Jantje en de stok (uit Aan de Lange Weg)


(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

Jantje en de stok

De hobbelkeienstraat oversteken, de strook gras, dan het betonnen fietspad dat volgens vader door de Duitsers is aange­legd, en dan over het gras tussen fietspad en sloot lopen, tot hij het paadje in kan waar de anderen voor hem al om de bocht met bosjes en braamstruiken verdwenen zijn.

     Daar vindt hij hem terug, onopvallend rechtop alsof hij een deel is van de struik, in plaats van een losse gladde stok die hij na een vlugge blik om zich heen onder tegen zijn rug legt en met de holten van zijn ellebogen op zijn plaats houdt.

     Zo begint hij met naar achter getrokken schouders lang­zaam achter de anderen aan te lopen, want die moeten alweer het zijpad links ingeslagen zijn voor hij de bocht om kan.

     Als hij, zelf aan het eind van het zijpad, hem in de hoge heg verbergt, zijn zij al bij de school of onzichtbaar voor hem in een van de inhammen van de Schoolstraat hun spelletjes aan het doen… plots afgebroken door de meester die de straat vult met het geluid van de bel die hij hoog alle kanten opzwaait en waarmee hij van overal de hollende kinderen naar zich toe trekt.

     Jantje wil niet hollen. Hij begint met zijn ogen te knipperen om het eronder te houden, versnelt wel zijn pas, terwijl hij probeert steeds enkele kinderen tussen zichzelf en de man met de bel te hebben. Het kost zo`n inspanning dat hij al gauw niet meer weet wat het belangrijkst is: het eronder houden of iemand tussen zichzelf en de meester houden, terwijl dit laatste toch alleen dient voor het eerste.

     Maar dan voelt hij dat gaat gebeuren wat in ieder geval zou gebeuren wanneer het laatste kind voor hem weg is, en waarte­gen nu steeds heviger knipperen niet meer helpt: het stijgt omhoog tot achter in zijn nek.

     En dan begint ook hij te hollen, met de bedoeling dat hollen de oorzaak te laten lijken voor wat weer onhoudbaar bleek: het hevig rode hoofd dat nu op zijn schouders brandt en waarmee hij de meester voorbij rent, terwijl hij “pf, pf” puft en met natte ogen naar de man kijkt, die meteen na hem de bel stopt en achter hem aan de school in loopt.

     Hij begrijpt meteen wat ze aan het doen zijn als hij het klaslokaal in komt en onwillekeurig kijkt hij achterom, naar de meester die er nog niet is.

     Ik hoef het niet te weten, denkt hij. Als ik het niet weet, kan ik het niet vertellen en hoef ik niet te liegen en te kleuren alsof ik het wel weet.

     Hij blijft strak naar de vloer kijken terwijl hij naar zijn bank loopt, waar hij meteen een schrift pakt en met de losse hand een diagonale lijn probeert te trekken.

     De meester gaat als gewoonlijk een voor een het rijtje af, heft de liniaal op en steekt deze met een snelle beweging in de richting van degene die ondervraagd wordt, alsof hij een klap geeft.

     Jantje moet zich concentreren: hij moet recht blijven.

     Terwijl hij toch de antwoorden van sommige jongens hoort – “Nee, ik weet het echt niet, meester, ik lach niet en krijg geen rooie kop, of wel soms?” – denkt hij bij zijn derde blaadje: hij moet recht van de linker onderhoek naar de rechter bovenhoek gaan, als dat lukt, zal het niet omhoogkomen, o god, laat het lukken, laat hem recht zijn, dan weet ik dat ook dat andere zal lukken en ik niet eens zal hoeven knipperen om het eronder te houden.

     Hij dwingt zichzelf op de lijn, maar hoe kan het dan dat hij de jongen naar zich ziet kijken, en dan ook plotseling dat ziet zitten waar het allemaal om gaat?… zo opvallend dat het belachelijk is naar iets te vragen dat zo duidelijk aanwezig is en daarboven een stukje uit de gordijnroe steekt.

     Nu is het niet meer te houden, denkt hij, nu ik het weet, weet ik opeens weer alles, ook dat het donderdag is en zij misschien al uit haar bank is opgestaan, naar de lessenaar loopt, daar de map pakt en de gang in gaat, waar haar stappen hol opklinken, vooral op plaatsen waar geen jassen hangen.

     En terwijl het met de lijn op zijn papier helemaal misgaat en hij het onstuitbaar voelt komen opzetten, denkt hij: ze sluit nu de deur en, hoe zacht ze het ook doet, het klinkt door de hele meisjesschool. Op de stoep kan ze twee dingen doen: rechtsaf en dan voor de school langs en dan weer rechts door het Maagdenpad, of meteen links over het schoolplein en door het poortje in de haag van het klooster gaan, en als ze dat doet is ze er eerder en kan elk ogenblik binnen komen!

     Dan barst het los en weet hij dat het knipperen hem niet meer redden kan, en dat ook de beloftes dat niet kunnen, zoals nooit meer zijn grote zus te stompen, al doet ze nog zo bazig… hoewel hij het met deze zeer grote belofte nog wel probeert.

     En op het moment dat de liniaal naar hem geprikt wordt kijkt hij vuurrood met tranende ogen de meester aan en ant­woordt nee op de vraag of hij de aanwijsstok weet.

     Maar de meester gaat hem zonder meer voorbij, en mis­schien is dat het ergst van alles, het meest beledigend: dat het niets meer zegt bij hem, een rooie kop, en dat zelfs de Kuus dat weet.

     Hij zit hier nog aan te denken als de deur opengaat en, wat hij gevreesd had maar ook weer vergeten was, zij binnenkomt en de map op de lessenaar legt.

     Maar dan is ze ook al weer verdwenen, en terwijl de jongen hem strak en spottend aankijkt, kijkt hijzelf met grote ogen rond en is verwonderd dat het zo snel voorbij is en dat hij helemaal niet kleurt. Integendeel, hij heeft zelfs het gevoel dat hij bleek ziet, heerlijk wit ziet. Ik heb een blank gevoel, zegt hij in zichzelf, een verheven droef gevoel, in ieder geval het totaal tegengestelde van dat gloeiende, dat aarde- en vuurgevoel. Het zal veranderen, ik heb het doorstaan, ook de blik van de jongen die het in me omhoog wil trekken.

     De jongen heeft zijn ogen nog steeds vast op hem gericht, en toch hebben die ogen heel even het hoekige lichaamsdeel aangewezen dat daar links voor hem stijf en paars in de geopende broek onder de bank staat, met een knik erin lijkt het, als een stok onder water.

     En dan komt het weer als een golf in hem omhoog, het drijft de spot met alle gedachten die hij kort tevoren heeft gehad, het prikt en jeukt in heel zijn bovenlijf, het zweet breekt hem uit en hevig knipperend wendt hij zich af en plaatst zijn arm tegen zijn hoofd tussen zichzelf en de pik in, terwijl de jongen zacht grinnikt.

     Ver voor iedereen is hij om vier uur de school uit. Bij de heg kijkt hij hoe de stok hoog in de lucht om zijn as draait en dan neerploft in het koren. Wat heeft hij aan rechte schouders als hij zo`n probleem heeft met wat er op die schouders staat! En trouwens, de welpenakela die hem de stok heeft aangeraden heeft zelf nog steeds een kromme rug.

     Terwijl hij staart naar de plek waar de stok is neergekomen, heft hij de hak van zijn rechtervoet wat van de grond en drukt zijn billen uit elkaar om door te laten wat al gauw geen scheet blijkt en waarvoor hij snel zijn billen weer bij elkaar moet knijpen. Hij moet nu een besluit nemen: het pad terug uit en weer de weg op waar huizen en wc’s zijn, maar waar ook de sigarenfabriek is waar hij omheen moet, en waar eigenlijk maar één huis is dat in aanmerking komt, halfweg, in de bocht van de Lange Weg, het winkeltje waar hij achterom kan lopen en zonder vragen poepen kan. Maar haalt hij dat? Of hij moet verder het paadje in en daar een plekje vinden, met het risico dat de jongens hem inhalen en hem terwijl hij gehurkt zit omduwen in zijn eigen stront.

     Hij hoort de jongens komen en gaat op een sukkeldrafje het paadje verder in, in de hoop dat hij helemaal niet hoeft te stoppen, en deze weg is korter. Al gauw moet hij stapvoets gaan en zijn billen samenknijpen, tot de pijn wegtrekt en hij weer even vlugger kan.

     Dan is het al weer terug, de drang wordt erger, hij moet helemaal stilstaan en zich over de kramp in zijn darmen bui­gen. Daar zijn de jongens, ze zullen hem niet inhalen, wat er ook gebeurt!, en hij gaat verder, kijkt nog één keer naar een plekje waar hij ongezien kan neerduiken, maar daar is het weer, hij zou nu moeten stilstaan en zijn aars dichtknijpen, maar hij hoort de jongens en doet het niet, hij richt zich op om harder te rennen, gooit alles los en tegelijk ploft, spat het in zijn broek als een bevrijding en loopt meteen langs zijn blote benen naar beneden.

     Maar zij zullen het niet zien! Terwijl hij blijft draven, bukt hij zich en trekt een bos droog gras los, waarmee hij tijdens het lopen langs zijn benen wrijft. Hij komt zo dadelijk uit het pad, zal de Lange Weg moeten oversteken, dan mag er weinig te zien zijn, en hij begint zich voor te bereiden op de verwijten die hij zal te horen krijgen.

     Als er een nieuwe golf over zijn benen spuit, beseft hij de hopeloosheid van alles wat hij probeert en begint, terwijl hij thuis achterom loopt, te huilen en te roepen: “Mama, ik heb in mijn broek gepoept en kon er niets aan doen.”

     Misschien is iemand hem op de fiets voorbij gereden en heeft die zijn moeder gewaarschuwd, want er staat onder de lindeboom een emmer met water klaar, waar hij met kleren en schoenen in moet gaan staan. Moeder Anneke jaagt de kinde­ren weg die grinnikend om de hoek komen kijken.

     “Maar we komen schommelen,” zeggen ze.

     “Nou niet,” zegt zijn moeder kortaf en vraagt aan hem waarom hij zo`n schijterd is dat hij op school niet durft te vragen of hij naar de wc mag en waarom hij dan niet meteen ná school gaat.

     Zijn moeder doet zijn schoenen en kleren uit en laat deze in de emmer achter terwijl ze hem naakt in een andere emmer zet. Hij kijkt even of er geen kinderen zijn, maar kan haar toch niet vertellen dat hij bang was dat de jongens hem zouden opwach­ten, hem tot een gevecht uitdagen dat hij niet kon winnen en hem pesten met wat in de klas was gebeurd.

     Maar terwijl hij in de emmer staat en zijn moeder hem wast, glimlacht hij opeens, opgelucht met het besluit dat hij zojuist heeft genomen, namelijk nooit te trouwen, omdat je daarvoor een meisje moet vragen, en om zich als een kluize­naar van alles en iedereen af te zonderen, of om in ieder geval naar Afrika te gaan, waar hij doorlopend zo roodbruin verbrand zal zijn dat niemand ziet wanneer hij van kleur verandert.

     En blij met deze oplossing kijkt hij met glanzende ogen en een blos op zijn wangen langs zijn moeder heen de hof in.




(kaartje @PeterDillen, met dank)
Tegenover de huizen die zouden worden afgebroken voor de Kempenbaan begon een paadje dat vanaf de Provincialeweg naar de Broekweg richting Zeelst leidde. Iets over de helft van het paadje was een afslag naar de Schoolstraat.



… zijn zij al bij de school of onzichtbaar voor hem in een van de inhammen van de Schoolstraat hun spelletjes aan het doen… plots afgebroken door de meester die de straat vult met het geluid van de bel die hij hoog alle kanten opzwaait en waarmee hij van overal de hollende kinderen naar zich toe trekt.

Zijn moeder doet zijn schoenen en kleren uit en laat deze in de emmer achter terwijl ze hem naakt in een andere emmer zet.

(uit Aan de lange weg , roman van Meurs A.M.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *