Srebrenica of de mandaad – Tweede bedrijf

toneelstuk in 3 bedrijven door Meurs A.M.

Tweede bedrijf

(Eerste Bedrijf)

Personen

OUDERE MILITAIR

 De oudere militair is niet alleen Overste Karre­mans maar net zo goed de oudere soldaat Piet Hein Both als minister Voorhoeve, premier Kok, het Neder­lands op­perbevel, de VN, zelfs opperbevelhebber Janvier en president Chirac en wij allemaal met ons opportu­nisme en onze problemen.

JONGE SOLDAAT

 De jonge soldaat is niet alleen de argeloze die gebruikt wordt, die het niet meer weet en die verdringt, maar ook de wij allemaal die uiteindelijk uit elkaar barst door de ongerijmdheid en misdadigheid.

MARSKRAMER

 De marskramer is het soort oude slachtoffer, in de zin van slachtoffer van eerdere misdaden, dat letterlijk, ook moreel, boven de partijen is komen staan, zich daarop niet laat voorstaan en zijn ogenschijnlijk onno­zele rol speelt.

VROUW

GIJZELAARSTER

 De vrouw en de gijzelaarster zijn de slachtoffers aan beide kanten wier levensrollen verwisselbaar zijn.

VLUCHTELING/GENERAAL

 De vluchteling/generaal is niet alleen Mladic maar net zo goed Karadzic en Milosovic, de wapenhandelaars en iedereen die macht en voordeel ontleent aan de oorlog.

SOLDAAT HERMAN

 Soldaat Herman is de botterik, de voetbalvandaal, de discovechter, de eigen-volk-eerst-aanhanger, kortom het kanonnenvlees bij uitstek voor beide partijen.

BODYBUILDER

 Typisch iemand die niet is wat men denkt. Een spiegel, hoe dan ook.

TWEEDE BEDRIJF

Enkele maanden na de genocide van Srebrenica, een dag na de vorige scène. De OUDERE MILITAIR en de JONGE SOLDAAT bij hun tent in de weer met kratten en blikken en een notitieblok. Ze horen wat en brengen hun geweer in de aanslag

JONGE SOLDAAT: Daar komt iemand!

Geluiden van iemand die nadert, de MARSKRAMER komt op.

MARSKRAMER: Laat geweren maar zakken. Het is jullie ouwe marskramer Cupic. Cupic had jullie al­lang dood kunnen schieten. Maar Cupic heeft geen schiet­geweer in zijn mars. Cupic heeft heel wat in zijn mars, jullie oude vriend Cupic. Cupic mars is de
v-e-r-b-r-o-e-der-i-ng tussen de volken.

OUDERE MILITAIR: (Opgelucht) Kom erbij, ouwe sja­che­raar. Maar een ogenblik, ik moet even wat recht­zetten. (Loopt de tent in en begint in de telefoon te schreeuwen)
Jullie hebben wel iemand doorgelaten, ja! Kwam wel van jullie kant, ja! Toevallig was het een oude bekende, ja! Maar als het geen oude bekende was, ja! Waren we er wel geweest, ja! We zijn NAVO, ja! (legt hoorn neer, mompelt) Stelletje Dutchbatters!

MARSKRAMER: (Heeft zijn mars afgedaan en is op zoek ge­gaan naar koffie, die op een brander staat) Beetje sui­ker, beetje melk ja. Alles beetje. Echte melk. Niet melk-poe-der. (Proeft vooral de wat moeilijkere Ne­derlandse woorden). Krijg ik jeuk van.
Jullie hebben veel spullen. Hebben jullie zelf meege­bracht? Niet meer van Serviërs kopen? Cupic heeft niet veel spullen. Maar wel bijzonder. (triom­fantelijk) Klein maar fijn. (Probeert wat spullen aan de man te bren­gen, van portemonnee tot condoom met haar. Tot JONGE SOLDAAT) Vindt jouw meisje lekker! En toch veilig vrijen!

OUDERE MILITAIR: Vertel eens, man, hoe heb je over­leefd? Kerel, ik ben blij je te zien. Met iedereen aan­gepapt zeker.

MARSKRAMER: Alleen met handel. Handel zal er altijd zijn. Ben jij Joegoslaaf? Heet jij Cupic?

OUDERE MILITAIR: Joegoslaven bestaan niet meer.

MARSKRAMER: (tot JONGE SOLDAAT) Ben jij Joegoslaaf?

JONGE SOLDAAT: Ja.

MARSKRAMER: Hoe heet jij?

JONGE SOLDAAT: Cupic. (Kan zijn lachen niet hou­den.)

MARSKRAMER: Heet jij Cupic?

JONGE SOLDAAT: Nee, ik maak een grapje.

MARSKRAMER: Ik heb geen moeder!

JONGE SOLDAAT: (praat als de MARSKRAMER) Ik weet het, ik weet het dat jij iedereen vraagt.

MARSKRAMER: Mijn moeder heet Angelina Cupic. Ik heb Kroatische naam, maar ik ben Serviër, dat weet ik. Mijn moeder Angelina, (op zijn engels) angel, en­gel. Naam van katholieke nonnen. Maar ik ben geen Kroaat. Nonnen hebben mijn moeder deze naam ge­ge­ven. (Wacht) Communisten hebben mijn moeder mis­schien een spuitje gegeven. Misschien vind ik mijn moeder. Misschien vind ik broer of zuster.

OUDERE MILITAIR: Hoe weet jij jouw naam?

MARSKRAMER: Ik heb papieren gezien.

OUDERE MILITAIR: Cupic is de naam van je moeder, niet van je vader?

MARSKRAMER: Ik heb geen vader. Mijn moeder is ver­kracht door vreemde man.

OUDERE MILITAIR: Jammer, wij zijn allemaal Nederlan­ders.

MARSKRAMER: Ik wil ook naar Nederland. In Neder­land veel Joegoslaven. Ik leer Nederlands. (Haalt leerboek te voorschijn, leest invuloefening) Ik heb een ver-drie-ti-ge moeder. Mijn moeder heeft veel ver­driet. Zelfstandig naamwoord.

De telefoon gaat, de OUDERE MILITAIR neemt hem aan.

OUDERE MILITAIR: Ja, Wat? Twee VROUWen. Goed, laat maar komen. (Legt hoorn neer, tot JONGE SOLDAAT) Twee gekke wijven, denk ik. Met een touw aan el­kaar verbonden. Hum, bergbeklimmers? Toch maar even voorzichtig. Kom!

Beduidt JONGE SOLDAAT en MARSKRAMER mee in dekking te gaan achter de kratten, MARSKRAMER wil eerst zijn spullen bij elkaar pakken, gaat als laatste, valt over een bot.

MARSKRAMER: Jullie hebben wel een plek uitgeko­zen! (Legt het bot eerbiedig in een bepaalde orde die hij alleen zelf ziet.)

OUDERE MILITAIR: Kom, nou maar. ‘t Is overal wat. Onze vorige plek was in een vroegere accufabriek. Er lag overal accuzuur.

Ze wachten.

VROUW: (buiten beeld) Hollander, ben je daar?

OUDERE MILITAIR: Ja.

VROUW: (buiten beeld) Ben jij dat, Hollander?

OUDERE MILITAIR: Ja, kom nu maar.

Een VROUW (klein, vinnig, met leren rokje) trekt een GIJZELAARSTER (groot, kinderlijk, goedaardig) aan een touw om de hals met zich mee.

JONGE SOLDAAT: (Komt overeind achter de kratten, kijkt verbaasd naar de vrouwen en springt dan blij verrast achter de kratten vandaan, ook de anderen komen te voorschijn. JONGE SOLDAAT pathetisch::) Sarajevo! Jullie zijn uit Sarajevo! Waar de cultuur niet kapot was te krijgen. Waar de be­schaving heeft overleefd!

VROUW: (Gaat op klapstoeltje zitten, zucht, laat GIJZELAAR­STER op de grond plaatsnemen, nuchter)

Ik laat haar niet gaan voor ik mijn dochter terug heb. Ze kunnen me nog meer vertellen!

JONGE SOLDAAT: Jullie zijn Pozzo en Lucky uit ‘Wach­ten op Godot’ van Becket. Wel ondeugend hoor! Door vrouwen gespeeld! Dat zou Becket niet goed vinden! Nou ja, oorlogsomstandigheden.

VROUW: (zonder iemand aan te kijken) Hebben jullie mijn dochter gezien?

GIJZELAARSTER: (van de een naar de ander kijkend, hoopvol) Hebben jullie haar dochter gezien?

MARSKRAMER: (zonder zich duidelijk tot een van beide vrouwen te richten, weinig hoopvol) Heet jij Cupic?

VROUW: (blij) Ja!… (bedenkt zich) Nee…, dat was een an­der. Op sommige plaatsen heet iedereen Cupic.

MARSKRAMER: (springt op haar af) Waar? Waar?

VROUW: Och, laat maar.

GIJZELAARSTER: (blij in het rond) Als we haar doch­ter vinden, ben ik vrij! Ze is heel goed voor me, hoor! Kan ik mijn man en zoon gaan zoeken.

MARSKRAMER (probeert, half over de VROUW heen gebogen, druk gebarend meer van haar te weten te komen) Waar, zeg dan waar!

VROUW: (duwt de MARSKRAMER weg) Bij de Kroaten heet iedereen Cupic.

MARSKRAMER: (op wanhoopstoon maar gerouti­neerd) Ik ben geen Kroaat, ik ben Serviër! Mijn moeder is verkracht door vreemde man.

VROUW: Door een Serviër? (mompelt) Ook toen al?

MARSKRAMER: (nog steeds op dezelfde toon) Mijn moeder is Servische. Angela Cupic is naam die zij heeft van katholieke nonnen! Ik voel het, ik ben geen Kroaat! (schiet plotseling in de lach, vermant zich, gaat rechtop staan) Ik ben in-ter-na-ti-o-naal!

VROUW: Ga nou maar zitten. We hebben allemaal wat. Mijn dochter terug en mijn en haar probleem is op­gelost.

JONGE SOLDAAT: (kijkt naar de GIJZELAARSTER) Dan kan ze de mannen gaan zoeken.

MARSKRAMER: (schudt meewarig zijn hoofd, loopt naar zijn ransel, stoot tegen een bot, legt het voorzich­tig opzij, pakt zijn leerboek, zoekt en vormt naar het publiek het woord:) Volks-ver-lak-ker-ij (kan ondanks zijn treurnis het plezier in het uitspreken van dit woord niet verbergen).

Plotseling komt een VLUCHTELING met getrokken re­volver het toneel op springen, hij draagt een ski-jack boven een militaire camouflagebroek, hij zegt “eh,eh” en richt beurtelings zijn revolver op de OUDERE MILI­TAIR en de JONGE SOLDAAT die hun machine­geweer willen pakken, richt op de andere aanwezigen en stopt dan met een geroutineerd gebaar de revolver in de hol­ster, zegt:

VLUCHTELING: Okay, okay (steekt zijn handen half om­hoog).Vluchteling! (pakt een klapstoeltje en gaat in het midden zitten, kijkt om zich heen) Alles goed hier? (Iedereen is nog verbouwereerd) Is er wat te bikken? (De JONGE SOLDAAT staat op) Nee, blijf maar zitten. Laat die (knikt naar de MARSKRAMER) het maar doen.

De GIJZELAARSTER maakt aanstalten overeind te ko­men.

VROUW: Ksst! (trekt haar aan het touw terug)

VLUCHTELING: Laat haar het niet wagen ook maar iets aan te raken wat ik moet eten of drinken! (tot de MARSKRAMER) Kom op, Kroaat!

MARSKRAMER: (beweegt zich niet) Heet jij Cupic?

De VLUCHTELING verstijft, wil hem aanvliegen, be­heerst zich. De JONGE SOLDAAT staat haastig op en geeft de VLUCHTELING wat te eten. Terwijl deze eet, kijkt iedereen zwijgend naar hem, behalve de MARSKRAMER. Die verdiept zich in zijn leerboek. Zegt a een poosje:

Lui-s-ter-oe-fe-nin-gen zijn voor mij extra moei­lijk.

VLUCHTELING: (richt zich tot de JONGE SOLDAAT, het is duidelijk dat de VLUCHTELING en de OUDERE MILITAIR elkaar ontwijken)

Ik ben op de vlucht. Kan ik asiel krijgen in Nederland en kan ik met jullie mee? Waar moet ik aan voldoen? Doet het ertoe voor wie ik op de vlucht ben? Navo, Moslims bijvoorbeeld. Kan ik een zaak beginnen daar bij jullie en maakt het uit in wat? Mogen het bijvoor­beeld, laten we zeggen, strategische goederen zijn? Of kan ik bij jullie bij de politie? Of misschien in het leger?

JONGE SOLDAAT: (gooit er zo nu en dan een woordje als ‘aanmeldcentrum’, ‘vluchtverhaal’ en ‘asielzoekers­centrum’ tussendoor maar de VLUCHTELING luistert alleen naar zijn eigen vragen en schijnt niet op ant­woorden te rekenen)

VROUW: Dat soort lui heeft ons vanalles beloofd en kijk hoe ik hier zit… voor mijn eigen belangen op te komen. Met een andere vrouw die er ook allemaal niks aan kan doen.

VLUCHTELING: (ergert zich aan de onverstoorbaar­heid van de MARSKRAMER) Ben je soms een jood? Of een zigeu­ner? Ben je overal doorheen geglipt? Glui­perd! Heb je van alle walletjes gegeten? Gewacht op de krui­mels die van tafel vielen? Zielepoot! Kruimeldief! Pak eens een keer iets groots aan. Ik wacht niet als een hond onder de tafel. Ik spring op tafel! (Springt tegelij­kertijd op) Niet van dat kleine, dat benepene! Zigeu­ner! Jood! Schapeneuker! Muzelman!

MARSKRAMER: (Heeft een schedel in zijn hand, praat voor zich uit in opvallend vloeiend Nederlands, als een tekst die hij vanbuiten heeft geleerd)

Ze zullen per schedel betaald worden. Zodat je niet het verhaal van de ratten kan krijgen, waarvan in het ene dorp de kop en in het andere de staart werd in­geleverd voor 10 gulden per stuk. Ze zullen alleen de schedels opgraven en inleveren, de rest laten liggen. (tot de VLUCHTELING) Ik ben Serviër.

VLUCHTELING: Jij Serviër? Beledig niet mijn bloed en het bloed van onze voorvaderen.

MARSKRAMER: (met tegenzin) Ik heb Kroatische naam, maar ik ben Serviër. Dat voel ik. Maar ik ben niet zo­als jij. (zet voorzichtig de schedel opzij) Ik heb met wat hier is aangericht niets te maken.

VLUCHTELING: (schopt een bot weg) Ik verstop je in die rotzooi, klootzak. (Trekt zijn revolver) Ben jij Servisch? Dan leggen we jou ertussen en maken er een Servisch massagraf van en geven de Moslims de schuld. Ben je als lijk toch nuttig voor je echte vader­land.

Er vliegen stenen over het toneel.

VROUWENSTEMMEN: (buiten beeld, klaaglijk) Wij willen onze mannen terug. Ze hebben ons bedrogen. Ze zouden ons beschermen. Wij willen weten waar onze mannen zijn. Wij willen weten of ze dood zijn.

VLUCHTELING: Godverdomme! (Loopt de coulissen in en schiet, er klinkt een kreet, komt terug) Ze denken dat je niet op ze schiet en daarom doe ik het juist wel. Om­dat er geen wapenstokken en rubberkogels zijn, den­ken ze hun gang te kunnen gaan. (Ziet dan dat de JONGE SOLDAAT hem met zijn machinegeweer in de aan­slag staat op te wachten, doet zijn revolver weg) Okay, okay, ik wist niet dat je zo gauw kwaad werd.

GIJZELAARSTER: (kan van nervositeit haar mond niet hou­den, op haar zeurderige toon) Kan mezelf soms ook niet begrijpen, hoor. Ik ben helemaal niet voor dat ge­weld en voor wraak en zo, maar een keer vond ik het helemaal niet erg dat een veertienjarige jongen werd verkracht en vermoord, want die jongen was de zoon van een Servische generaal en had zelf heel wat meisjes verkracht en vermoord, waaronder mijn ei­gen dochter. Maar toch was ik van mezelf geschrok­ken, hoor, want ze zeggen dat ik heel goedmoedig ben, en ik denk dat ik dat ook ben, hoor, maar toch vond ik het die keer niet erg.

Ze kijkt in het rond, de anderen vermijden haar en de VLUCHTELING aan te kijken, de MARSKRAMER schudt zijn hoofd, tenslotte staat de VLUCHTELING met een zucht op, neemt het touw over van de VROUW, mompelt:

VLUCHTELING: Ik heb zelf ook wat beweging nodig, ik laat haar even de benen strekken.

OUDERE MILITAIR: Ja, genera… (slikt het in, kijkt naar de anderen)

De VLUCHTELING en de GIJZELAARSTER gaan sa­men af, de JONGE SOLDAAT doet nog een paar pas­sen achter ze aan, maar dan is er al de knal.

Einde 2e bedrijf

(wordt vervolgd)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *