Café Jansen (uit Aan de Lange Weg)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was en Meerveldhoven zoals het was, zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

(Als je bij de Driesprong zat, dat zat je bij Jansen. In de volgende scène is Willems: Jansen, Den Os: De Leeuw, van Oers: van Gestel, het Zilverstrand: de Goudkust, Sas: Zeelst, de Lange Weg: de Langendijk/Provincialeweg.)

(Fragment uit het hoofdstuk ‘Op café Twee’)

‘Staat naast hotel/café Den Os aan de Lange Weg nog de laatste boerderij van het dorp, bij café Willems aan het begin van de Schoolstraat zit de ex-boer Noud Lauwers, ook al eentje die er niet helemaal normaal uitziet met zijn armpje dat hij omhoog houdt als een kippevleugel zonder veren. Noud is een van de zonen van de op één na laatste boerderij van het dorp. Hun boerderij staat er nog wel daar aan de Broeklandweg maar het land is verkocht aan de gemeente, voor twee nieuwe wijken die er ondertussen gebouwd zijn. Noud is dus, behalve een vleugellamme, ook een van zijn land losgesneden boer. Alle reden om de hele dag bij Willems te zitten. Noud vergelijkt zich graag met de indiaan, wiens land en levenswijze hem zijn afgenomen en die nu aan het vuurwater is geraakt. Naast hem zit hier aan de bar en tegen de muur Kareltje Manshoog.

Kareltje is een gevaarlijk mannetje. Je ziet dat aan die kop met vet achterovergekamd pikzwart haar maar vooral aan die stevige nek en de houding van die stoere schouders. En ook aan de manier waarop hij naar je kijkt en luistert zonder iets te zeggen. Tot degene die hem een verhaal vertelt er ongemakkelijk van wordt en op zijn barkruk ineenschrompelt en Kareltje het verhaal van de ander dodelijk samenvat: “Dus de vrouwen moeten voor jou uitkijken.”

“Nou, dat valt ook wel weer mee,” zegt de ander met het stemmetje van een muis.

Bij Willems komt iedereen, ook de Philipsbeambten uit de nieuwe wijk die in de volksmond het Zilverstrand wordt genoemd. Ze gaan zaterdagsmorgens judoën in het patronaat en daarna nemen ze een paar pilsjes bij Willems. Judo is ongelooflijk populair sinds Anton Geesink wereldkampioen is geworden. Nee, net zoals Jan Weels daar dan de hele dag blijven hangen doen ze niet. Om één uur zitten ze gewoon aan de lunch bij de vrouw thuis. Jan komt pas bij het avondeten thuis, en ook dat vaak niet. Soms brengt hij een oud mannetje, dat door zijn toedoen een borrel teveel genomen heeft, terug naar het klooster. Dat is de gelegenheid om zich af te vragen waar hij mee bezig is en of hij zijn judopak niet naar huis moet brengen. Hij blijft op de been met borrelworstjes, pinda`s en paprikachips.

Vorige zaterdag is hij met Ko Bierhof in de taxi gestapt naar Valkenswaard (10 kilometer!), hoewel hij gezegd had dat zijn geld zo goed als op was. Maar Ko had erop gestaan dat hij meeging en hem in het café in Valkenswaard, waar volgens hem zijn geliefde zat, aan iedereen voorgesteld als zijn ‘jonge vriend’, en ze waren allemaal erg aardig tegen hem geweest. Ko had inderdaad urenlang contact met de bazin, die als ze maar even kon bij hem kwam zitten. Hij zag er in zijn donkerblauwe streepjespak uit als een heer, hij was zeer charmant en zong mee met de Franse chansons. Maar voor zover Jan zich kon herinneren waren Ko en zijn geliefde niet van de bar weggeweest. Het diepe hoge café was hem bijgebleven als een prettige omgeving om te zijn. Ze waren ook met de taxi teruggekomen, een hele uitgave, en hadden afgesproken om de volgende zaterdag opnieuw te gaan.

Dat was gisteren, maar hij had vergeefs bij Willems zitten wachten. En toen had men hem uitgelegd waar Ko waarschijnlijk was. Hij had het timmerfabriekje achter de huizen inderdaad gevonden, en daar had Ko gestaan in zijn beige timmermansoverall. Toen pas had Jan zich gerealiseerd hoe de honderden guldens die Ko het vorige weekeind voor hen beiden had uitgegeven, verdiend moesten worden.

Mon amour, mon amourr, liet Ko steeds op de jukebox spelen, wat de achterkant was van Non, je ne regrette rien van Edith Piaf. Het was Jans taak geweest de plaat steeds opnieuw te kiezen en zelfs het kwartje daarvoor had Ko hem gegeven. Jan schaamde zich en was niet teruggegaan naar Willems. Voor het eerst in lange tijd kwam hij zaterdags overdag thuis.

Het is zondagavond laat en Jan zit bij Willems. De Wildeman komt binnen, een kunstschilder die zo genoemd wordt vanwege zijn uiterlijk en gedrag. Jan kent hem van de verhalen. Maar er komt iets bij wat de verhalenvertellers niet op waarde wisten te schatten: de Wildeman heeft veel gelezen, Dostojewski, Hermans, Streuvels, Elsschot, Wilde. Het klikt tussen de zeven jaar oudere Wildeman en Jan. Het is al tegen sluitingstijd en ze vertrekken met een liter vieux naar het hutje van de Wildeman. Er staat een kolenkacheltje en er liggen overal tekeningen met een laagje gruis erop. Jan slaapt een paar uur op de rand van het bed van de Wildeman, het hout staat `s morgens in zijn rug. Om half tien zitten ze in café van Oers aan de weg naar Oerle. Ze ontbijten, drinken, kletsen en toepen, en de Wildeman vertelt verhalen, net als de vorige avond. Bij het toepen vertrouwt Jan blindelings op de Wildeman. Bij de verhalen telt voor Jan alleen of ze goed verteld worden. Jan komt zelf ook los. Cafédochter Maria vlucht blozend naar de keuken.

Om een uur of een beginnen ze van Sas naar de Lange Weg te lopen; om half drie moet de Wildeman beginnen bij de weverij. Dan komt Jans zus Tonnie hen tegemoet fietsen. “Waar heb jij gezeten? Ik fiets al heel de morgen rond. Bij Den Os wisten ze alleen dat je naar Willems was gegaan en bij Willems was het nog niet open. Ons moeder is hartstikke ongerust. Ik begrijp niet hoe je dit kunt doen. Ze heeft het al zo moeilijk sinds Ineke dood is.”

Jan was het even vergeten. Want nog geen twee weken geleden, vroeg in de morgen, gooit Anneke Weels de slaapkamerdeur open van haar oudste zoon die eindelijk een eigen kamer heeft nu zijn zus is getrouwd, schreeuwt wat naar binnen en laat de deur open. En die deuropening blijft daar staan als een enorme vertikaal geopende mond, als een schreeuw, en Jan weet niet zeker wat hij heeft gehoord, maar ook hij schreeuwt: “Doe godverdomme die deur dicht!” Alles schreeuwt, de moeder, het deurgat, de zoon, want hij beseft nu wat ze heeft geschreeuwd toen ze wanhopig is weggelopen, niet in staat om stil te staan: “Ineke Verstappen is dood!”, haar grootste vriendin en troost en het meisje dat hem heeft leren lopen. “Ik ga zo,” had Ineke tegen haar man gemompeld nadat de wekker was gegaan. Maar toen hij haar een paar minuten later aanstootte en zei: “Toe dan”, reageerde ze niet meer en was dood. “Het ergste was nog dat binnen tien minuten de politie daar was,” zei Anneke. “Wat denken die lui wel! Dat krijg je er dan ook nog bij. En het was zo`n goed mens,” zei Anneke. “Als de oudste naar school was, pakte ze de jongste op en zei: ‘Kom op, Hans, we nemen het er vandaag van, we gaan bij Anneke buurten.’” Anneke kon wekenlang niet ophouden met huilen.

De Wildeman kent het verhaal van de plotselinge dood van Ineke, haar man werkt bij hem op de weverij. “Ga maar gauw naar huis,” zegt de Wildeman. “Een moeder moet je niet… nou ja, ga maar gauw naar huis.”’

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *