Srebrenica of de mandaad – Eerste bedrijf

SREBRENICA

OF DE

MANDAAD

toneelstuk in 3 bedrijven door Meurs A.M.

Personen

OUDERE MILITAIR

 De oudere militair is niet alleen Overste Karre­mans maar net zo goed de oudere soldaat Piet Hein Both als minister Voorhoeve, premier Kok, het Neder­lands op­perbevel, de VN, zelfs opperbevelhebber Janvier en president Chirac en wij allemaal met ons opportu­nisme en onze problemen.

JONGE SOLDAAT

 De jonge soldaat is niet alleen de argeloze die gebruikt wordt, die het niet meer weet en die verdringt, maar ook de wij allemaal die uiteindelijk uit elkaar barst door de ongerijmdheid en misdadigheid.

MARSKRAMER

 De marskramer is het soort oude slachtoffer, in de zin van slachtoffer van eerdere misdaden, dat letterlijk, ook moreel, boven de partijen is komen staan, zich daarop niet laat voorstaan en zijn ogenschijnlijk onno­zele rol speelt.

VROUW

GIJZELAARSTER

 De vrouw en de gijzelaarster zijn de slachtoffers aan beide kanten wier levensrollen verwisselbaar zijn.

VLUCHTELING/GENERAAL

 De vluchteling/generaal is niet alleen Mladic maar net zo goed Karadzic en Milosovic, de wapenhandelaars en iedereen die macht en voordeel ontleent aan de oorlog.

SOLDAAT HERMAN

 Soldaat Herman is de botterik, de voetbalvandaal, de discovechter, de eigen-volk-eerst-aanhanger, kortom het kanonnenvlees bij uitstek voor beide partijen.

BODYBUILDER

 Typisch iemand die niet is wat men denkt. Een spiegel, hoe dan ook.

EERSTE BEDRIJF

Enkele maanden na de genocide van Srebrenica. Een veld. Hier en daar steken menselijke beenderen uit de grond. Een tent, wat kratten en grote blikken. Een oude en een jonge militair op klapstoeltjes bij een kampvuur, waakzaam, ma­chinegeweren op schoot. Meisjesstem­men zingen: “In spin, de bocht gaat in, in spin de bocht gaat in.”

OUDERE MILITAIR: Dat zijn de nieuwe kinderen. Heb je geen last van.

JONGE SOLDAAT: (kijkt de ander nadenkend aan) Ik heb een kind in Libanon, weet je dat?

OUDERE MILITAIR: (ongemakkelijk) Jaja.

JONGE SOLDAAT: Ze heet Maria. Mooi hè?

OUDERE MILITAIR: Ja, mooi.

Meisjesstemmen:“In spin, de bocht gaat in.”

JONGE SOLDAAT: Ze is binnenkort jarig, ze wordt twee.

OUDERE MILITAIR: (niet op zijn gemak, begint heen-en-weer te lopen, struikelt over een bot, schopt het weg) Ik ben geboren op het eind van de tweede we­reld­oorlog. Ik zat er met mijn poepluiers nog in. Toch is nu, vijftig jaar later, die oorlog voor mij veel dichter­bij. In plaats van er vanaf ben ik er met mijn bewustzijn naartoe gegroeid.

JONGE SOLDAAT: Soldaten praten en schrijven lelijk. Erger dan politieagenten die een rapport opmaken.
Hangt zijn geweer aan het stoeltje, loopt naar de tent, komt terug met een laptop en begint te typen.
God, wat is dat ding langzaam!

Er ontploft een mijn, de soldaten schrikken, de OUDERE MILITAIR brengt zijn geweer in de aanslag, de JONGE SOLDAAT kijkt even naar het zijne aan zijn stoeltje en typt verder.

S R E B R E N I C A (herhaalt de naam) Vreemde naam vind je niet? Kom ook altijd in de knoei met die r’s, die medeklinkers… Sru… Bru… (herhaalt de naam langzaam) Een naam vol droefheid en melan­cholie, zoals S-O-B-I-B-O R … Waar ken ik die naam van?

OUDERE MILITAIR: (Opent zijn mond om het ant­woord te geven maar doet het niet.) Als jij nou eens even dat ding weg wilde leggen en dat andere ding (knikt naar het geweer aan de stoel) op wilde pakken, dan kon ik ook even wat anders gaan doen!

JONGE SOLDAAT: O, wil je ook naar huis schrijven? Wil je ook schrijven dat het nog veertig dagen is voor­dat je thuis komt? Dat je er naar uit kijkt, dat het hier nu heel anders is dan de vorige keer? Dat Dutchbat zich nu veel anders opstelt (legt laptop op de grond, pakt zijn geweer), veel waakzamer! (springt op met zijn machinegeweer in de aanslag) Dat we niks meer pikken!

OUDERE MILITAIR: (scherp) We zijn geen Dutchbat meer!

JONGE SOLDAAT: We hebben onze naam veranderd. Wat voor reden kan iemand hebben om van naam te veranderen?

OUDERE MILITAIR: Let jij nou even op, dan kan ik nog even wat doen, ja!

JONGE SOLDAAT: Okay, okay! (springt quasi-waak­zaam van de ene hoek van het toneel naar de andere)

De OUDERE MILITAIR pakt de laptop op, loopt de tent in, komt terug met een doos met schoenpoets­spullen, trekt zijn kistjes uit en begint ze in te smeren. De JONGE SOLDAAT staat verbaasd naar hem te kij­ken.

JONGE SOLDAAT: Dat kan niet hoor! Als er alarm is, loop jij op je sokken.

De OUDERE MILITAIR trekt zijn schoenen aan, gaat met de schoenpoetsspullen de tent in, komt eruit met scheergerei, vult zijn helm met water uit een jer­rycan en scheert zich. De JONGE SOLDAAT kijkt weer ver­baasd toe.

JONGE SOLDAAT: En als die helm nu eens plotseling op moet?

De OUDERE MILITAIR doet alsof hij de helm met zeepsop op zijn hoofd wil zetten.

JONGE SOLDAAT: Als je zover bent, wil ik graag weer.

Duwt de OUDERE MILITAIR zijn geweer in zijn handen, gaat zitten en begint zijn eigen geweer uit elkaar te halen en schoon te maken, de OUDERE MILITAIR kijkt hoofdschuddend toe.

OUDERE MILITAIR: En als… (Zwijgt, er gaat opnieuw een mijn af, de JONGE SOLDAAT steekt haastig zijn geweer in elkaar.) Daar gaat er weer een. Drie dollar om er een te leggen, drieduizend of een leven om er een op te ruimen.

Begint heen en weer te lopen, stoot met zijn voet tegen het bot van een arm, neemt zijn geweer in één hand, raapt het bot op, bekijkt het aandachtig maar ziet niet wat het is, gooit het achteloos weg.

Hoor jij de kinderen nog? (kijkt naar zijn eigen hand en onderarm) Mijn moeder kreeg steeds meer een vogel­kopje toen ze op sterven lag. Tenslotte lag er een dood vogeltje. Maar haar hand, waarmee ze me kort tevoren nog geknepen had, lag daar ijzersterk op de rand van het bed, als de poot van een oude, taaie kip.

JONGE SOLDAAT: Het was heet die dagen nadat we als helden ingehaald waren. Dus de kant van de zon wilde ik niet op. Aan twee kanten waren hui­zen, met mensen ernaast en ervoor, of die er plot­seling uit te voorschijn konden schieten. Aan de andere kant was geen uitweg. Ik bleef dus thuis.

OUDERE MILITAIR: Ik keek vanuit mijn raam naar twee vrouwen in de achtertuinen die net zo lang achter een kat hadden aangezeten tot die de vogel liet vallen. Ze hadden elkaar opgezweept met uit­roepen als ”zie­lig!”, “wat erg!”, maar wisten toen ze plotseling de gewonde vogel konden pakken, niet goed wat te doen. Eigenlijk hadden ze hier niet op gerekend. Maar ze konden niet meer terug, raapten de vogel op en gingen naar de dierenarts. “Kunt u hem nog redden, dokter, alstublieft?,” zei­den de vrouwen. De dierenarts had medelijden met de vogel en de vrouwen, pakte de vo­gel met twee handen aan, trok ongemerkt aan het kopje en zei: “Helaas, hij is al dood.”

De JONGE SOLDAAT heeft zijn oren gespitst, springt naar de rand van het toneel en begint te schie­ten, de OUDERE MILITAIR duikt op zijn buik en vuurt in dezelfde richting.

OUDERE MILITAIR: (staat op) Wat was er nou?

JONGE SOLDAAT: Je maakt me nerveus met die ver­halen over de dood. Die kinderen zijn allang naar huis. Ze mogen hier trouwens helemaal niet ko­men.

OUDERE MILITAIR: Ik vind dat de dood steeds ge­woner wordt. Vroeger was dat onvoorstelbaar. Niet dat ik erop zit te wachten. Maar er gewoon niet meer zijn. Zoiets als slapen zonder dromen.

JONGE SOLDAAT: Je moet gewoon niets willen.

OUDERE MILITAIR: De mensen zijn misdadig. Als ze zich goed gedragen is het schijnheiligheid. Of be­reke­ning.

JONGE SOLDAAT: Mensen zijn kuddedieren. Er zijn er maar een paar die van de grote hoop durven af­wij­ken. Dus moet je een klimaat scheppen waarin misda­digheid ‘not done’ is. (nadenkend) Dat is het enige wat je kunt doen.

Stilte.

Houdt u van voetballen, kolonel?… In Bratunac is een voetbalstadion. Er doen allerlei verhalen over de ronde.

OUDERE MILITAIR: Ik kan me de verhalen over voet­balstadions in Chili nog herinneren. Voetbalstadi­ons zijn kwetsbare plaatsen. Er wordt gauw over geluld. Dat heeft niets met voetballen te maken.

JONGE SOLDAAT: Ben gisteravond naar een cowboy­film geweest. Leuk maar ongeloofwaardig. De held redde, en offerde zich op voor, een dorpsgemeen­schap die hem nota bene verstoten had.

OUDERE MILITAIR: Ach, het is film, moet je maar denken. (Begint waakzaam heen en weer te lopen.) Van die lokale strijders hebben we wel geen last meer, maar er loopt hier nog vanalles rond.

JONGE SOLDAAT: (Begint ook heen en weer te lopen, struikelt over beenderen) Jezus, wat is dit hier? Zitten we bovenop een vuilstortplaats? Of is dit een oli­fan­tenkerkhof. Dan zitten we gebakken, kolonel.

OUDERE MILITAIR: Wat zeg je opeens vaak: kolonel. Er is hier nog nooit een olifant geweest, mafkees. Niet eens met een circus.

JONGE SOLDAAT: Weet ik veel. Misschien met de Mongolen. Hadden die geen olifanten? Of alleen paar­den? Hannibal had toch ook olifanten! 

Ze gaan allebei weer zitten en staren voor zich uit.

Ik heb een vriendin!

OUDERE MILITAIR: Zo, hartstikke mooi.

JONGE SOLDAAT: Ik heb twee-en-een-half jaar geen seks gehad. Da’s lang, hè?

OUDERE MILITAIR: Ja, da’s lang.

JONGE SOLDAAT: Ja, een hele tijd. Ik ben ziek ge­weest.

OUDERE MILITAIR: Nou ja, dan maar kalm aan in het begin hè. (Neemt plotseling een besluit) O.K, O.K, we mogen allebei ons verhaal vertellen. Ik zal luisteren naar wat jij schrijft.

De JONGE SOLDAAT staat blij op, haalt zijn laptop en gaat weer zitten.

JONGE SOLDAAT: Hè, wat is dat ding langzaam! 

Hij typt terwijl de OUDERE MILITAIR aan het woord is, zo gauw hij er even tussen kan komen leest hij wat hij typt of getypt heeft.

OUDERE MILITAIR: Ze waren al uren liederen aan het zingen, alles door elkaar, religieuze liederen, po­pulaire liedjes. Het repertoire was op, van mij werd een nieuwe impuls verwacht, maar het hoefde niet meer.

JONGE SOLDAAT: (plechtig en houterig) Wij weten dat het nu goed met je gaat. Jij bent nu op een goede plaats. Er is daar veel gebeurd. Maar jij mag jezelf niets verwijten. Wij weten dat je dat niet mag. Want wij zijn jouw vrouw en kind (denkt na).

OUDERE MILITAIR: Laat gaan, moeder, het hoeft niet meer. Geef het op. Ga maar naar vader. Wij doen ie­dereen de groeten. Je hebt je best gedaan. We zijn er allemaal.

JONGE SOLDAAT: (plechtig en houterig) Wij weten dat jij terugkomt naar Libanon. Want wij zijn jouw vrouw en kind (snikt). Wij zijn Fatima en Maria. Maria is jouw kind. Zij wordt binnenkort twee jaar.

OUDERE MILITAIR: Ze stierf een half uur nadat ik, na twee uur treinvertraging, aankwam. Ze had op mij gewacht, zei mijn zus.

JONGE SOLDAAT: (plechtig en houterig) Wij houden heel veel van jou. Wij hebben contact met jou door onze stemmen. Wees gerust. Het komt allemaal goed. Ga nu maar slapen.

OUDERE MILITAIR: ‘t Is gestopt, ik voel het, nee, nog niet. Niet huilen, nog niet, ze mag het niet merken. Nee, ‘t klopt nog, heel zwak, dit kan nog uren du­ren. Nee, het is nu zo afgelopen. Rustig maar, moeder, we zijn er allemaal.

JONGE SOLDAAT: (plechtig en houterig) Het is goed dat jij daar een taak hebt. Dat jij de kolonel helpt. Jij doet dat ook voor ons, jouw vrouw en kind. Welte­rus­ten. Wij houden van je. Geen dode zal jouw slaap ver­storen. Ga nu maar lekker slapen. Ga maar slapen.

OUDERE MILITAIR: (Kijkt vol medelijden naar de JONGE SOLDAAT) Ga maar, moeder, laat het maar los. (wacht) Langzaam was het bloed weggetrokken en voelde haar gezicht en ook haar lichaam al koud aan. Ze ademde nog één keer uit. Het leek op een fluiste­rend “jaaaaah”.

De JONGE SOLDAAT is boven zijn laptop in slaap gevallen, de OUDERE MILITAIR loodst hem naar de tent.

Kom, morgen is er weer een dag.

Einde 1e bedrijf

(wordt vervolgd)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *