Het begrafenisfeest (uit Aan de Lange Weg)

Wat kwamen de Vrouwen van de Eerste Huizen en Anneke Weels zoal tegen als ze in meimaand uit de kerk naar huis aan de Langendijk liepen en wat had Anneke Weels nu weer allemaal meegemaakt?

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

Het begrafenisfeest

De Vrouwen van de Eerste Huizen komen uit de kerk meteen in een enorme drukte. Het is meimaand, Mariabedevaartmaand. Er staan kraampjes onder de dubbele rij bomen voor het klooster tegenover de kerk en ook op het zandplein opzij van de kerk, tegenover café/boerderij Konijnenburg, staat het vol stalletjes met souvenirs, devotieartikelen en snoepgoed.

     Ze slaan de Kerkstraat in richting de Lange Weg. Voorbij de pastorie is tussen hoge hagen het pad naar het kerkhof.

     Gauw doorlopen. Daar hopen ze voorlopig niet meer te hoeven zijn. De laatste keer was met dat doodgeboren, nou ja bijna doodgeboren, een uur oud geworden baby’tje van Weels. Maar dat was niet zo erg geweest: iets dat je nauwelijks gekend hebt, waarvan je niet eens wist dat het bestond, daar kun je moeilijk lang om treuren. Bovendien was het er een van een tweeling, de andere baby had het overleefd en was gezond. Dus mag je al blij zijn.

     Ja, waarvan je niet wist dat het bestond. Ze hadden nota­ bene alles al opge­ruimd toen Anneke Weels opnieuw alarm sloeg: Het lijkt of er nog iets komt! En zo was het ook. Maar dat hadden ze dan toch niet in leven kunnen houden. Dat heeft natuurlijk te lang klem gezeten. Misschien maar goed ook, want Anneke is al in de veertig en had er al zeven. En dan op die leeftijd nog een tweeling. Ze heeft wel altijd hulp, dat wel, de kraamverzorgster is nog niet weg of de gezinsverzorgster komt al binnen. En die oudste, daar heeft ze ook goed hulp van, die regelt eigenlijk alles, het tweede moedertje, misschien wel het eerste.

     Zeg dat wel. Dat je dat niet weet, dat het er twee zijn hè. Of zou dat ander al langer dood zijn geweest? Maar dat lijkt gevaarlijk! Ze zeggen dat het nog een uur geleefd heeft. Maar misschien hebben ze dat ervan gemaakt om het gewoon op het kerkhof te kunnen begraven. Want bij een doodgeboren kind schijnt dat niet te mogen

     Zo`n vroedvrouw zou dat toch moeten voelen. Kijk bij Trees Meps van de Acht-Huizen, zo`n dikke tante, kun je je voorstellen dat je niet weet wat je voelt met al die vetlagen. Maar zo`n klein dun wijfje als Anneke. Nou, ’t is te hopen dat dat allemaal verbetert, anders zou je er als vrouw nog onderdoor gaan omdat niemand in de gaten heeft dat er nog een in zit. Vroedvrouw weg, kraamverpleegster doet even een boodschap, jij ligt daar met je baby en opeens beginnen de weeën opnieuw!

     Ze hadden natuurlijk ook geen naam voor het kind en hebben het toen maar de naam van de heilige van de dag gegeven: Hugo.

     “Sindsdien denk ik bij elke Hugo,” zegt Hanna Bosmans, “ben jij ook van 1 april en ben jij ook zo`n onverwachte?”

     En dat broertje geloofden ze niet op school toen het zei: “We hebben een nieuw kindje en een is er dood.”

     “Sodemieter op, Jan Weels, één april,” zeiden ze, “en verzin wat leukers.”

     Ja, ze hebben wel gezien, de vrouwen, dat er bij Moonen heel wat mannen gingen pissen. Da’s makkelijk voor die kerels, je hoeft niet eens door het café om bij de pisbak te komen want die zit opzij van het huis. En ze zijn met zo velen dat ze niet wachten met zich omdraaien tot hij er weer in zit, en voor ze hun broek dicht hebben lopen ze al weer in de Kerkstraat. Nou, geloof maar dat ze voor de mis daar hebben zitten zuipen, anders zouden ze nooit zo`n hoge nood hebben, en trouwens, ze zouden dat anders bij Moonen nooit goed vinden dat het halve dorp – plus nu nog de bedevaartgangers! – daar komt pissen.

     “Ik moet eigenlijk ook,” zegt Hanna Knietel. Maar om daarvoor nou het café binnen te gaan. Dan maar even ophouden tot bij het winkeltje van Piet van Doelen, en daar achterom.

     Kijk, zie je dat aan de overkant? Die zal gisteren wel geen tijd hebben gehad om boodschappen te doen, want die heeft bij bakker Verhaar aangebeld en doet nu net of ze wat in de etalage staat te neuzen. Kijk, de deur gaat net genoeg open om er een brood door te geven, want dat mag niet op zondag. ’t Zit al in de tas. Zo`n grijs, zoiets tussen wit- en roggebrood in, het goedkoopste. Het is weer twee cent duurder geworden, het brood. Zo houden we niet veel over van die loonronde. Het schijnt goeie business te zijn, brood bakken, want op weg naar huis komen we vier bakkers tegen.

     Maar eerst passeren de vrouwen nog café Van Keul, daar is het nu ook erg druk. In het zaaltje kunnen hele fanfares met instrumenten en al, en dat komt goed uit met al die processies.

     Chris van Keul houdt veel van vogels, hij heeft een volière vol. Maar hij zal er nu niet veel tijd voor hebben. Enfin, een mooie hobby voor zijn oude dag.

     Maar nog voor zijn oude dag kreeg hij kanker, zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen. Hij liet zijn bed naar beneden brengen en spiegels plaatsen, zodat hij vanaf zijn sterfbed zijn vogels kon zien.

     Hier zijn we al bij bakkerij Moeskops. Laat die fietsers maar oppassen bij het oversteken van de Lange Weg. Wij blijven aan deze kant. Zie je, daar aan de overkant is bakkerij Plaats. Dat zijn er al drie. En dan krijgen we direct nog Rozen. Er allemaal hebben ze een goede kostwinning.

     “Gelukkig, niet vandaag,” zegt de oudste dochter van Meijer met haar zware stem als ze voorbij de sigarenfabriek komen.

     Hé, aan de overkant loopt Anneke Weels met mevrouw Zwartjes. Nou, dat zal wel weer over goed kunnen meekomen op school gaan. Want wat dat betreft is “het groot van het dorp”, de (invloed)rijke bovenlaag, wel jaloers op Anneke, want die hoeft haar kinderen niet naar de school in de stad te sturen in de hoop dat het daar wat beter gaat. Maar die twee moeten nu afscheid nemen, want mevrouw Zwartjes is thuis. Ze blijven nog even staan, maar dan ziet Anneke de vrouwen aan de overkant op het fietspad dat nu tweerichtingen is en steekt haastig over.

     “Dan hoef ik dat hele eind niet alleen,” heeft ze vlug tegen mevrouw Zwartjes gelachen. Die begrijpt het wel en denkt: dan hoeft ze dat hele eind niet haar mondje te houden.

     “Kijk uit, Anneke!” roepen de vrouwen lachend als ze haar te gehaast de Lange Weg zien oversteken.

     Anneke doet haar mond al open om te vertellen wat ze de laatste tijd allemaal heeft meegemaakt – en dat is heel wat! – maar de vrouwen zien het huis van Maas en over die gaan ze het eerst even hebben. Want dat hij het houdt met zijn secreta­resse op de weverij… vooruit!… maar dat schijnheilige half­luide gedoe met zijn vrouw in de kerk – “ga jij maar eerst, schat” – en hoe dat daar op een rij zit met al die vijf dochters en te communie gaat met geloken ogen en de handen met de vingertoppen tegen elkaar onder de kin, daar krijg je toch acuut de kriebels van! Zeker als je weet dat hij de Duitse deserteur Weebe heeft laten wegpesten door degene die zijn baantje wilde hebben en die, zoveel jaar na de oorlog, er gebruik van maakte dat Weebe Duitser was. Wat uiteindelijk gelukt is omdat Maas met die secretaresse gechanteerd kon worden. Maar Weebe is daardoor wel terug naar Duitsland! Mensen zijn beesten. Erger nog. Van die verhalen over Indië van de jongen van Vlek lijkt ook steeds meer te kloppen. Hij is allang niet de enige meer die ze vertelt.

     “Geef mij maar een gewoon mens,” zegt Anneke, “wij maken ook heel wat mee maar wij houden ons fatsoen.”

     “Ja, jij hebt de laatste tijd ook heel wat meegemaakt, hè Anneke,” zeggen de vrouwen.

     “Niet alleen de laatste tijd,” zegt Anneke. “Eerst ons Tonnie vier jaar in het sanatorium en nou dit weer met ons Mimi.”

“Ze wordt toch beter, hè Anneke?” zeggen de vrouwen.

     “Ja, dat wel,” zegt Anneke, “nu wel, maar ze ligt nog steeds in het ziekenhuis en ze was op sterven na dood, ze is al ge­vormd met haar vijf jaar, dus dan weet je het wel, dat doen ze alleen als ze denken dat een kind het niet overleeft.”

     Toen Anneke nog bedlegerig was na de bevalling van de tweeling, hoorde ze opeens de gezinsverzorgster gillen. Mimi van vijf die op het granieten aanrecht met knikkers speelde, was in de ketel met kokend sop gevallen die naast het aanrecht op een petroleumbrander stond. Het is een wonder dat het kind het heeft overleefd, dat zeiden de doktoren en verpleegsters in het ziekenhuis. Zo erg verbrand!

     “Ze heeft huid-trans-plan-taties gehad hè,” spuugt Hanna Knietel. “Zodat je er niets van ziet als ze blote armen heeft hè? Arm ding!”

     “De pastoor heeft gezegd dat we Onze Lieve Heer op onze blote knieën mogen danken dat we haar hebben mogen hou­den,” zegt Anneke.

     “Maar niet op de blote knieën van de pastoor gaan zitten, hè Anneke,” lacht Hanna Bosmans, “want jullie kunnen goed met elkaar overweg, allebei uit hetzelfde dorp.”

     “Zeg!” lacht Anneke, “weet wat je zegt, maar goed dat ik nu weer kan lachen.”

     Aan de linkerkant van de Lange Weg waar ze over het fietspad lopen zijn nu geen huizen meer, aan de overkant zijn de “Acht-Huizen”, een eigenaardige rij aan elkaar gebouwde woningen zoals je die verder in het dorp nergens ziet. Alle huizen hebben een voortuintje met een laag ligusterhaagje, maar bij Teunis is dit vervangen door een smeedijzeren hekje met versieringen. Het is bekend dat vrouw Teunis het geld dat haar man in de mijn verdient graag gebruikt voor uiterlijk vertoon, met name voor de opsmuk van haar huis.

     “Mijn huisbaas heeft de huur opgezegd,” zegt Anneke. “Ik zal toch niet daar in de “Acht-Huizen” terechtkomen zeker!” Ze lacht, maar thuis heeft ze er veel om gehuild. Dat kon er nog wel bij.

     De buurvrouwen kennen het verhaal en vinden het ook treurig. De huur mag alleen worden opgezegd als de huisbaas er zelf gaat wonen. Dat is hier het geval, hij wil de hele twee­woonst, ook het gedeelte waar de schoenmaker aan de straat­kant heeft gewoond en waar aan de achterkant de Koenders nog wonen. De Koenders zijn familie van de huisbaas, pas getrouwd (psst, en vaak overdag in bed!), ze wonen er nog niet zo lang, die zullen wel voorwaarden gekregen hebben toen ze er mochten komen wonen.

     De vrouwen proberen Anneke af te leiden. Kijk, ze zijn bij het huis van Brems, waar alle kinderen in bed pissen. Hoe was dat verhaal van die Karel ook al weer op de dag van de begra­fenis?

     “Ja, dat was wat!” zegt Anneke gretig.

     De slaapkamer van de Weelsen is aan de straatkant en ze hoorden al vanaf een uur of vijf steeds iemand heen en weer lopen. Toen ze om zes uur opstonden om te kijken wie dat was, bleek het de negenjarige Karel te zijn die daar in zijn eerste-communiepakje op-en-neer liep. Hij was een van de buurjon­gens die mee het kistje zou mogen dragen.

     “Wat is er, Kareltje?” zei vader Weels die het raam omhoog­geschoven had, “je bent zo vroeg.”

     “Ja,” zei Kareltje, “ik kan nooit slapen als ik naar het feest moet.”

     “Naar het feest!” zegt Anneke.

     “Dag Anneke!” zeggen de vrouwen, want ze zijn tegenover Annekes huis. En dat wil zeggen dat ze ook zowat tegenover de villa van Van Tuin zijn en Hanna Bosmans wordt meteen weer wat baldadiger nu dat brave Anneke weg is.

     “Zijn ze de laatste tijd nog naar de vrouwtjes in Parijs geweest?” vraagt Hanna Bosmans aan Hanna Knietel.

     “Ach, zwijg maar,” zegt Hanna Knietel.

     Het is bij sommige buren bekend dat de getrouwde ex-burge­meester en fabrikant Van Tuin regelmatig naar de hoeren in Parijs gaat, met Knietel als zijn particuliere chauffeur.

     “Hier slaat hij bij alles een kruis en in Parijs pakt hij ze in het kruis,” gaat Hanna Bosmans verder. “Of maakt hij dat kruisteken daar ook? Bidt hij misschien zowel ervoor als erna? Zoals wij voor het eten!”

     Lachend trekt ze de andere vrouwen aan de arm mee. Van Tuin heeft een godsdiensttik, hij slaat steeds een kruisteken, en omdat hij oorspronkelijk uit Rotterdam komt noemen ze hem “de God van Rotterdam”.

     “Het blijft een fabrikant,” zegt de oudste dochter van Meijer met haar zware stem. Morgen moet ze weer naar de sigarenfa­briek.

     “We zijn bijna thuis,” zegt Hanna Knietel. “De weg vliegt voorbij als wij aan de praat zijn. Hier is eigenlijk verder weinig nieuws.” Ze was vergeten dat ze zo moest plassen.

     Ze passeren de huizen van Donkers en Van Zand. Wie bij Donkers het dode kind met dat waterhoofd heeft gebaard, de eigenlijk te oude moeder, de bloedmooie maar slimme Petra of de wat onnozele zus van Petra, daar zijn ze nog steeds niet achter. Laat staan dat ze weten wie de vader is. Al gokken ze alle drie nog steeds op Van Zand. Ze hebben dus inderdaad verder weinig nieuws.

     Of het moest zijn dat ondertussen een zoon van Van Zand het eerste kievitsei heeft gevonden en aan de koningin heeft aangeboden.

(uit Aan de lange weg , roman van Meurs A.M.)

De Vrouwen van de Eerste Huizen (illustratie @UfukKobas)


Uit de kerk op weg naar huis aan Den Langendijk


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *