De manufacturenwinkel (uit Aan de Lange Weg)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was en Meerveldhoven zoals het was, zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

( Na een slechte ervaring met de bakker voor wie ze werkt besluit de ‘de bloedmooie Petra Donkers’ in de verpleging te gaan ver van haar dorp. Eerst moet ze nog langs de manufacturenwinkel om een uniform te kopen. Ze vergeet bijna dat ze afscheid moet nemen van Dolf, van wie ze nog niet zeker weet of hij haar vriend is, die als marinier naar Nieuw Guinea vertrekt.)

(Fragment uit het hoofdstuk ‘De Wildeman Een’)

‘In het smalle gangetje tussen de muren van de winkel en de bakkerij van Wenkenbeek komt Petra met haar hoge zwarte fiets tussen haar benen op ons toelopen. Ze draagt een crème­kleurige wijde rok met zwarte ceintuur en een witte blouse met korte mouwen. Het valt ons weer eens op hoe buitengewoon mooi ze is. Tussen haar handen op het hoge stuur van haar fiets houdt ze een gebakdoos geklemd. Maar ze huilt! Ze fietst weg. Vijftig meter verderop stopt ze, een been aan elke kant van de fiets. Ze komt terugfietsen. Ze is harder gaan huilen. Voor de winkel laat ze de fiets langs haar benen op de grond glijden. Ze gooit luid snikkend de doos tegen de etalageruit. De ruit blijft heel, een stuk gebak zakt langzaam langs het glas naar bene­den.

            Mevrouw Wenkenbeek, vijfenveertig jaar en met schort, kijkt door de glazen deur naar buiten, waar Petra met gebogen hoofd staat te snikken. Mevrouw Wenkenbeek komt naar buiten, slaat haar linkerarm om het middel en legt haar rechter­hand op de buik van het meisje. In het smalle gangetje achter hen steekt bakker Wenkenbeek zijn bovenlijf door de deurope­ning van de bakkerij en kijkt naar de beide vrouwen. Mevrouw Wenkenbeek merkt hem op en jaagt hem achter Petra’s rug met een woedend slaand gebaar van haar linkerarm weg. Petra duwt mevrouws hand van haar buik. Mevrouw Wenkenbeek raapt de fiets op en legt de handen van Petra op het stuur, ze gebaart haar te wachten. Mevrouw Wenkenbeek komt met een nieuwe doos gebak buiten en legt die tussen Petra’s handen op het stuur.

            “Van mij,” zegt ze, “dat is wat anders.”

            Petra fietst zonder op of om te kijken weg, ze huilt niet meer. Als ze weet dat ze uit het zicht is, staat ze stil met de fiets tussen haar benen. Zonder aandacht te schenken aan de voor­bijgangers eet ze zeer gulzig achter elkaar drie gebakjes op. Ze fietst verder. Bij de kerk heeft ze geen erg in de kerkklok en gaat rechtsaf het pad tussen de hoge hagen in. Voorbij de meisjesschool fietst ze linksaf richting de Lange Weg. Ze stopt bij de winkel voor manufacturen op de hoek.

            Ze neemt de doos gebak op de binnenkant van haar linker onderarm, duwt met haar rechterhand de rechthoekige stan­daard van haar fiets naar beneden, duwt dan met haar voet verder tot het achterwiel van de grond komt en de fiets staat.

            Ze komt even later buiten met een wit kledingstuk, gevou­wen in doorzichtig plastic: een verpleegsters-uniform. Ze doet het onder de snelbinder en haalt binnen de doos gebak op. In gedachten fietst ze dezelfde weg terug die ze gekomen is. Ze schrikt als ze merkt dat ze weer in de richting van de bakkerij fietst. Bij de meisjesschool gaat ze nu rechtsaf weer het pad in, ziet dat het op de kerktoren tien voor half twee is, schrikt geweldig en begint hard te fietsen. Op het eind van het pad slaat ze voor de kerk rechtsaf en zet nu echt de vaart erin. Ze kijkt ver voor zich uit naar de T-kruising met de Lange Weg, vaag ziet ze de zijkant van een autobus.

           De bus zit vol jongens in mariniersuniform. Alleen Dolf loopt nog buiten zenuwachtig heen en weer met een tekenmap onder zijn arm. Zijn vader is net geweest om hem op het laatste moment een hand te geven. Er staan nog een paar meisjes om de jongens uit te zwaaien. De chauffeur toetert en begint meteen langzaam op te trekken. Dolf springt naar binnen. Terwijl hij de Kerkstraat in kijkt ziet hij Petra gebogen over de gebakdoos aan komen fietsen. De bus is al vijftig meter ver weg als ze de weg oversteekt en achter de bus aan rijdt. Dolf is naar achter in de bus gehold en kijkt naar haar door de achter­ruit. De bus meerdert vaart, de afstand wordt groter en Petra stopt abrupt, de doos gebak valt op de grond. Ze staat met de fiets tussen haar benen midden op de weg en blijft de bus nakijken tot hij om de bocht bij hotelcafé Den Os verdwijnt. Dolf gaat dan zitten.’

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *