Anti-Soeharto-acties 1970 met Zuid-Molukkers in roman Mijn liefde is scharlakenrood

Affiche van de #Vrijheidsschool (initiatief #Cineclub) oktober 1970

70 Jaar geleden werden ruim tienduizend ZuidMolukkers vanuit Indonesië per schip overgebracht naar Nederland.
In het derde deel van de roman Mijn liefde is scharlakenrood van Meurs A.M. kijkt Kitty, inmiddels dakloos en verslaafd, vanuit 2003 terug op haar revolutionaire jaren. Hier vertelt ze hoe ze met een, eveneens jonge, ZuidMolukker in Amsterdam leuzen op de muren schildert tegen de komst van Soeharto naar Nederland.

Kitty

1970

Soeharto zou naar Nederland komen en dat wilden we verhinderen. Soeharto was verantwoordelijk voor de moord op 700.000 communisten. De Zuid-Molukkers in Nederland hadden ook een appeltje met hem te schillen, want ze wilden een onafhankelijk Ambon en vooral, hij had hun leider, Soumokil, vermoord. Hoe konden we Soeharto bereiken en de  indruk wekken dat het hier gevaarlijk voor hem was? Door een provocerende leus op de muren te kalken, waar de pers over zou schrijven en die hem op die manier zou bereiken nog voor hij uit Indonesië zou zijn vertrokken. Want zo’n leus, al was die met nog zo’n koeienletters op een kade in Amsterdam gekalkt waar elke dag tienduizenden mensen hem lazen, zou hij natuurlijk nooit zelf onder ogen krijgen. Tenzij via een foto of een artikel in een krant. En dat lukte! De kranten pikten het op, ze spraken er schande van, van zo’n leus, de toon was gezet, en toen een dag voor het geplande bezoek ook nog eens drieëndertig Zuid-Molukse jongeren de Indonesische ambassade in Wassenaar bezetten, waarbij een agent die op wacht stond werd gedood door een kogel – hoe dat gebeurde bleef onduidelijk – werd het bezoek van drie dagen teruggebracht naar één dag en in Amsterdam kwam hij helemaal niet.

En zo lag Jantje, het kleine Zuid-Molukkertje, daar op zijn buik koeien van letters ondersteboven op die schuine kade tegenover het CS te kalken. De Zuid-Molukkers zijn afstammelingen van stoer soldatenvolk maar als ik naar dat kleine Jantje keek leken de afstammelingen een stuk minder stoer en de Molukken een stuk minder uitgestrekt. Dat dacht ik terwijl ik in een maillot met een kort rokje erover op de uitkijk stond en over de stoppende auto’s heen bleef uitkijken en een prijs vroeg waarop geen enkele man serieus kon ingaan. “Voor die prijs neuk ik de koningin!” riep er eentje, “en de prinsessen erbij!” en reed luid toeterend weg. Waar het omging was dat niemand op Jantje lette die daar prachtig, van hem zelf gezien op zijn kop had geschilderd: DOODT SOEHARTO! DIEN HET VOLK!  RJ. We waren daarna een beetje roekeloos geworden en stonden op het stationsplein die leuze, nu aan de overkant van het water, te bewonderen. Ik had de plastic tas met de emmer met kalk van Jantje overgenomen en terwijl we daar stonden zei ik plagend: “Hoe krijg je dat voor elkaar, die grote letters met die kleine armpjes?” “Ik heb mijn hele lijf erin gegooid,” zei Jantje, “soms voelde ik me echt van de wal af glijden.” Een politieauto stopte met gierende remmen achter ons. Ik kon tussen de vele mensen in weg springen – het was midden op de avond – en vluchtte het station in, waar ik weer normaal liep. Een auto kon me nu niet volgen. Ik ging de toiletten op het eerste perron binnen en veegde met toiletpapier de resten muurverf van de buitenkant van de plastic tas. Daarna verliet ik het station aan de andere kant dan die waarvan ik gekomen was. Er was hier niet veel verlichting en dat maakte me opnieuw overmoedig, ik kon nog wel een klusje doen. Op een muur tussen twee laad- en losperrons in schilderde ik DOODT SOEHARTO, tot ik merkte dat er iemand naar me had staan kijken. In het gele licht van een kantoortje zag ik de man telefoneren en ondertussen zijn hoofd en bovenlijf in gebogen houding heen en weer bewegen, ik wist dat hij speurde of hij mij nog zag. Rooie Willem, en T trouwens evenmin, kon dit soort dingen niet begrijpen. Wij deden dit immers, we deden immers álles voor het volk! Wij, die man, Willem, T en ik, de RJ, wij waren in dienst van het volk, wij wáren het volk! En toch lapten die kameraden ons erbij, onbegrijpelijk. Nou ja, gebrek aan politiek inzicht, er moest nog veel aan scholing gedaan worden.

           Maar daar had ik niet op gewacht. Ik verstopte mijn kalkgereedschap bij een bouwkeet die tegen een stukje van die lange achterkant van het CS aan stond. Hier viel het niet op, zeker niet toen ik het uit de tas had gehaald, het leek gewoon bij het materiaal te horen dat er lag. Ik zou het later op de avond wel ophalen. Ik begon dus verstandiger te worden. Tenminste dat dacht ik. In de waan dat niemand me zonder kalktas wat kon maken, wandelde ik weer door het CS om te zien of ik Jantje kon terugvinden. Ik zag hem niet en ik dacht: kom, ik kijk nog één keer naar die mooie grote leus aan de overkant van het water voor ik terugga naar het actiecentrum. Het politieauto’tje verderop was vast allang teruggevallen in zijn dagelijkse, sluimerende routine. Ik was nauwelijks tien meter van de ingang van het CS verwijderd of het voertuig leek met een sprong op me af te stuiven. Ik rende opzij maar ze reden me binnen de kortste keren klem. Toen ze me de wagen in duwden zat Jantje daar al. We deden of we elkaar niet kenden. “Zo, zijn dat nou Black Panthertjes?” zei de ene agent tegen de andere. Ze haalden alles door elkaar, maar we gaven geen kik.

           Ze hielden ons een paar uur vast. We praatten wel, bijvoorbeeld vroegen we wat de tenlastelegging was, maar we gaven geen naam. Dat had ons wel zes uur kunnen kosten, maar het was nu eenmaal afspraak. Ze hadden geen bewijs en hadden ons evenmin op heterdaad betrapt. We hadden niets bij ons en er zaten geen verfspatten op onze kleren en handen. Ik zag dat Jantjes kleren aan de voorkant wel wat goor waren van het op de grond liggen, maar hij zei dat hij gevallen was toen ze als gekken achter hem aanreden. “Anders hadden jullie me nooit te pakken gehad,” lachte hij nog. “Maar we hebben je,” zeiden ze, “daar gaat het om, je bent er gloeiend bij.”

Toen ze ons om een uur of twaalf ’s nachts vrij lieten, konden ze het niet laten om nog een spelletje te spelen. Ze lieten ons spitsroeden lopen tussen een rij van aan elke kant wel acht agenten. Waar haalden ze al die smerissen vandaan? Was dit het verzetje dat ze zichzelf gunden wanneer de nachtploeg de avondploeg afloste? De dubbele rij begon in de smalle gang, waar we alleen maar zijwaarts konden passeren, en liep tot het midden van de Warmoesstraat. Ze keken ons strak aan terwijl we passeerden. Een hief er met een ruk zijn arm op en ging dan door zijn haar. Een ander zette zijn been in de loop en trok het pas op het laatste moment terug. We keken rustig terug, we voelden ons moreel ver verheven boven deze dienaren van het kapitaal. Toen we dertig meter de Warmoesstraat in waren, spraken we af dat elk met een omweg naar zijn eigen huis zou gaan. Ik was net een steegje in geslagen, toen ik Jantje luidkeels hoorde roepen: “MENA! … MURIA!”, de vrijheidskreet van de Zuid-Molukkers.

            Thuis bleek mijn kind nog wakker, of liever gezegd weer wakker. Het luisterde aandachtig naar het verhaaltje dat de scholiere die van huis was weggelopen en bij me logeerde voorlas. Het ging over Black Panthers die voor maaltijden zorgden op zwarte scholen. “Zo, mama is weer thuis,” zei ik. “Alles goed hier?”

#ZuidMolukkers

(uit de roman Mijn liefde is scharlakenrood van Meurs A.M.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *