1948: Aan Josje danken we de 10.000ste inwoner van het Dorp Aan de lange Weg

Josje
(…)

(uit VELDHOVEN 4000 jaar geschiedenis van Oerle, Meerveldhoven, Veldhoven en Zeelst doorJacques Bijnen

Voor wíj trouwen wil Cor katholiek worden.

            “Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen,” zegt de pastoor. Maar als ik dan zeg: “O, dan word ik maar niks of protestant” – ik weet niet eens wat ze bij Cor thuis eigenlijk zijn – dan is dat ook weer niet goed, het mag blijkbaar maar één kant op gebruikt worden. Voor mij hoeft het niet, voor mij mag hij blijven zoals hij is, maar katholiek worden maakt het trouwen en de discussie in de familie wel eenvoudiger. Er gaat wel weer een tijd overheen voor Cor genoeg weet over het geloof om toegelaten te worden. Nou, als ze mij al die dingen zouden vragen, zou ik ze ook niet weten, dus wat doet die pastoor nou allemaal moeilijk. Het gaat er toch om hoe je vanbinnen bent, of niet soms?

            Het is dus allemaal niet zo eenvoudig. Als ik trouw en het huis uit ga, blijft Ria achter om voor vader en het huishouden te zorgen, terwijl zij ouder is en dus eigenlijk het eerste recht heeft om te trouwen. Maar ze wil voor het zover is nog wat van het leven genieten, ze vindt dat ze daar in de oorlog te weinig kans voor heeft gehad. En voor de oorlog was het crisistijd en zijn we van Gelderland naar Brabant verhuisd net toen zij de leeftijd begon te krijgen om uit te gaan. Nee, Ria wil nog een poosje lekker gaan dansen, ze is gek op jongens met zwart haar.

            We gaan altijd samen, zeker als we naar de stad gaan. Het zijn nu allemaal Engelsen en Canadezen in de danszalen. Een Canadees blijft maar “Prommes?” aan me vragen. Ik versta er niks van. Ik vraag aan iemand wat “prommes?” betekent. Dan begrijp ik dat ik had moeten beloven dat hij me zou terugzien. Cor komt daar ook wel, maar vaak wat later. Met hem dans ik ook, maar het gaat toch niet zo goed als met sommige anderen. Ik houd er vooral van om met jongens die dat goed kunnen de Engelse wals te dansen.

            Engelse wals mocht je in de oorlog niet zeggen, je moest zeggen: langzame wals. Maar je versprak je natuurlijk wel eens. Ook liet ik me wel eens iets ontvallen als “Die rot­mof!” en dan stond er weer zo eentje naast je met een speldje achter zijn revers. De Duitse soldaten sloegen gretig, nee niet met knuppels, dat deden ze wel bij andere soldaten of bij dronken Nederlanders die de boel op stelten zetten. Nee, het liefst met de vlakke hand tegen je kont, dat deden ze graag, dat vonden ze zeker lekker. Och, dacht ik dan, het is maar tegen mijn kont, dat gaat wel weer over. Ik hield er nu eenmaal van om een grapje te maken en streken uit te halen. Ria was altijd al serieuzer, maar ze lachte meestal wel als ik iets uithaalde.

            Je kon alleen in het begin van de oorlog nog in het patronaat dansen. Daar dansten ook Duitse soldaten die in het patronaat of bij de mensen thuis ingekwartierd lagen. Ik kwam er een Duitser tegen die iemand kende uit mijn geboortedorp aan de Duitse grens en die me eten bezorgde. Maar daar kregen Ria en ik ook de naam dat we niet met Duitsers wilden dansen. Terwijl we alleen maar geweigerd hadden omdat we net hadden afgesproken om de volgende dans samen te doen. We dansten vaak samen.

            Maar dat dansen was alleen in het begin van de oorlog. Daarna kon je alleen nog in Duitse gelegenheden terecht en daar wilden we niet naar toe. Hoewel ik me voor de rest niet zo bewust was van wat er allemaal gebeurde, ik hield meer van flauwekul maken. Ik had het bijvoorbeeld niet door wat het betekende toen de Duitser Knal, die bij ons ingekwartierd was, zei dat er iets gebeurd was op het vliegveld en eraan toevoegde: “So ein ganz kleiner Judenbengel hat Steine gewor­fen.”

            Vóór de oorlog ging ik nog niet dansen. Vader liet me niet gaan. Bovendien zag ik er een stuk jonger uit dan ik in werkelijkheid was. Dus dansen was er jarenlang niet bij geweest. Je kwam als jongere in de oorlog wel bij Leens Cafetaria. Dat was waar ik voor de deur door de zoon van de geitenboer, net als zijn vader een NSB’er, in elkaar was geslagen. Bij de bevrij­ding heeft mijn broer Harry die bij de PAN, de partizanen, was, de geitenboer opgehaald, deze kwam net met een koe uit de wei. Harry heeft veel collaborateurs opgebracht en waar­schijnlijk daarom dacht vrouw Nieuwenhuis dat hij ook de hand had gehad in de arrestatie van haar man. Ze riep: “Be­dankt, hoor!” toen hij voorbij fietste.

“Niks te danken!” riep hij terug, maar hij wist niet wat zij bedoelde. En ook ik had Nieuwenhuis niet aangegeven, hoewel hij op het vliegveld voor de Duitsers had gewerkt en mij bij de fietstocht naar het werk in de stad vaak getreiterd had met de superioriteit van de Duitsers en zich Neuenhaus noemde en mij bij de bevrijding een kunstje had geflikt. Ik zou dat nooit doen, een vader van zo`n groot gezin, met al die kinderen thuis, ik kan er wel om janken als ik eraan denk. Nee, ik zou zoiets nooit doen. En Harry ook niet. Bovendien was een van de zoons van Nieuwenhuis zelf bij de PAN.

Maar nu kunnen we volop dansen, Ria en ik, we gaan de danszalen af en genieten. Nu, al boven de vijfentwintig, zijn we eindelijk jong. Cor en ik kunnen nog niet trouwen en Ria wil nog geen verkering, laat staan dat ze wil trouwen. We genieten van onze jeugd, van onze lichamen. Ria loopt op zeer hoge hakken, ik heb dat nooit goed gekund, dus doe het met wat minder. Het is de tijd van jurken met blote schouders, van de dunne schouderbandjes, soms wel drie paar, van je jurk, je onderjurk en je bustehouder. BH zei je toen nog niet. Tijdens het dansen vallen de bandjes van je schouder.

            “Bandenpech!” grappen de jongens. We willen onze okselharen scheren, maar we weten dat vader dat niet goed zal vinden. Bovendien schijnt het erg ongezond te zijn.

            Twee jaar lang genieten we. Natuurlijk, we gaan ook naar ons werk en doen het huishouden, zorgen voor vader, en gaan helpen bij onze broers en zusters als er kinderen worden geboren. Dat zijn er veel in die eerste jaren na de oorlog, dat is bekend. En wij waren thuis al met ons tienen. Ik blijf meestal in de buurt, zoals bij Anneke en Leo en bij Harry en zijn vrouw Mia. Ria zit vaak wekenlang in Gelderland. Maar ze probeert toch in de weekeinden thuis te zijn en dan gaan we op stap.

De pret is opeens voorbij als ik zwanger raak. Van één keer! Natuurlijk was het al die jaren niet makkelijk geweest, zeker voor Cor niet toen ons huwelijk steeds uitgesteld werd, maar we hadden het nooit gedaan. Tot er iets in Cor zijn familie gebeurde waardoor hij erg in de put zat, wekenlang. Toen heb ik hem willen troosten. Met het bekende gevolg. Het zou nog niet zo erg geweest zijn als niet heel de familie er doodziek van was geweest. Cor krijgt van iedereen te horen: hoe heb je dat nu kunnen doen! En hij begint dan steevast te huilen. Kortom, een drama omdat iedereen het zo opklopt.

            Het slaat ook over op mij. Het is lente, maar geen vrolijke lente. Het groen is overal onbeschaamd opgeschoten, het is veel te fel groen, bijna blauw. Ik heb een hekel aan mijn lichaam. Ik verafschuw mijn eigen geur. Ik haat het schaamhaar dat uit mijn directoire krult. Wat een naam, directoire, bah, ik kan er niet om lachen. Ik zweet, natte slierten onder mijn oksels. Vooral haat ik mijn dikke buik. Hoe heeft het zover kunnen komen!

            Ik zit bij Cor achterop de fiets en wil eraf springen, recht onder de vrachtwagen die aan komt rijden. Cor voelt het en pakt mijn arm vast.

            “Niet doen,” zegt hij, “ik kan je niet missen, we komen hier samen doorheen.”

            Vanaf dat moment ben ik er eigenlijk overheen. Het zijn niet wijzelf, denk ik, die er mee zitten, het is wat we ons door anderen aan laten praten.

            Alleen juist de preutse en vrome Ria heeft me al die tijd gesteund. Maar door al het gedoe, eerst Ria die eigenlijk vóór mij zou moeten trouwen maar liever nog wat van haar jeugd wil genieten, vervolgens de voorwaarde dat Cor eerst een volwaardig katholiek moet worden, is ons huwelijk wel erg lang uitgesteld. Dan komt ook nog mijn vader te overlijden. Tien dagen na zijn dood trouwen we dan eindelijk. Drie maanden later krijgen we een flinke dochter.

            Als er nog iemand in het Dorp Aan de Lange Weg is die niet weet dat ons huwelijk een moetje is, dan weet die het nu. Want als onze dochter geboren wordt, komt burgemeester Van Tuin – ja, hij nog steeds – haar huldigen, is er feest en natuurlijk een wielerwedstrijd, want ons kind is de tienduizendste inwoner van de gemeente. Hiephiephoera!

En eigenlijk valt er hierna over mij niet meer zoveel te vertellen. Ik krijg in vijftien jaar elf kinderen. Cor is een ideale, geëmancipeerde echtgenoot, al voordat dat woord bestond. We hadden geen kind minder willen hebben. Iedereen blijft gezond en we lachen erg veel in ons grote gezin.

            Het drama waar ik het nog over wil hebben begint in Gelderland, ruim een jaar na de geboorte van mijn eerste kind. Ria is in huis bij een van onze zussen die een baby heeft gehad. Die zus overlijdt aan trombose, tien dagen na de geboorte. Trombose? Iedereen krijgt trombose, wie overlijdt er nu aan trombose! Ik ben woedend.

            Ria blijft plichtsgetrouw het moederloze gezin van zes kinderen ondersteunen. Zo nu en dan komt ze een weekeind naar huis om op adem te komen, huilt bij mij uit en gaat met lood in de schoenen terug naar Gelderland. Haar jeugd is voorbij en de jongens met zwart haar zijn volkomen uit beeld. Toch hoopt ze de eerste jaren nog dat, als de kinderen wat groter zijn, ze weer haar eigen leven kan gaan leiden, want natuurlijk houdt ze van die kinderen die ze nu grootbrengt maar toch…

            Ze helpt jarenlang zo plichtsgetrouw dat haar zwager bij wie ze in huis is gaat denken dat ze het voor hem doet. Ontkennen helpt niet, hij is ervan overtuigd dat hij helemaal aan haar wens voldoet als hij haar ten huwelijk vraagt. Na maanden huilen tijdens de weekeinden in Brabant stemt ze toe.            
Nog kan ik in janken uitbarsten van medelijden als ik eraan denk hoe op haar eenendertigste het leven met mijn zus aan de haal is gegaan. Ze sterft op haar tweeënvijftigste.

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *