DE PATERSFABRIEK meursamstory

in HetWerk70 3e gecorrigeerde oplage

(Dit verhaal sluit minofmeer aan bij het in ik-vorm vertelde verhaal Alles beter dan zo’n pak slaag HetWerk 63 van 20 november 2013. Beiden zijn bedoeld als hoofdstukken van een roman)

Bestellen
Abonnement: zie onder verhaal.

meursam story


DE PATERSFABRIEK

De lagereschooltijd van Driek was plotseling afgelopen. In het weekeind al, vlak na de laatste schooldag, werd hij in de kost gedaan bij een boer in een dorp op een twintig kilometer afstand. Dat had hij totaal niet verwacht. Hij was in alle klassen, net als trouwens de meesten van zijn broertjes en zusjes, de beste geweest. Pas in de 6e en laatste klas had hij wat concurrentie gehad van de kinderen van ‘het groot’ van het dorp, de gefortuneerde klasse. Hij was bij de deelnemers aan de Franse les geweest, had voor het eerst van zijn leven huiswerk meegekregen en vond het heerlijk. Hij was er altijd vast van overtuigd dat zijn ‘echte’ vader, die hij nog steeds situeerde in het kasteel,  grootse dingen met hem voor had. En nu zat hij bij de boer. Nu bond hij korenschoven en plaatste ze als een wigwam tegen elkaar. Nu moest hij oefenen met een voor zijn leeftijd en lengte te grote zeis, liep hij gebukt tussen de graanstoppels om achtergebleven aren op te rapen. Het was heet, gloeiend heet. Hij was vol verwachting geweest waar hij naartoe zou gaan, misschien naar de stad, een middelbare school en in de kost bij burgermensen. Misschien in een internaat, alles was goed als hij maar thuis weg was, weg van zijn broer.
            Ook bij de andere boerderijen daar in de buurt waren nieuwe jongens gekomen. Het was de vaste bestemming voor jongens uit grote boerengezinnen. Trouwens ook met de meisjes ging het zo, die gingen ‘in betrekking’, kwamen in het huishouden te werken van meestal ook boerengezinnen. De huishoudschool en de ambachtsschool waren nog ver weg, letterlijk en figuurlijk. Laat staan de middelbare opleidingen als HBS. Als de jongens vrij waren, wat zeldzaam was, hadden ze onderling contact en haalden kattenkwaad uit. Ze stalen fruit, knolletjes, wortels, noten bij andere boeren. Dat ze daar waren vonden de meesten best, ze waren over het algemeen blij dat ze thuis weg waren, ondanks hun beperkte vrije tijd ervoeren ze hier meer vrijheid. Ze schikten zich in hun lot. Er was nog één jongen die zich in een vergelijkbare situatie als Driek bevond. In die zin dat hij volkomen onverwacht in een boerengezin was terechtgekomen. Die jongen kwam uit een rijke familie en zijn ouders hadden hem bij een boer geplaatst omdat ze meenden dat dat goed was voor zijn opvoeding. Ze gingen ervanuit dat hij in zijn leven vaak de weg zou moeten wijzen aan al dan niet zelfstandige boeren. Maar of de jongen het daarmee eens was hadden ze niet gevraagd. Die jongen werd meestal de aanvoerder van het kattenkwaad dat ze uithaalden.
            Bij een boer waar geen jongens in de kost waren – zelfs daar is hij te gierig voor, zei men – bonden ze de koeien met de staarten aan elkaar. Ze holden een biet uit, maakten er gaten in voor ogen, neus en mond en plaatsten er een brandende kaars in, een bekend kunstje om mensen bang te maken. Ze maakten lawaai, de boer kwam buiten, het was niet de eerste keer, hij kwam dan ook meteen buiten met zijn bats in zijn hand en zwaaide er dreigend mee. De jongens hadden minachting voor de boer, ze liepen niet eens weg, ze dachten de oude man makkelijk voor te kunnen blijven. De boer was getergd, hij zwaaide zijn bats, hij mikte met de platte kant op het hoofd van een van de jongens, hij raakte deze maar half maar de jongen viel neer en bleek achteraf zwaargewond. De boer zwaaide opnieuw zijn bats, hij was uitzinnig, moordzuchtig, hij moest worden gestopt. De jongen van rijke komaf die op gymnastiek zat, dook onder de bats door, ging in de zwaai mee en pakte de bats over van de boer en sloeg hem met de platte kant tegen zijn hoofd. De boer viel met zijn hoofd op een laag muurtje rond de mesthoop en was op slag dood.
            In de hoogste klassen van de lagere school werd er voor elk vak een prijs gegeven, een boek. Al die prijzen gingen naar de kinderen van de rijken uit het dorp. De rijken kregen op die manier hun compensatie voor het geld dat ze aan de school gaven. Bijdragen die ze leverden voor een verbouwing, een kapot dak en dergelijke. Zoals dat ook gebeurde met de kerk, voor hun plaats vooraan in de kerk, voor privileges zoals vooraan te mogen lopen in een processie, direct achter de pastoor, de misdienaars en de bruidjes. Iedereen vond dat vanzelfsprekend en gewoon, men was eraan gewend, legde er zich bij neer. Behalve Driek en de jongen uit rijke familie die de boer had neergeslagen, ze zagen dat allemaal wel gebeuren maar ze waren het er niet mee eens.
            Alle jongens werden verhoord. Driek nam de schuld op zich. Hij hield het namelijk bij zijn boer, bij het leventje dat hij nu had, niet langer uit. Dan maar tuchtschool. Maar eigenlijk was hij ervan overtuigd dat hij aan de tuchtschool zou ontsnappen door toedoen van de kasteelheer. De andere jongens verklaarden dat het achter hun rug gebeurd was want dat zij weg waren gehold. De ernstige verwonding van de jongen die door de boer met zijn bats was neergeslagen woog zwaar. Het was duidelijk waartoe de boer in staat was geweest en hij had daarvóór al een reputatie. Hoewel de rijke jongen in dit geval ook op de invloed van zijn rijke familie rekende, wist Driek hem te overtuigen dat ook hij, Driek,  geen echt gevaar liep, want dat hij op de kasteelheer kon rekenen. De 2 jongens waren makkelijk opgewassen tegen de agenten die hen verhoorden. De familie van de rijke jongen vermoedde wel hoe het werkelijk gegaan was maar accepteerden het verhaal van de jongens. Wel hielden ze voeling met de kasteelheer. De twee jongens kregen allebei hun zin, ze werden beiden bij hun boer weggehaald, de rijke jongen ging naar een HBS in de stad en Driek, die volgens de rechter wel in de gaten moest worden gehouden, ging naar een internaat in het dorp van het kasteel.

Naar kostschool

Dat werd dus lopen. Zijn vader liep met een grote kartonnen koffer met daaromheen een touw. Driek droeg een kleinere kartonnen koffer waar gelukkig nog een riem om paste. Vader droeg ook nog een stoffen tasje, daar zaten boterhammen in, een kruikje thee en voor elk een appel. Driek vroeg zijn vader, toen ze uit de stoomtram waren gestapt en erachter kwamen dat er verder geen verbinding was, hoe ver het lopen was. ‘Och, zo’n 2 kilometer, zoon,’ zei deze. Maar Driek wist dat het 8 kilometer was want hij had het de dag ervoor in een atlas opgezocht. Zijn vader had die moeite niet genomen. Hij had gezegd: ‘Er gaat een tram, een stoomtram, en als die er niet is dan gaat er een paardentram, want die boeren zijn niet gek, die hebben paarden.’ Maar de stoomtram ging tot H, waar ze net uitgestapt waren, en vanaf hier moesten ze lopen. Dat zou ze zo’n 2 uur kosten en geen half uur zoals zijn vader zei, ze zouden te laat komen voor het toelatingsexamen dat om 11 uur plaatsvond, ze waren sukkels, vond Driek. Eenmaal het dorp uit was er aan de weg geen bebouwing meer. Hij had flink de pest in en hij schoot 2 keer, eerst op een zeldzame auto die passeerde zonder een teken te geven, deze vloog meteen in brand en verdween aan de zijkant in een sloot. Daarna schoot hij nog een keer, nu op een boerderij in een zijpad van waaruit geen enkel signaal kwam van maar enigszins begaan zijn met de eenzame wandelaars. In beide gevallen was het verdiend.
            Ze spraken nauwelijks onderweg. Zijn vader zei wel: ‘Je zult zien dat er allemaal paters en nonnen zijn. De paters geven les en hebben de leiding, de nonnen regelen het huishouden. De paters zullen je geloof wel testen en je vragen of je de negertjes in Afrika wilt gaan bekeren. Ik geloof dat het een orde is die zich speciaal op Afrika richt. Verheffen, zo noemen ze dat ook wel. Je vertelt ze gewoon zoals het is, dat je allerlei mooie verhalen over Afrika hebt gelezen. En verder hou je je op de vlakte. Je mag je vingers aflikken met zo’n opleiding. Ik heb zo’n kans nooit gehad. Denk eraan dat wij er ook een bijdrage aan moeten leveren. Na die 6 jaar kun je nog altijd zien wat je doet.’ Driek kon zich niet goed voorstellen wat hij moest verwachten, maar leren daar had hij wel zin in. Hij zag dat vooral als het lezen van een heleboel boeken. Ze zwegen terwijl hij hieraan dacht. Maar de irritatie over de onnodig lange voettocht wilde niet echt wegzakken.
            Toen na bijna 2 uur het rode dak van het college in zicht kwam schoot hij dat meteen in brand. De vader had niets in de gaten. Ze zouden daar rondlopen tussen de verbrande resten van het gebouw en tussen de verkoolde lijken. Maar de sukkels om hem heen zouden het niet merken.
            Ze waren inderdaad te laat voor het toelatingsexamen maar men geloofde blijkbaar het verhaal van zijn vader, al keken ze deze wel wat medelijdend aan. Maar zeiden dan: we nemen het wel een keer particulier af.
            Zijn vader en hij waren door de voordeur binnengelaten en een paar dagen later al realiseerde hij zich dat dat de eerste en voorlopig ook de laatste keer was geweest dat hij door die deur ging, want de leerlingen mochten daar niet in of uit en zelfs mochten ze helemaal niet in dat deel van het gebouw komen waar de paters woonden.
            Ze hadden samen een maaltijd gekregen in een van de kamers naast de voordeur – gekookte aardappelen, rode bietjes en een gehaktbal –  en zijn vader was even met een pater mee geweest om wat zaken af te spreken en daarna had hij al afscheid moeten nemen, want zijn vader had nog een voettocht en een tramtocht voor de boeg en er ging maar twee keer per dag een tram. ‘Vaarwel, jongen, hou je goed,’ zei zijn vader en kuste hem, wat ongewoon was. Ze zouden elkaar 3 maanden lang niet zien.
            De pater liep met hem vanaf de paterskant de eetzaal binnen die refter werd genoemd en aan de gangkant waar de klassen waren er weer uit. De pater wees naar de trap naar de slaapzalen, zei dat de jongens deze niet mochten gebruiken, dat deze voor de paters was, tikte in het voorbijgaan tegen de deuren van de klaslokalen, wees de kamer van de Overste aan die net als de Prefect, de ordebewaarder, niet alleen een kamer in het patershuis maar ook een hier in de gang had, hij opende de deur van de kapel – ‘deze deur is altijd open, hier kun je tot God en tot rust komen’ – zwaaide naar de andere trap naar de slaapzalen die ze wel mochten gebruiken. Ze liepen midden door de studiezaal, staken de recreatiezaal over langs een biljart en pingpongtafels, en vlak voor wat de pater de aula noemde gingen ze de speelplaats op die cour heette. Hij wees Driek op de toiletten aan de overkant en zei dat daarachter een beek liep en dat de bomen van hun bos waren. Met een gebaar naar links noemde hij het volley- en het handbalveldje en weer daarachter, nauwelijks te zien door de bomen, het voetbalveld. En rechts van het voetbalveld, aan de andere kant van de beek, zei hij, was zelfs een zwembad dat de jongens zelf gegraven hadden. Kortom, op sportief gebied kwam Driek hier niets tekort. Als het regende konden ze onder de loods die naast de aula lag. ‘Kom, dan gaan we weer naarbinnen en laat ik je je chambrette zien, een chambrette is een kamertje zonder plafond met voor de ingang een gordijn.’ Er was een aan de houten, lichtgroen geschilderde wanden vastgemaakt bed, en een kast. Vanboven was het inderdaad open maar Driek zag meteen dat hij hier meer privacy zou hebben dan hij thuis ooit gehad had. ‘Op de slaapzaal mag je niet praten op straffe van naar huis gestuurd te worden. Kom,’ zei de pater weer en leek hem aan een touwtje met zich mee te trekken, ‘dan geef ik je in de refter het reglement waar dat allemaal in staat, en je bagage, dan kun je die naar je chambrette brengen. Je wordt om zeven uur in de studiezaal verwacht. Om negen uur ga je na het avondgebed naar bed.’
            Toen de pater naar de bomen achter de toiletten op de cour wees had Driek daar met één hand aan een tak een meer dan drie meter grote aap zien hangen die met zijn andere hand met zijn pik speelde. Driek keek naar de pater of die de aap ook zag maar dat was duidelijk niet het geval. Hij besloot niets over de aap tegen de pater te vertellen. Hij ging hier zijn eigen leven leiden. Net als de aap dat deed.
            De studiezaal zat, en ook al de keren erna, helemaal vol met leerlingen uit alle klassen. Ze waren hier elke dag op het einde van de middag en ’s avonds. En voor de vrije woensdag- en zaterdagmiddag begon zat je ook eerst een uur in de studiezaal. Ook zondags bracht je tussen ontbijt en middageten twee uur in de studiezaal door. De middagen dat ze geen school hadden werden gezamenlijk doorgebracht met verschillende sporten of een gezamenlijke wandeling.
            Hij had nooit geleerd wat studeren was, nou ja, een klein beetje toen hij in de laatste klas van de lagere school Franse les kreeg en huiswerk waarbij hij ook woordjes en grammatica moest leren.
            Nu had hij voor elk vak een boek en een schrift waarin je schreef wat de leraar zei en wat niet in het boek stond. Driek bedacht dat er veel energie, tijd en papier bespaard had kunnen worden als de leraar gewoon zou vertellen wat er in het boek stond. Het schrift had dan gereserveerd kunnen worden voor vragen van de leerlingen en verduidelijkingen van de kant van de leraar. Hij leerde hoe hij met zijn ellenbogen op de lessenaar en zijn vingers op zijn voorhoofd en zijn duimen in zijn oren kon studeren. Vanwege die ellenbogen had hij al meteen de tweede dag dat hij hier was naar huis geschreven voor studiemouwen. In de studiezaal stonden ze onder bewaking van een surveillant. Driek wist dat de surveillant naakt was onder zijn toga en dat deze dacht dat Driek dat niet in de gaten had.
            De verbazing dat hij zijn best moet doen om te leren ging niet zomaar weg. Het duurde weken, misschien wel twee maanden, voor het werkelijk tot hem doorgedrongen was en hij er zich ook bij neergelegd had dat hij om te leren zich moest inspannen. De lagere school was veel te gemakkelijk geweest, hij had zich overschat, had zich om de tuin laten leiden.

De dagorde:

6.25u: Opstaan junioren (1e t/m 3e klas), 10 minuten na de senioren (4e t/m 6e klas). Met grote passen en wapperende witte rok slaat de pater tegen de gordijnen van de chambretten om te kijken of er nog iemand in bed ligt, hij houdt halt, wie zou er nog in liggen? Ochtendgymnastiek op de cour, rondje in draf rond het voetbalveld, terug naar de slaapzaal, in hemdje en kort gymnastiekbroekje je gezicht, oksels en armen wassen aan de wasbakken in het waslokaal tussen grote en kleine slaapzaal, 12 wasbakken naast elkaar aan elke wand, in het midden een rij van 2 wasbakken tegenover elkaar, 2 deuren tegenover elkaar, naar elk van de 2 zalen een; aan de andere kant van de muur, aan de zijde van de grote slaapzaal, zijn de voetwasbakken, veel gebruikt na sport of wandeling. Er is alleen koud water. Wassen dus ’s morgens aan een klein wasbakje en verder aankleden.

6.45u: Morgengebed en meditatie van de senioren in de kapel.
6.55u: Morgengebed van de junioren. De junioren hoeven niet te mediteren en trekken nu voorlopig gelijk op met de senioren. Van beide groepen zijn er een paar jongens die nog gauw hun doodzonde biechten omdat ze anders niet ter communie mogen. (Driek heeft geen idee wat deze doodzonde is, hij merkt wel dat deze als een zwarte schaduw boven hun dagelijks leven hangt)
7.00u: H. Mis. Dat betekent Heilige Mis. Naar de mis dus, nuchter, want ze moesten ter communie kunnen.
7.40u: Studie. Dat wil zeggen dat de Mis bijna 40 minuten kan duren. Maar iedereen weet dat het ook in 20 minuten gebeurd kan zijn. Dat hangt van de celebrant af, de pater die de mis doet (20 minuten), of die de mis celebreert, dat wil zeggen viert (40 minuten). Dat is net zoiets als iemand die zegt dat hij ‘het leven viert’. Loop gillend weg of maak je schoorvoetend maar vastberaden uit de voeten. Niet alleen omdat degene die dit vreselijke cliché durft te poneren, je triomfantelijk zal aankijken alsof hij het heeft uitgevonden, maar vooral omdat zo iemand zelden feestelijk leeft maar er wel uren over kan ouwehoeren. Driek denkt na deze zin even na en sluit niet uit dat ook hij deze uitdrukking wel eens heeft gebezigd. Maar komt tot de conclusie dat dit niets afdoet aan zijn stelling.
            Dat is dus elke morgen om 7 uur weer spannend: welke pater komt er achter de misdienaar de sacristie uit? De jongens rekken zich, buigen zich om degene voor zich heen, kunnen niet wachten tot de pater voor iedereen duidelijk in beeld is. Dan hoor je zuchten van opluchting of van teleurstelling. Driek is nooit misdienaar geweest, hij moet het hier leren, misdienen. Hij had het altijd vreemd gevonden, jongens die vies deden, vloekten, scholden, pesten, werden opeens misdienaar, kregen een mispakket, speelden thuis altaartje. Anderen die te dom waren om voor de duvel te dansen, kenden opeens het confiteor vanbuiten, in het latijn dus, opeens op een zolder waar je aan het spelen was begonnen zij het confiteor te zingen. Driek had een groot wantrouwen tegen dat misgedoe ontwikkeld. En nu zit hij er middenin.
8.10u: Bed opmaken, ontbijt en vrije tijd (buiten door te brengen) (lokalen in orde brengen)
            Hij heeft het moeilijk.  Hij heeft meestal slecht geslapen. Tijdens het half uur studie kun je je lessen nog een beetje voorbereiden als je dat de vorige avond niet gedaan hebt. Als je tenminste niet met je duimen in je oren en je vingers op je voorhoofd in slaap valt. En je ellenbogen opeens van de rand van je lessenaar af schieten. Telefoon!

8.45u: 1e Les.
           
Slaapzaal, cour, rennen rond het voetbalveld, slaapzaal, kapel, studiezaal, refter, klaslokaal. Hij kwam op al die plekken vaak te laat. Hij was er met zijn hoofd niet bij.
           
Zijn moderator – elke jongen had een patermoderator – maakte na een week op het internaat een afspraak met hem. Ze zaten in een leeg klaslokaal, de moderator achterstevoren in de bank voor hem met zijn gezicht naar hem toe en zijn benen in het gangpad. ‘Zo, jongen,’ zei de pater, ‘vertel me eens, hoe ben je erachter gekomen dat je roeping hebt?’ Driek keek hem niet begrijpend aan. ‘Je roeping om priester te worden, om je leven aan God te wijden, zoiets komt niet van de ene dag op de andere.’ Driek werd vuurrood. In één klap was hem veel duidelijk van wat hij in de afgelopen week niet goed begreep. Bijvoorbeeld dat er alleen maar paters les gaven, hoewel hij zich herinnerde dat zijn vader dit onderweg verteld had. Maar ja, op de bewaarschool waren ook alleen maar nonnen geweest en op de meisjesschool ook nog heel lang. Opeens begreep hij het: dit was geen gewone katholieke kostschool, geen gewoon internaat, dit was een seminarie, een priesteropleiding, dit was een patersfabriek. En hij voelde zich bedonderd, op de eerste plaats door zijn vader van het kasteel. Hij vermande zich even en slaagde erin om min of meer normaal te zeggen: ‘Dat weet ik niet meer precies.’ Dan holde hij het klaslokaal uit.

Kort daarna richtte Driek ‘De Vereeniging voor de rechten van het Groote kind’ op (twee e’s en 2 o’s, zo schreef je dat toen). Hij had aan andere namen gedacht, bijvoorbeeld ‘De Vereeniging voor de rechten van den Puber’, maar hij vond dat te veel latijn. En daar had hij al moeite genoeg mee. Bovendien stond er in het Latijns woordenboek bij het woord ‘pu(b)er’ als mogelijke betekenissen: ‘in staat zaad te maken, in staat een kind te verwekken’. Die betekenissen associeerde hij niet met zichzelf of met zijn vrienden, – die hij nog niet had maar die hij al wel lid maakte van de vereniging,  hoewel hij voorlopig niemand op de hoogte stelde van de oprichting, ze zouden dat nog niet begrijpen. Hij associeerde deze betekenissen met zijn grote broer en dat was geen prettige gedachte. Zijn broer zou zich uit puur eigen belang tegen deze rechten keren maar dat kwam Driek goed uit, daarmee ging zijn broer regelrecht op weg naar de guillotine. Driek interesseerde zich erg voor de Franse Revolutie. Ook verschillende paters zouden deze smadelijke gang niet kunnen ontlopen, voorop de Prefect die op zijn kamer in de gang voor het minste of geringste de jongens gelastte hun broek omlaag te doen, ze over de knie legde en ze met de blote hand een pak slaag op hun blote kont gaf. Met zijn hoofd al tussen de planken van de guillotine zouden de billen van de Prefect publiekelijk ontbloot worden en zou hij voor de ogen van de menigte allereerst zelf zijn favoriete lijfstraf ondergaan. Daarna zou het mes vallen en zijn kop rollen.

Driek schrijft zijn:
RECHT OP ALGEMEEN EN OPENBAAR ONDERWIJS VOOR HET GROOTE KIND

1. Elk groot kind, het kind vanaf 12 jaar, heeft het recht onderwijs te volgen tot tenminste het bereiken van zijn 17e levensjaar. Het mag daarbij wel vrijwillig enige werkzaamheden verrichten maar deze mogen slechts een gering deel van zijn schoolweek uitmaken.
(Dus aan het bij een boer in de kost geven van 12-jarigen om daar zonder verdienste werkzaamheden te verrichten wordt met onmiddellijke ingang een einde gemaakt evenals aan het in betrekking doen van 12-jarige meisjes.)
2. Alle onderwijs, van welke aard of van welk niveau ook, is tot het bereiken van de leeftijd van 17 jaar uitsluitend algemeen en openbaar en staat onder controle van de staat.
(Dus onderwijsinstellingen die reeds vanaf het 12e levensjaar van de leerling gericht zijn op een beroep dat deze pas veel later, bijvoorbeeld op zijn 24e, en na het volgen van hoger onderwijs, zal uitoefenen, zoals dat van pater, zullen moeten worden opgeheven of moeten overgaan op algemeen en openbaar onderwijs.)
3. Het is dom, onverantwoord en immoreel en dus verboden het grote kind tot 17 jaar vast te pinnen op of te dwingen tot een beroepskeuze of levenswijze.
4. Dus en wellicht ten overvloede: VOOR EEN PATERSFABRIEK VOOR ONDER 17-JARIGEN IS OP DEZE WERELD GEEN PLAATS! VOOR ZOVER DEZE NOG BESTAAN DIENEN ZIJ MET ONMIDDELLIJKE INGANG TE WORDEN OPGEHEVEN!

Driek zuchtte.

Hij kreeg brieven van zijn moeder en schreef ook terug. Hij schreef dat alles goed ging. Voor het eerst van zijn leven haalde hij een onvoldoende, het was voor latijn. Op zijn herfstrapport had hij voor latijn een 5,5. Het was normaal. Alleen de zittenblijvers slaagden erin een voldoende te halen voor latijn. Zo maakten de paters duidelijk hoe belangrijk en moeilijk dat vak was, ze moesten elke dag een uur aan latijn besteden. Maar hij schaamde zich voor een onvoldoende, kon het niet uitstaan. Hij was blij dat hij als eerstejaars in de herfstvakantie niet naar huis mocht – dat was omdat de eerstejaars moesten leren zich te onthechten, om 3 maanden te wennen aan niet thuis te zijn – en dat hij nergens zijn schoolrapport hoefde te laten zien.

Als je over de beek het bos in ging had je aan de rechterkant al gauw het kerkhofje waar enkele paters begraven lagen. Maar hij kwam erachter dat er nog een graf was, een heuveltje ver weg in het bos, bijna aan de rand, met iets dat op een kruis leek, maar dan als dat van de goede moordenaar met boven de armen van het kruis geen opstaand gedeelte, een T dus. Het graf was van een weesjongen die in diverse gestichten, internaten, had gezeten. Tot ze op zijn 12e besloten hem naar de Patersfabriek te sturen. De jongen wist van niks. Toen hij erachter kwam waar hij terecht was gekomen maakte hij een einde aan zijn leven. Ze wisten niet waar ze hem moesten begraven, hij mocht als zelfmoordenaar niet op het kerkhofje in de gewijde aarde bij de paters liggen. Het zal mij niet overkomen, dacht Driek, ik laat me niet gek maken. Soms bracht hij in het geheim en zwijgend een bezoek aan zijn bondgenoot, zijn lotgenoot ook. Ook deze jongen was ergens geplaatst waarvan hij niet wist wat het was. 

Midden in de herfst. Een hele middag werken op het koude, natte land van een boer. Bietjes uitdoen. Wat krijgen ze ervoor? Twee zuurstokken of kaneelstokken. Ze hebben geen werkhandschoenen en ook hun kleding en schoenen zijn niet geschikt voor dit werk in deze tijd van het jaar.

Hij had een enorme scrupulositeit. Of hij een snoepje zou nemen of niet, hoe hij ze daarna met grote aantallen tegelijk in mijn mond propte, hevig begon te zuigen, ademnood kreeg, opgelucht de plakkerige troep in de palm van zijn hand liet vallen, achterover zakte en na bleef hijgen, een papiertje zocht, ze daarin liet vallen, één snoepje in zijn mond stopte en er hevig op begon te zuigen. Rollen groene menthol, het eten van stophoest. De pijnlijke tong, het schrale gehemelte als gevolg. Hij leende geld van andere jongens om te snoepen, hij zou het na de Kerstvakantie terugbetalen.
            Ze mochten soms roken op voorwaarde dat ze dat van thuis mochten. Natuurlijk mochten ze dat allemaal. Hij stak na het ochtendgymnastiekrondje om het voetbalveld een sigaret op en werd misselijk. Hij besloot tot zijn 13e niet meer te roken. Dat zou zijn na het eerste jaar in de Patersfabriek.

Tegen Kerst had hij een 6-plus voor latijn. Maar had er geen voldoening van. Hij was meegegaan in hun spel. Ze verwachtten nu vast dat hij voor het overige ook aan hun verwachtingen zou voldoen.

Een week voor Kerst. Op de fiets in de sneeuw, ijskoud, naar huis, in H moest hij al een keer afstappen, van G naar E heeft hij praktisch gelopen, een uur lang op een draf naast zijn fiets vanwege ijskoude voeten. Normaal is het een uur fietsen, nu kwam hij uitgeput en koud na 3 uur voor het eerst in 3 maanden thuis. Hij kon er niet tegen dat zijn broers en zusjes zo onaardig tegen elkaar deden en begon te janken.
 
Een van de dingen die in de vakantie van hem verwacht worden is buren- en familiebezoek om zijn schoolrapport, puntenkaart, zeggen de oudere mensen, te laten zien. Hij beantwoordt geduldig de vragen als: Was dat niet lang, zo 3 maanden zonder je familie? Dat viel wel mee, zegt hij. Bij het weggaan geven ze hem een paar stuivers. Of al eerder als de echtgenoot, meestal de oom of neef die het niet hoeft te weten, ze hebben het zelf ook hard nodig, even de kamer uit is. Hij schaamt zich en zou het liever niet aanpakken. Maar zijn moeder zegt dat de mensen ook wel weten dat zo’n school geld kost en een leerling die niet werkt moeilijk is voor een gezin. En dan geneert Driek zich ook daar voor. ‘Later krijg je het allemaal terug,’ zegt Driek. ‘Dat denk ik niet,’ zegt zijn moeder. Ze gelooft echt dat ik pater wordt, denkt Driek.
            Voor hij de kans krijgt zijn eveneens verplichte bezoek aan de pastoor af te leggen komt deze al bij hem thuis. Hij wil iets voorstellen, niet alleen aan hem maar ook meteen aan zijn ouders.
Driek zit aan het lage tafeltje in de woonkeuken waar normaal de kleine kinderen zitten, die zijn al naar bed. Hij leest een missieboekje dat aan de deur is gekocht. Het lijkt erop dat men een Afrikaanse sage volledig heeft gekatholiseerd. De heidenen keren zich af van de magische figuren, mensen en dieren, van de sprookjesachtige wezens tussen mens en dier in, en tussen hun voorouders en goden in. Ze bekeren zich tot het ‘ware geloof’. Het boekje kostte 1 gulden. Dat is veel geld, opbrengst voor de missie. Het is normaal dat de pastoor, als een van de weinigen, via de voordeur binnenkomt. Maar gewoonlijk blijft hij in de voorkamer maar daar is het nu te koud. Als hij verwacht werd zou de kachel daar zijn aangemaakt. Hij komt nu de woonkeuken binnen en zit aan tafel achter het tochtschot waar ook altijd het wijf van de huur zit. ‘Hoe gaat het?’ zegt de pastoor, ‘ik kom eens kijken, want ik heb je nog niet op de pastorie gezien in deze vakantie.’ ‘Ik ben 3 maanden niet thuis geweest,’ zegt Driek, ‘en moest veel familie goedendag zeggen.’ ‘Je bent nu 3 maanden daar geweest,’ zegt de pastoor, ‘en misschien heb je nog eens kunnen nadenken. Is het wel zeker dat je naar Afrika wilt, het is natuurlijk een prachtig doel, en ook nodig, maar hier ben je ook hard nodig, de roepingen lopen hier terug, de kerk kan iemand als jou ook goed hier gebruiken en je blijft in de buurt van je familie’
Drieks hoofd zakt op zijn borst, hij staart naar het tafelblad voor zich, de pastoor blijft maar doorpraten, er komt geen eind aan. Dat moet stoppen, denkt Driek, en hij roept: ‘Tis goed, ik blijf wel hier.’ Hij heeft zich geërgerd aan het boekje, aan het verhaal dat de paters helemaal naar hun hand hebben gezet. Ik wil helemaal niemand bekeren, denkt hij. ‘Tis goed, tis goed,’ zegt hij. ‘Weet je het zeker?’ zegt de pastoor. ‘Ik wil hier blijven,’ zegt Driek. ‘’t Is goed,’ zegt de pastoor. ‘Dan praten we morgen verder, kom maar naar de pastorie.’
Zijn moeder gaat met de pastoor de voorkamer in om deze door de voordeur uit te laten. Als de deur tussen woonkeuken en voorkamer net dicht is springt Driek op en gooit het boekje woedend tegen de deur waarachter de pastoor net verdwenen is. Zijn vader springt naar de deur en gaat haastig de voorkamer in. De pastoor wordt teruggeroepen. Hij was nog net niet op zijn fiets gestapt, hij haalt geërgerd zijn schouders op. Hij stapt op zijn fiets, komt niet meer terug de kamer binnen. Bij zijn bezoeken aan de pastoor elke anderhalve maand blijft het voorval tussen Driek en de pastoor in staan, hoewel ze normaal elkaar wel kunnen vinden in hun liefde voor boeken.

Toen hij terugkwam van vakantie vroegen sommige paters hem waarom hij niet op hen reageerde. Hij kon niet zeggen dat hij hen al een week geleden had geliquideerd. Hun tragiek was dat ze het zelf niet doorhadden. Hij wist niet of hij daar wel iets op wou verzinnen.

Het tweede trimester

Ik moet beginnen met u te vertellen dat ik in de Kerstvakantie ook bij onze buurvrouw tante Net ben geweest. Ze zit altijd in het donker, dat kost geen lampolie of kaarsen of elektriciteit als die er is. Ze kan op die manier niets doen, niet schoonmaken, niet strijken en evenmin sokken stoppen of breien. Ze heeft een ziekte, ze heeft hoge bloeddruk. Als ze wel eens in het licht komt zie je de paarsrode adertjes op de koontjes van haar wangen. Wanneer ik zo oud ben lijkt die ziekte me ideaal, dan heb je een rustig leven. Ik heb van haar De Navolging van Christus van Thomas a
Kempis
cadeau gekregen. Ik weet niet of ik er blij mee moet zijn: Ik lees allemaal circelredeneringen. Misschien kom ik hier nog wel een keer op terug. Naar u toe, bedoel ik, niet in de zin dat ik er anders over zal gaan denken, want dat verwacht ik niet, het is te duidelijk.
           
Ik moet u ook iets bekennen, meester, ik slaap vaak met een servet rond mijn oren met de bedoeling mijn uitstaande oren tegen mijn hoofd te dwingen. Na het middageten of in de ochtendpauze van 20 minuten ga ik dikwijls naar mijn chambrette en sta dan een poos voor de spiegel. Deze  heeft een lichtgroene houten rand en hangt aan de binnenkant van mijn kastdeur. De kast zit aan de wanden vast, de linker- en achterkant zijn onderdeel van de wanden van de chambrette. Je mag eigenlijk in die pauzes niet op de slaapzaal komen. Ik kam mijn haar met slaolie vermengd met zeep, het glimt dan mooi, je moet het wel wassen voor het begint te stinken. Ik kijk altijd goed naar het haar van de andere jongens, duw slagen in mijn eigen haar. Met een hand in mijn nek, een duim op een oor en de wijsvinger op het andere kijk ik hoe knap, hoe anders ik dan ben en vraag me af of ik nog wel het knapste jongetje van de klas ben. Als ik daar zo sta, mijn mond dicht houd, mijn onderlip niet laat hangen en niet bloos, mag ik er zijn. Het wordt een obsessie mezelf zo te gaan bekijken.


Soms heb ik staan dromen en ben of kom ik opeens in een volkomen lege zaal. Dan is er een bel gegaan of een teken geweest dat me is ontgaan. Ik begin te hollen en zie nog net de laatste de kapel of de refter ingaan. De rector maakt de deur van de refter dicht. Soms houdt hij de deur van de refter open tot ik binnen ben. Vaak ziet de rector me goed aankomen maar doet toch de deur dicht. Ik moet dan wachten tot na het bidden. Er zijn dan dikwijls nog enkele mededelingen. De laatkomers mogen tijdens deze naarbinnen gaan en aan de andere kant van de deur blijven staan. Maar soms wordt dat ze belet doordat de pater met een hand achter zijn rug de klink van de deur vasthoudt.  De jongens wringen er dan toch aan, proberen hem omlaag te drukken en horen aan de stem van de pater terwijl hij de mededelingen doet de krachtsinspanning waarmee hij de deur dichthoudt. Hij laat soms opeens los, doet snel een stap opzij  en zij vliegen naarbinnen. ‘De deur klemt,’ zeggen ze tegen de pater die rood is van inspanning.

Mijn leven hier is niet bepaald vrolijk, beste meester, maar u hoeft geen medelijden met me te hebben. Ik zal een voorbeeld geven. Vrienden heb ik hier eigenlijk niet, daarvoor ben ik nog te veel op mezelf gericht, maar ik beleef de dingen ook anders als zij en dat is mijn geluk. Als zij bijvoorbeeld over het houten bruggetje de beek naar het bos oversteken steek ik de Berezina over, over planken half onder water op palen, tussen verdrinkende paarden door terwijl ik drijvende lijken probeer te ontwijken. We komen dus totaal verschillend aan de overkant, wil ik maar zeggen. Dat vertel ik ze natuurlijk niet,  ze zouden me voor gek verklaren maar u wil ik het wel toevertrouwen, ook al noemen ze u, of misschien juist wel daarom, de Gekke Onderwijzer.

Het voorjaar is koud en vooral nat, op veel plaatsen hoog water. Waar we in het begin van het schooljaar nog op rietpollen die boven het water uitsteken durfden springen, durven we op de vrije middagen nu alleen aan de onderkant tegen stammetjes te springen en tegelijk zo’n stammetje vast te pakken zodat we niet omvallen. Maar hoe komen we zonder natte voeten daar weer vandaan? Dat lukt dan ook meestal niet, want we kunnen ons nauwelijks afzetten, laat staan een aanloop nemen.

Ik kom de trap van de slaapzaal aflopen en meen links van de trap in de kamer van de Prefect tussen trap en kapel gehuil te horen. Straks zal vanuit deze kamer door een omhooggeschoven raam het winkeltje open zijn waar we vanaf de cour schoolgerei en snoep kunnen kopen. Ik loop de gang met de klaslokalen in tot aan de refter en keer dan om en inderdaad komt er uit de hoek naast de kapel een jongen snikkend met rood betraande ogen de gang op en buigt gauw zijn hoofd. Die heeft vast op zijn blote kont gehad. En weer keer ik om in de richting van de refter en op de terugtocht zie ik in een klaslokaal de jongen op de schoot van de Wasbeer zitten. Straf van de Prefect, troost van de Wasbeer, die twee spelen elkaar de bal toe. Twee jongens uit de hogere klassen die hadden proberen te ontsnappen werden in de kelder temidden van allerlei leidingen en buizen tussen 3 broeders heenenweer geslagen. De paters, net als de Prefect dus, maakten hier hun handen niet aan vuil. Er werd niet over ge-sproken. De jongens werden niet naar huis gestuurd, want dat wilden ze juist en hun ouders waren hierop tegen. Ik denk aan het heuveltje in het bos.

Er loopt naast het gebouw een breed kilometers lang zwart pad, steenkolengruis, hoe komt het anders zo zwart, naar de inrichting waar broeders samen met leken patiënten met vallende ziekte verplegen. Als de patiënten 7 jaar geen aanval hebben gehad mogen ze naar huis. Meestal krijgen ze vlak voor die 7 jaar om zijn een aanval en begint het aftellen opnieuw. Is het de spanning of wordt er geknoeid met de medicijnen? We voetballen wel eens tegen ze en een keer lag er een schuimbekkend op de middenstip. We lopen dat brede zwarte pad af om daar een film te gaan zien, het is The Kid van Charley Chaplin, de film breekt en de voorstelling is afgelopen en wij weer terug over datzelfde zwarte pad naar onze eigen inrichting. Het is toch niet helemaal voor niks geweest want er zijn daar ook meisjes die helpen bij de verzorging en ik zorg altijd dat ze me goed zien, waarom weet ik eigenlijk niet. Als ze naar me kijken bloos ik.

In de Paasvakantie speel ik met heel kleine kinderen in de speeltuin, de oudere zijn allemaal naar school, mijn vakantie duurt langer. Wat doet die grote lummel hier, zie ik de ouders denken.
In de zomer, voor de grote vakantie, is het Grote Wandeling. Het is prachtig weer, we komen bij een ven, we hebben een zwembroek en een handdoek bij ons. Als we ons in de bosjes willen gaan omkleden roept Pater Simpie ons terug. Hij wil ook geen gedoe achter handdoeken. ‘Jongens onder elkaar!’

De zomervakantie. Mijn grote broer is nergens te bekennen. Hij blijft al die tijd weg, niemand weet waar hij is. Maakt hij een grote reis? Vlucht hij voor mij?


Het tweede jaar

Na de vakantie blijkt een flink aantal jongens thuisgebleven. Het najaar verloopt zoals verwacht.  Op een nacht kom ik uit mijn bed en sluip door het gangetje naast de refter naar de keuken en verslind wel zo’n 20 tomaten. Na een poosje op mijn rug in bed te hebben gelegen doe ik nog een keer hetzelfde. Wat betekent dit? vraag ik me af terwijl ik daarna opnieuw in het donker lig te staren. Wel herfstvakantie deze keer, mijn eerste dus want vorig jaar niet, 4 dagen inclusief Allerheiligen. Slecht hierop gekleed werken we in november opnieuw op het natte koude land van een boer met als beloning een paar kaneelstokken .

Ik durf van het dak van de loods te springen, dat gaat goed, maar fout gaat het wanneer ik me uit een van de dennenbomen bij het volleybalveldje laat vallen – er was een pluimballetje van wat ook wel badminton wordt genoemd in de boom blijven hangen – ik verstuik mijn enkel en lijd wekenlang de ergste pijn die ik ooit gehad heb, waarschijnlijk trouwens omdat pijnstillers nog niet erg in zijn. Ik zit met mijn been op een krukje naast mijn schoolbank in het klaslokaal en in de studiezaal, ik heb geen loopkruk, ik hinkel, de schokken doen extra pijn. Ik denk: wat heerlijk als ik nu niets had, geen kapotte mondhoeken, geen korst onder mijn neus van verkoudheid, geen verstuikte voet. Achteraf wijt ik mijn verschrikkelijke pijn aan achterlijkheid wat betreft pijnbestrijding en onderschatting van mijn probleem. Ik speel met jongens die het naaischooltje worden genoemd omdat ze zelf eenvoudige reparaties aan hun kleren uitvoeren. Dat naaischooltje zou later tegen me gebruikt worden, meester.
Het duurt weken voor ik weer normaal kan lopen.
            Met Sinterklaas liggen ’s avonds om 7 uur de cadeautjes klaar op het bed in onze chambrette. Degenen die zich net als vorig jaar om 7 uur eerst nog een poosje knielend willen gaan versterven in de kapel – als genoegdoening voor de eigen zonden of voor die van de mensheid – worden door de overste, de Baas, de kapel uit gehaald. ‘Kom op, jongelui, ’t is wel goed, ga gewoon die pakjes openmaken en geniet ervan.’ Een aansteller stribbelt tegen, pakt dramatisch de soutane naast de dikke buik van de baas vast en zegt zeurderig: “Nee, pater, ik heb het nog niet verdiend, ik moet eerst nog boete doen.’ ‘En nu gauw naar boven!’, zegt de Baas, ‘of ik geef je pakje aan de arme negertjes, ondankbaar joch dat je bent!’
            Het is de bedoeling dat we op zondag een stropdas dragen. En een stropdas knopen was altijd een heel gedoe. Ik leer om er een vaste, verschuifbare knoop in te leggen, waardoor een lus ontstaat die ik groter en kleiner kan maken. Ik kan die lus over mijn hoofd doen en rond mijn hals aantrekken zonder dat ik de knoop los hoef te maken. In al mijn stropdassen, een stuk of vier, leg ik zo’n knoop.
            Voor het priesterkoor in de kapel hangt aan de linkerkant een Mariabeeld en aan de rechterkant een Heilighartbeeld. Als ik naar het laatste kijk moet ik aan de uitdrukking denken: Het hart op de juiste plaats dragen. Dat wil in dit geval zeggen: in het midden van de borst en bovenop de kleding, het is donkerrood en er schieten gouden stralen uit.
            Wanneer ik, een beetje voorover, geknield in de kerkbank zit, ruik ik vaak een stank. Ik kijk het vak voor de kerkboeken na, ruik aan het vilten knielkussentje, zoek onder de knielplank. Overal ruik ik dezelfde stank maar vind niets. Als ik de volgende zondag een stropdas om mijn nek doe is de stank verschrikkelijk. Ik kokhals als ik aan de knoop ruik. Er zit een verdikking onder de knoop. Ik loop naar het toilet op de slaapzaal en maak boven de toiletpot de knoop los, ik schud en er valt een half verdroogde muis in de toiletpot. Die moet in de holle stropdas zijn gekropen tot aan de knoop en niet meer voor- of achteruit hebben gekund. Daarmee heb ik dus minstens 2 zondagen om mijn hals in de kapel gezeten! Ik gooi de stropdas naast de muis in de toiletpot en trek door voor ik weer moet kokhalzen. Ik heb zó al mijn beproevingen, meester, ik hoef ze niet zoeken.
           
De Kerstvakantie is net zo snel voorbij als dat hij er opeens was. Ik heb vanaf nu voor alles voldoendes. Zelfs voor Grieks dat we vanaf het tweede schooljaar kregen. Mijn oudere broer is nergens te bekennen. Ik merk dat de familieleden bij bijeenkomsten van me verwachten dat ik voortaan bij de volwassenen zit. Ze luisteren naar me maar eigenlijk wil ik helemaal niks vertellen.
            In het voorjaar heb ik opeens hevige griep. Ik sta te dollen op mijn benen, kan niet recht blijven staan. Ik word opgenomen in de ziekenboeg op de Broedersgang, 40 graden koorts. Normaal mag je hier nooit komen, hoogstens om de mis te dienen in het kapelletje verder op de gang. Na een dag of 4 mag ik terug naar de slaapzaal, maar nog niet naar mijn eigen chambrette maar naar een in de buurt van de ziekenboeg om me nog regelmatig te kunnen controleren. Je hebt geijld, zeggen ze tegen me, het leek of je franse woordjes aan het leren was. Pontonnier?  Ik moet nog in bed blijven.
            Ik lees maar begin als er niemand in de buurt is rond te snuffelen. Zo ontdek ik in een van de chambretten in een kast een luchtbuks. Ik vraag een jongen om een reep chocola voor me te kopen vanwege het zilverpapier. Van het zilverpapier maak ik propjes en schiet met de windbuks. Ik beheers me denkend aan de gevolgen en schiet niet op de lampen. Misschien vlak voor ik hier wegga, houd ik mezelf voor. Ik ontdek ook een chambrette waarvan de kast helemaal vol ligt met pakken suikerklontjes. Dat wordt mijn vaste snoepgoed.
            Weer beter moet ik mijn leerachterstand van ruim een week inhalen. Aan mijn klasgenoten vraag ik hun schrift met aantekeningen te leen. Maar die stellen niks voor, ik heb er niks aan. Ik heb geen idee hoe ik het moet inhalen. Ik lees in de leerboeken de pagina’s door van wat de behandelde stof zou zijn maar niemand kan me zeggen of er niet een heel ander verhaal is verteld. Ik ben wel zo wijs om niet naar de leraren te gaan, ik ben geen slijmerd.

Ik had dus hevige griep, maar ik was niet bang dat ik Spaanse griep had. Die was immers al 2 jaar onder de knie. Er waren zoveel miljoenen mensen aan gestorven, er waren zoveel, een half miljard, mensen besmet geweest dat de overlevenden immuun waren. Zonder dat er een vaccin aan te pas was gekomen. Want ze wisten de oorzaak niet. En als je niet weet wat het is kun je er ook geen geneesmiddel tegen maken. Ze hielden het op een bacterie, maar ze vonden geen bacterie. Als ze alle bacteries uitfilterden, ging nog de besmetting  gewoon door. Er moet iets zijn, vindt de Nederlandse bioloog Martinus Willem Beijerinck, dat veel kleiner en simpeler dan een bacterie is en dat je met de huidige microscopen nog niet kunt zien. Hij noemt het virus, het Griekse woord voor vergif. Het wachten is volgens hem op een veel betere microscoop. Ondertussen is het enige dat helpt, isolatie van anderen, afstand houden, mondkapjes, handen wassen met zeep. De Spaanse griep duikt steeds opnieuw op omdat de maatregelen te vroeg worden opgeheven of omdat de mensen er zich niet meer aan houden.

Als we op de vrije middagen niet gezamenlijk gaan wandelen, in groepjes met een wandelleider, dan doen we aan sport. In het bos is ook een sportveld, we doen er aan honkbal en aan dingen waar ik nog nooit van gehoord heb zoals de hinkstapsprong. In hoogspringen ben ik niet slecht, ik kan mezelf goed zijwaarts achterover gooien.
            Ik lees in bed onder de dekens met een zaklamp. Die heeft me heel wat sigaretten, snoepgoed, zelfs geld gekost. Maar toen ik er een jongen mee zag, moest ik zo’n ding hebben. Als de batterij een keer leeg is besluit ik op het toilet te gaan lezen. Er brandt licht maar de deur is niet op slot. Als ik de deur open stinkt het en zie ik dat iemand met stront op de gele muur heeft geschreven: IK WIL NAAR HUIS.

Op een avond schuift een van de jongens van het naaischooltje onder mijn dekens, hij zegt niks. Als we de deken over ons hoofd hebben getrokken zegt hij: Hoi. Ik zeg hoi terug. We liggen op onze rug, draaien een keer op onze zij en later op de andere zij. We raken elkaar niet aan. We fluisteren, maar alleen onder de dekens. Het is de eenzaamheid, de ellende, het verlangen naar huis, de stront op de muur. Als we op onze rug liggen zien we de bewegende schaduwen van de jongen in de chambrette naast ons die oefeningen doet om een bodybuildingfiguur te krijgen. ‘Dan moet hij nog lang oefenen,’ fluisteren we weer onder de dekens en lachen gesmoord.
            We worden niet betrapt maar wel verraden. Door de jongen van het wouldbe-bodybuilderfiguur? We worden niet samen verhoord, alleen apart. Pater Simon doet zo’n verhoor gretig, ook in de biechtstoel vraagt hij graag details. Om de zwaarte van de penitentie te bepalen, zegt hij. Maar op dit vergrijp staat geen penitentie maar een strenge straf: naar huis gestuurd worden. Jullie lagen achter of naast elkaar? Nooit omgedraaid? Raakten jullie elkaar niet aan? Waarom noemen jullie je clubje het naaischooltje? Bij al die suggesties moet ik opeens aan mijn oudere broer denken. Kort daarna is het grote vakantie. Pater Simon komt bij mij thuis langs, hij probeert met me alleen te zijn maar ik weet dat te voorkomen. Ik praat niet over mijn grote broer. Maar ik weet dat mijn moeder aan hem denkt en aan wat hij met mij heeft gedaan. Wat moeten ze met me als ze me van school sturen? Ik word immers nog steeds verdacht van het doden van de boer. Waarschijnlijk komt ook de kasteelheer weer in beeld. De Patersfabriek was een goede oplossing, vonden ze. Wat moeten ze nu met me?

Voor het eerste gedeelte, het moerassige gebied tot aan het water, kon hij gelukkig nog lagere brugjukken maken. Waar de eigenlijk rivier de Berezina stroomt, hevig stroomt met ijsschotsen, waar het water 2 meter diep is, zijn jukken van minstens 3 meter nodig. En dan moeten ze nog rekening houden met de modder, hoewel die met zo’n sterke stroming mee zal vallen. ‘Drie meter,’ grapt iemand, ‘dat is twee keizers op elkaar.’ Ze lachen erom, maar het helpt toch als daar een keizer staat die je bemoedigend toeknikt en vertrouwen schenkt aan je onderneming wanneer je in je blote bast het ijskoude water in gaat. Het hout is schaars, ze kunnen maar 2 in plaats van 3 bruggen bouwen. Gelukkig zijn de daken van de huizen hier gemaakt van planken die ze kunnen gebruiken. Die zijn wel kort, ze moeten aan elkaar worden gespijkerd, wat de stevigheid van de brug niet verhoogt. Als Nederlandse pontonniers hebben ze een naam op te houden. Die keizer die daar aan de kant ze toe staat te knikken kan ook averechts werken, mannen overschatten zichzelf, blijven te lang in het ijskoude water, raken bevangen, worden meegesleurd. Redden kunnen de pontonniers elkaar niet, misschien wel het brugjuk als het ergens aan hun kant blijft steken, het kan dan op een kar teruggehaald worden. Sommige brugdelen houden geen stand en daarvoor moeten ze opnieuw het water in.
Al gauw raakt de brug verstopt met paarden, onder de voet gelopen mensen, karren. Dan begint hun moeilijkste taak, om alles wat in de weg ligt en niet verder kan, want terug kan niet, om mensen en dieren, dood of levend, alle materiaal van de brug af het water in te duwen.

Wat moeten ze nu met me?

(wordt vervolgd)
________________________________________

HetWerk

literair kladschrift van

Meurs A.M. ISSN 2215-1494

24e Jaargang Nr.70 (69 was nog de 23e, dat stond verkeerd), 1 juni 2021.

Los nr: €4,- Verkrijgbaar bij Fenix en Streppel in Amsterdam. Of door (inclusief verzending) €5,92 over te schrijven naar
IBAN: NL97 TRIO 0379 4947 87 t.n.v. Meurs A.M. Amsterdam ovv Uw adres en HetWerk70. Alle nummers en boeken ook verkrijgbaar via Boekwinkeltje Wonderland. HetWerk70 bij Wonderland

Grootabonnement NL (11 nrs looptijd ca 4 jaar maar wordt korter): €41;
Kleinabonnement (6 nrs, looptijd ca 2 jaar, doet mee aan de korting): €21,50;

Steunabonnement (11 nrs): €50.
België en rest Europa: €50. Overmaken op
(attentie nieuw banknummer!): IBAN: NL97 TRIO 0379 4947 87 t.n.v. Meurs A.M. Amsterdam ovv Uw adres. Of mail naar:
hetwerkliterair@hotmail.com


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *