De verbranding (uit Aan de Lange Weg)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

De verbranding

We slaan een paar huizen over, eerst dat van Ineke Verstappen die daar met haar zus en haar ouders woont, dan dat waar aan de achterkant de Duitse deserteur Weebe en zijn vrouw hebben gewoond, en ook het volgende waarin Ineke zal gaan wonen als ze getrouwd is.

            En bij het huis daarna blijven we nog even buiten, hier woont een vriendje van Jantje, Wouter van de Stal. Deze buurjongen heeft zelf ook konijnen, in kooien achter het huis. Hij mist er wel eens eentje, maar als hij hardop zegt dat zijn vader maar eens een huis verder moet gaan kijken, want dat ze daar een dezer dagen wel konijn zullen eten, krijgt hij een draai om zijn oren. Maar hij blijft ervan overtuigd, zoals hij ook weet dat een kip die in de hof van de buurman verdwaalt in de pot terechtkomt. De buurman aan die kant is Walterke Smits, de schilder die er bij de weverij een hele week over doet om een deur af te lakken en die van een pilsje houdt en zijn twee dikbuiken achterover slaat in het winkeltje van Piet van Doelen in de tweede bocht van de Lange Weg, want op café mag hij niet en thuis mag het evenmin.

            Zijn vrouw, Jaantje Smits, staat met haar gezicht dat een en al rimpel is tussen de twee huizen in naar de Lange Weg te kijken. Haar vaalgrijze haar zit als een Romeinse helm om haar hoofd. Zo staat ze altijd onbeweeglijk in haar blauwe schort, het is om bang van te worden.

            “Weet je, jongen, dat ik jou nog heb gehaald?” zegt ze tegen Wouter. Wat bedoelt ze daar mee?

            “Het is een heks,” zeggen de kinderen.

            Opeens komt er haastig een andere oude vrouw het voortuin­tje van de familie Van de Stal in lopen. Het is Dien Beren, die inwoont in het huis ernaast waar later Ineke zal gaan wonen, maar Dien is dan al overleden. Met haar rug naar de weg trekt ze vanonder haar lange schort haar onderbroek helemaal uit, slaat hem met een klap alsof ze een stuk natte was uitslaat onder haar oksel, hurkt neer en pist een kuiltje in de zachte tuingrond. Dan loopt ze met de onderbroek onder haar oksel naar huis.

            Was er voor het smalle raampje van de huiskamer even het gezicht van moeder Van de Stal te zien? Heeft ze iets zien bewegen in het tuintje? Misschien zelfs iets gehoord? Dat laatste is onwaarschijnlijk. Hoewel, je weet het tegenwoordig maar nooit met die hoorapparaten.

            Moeder Marie sloft gebogen door het huis, met bezem, stoffer en blik, met dweil en stofdoek. Er ligt een dweil zowel aan de binnenkant als aan de buitenkant van de achterdeur, als teken dat er pas is schoongemaakt. Hij ligt er bijna altijd. Ze wrijft en boent de meubels, ze loopt er krom van. Als ze naar haar kinderen kijkt moet ze omhoog kijken, maar daarvoor moet ze stilstaan en ergens op steunen. Ze heeft een vriendelijk gezicht. Ze hoort en ziet slecht en dat is haar redding.

            Ze staat te strijken, aan de andere kant van de tafel staat de televisie aan, iets nieuws. Op de strijkplank heeft ze een glas water, ze neemt wat water in haar mond en sproeit het over de strijk. Ze begint dwars door de televisie heen een verhaal te vertellen, ze moet er zelf hard om lachen, ze krijgt er tranen van in haar ogen en moet zich vasthouden aan de rand van de tafel. Ze is in haar enthousiasme naar voren gekomen en staat nu voor het beeld en wordt door haar kinderen weggeduwd en weg gescholden. Maar ze blijft in zichzelf lachen boven de strijk.

            Het is wat met twaalf kinderen! Maar goed dat er al een paar het huis uit zijn. Dat ze hebben moeten trouwen is niet erg, als het maar gebeurt, en als ze zelf de knoop niet kunnen doorhakken dan maar op die manier.

            Het zou goed zijn als er nog een paar van die meiden trouwden, want die ruzie altijd om de kleren, het gebruik van het washok, de wc, de kam, ga zo maar door, tot wie op welke plek mag staan vrijen. Als het tenminste bij staan blijft!

            Vooral op zaterdag tegen de avond is het spitsuur. Dan lopen ze in hun bh door het huis en degene die niet wil wachten tot de teil in het washok vrij komt begint zich alvast in haar ondergoed in de keuken te wassen, terwijl daar altijd iemand achterom kan komen. Ze krijgt commentaar van haar moeder: “Schandaal!”

             “t Is toch ook mijn huis,” zegt de dochter. Op zaterdag­avond veranderen de Assepoesters van de familie Van de Stal in de prinsessen van de danszalen. Ze zijn onherkenbaar.

            Een van de dochters heeft het uitgemaakt met haar vriend. Het gevolg is dat zij de hele dag chagrijnig is en hij maar op zijn brommer over de Lange Weg voorbij blijft rijden. Eerst hard, op het eind bijna stapvoets. En in het begin wou ze niet horen dat hij voorbij was gekomen, daarna ging ze steeds vaker vanachter de vitrage staan loeren en als ze hem niet zag begon ze de anderen naar hem te vragen, tot ze uiteindelijk de stoep voor het huis ging schrobben en toen hij nog niet kwam ook de ramen aan de voorkant begon te lappen, net zolang tot hij met zijn brommer achter haar stond en vroeg hoe het was. Toen zei ze: “Met mij goed, hoezo?” En zo was het weer aan geraakt.

            De heer des huizes heeft niet veel oog voor dit soort proble­men, hij is bijna nooit thuis. Hij is chef in de sigarenfabriek, hij is daar bijna altijd, ook zaterdags en ‘s avonds, en anders is hij op zijn land achter het huis bezig. Hij spit de grond om, vanaf zijn omhegde stukje hof tot aan de Gender, bijna tweehonderd meter lang en vijfentwintig meter breed. Hij spit twee spaden diep, maakt keurige voren, vult de ene voor met de andere, het onkruid van de bovenlaag steeds onderop in de voor ernaast. Dan staat hijzelf een spade diep in het land en spit de tweede spade zuivere aarde uit en schept die naast zich op de laag met onkruid. De omgespitte losse grond steekt mooi vlak een beetje boven de rest uit. Hij is er trots op en hoopt dit tot zijn vijf­entachtigste te blijven doen.

            Hij is een man van gezag, zowel thuis als in de fabriek. Hij kan een flinke draai om de oren weggeven. Hij kan ook kriti­sche vragen stellen en de mensen aankijken met die zwarte ogen. Er blijft van de smoesjes van de fabrieksmeisjes dan niet veel over. Hij heeft overwicht en daar maakt hij gebruik van. Zijn vrouw is bijna voortdurend zwanger geweest en ondertus­sen afgesloofd en de fabrieksmeisjes moeten het bij hem goedmaken. Ze willen wel, hij is geen lelijke man, van pik­zwart is hij boven zijn veertigste opeens spierwit geworden, en dat staat hem.

            Een zoon houdt dus konijnen, een andere duiven en weer een andere heeft een grote zelfgebouwde volière met siervo­gels. De duiven doen zondags mee aan wedstrijden. Wanneer er een zo vroeg terug is dat hij zeker een prijs zou hebben gewonnen als hij niet op de klep van het hok of op het dak van de buren was blijven zitten, en roepen en ook rammelen met de voerbus niet helpt, dan wordt de arme duif, die na zijn tocht van duizend kilometer even uitrust en geniet van het uitzicht vlakbij huis, de kop uitgetrokken als hij eindelijk binnenkomt. Een snelle en effec­tieve dood. Aan die zal de duivenmelker zich niet meer hoeven te ergeren, en smaken doet hij evengoed. ‘t Is een andere tijd, zullen we maar zeggen, er wordt ook nog met een windbuks op mussen, kraaien en spreeuwen geschoten. En de kinderen zetten mussenklemmen en vangen vogels onder een zeef waar aan één kant een stokje onder staat met een touwtje eraan.

            Over schieten gesproken, met onze Indië-ganger, de jongen van Vlek die nu toch al een aantal jaren terug is, is het ook nog niet helemaal tof. Hij blijkt een mitrailleur te hebben en schiet daarmee vanuit hun diepe tuin over de Gender heen. Tiktiktik­tik, hoor je de kogels tegen de bomen die achter hun tuin nog niet allemaal zijn omgehakt. Het is een angstaanjagend geluid, ook voor de Heeskop met zijn geweer die nu zelf onder vuur ligt. Hulppolitieagent van Vulpen heeft zijn uniform nog eens aangedaan en is achter zijn woning in de Acht-Huizen naar de Gender gelopen en daarlangs in de richting van de schutter. Toen hij in de buurt kwam stopte het mitrailleurvuur even en hoorde hij roepen: “Blijf weg van het front, ouwe gek!”

            “Wie roept daar ‘gek’?” heeft hij nog teruggeroepen maar is toen weggevlucht voor het opnieuw losbarstende geratel.

            De bloedmooie Petra Donkers, die eens het liefje geweest zou zijn van de jongen van Vlek, was nog bij de Van de Stals aan de deur geweest voor een betrekking als dienstmeisje. Het was bekend dat geen meid het daar uithield omdat moeder Van de Stal met haar poetsziekte alles nog eens overdeed. Josje Weels was er weggegaan toen ze de kolenkist aan de binnen­kant moest schrobben. Maar Petra was zelfs niet verder geko­men dan de voordeur.

            “Je moet de kat niet op het spek binden,” zei moeder Van de Stal toen ze Petra had gezien en had op haar zoons gewezen. Maar de kater waar het om ging was op dat moment zijn land aan het omspitten.

            Er heerst steeds meer onrust aan de Lange Weg. Behalve autohandelaar Westerweel, die in het huis van Anneke Weels zal komen wonen, zijn er ook anderen die grond proberen te kopen. Nu kan opeens alles, nu tekenen nota bene de ambtena­ren zelf de deuren en ramen in de zogenaamde schuur die men aanvraagt en verrijzen er overal huisjes in de tuinen, waar getrouwde kinderen gaan wonen en soms de ouders zelf. Wat is er aan de hand? Heeft het met de komst van het Eindhovense ziekenhuis te maken waar al jaren over wordt gesproken? Weten de ambtenaren dat er nieuwe wegen zijn gepland en dat straks alles toch moet worden afgebroken?

            Zo is een van de zonen van Van de Stal in een noodhuisje in de hof van buurman Walterke Smits gaan wonen. Hij heeft nog een emmer water over de oude verrimpelde buurvrouw Jaantje Smits gegooid toen bij het aardappels koken op de plattebuis­kachel haar blauwe nylon schort in brand vloog, maar hij heeft haar niet kunnen redden.

            “Zo gaat dat met heksen,” zeggen de kleine kinderen genadeloos. En sommige grote kinderen van Van de Stal denken dat ze voortaan meer eieren voor zichzelf zullen over­houden, want ze kwam altijd “lenen” als het slecht uitkwam.

            Moeder Van de Stal heeft gehoord hoe haar kinderen over de buurvrouw praatten, want ze draagt nu een hoorapparaat. Ze hoort nu ook hoe er wordt gevloekt en gescholden onder elkaar en ook tegen haar, en daarom staat ze soms te huilen boven de strijk, want ze heeft dat nooit geweten. En daarom doet ze het hoorapparaat weer uit en bergt het voorgoed op.


De afgebroken huizen

En daarom doet ze het hoorapparaat weer uit en bergt het voorgoed op.
(Illustratie Ufuk Kobas)

(uit Aan de lange weg , roman van Meurs A.M.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *