Leo gaat terug naar de bouw (uit Aan de Lange Weg)

Afbeelding en tekst Jan Jansen op FB in @Veldhovenzoalshetwas

Jantje, zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen, mag in de voorkamer zijn huiswerk maken. De voorkamer wordt alleen gebruikt als er bijzonder bezoek is, wanneer de pastoor op bezoek komt bijvoorbeeld. Op de tafel midden in de kamer ligt een dik kleed waarvan je jeuk krijgt aan je blote armen. Midden op tafel staat een fruitschaal van rose glas met gekleurd fruit van geperst papier, een peer is beschadigd en heeft een witte vlek. Als goede leerling krijgt Jantje vanaf de vijfde klas Franse les. Het flesje inkt met een stuiter erin, de kroontjespen, het leerboek Frans en het schrift geven hem een gelukzalig gevoel. Zijn vader plaagt: “Hoe is het nu met Kesseke en Ilia? Hebben ze elkaar al?”
“Qu’est-ce-que” en “Il-y-a”, dat is Frans, dat weet ik ondertussen ook,” zegt Hanna Bosmans van de Eerste Huizen.
Leo is zenuwachtig wanneer in de voorkamer de controle op het verzekeringsgeld plaatsvindt. Uren tevoren probeert hij de kolenkachel in de voorkamer aan te maken, wat niet altijd lukt, want dat ding is soms een jaar lang niet aan geweest. De kamer staat onder de rook, hij moet de voordeur die anders altijd dicht blijft, open zetten.
Hij heeft alles uitgerekend met pen en papier. Op zo`n avond kan het laat worden, Leo heeft een kleur als hij even de grote woonkeuken binnenkomt. Tonnie moet koffie in de voorkamer brengen. Op het eind drinken ze een borreltje. Het loopt dan tegen twaalven. Misschien doet Leo zo zijn best omdat hij denkt dat ze iets zoeken om van hem af te raken.
Net zoals wanneer het wijf van de huur er is, kunnen de kinderen, wanneer de verzekeringsbazen er zijn, de spanning nauwelijks aan. Ze willen mee ten aanval tegen deze indringers, maar ze mogen niet, moeten braaf zijn, zoals hun ouders abnormaal braaf zijn. Een van de meisjes kan zich niet inhouden, ze zegt hardop: “Meneer Lenaerts heeft haartjes in zijn neus.”
De bazen willen Leo zijn verzekeringsportefeuille afnemen. Zijn klantenbestand is toch al te klein en te veel verspreid. Maar de familieleden en de Gelderlanders, die zijn voornaamste klanten vormen, pikken dat niet. Ze dreigen samen met Leo naar een andere maatschappij over te stappen. Het resultaat is dat hij wel zijn portefeuille mag houden maar zijn vaste salaris kwijtraakt, voortaan krijgt hij alleen nog een percentage van de geïnde verzekeringspremie. Dat is te weinig om van te leven, zeker met zo`n gezin. Hij gaat de verzekering in de avonduren en in het weekeinde doen. Overdag keert hij terug naar de bouw, waarin hij ook begonnen is toen hij uit Gelderland naar Brabant kwam. Voortaan moeten de kinderen op school desgevraagd vertellen dat hun vader opperman is. Is dat net zoiets als opperhoofd?

(uit Aan de Lange Weg van Meurs A.M. te verkrijgen in Boekwinkeltje Wonderland: https://www.boekwinkeltjes.nl/…/Aan-deLange-Weg-roman-van/

(1) Facebook Album Mijn vader, de opperman


Mijn vader Theet Meurs werkte aan de Bouw van de Lambertuskerk in Meerveldhoven 1952.



Ik schreef eerder over de dood van mijn vader. In het hoorspel De Gekke Onderwijzer laat ik dit personage vertellen wat mijn zus meemaakte toen ze vanuit Groningen in Eindhoven op ziekenhuisbezoek kwam en hem niet op de zaal zag. De Gekke Onderwijzer werd gepubliceerd in het boek Spelen van 2006. In mijn literair kladschrift HetWerk dat ik maakte over dit boek schreef ik o.a. over de dood van mijn vader.

Mijn vader Theet Meurs (1906 – 1976) werd in Wehl Gelderland geboren en kwam in 1929 naar Veldhoven. Hij woonde op 2 plaatsen in Veldhoven, op 2 plaatsen in Meerveldhoven en weer op 2 plaatsen in Veldhoven. Hij was een boerenzoon, werkte in Gelderland als boerenknecht, in Veldhoven als opperman in de bouw, als verzekeringsagent en weer als opperman. In mijn roman Aan de Lange Weg staat hij model voor Leo Weels.

De bouwvakkers aan de kerk in Meerveldhoven, waarschijnlijk in 1952 als het dak erop zit. Rechts boven mijn vader Theet Meurs (helaas getekend, misschien mag ik nog een keer en beroep doen op Jos Habraken?). Op de voorgrond zittend 2e van links deken Martinus van de Ven, verder zittend wellicht de burgemeester en de aannemer Van de Velden?, verder op middelste rij 2e van rechts staand Theo Geurts, de kapelaan, later bouwpastoor van de kerk in D’Ekker. Maar ik kijk toch vooral naar de mannen die ik aan het werk heb gezien toen ik aan de overkant van de Schoolstraat op de lagere school, de St Jozefschool zat. In mijn herinnering is er minstens een, een leiendekker (dakwerker) omgekomen.

< MIJN PAPA HEEFT OOK AAN DE KERK GEWERKT> was het kopje in de krant bij de opening van de nieuwe Lambertuskerk in 1953. Mijn zusje, hier aan de hand van Monseigneur Mutsaerts voor de deur van de pastorie, had een versje opgezegd en er deze mededeling aan toegevoegd. Rechts van de bisschop deken Van de Ven in vol ornaat, links gemeentesecretaris Van der Weijden. 

Mijn Boekwinkeltje Wonderland voor o.a. mijn publicaties.