Het Liefdegesticht (uit Aan de lange weg)

… en waar je als oudje terechtkwam wanneer je niet meer zelfstandig kon wonen. Misschien noemden de nonnen vanwege dat laatste het klooster wel het Liefdegesticht
(Illustratie Ufuk Kobas)


(Nieuwe FB-pagina’s als 
Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

Het Liefdegesticht
 
 
In het dorp aan de Lange Weg lag een aantal gebouwen waar iedereen mee te maken had overzichtelijk in een vierkant bij elkaar: het raadhuis waar je trouwde en aangifte deed van de geboorte van je kind, wat verderop het patronaatsgebouw waarin het consultatiebureau en de wijkverpleegster waren gevestigd, en waaraan weer de fröbelschool zat en in de tijd van Jantje Weels ook de eerste klas van de jongensschool. Naast het patronaat lag de meisjesschool, en als je door de poortjes achter de meisjes­school en de fröbelschool ging kwam je via de kloosterhof bij het klooster, waar de nonnen vandaan kwamen om les te geven aan de meisjesschool en de bewaarschool, en waar je als oudje te­rechtkwam wanneer je niet meer zelfstandig kon wonen. Mis­schien noemden de nonnen vanwege dat laatste het klooster wel Het Liefdegesticht. Tegenover het klooster, net buiten het vier­kant, was de kerk en langs de zijkant van de kerk liep de School­straat met aan het begin, voorbij het plein dat eerst nog een zandpleintje was, de jongensschool, die werd gesloten toen Jantje Weels er juist af was.
            “Zeg maar tegen die verrekte nonnen dat ons Ria vanmiddag niet komt.”
            Met die boodschap stuurde Hanna Bosmans van de Eerste Huizen Tonnie Weels alleen naar het klooster. Het was Konin­ginnedag, maar voor de dienstmeisjes van het klooster was het een gewone werkdag.
            “Kunnen die verrekte nonnen nou nooit eens een dag vrij geven, zelfs niet op Koninginnedag?” had Hanna Bosmans gezegd, en ze zei nog veel meer, maar toen Tonnie Weels de boodschap zo neutraal mogelijk probeerde over te brengen en eraan toevoegde dat zij vandaag ook eerder naar huis ging, moest zij het ontgelden, was zij de kwaaie pier.
            Maar Hanna Bosmans zei nog veel meer. Dat de meisjes toch al van die lange dagen maakten, elke dag van half acht tot na zeven, en dat zes dagen per week. Alsof ze thuis niet nog een boel te doen hadden, ook thuis moest gekookt, gestreken en gepoetst worden en boodschappen gedaan, de jongste moesten naar bed gebracht en zaterdags in bad gedaan worden. En bij de nonnen diende het dan ook nog allemaal voor een paar centen te gebeuren. Want het was een eer daar te mogen werken, lang niet iedereen kwam daar voor in aanmerking.
            “Jaja, zo ken ik er nog een paar,” had Hanna Bosmans ge­zegd.
            Hoewel de meiden er zelf om lachten, moesten ze toch voortdu­rend op hun hoede zijn dat ze niet aan hun kont werden gezeten. Vooral door de mannen die nog fit genoeg waren om trappen te lopen en die daarom op zolder, op de tweede verdie­ping sliepen. Als je de trap schoonmaakte, moest je als een schichtig vogeltje steeds opkijken of je niet belaagd werd. Daar stond je in je jurk of rok, want in een lange broek werken mocht ook al niet van die verrekte nonnen, en je kon van die jonge meisjes toch niet verwachten dat ze ook zo`n lang habijt aantrok­ken. En de grootste viezeriken probeerden niet alleen de meisjes onder hun kleren te kijken en ze vast te pakken maar ze riepen ook nog eens “billen!” “tieten”! wanneer ze de trap opliepen.
            Hanna durfde te wedden dat er mannen tussen zaten die zich heel wat dementer voordeden dan ze waren, alleen maar om die meiden eens aan te raken. Maar geef die oudjes eens ongelijk! Ze mogen niet samen wonen, al zijn ze veertig of zestig jaar ge­trouwd. Ze moeten heel de dag op de zaal bij andere oude man­nen zitten, en hun vrouw in een andere zaal bij andere oude vrouwen. En ’s nachts slapen de mannen op de mannenzaal en de vrouwen op de vrouwenzaal. Soms zag je zo`n stel dan heel zielig even samen op de gang staan. Tot er zo`n verrekte non aan kwam die ze weer uit elkaar haalde. Geen wonder dat die mannen achter de jonge meiden aan gingen. Het was het enige verzetje dat ze hadden.
            Maar als je geld genoeg hebt, dan krijg je wel je eigen kamer, met je eigen man of vrouw en je eigen meubels, en aan de straat­kant, zodat je kunt zien wie er voorbijkomen en wie er te laat zijn voor de mis in de kerk aan de overkant en wie er meteen na de communie de kerk uit gaan. Dat kun je allemaal bekijken, want een goede bril heb je dan natuurlijk ook.
            Dat alles had Hanna Bosmans gezegd. Maar het ergste was toch dat de dienstmeisjes nooit vakantie hadden, nooit eens vrij waren, zelfs niet op Koninginnedag; dat ging maar het hele jaar door, van maandag tot en met zaterdag.
            Het was allemaal waar, maar Tonnie Weels was toch blij dat ze weg kon, ontsnappen aan dat geratel van Hanna, en misschien gold dat ook voor Ria, want die voelde zich er ongemakkelijk bij nu ze haar collega`tje moest laten gaan dat bovendien de bood­schap moest overbrengen. Tonnie zag dat wel aan die blikken vanuit de andere kamer, en misschien ging Ria wel liever gewoon mee, want thuis zou ze toch ook moeten werken al was het dan Koninginnedag, en in het klooster konden ze tenminste nog eens lachen.
            Want ze lachten wat af, ook als ze door die oude mannetjes achterna werden gezeten. Bij de meesten was het onschuldig, zat er niks kwaads bij, maar sommigen moest je toch in de gaten houden, zoals die ene die zijn tong door de brievenbus stak en hem dan snel bewoog, als een hond. Dat was niet meer onschul­dig, zoals die je aankeek en je probeerde vast te pakken, en sommigen van die oudjes waren nog behoorlijk sterk!
            Maar de dienstmeisjes konden er ook wat van! Zoals toen ze, verkleed als zogenaamde missiezusters bij Trijn Minussen op bezoek gingen bij wie de drollen verpakt in krantenpapier in de kast lagen. Ze hadden werkkleding van de nonnen uit de werkkast gepakt en die aangedaan.
            “Hoe gaat het met u?” had Tonnie gezegd. ‘Wij komen uit de missie en hebben veel van u gehoord. Dat u heel lekkere dingen in de kast heeft, bijvoorbeeld. Nee, blijft u zitten, we pakken het zelf.”
            En Ria had de krant met de drol op tafel gelegd en Tonnie had gezegd: “Dat ziet er bijzonder goed uit, maar neemt u eerst zelf een stukje.” Maar toen had ze haar lachen niet meer in kunnen houden en ook haar pies niet, wat meestal samenging. En die pis was in die pluche stoelen getrokken, wat geweldig stonk, en ze hadden moeten maken dat ze wegkwamen, want ze gierden nu van het lachen en dat kon zelfs Trijn niet zijn ontgaan, en wie zei bovendien dat er met haar neus iets mis was? Want het begon verschrikkelijk te stinken in de kamer, daar was de drol niets bij. En ook in de werkkast zou het nog lang stinken, want de nonnenkleding hadden ze met pis en al teruggehangen.
            “Zeg maar tegen die verrekte nonnen dat ons Ria vandaag niet komt,” had Hanna Bosmans gezegd, en nu staat Tonnie Weels daar in de gang voor de half geopende deur van de kapel tegen­over de hoofdzuster die erbij gehaald is. De hoofdzuster glim­lachte in het begin nog minzaam, maar toen Tonnie de boodschap had overgebracht en eraan toevoegde: “En ik ga zelf ook naar huis,” was de bom gebarsten. Tonnie kijkt, terwijl moeder overste tegen haar tekeergaat, langs haar heen de kapel in met het afzich­telijke mokka stucwerk op de muren. Tonnie houdt niet van mokka. Maar ze lacht in zichzelf, want ze ziet zich met Ria de kapel binnenkomen en ze zagen het al meteen: het was weer een van die dagen. Een van die dagen dat de nonnen elkaar aanstaken, elkaar de loef afstaken in aanstellerij. Een zat er in het gangpad op de knieën, de armen geheven, het liefst zou ze haar gebed hardop uitgeschreeuwd hebben maar dat mocht niet tijdens het rozenhoedje, maar het misbaar van haar lippen was er niet minder om, je zag haar onhoorbaar gillen. De twee dienstmeisjes stootten elkaar aan en begonnen te lachen, want op de twee treden naar het altaar lag een andere non, de armen gestrekt naar voren en de handen met de palmen tegen elkaar gedrukt, terwijl tussen die twee nonnen in er een op haar knieën naar voren kroop, de gevouwen handen voor zich uit stekend in de richting van het altaar, zoals in sommige zuidelijke landen fanatieke boetebede­vaartgangers een rotsachtige berg opkruipen. Ze begonnen te lachen, de twee dienstmeisjes, en dat was niks dat beginnen, maar het stoppen! De een kon dat, zelfs met een stalen gezicht, als opeens iemand keek of gewoon zomaar als ze dat wilde, maar Tonnie kon dat niet, integendeel, dat werd alleen maar erger, dat werd gieren, hikken, snikken, én broekpissen. Dat liep, met die grote witte onderbroeken met die te wijde pijpen, zo met stralen langs haar benen. Zodat ze de kapel uit moest vluchten naar de wc, om haar benen af te vegen en haar grote onderbroek vol te proppen met wc-papier. Dat was er dan tenminste in het klooster, want thuis gebruikten ze krantenpapier dat vader Weels langs de rand van de keukentafel op maat afscheurde en aan een spijker in de plee buiten hing.
            Ook nu zou Tonnie het liefst wegvluchten bij die lege kapel, waaruit men moeder-overste geroepen heeft die daar steeds kwader wordend tegenover haar staat, vooral om Tonnies onver­stoorbaarheid die toch vooral verbazing is.
            “Zo Tonnie,” zegt de hoofdzuster, “en moet jij de boodschap overbrengen?”
            “Ja,” zegt Tonnie.
            “Ja? Kun je niet met twee woorden spreken?” zegt de hoofd­zuster. Tonnie zwijgt. Ze was na de huishoudschool als dienst­meisje in het klooster terechtgekomen omdat ze absoluut niet naar de fabriek wilde.
            “Voel je je daar te goed voor?” had Anneke Weels gezegd. Annekes jonge vriendin, buurmeisje Ineke, ging immers ook naar de sigarenfabriek, eigenlijk iedereen in de buurt, meteen na de lagere school of toch zeker meteen na de huishoudschool. Anneke en haar zusters hadden zelf in de schoenfabriek gewerkt, dus waarom zou Tonnie dan te goed zijn voor de fabriek? Omdat ze goed kon leren? Ze mocht blij zijn dat ze de lagere school in drie jaar had mogen doen, na al die jaren in het sanatorium. Tonnie had graag een opleiding willen volgen waarbij je Engels en typen leerde. Maar moeder Anneke was niet te vermurwen, er waren nog zes andere kinderen en vader Weels verdiende niet veel in de bouw. Maar Tonnie bleef vastbesloten wat die fabriek betrof. En zo was ze als dienstmeisje in het klooster terechtgekomen.
            “Zo,” zegt de hoofdzuster, “en laat jij je daarvoor gebruiken?”
            “Nee,” zegt Tonnie, “ik laat me niet gebruiken, ik breng gewoon de boodschap over en ik ga zelf ook eerder weg.”
            “O,” zegt de hoofdzuster, “gebruik jij dan Ria misschien, heb jij tegen Ria gezegd dat ze vandaag niet hoefde te komen en dat jij het wel in orde zou maken?”
            “Daar klopt geen bal van, van wat u zegt,” flapt Tonnie eruit, tot haar eigen verbazing.
            “Wat zeg je me daar, brutaal nest!” valt de eerwaarde moeder uit haar rol van lijdzame heilige. “Wat voor taal durf jij tegen mij te gebruiken?” Tonnie zegt niets meer.
            Hanna Bosmans had nog gezegd: “En als het niet die ouwe viezeriken zijn, dan zijn het de nonnen die de meisjes over hun bovenarm aaien en, wijzend op de afgezakte bandjes van bh en onderjurk, zeggen: ‘Zeg Tonnie, of zeg Ria, waar dienen toch al die bandjes voor?’“
            En als dat andere bijdehante dienstmeisje, dat van dat café uit Sas, vertelt met wie ze afgelopen weekeind naar bed is geweest – hoewel dat bed wel niet letterlijk zal zijn, ze zal wel ergens in een hoekje gestaan hebben – dan staan de nonnen vooraan om de verhalen aan te horen. Maar ondertussen halen ze wel die oude getrouwde stellen uit elkaar, en als Trijn Minussen, die nog niet zo oud is en daar mag zitten omdat ze niet helemaal tof is en haar oude moeder er ook zit, een koekje op de kapstok legt voor een mannetje waar ze verliefd op is, dan halen de nonnen het koekje weg, want ze willen in het Liefdegesticht geen contact tussen mannen en vrouwen.
            “Ja,” zei Hanna Bosmans, “en als ze niet van die meisjes kunnen afblijven, zullen ze ook wel niet van zichzelf kunnen afblijven, en ook niet van elkaar kunnen afblijven – niet dat het mij wat uitmaakt wat die nonnen onder elkaar uitvreten – en vandaar ook dat misbaar in die kapel, voor de zonden waar ze vergiffenis voor moeten vragen, de zonden van de geest en de zonden van het lichaam, de zonden die ze hadden willen doen en de zonden die ze ook daadwerkelijk bedreven hebben. ‘Gô Tonnie, gô Ria, waar dienen toch al die bandjes voor?’ Ik zeg al: het kan mij niet schelen hoeveel die nonnen aan hun gleuf zitten en aan elkaars gleuf zitten en dat ze daar boete voor willen doen, maar dat die oudjes daar de dupe van zijn… Die kunnen er niets aan doen, die hebben geen gelofte van kuisheid afgelegd maar moeten nu het kuise leven leiden dat die nonnen eigenlijk zouden willen lei­den…”
            Hanna Bosmans haalde diep adem: “Tenzij je geld hebt om op een eigen kamer te wonen. Bovendien weet iedereen dat de maatschappelijk werkster die bij sommige van die rijke mannetjes op bezoek komt gewoon een hoer is, waarom zit anders bij die bezoeken de kamer steeds op slot? Maar voor de gewone manne­tjes, die daar samen in de zaal de hele dag boeren en scheten zitten te laten en niet van de zaal af mogen, is dat er allemaal niet bij. Ze zitten maar versuft in die zaal hun sigaar of pijp te roken. Het stinkt er altijd, en ook daar moeten de meisjes proberen schoon te maken, terwijl de mannetjes nauwelijks opzij gaan, niet eens opzij kúnnen gaan vaak.”
            “Moet je haar daar zien staan!” zegt de hoofdzuster woedend. Tonnie blijft verongelijkt met de handen in de zakken van haar werkschort staan en zegt niets meer.
            Nadat Tonnie die keer met Ria de kapel was uitgevlucht omdat ze in haar broek had gepist van het lachen en haar benen had afgeveegd en haar grote witte onderbroek had volgepropt met wc-papier, moest ze het koper van de voordeur en de zijdeur gaan poetsen. Het vroor hard, zeker tien graden, en met het poetsen van de bel, de brievenbus en het naambordje stond ze wel een half uur buiten in haar schort, haar rok en daaronder de natte onderbroek met het wc-papier. Haar onderbroek en het wc-papier bevroren en toen ze eindelijk naar binnen kon en de trap opliep, viel het bevroren wc-papier uit die wijde pijpen van de bevroren onder­broek. Terwijl ze het opraapte en merkte dat Ria het had gezien, schoten ze allebei in de lach en terwijl ze gierend van het lachen de trap opliepen, piste Tonnie opnieuw in haar broek. Je lachte en piste wat af in dat klooster.
“Zeg maar tegen die verrekte nonnen dat ons Ria vandaag niet komt,” had Hanna Bosmans gezegd. En ze zei ook nog: “En om vier uur is het dan door de hof en door het poortje naar de meis­jesschool, want ook die hoort bij het klooster. Ook hier moeten de lokalen en het enorme trappenhuis gedaan worden. Maar het ergst zijn de wc’s onder het afdak buiten. Die lekken en stinken altijd, daar zijn de pisbakken van de oude mannetjes in het klooster en die van de jongetjes in de bewaarschool heilig bij. De bewaar­school is trouwens een geval apart wat schoonmaken betreft. Daarvoor komen de meisjes met zware zinken emmers met van links naar rechts klotsend sop, dat eerst in het klooster voor de was is gebruikt, helemaal door de tuin van het kloos­ter aansjou­wen. Het sop is volkomen dood, maar de bewaarschool moet er nog wel mee schoongemaakt worden. Want die verrekte nonnen bezuinigen niet alleen op het loon van de dienstmeisjes en op de vrije dagen die ze niet krijgen, maar ook op het spul waarmee ze moeten schoonmaken,” zei Hanna Bosmans.
            “En moet je haar daar zien staan!” zegt de hoofdzuster vol woede omdat ze geen greep heeft op het zwijgende meisje tegenover zich, dat geschrokken is van de felheid en de woede van de non maar toch vooral verbaasd is en verongelijkt.
            “Vraag vergiffenis!” schreeuwt de non, “Voor het lied dat je gemaakt hebt om een van onze bewoners te bespotten.”
            Tonnie schrikt nog meer. Hoe weet die non dat? Want de dienstmeisjes hadden tijdens het eten inderdaad een lied gezon­gen over Manus Venray, een beruchte inwoner van het huis die uit het tehuis voor daklozen in de stad kwam, tamelijk fit was, dus op zolder sliep en de meisjes vaak op de trap tegenkwam en ze met grappen en grollen achterna zat. Alle meisjes kenden hem en het lied dat Tonnie gemaakt had was een groot succes. De nonnen moesten dat in hun refter een verdieping lager gehoord hebben, misschien had zelfs iemand ze de tekst in handen gespeeld, en nu begint de hoofdzuster dus ook hier over en schreeuwt steeds harder.
            “Moet je haar daar zien staan! Haal die handen uit je zakken! Vraag vergiffenis!”
            Maar Tonnie doet niets van dit alles. Verongelijkt om zoveel onbegrip, zoveel woede, blijft ze daar staan en de non aankijken. Tot die uitzinnig begint te schreeuwen: “Ga uit mijn ogen, ik wil je niet meer zien!”
            Ook dan gaat Tonnie niet weg, totaal overdonderd, maar ook vastbesloten om nooit vergiffenis te vragen. Tot de hoofdzuster ten slotte zelf maar weggaat, gillend: “Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt!”
            Nooit van mijn leven! denkt Tonnie als ze een beetje is bijgekomen. Maar ze huilt bijna als ze werktuiglijk de kapeldeur dichtmaakt en met trillende benen over de lege gang loopt.
            “Psst,” hoort ze dan. “Tonnie, kom eens.” Het is zuster Maria Josepha die haar vanuit haar op een kier geopende kamerdeur roept. Tonnie aarzelt, want ze staat op het punt in huilen uit te barsten en ze wil liever alleen zijn.
            “Kom, Tonnie,” fluistert de poetsnon, “ik heb alles gehoord, kom maar even hier.” Zuster Maria Josepha is op oudere leeftijd ingetreden, heeft niet de normale opleiding aan het nonneninter­naat gevolgd en is nu poetsnon en ook daarom staat ze in haar dagelijkse leven heel dicht bij de dienstmeisjes, maar toch vooral omdat ze al een heel leven in de buitenwereld achter de rug heeft en veel levenswijzer en begripvoller is dan de meeste andere nonnen.
            “Tonnie, laat ze maar praten,” zegt Maria Josepha als ze de deur achter Tonnie heeft gesloten. “Ga zitten, hier neem een stukje chocola. Je moet het moeder Johannie maar niet kwalijk nemen,” zegt ze even later. “Ze heeft een grote verantwoordelijk­heid, moet je maar denken,” en ze knipoogt tegen Tonnie. “We weten allemaal dat je je werk goed doet en dat je ook van een lolletje houdt, en dat is maar goed ook, anders zou het hier maar een sombere boel worden met die chagrijnige nonnen en die oude mensen.”
            Vroeger dacht Tonnie dat nonnen een soort heiligen waren maar nu wist ze beter, daarvoor had ze teveel ervaring met nonnen. Van haar vierde levensjaar in het sanatorium al, waar ze eens een non de kap van het hoofd had geslagen, en daarna op de meisjesschool en de huishoudschool, en haar werk in het klooster had haar achting voor de nonnen niet doen stijgen. Maar voor zuster Maria Josepha maakte ze graag een uitzondering, die deed niet mee aan het systeem van onderlinge na-ijver en pesterijen. “Laat ze maar praten, Tonnie,” zei ze altijd, ook nu dus. Ze had oog voor Tonnies toestand, wist dat ze het thuis arm hadden met die ondertussen acht kinderen, en soms gaf ze Tonnie geld voor een bloesje of een bh. Bij zuster Maria Josepha komt Tonnie weer tot zichzelf. Maar ze weet dat ze niet lang meer in het klooster zal blijven werken.
 
De rijke dames van het dorp ronselden hun dienstmeisjes onder de ouder wordende werkmeisjes van het klooster. Eerst was er uit de meisjes die met hun veertiende van de huishoudschool kwa­men al de vrij scherpe selectie wie er in het klooster mocht werken. In de eerste jaren viel er dan een flink aantal af. En als ze een jaar of zeventien, achttien waren werden de besten doorge­sluisd naar de rijke dames van het dorp of zelfs van de stad. Eigenlijk werden ze gewoon doorverkocht, want de dames leverden een forse vrijwillige bijdrage voor de armen van het klooster.
            Tonnie Weels kreeg van moeder-overste de allerbeste aanbeve­lingen mee: ze hadden in het klooster nog nooit zo`n goed meisje afgestaan. Ze komt bij een architect in de stad te werken en heeft het prima naar haar zin. Een paar avonden per week werkt ze nog, samen met de dochter van een van de andere Vrouwen van de Eerste Huizen, Ada Knietel, in het patronaat. Daar wachten nieuwe avonturen.
            De actie van Hanna Bosmans had trouwens wel gevolgen. De werkomstandigheden van de meisjes verbeteren en ze krijgen voortaan ook zo nu en dan een dag vrij.
            De verhouding tussen Tonnie en de hoofdzuster was na het incident weer genormaliseerd.
            “Maar nooit van mijn leven dat ik vergiffenis vraag aan die verrekte nonnen!” had Tonnie gezegd en was in de lach gescho­ten, want ze merkte dat ze begon te praten als Hanna Bosmans.
 

 

Download

(uit Aan de lange weg , roman van Meurs A.M.)

(Bouwplaats Liefdegesticht, het klooster, appartementen in aanbouw voordat er een nieuwe gevel was opgetrokken zodat het weer een beetje op het klooster leek)

(Illustratie Ufuk Kobas)
(Hanna Bosmans is een van de Vrouwen van de Eerste Huizen. Haar dochter Ria werkt samen met Tonnie Weels als dienstmeisje in het klooster. Hanna wil niet dat haar dochter op Koninginnedag gaat werken en heeft daarbij tegen Tonnie een enorm verhaal over ‘die verrekte nonnen’ afgestoken. Als Tonnie tegenover de hoofdzuster staat om te vertellen dat Ria vandaag niet komt en dat ze zelf ook weer naar huis gaat, komt dat hele verhaal van Hanna weer bij haar naarboven.)


De nagebootste gevel van Het Liefdegesticht, het klooster, in 2005. Er bleef iemand blijkbaar hardnekkig voor staan. Achter de gevel bevinden zich nieuwe appartementen. De foto is gemaakt door radiomaker @WimNoordhoek, die ik op mijn beurt fotografeerde voor de gebouwen die voor de meisjesschool en het patronaat in de plaats waren gekomen. Zie het verhaal Het Patronaat.
Dat al die huizen van mijn buren aan de Provincialeweg waren afgebroken, dat al die gebouwen als de jongens- en meisjesschool, het klooster en het patronaat zouden worden afgebroken, was de reden dat ik de verhalen uit die woningen en gebouwen besloot op te schrijven. Uitgebreid met andere verhalen uit Meerveldhoven, Zeelst en Veldhoven werd dat in december 2004 de roman Aan de Lange Weg. In 2009 werd de door @UfukKobas geïllustreerde 3e druk uitgebracht. De hoorspelversie, door Patrizia Filia gemaakt, werd in huiskamerachtige zaaltjes in en rond Dordrecht gespeeld. In september 2010 werd het hoorspel vergezeld van vele foto’s en afbeeldingen eenmalig gespeeld in De Schalm in Veldhoven.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *