Het Engelenkopje

“Ik weet het ook niet,” zegt de lange Hanna Bosmans van de Eerste Huizen, “ik heb genoeg werk om mijn eigen vent in de gaten te houden, laat staan dat ik ook nog op die van een ander moet letten. Ik vind het leuk om eens te lachen met dat soort dingen en er de kinderen mee te plagen, zo van ‘Hoe is het met jullie vader en moeder, slapen ze nog steeds samen in één bed?’. Maar het moet natuurlijk wel bij een grapje blijven. Wat die van mij uithaalt op zijn busreizen, weet ik ook niet, maar laat ik het niet merken! Ook als de sjeu eraf is,” zegt ze, “mag ik toch op een soort solidariteit rekenen, niet dan?”Hanna Knietel weet het ook niet. Ze praat nog vlugger dan Hanna Bosmans en ze sproeit erbij en weet dat haar man nog slomer is dan die van Hanna Bosmans, en daarom gelooft ze niet dat hij zoiets voor elkaar krijgt, maar je weet maar nooit bij die kerels. Aan de rand van het voetbalveld schijnt hij ook tot leven te komen, daar staat een heel ander iemand, heeft ze zich laten vertellen. Dus een beetje wantrouwig is ze wel. En die ene dochter van Donkers is niet zomaar een meid, dat is wel iets bijzonders. Daar hoef je geen geile kerel voor te zijn om dat te zien.“Als de jongen van Vlek terugkomt uit Indië,” zeggen de twee vrouwen tegen elkaar, “mag buurman van Zand wel uitkijken, want die jongen is gek op Petra Donkers. En van die jongen zelf kan het niet zijn, want die is al te lang weg.”Ja, waarom van Zand, dat weten ze eigenlijk niet, want iedereen is verdacht. Maar toch vooral degenen die langs de deuren gaan. Zoals de voddenman Frans de Lepper, die in een kuil tussen de vodden op zijn karretje ligt te slapen en het kleine paardje sukkelend zijn gang laat gaan en die opschrikt als de kinderen vlakbij zijn hoofd “hé Frans!” roepen. Dat verdacht zijn geldt dus ook voor Hans Buiting met zijn bakfiets met speculaas. En voor de woonwagenbewoners die scharen slijpen of elastiek verkopen. Zelfs voor de jongen die rozen­kransen verkoopt voor de missie, al is die nog wat jong en bovendien onnozel, en tegen wie van Zand heeft gezegd: “Hier bidden we niet”, wat deze nog meer verdacht maakt dan hij al is.En dan dat mannetje van de familie Klapper, waarom zijn ze uit Sas verhuisd, want hij werkt daar nog steeds? Is dat niet verdacht? Heeft hij daar misschien ook al wat uitgehaald?“Ja, Hanna,” zegt de ene Hanna tegen de andere, namelijk Hanna Bosmans tegen Hanna Knietel, “die van mij is meestal de hort op met zijn touringcar, maar die van jou is ermee gestopt en heeft een gewone lijndienst genomen en, ik lach er maar eens mee,” lacht ze, “maar dat kan toch ook zijn reden hebben.”“Och, Hanna,” zegt de andere, “och Hanna…” En dan stopt ze, want ze wil zo haastig vanalles zeggen dat ze helemaal niets kan zeggen, alleen maar een paar keer “och Hanna”, en dan is het alweer een paar minuten later en lijkt het niet meer belang­rijk, want gaat het alweer over iemand anders.In dit geval is er ondertussen zelfs iemand bij komen staan om het over iemand anders te hebben, het is de oudste dochter van Meijer, de andere buurvrouw van mevrouw Knietel. Ze komt altijd met grote passen van de sigarenfabriek over de Lange Weg lopen, ze praat met een zware stem, en met die zware stem zegt ze dat, omdat zij op de sigarenfabriek werkt, zij weet hoe bazen van sigarenfabrieken en van fabrieken in het algemeen zijn. En daarom wil ze Van Tuin, die niet alleen burgemeester is geweest maar nog steeds fabrieksbaas is, niet uitvlakken.“Maar die komt nooit op straat!” zegt vrouw Knietel en wil nog veel meer zeggen, maar vrouw Bosmans haakt al in door te zeggen dat hij daarvoor niet op straat hoeft te komen. Zoiets kan ook gebeuren langs de tuinen en hoven en stukken land­bouwgrond achter de huizen. Hij kan zelfs helemaal langs de Gender om komen. En anders kan zij dat wel.Maar ze sluiten eigenlijk niemand uit, zelfs niet de traditio­nele melkboer, zeker niet omdat die een beetje flauw praat, een beetje fleemt. En zijn knecht, dat is een flinke jongen. Dan heb je ook nog de groenteboer, maar vooral de visboer met zijn vierkante kop met zwart nat haar in een scheiding. Ja, de visboer, die van de stad komt en daar weer heen verdwijnt, bij die zouden ze wat langer stil kunnen blijven staan, een flinke man als je van kort en gedrongen houdt, en van die geur natuurlijk.“Ja,” lacht de lange Hanna Bosmans, “die ruikt in zijn geheel zoals jij in je kruis ruikt. Geen wonder dat die kerels gek zijn op vis.”“Nou die van mij klaagt anders tegenwoordig alleen nog hoe ik ruik,” zegt Hanna Knietel. “Had-ie vroeger geen last van.”Maar wie maakt er nou een waterhoofd? Wie zit er zelf zo vol vocht dat hij een waterhoofd maakt? Het is de dochter van Meijer die zich dit afvraagt met haar zware stem. En hoewel de vrouwen niet zeker weten of dat allemaal wel iets met elkaar te maken heeft, gaan nu de dronkaards over de tong. Zoals het mannetje dat niet aan de kant van de huizen loopt maar aan de overkant, op het gras tussen weg en fietspad, en daar achter­volgd wordt door de kinderen en soms zelfs wordt omgeduwd, en dat dan ook blij is dat het de huizen achter zich kan laten en na een stuk niks verdwijnen kan achter de bocht tegenover de steenfabriek, waar nog een laatste café is en waar in kleine huisjes wat vreemde mensjes bij elkaar wonen, zoals het vrouwtje van Piggelmee.“Er zijn er nog meer die in aanmerking komen!” roept iemand die aan de overkant op de fiets voorbij gaat richting stad langs de steenfabriek. Maar hoe kan die hen gehoord hebben, of heeft hij het gewoon geraden toen hij de vrouwen die kant zag opkijken?Wat was dat trouwens voor een manier van doen, om die schoolkinderen langs te sturen terwijl dat kind met dat veel te grote hoofd in de gang lag in plaats van in de voorkamer! Om afscheid te nemen van een broertje/zusje van een klasgenootje? Wat was het eigenlijk? Dat werd toch anders ook niet gedaan. Was dat een streek van de pastoor en van het hoofd van de school, zo van: “We weten dat er een kind geboren is en dat er iets mee aan de hand was en we houden jullie in de gaten?”En had de familie Donkers daar weer op gereageerd door het kind alvast op de gang te leggen, vlakbij de voordeur, zodat men niet echt het huis in hoefde te komen?Hanna Knietel, die een poosje stil is geweest, barst opeens los: “We weten allemaal wat de officiële lezing is, namelijk dat het kind van vrouw Donkers is. Maar wij geloven dat niet, want die is ver boven de veertig, heeft al meer dan tien jaar geen kind gehad en bovendien heeft niemand iets aan haar gezien. En iedereen denkt nu dat het van de bloedmooie Petra is omdat die met haar – wat zal het zijn, veertien jaar? – man­nen aantrekt als een vlinderstruik vlinders… Maar is die Petra daar niet te gehaaid voor, te veel gewend aan en dus ook beducht voor mannen, en moeten we het dus niet veel eer zoeken bij iemand die dat niet gewend is en dus eerder valt voor de manieren van zo`n ouwe geile beer – want dat het van een oude viezerik is en niet van een jonge jongen, staat voor mij als een paal boven water – en moeten we dan niet eerder denken,” zegt Hanna Knietel, “aan de zus van Petra, die niet helemaal honderd procent is, misschien blij is dat er iemand aandacht aan haar schenkt in plaats van altijd maar aan Petra, en die zich door zo`n zak – en dat kan een van onze mannen zijn! – vol heeft laten stoppen?”Hèhè, het is eruit en Hanna Knietel leunt uitgeput tegen de oudste dochter van Meijer.Maar dan zouden degenen die elke dag met de zus van Petra naar de sigarenfabriek lopen en die bij haar werken er toch iets van hebben moeten merken?Nou, ze draagt altijd van die wijde mantels en op haar werk van die wijde schorten, en bovendien zit ze niet bij de sigaren­maaksters maar loopt er een beetje omheen, maakt wat schoon.“En kan dus makkelijk in een hokje of een wc te grazen genomen zijn door zo eentje die last heeft van zijn sigaar,” lacht de lange magere Hanna Bosmans die overal mee lacht.De oudste dochter van Meijer blijft het buiten hun eigen soort volk zoeken en zegt met haar zware stem, opnieuw doelend op fabrikant en ex-burgemeester Van Tuin: “Ik ver­trouw ze niet, die mannen met een huis waarvan de voordeur van de weg is afgewend, en waar altijd een dienstmeisje open doet dat de deur weer sluit als ze naar achter gaat, en waar jij maar staat te wachten tot de deur weer wordt geopend.”“Jamaar,” zeggen de anderen, “er zijn meer voordeuren die niet aan de straatkant zitten, zoals die van Donkers zelf en van Van Zand, en die deuren staan zelfs naar elkaar toe gekeerd!”En meteen is alle aandacht weer op van Zand gericht.Maar Hanna Bosmans zegt zich zo`n van Zand niet te kunnen voorstellen, en ze bedoelt: sexueel actief voorstellen. Zo`n man die altijd in zijn schuurtje aan het prutsen is en dan opeens aan een vrouw aan het prutsen zou zijn, ook al in dat schuurtje, waar anders, toch niet achter op het land, in de haver soms? En de vrouwen gaan terugrekenen wat voor seizoen het geweest moet zijn toen de baby werd verwekt.Voor die kleine, fanatieke mannetjes met een oogopslag als die Klapper die vanuit Sas, een aangrenzend kerkdorp, hier is komen wonen en niemand weet waarom, daar moet je meer voor oppassen. Die heeft al eens tegen de lange Hanna gezegd: “Zo, is je man weer op stap? Nou, die komt niks tekort. Zorg jij ook maar dat je niks tekort komt.”En Hanna Bosmans heeft gelachen: “Nee, daar zorg ik heus wel voor.” Maar ze dacht, zegt ze: Jou houd ik in de gaten. En dan maakt ze Hanna Knietel verlegen als ze zegt: “Kun jij je voorstellen hoe zo`n mannetje het doet?”Vrouw Knietel kan zich helemaal geen man meer sexueel actief voorstellen sinds ze haar eigen man niet meer zo kan voorstellen. En ze lacht maar eens net als de anderen als vrouw Bosmans doorgaat: “Ik weet het natuurlijk ook niet, maar zoals zo`n man op de fiets zit, krijg ik toch een bepaald idee hoe hij het doet. Maar behalve door het aan zijn vrouw te vragen, is er natuurlijk maar één manier om daar achter te komen.”“Dat heb ik er niet voor over,” zegt Hanna Knietel die een beetje bijgekomen is.Ze denken dat er bij de oude Donkers nog wel wat venijn in zit, zij het niet meer voor zijn eigen vrouw. Hij zou toch niet met zijn eigen dochter…?Ze zijn er een vergeten, tenminste als ze het bij de directe buren houden: dat kleine mannetje van Vlek, dat net iets te veel in een korte broek rondloopt. Hij is bezig een noodhuisje te bouwen in zijn tuin, voor een van zijn getrouwde kinderen. Maar het paar is er nog steeds niet ingetrokken, en de vrouwen vinden dat hijzelf wat veel tijd in dat huisje doorbrengt. Zijn zoon komt binnenkort terug uit Indië.Dan denken de vrouwen er opeens aan dat ze nog heel wat te doen hebben om die jongen welkom te heten! Dat huis en dat voortuintje moeten nog versierd worden met groen en met gekleurde lampjes, en ook de lantaarnpalen in de buurt, en er moet nog een doek met “Welkom Thuis” gemaakt worden. Allemaal zaken die ze als goede buren voor hun rekening dienen te nemen. En ze besluiten dat ze snel aan de slag moe­ten, dat ze al genoeg tijd verkletst hebben en dat ze er nog wel op terugkomen.Een paar dagen lang staat alles in het teken van de behou­den terugkeer uit Indië van onze dappere buurjongen. En als de repatriant een paar weken na zijn terugkeer verhalen begint te vertellen hoe ze daar tekeer zijn gegaan, ze zouden voor de lol vrouwen en kinderen hebben afgemaakt, heeft de buurt heel iets anders om over te praten en is het dode kind met het veel te grote hoofd in de gang gauw vergeten. Alleen de schoolkinderen die op bezoek moesten, denken er nog wel eens aan als ze in de kerk naar de dikke engelenkopjes aan de pilaren kijken. “Precies zo zag het eruit,” zeggen ze tegen elkaar.

(uit Aan de Lange Weg. roman van Meurs A.M.:
https://www.boekwinkeltjes.nl/b/105679570/Aan-deLange-Weg-roman-van/ )

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *