Tinuske Neggers werd Toontje Wolfers (maar die achternaam had hij eigenlijk al)(uit Aan de Lange Weg)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

(In Gekke Familie, deel 1 van Aan de Lange Weg, zijn de 3 hoofdvertelsters Anneke, haar schoonzusje Josje en haar halfzuster Bet. Bet vertelt haar verhaal en daarmee ook dat van haar man Toontje Wolfers. Sas is Zeelst. Tinuske Neggers bleek een aangenomen kind te zijn en eigenlijk Wolfers te heten. Die naam kreeg hij terug in Aan de Lange Weg. Tinuske was een fantastische, vrolijke peetoom, maar dat ponnieke dat hij mij beloofd had, heb ik hem nooit vergeven)

Bet (fragmenten)

Bet

De oorlog in Sas is de strijd om het vliegveld dat maar een kilometer van de kom van Sas ligt terwijl de gehuchten en eenzame boerderijen er als een gespreide duim en wijsvinger omheen liggen. Het is de oorlog van het begin van de oorlog wanneer de Duitsers het vliegveld bombarderen, van afweergeschut en gesprongen ruiten. En tijdens de bezetting is het de oorlog van de uitbreiding van het vliegveld voor de Duitse jagers en bommenwerpers, van boeren die hun boerderijen en land moeten afstaan, van honderden arbeiders die er tewerkgesteld worden en allemaal moeten eten en waarvan, laten we eerlijk zijn, Bet en Toontje met hun winkel ook een behoorlijk graantje meepikken. Levensmiddelen gaan op de bon.

            Een groot deel van de avond brengen ze met zijn allen door met het opplakken van de levensmiddelenbonnen. Het plaksel maken ze zelf. Plakken en drogen. En de volgende dag brengen ze de bonnen naar het distributiekantoor naast het gemeentehuis. De bonnen zijn gratis maar er wordt toch in gehandeld, de een heeft altijd te weinig en een ander heeft altijd over.

            Midden in Sas zijn in het verenigingsgebouw honderdvijftig Duitse soldaten ingekwartierd. ’s Avonds en ’s nachts moet het absoluut donker zijn, na acht uur mag niemand meer op straat. Maar tot die tijd kan men in de winkel terecht. En ’s morgens om zeven uur weer.

           Met de suiker op de bon wordt het onmogelijk om de stroop te maken die nodig is voor de gazeusebrouwerij. ’t Is misschien een groot woord voor de installatie in de oude stal. Er werd limonade gemaakt, een gazeuse in kleine smalle beugelflesjes, prikkellimonade zoals de kinderen zeggen bij wie hij erg populair is geworden. Bets kinderen helpen mee door aan een groot wiel te draaien. Het is een bottelmachien. Niemand begrijpt precies wat er gebeurt en niemand snapt waarom deze limonade zoveel lekkerder is dan ranja, de met water aangelengde oranje siroop die kinderen bij bijzondere gelegenheden te drinken krijgen. Behalve Toontje dan. Het heeft met de grote cilinder met koolzuur te maken waarmee Toontje de prik in de flesjes weet te krijgen. In huis maakten zij tevoren de stroop door suiker met citroenessence te koken. In de brouwerij werd de stroop in de flesjes gedaan en werd er water en koolzuur aan toegevoegd. Je moest er snel bij zijn om de beugelflesjes op tijd af te sluiten.

De bezetting duurt al bijna een jaar wanneer ik, naar ik aan­neem, mijn laatste kind krijg. Waarom zou je geen kinderen krijgen? ’t Is een rustige tijd en het ziet er niet naar uit dat er voorlopig iets zal veranderen. Bovendien komen bij ons de kinderen nu eenmaal zoals ze komen. Toontje is gelukkig boven de vijftig en te oud voor de Arbeidsdienst maar van zijn maten van de handboogvereniging moeten er heel wat wel naar Duitsland. Ze hebben daarom een groepsfoto laten maken. Laten we hopen dat ze allemaal terugkeren.

            Na twee jaar bezetting komen mijn ouwelui naast ons in onze vroegere woning wonen. Mijn stiefvader is ernstig ziek en aan de Lange Weg verwachtte Anneke haar tweede kind. ‘t Is niks geworden, een miskraam, maar het is toch beter dat hij daar weg is. Hier hebben ze hun eigen woninkje en kunnen we de kinderen er toch een beetje weghouden. Bovendien wonen Toontjes moeder Liesbetje, die al midden tachtig is, en zijn broer Doruske er aan de andere kant naast. Zodat ze altijd bij elkaar kunnen gaan buurten.

             Toontje kon het, toen we een nieuwe winkel hadden laten bouwen, niet laten zijn kleine brilletje op te zetten en voor zijn schoonvader te gaan staan die hem altijd een flierefluiter had gevonden, en te zeggen: “Ben ik nu goed genoeg?”

“Toontje is man geworden,” zeiden de mensen, “toen hij bij de sigarenfabriek werd ontslagen. Dat is het beste wat hem in zijn leven is overkomen.”

            “Zo, en dat gaat hier dan allemaal veranderen,” had Toontje rustig gezegd, toen hij uit de sigarenfabriek thuiskwam en hij zijn moeder Liesbetje op de boomstam was gepasseerd en even naar de drie spelende kinderen had gekeken en naar Bet die al weer dik was van het volgende.

            Liesbetje: het gezicht als een uitgedroogde, gele gerimpelde appel die de hele winter op zolder heeft gelegen, maar met pikzwart haar, geen streepje grijs te bekennen. Ze zit op de boomstam voor het rijtje van drie lage woninkjes met rieten dak. Soms zit ze op een stoel. De timmerman van de overkant heeft aan beide kanten van de straat een paar boomstammen liggen, hij zaagt eraf wat hij nodig heeft. En als ze op zijn brengt een sloffend paard nieuwe, die als de kettingen zijn losgemaakt op de weg ploffen en aan de kant worden gerold.

            Toontje keek naar dingen die hij allang kende, het minus­cule winkeltje met het paar sokken en de fles met zuurtjes, bij wijze van spreken dan, want er lagen nog een paar dingen meer.

            “Als je in die tijd een paar sokken in de vensterbank legde, had je een winkel,” zeiden de mensen.

            “Ja,” zei Toontje altijd, “en als je even niet oplette lag er een kind bij.” Maar dan doelde hij wel heel erg op zijn eigen situatie.

            Liesbetje verkocht wat huishoudelijke artikelen en bijvoor­beeld ook klompen. Maar daarvoor moest in het piepkleine winkeltje een trap die aan ringen hing neergelaten worden, want de klompen lagen opgeslagen op het zoldertje.

            Toontje ging door de lage deur het winkeltje in, waarbij zelfs hij, die toch niet zo groot was, moest bukken. Door een deur rechts keek hij in de kamer met de bedstee en bedacht dat die in vergelijking met zijn eigen slaapkamer opvallend leeg was, want in zijn eigen slaapkamer stond nog een wiegje en een kinderbedje. Ach, het zou ook hier snel vol komen staan, maar deze kamer was toch iets groter. En het was bij de winkel.

            “Moeder,” mompelde hij alvast, “ik geloof dat we eens moeten praten.”

            Moeder Liesbetje kon hem buiten op de boomstam onmogelijk gehoord hebben, maar ze begreep wel wat er aan de hand was, er waren nu drie kinderen en volgend jaar zouden het er vier zijn. Ze had niet gedacht dat het ooit nodig zou zijn. Een jaar of zeventig had ze zichzelf altijd gegeven en ze was nu al drieënzeventig geworden, en dat kon nog jaren zo doorgaan. Als Toontje werkelijk dacht wat van de winkel te kunnen maken dan moest het maar.

           “Doruske moet dan maar naar het andere opkamertje,” zei Liesbetje. Toontje schrok op en zag dat zijn moeder achter hem stond en met hem meekeek. Doruske was Toontjes een paar jaar oudere, ongetrouwde broer die bij zijn moeder was blijven wonen.             Toontje was ook de verwaarloosde stal ingelopen die aan de achterkant van het huisje met het winkeltje was gebouwd en waar je vanaf de zijkant in kon. Ook hier had hij goed rondgekeken. Al gauw scharrelen er wat kippen rond die vrij het weilandje naast de stal kunnen oplopen, als ze hun eieren maar binnen leggen. Het weilandje is van een paar oude mensen in het boerderijtje aan de andere kant van het weilandje, en die hebben er geen bezwaar tegen dat Toontje er een aantal bijen­kasten op zet en er gras snijdt voor de konijnen die hij aan­schaft, en ook het paardje dat een poosje later in de stal komt te staan mag er grazen. Ze zijn allang blij met de eieren die Toontje af entoe langsbrengt, en de pot met honing vinden ze een lekkernij. Toontje pakt alles aan wat hij maar kan. In een hoek van de oude verwaarloosde stal vindt hij plek voor een varken. En in de stal komt ook de brouwerij.

(…)

Het was of Toontje op zijn veertigste wakker was geschrokken. Hij had dus eens naar de huisjes gekeken en naar iets gevraagd waarmee hij zich tot dan toe niet had bemoeid: “Hoeveel huur betalen wij hier eigenlijk?” En ook bij zijn moeder Liesbetje had hij geïnformeerd. En bij de buren daarnaast, want het was een blok van drie waarin ze woonden en van één eigenaar.

            Hij wist het geld voor de koop van de huisjes te lenen en gebruikte voortaan de huur die hij ontving én de huur die hij zelf betaald zou hebben om zijn schuld af te lossen.

            “Dat kan zo niet langer,” had Toontje gezegd, alsof hij inderdaad door het ontslag wakker was geschrokken en een ander mens geworden. Hij had dan wel met zijn moeder Liesbetje van woninkje gewisseld en had daarmee wat meer ruimte gekregen, maar praktisch elk jaar kwam er een kind bij. Als het vierde wordt geboren, slaapt zijn oudste dochter van zes bij Bet’s ouwelui die dan nog niet aan de Lange Weg wonen maar in de Polderstraat op de rand van Sas en het Dorp aan de Lange Weg. En Mart van drie slaapt op het opkamertje bij ome Doruske in het woninkje van Liesbetje.

            Toontje had naar het weilandje naast zijn huisje gekeken en naar het boerderijtje aan de andere kant van dat weilandje. Hij leek de afstand te meten.

            En toen de huisjes zijn eigendom waren en het geld alsmaar groeide in zijn broekzak, nam hij een hypotheek en maakte plannen om van het geld een winkelwoonhuis te bouwen op het weilandje naast zijn oude huisje. Het weilandje, dat bij het boerderijtje aan de andere kant hoorde, kocht hij voor een appel en een ei. De oude mensen die nog in het boerderijtje woonden, gebruikten het al jaren niet meer en waren alleen maar blij met de extra zakcent.

            En een paar jaar later stond er inderdaad op het weilandje, dat geen weilandje meer was, een winkelwoonhuis waarin alle zes kinderen, ook de twee dus die ondertussen geboren waren, thuis konden slapen, en waar je ruim met paard en wagen omheen kon rijden.

(…)

Mijn stiefvader gaat dood aan tbc in het kamertje waarin wij ons winkeltje begonnen nadat Toontje met ontslag uit de sigarenfabriek was thuis gekomen. Hij zei altijd dat hij graag lang genoeg zou willen blijven leven om te weten wie uiteindelijk de oorlog zou winnen, maar dat heeft hij dus niet gehaald.

(…)

Bet

Haar vader overleed toen ze heel jong was, haar moeder hertrouwde al gauw en kreeg nog vier dochters. Maar geen zoon die de smederij kon voortzetten. Daarom zouden ze naar Sas verhuisd zijn. Maar zij heeft altijd gedacht dat het om haar was. Dat haar stiefvader zich schaamde om wat haar was overkomen. Hij was een erg trotse man met een tot op het laatst kaarsrechte rug, zijn hoofd met de hoekige hoge platte pet geheven, zijn pijp als een scepter in zijn hand.

Het gaat goed met ons nadat ik zo moeizaam na het bombardement uit de kelder gekropen ben. Behalve met mijn been dan.

            In het begin is nog bijna alles op de bon. Maar de mensen beginnen toch langzaamaan wat geld te krijgen. In ieder geval voor hun eerste levensbehoeften. En daarvoor kunnen ze bij ons terecht. Van ’s morgens voor zevenen tot ’s avonds na elven.

Het hoofddoel van het huwelijk is: kinderen voor God voort te brengen en christelijk op te voeden, staat er in mijn trouwboekje, en daar heb ik me aan gehouden. Ik ben ervan overtuigd dat ze allemaal, van het eerste tot het laatste, christelijk opgevoed zijn. Ook al had ik dat bij het eerste niet zelf in de hand.

            Maar er staat ook: De vrouw moet aan den man onderdanig zijn in alles wat goed en eerbaar is en de man moet door echt christelijke liefde dien plicht veraangenamen.

            Dat was iets waar ik wel wat op had af te dingen. Toontje is geen kwaad mannetje en ik ken hem, vooral vanaf het moment dat we het winkeltje van zijn moeder Liesbetje overnamen, als een harde werker die heel wat bereikt heeft, maar hij heeft zo zijn streken, en bovendien doe ik ook mijn werk. Ik krijg de kinderen, breng ze groot, zorg voor het huishouden en help zoveel mogelijk in de winkel. Dus onderdanig aan mijn man, nou nee. Hij mag me er wel eens mee plagen en ik wil ook wel de reactie geven die hij wil uitlokken, maar dat is het dan.

Er waren ook tegenslagen. Met de brouwerij bijvoorbeeld. Ach, het was gewoon een plek in de stal waar een bottelmachine stond. Maar het werd toch een groot succes. We moesten ermee stoppen omdat de mensen die handige kleine smalle beugelflesjes die Toontje speciaal had laten maken niet terugbrachten. Ze gebruikten die om bijvoorbeeld thee mee naar het werk te nemen. En Toontje had geen statiegeld willen vragen. Zo moesten de mensen de prikkellimonade die ze zo lekker vonden missen door hun eigen kortzichtigheid.

            En er was natuurlijk jaloezie. En niet alleen van de winke­lier verderop, op het pleintje. Er werd geroddeld. De kruide­nierswaren die met paard en kar werden bezorgd, zouden naar vis smaken. Terwijl we verdomme de hele vrijdagavond schrobden en boenden om de kar proper te hebben voor de kruidenierswaren op zaterdag.

            Als de mensen kwaad willen vertellen, kun je er niet veel tegen doen, dat heb ik wel geleerd. Er waren er die wel eens gezien hadden dat er een kat op de viskar sprong. En dat hondje dat er altijd bij was vertrouwden ze ook niet. Nou ja.

            Volgens andere roddelaars dan weer zou Toontje niet kunnen tellen en amper kunnen schrijven. Schrijven had hij inderdaad pas als soldaat geleerd en foutloos zou het nooit gaan – hij schreef bijvoorbeeld luzifers – maar dat was bij de meeste gewone mensen die nog in de negentiende eeuw geboren waren het geval. En tellen kon hij als de beste.

De pijn en de lap om het been die iedereen kon zien maakten mij er niet vrolijker op. Mijn stem werd hard, ik werd ongedul­dig en veeleisend en ergerde me aan mensen die vrolijk waren, speciaal aan Toontje.

            Het was soms of ze ‘t erom deden. Het was zo`n feest waar alle ooms en tantes en neven en nichten aanwezig waren. Wij, ooms en tantes, zaten op een verhoging naast elkaar, aan één kant van een aantal aan elkaar geschoven tafels. Iedereen kon onder de tafel door kijken. Iedereen kon dus ook mijn been zien. Tot overmaat van ramp, bleek achteraf, was er ook nog een foto gemaakt.

            De neven en nichten, en de tantes waren ook niet wijzer, daagden hem dan uit.

            “Oom Toontje, draag een versje voor, zing een liedje.”

            “Doe niet zo gek, Toon,” zei ik dan. “Blijf hier! Kom van die stoel af!”

            En dan lachten ze allemaal nog harder en zweepten hem nog meer op. Het duurde net zo lang tot hij boven op een stoel of tafel stond en zong:

            “Van je remplemplem, van je mosselemem.”

            Het was: “Van je ramplanplan, van je mosselman.” Maar mosselemem was natuurlijk veel leuker. Het was nog een vreselijk lang lied ook. De tantes en nichten pisten in hun broek van het lachen.

Ik was overal met mijn been geweest, in het hele land. Dat had me heel wat geld en tijd gekost. Eerst met de bus, maar vanaf midden jaren vijftig bracht ons Peet me met de auto, als die niet kapot was tenminste. Want dat had je in het begin ook nog vaak met die tweedehands auto’s. Met de kar was geen doen, na tien minuten was ik al geradbraakt.

            Jarenlang hadden ze me naar een kruidendokter in Baarle-Nassau gebracht. Naar gebedsgenezers was ik ook geweest. Toontje deed dat hand opleggen ook, maar mij kon hij niet helpen. Die van ons kon iedereen helpen behalve mij.

            Hij legde zijn ene hand op iemands hoofd en hield de hand van de zieke in zijn andere hand, of legde die andere hand op zijn eigen hart. Hij stond met zijn ogen dicht te prevelen, met die stijve bovenlip, die strakke mondhoeken, waarnaar men keek omdat men verwachtte dat ze zouden gaan krullen, en dat zijn lippen zouden gaan trillen. Als toeschouwer kon men de spanning niet volhouden en begon men opgelucht hard te lachen. En men verwachtte dat Toontje zou gaan meedoen, maar niets daarvan, hij bleef onverstoorbaar, hij keek zelfs niet naar je. Tot hij klaar was en een stap achteruit deed, dan pas keek hij je aan en glimlachte.

            Bij mij werkte het dus niet. En natuurlijk nam ik hem kwalijk dat hij iedereen kon helpen maar mij niet. Misschien lag het aan mij, geloofde ik er gewoon niet in, kende ik hem te goed.

Ik was dus de kelder uit geklommen met mijn been en de koningin was terug in Nederland gekomen met haar bontjas. Toen Toontje iets over haar zei – of was het over de nieuwe koningin die we korte tijd later kregen? – werd hij op zijn gezicht geslagen. Dat was wel eens goed voor hem, zij het niet speciaal dáárom. Maar het was goed dat hij met zijn grote mond wat weerwerk kreeg.

            Toontje zit aan de bar en is het gezwam van zijn buurman over de koningin beu en zegt: “Wat de koningin! De koningin heeft hetzelfde kutje als ons Bet!”

            De man wordt kwaad en slaat Toontje van de kruk af. Toontje krabbelt overeind en zegt: “En het was nog wel be­doeld als een compliment.”

            Maar om hem vanwege de koningin op zijn gezicht te slaan, was natuurlijk onzin. Van mij mocht hij over de koningin zeggen wat hij wou. Hoewel, het was beter als hij zijn grote kop eens leerde houden. Hij moest maar leren dat hij niet overal mee kon lachen. Met mij ook niet.

Mijn stiefvader had me uit zijn trouwboekje voorgelezen, en later wees hij er nog eens op dat in het onze precies hetzelfde stond: Elke poging aangewend om het ongeboren kind, hoe jong ook, te dooden, is poging tot moord en daarom een zeer zware zonde tegen het 5e gebod: ‘Gij zult niet dooden’.

            Een zeer zware zonde is eveneens elke opzettelijke poging, om het hetzij door inwendige, hetzij door uitwendige middelen de zwangerschap af te breken op een tijdstip, waarop de vrucht nog niet buiten het lichaam kan blijven leven (vruchtafdrij­ving).

            Zoiets zou niet eens in me opgekomen zijn. Het was of hij het meer tegen zichzelf zei, hij zat er meer mee dan ik. Hij wilde het absoluut verborgen houden. En daarom, dat bleef ik denken, waren we ook verhuisd. Dat hij geen opvolger had in de smidse, was toch geen reden om te verhuizen! Je kon het hoogstens omdraaien: de smederij was geen reden om te blijven.

Toontje is erg trots op de nieuwe Solex zoals dan nog niemand er een heeft. Hij is de eerste in Sas en in het dorp aan de Lange Weg. Hij gaat nu nog vaker naar Bets zuster Anneke aan de Lange Weg. Iedereen mag de Solex uitproberen. Maar ze weten niet hoe het ding te stoppen, en als dan de motor einde­lijk afgeslagen is, vaak na een botsing of valpartij, durft men er niet meer op en komt te voet terug, wat wel eens een uurtje kan duren. Dan lacht Toontje niet, dan is hij ongerust, zeker als het zijn jonge nichtje Tonnie is dat zo lang wegblijft met de Solex.

            Wanneer hij te lang blijft hangen – als hij aan het buurten is en veel aandacht krijgt en regelmatig een nieuwe kop koude koffie (die speciaal voor hem wordt bewaard) en hij uit zijn zakken stukjes worst en zuurtjes en dubbeltjes uitdeelt aan de kinderen en de worst ook aan de hondjes, verliest hij alle tijd uit het oog – en wanneer het dan al donker wordt moet Jantje meefietsen naast de Solex van zijn peetoom, want in het donker is Toontje zo goed als blind.

Toen ik mankend en een en al pijn op het eind van de oorlog met mijn been uit de kelder geklommen was, had ik me ver­sproken. Ik zei: “Ik heb negen kinderen op de wereld gezet, ’t is mooi geweest.” Maar ons gezin telde acht kinderen. Mis­schien kwam het omdat Mientje toen net getrouwd was en ook in Sas was komen wonen. Misschien kwam het omdat het einde van de oorlog in zicht was en ik daarom aan mijn stief­vader moest denken, en met name dacht: “Dat einde heeft hij dus net niet gehaald terwijl hij zo graag wilde weten hoe het zou aflopen.”

            Ik was ervan overtuigd dat vooral hij degene was geweest die het geheim had willen houden en die ook de hele construc­tie, waarin mijn eerste kind in een ander gezin in ons dorp werd opgevoed en wij naar Sas verhuisden, daarvoor bedacht had. Hij, de trotse eigenaar van een smederij en een van de notabe­len van mijn geboortedorp.

            Door die hevige gebeurtenissen vlak voor de bevrijding had ik aan mijn stiefvader en mijn eerste kind moeten denken en had me versproken. Dat was het vast geweest.

De Vrouwen van de Eerste Huizen

De Vrouwen van de Eerste Huizen hebben het trouwboekje van Toontje en Bet te pakken gekregen en amuseren zich daar blijkbaar kostelijk mee.

     Als het waar is wat hier staat – en ze buigen zich weer lachend over het trouwboekje – dan heeft Bet inderdaad haar taak ruimschoots vervuld. Maar Hanna Bosmans is al weer verder in de tekst en leest over de onderdanigheid van de vrouw aan de man en schatert: “Als die van mij zich hier ooit op zou durven beroepen, krijgt-ie klapjes, dus dat waagt hij niet.”

     “Die van mij ook niet,” zegt de oudste dochter van Meijermet haar zware stem in haar enthousiasme, en ze vergeet even dat ze geen man heeft. Ze kijken elkaar aan die vrolijke vrou­wen, en proesten het uit, en Hanna Knietel wel heel letterlijk.

     Maar de Vrouwen van de Eerste Huizen gaan verder. Omdat ze zelf het eeuwige leven hebben, in dit verhaal in ieder geval, springen ze graag een beetje heen en weer in de tijd, ze staan te popelen om twintig jaar vooruit te springen en het einde te vertellen van het verhaal van Bet:

            Het einde van het verhaal van Bet

Dadelijk zullen ze weten wat haar geheim was. Want ze wilde haar geheim niet mee het graf in nemen, net niet. Ze zullen kwaad zijn, haar kinderen, erg kwaad, om wat er al die tijd voor ze verzwegen is. Maar daarna zullen ze met hun nicht, die hun halfzuster blijkt te zijn en al die tijd bij ze in de buurt woonde, naar de koffietafel gaan. Ze zullen zowat over elkaar heen buitelen met hun uitroepen ‘weet-je-nog-wel toen ik dat zei, als ik toen geweten had’. En Mientje, haar eerste kind, zal haar ogen sluiten, zoals ze dat vaak doet als ze praat, en zeg­gen: ‘Ja, maar ik wist het natuurlijk al die tijd.’ En dan pas zal het tot sommige van haar andere kinderen doordringen dat zij dan wel verontwaardigd kunnen zijn, maar dat zij niet degenen zijn die al die jaren een probleem hebben gehad. Dat probleem had haar eerste, voorhuwelijkse, dochter, en Bet zelf: zij konden zich tegenover elkaar niet als moeder en kind gedragen.

     Bet denkt ook nog aan de grap waarmee Toontje altijd veel succes had en waarmee hij haar steeds weer op de kast kon krijgen, hij zei dan: “Ze mogen op mijn doodsprentje zetten wat ze willen, als het maar niet is: ‘Eens zullen we elkander wederzien.’

     Hij is drie jaar voor haar gestorven, en zij weet niet wat hij op het eind nog geloofde of niet geloofde, maar zij is er niet bang voor dat dat zal gebeuren, dat wederzien. Hoe een mens toch kan veranderen ja.

     Ze ligt te grinniken in de kist want zij voelt haar been niet meer en moet steeds denken aan het slot van het griezelverhaal waarmee je als verteller de toehoorders op het eind geweldig deed schrikken. Zij herinnert zich eigenlijk alleen die dreigend en geheimzinnig uitgesproken laatste zin die eindigde in die uitroep, waarbij de verteller met gestrekte armen in de richting van de toehoorders sprong, wier hart even stilstond. Het verhaal was iets met een zeerover die een goudschat had verstopt in zijn houten been en daarmee begraven was, en iedereen maar in het donker op het kerkhof zoeken naar die schat. En dan klinkt er een stem:

“Het been, het beeeen, het gouououden beeeen, hier HÉB je het been!”

     Die laatste zin hebben de Vrouwen van de Eerste Huizen eerst met langzame donkere dreigende stem ingezet en bij HEB zijn ze tegen elkaar opgesprongen en zijn, ondanks dat ze wisten wat er ging gebeuren en er zelf aan meededen, toch nog van elkaar geschrokken en daarna in lachen uitgebarsten.

En A.M. denkt: als deze dames zo doorgaan wordt het een heel ander boek.


… zijn hoofd met de hoekige hoge platte pet geheven, zijn pijp als een scepter in zijn hand…

Toontje kon het, toen we een nieuwe winkel hadden laten bouwen, niet laten zijn kleine brilletje op te zetten en voor zijn schoonvader te gaan staan die hem altijd een flierefluiter had gevonden, en te zeggen: “Ben ik nu goed genoeg?”
Huisje Miebetje op De Heuvel
Het was of Toontje op zijn veertigste wakker was geschrokken. Hij had dus eens naar de huisjes gekeken en naar iets gevraagd waarmee hij zich tot dan toe niet had bemoeid: “Hoeveel huur betalen wij hier eigenlijk?” En ook bij zijn moeder Liesbetje had hij geïnformeerd. En bij de buren daarnaast, want het was een blok van drie waarin ze woonden en van één eigenaar.
            Hij wist het geld voor de koop van de huisjes te lenen en gebruikte voortaan de huur die hij ontving én de huur die hij zelf betaald zou hebben om zijn schuld af te lossen.



Piet Neggers en zijn vrouw Corrie in de kruidenierswinkel
Frans Neggers in de viswinkel
Tinuske Neggers/ Toontje Wolfers op leeftijd

De viswinkel en de kruidenierswinkel naast de woning van dokter Janssen, later van dokter Bolsius op De Heuvel, waar de Kapelstraat (Noord) op De Heuvel uitkomt.
De 3 aan elkaar gebouwde woninkjes met rieten dak zijn dezelfde als die op het schilderijtje elders in dit bericht. Daar begon Tinuske Neggers zijn carrière als winkelier nadat hij bij Duc George was ontslagen. De plek waar later de winkels werden gebouwd was toen een weilandje. Zie het verhaal van ‘Toontje’. verteld door Bet (Net), voor wie ik steeds meer bewondering kreeg naarmate ik meer te weten kwam. Zo ook voor de kinderen die van jongs-af-aan hielpen in de winkels.
(foto’s uit ‘Veldhoven Historische Spiegeling’ van Jacques Bijnen) 

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *