NU IK zovele jaren heb geleefd en het adieu mij nadert voel ik een deugd in mij die mij sinds lang vergat alsof de jongeman die ik ooit was gewekt wordt door een vreemde energie mij inneemt en mijn oude lijf bezielt mijn geest vervult tot ik mijzelf niet meer herken ik wens dit niet en toch tot op het wenen na verlang ik naar die deugd opdat zij blijven zou
de zoetste herinneringen verdringen zich in mij weer hoor ik nu die stilte in mij sneeuwen ik voel de adem van muziek mij zalven opnieuw voel ik de liefde van mijn lief en weer breekt in de avondval het wachten aan verrukkelijk wachten op het zuivere moment waarin ik uit mijzelf gezogen door een heldere schijn de vrijheid van het leven onderga terwijl mijn oude lijf verlamt en sterft
ik weet dat ik mijn geest niet weerhouden kan hij is het lied in mij waarin ik werd geboren waarvan mijn mond nooit woorden vond en nu ik weer die jonge deugd ervaar die jeugd in mij alsof nog alles herbeginnen is groeit spanning van extase in mijn ogen terwijl de jongeman in mij verwonderd luistert naar de echo van mijn nabije adieu
Uit: Het onbereikbare licht 2014, deel Naar de echo van mijn nabije adieu, Booklight. Zie bij Boekwinkeltje Wonderland ook ander werk van en over Gust van Brussel.
(Gust van Brussel bij een van de literaire estafettes van de Ver. van Vlaamse Letterkundigen, links toenmalige voorzitter #TonyRombouts, waarschijnlijk 2011)
ONE big family in a Global Village het diepvriesaquarium met de graten van het uitgestorven Oceaanvolk in het postmillenniumtijdperk van vissticks en chips
miljarden opgeblazen kippen miljarden opgepompt rundvlees ladingen chemisch afval in schijngroenten en bedrogfruit gedumpt one big family but are they really free the answer is Yes Yes Yes indeed my brothers and sisters the homo sapiens is a honourable man hij is ondermeer een gelijke van god
waarom toch verliet de primaat mens zijn gelijken de apen en mensapen waarom verliet hij zijn paradijs waarom moet hij racen op betonbanen dwars door het ongerepte waarom moet hij de wolken overschrijden om planeten te verzieken waarom moet hij stom worden terwijl hij internettekens download waarom offert hij eeuw na eeuw miljoenen eerstgeborenen op aan de god van het vuur
one big family in a yellow submarine a yellow submarine a jellow submarine we…
Uit: Het onbereikbare licht 2014, deel Hello de moderne tijd, Booklight
(Lang voor #GustvanBrussel geëerd werd als schrijver werd hij kort na de 2e Wereldoorlog in Brugge al gehuldigd als winnaar van de grote prijs Saelens, genoemd naar de Belgische sprintkampioen hardlopen en verzetsstrijder, die tegen het einde van de oorlog door de nazi’s in gevangenschap was doodgeschoten)
(heimwee naar de oude wijk Luchtbal van Antwerpen, waar Gust van Brussel jong, arm was en gelukkig)
TOEN IK mijn stad zag op zondagmorgen vanuit het tuintje waar mijn broer kippen kweekte één kip was het maar met een bandje om haar nek zodat hij haar leiden kon om ons huis wij waren nog kinderen in het kleine gehucht dan hoorde ik de spitse torens beieren en tampen van alle kanten kwamen de geluiden zij waren vlak bij me en toch hingen ze boven de einder alsof het kransen waren ik hoorde de glinsteringen van de kleine klokken de zangerige dubbele tonen van hoge torens en daar ver bovenuit een donkerbrons als de trage stappen van een wezen dat de dood op zijn rug droeg
Iedere morgen op zondag als de wolken zwollen van de einder tot boven ons tuintje voelde ik me zo raar in mijn hoofd alsof iets me bij de keel had gegrepen alsof ik in mezelf mijn leven voelde en hoe ik nu daar was voorgoed bij de stilgevallen kranen langs de kaden bij de rompen van de koopvaardijschepen en het veelvuldige klokkenspel aan de horizon ik was tegelijk triest en gelukkig ik begreep toen nog niet waarom zo ongeduldig weemoed mijn gezelschap zocht
Uit: Het onbereikbare licht 2014, deel Waarom zo ongeduldig weemoed mijn gezelschap zocht, Booklight.
(achterpagina van HetWerk65 van Meurs A.M., een special over Gust van Brussel met linksboven de dichtbundel waaruit deze gedichten komen en rechtsboven de huwelijksfoto van Gust en Monique, zoals die op zijn kamer hing in een tehuis in Oud Turnhout, waar hij woonde nadat zijn vrouw was overleden)
WAT is het heerlijk bij je mooie vrouw te zijn zo van haar schoonheid te genieten dat heel je willen, denken en gevoelen gegrepen wordt en je nog nauwelijks beseft hoe groot het is op dat moment te leven zij is zo onverwacht indringend in jezelf dat je verbeelding haar verheft tot ver voorbij wat ooit de schoonheid was voor jou en je onmachtig bij haar bent het is haar elegantie niet en evenmin de harmonie van heel haar lichaam het is haar glimlach niet en niet haar fijne mond haar borstjes niet haar heup haar vingers het is wat je zo hulpeloos niet zeggen kunt als je verloren in verwondering kunt beleven dat zij daar naast je zit en naar je kijkt dan ben je overmand en wens je dat je nooit voorgoed die blik verlaten moet wat is het heerlijk bij je mooie vrouw te zijn
Uit: het onbereikbare licht 2014, deel Een tuin vol kleurenlust en weelderig, Booklight
Gust van Brussel op zijn kamer in Antwerpen voor schilderij van eigen hand
HET RODE SCHERM van de parasol over mijn hoofd bij het café waarbinnen donkere lachsalvo’s zwerven het terras met zijn rood blad prunus leeg een zweverig gevoel zakt in mijn hoofd de koelte is me nu raadselachtig vreemd onverklaarbaar hangt een waan op de Troonplaats een enkel zwijgend hoofd bij het zwarte menubord bange kinderen vluchten de handen geklemd om het warme brood in het valavond paars rondom mij voert de aandringende regen zachtaardig verontrusting aan een vreemde vrouw vervroren in een kaftan zij loopt op gouden muiltjes naar de Krim onder acacialover de straathoek schuin de straat over naar het kraakpand het verlaten Entrepot de Vins Bordelais ik sla een blad om van het boek Aljosha Karamazov zit bij de muur gehurkt twijfelend over leven en dood
Uit: het onbereikbare licht 2014, deel Een tuin vol kleurenlust en weelderig, uitg. Booklight
Drieks Domein (opnieuw opgenomen bij De Patersfabriek Twee)
1964 De Dagbespreking (uit
HetWerk66, 6 januari 2016, nooduitgave van 4 blz., werd gevolgd door
HetWerk66A, normale uitgave)
Als om 8 uur ’s morgens de dagbespreking begon waren
sommigen van de zo’n 50 leden tellende familie van Driek al uren in touw, de
eersten, met name de melkers, vanaf 5 uur. De schoonmakers en dierenverzorgers
begonnen om 6 uur. De enkele koeien, varkens, geiten , kippen en konijnen waren
voornamelijk voor eigen gebruik, al was een uitzondering voor de verkoop altijd
mogelijk. Echt gehandeld werd er in paarden, zowel renpaarden als trekpaarden,
en ook in paardenvlees. De slachterij was aan huis. De duiven deden wekelijks
mee aan wedstrijden. De duiven die niet voldeden werden opgegeten. Eigenlijk
stond iedereen vroeg op. Ook zij die tot 1 uur het café hadden opengehouden
zaten, net als degenen die die morgen al gewerkt hadden, fris gewassen bij de
ochtendbesprekeng. De bespreking duurde maximaal een half uur en gedurende die
tijd lagen alle activiteiten stil en de bezoekers die dat niet wisten staarden
in het voorzaaltje naar het plakkaat waarop stond dat vanaf 8.30u alle
activiteiten werden hervat, waaraan was toegevoegd: Wij rekenen op uw
begrip. Laten we eerst vertellen dat
voor publiek het gebouw open was vanaf 7
uur. Dat kon net zo goed voor een medisch consult zijn van een man of vrouw die
heel de nacht buik- of kiespijn had gehad als bij wijze van noodhulp aan een
jongen die de hele nacht maar aan één ding had kunnen denken. Voor half acht ging hij weer opgelucht
huiswaarts en kon misschien thuis nog een dutje doen voor hij naar zijn werk of
school moest. Ook de andere
ochtendspoedgevallen waren meestal voor 8 uur opgelost. Het maken van een
afspraak, meestal door even langs te komen, of telefonisch, werd gestimuleerd.
Om 8 uur werden zowel de roulatie en situatie van de
vaste werkzaamheden doorgenomen als de afspraken. Bij de laatste vervulde
receptie de hoofdrol. Tijdens de
bespreking werd tevens ontbeten. Er
zaten zo’n 30 volwassenen van alle leeftijden in het zaaltje, een tiental
pubers en eveneens een tiental kinderen onder de 10.
De laatsten zaten in een hoek apart, dichtbij de
tieners die voor ze verantwoordelijk waren.
Om half negen begon het reguliere spreekuur en tevens
de afhandeling van de afspraken, terwijl ook
nieuwe afspraken gemaakt konden worden. De receptie moest vaststellen,
als dat nog niet was gebeurd, wie het best bij wie terecht kon. Er was
veelzijdige expertise in huis. De meeste van de kinderen van Dries hadden
tenminste een paar jaar gestudeerd, wat op zichzelf al bijzonder was gezien het
milieu waaruit ze kwamen en de tijd, de laatste jaren van een zeer langdurige
oorlogstijd, waarin dit plaatsvond. Ondertussen was er alweer een nieuwe
generatie, hun kinderen, aan het studeren, en nu viel dit samen met een
algemene toename van studenten aan de universiteiten en hogescholen uit
gezinnen met laag opgeleide ouders. De nakomelingen van Driek, en hun partners
of echtgenoten (officiële huwelijken waren een uitzondering) hadden opleidingen
genoten als medicijnen, psychologie, psychiatrie, pedagogie en onderwijs,
maatschappelijk werk, geschiedenis, bouw en constructie, diergeneeskunde,
letterkunde en kunsthistorie, tandheelkunde en communicatie. Ze hadden (en dat
vooral later) aanvullende cursussen gevolgd om het vele praktische werk te
ondersteunen, zodat de groep die alleen maar lichamelijke arbeid verrichtte zo
klein mogelijk was. Al was er juist weer daarbinnen een groep die daaraan, al
dan niet tijdelijk, ondanks hun hoge opleiding, de voorkeur gaf, en de kennis
voortkomend uit hun studie uitsluitend gebruikte voor een bijdrage tijdens de
dagbespreking of wanneer ze informeel om advies gevraagd werd. Driek had er vanaf het begin aan gehecht dat
de waardering voor geestelijke en lichamelijke arbeid even hoog was en dat gold
ook voor geschoolde en ongeschoolde arbeid of voor arbeid waarvoor wel of geen
oefening vereist was. Iedereen werkte hard maar met arbeidsethos werd
goedmoedig de spot gedreven.
Werk was geen doel op zich maar gewoon een van de
manieren om door het leven gaan.
Hoewel Driek zich er, net als zijn vader destijds al,
op voor liet staan dat je bij hem voor alles terechtkon – je kon alles
bestellen – was het logisch dat automatisch de nadruk kwam te liggen op zaken
waarvoor je elders moeilijk terechtkon. Driek had altijd gepleit voor een
nuchtere, praktische en sociale moraal, niet gedreven door godsdienst,
bijgeloof, ideologie, politiek of winstbejag.
Het was logisch dat – hoewel Driek er niet luidruchtig
mee adverteerde, juist om de discussie
niet te verhitten – onderwerpen als seksualiteit, inclusief
voorbehoedmiddelen en seksuele dienstverlening, abortus, euthanasie en
stervensbegeleiding in het algemeen en crematie, de meeste mensen trokken. In
de scociaalpsychische gesprekken speelden geloof en godsdienst nog een grote
rol. Er bestonden nog maar enkele crematoria en Dries en zijn mensen maakten de
afspraak en de reis ernaar mogelijk.
Vanaf de kansel in de katholieke kerk werden wel
toespelingen gemaakt over hovaardige mensen die meenden reeds op deze aarde hun
eigen koninkrijk te kunnen stichten waarin de mens en niet God over de daden
der mensen oordeelde. Na zo’n preek vond er wel eens bij de kiosk voor het café
van Driek een anti-abortus- of anti-euthanasiedemonstratie plaats. Maar de
mensen werden rustig in een van de zalen uitgenodigd voor een discussie, kregen
een drankje aangeboden, en verlieten het café weer vele uren later met achterlating
van hun borden, beschaamd als ze waren er in hun eentje mee over straat te
gaan. Ach, en Driek was er zich van bewust dat het heus nog wel eens opnieuw
zou gebeuren.
________________________________________
HetWerk72 bestellen bij Boekwinkeltje Wonderland, zie daar ook overige publicaties
(Dit verhaal sluit min of meer aan bij het in ik-vorm vertelde verhaal Alles beter dan zo’n pak slaag in HetWerk
63 van 20 november 2013 en bij DE PATERSFABRIEK in HetWerk70.
Allen zijn bedoeld als hoofdstukken van een roman)
meursam story
DE PATERSFABRIEK twee
Hij was gewoon iedereen in het oude gebouw voorbij gelopen, was extra vroeg gekomen, er was nog niemand hier. In de vakantie had hij al een keer stiekem het nieuwe seniorengebouw bezocht, hij wist dat het klaar was en, op goed geluk dat het open zou zijn, was hij nu rechtstreeks naar het gebouw in het bos gegaan, zijn weekendtas in een hand en een rekje in de andere. Hij nam een lessenaartje in bezit naast de verwarming aan het raam en begon aan de achterwand van het lokaal het draadstalen rekje voor zijn boeken op te hangen. Hij tikte voorzichtig 2 spijkertjes schuin naar beneden in de stenen muur. ‘Wat ben jij vroeg,’ zei iemand achter hem en: ‘Als ik iemand niet zondermeer zou hebben terugverwacht was jij het wel.’ ‘Rot op,’ zei Driek. Hij zat aan zijn lessenaartje naast het raam, keek naar buiten het bos in en dacht: ‘Ja, hier zit ik goed, ik ben zo buiten.’ Het gebouw had maar 3 leslokalen, een recreatiezaal, toiletten en een keukentje, een spreekkamer, een opberghok en een paterskamer, slapen moesten ze nog in het oude gebouw. Hij zou zo langs het heuveltje aan het einde van het bos vlakbij het dorpsvoetbalveld gaan. Maar eerst ging hij even naar het gewone kerkhofje waar een paar paters en broeders waren begraven. Het was toch vlakbij. Iets wat hij had gelezen toen de pastoor hem bij het verplichte bezoek in de vakantie nogal lang in zijn bibliotheek liet wachten, had hem aan het denken gezet. Het boek had op de grote tafel gelegen alsof het net nog was ingekeken. Rond de 5 graven stonden zo goed als ondoordringbare stekelige groenblijvende struiken. Het kerkhofje lag aan het pad naar een uitgang van het bos die altijd gesloten was. Maar het was altijd mogelijk dat er iemand voorbijkwam en daarom ging hij toen hij moest pissen toch zo ver mogelijk in de struiken staan. Hij stootte daarbij zijn voet tegen een grote steen. Toen hij klaar was taste hij met een vooruitgestoken been rond en voelde meer stenen. Hij probeerde met zijn hoofd bijna op de grond onder de struiken door te kijken, in het schemerdonker daar meende hij meer stenen te zien. Ondanks de stekelige bladeren drong hij wat verder de struiken in en trok een steen die niet diep in de bodem zat naar zich toe. Het was een rotsblok, het was duidelijk dat iemand hier ooit iets had willen markeren. Hij moest in het gereedschapshokje van de broeders bij de voedseltuinen wat gereedschap halen. Hij kwam terug met een heggenschaar en een schepje. Hij probeerde de stekelige bladeren die door zijn broek heen in zijn benen prikten voorzichtig los te maken en te negeren en liet zo de eerste meter struikgewas vanaf het kerkhofje onaangetast maar knipte dan takjes en bladeren weg om zicht op de stenen en de bodem te hebben. Dan schepte hij wat zand weg. Op een halve meter diep stuitte hij al op verrot hout en daaronder kleine beenderen. Hier lagen kinderen begraven, dit was een verborgen kinderkerkhofje. Hij legde alles zo goed mogelijk terug, begroef ook de takjes en bladeren die hij afgeknipt had en kroop achterwaarts terug naar het paterskerkhof. Voor hij uit de struiken kwam luisterde hij scherp of hij niemand hoorde. Hij bracht eerst de schaar en het schepje terug, want hij wilde er niet mee gezien worden en had het ook niet meer nodig. Bij het grafheuveltje tegen de draad aan het einde van het bos bleef hij een poosje gebogen staan. Hij wist dat dit graf van veel later was, van de jongen die het hier niet meer zag zitten, die hij niet gekend had maar die hij als zijn bondgenoot beschouwde en die een eind aan zijn leven had gemaakt. Tussen de struiken waren ook hier, zoals hij al vermoed had, de resten van veel jongere kinderen te vinden van lang geleden. Want zulke jonge kinderen hadden hier de laatste tientallen jaren niet meer gewoond sinds het een Patersfabriek was. Waren de kinderen in dezelfde periode gestorven, aan een epidemie bijvoorbeeld? Of was het hoge sterftecijfer te wijten aan al zwakke en dan misschien ook nog eens verwaarloosde kinderen en over een langere periode? Waren ze misschien ernstig mishandeld? Waarom waren er in ieder geval twee van zulke begraafplaatsen? Een misschien voor voorslachtoffers van een besmettelijke ziekte, de andere voor de overige sterfgevallen? Wat was hier geweest? Een weeshuis, een blindeninstituut, een inrichting voor geestelijk gehandicapten? (…)
In 1969 is Driek 60 jaar en, hoewel hij dat zal ontkennen, hoofd van het familiedomein waar op enkele hectaren in gebouwen, woonwagens, caravans en zelfs in tenten (meestal jongelui die daar de voorkeur aan gaven) zijn nakomelingen met hun aanhang woonden en werkten plus een aantal mensen dat ze in dienst hadden maar dat ook als familie beschouwd werd met dezelfde idealen. (zie hoe het er op een werkdag aan toeging Drieks Domein, pag. 13 in HetWerk72 en ook link hieronder). Er woonden altijd ook al enkele geestelijk gehandicapten, zoals op veel plaatsen in het dorp. maar de afgelopen jaren waren dat er enkele tientallen geworden die gered waren van boerderijen en families waar ze geestelijk en lichamelijk misbruikt waren. Het was pas sinds een paar jaar dat daar onderzoek naar gedaan werd. Ondanks het feit dat ze misbruikt en zelfs mishandeld waren wilden velen van hen niet weg bij de families waar ze vaak al jaren woonden. Maar eenmaal een paar maanden hier wilden ze ook niet meer terug. Er was een zeer oude broeder die zich al tientallen jaren over hen probeerde te ontfermen met ze meegekomen. Hij was 90 en had de Patersfabriek die onlangs was opgeheven bij gebrek aan kandidaten nog gekend in de tijd dat het nog een weeshuis was. Hij vertelde Driek over de kindergraven. ‘Hoe moesten we al die dode kinderen verantwoorden?’ zei de oude broeder, ‘vaak wisten we niet eens waar ze vandaan kwamen of wie ze waren, hoe ze heetten, wie de ouders waren en of ze andere familie hadden, waren ze afgegeven of te vondeling gelegd? We zouden allerlei vragen krijgen die we niet konden beantwoorden. En nu was zo’n kind dood. We redeneerden dat we het toch niet meer konden helpen, het was nu eenmaal gebeurd, soms was het mishandeld, soms ook niet. Soms was het een ongeluk, soms was het gewoon te zwak. We stopten de botten samen met allerlei dierlijke resten onder in een graf, gooiden er een meter zand op en begroeven daarop in een kist een oude pater of broeder. Als we zo gauw geen lijk bij de hand hadden trokken we met een paard de grafsteen weer tijdelijk op het graf. Zodat niemand erbij kon. We noemden het geprepareerde graven en plaagden er elkaar en vooral de oudere paters en broeders mee: Je kuil ligt al voor je klaar. Niemand wist dat er resten van kinderen onder lagen, behalve de enkeling die daarmee belast was. Het viel wel eens op dat de grafsteen veel groter was dan het graf. Dat was om te voorkomen dat er naar het graf toe zou worden gegraven, vooral door dieren, maar je wist maar nooit. Er waren ook grafschenners die nog iets van waarde hoopten te vinden. Het ging meestal goed. Of ik me schuldig voel? Nee. Er was toch niks meer aan te doen. Hoewel bij de broeders wel echte gekken rondliepen, monsters, zelfs die er voor straf zaten, dat wist je. De gestoordheid lag op hun gezicht. Ze moesten meestal hun kap op houden. Ze mochten eigenlijk niemand aankijken. Maar wat moest je er dan mee? Ergens anders opsluiten? En waren daar de mensen veilig voor ze? Hier functioneerden ze redelijk. Moest je het risico dat er een enkel slachtoffer viel niet nemen? We hadden nog een begraafplaats voor jonge kinderen. Onder de grote mesthoop. Daar verteerden ze snel en bleven er al gauw alleen de beenderen en het doodshoofdje over. We moesten wel, we konden natuurlijk geen babylijkjes tussen ijsblokken bewaren. Die groeven we dan naar verloop van tijd weer op en stopten die in een geprepareerd graf wanneer we een gewone dode verwachtten. Er waren vaak oude doden want het was ook een rusthuis voor oude paters en broeders, vaak met tropenjaren. Die werden niet erg oud. We hebben ook beenderen van kinderen vermalen. We bekalkten er onze vijver mee die sterk ijzerhoudend was. En ook de grond waar planten groeiden die veel kalk nodig hadden. En ook hebben we, toen nog niet zolang geleden, begin 60er jaren, crematie werd toegestaan, en nu heb ik het over een veel recenter kindertehuis waar ook te veel doden vielen, regelmatig geprobeerd wat ‘mee te geven’. Natuurlijk wel riskant, maar we maakten de kisten zelf, dus meestal ging het in een dubbele bodem. Maar ik ben blij dat dat allemaal voor een groot deel achter de rug is, dat de opvang en behandeling nu veel beter is, zoals hier bijvoorbeeld. Maar, zoals ik zei, ik zou echt niet geweten hebben hoe ik het destijds anders had moeten doen, ik heb nooit een vlieg kwaad gedaan, die kinderen konden nergens anders terecht, ik kon het systeem niet veranderen, ik kon alleen proberen om de schade te beperken.’ ‘U vertelt over de kinderen waarvan er niets mocht worden teruggevonden,’ zei Driek. Maar hoe zit het dan met die minstens twee verborgen kinderbegraafplaatsen die ik ooit op het terrein heb gevonden?’ ‘Dat was omdat het er te veel waren,’ zei de oude broeder. ‘We konden ze eenvoudig niet allemaal behandelen zoals ik heb verteld, bovendien zou helemaal geen graven ook wantrouwig gemaakt hebben. We kregen te horen welke we gewoon mochten begraven, zij het niet op te opvallende plaatsen. Ik heb begrepen dat dat de kinderen waren die door een ziekte – er waren natuurlijk epidemieën – waren gestorven en waarop men dacht dat er geen sporen van seksueel misbruik, zwangerschap, mishandeling of verwaarlozing waren te vinden. Maar of dat zo was, kan ik niet garanderen, het waren er gewoon te veel.’ De oude broeder zweeg. Driek ging niet in discussie.
Het oorspronkelijke overlijdensbericht van schrijver, dichter en uitgever Johan van Nijen, die 10 jaar geleden overleed, waarbij enkele verwijzingen die niet meer bestonden weer zichtbaar zijn gemaakt.
(Bij de foto’s : Johan en zijn grote vriend Duc waren onafscheidelijk)
Amsterdam/Turnhout – Johan van Nijen, wandelaar, schrijver, uitgever, 04 02 1942 – 25 11 2012
In de vroege ochtend van zondag 25 november is in Turnhout Johan van Nijen plotseling overleden, volgens de laatste bevindingen van de spoedartsen aan een fatale hersenbloeding. Mogelijk een anorisma, waarmee hij al eerder elders in zijn lichaam te kampen had gehad. Vervoer naar het ziekenhuis mocht niet meer baten. Johan was een verwoed wandelaar en schreef en publiceerde via zijn eigen uitgeverij de Graal 16 boeken. Naast boeken over natuurwandelingen was hij ook de uitgever van mijn 2 eerste boeken, een roman en een boek met theaterstukken. Alleen al met het uitgeven vanaf 2002 van 7 romans en een dichtbundel van de gerenommeerde schrijver Gust van Brussel, die door verblijf in het buitenland en door ziekte meer dan 10 jaar had gezwegen, heeft de Graal zijn bestaansrecht bewezen voor de Nederlandstalige literatuur. Johan van Nijen stopte einde 2010 met zijn uitgeefactiviteiten. De criticus Paul van Leeuwenkamp schreef in februari 2012 een waarderend afscheid van de Graal. Ik publiceerde het op Cultuurnet, maar dat is opgeheven, reden waarom ik de link heb verwijderd.
Vandaag heb ik het artikel op mijn eigen website geplaatst:<Het einde van de GRAAL door Paul van Leeuwenkamp>:https://meursam.nl/?p=1722
Johan van Nijen was een door de media genegeerd schrijver. Hij stuurde jarenlang al zijn boeken op, kocht wekenlang de kranten in de hoop dat ze over hem zouden schrijven, tenslotte gaf hij het op en stuurde niks meer. Hij was te bescheiden om echt aan de bel te trekken. In zijn artikel Het einde van de Graal schrijft Paul van Leeuwenkamp niet alleen met waardering over de uitgaven van de Graal maar ook over Johan’s eigen roman Iks. Het zal deze goed gedaan hebben. Het was met dit boek dat hij enig succes had en dat door de meeste bibliotheken werd opgenomen.
Op de (opgeheven) site van De Graal lezen we: Wie is toch die man ? Johan werd geboren in de grote oorlog. Johan heeft echter niet het geweer in aanslag maar wel altijd een vriendelijk woord. Johan huwde en kreeg 2 kinderen. Op later leeftijd leerde hij reizen. Hij ontdekte het zachte toerisme, bergen, wandelen, buiten zijn, de natuur. Buiten slapen in een tent, en ’s morgens luisteren naar de vogels. Kijken hoe de zon ontwaakt tussen bergen met eeuwige mooie sneeuw. Genieten van een reep zwarte chocolade en vrienden om deze reep te delen. Niet het materialisme was belangrijk maar wel de mens. De mensen zoals de mensen zijn. Johan zijn geest staat open voor de Europese geschiedenis, de Belgische politiek, de kosmos, de evolutietheorie en de quantummechanica. Johan schrijft met een pen waaruit warme inkt vloeit. Wim Cools
Wij denken aan zijn vrouw Maria, zijn dochters Hilde en Heidi en zijn kleindochter Anna en hun familie.
Boekpublikaties van Johan van Nijen:
Een periode – gedichten De redder van de wereld – novelle De broeders van het licht – roman Onrust – gedichten Een blauwtje – verhalen Tijl in Turnhout – verhaal Iks – vampierenroman Kolen – novelle Op zoek naar – gedichten Onderweg – over de GR5 door Vlaanderen en de Vogezen De ontdekkingsreis – roman Bakboord is links – verhalen Vlaanderen boven – gedichten Het geduld van Maria – buitenverhalen Dag, meneer de controleur – verslag van een onderzoek ter plaatse Teksten – gelegenheidsuitgave
Naast deze boeken staan op de (opgeheven) site van De Graal talloze verhalen, fragmenten en foto’s van wandelingen door Johan gemaakt. Indrukwekkend op de site van de Graal is de documentatie over Gust van Brussel. Het 10-delige essay van Paul van Leeuwenkamp, <Het Labyrinth van Gust van Brussel>, de lijsten met publicaties van en over Van Brussel, de gedichten van Van Brussel zelf over De Reynaert en over zijn overleden vrouw Monique, maken, samen met de 8 van hem uitgegeven boeken, duidelijk dat Johan van Nijen de laatste 10 jaar De Graal vooral in dienst heeft gesteld van Van Brussel. Met de 2 boeken die hij van mij uitgaf, ben ik hem ook daar dankbaar voor. Maar wat zou ik hem graag wat meer aandacht voor zijn eigen werk gegund hebben. Dat daar pareltjes tussen zitten toont het volgende gedicht van
Johan van Nijen
Onvoltooid
ben ik niet cel van jouw cellen je mooiste complement van wonderspiegels het geweten
ben ik niet onvoltooid maar toch volledig het antwoord op alle vragen volmaakt onvolmaakt
ben ik niet hoe kortstondig ook eeuwig reeds en onsterfelijk
(gepubliceerd op mijn website nav de 10e sterfdag, 25 november 2022, van uitgever Johan van Nijen van uitgeverij De Graal, oorspronkelijk verschenen ca 2011o.a. op de websitevan De Graal , welke is opgeheven, .)
Ik heb mij over de kleine
uitgeverij De Graal, de uitgeverij
van Johan van Nijen, weleens laatdunkend uitgelaten. Dat kwam doordat ik De Graal kende als de uitgever van de
latere boeken van Gust van Brussel en ik van mening was dat het werk van Van
Brussel meer zorg, meer aandacht en een bredere verspreiding verdiende. De Graal was een vaag uitgeverijtje aan
de uiterste marges van de literaire wereld, met uitgaven waarop kritiek
gerechtvaardigd was, ook voor wat betreft de uitvoering. Die kritiek was
terecht, maar hij deed geen recht aan de sympathie en de waardering die ik heb voor
kleine uitgeverijen, die een noodzakelijke aanvulling vormen op de grote
commerciële uitgevers. Uiteraard zijn ook zij onderworpen aan de economische
wetten van Winst en Verlies, maar toch hebben zij mogelijkheden die de grote
uitgeverijen niet of in mindere mate hebben, zoals bijvoorbeeld het uitgeven
van de boeken van een bejaarde, niet langer commercieel interessante auteur als
Van Brussel.
Sinds mijn afwijzende opmerking zijn
er jaren verstreken en nu mij het bericht bereikt dat Johan van Nijen aan een anorisma
in zijn buik is geopereerd en met De
Graal is gestopt, is het mijn laatste kans mijn kritiek te nuanceren, want,
eerlijk is eerlijk en ere wie ere toekomt, in die jaren heeft De Graal mijn leven verrijkt met een
aantal noemenswaardige boeken, niet alleen die van Gust van Brussel. Ik zal die
nuance aanbrengen op de wijze waarop je die bij uitgeverijen aan moet brengen:
door het bespreken van een paar boeken die bij de uitgeverij is verschenen.
Maar eerst moet de naam van de
uitgeverij worden bepaald. In de diverse publicaties kom je namelijk
verschillende namen tegen: “De Graal”, “de GRAAL” en “De GRAAL”. Daarbij wil de
naam op de omslag zelfs verschillen van de naam op de titelpagina. Hierbij zijn
deze slordigheden gecorrigeerd en wat er ook gedrukt is, vanaf nu staat er De Graal.
En dan nu enkele boeken die het uitgeven meer dan waard waren.
De Cyclamenman, De Graal 2010
Van De Cyclamenman had ik met waardering het typoscript gelezen en bij de huldiging van Van Brussel in Antwerpen, waarbij de roman gepresenteerd zou worden, sprak ik die waardering uit. Ik beweerde toen dat een boek lezen toch heel anders is dan het lezen van een typoscript en inderdaad: de stevige, soepele paperback ligt veel prettiger in de hand dan een stapel losse A4-tjes, het papier is helderder, lettertype en –grootte zijn veel leesbaarder. Die fysieke verschillen werken door in mijn mentale ervaring als lezer
Door de evenwichtige opbouw van het verhaal trok de roman mij langzaam maar zeker het verhaal in, naar de opgroeiende John, de hoofdpersoon. Een aantal aspecten hadden wat verder kunnen worden uitgewerkt – het voetballen en hardlopen, het schrijven van de eerste gedichten en de reden dat ze geschreven werden – maar dat idee komt vanuit biografische nieuwsgierigheid, want het is duidelijk de roman sterk autobiografisch getint is. Blijkbaar wilde de roman zelf sneller naar het verhaal van John en Pat, want daar gaat het over en dat verhaal is al lijvig van zichzelf.
Ondanks alle verschillen dringt een vergelijking met Het Land van Herkomst van Du Perron zich
op. Het beoordelen van de historische waarde van De Cyclamenman laat ik
aan Belg of historicus, maar het is duidelijk dat ook hier het verloren land
van jeugd en onschuld het belangrijkste decor vormt, en al heeft dat decor de
kleuren van een ander werelddeel, het is wel dezelfde tijd en de politieke
ontwikkelingen en maatschappelijke veranderingen, de teloorgang van een voorbij
gestreefde elite zijn als in het boek van Du Perron. Ook doet het mij denken
aan Ontmoeting in de zonnewende van
Johan Daisne, maar die associatie komt vooral door de poëzie; het boek van
Daisne is vooral sfeer, een toon, en bij Van Brussel, die altijd dichter is, ook
wanneer hij zich beperkt tot proza, is toon en sfeer altijd een belangrijk
aspect.
Het eerste deel van het verhaal, het verhaal van John, is vooral
aangrijpend door het historische bombardement van Antwerpen, waardoor de
hoofdpersoon voor zijn verdere leven getekend wordt. De verontwaardiging, de
woede, de machteloosheid, de vragen en vooral ook de desillusie over de
menselijke beschaving, de christelijke naastenliefde, John draagt het de hele
roman, zijn hele leven mee.
Het tweede deel van het verhaal, het verhaal van John en Pat, is
spannend, ook omdat de verhouding tussen John en Pat tot het laatste onzeker
blijft. En toch is het decor van dat verhaal minstens even belangrijk en
aangrijpend, want dat decor maakt heel tastbaar dat er altijd jeugd was die een
eigen weg ging, tegen de gangbare moraal en gebruiken in, en niet slechts vanaf
de revolte van de zestiger jaren. De kleine, elitaire gemeenschap waarin de
getekende John eigengereid zijn weg zoekt, wordt getoond als in de helle
flitslichten van een fotorapportage.
In het uiteindelijk gepubliceerde boek zouden veel spelfouten staan,
zodanig dat het boek sommige lezers zeer gehinderd heeft. Dat is zo’n punt
waarop De Graal als zeer kleine
uitgeverij niet de kwaliteit kan leveren die je wenst, maar wanneer je een
lezer bent die gegrepen door een verhaal over spelfouten heen kan stappen, is De
Cyclamenman een waardevolle, aansprekende, interessante roman. En ook
al is Van Brussel bezig met een nieuwe versie, waarin de spelfouten zijn
gecorrigeerd, het is De Graal die
het in 2010 mogelijk maakte dat ik deze roman als boek, goed in de hand
liggend, kon lezen.
Maar er zijn meer boeken waardoor De Graal herinnerd moet worden.
IKS, De Graal 1983
Het stond al een paar jaren linksonder in de boekenkast bij
de nog te lezen boeken, Iks, met tussen haakjes als ondertitel “vampierenmanieren”. Hoe
ik er aan ben gekomen en wanneer dat was, weet ik niet meer. Misschien is het
mij nooit opgevallen dat dit boek in 1983 werd uitgegeven door De Graal uit Turnhout. Dat de schrijver
van dit boek Johan van Nijen is, en dat Johan van Nijen uitgeverij De Graal ís, het was nooit tot mij
doorgedrongen. Tot ik bij de huldiging van Gust van Brussel in Antwerpen in
gesprek kwam met de schrijver Ton Meurs, die ook bij De Graal publiceerde, en
mijn fantastische georiënteerdheid ter sprake kwam. Meurs wees mij er op dat
zijn uitgever ook een fantastische roman had gschreven, Iks, over een vampier. In
de loop van de dag rees bij mij het vermoeden dat ik het boek in de kast had en
’s avonds vond ik het terug, daar linksonder in de boekenkast, bij de nog te
lezen boeken.
De
notitie achterin geeft aan dat het een boek met geschiedenis is: “Vampierenmanieren
werd geschreven van 7.6 tot 26.11.73. Tijdens de winter van 1976 werd
Vampierenmanieren omgeschreven tot Iks. Tijdens oktober en november 1982 werd
het resultaat overgetypt en hier en daar nog veranderd.”
Op de
achterflap staat: “De eerste Vlaamse vampierenroman.” Is dat zo? Ik kon het
niet uitsluiten en vroeg het na bij Jaap Boekestein, naast schrijver van
fantasy ook geschiedschrijver van dat genre. Volgens hem is Iks
de eerste Vlaamse vampierenroman voor volwassenen. En dat maakt het boek én
uitgeverij De Graal tot een
historisch feit.
De
flaptekst omschrijft het verhaal als volgt: “Op de begrafenis van zijn minnares
ontmoet Gustaaf Zegerink, een bekende schrijver, de heer Iks, die zich een
vampier noemt. Bestaan vampieren echt? Gustaaf Zegerink wil het geheim van Iks
doorgronden. De oplossing van het raadsel is voor hem noodlottig. Samen met
Gustaaf Zegerink wordt de lezer meegesleurd in een draaikolk van
gebeurtenissen, die hem niet loslaten voor hij de laatste bladzijde met een
diepe zucht heeft omgedraaid. Iks. Een boeiend en adembenemend leesavontuur.”
Wel, dat is wel wat overdreven. Iks is geen literair meesterwerk, daarvoor laat vooral de karaktertekening teveel te wensen over. Seksuele frustratie voert wat puberaal de boventoon, maar dat past wel bij de zeventiger jaren waarin het geschreven werd en wellicht ook in de tachtiger jaren waarin het werd gepubliceerd. Verder eindigt het verhaal een beetje abrupt en komt het terugsporen van het verleden van Iks niet echt uit de verf. Maar verder zijn de verslagen van het alter ego van Johan van Nijen acceptabel, zit er voldoende vaart en afwisseling in het verhaal. Daardoor is het boek nog altijd leesbaar, zeker voor de genreliefhebber.
Maar er zijn meer boeken waardoor De Graal herinnerd moet worden.
Dankzij de huldiging van Gust
van Brussel in Antwerpen ontmoette ik Ton Meurs, en daardoor kwam ik er niet
alleen achter dat de eerste vampierenroman uit Vlaanderen, misschien wel in het
Nederlands, in mijn boekenkast stond te wachten, maar ik leerde ook een
interessante auteur kennen, die onder de naam Meurs A.M. de boeiende roman Aan
De Lange Weg schreef, in 2004 gepubliceerd bij, juist ja, De Graal.
Voorbij gaand aan het moderne
‘Printing On Demand’, waarbij de oplage van een eerste, tweede, derde druk geen
rol meer speelt, kun je stellen dat kleine uitgeverijen zich beperken tot één
druk. Meerdere drukken zijn minder gangbaar, zowel wegens financiële redenen
als vanuit de aard van een kleine uitgeverij, meer gericht op het zo goed
mogelijk uitgeven van waardevolle boeken dan op een economisch verantwoorde
winstgroei. Kleine uitgeverijen zijn in het algemeen meer uitgever dan bedrijf.
Aan de Lange Weg, 3e, geïllustreerde, druk 2009
Aan De Lange Weg is zo’n uitzondering die de regel bevestigt, want in 2009 verscheen de “derde, herziene en geïllustreerde, druk”, nog steeds bij De Graal. Sinds 2009 is Aan De Lange Weg door Patrizia Filia bewerkt tot een hoorspel, dat op meerdere plaatsen werd opgevoerd, en geïnspireerd door het boek maakte Ufuk Kobas Smink een aantal tekeningen die in de derde druk als illustraties werden opgenomen. Het resultaat is een prachtige paperback, met helder papier van goede kwaliteit, uitstekende lettergrootte en bladspiegel, goed gebonden of geplakt in een mooie omslag, een boek dat lekker in de hand ligt.
Net als De Cyclamenman van Gust
van Brussel is Aan De Lange Weg een roman over een bepaalde plaats in een
bepaalde tijd en hoe de mensen daar mens waren. “Voor de Lange Weg stond de
oude weg van Eindhoven via Turnhout naar Antwerpen model.” Het verhaal speelt
zich af bij Veldhoven, waar Meurs in 1944 werd geboren. Literatuur in het verlengde van Boon.
De belangrijkste soort Literatuur is de
literatuur die met woorden vormgeeft aan situaties en gebeurtenissen die
aan de schrijver zelf zijn gerelateerd, op een manier die het algemener maken.
Dat vind je bij Brouwers, bij Boon, bij Wolkers, bij Du Perron, bij alle
schrijvers van belang. Aan
De Lange Weg,
waarin een Jan rondloopt in wie de
lezer een jongere A.M. mag herkennen en waarin A.M. zelf met het verhaal bezig
is, de ontwikkeling van het historische verhaal en het schrijven van dat
verhaal hand in hand gaan, ligt in stijl en vormgeving veel dichter bij
Boon dan bij Brouwers. Aan de lange weg brengt Veldhoven
vlak na de Tweede Wereldoorlog tot leven en al lezende begrijp je dat het boek
heeft geïnspireerd tot tekeningen en een hoorspel.
Er zijn dus boeken waardoor ik mij De Graal zal herinneren; het zijn boeken waardoor ook anderen en zelfs de officiële literaire geschiedschrijving zich De Graal zou moeten herinneren. Want het was De Graal die deze boeken publiceerde en ook al liet Johan van Nijen daarbij wel eens een steek vallen, het waren toch verzorgde uitgaven, die niet onderdeden voor de uitgaven van andere kleine uitgeverijen en die in sommige opzichten konden overtreffen, want soms was het resultaat een prachtige paperback, met helder papier van goede kwaliteit, uitstekende lettergrootte en bladspiegel, goed gebonden of geplakt in een mooie omslag, boeken die lekker in de hand liggen.
Nelleke Meurs-Saris. model voor Anneke in Aan de Lange Weg, op hoge leeftijd in de #Merefelt in #Veldhoven.
Ze is nu twee jaar getrouwd, bijna even lang als de bezetting duurt, en hij is altijd weg. De meeste klanten die hij heeft komen oorspronkelijk uit Gelderland, net als hij. Allemaal voor werk naar Brabant gekomen.
“Wat ga je doen met zo`n vreemde kerel uit zo`n ver land!” zei haar moeder toen ze zei dat ze verkering had met Leo.
Ze wonen tientallen kilometers verspreid rond de stad, die klanten, soms in kleine achterafboerderijtjes. Het is altijd laat als hij thuiskomt. Dat is niet prettig, zeker in oorlogstijd. Soms zou Anneke willen dat hij een beroep koos waarbij hij gewoon overdag kon werken. Ook al staat dat wat minder dan verzekeringsagent. Op de zijkant van het huis richting stad, boven de kippenren, heeft hij een groot emaillen bord met een dame met hoepelrok en paraplu gespijkerd. Omdat het huis in een bocht ligt is het van veraf te zien. De Duitsers verdenken, waarschijnlijk na aangifte van een NSB’er, hem ervan dat het ophangen van dat bord met “De Eerste Nederlandsche” erop een uiting is van nationalisme. Hij maakt er geen punt van en hangt het bord op van de andere verzekerings-maatschappij waar hij voor werkt: “De Bataafsche”.
“Weten die Duitsers en hun meelopers veel,” zegt hij. Ze krijgen er ook nog wat geld voor van de verzekerings-maatschappij.
Ze wou dat hij ’s avonds thuis was, zeker nu het tweede op komst is. En nu opa en opoe gaan verhuizen. Ze ziet zich al ’s avonds in haar eentje met twee kinderen zitten. Als hij thuis is, is hij met zijn administratie bezig of in de hof met zijn planten of met het graven van de schuilkelder.
Tonnie is al een ruim een jaar en een echt handenbindertje geworden. Ze klimt overal op, zelfs op het aanrecht. Levensgevaarlijk. Anneke kan dat allemaal niet in de gaten houden en voor haar moeder is die kleine rakker te vlug. Opa doet zijn best. Maar hij hoest steeds meer en raakt daar helemaal uitgeput van. Steeds vaker gaat hij het trapje van de opkamer op en kruipt in bed. Anneke maakt zich ongerust, ook voor de kleine. Het is goed dat ze verhuizen. Zeker nu er een andere kleine op komst is.
Opa proeft van de soep. Mag Tonnie ook wat? Jawel, maar de lepel is nog te vol. Hij zal er eerst wat vanaf slurpen. Tonnie lacht. Dat is een vreemd geluid hè? Eigenlijk is de lepel veel te groot voor Tonniekes kleine mondje. Maar aan de punt gaat het wel. Wat is dat nou? Kan zij ook al slurpen?
Kijk, daarom maakt Anneke zich zo ongerust. Want haar vader is duidelijk ziek. Er wordt niet over gepraat. Haar vader en moeder praten sowieso weinig met elkaar. Ze heeft zich altijd afgevraagd of ze eigenlijk wel bij elkaar passen. Moeders eerste man is overleden, daar is haar halfzuster Bet uit Sas van. Een van de weinige keren dat moeder een paar zinnen achter elkaar zei, was toen haar zus Saskia en zij op dezelfde dag trouwden en haar zus in Nijmegen ging wonen. De man van haar zus kon hier geen werk meer vinden in de schoenindustrie en daar wel.
“Als je naar Nijmegen verhuist, zie ik je nooit meer,” zei haar moeder. “Dat overleef ik niet.” Gelukkig zien ze Saskia nog regelmatig, dat is erg meegevallen.
Het is een miskraam geworden en hij was er niet bij. Daar was ze al steeds bang voor geweest, dat hij er niet bij zou zijn. Toch kon hij er niets aan doen, want het kwam een paar weken te vroeg.
Anneke had steeds in haar hoofd het zinnetje zitten: “Als het erop aan komt, ben je er niet bij.” Of dat zo zou zijn wist ze helemaal niet, maar ze was er wel bang voor. Ze wist ook dat ze hem daarmee kwetste, maar omdat dat zinnetje in haar hoofd zat moest het er ook uit, hoe ze zich ook voornam om het voor zich te houden. Ze heeft er meteen spijt van en begint zelf te huilen. Hij komt de hele dag, het is zondag, niet uit de kuil die hij aan het graven is voor de schuilkelder.
Het is doodgeboren, ik wist al een paar dagen dat het niet goed zat, want ik voelde niets meer. Mijn moeder, die nog elke dag uit Sas naar hier komt lopen om met huishoudelijke karweitjes als aardappels schillen en groente schoonmaken te helpen, laat wel eens merken dat ze dan ook niet had hoeven te verhuizen. Mijn ouders wonen nu naast Bet in een van de lage huisjes met rieten dak waarin Bet en haar gezin ook nog gewoond hebben. Ik vond het niet verantwoord om zo`n zieke man als mijn vader in één huis te laten leven met kleine kinderen. Die zijn het meest kwetsbaar, zeker met dat oorlogseten.
Leo’s zuster Jo en haar man Piet, die zo dicht bij het vliegveld wonen, op amper tweehonderd meter, dat ze nauwelijks meer thuis durven te slapen, doen dat nu vaak hier. Hun zoon slaapt verderop aan de Lange Weg bij het gezin van opa Weels. De Duitsers hebben het vliegveld flink uitgebreid en tot een belangrijke uitvalsbasis voor hun jagers en bommenwerpers gemaakt en daarmee ook tot een voornaam doelwit voor de Engelsen. Laten we eerlijk zijn, rond die miskraam kon ik de hulp van Jo best gebruiken, al is ze dan wat bazig.
Als Leo thuis is werkt hij aan zijn schuilkelder in de hof. Haast heeft hij nooit. De oorlog moet lang duren, willen we er nog iets aan hebben.
Mijn vader is overleden aan tbc. Ik had altijd al een vermoeden dat hij dat had. Hij is maandenlang niet meer uit bed geweest en uiteindelijk doodgegaan in het kamertje waar tot zeven jaar geleden Bet en Toontje hun winkeltje hadden. Nu hebben ze een grote winkel met woonhuis ernaast. Bet heeft ook nog jonge kinderen. Die wonen dan wel niet in hetzelfde huis als mijn vader en moeder, maar toch. Die dokters zouden meer open kaart moeten spelen. Ze doen alsof gewone mensen onnozel zijn.
“Maar Anneke, zie jij dat dan niet? Dat kind is doodziek! Kijk eens naar die ogen en die koortswangen. Dat kind moet naar een dokter!” (Tonnie (Gerrie) met buurmeisje #Ineke (#Tineke) uit Aan de Lange Weg)
Ik heb een foto laten maken van Tonnie met het grote buurmeisje Ineke dat altijd met haar optrekt. Ik liet die foto trots aan iedereen zien en sommigen zeiden “ja mooi” en anderen zeiden heel weinig en knikten en gaven hem terug, tot iemand zei: “Maar Anneke, zie jij dat dan niet? Dat kind is doodziek! Kijk eens naar die ogen en die koortswangen. Dat kind moet naar een dokter!”
Daar ben ik geweldig van geschrokken, want inderdaad. Misschien had ik het gewoon niet willen zien. Ik ging naar de dokter en ik zei: “Dokter, ik wil weten of mijn kind tbc heeft.”
“Hoe kom je daarbij, Anneke?” zei hij. “Je hoeft toch niet meteen het ergste te denken.”
“Ik wil het weten, dokter,” zei ik, “mijn vader had ook tbc en dat hebben we ook veel te laat gehoord en nooit is er wat gedaan om mijn kind daartegen te beschermen.”
“Rustig maar,” zei hij, “als iemand tbc heeft wil dat nog niet zeggen dat hij ook een gevaar is voor anderen. Daarvoor moet je zogenaamd ‘open’ tbc hebben.”
(Op de illustratie van @UfukKobas lijkt de ziekte van Tonnie nog duidelijker, uit 3e druk van Aan de Lange Weg. In het boek staat Tonnie voor Gerrie Meurs, Anneke voor Nelleke Meurs-Saris, mijn moeder. Leo voor Theet Meurs, mijn vader, Sas voor Zeelst, Toontje voor oom Tinuske Neggers, Bet voor tante Net Neggers-Gielens, )
Een week later hoorde ik dat Tonnie inderdaad tbc heeft. Ze ligt nu in onze slaapkamer aan het raam zodat ze de straat kan zien want het kan lang gaan duren. Ze vindt het maar raar: die kinderen die altijd buiten spelen. En die zullen het op hun beurt wel vreemd vinden dat zij daar altijd voor het raam ligt. Over een maand wordt ze drie. Normaal had ik haar kunnen aanmelden voor de fröbelschool voor over een jaar. Zonde dat ze nu net ziek is.
Ik loop alweer op zeven maanden. Jo en Piet wonen al een tijdje bij ons in, want hun huis bij het vliegveld is door de Duitsers in beslag genomen. Ze hadden daar toch weg gemoeten, want sinds de geallieerden in Frankrijk staan, wordt het vliegveld praktisch elke week gebombardeerd.
We hopen dat Tonnie gauw in het sanatorium kan worden opgenomen. Iedereen verwacht wel dat de oorlog nu vlug is afgelopen. We kijken erg uit naar de geboorte van ons tweede kind. Ik heb het gevoel dat deze keer alles goed gaat. Aan mij zal het niet liggen, daar ben ik van overtuigd. Maar er kan zoveel van buitenaf gebeuren.
Leo fietst al maanden op houten banden. Dat maakt het hem nog moeilijker om ’s avonds voor spertijd, dat is acht uur, thuis te zijn. Ik heb al een paar keer doodsangsten uitgestaan omdat hij te laat was. Tot overmaat van ramp werd zijn fiets door een Duitse soldaat gevorderd. Toen heb ik hem voor het eerst echt kwaad gezien! Zo boordevol verontwaardiging dat hij niet te houden was. Iedereen waarschuwde hem voorzichtig te zijn, maar hij ging naar de Duitse kommandant, speelde in het beste Duits dat hij als vroegere grensbewoner een beetje kende zo op over zijn Lebensunterhalt!, kranke Tochter! und zweite Kind auf Komst!, dat wonder boven wonder hij zijn fiets terugkreeg. Hij vertelt het trots, terwijl hij net als zijn vader aan zijn pijp trekt.
“Anders waren die moffen nog niet jarig geweest,” voegt hij eraan toe.
O ja, de schuilkelder is ook al een paar weken klaar.
We hebben ons tweede kind gekregen, een jongen. Alles is prima gegaan. We hebben hem Jan genoemd naar mijn vader Johannes die een paar maanden geleden is overleden. Peetoom is Toontje geworden, de man van Bet, en hij is zeer vereerd.
“Dat heb je goed gedaan, schoon meidje,” zei hij tegen me, “jij laat zien dat je me meer waardeert dan je vader altijd heeft gedaan.”
Jantje is meteen na de geboorte door zijn peettante Jo de schuilkelder ingebracht, want zo hevig als op die dag was het vliegveld nog niet eerder gebombardeerd.
“Er waren verschillende aanvalsgolven,” zei Leo en: “Maar goed dat we die schuilkelder hebben!” Het deed mij in ieder geval goed dat Jantje betrekkelijk veilig was. Maar het blijft vreemd dat je een kind ligt te krijgen terwijl de vliegtuigen over brommen en de explosies en het afweergeschut klinken. En dat je dan eigenlijk ook nog blij bent met die vliegtuigen en die explosies, als ze maar het juiste doel treffen. Tonnie lag toen gelukkig al in het ziekenhuis in de stad. Tot er plaats is in het sanatorium in Tilburg. Ze was te ziek om nog langer thuis te blijven, bovendien zou ik gaan bevallen. Ik ben er blij om, ik neem aan dat de Engelsen geen ziekenhuis bombarderen. Niet met opzet tenminste, maar de andere missers zijn ook vaak fataal geweest. En Leo zegt dat de vliegtuigen altijd uit het zuiden of zuidwesten komen, dus niet over de stad op het vliegveld afgaan, dat is teveel risico vanwege het Duitse afweergeschut dat vooral rond Philips staat. Laten we maar hopen dat het allemaal waar is.
Dit is dus wat ik bedoelde met die missers die voor de bevolking fataal zijn. In de straat en wat verderop in de buurt van mijn zuster Bet zijn in Sas twintig doden gevallen en nog veel meer gewonden. Weer door te vroeg losgelaten bommen van de geallieerden. Wat is dat toch?
“Dat is angst bij die vliegeniers dat ze getroffen worden boven het vliegveld en dan door hun eigen bommen exploderen,” zegt Leo. In ieder geval is bij Bet iedereen ongedeerd, ook mijn moeder. De hele dag zijn er vliegtuigen over gevlogen, allemaal naar het noorden. Nog een kwestie van een paar dagen, zegt iedereen, ze zijn de Belgische grens al over.
Zo bang ben ik nog nooit geweest! De bevrijders waren er de volgende dag al en gevochten is er hier in het dorp eigenlijk niet. Wel in mijn geboortedorp, vijftien kilometer hier vandaan, ook nog toen wij hier al waren bevrijd.
Maar wat gebeurde er op de dag van de bevrijding van de stad? De Engelsen stonden midden in Eindhoven en toen kwam, terwijl er de hele dag geen Duits vliegtuig was te bekennen, de Luftwaffe plotseling terug. Er was nog nauwelijks afweergeschut, de bommen treffen de Engelse munitiewagens, tankwagens worden geraakt, er ontstaan hevige branden. Tweehonderdvijfentwintig mensen sterven, om van de gewonden maar niet te spreken. En ondertussen ligt ons dochtertje daar midden in de stad in het ziekenhuis! Op nog geen honderd meter er vandaan ligt alles plat. Maar het ziekenhuis blijft ongeschonden. De volgende morgen is Leo daar bij Tonnie. Het is er een heksenketel vanwege de honderden doden en gewonden. Maar Tonnie ligt daar rustig achter glas naar de drukke gang te kijken en vertelt dat er allemaal soldaten naar haar hebben gezwaaid.
Nu we, met zijn vieren ondertussen, dit alles hebben overleefd, zal de rest ook wel goed komen. Als er maar gauw plaats is in het sanatorium.
Anneke
Tonnie (Gerrie), midden, uit Aan de Lange Weg in sanatorium De Klokkenberg in Tilburg ca 1946 met links buurmeisje Ineke (Tineke) en rechts haar vriendin Tilly.
Tonnie
heeft haar eigen ledikantje moeten meenemen naar het sanatorium in Tilburg. Er
is nog aan vanalles gebrek, ook aan bedden. Leo had het al van tevoren met de
lijnbus meegegeven, dat wil zeggen eerst uit elkaar gehaald en dan de bodem en
de poten en de kanten op elkaar gelegd en op zijn precieze manier met touwtjes aan
elkaar gebonden. En de chauffeur kreeg behalve de normale vrachtprijs ook
instructies waar hij het af moest geven en bovendien een fooitje. Leo keek de
bus na, eigenlijk vond hij dat hij er zelf bij moest blijven wilde het allemaal
goed gaan.
De volgende dag stapten wij zelf met
Tonnie en twee kartonnen koffers op de bus. Ze was wel normaal aangekleed en
kon ook wel lopen maar ze moest toch veel gedragen worden, ze was gewoon te
ziek.
En
ik sjouw met Jantje en Rietje, die anderhalf jaar na hem geboren is en Hennie
die weer anderhalf jaar daarna geboren wordt, steeds naar het consultatiebureau
in het patronaat. Niet alleen voor de normale controle op gewicht en de prikken
tegen pokken en mazelen, maar steeds weer om te laten constateren dat geen van
de andere kinderen tbc heeft. Hoewel ze er wel mee in aanraking zijn geweest,
want het kruisje op hun arm wordt een grote rode vlek, een bult zou je het
zelfs kunnen noemen, want het oppervlak is duidelijk verhoogd.
Maar dat is een goed ding, leg ik
aan iedereen uit, die kleine besmetting, want daardoor kunnen mijn kinderen
nooit van hun leven meer tbc krijgen. Je kunt die kleine besmetting eigenlijk
beschouwen als een inenting tegen tbc, zoals die prikken tegen mazelen en
pokken… als de vrouwen begrijpen wat ik bedoel. Zodat het rood opgekomen
kruisje bij mijn kinderen eigenlijk beter is dan het niet opgekomen kruisje bij
andere kinderen. Want het niet opgekomen kruisje wil weliswaar zeggen dat die
kinderen geen tbc hebben, maar dat is maar een momentopname, dat is geen enkele
garantie dat ze het niet elk moment kunnen krijgen. Wat niet wil zeggen, zeg
ik, dat een opgekomen kruisje altijd iets goeds is, natuurlijk niet, maar in
het geval van mijn kinderen wel, snappen jullie? zeg ik.
Leo
is nu nog meer van huis. Er is geen avondklok meer die er voor zorgde dat hij
meestal voor die tijd thuis was, bovendien gaat hij een keer per week op de
fiets naar het sanatorium in Tilburg. Dat kost een hele dag en die moet voor
zijn verzekeringswerk natuurlijk ingehaald worden. Hij zegt zelfs dat het
eigenlijk niet in één dag kan, want dat de tijd dat hij bij Tonnie kan zijn dan
niet de moeite waard is. Daarom blijft hij het liefst bij zijn neef in
Hilvarenbeek slapen. Maar ik weet dat hij, als hij alle tijd van de wereld zou
hebben dat ook zou doen, want die neef is een van de weinigen waar hij goed mee
kan opschieten. Dus laat hij zich de gelegenheid niet ontnemen om daar eens een
avondje te zitten ouwebetten.
Ik kan niet rondkomen van het geld
dat hij verdient met de verzekeringen, ook al hebben we groente en fruit uit
eigen hof. Een kind in het ziekenhuis kost ook extra. Elke zondag gaan we samen
met de bus die kant op. We hebben dan wel kippen en een paar konijnen, de
kruidenier en de slager moeten toch betaald worden, al mag ik dat één keer per
drie maanden van de kinderbijslag doen. Leo heeft totaal geen besef wat dingen
kosten. Hij telt zijn geld van de verzekeringen en begrijpt niet dat het niet
veel voorstelt tegenover wat er allemaal in een gezin als dat van ons wordt
uitgegeven. Hij noemt prijzen en zegt: “Dat kan goed een hele gulden kosten”,
terwijl het dan bijvoorbeeld wel vier keer zoveel is geweest.
Maar nu hebben ze hem een varken
aangepraat. Hij heeft het alleen nog maar over zult en spek en balkenbrij zoals
ze dat vroeger bij hun thuis hadden. Hij vertelt wat ze volgens mij tegen hem
gezegd hebben: “Je hebt toch een hof met groente en fruit en daarvan allerlei
afval. Rot fruit en rotte aardappels eet het ook, dat vindt zo ‘n beest juist
lekker! En die kinderen laten toch ook eten staan wat anders maar wordt weggegooid.
Nou, dat eet dat varken allemaal, dat is een soort vleesmachine. Dat etensafval
stop je erin en binnen een jaar krijg je er worst en ham en spek voor terug. In
één jaar! Wat wil je nog meer! Aan de slager zul jij niet veel geld meer
uitgeven.”
“Je hebt trouwens een broer die het
varken kan slachten,” hebben ze tegen hem gezegd. “En je zusters zullen je
helpen om het om te zetten in worst en vlees. Het hoeft allemaal niks te kosten.”
Ik weet het niet: kippen, konijnen,
weer een varken erbij. Dat moet toch ook allemaal eten gegeven worden, en wie
moet dat doen en wanneer?
Neem nou het omkeren van de
granieten drinkbak van de kippen. Dat moet, want het water is na één dag
modder. Die bak moet je optillen en dan omkieperen. Hem langzaam laten zakken,
dat lukt je niet, daar is hij te zwaar voor. Maar als hij een beetje ongelukkig
uit je handen glijdt, krijg je met een enorme plets de moddergolf recht tegen
je aan, midden in je gezicht, om het over je kleren maar niet te hebben. En dan
moet het ding weer worden teruggedraaid.
Wie plukt het gras voor al die
beesten? De mensen in de buurt die wat handiger zijn snijden het gras, soms
zelfs met een sikkel. Maar voor een scherp mes hoef je bij ons niet aan te
komen, laat staan dat we een sikkel hebben. Zelf is hij er door de week niet
voor het donker is. Ik ken wel een paar mensen met een varken, we zouden heus
niet de enigen zijn, maar ik ken nog meer mensen zonder varken. En waarom
moeten wij nou net weer bij degenen mét een varken zijn? God-zal-me-lazeren!
Al die beesten die gevoerd worden trekken toch ook weer ongedierte zoals ratten aan. En die hebben we al genoeg gehad of hebben we misschien nog wel. Ik zie hem nog op het hooischelfje boven de schuur bezig, helemaal buiten zichzelf, een kop zo rood als vuur, aan de riek in zijn hand een bloedende rat van een halve meter groot. Ze piepten, nee gilden, die beesten, en renden alle kanten op, sprongen naar beneden, waar ik op mijn beurt begon te gillen. En al heeft hij er dan een stuk of vier aan de riek gestoken, waar zijn degenen gebleven die ontsnapt zijn? Ik geloof er niks van dat er één kat in de buurt is die zo`n beest aan kan. Die zitten gewoon te wachten om terug te komen. Als ze er al niet zijn. Hij klimt heus niet elke week op de hooischelf met gevaar van er doorheen te vallen. Ik vind het maar niks al die beesten met die kleine kinderen, ik heb al genoeg te prakkiseren met Tonnie die moet worden geopereerd. Maar maak hem dat maar wijs.
Tonnie komt thuis
“Ga
maar vast, Jantje,” zegt Leo.
Hij haalt op
zijn fiets Jantje nog in voor die bij het zijpad naar de Schoolstraat is. Hij
gaat rechtdoor en Jantje moet linksaf. Jantje kijkt zijn vader na. Als deze
zich half omdraait en zwaait, roept Jantje: “Doe de groeten aan Tonnieke!”
Jantjes
zusje ligt al een paar jaar in het sanatorium in Tilburg, ze heeft een gat in
haar long, tbc. Leo fietst een keer per week naar haar toe, het is veertig
kilometer. Hij combineert het met het langsgaan van verzekerings-klanten
onderweg. Zondags gaan Anneke en hij samen met de bus. Jantje mag pas
langskomen als Tonnie is geopereerd en bijna beter is. Hij verheugt zich er erg
op, hij zal allerlei leuke dingen voor haar vlechten van reepjes papier. Dat
heeft hij van de zuster van de bewaarschool geleerd. Voor de reepjes belt hij
aan bij de sigarenfabriek en krijgt ze dan door het loket aangereikt. Hij zal
Tonnie misschien wel een kusje geven, iets dat ze bij hun thuis eigenlijk onder
elkaar niet doen.
“Wat komt
die gek hier doen?” zegt Tonnie. Jantje begint te huilen. Is dat Tonnieke waar
zijn ouders altijd over verteld hebben? Wat een kreng! Hij kent haar eigenlijk
alleen van de foto. Hij was nog te jong toen ze jaren geleden werd opgenomen.
En nu mocht hij haar toch zien nog voor ze thuis was. De nonnen hadden over hun
borststuk waaronder vroeger hun hart zat gestreken, zei vader. Als je namelijk
iets lang niet gebruikte, raakte je het kwijt, viel het af. Zo ging dat in de
natuur. Jantje moest maar goed opletten en regelmatig een plasje doen. Daarom
staat hij meer dan de andere kinderen met zijn buik vooruit en een pijp van
zijn korte broek hoog opgetrokken tegen een struik.
Kort voor
Tonnie naar huis mag loopt ze weg. Als ze het bos rond het sanatorium uit komt,
ziet ze voor het eerst in jaren een straat, andere mensen dan nonnen, ziet ze
dieren, fietsen en auto’s. Pal voor haar stopt opeens de bus. Daar schrikt ze
zo van dat ze teruggaat. Weer in bed slaat ze de non die haar speeltje wil
afnemen vlak in het gezicht.
Ze is het
jongste meisje met tbc dat een longoperatie heeft overleefd. Ze heeft in het
sanatorium vriendinnetjes gehad die het niet hebben gehaald. De artsen zijn zo
trots op hun succes dat ze haar foto door het hele land willen verspreiden.
Maar Leo staat dat alleen maar toe in het noorden van Nederland, hij wil zijn
kind en zijn gezin beschermen. Maar als Anneke en Tonnie kwaad op hem zijn
zeggen ze dat hij gewoon een schijterd is.
Tonnie moet
als ze uit het sanatorium komt de lagere school in drie jaar doen. Ze is ondertussen
negen. De nonnen hebben haar niet meer geleerd dan de catechismus, en dat nog
alleen omdat ze in het sanatorium haar eerste communie moest doen. Maar het
lukt haar wonderwel, op het eind van de zesde klas is ze zelfs de beste. Toch
mag ze alleen maar naar de huishoudschool, ze moet thuis helpen, er zijn dan al
zeven kinderen – elk jaar is er een bij gekomen – en er zal er nog eentje bij
komen. Jantje heeft het maar moeilijk met zijn oudere zus die voor tweede
moeder speelt. En makkelijk heeft hij het toch al niet.
(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M., 3e, geïllustreerde, druk 2009, in Nieuwstaat alleen nog verkrijgbaar: Boekwinkeltje Wonderland (geen verzendkosten NL en België, u koopt bij en steunt de auteur, op verzoek gesigneerd)
(Ansichtkaart uit Veldhoven Historische Spiegeling door Jacques Bijnen)
Heintje van der Horst of De Lange Weg in vogelvlucht
(Heintje van der Horst is een romanfiguur gebaseerd op Bertje van de Vorst)
Tientallen jaren nadat de verhalen van de Lange Weg zich afspeelden, is er op twee plaatsen een groepje mensen over Heintje van der Horst aan het praten, de man van de fritestent die de dag daarvoor dood op zijn binnenplaats is gevonden. Een groepje mannen dat in een dorpje in de buurt bij elkaar is, waaronder Tinus die nog voor Heintje gewerkt heeft, én, bij een van hen thuis, een groepje vrouwen, de Vrouwen van de Eerste Huizen die Heintje van jongsaf in de gaten hebben gehad: “Het was altijd al een apart mannetje.”
We
beginnen bij de mannen.
Tinus
“Hij begon ergens aan maar hij maakte niks af.”
“Dat was
Heintje.”
“Er zijn verschillende mensen flink rijk geworden aan
wat híj was begonnen.”
“Hij zei altijd: ‘Als ik dood ben
zijn mijn kinderen miljonair.’ “
“En dat zou dan bijna gelukt zijn, met dat laatste zou
hij eindelijk de grote klapper hebben gemaakt.”
“De stenen, de kozijnen, alles voor de bouw van de
nieuwe behandelruimte, met keukentje, toilet en wachtruimte, stond klaar, een
secretaresse had hij al.”
“Een secretaresse, dan weet jij wel
waarvoor.”
“Kom, zijn vrouw is ook niet gek,
dat is een bijdehante boerendochter.”
“Die moet toch geweten hebben dat hij de zaak besodemieterde.”
“Dat moeten veel mensen geweten hebben, maar niemand
deed een mond open.”
“De mensen willen beduveld worden.”
“En als jezelf bedonderd bent, is je troost dat anderen
er ook in trappen.”
“Er waren anders heel zielige gevallen bij, mensen die
op sterven na dood waren, en voor het zover was door Heintje nog helemaal kaal
werden geplukt.”
“De man die het verdiende heeft het getroffen.”
“Je bedoelt Hein, niet zijn klanten.”
“Zoals ik zeg, ik gun niemand de
dood maar in dit geval is veel mensen een hoop ellende bespaard gebleven.”
“Sinds hij op televisie was geweest
kwamen ze uit het hele land en stond de telefoon roodgloeiend.”
“Hij zou schat- en schatrijk zijn geworden.”
“Maar het ging niet door, een paar dagen later lag hij
op de binnenplaats.”
“Dood.”
“Als een pier.”
“Het lijkt of je er niet rouwig om bent.”
“Ik kan er niet om huilen.”
“Jij hebt toch ook nog voor hem gewerkt.”
“Dat is het hem juist, ik weet precies hoe hij was.”
“Dan heb je er toch ook aan verdiend.”
“Geen cent.”
“Maar je hebt er wel aan meegewerkt.”
“Tot hij te ver ging.”
“Wat is te ver? Hij beduvelde de
zaak toch vanaf het begin”.
“Dat zal ik je vertellen.”
De
drie andere mannen schuiven hun stoel dichterbij.
De
Vrouwen van de Eerste Huizen
“Honden
heeft hij altijd gehad,” zegt Hanna Bosmans van de Eerste Huizen. “Ik zie hem
nog door het dorp lopen met zijn honden en zijn pak, als een Oostenrijker, zo`n
groen pak, zo`n broek, hoe noemen ze die, ja een knickerbocker, en met van die
veren op zijn hoed. Zo ging Heintje van de Schoolstraat naar het Broekland. Hij
viel wel op. Maar hij werd tien keer wereldkampioen met zijn honden.”
“Twaalf keer. Ja, honden heeft hij altijd gehad,” zegt
de oudste dochter van Meijer met haar zware stem.
“Toen die van ons nog snotneuzen van een jaar of tien
waren, vertelden ze al dat ze, samen met jongens van de Broeklandweg, achter
de huizen van de Schoolstraat, boven een gat in de grond met ijzeren staven
erop, pens uitkookten voor die honden van Heintje. Dat vonden ze prachtig dat
vuurtje stoken. En soms mochten ze ook met die honden naar het Broekland.”
Dat was in hoog tempo Hanna Knietel.
Maar wat doen die namen ertoe, we laten ze verder maar
weg.
“En achter op de plaats stonden dan de hokken van de
wereldkampioenen, met naam en jaartal erboven, en met de namen van de nazaten
van de kampioenen, want daar werd natuurlijk mee gefokt, dat kampioenschap
moest zijn geld dubbel en dwars opbrengen.”
“Ja, maar dat was wel later.”
“Maar daar stopte hij dan weer mee, want hij maakte
niks af.”
“Dat laatste is zo, maar van die honden moet je dat
toch niet zeggen, want die had hij vanaf het begin, werd tien of twaalf keer
wereldkampioen en stopte pas tien jaar geleden, toen hij met hondenvoer bezig
was, weer aan duiven begon en aanving met zijn geneespraktijken.”
Ze sprak het laatste woord uit als was het een vies
woord.
Hij is begonnen op de weverij, waarschijnlijk al op
zijn veertiende, zoals veel jongens in die tijd. Er waren twee fabrieken in
het dorp. Het was of de sigarenfabriek of de weverij. Of je moest naar de stad
en dan werd het techniek: Philips of DAF. Sigaren maken was niets voor Heintje.
Weven trouwens ook niet, zoals na een paar jaar wel duidelijk was.
Elke week weer werd hij met nog twee anderen bij de
baas geroepen. Voor hen hing hun weefwerk, er waren stukken af en het zat vol gaten.
De baas begon te vloeken: “Godgodgod-verdomme… Gòòòòòdgodgod-godverdomme…” Tien
minuten lang. De jongelui lieten het gelaten over zich heen gaan. De week
daarop was het weer hetzelfde en de scène herhaalde zich.
Heintje is meer dan tien jaar op de weverij gebleven.
Het is de enige baas die hij ooit heeft gehad. De laatste jaren had hij er zijn
fritestent bij. Op het pleintje.
Dat zag je in die tijd, begin jaren vijftig, overal
verrezen er fritestenten, ook in de nieuwe wijken, druk bezocht door jongelui
die het eten thuis beu waren. Er stonden meestal een man en een vrouw in die
dit naast hun werk en hun gezin deden. Ze maakten heel lange dagen en zagen er
slecht uit, ook door de gebrekkige ventilatie en waarschijnlijk omdat ze thuis
veel restjes uit hun eigen tent aten, want eten weggooien deed je in die jaren
na de oorlog niet en de koelmogelijkheden waren nog zeer beperkt.
Maar we hebben het over Heintje van der Horst. Toen
Heintje nog een frituur begon, aan de Lange Weg, stopte hij bij de weverij.
Daar haalden ze opgelucht adem en Heintje deed dat ook, voortaan was hij
zelfstandig.
Tinus
Hein praatte niet veel, maar als je langere tijd met hem alleen
was, en hij bovendien jou niet veel meer had te vragen omdat hij alles wist wat
hij van jou te weten kon komen, dan begon hij zelf te praten. Blijkbaar had hij
toch de behoefte om dingen uit te leggen, om hardop te zeggen wat hij dacht en
waarom hij iets deed. Dat was dan weer het vertederende aan zo`n uitgekookt
mannetje.
“Had ik dan soms naar de
sigarenfabriek moeten gaan?” zei Hein. “Dat gefrot was helemaal niks voor mij. Ha, ik begrijp het
al, jij denkt: als hij van die gevoelige handen heeft waarmee hij, door
ledematen te bestrijken, mensen kan genezen, dan moet hij ook een aardige
sigaar in elkaar hebben kunnen draaien. En dat weven ging inderdaad voor geen
meter.
Maar ik moest toch vanaf mijn veertiende
mee de kost verdienen, zo ging dat toen. Maar waarschijnlijk had ik in die
tijd, en nu heb ik het over de tijd dat ik al een eind in de twintig was, ook
helemaal niet kunnen strijken, waarschijnlijk heeft zich dat moeten
ontwikkelen. Sterker, misschien zou ik nú wel kunnen weven en zelfs een sigaar
met de hand kunnen maken, als ik dat zou willen.
Kijk, dit heb ik
in die fritestent wel geleerd: als mensen praten, moet je niet veel zeggen. Op
het moment dat jij van je instemming blijk wil geven of een vraag wil stellen,
zijn ze van hun à propos. Laat ze zelf proberen om de stiltes te overbruggen,
dan praten ze snel verder. Zeg hoogstens een keer ‘o’ of ‘ah’ of ‘ja’, of kijk iemand gewoon even aan, dan gaan ze vanzelf weer
door. Maar kijk iemand niet te lang recht in de ogen, want dan werkt het
averechts, dan beginnen ze verlegen te lachen en zeggen: ‘Is er iets?’ en sommigen
denken zelfs dat je op ze valt.
Als je een vraag
stelt, doe het dan onverschillig, alsof je de vraag stelt om de ander een
plezier te doen en alsof je er niet helemaal met je gedachten bij bent, of nog
beter: alsof het vertelde je aan het denken heeft gezet. De ander zal heel blij
zijn met die vraag, het is voor hem het teken dat zijn verhaal aandacht krijgt.”
De
Vrouwen van de Eerste Huizen
Dat ging goed met die frieten, dus dat moest groter. De hele
familie Van der Horst zat op een gegeven moment aardappels te schillen. Hein
kon het niet meer alleen af in zijn fritestent die eerst nog op het zand naast
de nieuwe kerk stond. De caféboerderij op de hoek werd afgebroken, er kwam een
rij huizen met een café en winkels. Het zand werd een plein, een winkelcentrum
dat meer publiek trok, niet alleen jongelui meer. Hij nam mensen aan om naast
hem in de fritestent op het pleintje te staan en ook voor de andere fritestent
aan de Lange Weg. En die aan de Lange Weg was al geen tent meer, dat was een
huis, daar kon je al binnenkomen, je hoefde niet in de kou te wachten, het was
er wel smal, er stonden twee geplastificeerde tafeltjes en stoeltjes achter
elkaar tegen de muur, maar je kon even gaan zitten, zeker als het niet druk
was.
Maar op zaterdag- en zondagavond stond
Heintje nog graag op het pleintje bij de kerk en luisterde naar de jongelui die
een slok teveel op hadden, hem vanalles vertelden waarmee hij zijn voordeel kon
doen, want Heintje dacht verder, maakte nieuwe plannen, dus luisterde hij en
kwam, tussen de uitroepen van “Hein, gooi er voor mij nog een halve haan in”, “Voor mij een loempia”, heel wat te weten.
Toch was een van
de jongens die bij Heintje zogezegd het vak geleerd hadden hem te slim af. Toen
er een winkel op het plein leeg kwam, bleek de jongen deze gehuurd te hebben en
bovendien in het bezit te zijn van alle papieren om er een cafetaria te
beginnen. Dat had niemand Hein kunnen vertellen. Die concurrentie betekende na
meer dan tien jaar het einde van de fritestent op het pleintje. Hein stopte
meteen ook aan de Lange Weg.
Tinus
“Ik had er toch al genoeg van,” zei Heintje. “Bovendien
had ik veel werk met mijn honden. Ik werd elk jaar wereldkampioen. Iedereen
wilde een jong van een van mijn kampioenen. Daar moest op de juiste manier mee
gefokt worden. Ik reisde soms naar Engeland om ze te laten dekken.
Ik moest nog veel
leren, ik had natuurlijk van de jongen die bij mij gewerkt had en voor zichzelf
was begonnen geld moeten lenen, zogenaamd om ergens anders opnieuw te
beginnen, of ik had een grote bestelling bij hem moeten plaatsen en dan, in
plaats van te betalen, me failliet moeten laten verklaren. Maar zoals ik zei:
ik moest nog veel leren.
Slaatjes, daar heb je niet eens zo`n hete
bak met vet voor nodig, alleen aardappelen, ze kunnen van wat mindere kwaliteit
zijn, worden toch gekookt, verder mayonaise, boterhamworst en een zilveruitje.
En als het seizoen er voor is, kun je er een blaadje sla onder leggen. En
wanneer je die aardappels op het juiste moment koopt, bijvoorbeeld als ze rijp
zijn en dan wacht tot het gaat regenen, dan moeten ze van het land en betaal je
er praktisch niks voor, en als ik misgok heb ik altijd nog de aardappels van de
familie van mijn vrouw achter de hand.”
Hein zei dus nooit zoveel, luisterde
altijd meer naar de mensen, maar als we zo bezig waren met duivenkooien uit te
laden kwam hij los. Dan begon hij over het verleden en ook over zijn
toekomstplannen. Dan vertelde hij dat, wanneer hij er niet meer zou zijn, al
zijn kinderen stuk voor stuk miljonair zouden zijn. En ik moet nu toegeven dat
het weinig had gescheeld.
De
Vrouwen van de Eerste Huizen
Hein
begon slaatjes te maken in een vroegere bakkerswinkel, helemaal in de
Rechtestraat. Bij hem thuis in de Schoolstraat stond het op de binnenplaats vol
hondenhokken, het voer voor de honden werd klaargemaakt in de keuken waar
jarenlang de aardappels voor de frites waren geschild. Zijn vrouw was allang
blij dat hij voor zijn slaatjes een ander plekje vond. Hein leverde aan de
fritestenten en cafetaria’s in de buurt, en ook enkele slagers verkochten zijn
slaatjes.
Maar Hein maakte niks af. Hij stopte
ook met zijn slaatjes. Maar hij was toen blijkbaar nog niet zo slim om de zaak
onderhands te verkopen. Al doende leert men. Wel was hij al zo ver dat hij zich
failliet liet verklaren om zo van zijn schulden af te komen.
Tinus
Heintje zei: “Kijk, zo`n friet, zo`n kroket, zo`n slaatje, allemaal
aardappels, dat kennen we wel; bokworst, braadworst, frikadel, halve haan ook.
Een loempia heeft net dat vleugje van het oosten, nieuw, exotisch. Dat begint
bij die jongens die in Indië en Korea gezeten hebben en bij die Molukkers die
hier zijn gekomen, en de rest volgt vanzelf. Het was niet voor niks dat de afhaalchinezen
net in die tijd zo`n enorme opgang maakten. Misschien had ik zelf een chinees
restaurant moeten beginnen. Maar ook al zou ik er een paar echte Chinezen in
gezet hebben, de mensen zouden toch net gedaan hebben of het niet helemaal echt
was, het zou toch de chinees van Heintje van der Horst gebleven zijn die
vroeger een fritestent had op het pleintje.
Dus ging ik loempia’s
maken, niet alleen voor de fritestenten en cafetaria’s maar ook voor de
Chinese restaurants. Ik ging mee op de brede stroom van de veranderende
eetgewoonten. Het maakte mij niet uit waar de mensen hun eten gingen halen,
overal kregen ze mijn loempia’s. Op een gegeven moment lagen ze ook bij de
slagers en in de supermarkten; dan konden de mensen ze zelf thuis bakken.
Toch kreeg ik ook
hier genoeg van. Deze keer was ik wel zo slim om failliet te gaan en de zaak
onderhands over te doen aan mijn broer en zwager. Die begonnen aan de Lange
Weg, achter de friettent die ik daar gehad had. Het werd te klein en ze gingen
schuin naar de overkant van de Lange Weg. Ze zijn er trouwens stinkend rijk van
geworden, dus misschien ben ik toch te vroeg gestopt.”
De
Vrouwen van de Eerste Huizen
Heintje leerde steeds bij. Eerst dat hij niet zomaar met een zaak
moest stoppen als die niet meer liep of als hij er genoeg van had, hij moest
zich eerst failliet laten verklaren, dan was hij van zijn schulden af. Toen
leerde hij dat hij, zij het onderhands, zo`n failliete zaak nog best kon
verkopen. Maar die moest dan wel op een andere plek voortgezet worden.
Wat hij heel moeilijk leerde was dat hij
wat minder met nieuwe ideeën bezig moest zijn maar ook eens een begonnen zaak
moest afronden. Zijn broer en zwager deden dat wel, ze hadden op een bepaald
moment een grote loempiafabriek op het nieuwe industrieterrein waar vroeger het
natuurgebied tussen Gender, Run en Dommel was en werden miljonair. Zijn broer
kon er trouwens niet lang van genieten, hij stierf jong.
Toen zijn broer en zwager met hun loempiafabriek naar het industrieterrein vertrokken, verplaatste Hein het hondenvoerfabriekje dat hij ondertussen thuis was begonnen naar de plek aan de Lange Weg waar zij hadden gezeten.
(wordt vervolgd)
(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M., 3e, geïllustreerde, druk 2009, in Nieuwstaat alleen nog verkrijgbaar: Boekwinkeltje Wonderland (geen verzendkosten NL en België, u koopt bij en steunt de auteur, op verzoek gesigneerd)
Net als de hoofdstukken Op Café Een en Op Café twee begint het hoofdstuk Loopjongen bij HotelCafé Den Os, waarvoor HotelCaféRestaurant De Leeuw model staat.
Om
geen aandacht te trekken zou hij niet rechtstreeks van hotel/café Den Os naar
café Willems gaan, over de Lange Weg en bij de sigarenfabriek de Broeklandweg
in, maar zou hij eerst even naar huis gaan en dan door villawijk Het
Zilverstrand, waar vroeger het zandpaadje naar school liep, naar Willems. En
daar ging hij gewoon aan de bar zitten en een paar pilsjes drinken. Dan pas zou
hij proberen het briefje aan Kareltje Manshoog te geven, die daar ongetwijfeld
al die tijd op zijn vaste plaats tegen de muur aan de bar zat. Of misschien
wachtte hij tot Kareltje ging pissen en liep dan met hem mee. “Ik loop even
mee,” zou hij luid zeggen, “want ik heb er thuis ook al een paar op.” En met
die mededeling sloeg hij twee vliegen in één klap: de verklaring waarom hij al
zo gauw moest pissen én de mededeling dat hij van huis kwam en dus niet van Den
Os.
Maar Jan Weels staat pas van zijn
barkruk bij Den Os op als hij al wat aangeschoten is en het tegen sluitingstijd
loopt en hij al lange tijd de verwijtende blikken van Marie vanachter de bar
heeft moeten doorstaan.
“Straks is hij weg!” vormt ze met
haar lippen en zegt er gauw hardop achter want haar man kijkt: “Staat je goed.”
En ze voegt eraan toe: “Dat kort haar, bedoel ik.”
Hij heeft zijn beatlehaar af laten
knippen om te voorkomen dat ze hem in militaire dienst helemaal kaal zouden
scheren, maar hij voelt zich er niet lekker bij. Terug bij af, vindt hij. Hij
neemt nu de kortste weg naar café Willems.
“Schiet op, anders komt hij
hiernaartoe omdat hij denkt dat Gerrit in de nachtploeg zit!” had Marie de
jongen nog toegefluisterd.
“Misschien is Wouter bij Willems,”
zei ze hardop. “Ik heb hem hier de hele dag niet gezien.” Met zijn vriend
Wouter was hij gisteren doorgezakt omdat hij morgen in dienst moet. Het
probleem was dat hij daar niets van had gezegd toen hij drie maanden geleden
een grote krantenwijk overnam. Hij had bovendien nog schuld aan de krant. Hij
moest nu eerst die boodschap van Marie overbrengen!
Waarom eigenlijk? Waarom liet hij
zich voor dit karretje spannen? Waarom hielp hij mee om Gerrit te
besodemieteren, dat goedaardige kereltje waar hij helemaal niets tegen had, dat
nooit een verkeerd woord tegen hem gezegd had, ook niet als ze beiden teveel
gedronken hadden. Was het omdat hij Marie nog nodig kon hebben vanwege die
schuld? Of wilde hij gewoon bij dat stoere, door iedereen gevreesde Kareltje in
de smaak vallen? Hij weet het niet en kan op het moment ook niet goed nadenken.
Daar aan de rechterkant van de
Broeklandweg woont Dinie Duinker, misschien wel het knapste meisje van het
patronaat. Jan weet niet eens meer of hij haar wel eens naar huis heeft
gebracht. Hij is aan die deur geweest, dat is zeker. Maar dat kan ook voor de
krant geweest zijn. Als hij haar al ooit thuisgebracht heeft na het dansen,
zal hij als gewoonlijk wel teveel gedronken hebben, want hij kan er zich niets
van herinneren, laat staan van haar gekust te hebben.
En daar woont Sjaantje Sjaalmans, de vlotte cafémeid die nu serieus lijkt te zijn geworden, nu ze verkering heeft met de voorman op de bouw van zijn vriend Wouter die eindeloos elektrakabel trekt in de eindeloze rijen huizen van de nieuwe wijken. Maar wat moet je met die meiden?
Café Willems waarvoor Café Jansen ofwel Café Den Driesprong model staat.
Zou hij bij Willems naar binnen
gaan? Of eerst naar de fritestent op het pleintje, want hij heeft honger en
eigenlijk al te veel gedronken. Het is nog bijna een half uur voor
sluitingstijd. Waarschijnlijk treft hij zijn vriend Wouter daar ook. Dan kunnen
ze samen naar Willems. Dat maakt het makkelijker. Hij heeft echt te veel
gedronken. Hij loopt Willems voorbij naar de frituur. Gelukkig komt er bij
Willems niemand naar buiten.
Goed dat de jongensschool er nog
staat, ook al wordt hij al tien jaar niet meer als zodanig gebruikt. De
fritestent staat met zijn rug naar de jongensschool. Hij bestelt een halve
haan/frites. Hij weet dat de half gestoomde, half gebakken smaak van de haan
niet is zoals het hoort, maar juist aan deze smaak is hij verslaafd.
“Hein, gooi er voor mij nog een
loempia in,” roept iemand naast hem. Hein doet het en glimlacht, hij zegt nooit
veel maar luistert des te beter, maar nu zegt hij wel tegen Jan: “Heb je Wouter
niet bij je?” Jan lacht schaapachtig, Heintje is door Wouter blijkbaar in het
complot betrokken.
Wouter denkt natuurlijk dat hij hem
niet gezien heeft, maar Jan heeft heel goed gezien hoe Wouter, toen hij hem zag
aankomen, gauw naar de schaduw van de winkelgalerij op het pleintje is gelopen.
Gerrit van hotel/café Den Os mag wel
uitkijken met dat Kareltje. Als die ergens zijn zinnen op heeft gezet! Je zag
nooit dat hij zich kwaad maakte. Maar ondertussen.
Als Wouter nou niet te lang flauw
bleef doen konden ze samen nog op tijd naar Willems. Anders kwam Kareltje bij
Den Os aan terwijl Gerrit thuis was. Kareltje zou geen kik geven, maar Gerrit
zou lastig kunnen gaan doen op dit uur en met drank op. Er moest iemand zijn
mond voorbijgepraat hebben, want Gerrit had vrijdagavond toen Marie er niet was,
bij hen, de jongens, dronken zitten uithuilen. Ze hadden gezegd dat ze van
niets wisten. En ze konden het zich trouwens ook niet voorstellen! Maar dat was
uit medelijden dat ze dat gezegd hadden, en uit eigenbelang. Ze mochten hun
neus niet in dat wespennest steken.
Wat Kareltje Manshoog uiteindelijk
wil, daar kom je niet achter. “Jaja,” zegt hij boven zijn pils, maar kijk uit
voor dat mannetje! Kareltje heeft er al eens eentje koudgemaakt.
Wat Wouter daar nu aan vindt om zich
maar steeds achter een volgende lantaarnpaal te verstoppen! Als het behalve
donker niet ook een beetje mistig was, zou hem dat al helemaal niet lukken.
Ja, Gerrit mocht wel uitkijken. Hij
zou niet de eerste zijn. Was hijzelf, de jongen van negentien die morgen in
dienst moest, nou bang voor Kareltje? Eerlijk zijn! Ja, eigenlijk wel, hij zou
geen schijn van kans maken tegen die straatvechter, bovendien zou het gevecht
nooit afgelopen zijn. Kareltje zou altijd weer op een nieuwe gelegenheid
loeren. Maar dat was het niet. Er bestond weinig kans dat Kareltje hem ooit zou
bedreigen. Waarom zou hij? Daar was Kareltje ook te uitgekookt voor. Hij
hoorde zichzelf tegen Kareltje zeggen: “Ik wil best een keer een boodschap
overbrengen, en verraden zal ik je nooit, maar ik wil niet de spil zijn waarop
jullie verhouding draait. Dat kan ik voor mezelf niet verantwoorden ten
opzichte van Gerrit.” Het was zeer onwaarschijnlijk dat hij ooit zo`n lang
betoog tegen Kareltje zou afsteken. Waarschijnlijk zou het al gauw zijn blijven
steken in Kareltjes dodelijk ironische blik.
Waar was Wouter in hemelsnaam mee
bezig! Waar ie al lol in had! Waarom kwam hij niet gewoon naast hem lopen?
Moeilijk om je gedachten bij elkaar
te houden op zo`n manier. Hij hoefde niet bang te zijn voor Kareltje. Hij was
hem ook niets schuldig. Bij Marie lag dat misschien wat anders. Hoewel hij en
Wouter over het algemeen gewoon voor hun drank betaald hadden. Maar okay, ze
hadden bepaalde privileges, ze zaten ook nog wel eens na sluitingstijd in de
keuken. Misschien was het toch dat hij door Kareltje geaccepteerd wilde worden,
met zijn negentien jaar voor vol wilde worden aangezien door het dertigjarige
stoere mannetje. Hij zou graag van zichzelf willen zeggen dat hij daar
bovenstond, maar dat was niet zo. Een andere verklaring kon hij niet geven voor
zijn houding tegenover Kareltje. Puur laf in de smaak willen vallen. Eigenlijk
veel beschamender dan angst. Maar waren niet de meeste mensen daar voortdurend
mee bezig, met gewoon aardig te willen worden gevonden? Behalve door degenen
die door iedereen worden veracht? Was dat nou net niet dat meehuilen met de
wolven in het bos waar hij zich tegen af wilde zetten? Hij was geen haar beter
dan de anderen. Hij moest morgen in militaire dienst maar eens beginnen met
daar goed over na te denken.
Militaire dienst. Hij als soldaat,
hij kan het zich eigenlijk niet voorstellen. Maar goed dat er nu die ‘hot line’
Moskou-Washington bestond. Met de Cubacrisis had het weinig gescheeld of de
derde wereldoorlog was uitgebroken. Naar Nieuw-Guinea kon hij ook niet meer gestuurd
worden. De Papoea’s waren al door de grote wereldpolitiek aan Indonesië uitgeleverd.
Wouter, hou op met die flauwe kul,
laten we samen bij Willems naar binnen gaan!
Er kan vanalles mis gaan. Kareltje
zou Gerrit kunnen koudmaken. Gewoon zo. Een duidelijke moord. Hij kan het ook
op een ongeluk laten lijken. Op de brommer aangereden door een auto, een bouwvakkerbusje.
Of Kareltje vraagt Gerrit hem te helpen bij een bouwklusje. En duwt hem van de
steiger af. Of laat een lading stenen of dakpannen op hem vallen. Of Marie
wordt er bij betrokken. Dan wordt het een ongeluk wanneer Gerrit te veel heeft
gedronken. Hij valt uit het raam of van de trap. Of ze stoppen iets in zijn
eten of drinken. In één keer of elke dag een beetje. Of ze rekenen erop dat hij
gewoon van het dag en nacht werken, zowel bij Philips als in het café, de pijp
uit gaat. Van het uitsloven en van nijd en frustratie. Eindelijk dacht hij uit
de ploegendienst te kunnen, eindelijk hebben ze een goedlopende zaak en denkt
hij thuis te kunnen blijven, en nu houdt zijn vrouw het met een ander en
probeert hem kwijt te raken! Hij maakt er een eind aan. Nee, dat is precies wat
die twee willen. Maar hij drinkt wel veel te veel, verwaarloost zich, vreet
zichzelf op en krijgt een hartaanval.
Of nee, integendeel, Gerrit gaat
zelf in de aanval. Nee, hij probeert niet meer zoals eerder in een dronken bui
te vechten met Kareltje – die duwde hem gewoon opzij – en ook probeert hij niet
meer Marie te slaan. Want Kareltje heeft hem via Marie met de dood bedreigd als
hij het nog eens waagt, dat zegt Marie tenminste. Nee, eerst vertelt hij het verhaal
van die twee die hem proberen uit te schakelen aan alle vaste klanten. Die ook
Marie’s versie én de verzekering moeten aanhoren dat zij en Kareltje Gerrit
niks zullen doen, maar dat het wel eens moeilijk is als iemand je het leven zo
zuur maakt. Nee, Gerrit saboteert eerst de boel, laat de tap leeglopen, dat
soort dingen. Maar dan steekt hij de boel in de fik. Hij staat op de Lange Weg
in het schijnsel van het brandende hotel/café Den Os te lallen: “Ík geen café,
niemand een café!”
Het kan ook bij Marie totaal
mislopen. Ze kan door Kareltje bij de eerder genoemde intriges worden
betrokken, maar ook zelf gewoon zwanger raken bijvoorbeeld. Ze had de jongens
wel eens gevraagd hoe aan kapotjes te komen, maar tegelijk had ze er lacherig
koket aan toegevoegd dat ze niet zag hoe ze Kareltje met zo`n ding in bedwang
moest houden. Want als die erin wil, gaat-ie er ook in! En ze had vanachter
haar hand gelachen, zogenaamd beschaamd maar eigenlijk apetrots dat ze dat nog
teweeg kon brengen. Maar ze was ook al eens over tijd geweest. En had ze niet
gehoord dat híj, Jan, ergens ver weg – nee, ze zou het niet tegen zijn meisje
hier vertellen – een vriendinnetje had dat in de verpleging werkte? Die wist
vast wel waar je terecht kon.
Kom op, Wouter, we moeten bij Willems
naar binnen.
“Schiet op, anders komt hij hiernaartoe omdat hij denkt dat Gerrit in de nachtploeg zit!” had Marie de jongen nog toegefluisterd.
Marie kon ook hysterisch worden, ze
had nu al van die buien. Dan zou ze worden opgenomen. Dat was misschien nog de
beste oplossing. Hij zou haar dan opzoeken. Kareltje ging ook een keer maar
liet het daarna afweten. Gerrit zou proberen het café draaiende te houden maar
dat lukte niet, ondanks dat hij van Philips thuisbleef. De vaste klanten bleven
geleidelijk aan weg, de jongelui omdat de muziek voortaan zachter moest en er
niks meer viel te lachen, de mannetjes die op Marie geilden zochten hun heil
elders.
Hij heeft te maken met mensen die
allemaal voor grote veranderingen in hun leven staan. Marie, Gerrit, Kareltje.
Kareltje? Misschien is het voor Kareltje gewoon een spel. Hij verdient geld als
water met het plaatsen van onafzienbare rijen televisiemasten op de
onafzienbare rijen huizen van de nieuwe wijken, genoeg om, wanneer hij niet
werkt, in de kroeg te kunnen zitten. Als hij daarbij een vrouw in bed kan
krijgen, is dat meegenomen. Kareltje loert gewoon op een prooi.
En hijzelf? Over een paar uur moet
hij in dienst. Gaat hij over anderhalf jaar op dezelfde voet verder? Met
hetzelfde nietszeggende kantoorbaantje in de stad? En ging hij weer opnieuw
kranten rondbrengen om in het weekeind te kunnen drinken? Als ze hem tenminste
weer wilden hebben bij de krant, want hij moest eerst nog maar uit deze
situatie zien te raken. Bleef hij een loopjongen voor de teksten van anderen,
voor de journalisten… en – hij tastte weer naar het briefje – voor de
liefdesaffaires van anderen? Of moest hij naar de Wildeman luisteren die had
gezegd: “Er moet gewerkt worden, die pen moet over het papier krassen!” Maar de
Wildeman zat ook meer in de kroeg dan dat hij schilderde en liet, ondanks zijn
stoere verhalen over vrouwen, zondagsmiddags gewoon zijn vaste vriendin komen,
die voor hem kookte en waste, en waar hij dus ook wel gewoon mee zou trouwen.
En Ko Bierhof haalde de tijd die hij verzuimde met uitgaan en drinken en
uitslapen braaf ’s avonds of zaterdags weer in. Het was allemaal niet wat het
leek. Maar wie was hij om anderen iets te verwijten? Misschien was zijn zogenaamde
consequent zijn wel het meest rechtlijnige en domste wat je kon zijn.
“Er staat hier nog een brief voor de
schouw!” hadden zijn zusjes pesterig uit het raam geroepen, terwijl hij aan de
overkant van de Lange Weg met zijn vriendinnetje uit het dorp liep. Hij had de
brief nog niet geopend, iedereen kon zien van wie hij kwam, de afzender stond
achterop. Bovendien kenden al zijn huisgenoten het handschrift van zijn correspondentievriendin.
Maar er was iets veranderd. Hij had haar twee weken geleden voor het eerst
ontmoet. En dat was hem niet in de koude kleren gaan zitten. Hij moest meer aan
haar denken dan hem lief was. Hij was er een beetje bang van. Vandaar dat hij
de brief liet staan.
Hij schrikt van het slaan van de
kerktoren vlakbij. Het is zo dichtbij dat hij omhoog moet kijken. Twaalf keer.
Sluitingstijd. Maar dat is de kerk van Sas! Hij is de verkeerde kant op gelopen.
Dat heb je met die nieuwe wijken waar alles op elkaar lijkt. Maar het kwam ook
door Wouter. Hoewel hij begon te denken dat hij zich maar verbeeld had dat
Wouter steeds achter een volgende lantaarnpaal stond. Hij was verstrooid geweest,
te veel bezig met zijn opdracht als… noem het maar ‘minnebode’. Maar daar
kwam niks meer van terecht. Hij moest nu dat lange eind van de kerk van Sas
over de Broeklandweg naar Willems teruglopen. Het zou gesloten zijn als hij
daar aankwam. En bij Den Os ook.
Over minder dan zes uur ging de bus
naar de trein die hem naar de kazernestad moest brengen. Naar het
soldatenbestaan. Een luizenleventje, zei men, want Nederland was niet in
oorlog. Als er in Suriname of op de Antillen wat gebeurde, gingen er beroeps
naar toe. Daar woonden zo weinig mensen. Toch werd er op verschillende plaatsen
gevochten: Cyprus, Jemen, in Laos en Vietnam. Irak was bezig aan een genocide
op zijn Koerden. In de VS vochten zwarten voor hun burgerrechten, racistische
blanken vermoordden zwarte kinderen die ze niet op hun blanke scholen wilden
hebben. Kennedy was vermoord. In Zuid-Afrika had Nelson Mandela levenslang
gekregen. Hij wist het allemaal wel, maar hij had het van zich afgeduwd. Hij
was jong en wilde van het leven genieten.
Het is een lang stuk over de
Broeklandweg, langs café Willems, de sigarenfabriek, en dan over de Lange Weg
langs hotel/café Den Os naar huis. Ging hij wat studeren in dienst? Hij hoefde
geen carrière te maken, als hij zich maar weer ergens mee ging bezighouden, als
hij maar weer ging lezen. Want zo oppervlakkig als hij nu leefde, dat was hij
niet. Ging hij na dienst weer thuis wonen? Nee toch! Hier kwam hij niet van de
grond. Moest hij niet in fabrieken of in de haven gaan werken om het leven een
beetje te leren kennen? Naar Amsterdam. Er rommelde vanalles. Er waren
anti-rookhappenings gehouden op het Spui in Amsterdam, nadat eindelijk was
toegegeven dat roken kankerverwekkend was. Gelukkig was hij drie maanden
geleden gestopt. Pour moi la vie va commençer, neuriede hij. Maar dan ging hij
over op: Because I used to love her, but it’s all over now.
De Rolling Stones
waren net in het Kurhaus in Scheveningen geweest en de tent was afgebroken.
Zijn handen tintelden. Er was niemand te zien en hij zette een combinatie van
judoworpen in. Ippon! Hij was degene die zijn leven moest veranderen.
Zelfstandiger zijn, niet alleen tegenover zijn ouders, dat was geen kunst.
Eerst moest hij een methode vinden om zich te weren tegen de domheid en de
lompheid van de militaire dienst. Dat had hij tot nu toe verdrongen.
Misschien moest hij maar eerder
afslaan en door de nieuwe wijk Het Zilverstrand recht naar huis gaan. Hij liep
dan niet het risico dat, als hij voorbij Willems en Den Os kwam, iemand hem nog
zag.
Hij begon het briefje in heel kleine
snippers, van een halve centimeter te scheuren en strooide ze over een lengte
van meer dan vijftig meter over het trottoir en het begin van de voortuintjes
van de dure wijk. Over een paar uur zouden de dames buiten komen om de
papiertjes op te vegen en uit de haagjes en struikjes te plukken.
“Wie doet nou zoiets?” zouden ze tegen elkaar zeggen, “in onze wijk! Dat is vast iemand geweest van de Lange Weg.”
Uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M., 3e, geïllustreerde, druk, in Nieuwstaat alleen nog verkrijgbaar: Boekwinkeltje Wonderland (geen verzendkosten NL en België)