De schoenmaker met het houten been (uit Aan de Lange Weg)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was en Meerveldhoven zoals het was, zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

Twintig jaar met hem getrouwd is ze, zijn tweede vrouw is ze en veel plezier heeft hij niet aan haar beleefd en dat hoeft ook niet, want dat heeft ze aan hem ook niet. Zegt ze.

     ’t Is een niksnut die met schoenmaken het zout in de pap nog niet verdient en als zij niet af en toe wat bij scharrelde was hij allang van honger omgekomen. Hij loopt de hele dag te zingen, daarvan alléén al wordt zij helemaal gek, en zit op zijn stoel voor het huis naar de meiden te roepen of is bij de buren achterom om daar de boel te vermaken en om stiekem geld in zijn hand gestopt te krijgen voor schoenen die hij veel te goedkoop heeft gerepareerd. Maar als hij slaapt voelt zij zijn zakken na en vindt het wel, tenminste als hij ’t er al niet heeft doorgedraaid of ergens verstopt.

     Ze zegt: “Ik heb geld en jij hebt niks en jij zult doen wat ik zeg!”

     ’t Is dat zij helemaal tot aan de nieuwe wijk loopt die ze daar voor Philips aan het bouwen zijn en anders wel om hem vol te stoppen met Ambonezen, en dat zij met een volle schort kolen thuiskomt die zij langs de weg heeft opgeraapt… anders hadden ze niks te stoken. Maar wie heeft het altijd het eerste koud?

     “Dat komt doordat je tot het donker op je kont aan de weg bent blijven zitten,” zegt ze. “En toen je daar zat had je het niet koud of wel soms?”… “Dat komt omdat zolang die beesten er zijn dat raampje moet openblijven,” zegt ze, “want je geeft meer om die zwaluws dan om mij”… “Je kan het nooit zo koud als ik hebben,” zegt ze, “want in die ene poot heb je geen gevoel, en als ik díe op het vuur smijt dan zál je het warm hebben! ’t Is dat-ie zoveel gekost heb.”

     Die zondagmorgen dat-ie het raam en de deur tegen elkaar had openstaan om de geur eruit te krijgen, toen had-ie ’t niet koud! Het hele huis ruikt naar gesmolten boter en gebakken aardappels als ze hem tegen de hond hoort zeggen: “Ga maar naar het vrouwtje”, en ze begrijpt dan waarom zij altijd achter die hond aan moet als ze uit de kerk komt – “Sjaaauwsjaaauw! Sjaaauwsjaaauw!” – dan duurt het langer, denkt-ie, en hoor ik haar aankomen.

     Maar ze kruipt uit de bedstee en zegt: “Als je míj moet hebben is het toch níet om me mee te laten eten, wel?… want alleen de geur hangt er nog.”

     “Had het kunnen weten,” zegt hij, “jij gáát niet naar de kerk wanneer er een extra collecte is zoals nu voor die watersnood­ramp.”

     Alsof zij zich door een extra schaal af laat schrikken, zolang ze voor zichzelf weet dat ze er nooit meer dan drie centen op toe kan leggen omdat ze nooit méér bij zich heeft. En ze brengt ze meestal weer mee naar huis, want in de zak aan de stok hoef je alleen je hand te steken, met de koperen schaal is het iets moeilijker, maar meestal lukt het wel alleen met de cent op de bodem te tikken. Hij heeft het beter dan zij, die pastoor, en als zij gewoon haar zondagsplicht vervult kan hij haar niks verwijten… waarom moet daar geld bij komen?

Tegen het buurmeisje had ze gezegd terwijl hij daar lag: “Wij zijn niet van dat bidderige in de familie, doe jij het maar, ik ben nog te veel geschrokken.”  Tenslotte heb-ie voor jou de vlag uitgehangen toen je na vier jaar uit het sanatorium kwam, dacht ze daarbij, weliswaar op zijn kop, maar dat kun je van hem verwachten.

     Zij vervult haar kerkelijke plichten en dat kan je van hem niet zeggen, hij heeft “dispensatie”, zegt hij, vanwege zijn houten poot… waar hij wel een heel eind mee kan komen als er iets te doen is of te halen valt… als een van die Indiëjongens terugkomt, dan staat hij wél met zijn neus er bovenop en kan hij zelfs dansen of wat daar voor doorgaat terwijl hij zijn lijflied zingt:  “Japie zijn vrouw, die had geen neus, alleen twee grote gaten.”

     Zelf heeft-ie ook twee enorme gaten maar hij heeft er wel een neus bij. En als zij dan binnenkomt zeggen ze: “Ha, vrouw van de schoenmaker, hoe is het met de schoenmaker?” Alsof zij niet weet dat-ie zich daar ergens heeft verstopt, tussen al die feestgangers en dat sparrengroen en die gekleurde lampjes die maar branden alsof het allemaal niks kost.

     “Nog een geluk,” zegt ze, “dat die gasten niet meteen doorgaan naar Korea, want dan hadden ze hier iets anders moeten verzinnen om de boel erdoor te jagen.”

     Dansen kan hij ook als hij met die blagen aan de weg staat, hij staat te springen als een gek als het een van die snotneuzen lukt met zijn haktol een andere door midden te kappen. Kapot maken, dat kunnen ze wel. En allemaal gebruiken ze leren veters die ze zogenaamd hier gekocht hebben, maar zij heeft er maar verdomd weinig poen voor teruggezien. Ze weten dat hij nog gekker is dan zij en dat spelletje niet kan missen en toch weer afkomt met zijn veters… Eén grote schreeuwende bende, dat is het, de Mau-Mau is er niks bij.

     “Fausto Coppi, hup Coppi!” zit hij een andere keer aan de weg te schreeuwen als die apen de ronde van de Ontginnings­weg aan het fietsen zijn, ouwe zot dat hij is.

     En al loopt hij nog zo bij de buren achterom, nóóit zal hij es wat meebrengen, terwijl de appels voor het oprapen liggen. Integendeel, ze maakt zich sterk dat hij van die paar centen die hij gevangen heeft nog de helft terugdraagt… terwijl zij vindt: als je zeven kinderen op de wereld kan schoppen moet je ook zorgen dat je hun schoenen kan betalen.

     En dan zegt de buurman wel dat zij best wat appels krijgen kan, maar zij denkt: die zal die halve gare die zo vaak daar achterom loopt wel voor me meebrengen, dus ze zegt: “Nee, Leo, dat kan ik niet doen! Maar nee, Leo, je heb ze zelf hard nodig met al die kindjes!”

     Maar omdat die lapzwans er nooit geen meebrengt kan zij stiekem in het donker achterom lopen en haar schort gaan volladen!… terwijl als híj een beetje handig was met een mánd­vol zou thuiskomen, genoeg om voor heel de winter appelmoes te wecken.

     Van die zeven naast haar zijn er een stuk of vier die al een rapport van school meekrijgen en dat komen ze dan laten zien, en natuurlijk allemaal van de allerbeste punten, anders komen ze niet – van de andere kinderen uit de buurt heb je helemaal geen last – en daar willen ze dan een stuiver of liefst een dubbeltje voor hebben en dat is meer dan zij een heel jaar in de schaal doet, dus ze zegt: “Hier is een appel.” Maar weet je wat ze durven zeggen?… “Die hoef ik niet, die hebben we zelf genoeg”! …Zo waren wij vroeger niet, denkt ze, maar als ze toevallig een beetje kunnen leren, denken ze dat ze wat meer zijn dan een ander.

     Hij zal en moet buiten zijn tot de Belgische bussen met die draaiende wieltjes erop zijn langsgekomen, ook al is het don­ker, en als hij dan eindelijk binnenkomt zegt ze: “Dat zijn mensen die iets voor hun gezin over hebben, die verdienen goudgeld in de mijnen, maar jij kan dat weer niet met die poot van je… als je het dan nog geprobéerd had!… misschien had men je op een karretje laten rijden, en nu ben je oud… maar weet je dat de nabestaanden van die mijnrampen heel goed verzorgd zijn achtergebleven?”

     Maar hij blijft buiten tot de bussen voorbij zijn, ook al is het bijna winter en koud, en ’t is dus geen wonder dat hij aan het hoesten is geraakt. Kijk, zij weet van zichzelf dat ze geen sterk gestel heeft en nogal es bedlegerig is, maar hij heeft het alle­maal aan zichzelf te wijten.

“Nee, doe jij het maar,” had ze gezegd tegen het oudste meisje van de buren dat al zo`n jaar of dertien is, “ik kan nog geen woord over mijn lippen krijgen.”

     Ze vindt: als ie altijd goed genoeg was om grappen mee te maken en voor een habbekrats schoenen te repareren, dan moet-ie nou maar goed genoeg zijn om voor te bidden, al ligt-ie er dan niet zo mooi bij als die Stalin erbij lag midden in die bloemen. Het hele jaar had-ie ’t er over gehad dat hij er zo bij zou willen liggen als ’t zover was… En nou is ’t zover en ligt-ie in de bedstee en gaat zij op de divan slapen.

     “Als je bij nacht en ontij aan de weg ligt moet je niet verwonderd zijn dat je ’t te pakken krijgt,” zegt ze, “daar zou een heel wat jonger iemand ’t van op de borst krijgen.” En al heb je het benauwd, je moet toch eten, en als je keel zeer doet, wat is dan beter dan wat pap?… kan je haar niet gaan verwijten dat-ie daarin dan gestikt is, ook al was die pap wat dik. Ze is er zelf ook van geschrokken.

“Hij is dóód!” riep ze, “kom toch gauw!” En ze klopte aan de straatkant tegen het slaapkamerraam van de buren zoals hij dat altijd deed. “Kom toch gáuw! Hij is dóód! Kom gáuw!”

     En toen ging ze vlug naar binnen en bracht de pap weer naar de keuken en ook maakte ze het raampje boven de deur weer open, want ze had gedacht: “Ziezo, dat kan dicht en dat nest op de lamp dat gaat ook weg…”

Tot het eerste beest er met een klap tegen vloog.

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)


Van Facebook:
Meerveldhoven zoals het was :
Mijn ouders, Nelleke Saris en Theet Meurs, trouwden in augustus 1940, tegelijk met mijn moeders zus, Cisca Saris, met Antoon van Delft. Sinds 10 mei was Nederland bezet door de Duitsers. Nelleke en Theet gingen wonen in het huis waarvoor ze poseren: Provincialeweg 168. Het was een tweewoonst. Als je ervoor stond woonden zij aan de linkerkant. Aan de rechterkant woonden aan de voorkant Antoon van Lexmond, de schoenmaker met het houten been, en zijn vrouw, en aan de achterkant 2 broers op leeftijd, de gebroeders Oosterbosch. De laatsten waren familie van de eigenaar. De schoenmaker en zijn vrouw sliepen in een bedstee, op zijn hanglamp nestelden zwaluwen. Daarom moest het raampje boven de deur altijd open staan. Die zwaluwen op de lamp hadden al eens de krant gehaald. De schoenmaker was ondanks zijn handicap een opgewekte en vrijgevige man, zijn vrouw was chagrijnig en gierig. Stalin was niet zo lang geleden overleden, hij had opgebaard temidden van tienduizenden bloemen in de krant gestaan. De schoenmaker was de eerste dode die ik zag. Ik was 10 jaar. De Schoenmaker met het houten been is waarschijnlijk het eerste verhaal dat ik schreef over de Lange Weg. Misschien ook wel het beste. Als monoloog van zijn chagrijnig wijf vond ik het nog beter. Maar zo paste het niet in het boek.


  

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *