt ver voor zich uit naar de T-kruising met de Lange Weg, vaag ziet ze de zijkant van een autobus.

            De bus zit vol jongens in mariniersuniform. Alleen Dolf loopt nog buiten zenuwachtig heen en weer met een tekenmap onder zijn arm. Zijn vader is net geweest om hem op het laatste moment een hand te geven. Er staan nog een paar meisjes om de jongens uit te zwaaien. De chauffeur toetert en begint meteen langzaam op te trekken. Dolf springt naar binnen. Terwijl hij de Kerkstraat in kijkt ziet hij Petra gebogen over de gebakdoos aan komen fietsen. De bus is al vijftig meter ver weg als ze de weg oversteekt en achter de bus aan rijdt. Dolf is naar achter in de bus gehold en kijkt naar haar door de achter­ruit. De bus meerdert vaart, de afstand wordt groter en Petra stopt abrupt, de doos gebak valt op de grond. Ze staat met de fiets tussen haar benen midden op de weg en blijft de bus nakijken tot hij om de bocht bij hotelcafé Den Os verdwijnt. Dolf gaat dan zitten.

Sommigen zeiden dat het door die zon kwam in Nieuw Guinea, anderen door wat hij daar gezien had. Weer anderen zeiden: “Welnee, ’t is omdat hij twee jaar niets van zijn meisje had gehoord – ‘maar hij had helemaal geen meisje!’ onderbreekt nog iemand – “en toen hij terugkwam bleek ze al twee jaar uit het dorp verdwenen en zou ze zelfs een kind gehad hebben dat ze had afgestaan en zou ze ergens bij de grote rivieren in de verpleging werken.”

            In ieder geval was de magere jongen een woeste man geworden die zijn haar en zijn baard liet groeien en woest op zijn motor door het dorp reed en ergens in een hutje was gaan wonen waar je door de modder alleen te voet of met de motor kon komen. En het scheen dat hij daar in die verlaten hoek zelfs niet over de paden reed maar soms dwars door de weiden en akkerlanden en zelfs door het prikkeldraad scheurde. De rustige magere jongen was een wildeman geworden die wilde tekeningen van Nieuw Guinea liet zien en bijna even wilde tekeningen van vrouwen- en paardenkonten, zoals hij ze noemde, en die die tekeningen ook exposeerde en de affiches met “Dolf Mens exposeert vrouwen- en paardenkonten” nog net niet zoals Luther op de kerkdeuren spijkerde, maar wel op de bomen rond de kerk. En die dronk en vloekte en kaartte en voor wie geen vrouw veilig was. Zei men.

            Ja, de verhalen deden al gauw de ronde. Dat hij de meisjes op de benzinetank van zijn motor door de opspattende modder tot vlak voor zijn hutje reed. Dat hij, als ze klaagden dat ze helemaal onder zaten, de modder van hun gezicht en benen likte.

            Maar Truus Brechten die ze allemaal kenden kwam op eigen gelegenheid. Die zou trouwens nooit samen met hem op die motor gekund hebben, laat staan op de benzinetank. Nee, Truus kwam in vol ornaat, imposant en breed als ze was aanfietsen. Tot ze niet verder kon en ook geen zin had om de fiets honderden meters over de modder te tillen. Ze zette hem dan maar tegen een weipaal, en daar bleef hij dan meestal staan tot de volgende dag.

            En over Truus kon je Dolf zelf in de café`s horen vertellen. Hij was nog een jonge jongen en Truus een vrouw zooo, en hij spreidt allebei zijn armen. En je moest het van haar met praten winnen. Dan was ze op een gegeven moment flink opgewarmd en kon ze zich goed naakt uitkleden. En dan had ze van die tieten zo… zoo (bij het eerste zo de handen gebogen op een afstand van twee decimeter, de toppen omhoog, bij  het tweede zo hetzelfde maar met de toppen naar elkaar toe). En hij kon dan niet, want hij was dan nog helemaal niet opgewarmd. En die kont van haar, dat was ook geen huid, dat was dik rubber. Truus is een meid, die hoeft hij maar op te bellen, dan gaat ze mee. En de mensen mochten dan zeggen: “Truus Brechten is een hoer”, maar tegen hem had ze gezegd: “Met jou wil ik trouwen, je hoeft niet te werken, ik verdien genoeg.”En dat kan hij nou wel doen om de stoere peer uit te hangen maar… Als hij een of andere lul was zou hij het doen.

            Hij vertelde in het café en het was dan doodstil, en men vertelde ook weer verhalen over hem. Zo zou hij in een boe­rendorp de torenklok op hol hebben gezet. En op zijn beurt kon hij ook de mensen laten vertellen, hij lokte ze uit. Zoals de man die uitbeeldde hoe iemand zand van de vloer had gepakt en in de ogen van een tegenstander gegooid. Keer op keer liet Dolf de man opnieuw vertellen. “Hoe pakte hij dat zand?” En opnieuw sloeg de man met zijn handen op de tegels. Dolf ging door tot het uiterste, kende geen medelijden. Tot de vingers van de man bloedden, bloedden!

            Het scheen dat hij ook de zus van zijn maat uit Nieuw Guinea niet met rust had kunnen laten. En dat hun oude moe­dertje al begon te janken als ze hem aan zag komen, want dan werd er weer gezopen.

            Hij was nog wel eens bij Petra thuis geweest en hij had niet naar haar gevraagd en men was zelf ook niet over haar begon­nen. Maar de zus van Petra liet hem even uit en drong zich tegen hem aan en nam hem mee naar het varkenshok en van haar kreeg hij waar hij bij zijn geliefde niet aan toe was geko­men. Hij werd er alleen maar woester van en scheurde nog harder op zijn motor door het dorp. Hij vocht en trok de bar­leuning met een ruk van de bar.

            Maar er waren ook mensen die hem konden kalmeren. Soms hoorde je dagen niks van hem en men zei dat hij dan met een oude veekoopman België in fietste en dat ze dan ook wel dronken en kaartten maar alles heel rustig, bovendien bleven ze overdag vaak in de velden en bossen.

            Toch stond daar weer tegenover dat hij een keer wakker werd in een woonwagenkamp en, zoals hijzelf zei, met alle respect werd behandeld omdat hij een wedstrijd wie het snelst drie flessen jenever achterover kon slaan, had gewonnen. Zijn tegenstander was nog niet bij kennis, zeiden de bewoners.

            “Die voelt dan ook zijn hoofd nog niet, zoals ik,” had Dolf gezegd.

            “Nee, hij is nog lang niet gekalmeerd,” zei iemand eens. “Ben ik zaterdag in Valkenswaard, springt er op een gegeven moment een meid op het biljart en begint zich spiernaakt uit te kleden. En met wie gaat ze daarna mee, denken jullie?”

            “Wanneer was dat?” zegt een ander. “Zaterdagavond? Dat kan niet, want toen kwam hij met mij met de bus uit Deurne, hij kent mij niet, maar ik heb gezien hoe hij iemand, een burgerlijk mannetje, zijn stropdas heeft afgeknipt.”

            En zo begon men te twijfelen, niet alleen aan de sterke verhalen die de Wildeman zelf vertelde, maar ook aan de verhalen die anderen over hem vertelden, want hij kon onmo­gelijk op twee plaatsen tegelijk zijn geweest.

            “Dat is waar,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen, “maar daar hebben wij wel een verklaring voor. Maar dat komt later, anders gaan we te ver vooruit in de tijd.”


(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M., verkrijgbaarheid, bestellen, illustraties)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *