Internationaal onbekend is dat in Nederland de term #jodenjacht tot voor kort niet ging over de jacht op #joden maar over de jacht op #Ajaxsupporters, waaronder zich maar heel weinig joden bevinden, maar die zich de voor hen #geuzennaam#joden hebben aangemeten.
Bij die #jodenjacht gebruiken die supporters van andere clubs slogans als <Hamas, Hamas, alle joden aan het gas>, een kreet die het echte #Hamas nooit zal gebruiken. Smakeloos maar geen echte dreiging.
De term #jodenjacht, hoe grof ook, is dus een bekende term in Amsterdam, maar niet als de jacht op joden.
Toen die term er de afgelopen dagen insloop ging hij evenmin over de jacht op joden maar over de jacht op #Israëliers die zich in woord en gedrag aanhangers van de #genocide op #Palestijnen hadden getoond en waarvan velen waarschijnlijk ook als #dienstplichtigsoldaat aan die #genocide hadden meegewerkt. En die dus wel degelijk een echte dreiging vormden.
Die #Israëliers hadden nooit in Amsterdam mogen zijn.
De term #jodenjacht geeft net als bij de jacht op #Ajaxsupporters niet weer wat er werkelijk is gebeurd, en mag dan ook niet als #antisemitisme geframed worden, laat staan als reden om de eigenlijke oorzaak, de #genocide, uit het vizier te houden.
Bewerking Album 75 Jaar Market Garden 5 jaar later
Teksten en afbeeldingen uit de roman Aan de lange Weg aangevuld met beelden van Duits bombardement na de bevrijding van Eindhoven in nacht van 19 0p 20 september 1944 en begrafenis na geallieerd bombardement op Zeelst (Veldhoven) op 17 september 1944.
Gekke familie Anneke Weels, woont in de eerste bocht van de Lange Weg, in 1940 getrouwd me Leo Weels, ze krijgen acht kinderen, waaronder Tonnie Weels, het eerste kind, een meisje dat van haar vierde tot haar achtste in het sanatorium ligt vanwege tbc, Jantje Weels, hun tweede, met wiens geboorte het verhaal begint, volgens het schrijverpersonage A.M. vaak hinderlijk aanwezig; Mimi Weels, op haar vijfde levensgevaarlijk verbrand door een val vanaf het aanrecht in een kokende ketel met wasgoed; Hugo, hun laatste kind dat een uur heeft geleefd, maar gelukkig is het er een van een tweeling en dat andere is nummer acht; Tante Jo, zus van Leo Weels; Bet, halfzus van Anneke Weels, getrouwd met Toontje Wolvers; Josje Weels, zus van Leo Weels, trouwt uiteindelijk met Cor, de onderduiker;Ria, Ferrie en Harry, zus respectievelijk broers van Josje en Leo Weels.
Vreemde buren
De Vrouwen van de Eerste Huizen, te weten Hanna Bosmans, Hanna Knietel en De oudste dochter van Meijer; zij zijn tegelijk personages, vertelsters, commentatoren én Muzen van A.M Burgemeester Van Tuin, fabrikant en naaste buurman van Anneke en Leo Weels; Jongen van Vlek, soldaat die na de “politionele acties” terugkeert uit Indië; Petra Donkers, bloedmooi buurmeisje, zowel in verband gebracht met de jongen van Vlek, bakker Wenkenbeek en De Wildeman, woeste kunstschilder waarmee Jantje Weels bevriend raakt vlak voor hij in militaire dienst moet Van Zand, verdacht van het vaderschap van het dode Engelenkopje; Schoenmaker met het houten been, naaste buurman in het blok van twee; Westerweel, familie die het blok in eigendom heeft en waarvan twee zeer oude broers daar aan de achterkant wonen tot aan hun dood, en als ook de schoenmaker sterft ziet een van hun neven de kans schoon er iedereen uit te jagen en er één woonhuis van te maken waarin hij en zijn vrouw Brigitte Bardot, gaan wonen; Tante Erna, oom Robert en oom Lex, geen echte familie van de Weelsen, ongetrouwde broers en zuster Familie Van de Stal met zoon Wouter, vriend van Jantje Weels; Familie Brems, waarvan de kinderen, de bedpissers, stinkend rijk worden; Ineke, jonge vriendin van Anneke Weels die Jantje leert lopen; Familie Teunis, buren in de Acht-huizen; Familie de Laat, buren in de Acht-Huizen.
Dorpsgenoten
Nieuwenhuis, nachtmerrie van Josje Weels, pro-Duits; Keesje Jansen, heerser van het patronaatsgebouw; Teun van Leer, gehandicapte stamgast van hotel/café Den Os; Marie, bazin van Den Os, getrouwd met Gerrit; Kareltje Manshoog, minnaar van Marie, stamgast van café Willems; Heintje van der Horst, de man van de fritestent; Tinus, duivenmelker en bouwvakker die voor Heintje heeft gewerkt.
Deel 1 Gekke familie
Geboorte en bevrijding
Anneke
Door
een regen van bommen holt de tante met de pasgeboren baby naar de schuilkelder.
Een zuil van zand en modder spuit op. Een dikke tak breekt af en zakt krakend
door de andere takken op de grond. Scherven vliegen de kippenren aan de zijkant
van het huis in, de kippen rennen krijsend het hok binnen, een blijft er
liggen. Die gaat straks in de pot.
Het is een wonder dat er geen bom
valt op het blok van twee in de eerste bocht van de Lange Weg waar in de linker
woning Anneke Weels net haar tweede kind ter wereld heeft gebracht.
De tante is uit de achterdeur
gekomen en spurt tussen kolenhok en plee links en lindeboom rechts tot aan de
schapendraad van de hof van de buren. Die hof ligt voor een groot deel achter
het huis van Anneke, want die van haar begint naast haar woning en loopt dan
net als die van de buren zo`n vijftig meter naar achter. De tante rent langs de
draad naar links, voorbij de jonge perzik-boompjes die uit de pitten zijn
gegroeid die vader Leo daar drie jaar geleden bij de geboorte van het eerste
kind in de grond heeft gestopt. Dat kind, een meisje, is nu ernstig ziek. En
anderhalf jaar na de geboorte van dat eerste heeft Anneke een miskraam gehad.
Met de baby die nu onderweg is naar de schuilkelder, een jongen, moet het goed
gaan!
De kelder waar de tante zich met het
kind in laat zakken heeft Leo zelf gegraven. Het zijn maar balken en stammen
met een dikke laag aarde erop waar ze onder schuilen, dus tegen een voltreffer
zal het niet helpen, maar tegen een bom in de buurt en rondvliegende scherven
wel. Hij is aan het zicht onttrokken door de staakbonen die er nu, eind zomer,
groen en weelderig, metershoog omheen staan.
Veel mensen hebben een schuilkelder in de tuin. Dat is vanwege
de nabijheid van het vliegveld dat sinds
D-day,
nu bijna vier maanden geleden, steeds maar weer door de Engelsen wordt
gebombardeerd. Ruim vier jaar daarvoor waren het de Duitsers die het vliegveld
bombardeerden.
Omdat dat praktischer en
hygiënischer was, is het kind wel in het huis aan de Lange Weg geboren, maar
nauwelijks losgeknipt en afgespoeld wordt het op een holletje naar de
schuilkelder gebracht. Dat doet tante Jo die daar in huis is en die de
peettante zal worden. Zij weet wat gebombardeerd worden is, haar eigen huis
staat maar honderd meter van het vliegveld en is nu door de Duitsers in beslag
genomen. Ze waren tot nu toe goed weggekomen aan dat vliegveld, twintig meter
achter hun woning is een bomkrater zo groot dat er een heel huis in kan. Het
was al maanden niet meer veilig om daar te slapen en tante Jo en oom Piet
sliepen dan bij Anneke en Leo, en hun zoon Henk sliep verderop aan de Lange Weg
bij opa Weels. Sinds hun huis was bezet stonden bij opa in de voorkamer ook
hun meubels opgeslagen. Henk sliep slecht, hij lag in het grote bed naast opa
op de plek waar tot haar dood drie jaar geleden oma had gelegen, en opa lag de
hele nacht op zijn rug te ronken.
In de schuilkelder aangekomen heeft de
pasgeboren baby zijn eerste stukje strijd gewonnen. Maar er dreigen talloze andere
gevaren! Het gebrekkige voedsel bijvoorbeeld.
“Jongen, wat ben jij mager!” zal een tante in
Gelderland bij wie hij logeert uitroepen als hij zich in zijn wit hempje aan de
gootsteen staat te wassen. De jongen zal tot zijn vijftiende een echt oorlogskindje
blijven. Daarmee is dan meteen verklapt dat hij in ieder geval de vijftien zal
halen. Dit ondanks de levensgevaarlijke besmettelijke ziekte tbc die van zeer
dichtbij op hem loert. Zijn opa van moeders kant, die ook in het huis aan de
Lange Weg heeft gewoond, is als de jongen wordt geboren vier maanden daarvoor
aan tbc gestorven en zijn drie jaar oudere zusje ligt in het ziekenhuis in de
stad, in afwachting van een plaats in het sanatorium. Pas na vier jaar zal ze
weer uit het sanatorium komen, nadat ze als eerste meisje in het land op zo`n
jonge leeftijd aan tbc is geopereerd.
Er blijven gevaren loeren, vooral
die eerste weken. Hij moet immers meerdere malen per dag naar de volle,
melkige, blauw dooraderde borsten van zijn moeder gebracht worden, waar hij op
zijn tiende samen met zijn ginnegappende vriendjes naar kan staan staren
wanneer zijn jongste broertje onder de lindeboom de borst krijgt. Maar zij zijn
niet de enigen die zich aan de borsten van dat tengere vrouwtje vergapen. Ook
zijn tante Josje, die bij zijn opa verderop aan de Lange Weg woont en die zelf
elf kinderen met de borst zal grootbrengen, zal hem later verklappen hoe ze met
plezier naar die borsten van Anneke kon kijken. Maar nu heeft hij daar nog
geen weet van. Van de pure schoonheid waarmee hij gevoed wordt, evenmin als van
het gevaar dat hij op de heen- en terugweg loopt.
Ze wonen een paar kilometer van het
vliegveld. Maar de geallieerden gooien hun bommen vaak veel te vroeg af. En je
wilt, als je het idee hebt dat de oorlog bijna voorbij is – de Engelsen staan
al in België! – geen bom op je kop krijgen, zelfs niet voor een goed doel.
En dan het lawaai! Je zal zo maar ter wereld moeten komen.
Als het niet van de bombardementen of van het afweergeschut is, dan is het wel
van de explosies wanneer de Duitsers voor ze vertrekken de startbanen en gebouwen
opblazen.
“Poeh!, ik had geen gemakkelijke start, als ik er zo
eens over nadenk,” zucht Jantje Weels vele jaren later. “Geen wonder dat ik nog
steeds niet tegen lawaai kan. Ik zou mijn omgeving daar best eens op mogen
wijzen.”
Bet
In
het kerkdorp Sas, nog dichterbij het vliegveld, komt drie weken na Jantjes
geboorte Annekes halfzuster Bet als laatste uit haar kelder geklommen. Allicht,
ze was er ook als laatste ingegaan. Op hun Hans na. Die had bijna het loodje
gelegd. Zo zou je vlak voor de bevrijding nog een kind verliezen. Maar als ze
op haar hadden moeten wachten… De trap was te steil, de stenen treden waren te
hoog en er was maar aan één kant een leuning.
Mijn been doet verschrikkelijk pijn.
Met twee handen houd ik de ene leuning vast en trek en wring me naar boven.
Naar beneden was nog moeilijker gegaan, dat moest helemaal zijwaarts. Maar toen
zat de pijn er nog niet zo in, die was er door de trap af te gaan weer diep
ingekropen. Ik wring en draai me met mijn heupen naar boven. Met die heupen zit
het ook niet goed. Maar mijn been is toch het ergst.
“Van mij hoeft het niet meer,” grom
ik luid als ik boven ben, “dan maar dood. Dit is de laatste keer dat ik die
kelder in ben geweest.”
De klink aan de buitenkant van de
kelderdeur is eraf geslagen, op het hout zit een grote, diep ingebrande zwarte
vlek. Maar net op tijd was die nieuwsgierige Hans aan de andere kant van de
deur geweest. De granaatscherf was door het open bovenraam naar binnen
gevlogen, had de klink afgesneden en was over de tegelvloer tegen de muur
gegleden. Bij het schoonmaken blijven we de plekken zien waar hij heen en weer
heeft gekaatst. Het was een hels lawaai geweest.
“Dat scheelt weer een ruit, dat dat
raam openstond,” zegt mijn man Toontje die iedereen de kelder in heeft
gestuurd. Dat heb je er ook nog bij, zo een die altijd grappig moet zijn.
“Van mij hoeft het niet meer. Ik heb
negen kinderen op de wereld gezet,” mopper ik, “ ’t is mooi geweest. Me dunkt dat
ik mijn taak vervuld heb.”
“Je bent de tel kwijtgeraakt,
moeder,” lachen de kinderen voor ze naar buiten hollen om naar de ravage te
kijken. “Acht is ook wel genoeg.”
Maar ik ben de tel niet
kwijtgeraakt, ik heb me alleen versproken.
Op straat en onder de vernielde
huizen en schuren liggen twintig doden en tientallen gewonden. De Amerikanen
hebben hun bommen te vroeg losgelaten. Het vliegveld, dat trouwens al door de
Duitsers is verlaten, ligt een kilometer verder.
Twee dagen later zijn de bevrijders er. Ik hoef niet
meer met mijn been de kelder in.
Ze staan rijen dik om de bevrijders te
verwelkomen. Josje Weels (…) heeft een mooie zomerjurk aan… (pag. 15)
Josje
Ze
staan rijen dik om de bevrijders te verwelkomen. Josje Weels, Annekes schoonzus
van verderop aan de Lange Weg, heeft een mooie zomerjurk aan en probeert op
haar tenen naar voren te dringen om zeker te zijn van wat ze denkt te zien.
Jawel hoor! Op de voorste tank zitten de onderduikers
die ze zo goed kent en vooral natuurlijk haar vriend Cor die ze zo gemist heeft
sinds de onderduikershut achter hun huis is afgebrand en hij zich steeds verder
weg moest schuilhouden. Hij is alweer voorbij, maar hij heeft haar gezien en
heeft gezwaaid en kushandjes geworpen, maar natuurlijk komt hij op dit
triomfantelijke moment voor geen goud ter wereld van die tank, dat snapt zij
ook wel. Het jubelt in haar: de oorlog is voorbij en ik ben vierentwintig en
verliefd en wanneer kunnen we gaan trouwen en kinderen krijgen? En ze denkt ook
aan haar schoonzusje Anneke waar ze zo gek op is en die pas een baby heeft
gehad: zou die alweer de straat op kunnen om de bevrijders te zien?
Ze moet haar enthousiasme kwijt, wil
iets doen, iets geven aan die lachende Engelse, Amerikaanse soldaten – wat zijn
het? Wat doet het ertoe! – en dan ziet ze op een open plekje tussen al die
voeten een mooie geslepen steen liggen en raapt die op en wil die geven aan een
van die jongemannen of eigenlijk aan al die lachende “hello!” roepende jongemannen.
Het stelt niets voor, het had om het even wat kunnen zijn, het gaat om het
gebaar en ze dringt zich naar voren, naar de jeep die net passeert en steekt
haar hand met de steen uit en de breed lachende gebruinde soldaat in de jeep
steekt eveneens zijn hand uit en dan stoot iemand tegen haar arm en valt de
steen met een klap op de treeplank, een geweldige klap, iedereen schrikt ervan,
Josje vooral, en het lijkt even stil, en in die stilte hoort ze een gehate
stem: “Wat! Moet jij onze bevrijders met stenen gooien!”
Het is de man die haar al zo vaak is
lastiggevallen, vooral ’s ochtends op de fiets omdat ze gedeeltelijk dezelfde
route naar hun werk hadden. Maar dat zal nu wel afgelopen zijn want hij werkte
op het vliegveld voor de Duitsers. De man die zich sinds het begin van de
Duitse bezetting Neuenhaus heeft genoemd en nu wel weer gewoon Nieuwenhuis zal
heten, en die haar nu een kunstje wil flikken om de aandacht van zijn eigen
pro-Duitse houding af te leiden.
“Je hebt ook al met een Duitser in
het hooi gelegen!” roept Nieuwenhuis. Hij doelt op het goede contact dat ze
heeft gehad met een Duitse soldaat die in het patronaat lag ingekwartierd. Deze
had een neef die zij kende uit haar geboortedorp vlakbij de Duitse grens,
waaruit haar familie op haar twaalfde is vertrokken. Zij en de Duitse soldaat
hadden er vaak over gepraat hoe toevallig het was aan welke kant van de grens
je woonde en hij had haar regelmatig eten meegegeven dat zij goed kon gebruiken
voor de onderduikers, en dat wist hij dan weer niet. Ook had ze hem verteld van
haar twee Duitse schoonzusjes, wier broers op een gegeven moment in het Duitse
leger in Frankrijk moesten vechten, maar waar ze nu waren wist niemand.
Maar op dit ogenblik krijgt ze tranen in haar ogen om
zoveel brutaliteit, om het onrecht dat ze beschuldigd wordt, en door wie!
Ze moet het op het politiebureau
komen uitleggen en is nog steeds te verontwaardigd om alleen te gaan, maar dat
hoeft ook niet. Haar oude vader gaat woedend mee en herinnert Neuenhaus, die
ook is opgeroepen, eraan dat deze in het begin van de bezetting demonstratief
het portret van de koningin van het behang heeft gescheurd. Ach, eigenlijk weet
iedereen in het dorp, dus ook de politie wel hoe het werkelijk in elkaar zit.
En Josje lacht alweer als ze buiten komt en daar Cor ziet staan wachten, men
was hem meteen het voorval gaan vertellen, en hij wacht niet alleen op haar
maar ook op Neuenhaus om die een pak slaag te geven. Maar die wordt een poosje
vastgehouden.
“Er
is toch nog rechtvaardigheid, hè schat!” lacht Josje en slaat een arm om Cor
heen. “Kom, jongen, we zijn vrij, laten we gaan trouwen en veel kinderen krijgen!”
De
Vrouwen van de Eerste Huizen
“We
moeten wel lachen,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen, “zoals jij je
geboorte beschrijft. Wat een sensatie! En dan al die getallen en de
beschrijving van die gang naar de schuilkelder in de tuin, wat een precisie. Je
tante Josje hield indertijd een beetje van sensatie, maar jij kunt er achteraf
ook wat van. Zijn er bommen gevallen aan de Lange Weg? Wij geloven er niks van.
Wij kunnen ons niet herinneren dat er de hele oorlog ergens anders bommen zijn
gevallen dan op het vliegveld en in Sas, en dat laatste erg genoeg. Is er
eigenlijk op de dag van jouw geboorte wel gebombardeerd? Ja, dat zul je wel
uitgezocht hebben. Zo bijdehand ben je wel.”
Als je over de Lange Weg schrijft, kun je niet heen om
de Vrouwen van de Eerste Huizen. Want ze wonen daar inderdaad in die eerste
huizen als je vanaf de stad komt, en vanaf daar lopen ze dagelijks over de
Lange Weg naar de sigarenfabriek, de school, de kerk en het patronaat en de
winkels, want alles ligt voor ze, daar zijn het de Vrouwen van de Eerste Huizen
voor. Achter ze ligt de stad en over de lange dijk naar de stad gaan ze met de
bus of soms met de fiets en alleen bij bijzondere gelegenheden. Ze kennen elk
huis en elke bewoner aan de Lange Weg beter dan A.M., kortom hij heeft ze
nodig.
“De tranen komen bij jouw tante Josje in de ogen,”
zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen, “als ze aan je moeder Anneke denkt en
dat die zo heeft moeten bevallen. Maar ze kan zich niet herinneren dat jullie
een schuilkelder hadden in de hof. Iedereen had toen nog gewoon een diepe
kelder in huis, jullie ook, dat weet ze zeker, daar gingen de mensen in bij een
bombardement, en zij denkt dat jij ook gewoon in die kelder bent gebracht.”
“Dat van dat opspuitende zand en die
dooie kip is onzin,” lacht de lange magere Hanna Bosmans die overal om lacht, “maar
ik heb er wel om gelachen. Anneke zal het trouwens moeilijk genoeg gehad
hebben, want lawaai en spanning was er volop. Ik had nooit gedacht dat jij het
zou halen, want veel stelde je niet voor toen je werd geboren, we zeiden maar
niks toen Anneke je zo trots liet zien. Maar blijkbaar heb je het al een hele
tijd overleefd. Nou proficiat. Daar zijn we aan de Lange Weg mooi klaar mee!
Waar zit je trouwens tegenwoordig?”
“En die schapendraad voor de hof van
de buren is er volgens mij pas veel later gekomen, toen er andere buren waren,
want Leo was daar nog zo kwaad om. Zo, dan weet je dat,” zegt de oudste dochter
van Meijer met haar zware stem.
Oorlog
Josje
We
gaan vier jaar terug. Nederland is vier maanden door de Duitsers bezet als
Josje Weels die twintig jaar is, vanaf de Lange Weg over Sas naar de stad fietst,
naar de Glaspoort van Philips in het stadsdeel Strijp, het trommeltje met de
door haar moeder gesmeerde boterhammen onder een riempje op de bagagedrager.
Nieuwenhuis die in het militaire dorp van Sas werkt, rijdt daar vaak op dezelfde
tijd.
“Ik heb liever dat jij niet met mij meefietst,” zegt
Josje, “want jij werkt voor het Duitse leger.”
“En wat denk je dat ze bij Philips
doen, dom ding?” zegt Nieuwenhuis.
“Wij zijn in ieder geval niet voor
de Duitsers,” zegt Josje ferm. Behalve die ene baas dan, denkt ze. Die zal bij
de bevrijding met bureau en al op een vrachtwagen afgevoerd worden. En met
diegene die zich, zo gauw de Duitsers er waren, Neuenhaus heeft genoemd, zal
het niet veel beter aflopen.
“Waarom denk je dat er bij jullie
zoveel Duitse soldaten rondlopen?” gaat Nieuwenhuis pesterig verder. “Je hoeft
helemaal niet voor ze te zijn als je maar voor ze werkt. Ze zijn slim genoeg,
slimmer dan wij.”
Josje denkt aan de Oekraïners die
door de Duitsers bij luchtalarm het dak opgestuurd worden om het afweergeschut
te bedienen.
Als de meisjes in de lunchpauze de
ijzeren trap afdalen, komt hen over de volle breedte van de trap een groep
Duitse soldaten tegemoet met de bedoeling de meisjes opzij te dwingen. Maar
Josje zegt: “Wat ben ik moe!” en gaat midden op de trap zitten, zodat de
soldaten wel om haar heen moeten, en niet alleen de meiden, ook de Duitsers schieten in de lach. Ziezo, denkt
Josje, ieder zijn oorlog.
Wanneer ze in haar broodtrommeltje
kijkt, ziet ze dat er blokjes paardevlees op het brood zitten. Dat lust ze niet
en ze eet niet. Het is tegen de avond een lange tocht van Philips naar huis, en
vermoeiend, zeker als je de hele dag niet hebt gegeten, want ’s morgens vroeg
voor ze naar het werk gaat eet ze nooit. Ze is laat, want ze had een “lekitimatiebewijs”,
zoals moeder zei, op moeten halen.
Vanuit de verte heeft ze het al
gezien, er staan een heleboel mensen voor hun huis. Ze pakken haar fiets aan en
duwen haar naar binnen: “Ga maar gauw, Josje, want je moeder is niet goed
geworden.” Dat was niet voor het eerst en de vorige keren was moeder er ook
altijd weer bovenop gekomen. Aan het bed van haar moeder zit Anneke die sinds
drie dagen haar schoonzusje is, en misschien was die trouwpartij moeder wel
teveel geworden. Ook Annekes eigen moeder hadden de tranen in de ogen onder het
witte mutsje gestaan toen ze de kerk uitkwam en ze had er een zakdoek bij
moeten pakken. Het was ook wat, dat op één dag de laatste twee van je vier
dochters trouwden en dat in de oorlog!
“Dag moeder, hoe gaat het?” zegt Josje tegen haar
moeder die flets glimlacht en dan weer haar ogen sluit. Moeder was de hele dag
onrustig geweest. Ze liep steeds naar de voordeur en zei: “Waar blijft vader
toch?”
“Die zal zo wel komen,” zei de buurvrouw dan. Het was
heel gewoon dat vader bij goed weer tussen de maaltijden niet thuis was. Moeder
was steeds op zoek naar brandhout en liep ook telkens naar het winkeltje.
“Vrouw Weels, u bent al wel drie keer geweest voor een
builtje suiker,” zei de vrouw van het winkeltje. Dat waren protestante mensen.
En toen moeder terug naar huis wou, wilde ze achterom, langs de oude Gender,
terwijl ze normaal goed wist dat het daar met prikkeldraad afgezet was. Terwijl
ze naar de oude Gender liep viel ze opeens, op haar zij, alsof ze door een
windvlaag van opzij werd omvergeblazen. Zo bleef ze liggen.
“Moeder, ik val flauw van de honger,
ik moet gauw iets eten,” zegt Josje en loopt naar de keuken waar een pan stamppot
met worst en een varkenspootje op de kachel staat. Terwijl ze uitgehongerd aan
de keukentafel zit te eten, ziet ze door de geopende deur Anneke aan het bed
van haar moeder zitten. Ze kan niet stoppen, zo`n honger heeft ze, en ze eet de
hele pan bestemd voor vijf personen leeg.
Nog dezelfde avond sterft haar
moeder. Het laatste eten dat moeder voor het hele gezin heeft klaargemaakt,
heeft Josje in haar eentje opgegeten. Steeds ziet ze zichzelf daar aan die keukentafel,
en door de geopende deur Anneke aan het sterfbed van haar moeder zitten. En ze
blijft herhalen: “Maar moeder, hoe kon ik weten dat het je sterfbed was en ik
had zo`n honger en ik lust geen paardevlees!”
“Ze wisten vast dat wij van de grens komen en
Duitsers gewend zijn en daarom hebben ze de lelijkste Duitser die ze hadden op
ons afgestuurd,” zei mijn broer Leo altijd. De soldaat Knal, die bij ons was
ingekwartierd, was inderdaad erg lelijk. Hij noemde zich Flieger Knal, ook op
zijn postkaarten naar de Heimat, en hij werkte ook wel op het vliegveld maar
dan om aardappels te schillen. Hij werd erg geplaagd, bijvoorbeeld wanneer hij
aan de gootsteen uitgebreid zijn ene tand stond te poetsen. We reageerden onze
ergernis aan de bezetter op hem af, maar hij bleef er kalm onder, hij deed
meestal of hij het niet verstond.
Het moest wel sportief blijven, vond mijn moeder. Een
buurmeisje bij ons op bezoek had gloeiend hete thee over zich heen gekregen,
men wilde “die Duitser” de schuld geven, maar moeder wist dat dat onzin was en
nam hem in bescherming.
Hij was net zo ondersteboven als wij toen zij
plotseling overleed. Bij zijn afscheid een jaar later, zei hij het nog: “Die
Frau Mutter hat doch immer für mich auch Pappe gemacht.” Of zoiets. En hij
sloeg zijn hakken tegen elkaar en zei: “Herr Weels, ik wens u het allerbeste!
Heil Hitler!” Mijn vader had kalm aan zijn pijp getrokken en gezegd: “Die beste
wensen neem ik graag van je aan, Knal, en geef ik jou ook, maar met die Hitler
kun je de pot op.” Knal was gewoon vertrokken.
Het
was wel eens moeilijk voor Josje toen er zich in het tweede oorlogsjaar
onderduikers nestelden in een hut in het broekland achter hun huis. Met name in
verband met Knal. Hij mocht niet weten dat zij hun eten bracht. Zeker moest hij
niet net thuiskomen als zij met een lege pan uit het riet kwam. Maar hij was
vrij stipt in zijn komen en gaan. Eigenlijk waren de leveranciers en leurders,
die gewend waren op de gekste tijden achterom te lopen en waarvan een enkeling
bij de NSB was, veel gevaarlijker. Knal mocht vooral niet merken dat er in huis
eten bewaard werd voor de onderduikers, dat bovendien nog vaak uit het
patronaat, dus van de Duitsers kwam.
Er
zit vanalles hier achter ons huis. Zowel jongens hier uit de buurt als twee
broers helemaal uit Drenthe. Meestal zit er wel zo`n man of zeszeven. En
allemaal omdat ze niet in Duitsland willen gaan werken.
Een van die jongens uit Drenthe heeft zelfs al in
Duitsland gewerkt en is ontsnapt. Hij had in eerste instantie toestemming
gekregen om een gek uit zijn dorp, die per vergissing ook via de Arbeidsdienst
in Duitsland was terechtgekomen, naar huis te begeleiden. Toen de toestemming
werd ingetrokken stapte hij toch op de trein, maar zonder de gek. Als de trein
wordt gecontroleerd, wordt het een scène uit een film: een non die de paniek
in zijn ogen ziet, geeft een teken dat hij zich onder haar habijt moet verstoppen.
Altijd als hij dat verhaal vertelt, vragen ze niet: “En
hoe is het verder gegaan?” want ze zien hem voor zich, dus zal het wel goed
zijn gegaan, maar: “En hoe was het onder die rok?” En hoewel ik ook graag lach
en natuurlijk ook hierom, moet ik toch altijd aan die gek denken, wat er met hem
zal zijn gebeurd.
Ze zijn gehaaid genoeg die jongens.
Die uit Drenthe zijn niet katholiek en hebben allang geleerd dat ze dat in
Brabant niet moeten laten merken, willen ze eten en onderdak krijgen. Want dat
is de eerste vraag die bij de boeren opkomt. Daarom hebben ze altijd een
rozenkrans bij zich, die ze achteloos uit hun zak laten bungelen of bij een
maaltijd uit hun achterzak halen en naast hun bord leggen, omdat ze er niet op
willen zitten. Hetzelfde als ze ergens mogen slapen, het zijn gevoelige jongens
die niet zomaar op de spullen in hun broekzakken gaan liggen en altijd komt als
een van de eerste dingen die rozenkrans te voorschijn.
“Ik zie het al,”
zegt de boer of boerin, “ik hoef verder niks te vragen.”
Dan
staat opeens de hut in brand! Ook veel van het riet er omheen brandt af. Is
het verraad? Hebben ze een jonge jongen die het bij zijn NSB-ouders niet
uithoudt ten onrechte vertrouwd? Of is de jongen met zijn stoel tegen de kachel
in slaap gevallen? De brandweer is er snel bij, met de net nieuwe motorspuitwagen.
Maar ze komt niet verder dan tot aan de oude Gender vlak achter de huizen, die
meestal droogstaat en vol rotzooi ligt, vooral van de garage aan de overkant
van de Lange Weg. Met spades modder wordt het vuur om de hut heen gedoofd. Ook
de politie komt eropaf, en de Duitsers. Omstanders proberen de Duitsers nog te
laten geloven dat het om een speelhut voor kinderen gaat, maar daarvoor is hij
te professioneel ingericht. De Duitse commandant vindt het naambordje van de
hut: “Het Roosje”. Hij vindt het een verdachte naam, waarom weet ik niet.
Die nacht slapen de onderduikers op het zoldertje van
onze keuken, waar je alleen van buitenaf op kunt komen. Ze moeten doodstil
zijn, want in huis slaapt Flieger Knal. Het is een onhoudbare toestand en
iedereen is dan ook blij als het dag is en Knal naar het vliegveld vertrekt om
aardappels te schillen en de jongens een andere schuilplaats kunnen gaan
zoeken. De Duitsers doen rondvraag in de buurt en blijken alle namen te kennen
van de onderduikers die in “Het Roosje” hebben gezeten. Behalve die van Fer,
mijn jongste broer. Die werd, hoewel hij ver in de twintig is, zelfs helemaal
niet gezocht en is dus voor niets ondergedoken. Hij wordt er hevig om geplaagd.
De jongen die bij die non onder de rok
heeft gezeten ben ik trouwens erg aardig gaan vinden, dus ik hoop maar dat hij
niet te ver weggaat. Hij heet Cor.
Cor
en zijn broer komen uit Drenthe, uit het veen. Hun vader is een goede
turfsteker en aardappelrooier. Hij verdient veel maar drinkt het allemaal op.
Tijdens de aardappeloogst houdt hij zijn kinderen, en dat moeten er minstens
een stuk of zes zijn, thuis van school en laat ze met hem op het land werken.
Maar ook het geld dat de kinderen verdienen zuipt hij op. Hij komt na het werk
niet eens naar huis, gaat regelrecht naar de kroeg. Als hij wel thuis is, is
het ruzie. In zo`n gezin ben je blij dat je het huis uit kan. Maar het was niet
Cor zijn bedoeling dat dat via de Arbeidsdienst in Duitsland zou zijn.
Josje wil alles van Cor weten. Sinds
Het Roosje is afgebrand is hij wel erg ver weg, in de bossen buiten het dorp.
Josje vindt het wel spannend, ze vindt alles spannend, ook om daar eten te gaan
brengen, maar ze moet met spijt toegeven dat het te riskant is, dat ze
makkelijk gevolgd kan worden, en ze stopt er mee.
Vooral de goedlachse Duitse officier
Jozef, die bij haar thuis langskwam vanaf het begin dat Flieger Knal bij hen
was ingekwartierd, heeft er een handje van plagerig tegen haar te zeggen: “Waar
is Cor toch tegenwoordig?” Josje weet niet goed wat ze aan hem heeft. Hij lacht
altijd zo hard dat de medailles op zijn borst rinkelen, maar hij weet de namen
van alle jongens die in Het Roosje hebben gezeten, hij moet met de kermis
gezien hebben dat de jongens daar ook zijn, hij gooit die avond zijn medailles
over straat, maar de volgende dag draagt hij ze weer. En, heeft ze zich laten
vertellen, hij brengt dan wel altijd wat voor de familie mee maar pakt toch ook
steeds naar de holster van zijn revolver als hij achterom komt lopen.
De onderduikers gaan gewoon bij de
watermolen in de Dommel zwemmen, tussen de kampeerders en dagjesmensen. Hoe
meer mensen hoe veiliger. Maar ze spelen ook een spelletje met Fer zijn schoen
in het water. Daar kan Josje zo kwaad om worden! Het is zo makkelijk om Ferrie
in de maling te nemen. Al moest ze misschien geen medelijden met hem hebben,
want had hij niet de aansteker die zij van Cor had gekregen verkocht en het
geld er doorheen gedraaid? Zou Jozef zo vaak bij hen thuis komen om via Fer wat
meer te weten te komen?
“Laat
de jongens maken dat ze wegkomen, want er is een zwijn gestolen!” Het is Jozef
die naar haar roept vanaf het dak van de sigarenfabriek waar ook Duitsers zijn
gelegerd en ze roept terug: “Ja goed, dag Jozef.”
Ze vraagt zich af wat er aan de hand is: is er iemand
opgepakt voor het stelen van een varken en heeft die de schuld aan de onderduikers
gegeven, misschien zelfs de plaats van de hut verraden? Of wil de slimme Jozef
op deze manier de plaats van de hut te weten komen?
Het is een prachtige hut, die
tweede, in de bossen tussen Steensel en Riethoven, bijna helemaal onder de
grond want de bodem is hier niet zo drassig als in het broekland achter hun
huis, met raampjes vlak boven de grond en een ontsnappingsgat aan de
achterkant. Er hangen kleden aan de wand en ze hebben er zelfs een SS-uniform.
Het oude moedertje had wanhopig een van de
onderduikers aangeklampt om haar wat simpele zoon onder te laten duiken, want
hij had zich zonder dat zij van iets wist over laten halen om bij de SS te gaan
en was plotseling in dat uniform thuisgekomen. Ze was zich doodgeschrokken, had
hem het uniform meteen uitgetrokken en hem in bed gestopt tot zij het onderduikadres
had gevonden. Vooral Theo, Cor’s broer maakt veel gebruik van het uniform, hij
komt er mee tot in Hilversum om eten te brengen. Josje zegt het vaak: vooral
Theo en hun vriend Alex durven alles.
“Het
is Jozef!” roepen de onderduikers naar elkaar als ze door het raampje vlak
boven de grond de Duitsers recht op de hut af zien komen marcheren. En
misschien omdat ze hem zo goed kennen en bij andere gelegenheden wel eens vlak
naast hem gestaan hebben en zelfs wel eens iets met hem gedronken hebben,
denken ze nu te laat aan vluchten. Behalve Cor.
“Komm daraus, komm daraus!” roept
Jozef al van ver.
“Het is Jozef!” roepen de
onderduikers alsof dat een geruststelling is. En inderdaad komt Jozef aan het
hoofd van twintig manschappen recht op de hut af marcheren. Maar waarom doet
hij dat en roept hij in plaats van de hut stiekem te omsingelen?
“Waar is Cor toch gebleven?” zegt
Jozef plagerig tegen Josje.
“Smeerlap, je hebt ze zelf laten
arresteren,” zegt Josje.
“We hadden gehoord van een feestje
en wij wilden ook naar het feest,” lacht Jozef. Er was inderdaad een soort
feestje in de hut waarbij ook onderduikers van elders aanwezig waren. Hoe wist
Jozef dat? Ferrie? Zat daar Jozef achter dat Fer niet gezocht werd voor de
Arbeidsdienst? Of wist Jozef het toch van degene die het zwijn had gestolen?
Cor heeft er nog over gedacht om
zich ook maar aan te geven nu al zijn kameraden zijn opgepakt en de hut is
vernietigd. Maar als zijn broer Theo en zijn beste vriend Alex op transport
naar Duitsland al bij Venlo uit de trein weten te springen, is hij blij dat hij
niet heeft opgegeven. Hij vindt onderdak bij een, vanzelfsprekend, katholieke
boer. Hij hoeft niet mee te bidden, ze weten dat hij niet godsdienstig is opgevoed,
maar de boerin zegt wel hoe mooi het zou zijn wanneer Cor nog tijdens zijn
verblijf bij hen zijn Eerste Communie zou doen. Voor Josje hoeft het niet, hij
mag van haar gewoon blijven zoals hij is.
Het
blijft een vreemd ding zo`n oorlog, zeker als je jong bent, alles is anders
want de Duitsers zijn de baas, maar eigenlijk gaat het leven gewoon door en het
is ook spannend, want je voelt je een baldadig kind als je de bezetters een
loer kunt draaien. Eigenlijk ben je voortdurend zoals alle jongeren in opstand
tegen het gezag maar in de oorlog is dat met toestemming van en zelfs
aangemoedigd door de ouderen.
Als je in een café wat te luid zegt
dat je viavia hebt gehoord dat het met de Duitsers in Frankrijk niet zo best
gaat, komt er zo`n figuur met een lange jas naast je staan en laat zwijgend een
speldje achter zijn revers zien.
“Mooi speldje,” zegt Josje. “Is het
te koop?” En de zwijgende figuur gaat even zwijgend weg.
Maar als ze op straat voor het café zegt: “Daar
is de zoon van de geitenboer die de onderduikers heeft verraden,” wordt ze door
de jonge NSB’er in elkaar geslagen. Ook zijn vader is een fanatieke NSB’er, op
hun huis staat Nooit Gedacht, en dat staat op veel huizen, maar als de Duitsers
de oorlog beginnen te verliezen, wordt daar flink, zij het nog voorzichtig, om
gegniffeld.
Bij Bergeijk, op de weg naar de
grens, staat een Nederlander die soldaat is in het Duitse leger op de meest
gekke tijden mensen aan te houden, te fouilleren en op te brengen. Iedereen in
de buurt heeft de pest aan hem. De weer ontsnapte onderduikers Theo en Alex
nemen hem te pakken en laten hem voor halfdood aan de weg liggen. Het volk, ook
de boeren, lacht in zijn vuistje. Het enige dat de Duitsers doen is een avondklok
instellen. Dat heeft iedereen er graag voor over. Verder gebeurt er niets, er
wordt niemand opgepakt, niemand verhoord. Het lijkt erop dat de Duitsers ook
met de fanatiekeling in hun maag zaten.
Ik geloof dat ik wel van een beetje
sensatie hou, denkt Josje, zolang er met Cor maar niks gebeurt. Eigenlijk is
dat maar een lauwe oorlog hier bij ons. Iedereen, de burgemeester, de politie,
de ambtenaren, is gewoon op zijn post gebleven. Er is maar een enkeling echt
pro-Duits, zoals er blijkbaar ook maar een enkeling fel anti-Duits is. We
ergeren ons aan de arrogantie van de Duitsers, spotten ermee, helpen
onderduikers, maar er is geen gewapend verzet of sabotage en er worden ook geen
mensen vastgezet, gemarteld, laat staan terechtgesteld. Frans de Lepper komt
met een geladen revolver bij café van Oers binnen en iedereen schrikt zich rot,
want dat had hem wel zijn kop kunnen kosten, maar Frans is een voddenkoopman
die van alles weet op te scharrelen, en het ding wordt snel weggewerkt. Er
valt wel eens een klap, maar dat was voor de oorlog ook al het geval.
Politieagent Oud had daar altijd al een handje van. Hij slaat mensen recht in
het gezicht als ze in de weg staan of geen of een verkeerd antwoord geven, en
hij is dat in de oorlog gewoon blijven doen. Burgemeester Van Tuin komt bij je
thuis om je over te halen om de Duitse Winterhulp te steunen. Maar als je
blijft weigeren gebeurt er verder ook niks. En dezelfde vrouw die geweigerd
heeft mee te doen aan de Winterhulp, accepteert wel dat er elke middag zes Duitsers
die in het patronaat gelegerd zijn hun boterham bij haar thuis komen opeten.
Er zijn al heel wat kinderen van
Duitsers geboren. Het valt natuurlijk niet goed te keuren, maar wat doe je
eraan, vindt Josje, zo is het leven. Die Duitse jongens zijn al bijna vijf jaar
hier, vijf jaar lang zijn de meisjes verliefd op ze kunnen worden. Onze
jongens die in Duitsland moeten werken gaan daar toch ook met Duitse meisjes!
Het is natuurlijk niet helemaal hetzelfde maar toch. En daar zijn vast ook
kinderen van gekomen. Het is allemaal niet zo eenvoudig, denkt Josje.
Nu
de geallieerden al in België staan, is burgemeester Van Tuin opeens
ondergedoken. Die wil vast nog als verzetsheld uit de oorlog komen in plaats
van als promotor van de Duitse Winterhulp. En Josje heeft ook
Het oude moedertje had wanhopig een van de
onderduikers aangeklampt…(pag.26)
gehoord dat de vrouw die geweigerd had mee te doen aan de Winterhulp, maar wel
de hele oorlog bij het middagmaal Duitsers in huis had geaccepteerd, dat had
gedaan omdat ze een keer in de tuin naast haar een glimp had opgevangen van de
volwassen buurjongen, die dus in zijn eigen huis zat ondergedoken. Ze had
geacht: daar moeten de Duitsers dus niet gaan eten. En ze had het de hele
oorlog voor zich weten te houden, dat van die buurjongen.
Nadat
al die geallieerde vliegtuigen zijn overgevlogen en Sas zo ongelukkig is
getroffen, hoort Josje dat de eerste Engelse pantserwagen vanuit het zuiden via
de noodbrug over de Dommel het dorp is binnengekomen. Als een tank het ook
probeert, stort de brug in en kantelt de tank. Het blijft die dag bij die ene
pantserwagen die de weg door Sas en om het vliegveld heen wordt gewezen, waar
hij ten noorden van de stad contact kan leggen met de Amerikanen die daar zijn
gedropt.
Maar nauwelijks hebben sommige helden gehoord van de
Engelse pantserwagen, of ze hebben een van de dochters van een doodarm gezin,
waarvan de vader om den brode bij de NSB was gegaan, uit huis gehaald om haar
in het openbaar kaal te scheren. Gelukkig wordt dat door een man met de
revolver in de hand verhinderd.
En dan komen de tanks met daar
bovenop Cor vanuit het westen over de Lange Weg Josje tegemoet rijden en
probeert Nieuwenhuis nog iets even belachelijks als zieligs met haar uit te
halen. Maar dan is de oorlog ook voor haar voorbij.
Anneke
Ze
is nu twee jaar getrouwd, bijna even lang als de bezetting duurt, en hij is
altijd weg. De meeste klanten die hij heeft komen oorspronkelijk uit Gelderland,
net als hij. Allemaal voor werk naar Brabant gekomen.
“Wat ga je doen met zo`n vreemde kerel uit zo`n ver
land!” zei haar moeder toen ze zei dat ze verkering had met Leo.
Ze wonen tientallen kilometers verspreid rond de stad,
die klanten, soms in kleine achterafboerderijtjes. Het is altijd laat als hij
thuiskomt. Dat is niet prettig, zeker in oorlogstijd. Soms zou Anneke willen
dat hij een beroep koos waarbij hij gewoon overdag kon werken. Ook al staat dat
wat minder dan verzekeringsagent. Op de zijkant van het huis richting stad,
boven de kippenren, heeft hij een groot emaillen bord met een dame met
hoepelrok en paraplu gespijkerd. Omdat het huis in een bocht ligt is het van
veraf te zien. De Duitsers verdenken, waarschijnlijk na aangifte van een NSB’er,
hem ervan dat het ophangen van dat bord met “De Eerste Nederlandsche” erop een
uiting is van nationalisme. Hij maakt er geen punt van en hangt het bord op van
de andere verzekerings-maatschappij waar hij voor werkt: “De Bataafsche”.
“Weten die Duitsers en hun meelopers veel,” zegt hij.
Ze krijgen er ook nog wat geld voor van de verzekerings-maatschappij.
Ze wou dat hij ’s
avonds thuis was, zeker nu het tweede op komst is. En nu opa en opoe gaan
verhuizen. Ze ziet zich al ’s avonds in haar eentje met twee kinderen zitten.
Als hij thuis is, is hij met zijn administratie bezig of in de hof met zijn
planten of met het graven van de schuilkelder.
Tonnie is al een ruim een jaar en
een echt handenbindertje geworden. Ze klimt overal op, zelfs op het aanrecht.
Levensgevaarlijk. Anneke kan dat allemaal niet in de gaten houden en voor haar
moeder is die kleine rakker te vlug. Opa doet zijn best. Maar hij hoest steeds
meer en raakt daar helemaal uitgeput van. Steeds vaker gaat hij het trapje van
de opkamer op en kruipt in bed. Anneke maakt zich ongerust, ook voor de kleine.
Het is goed dat ze verhuizen. Zeker nu er een andere kleine op komst is.
Opa proeft van de soep. Mag Tonnie
ook wat? Jawel, maar de lepel is nog te vol. Hij zal er eerst wat vanaf slurpen.
Tonnie lacht. Dat is een vreemd geluid hè? Eigenlijk is de lepel veel te groot
voor Tonniekes kleine mondje. Maar aan de punt gaat het wel. Wat is dat nou?
Kan zij ook al slurpen?
Kijk, daarom maakt Anneke zich zo
ongerust. Want haar vader is duidelijk ziek. Er wordt niet over gepraat. Haar
vader en moeder praten sowieso weinig met elkaar. Ze heeft zich altijd
afgevraagd of ze eigenlijk wel bij elkaar passen. Moeders eerste man is
overleden, daar is haar halfzuster Bet uit Sas van. Een van de weinige keren
dat moeder een paar zinnen achter elkaar zei, was toen haar zus Saskia en zij
op dezelfde dag trouwden en haar zus in Nijmegen ging wonen. De man van haar
zus kon hier geen werk meer vinden in de schoenindustrie en daar wel.
“Als je naar Nijmegen verhuist, zie ik je nooit meer,”
zei haar moeder. “Dat overleef ik niet.” Gelukkig zien ze Saskia nog
regelmatig, dat is erg meegevallen.
Het
is een miskraam geworden en hij was er niet bij. Daar was ze al steeds bang
voor geweest, dat hij er niet bij zou zijn. Toch kon hij er niets aan doen,
want het kwam een paar weken te vroeg.
Anneke had steeds in haar hoofd het
zinnetje zitten: “Als het erop aan komt, ben je er niet bij.” Of dat zo zou
zijn wist ze helemaal niet, maar ze was er wel bang voor. Ze wist ook dat ze
hem daarmee kwetste, maar omdat dat zinnetje in haar hoofd zat moest het er ook
uit, hoe ze zich ook voornam om het voor zich te houden. Ze heeft er meteen
spijt van en begint zelf te huilen. Hij komt de hele dag, het is zondag, niet
uit de kuil die hij aan het graven is voor de schuilkelder.
Het
is doodgeboren, ik wist al een paar dagen dat het niet goed zat, want ik voelde
niets meer. Mijn moeder, die nog elke dag uit Sas naar hier komt lopen om met
huishoudelijke karweitjes als aardappels schillen en groente schoonmaken te
helpen, laat wel eens merken dat ze dan ook niet had hoeven te verhuizen. Mijn
ouders wonen nu naast Bet in een van de lage huisjes met rieten dak waarin Bet
en haar gezin ook nog gewoond hebben. Ik vond het niet verantwoord om zo`n
zieke man als mijn vader in één huis te laten leven met kleine kinderen. Die
zijn het meest kwetsbaar, zeker met dat oorlogseten.
Leo’s zuster Jo en haar man Piet,
die zo dicht bij het vliegveld wonen, op amper tweehonderd meter, dat ze
nauwelijks meer thuis durven te slapen, doen dat nu vaak hier. Hun zoon slaapt
verderop aan de Lange Weg bij het gezin van opa Weels. De Duitsers hebben het
vliegveld flink uitgebreid en tot een belangrijke uitvalsbasis voor hun jagers
en bommenwerpers gemaakt en daarmee ook tot een voornaam doelwit voor de
Engelsen. Laten we eerlijk zijn, rond die miskraam kon ik de hulp van Jo best gebruiken,
al is ze dan wat bazig.
Als Leo thuis is werkt hij aan zijn
schuilkelder in de hof. Haast heeft hij nooit. De oorlog moet lang duren,
willen we er nog iets aan hebben.
Mijn
vader is overleden aan tbc. Ik had altijd al een vermoeden dat hij dat had. Hij
is maandenlang niet meer uit bed geweest en uiteindelijk doodgegaan in het
kamertje waar tot zeven jaar geleden Bet en Toontje hun winkeltje hadden. Nu
hebben ze een grote winkel met woonhuis ernaast. Bet heeft ook nog jonge
kinderen. Die wonen dan wel niet in hetzelfde huis als mijn vader en moeder,
maar toch. Die dokters zouden meer open kaart moeten spelen. Ze doen alsof gewone
mensen onnozel zijn.
Ik heb een foto laten maken van
Tonnie met het grote buurmeisje Ineke dat altijd met haar optrekt. Ik liet die
foto trots aan iedereen zien en sommigen zeiden “ja mooi” en anderen zeiden
heel weinig en knikten en gaven hem terug, tot iemand zei: “Maar Anneke, zie
jij dat dan niet? Dat kind is doodziek! Kijk eens naar die ogen en die
koortswangen. Dat kind moet naar een dokter!”
Daar ben ik geweldig van
geschrokken, want inderdaad. Misschien had ik het gewoon niet willen zien. Ik ging
naar de dokter en ik zei: “Dokter, ik wil weten of mijn kind tbc heeft.”
“Hoe kom je daarbij, Anneke?” zei
hij. “Je hoeft toch niet meteen het ergste te denken.”
“Ik wil het weten, dokter,” zei ik, “mijn
vader had ook tbc en dat hebben we ook veel te laat gehoord en nooit is er wat
gedaan om mijn kind daartegen te beschermen.”
“Rustig maar,” zei hij, “als iemand
tbc heeft wil dat nog niet zeggen dat hij ook een gevaar is voor anderen.
Daarvoor moet je zogenaamd ‘open’ tbc hebben.”
Een week later hoorde ik dat Tonnie
inderdaad tbc heeft. Ze ligt nu in onze slaapkamer aan het raam zodat ze de
straat kan zien want het kan lang gaan duren. Ze vindt het maar raar: die
kinderen die altijd buiten spelen. En die zullen het op hun beurt wel vreemd
vinden dat zij daar altijd voor het raam ligt. Over een maand wordt ze drie.
Normaal had ik haar kunnen aanmelden voor de fröbelschool voor over een jaar.
Zonde dat ze nu net ziek is.
Ik
loop alweer op zeven maanden. Jo en Piet wonen al een tijdje bij ons in, want
hun huis bij het vliegveld is door de Duitsers in beslag genomen. Ze hadden
daar toch weg gemoeten, want sinds de geallieerden in Frankrijk staan, wordt
het vliegveld praktisch elke week gebombardeerd.
We hopen dat Tonnie gauw in het
sanatorium kan worden opgenomen. Iedereen verwacht wel dat de oorlog nu vlug is
afgelopen. We kijken erg uit naar de geboorte van ons tweede kind. Ik heb het
gevoel dat deze keer alles goed gaat. Aan mij zal het niet liggen, daar ben ik
van overtuigd. Maar er kan zoveel van buitenaf gebeuren.
Leo fietst al maanden op houten
banden. Dat maakt het hem nog moeilijker om ’s avonds voor spertijd, dat is
acht uur, thuis te zijn. Ik heb al een paar keer doodsangsten uitgestaan omdat
hij te laat was. Tot overmaat van ramp werd zijn fiets door een Duitse soldaat
gevorderd. Toen heb ik hem voor het eerst echt kwaad gezien! Zo boordevol verontwaardiging
dat hij niet te houden was. Iedereen waarschuwde hem voorzichtig te zijn, maar
hij ging naar de Duitse kommandant, speelde in het beste Duits dat hij als
vroegere grensbewoner een beetje kende zo op over zijn Lebensunterhalt!, kranke Tochter! und
zweite Kind auf Komst!, dat
wonder boven wonder hij zijn fiets terugkreeg. Hij vertelt het trots, terwijl
hij net als zijn vader aan zijn pijp trekt.
“Anders waren die moffen nog niet
jarig geweest,” voegt hij eraan toe.
O ja, de schuilkelder is ook al een
paar weken klaar.
We
hebben ons tweede kind gekregen, een jongen. Alles is prima gegaan. We hebben
hem Jan genoemd naar mijn vader Johannes die een paar maanden geleden is
overleden. Peetoom is Toontje geworden, de man van Bet, en hij is zeer vereerd.
“Dat heb je goed gedaan, schoon meidje,” zei hij tegen
me, “jij laat zien dat je me meer waardeert dan je vader altijd heeft gedaan.”
Jantje is meteen na de geboorte door zijn peettante Jo
de schuilkelder ingebracht, want zo hevig als op die dag was het vliegveld nog
niet eerder gebombardeerd.
“Er waren verschillende aanvalsgolven,” zei Leo en: “Maar
goed dat we die schuilkelder hebben!” Het deed mij in ieder geval goed dat
Jantje betrekkelijk veilig was. Maar het blijft vreemd dat je een kind ligt te
krijgen terwijl de vliegtuigen over brommen en de explosies en het afweergeschut
klinken. En dat je dan eigenlijk ook nog blij bent met die vliegtuigen en die
explosies, als ze maar het juiste doel treffen. Tonnie lag toen gelukkig al in
het ziekenhuis in de stad. Tot er plaats is in het sanatorium in Tilburg. Ze
was te ziek om nog langer thuis te blijven, bovendien zou ik gaan bevallen. Ik ben
er blij om, ik neem aan dat de Engelsen geen ziekenhuis bombarderen. Niet met
opzet tenminste, maar de andere missers zijn ook vaak fataal geweest. En Leo
zegt dat de vliegtuigen altijd uit het zuiden of zuidwesten komen, dus niet
over de stad op het vliegveld afgaan, dat is teveel risico vanwege het Duitse
afweergeschut dat vooral rond Philips staat. Laten we maar hopen dat het
allemaal waar is.
Dit
is dus wat ik bedoelde met die missers die voor de bevolking fataal zijn. In de
straat en wat verderop in de buurt van mijn zuster Bet zijn in Sas twintig
doden gevallen en nog veel meer gewonden. Weer door te vroeg losgelaten bommen
van de geallieerden. Wat is dat toch?
“Dat is angst bij die vliegeniers
dat ze getroffen worden boven het vliegveld en dan door hun eigen bommen exploderen,”
zegt Leo. In ieder geval is bij Bet iedereen ongedeerd, ook mijn moeder. De
hele dag zijn er vliegtuigen over gevlogen, allemaal naar het noorden. Nog een
kwestie van een paar dagen, zegt iedereen, ze zijn de Belgische grens al over.
Zo
bang ben ik nog nooit geweest! De bevrijders waren er de volgende dag al en
gevochten is er hier in het dorp eigenlijk niet. Wel in mijn geboortedorp,
vijftien kilometer hier vandaan, ook nog toen wij hier al waren bevrijd.
Maar wat gebeurde er op de dag van
de bevrijding van de stad? De Engelsen stonden midden in Eindhoven en toen
kwam, terwijl er de hele dag geen Duits vliegtuig was te bekennen, de Luftwaffe
plotseling terug. Er was nog nauwelijks afweergeschut, de bommen treffen de
Engelse munitiewagens, tankwagens worden geraakt, er ontstaan hevige branden.
Tweehonderdvijfentwintig mensen sterven, om van de gewonden maar niet te
spreken. En ondertussen ligt ons dochtertje daar midden in de stad in het
ziekenhuis! Op nog geen honderd meter er vandaan ligt alles plat. Maar het
ziekenhuis blijft ongeschonden. De volgende morgen is Leo daar bij Tonnie. Het
is er een heksenketel vanwege de honderden doden en gewonden. Maar Tonnie ligt
daar rustig achter glas naar de drukke gang te kijken en vertelt dat er
allemaal soldaten naar haar hebben gezwaaid.
Nu we, met zijn vieren ondertussen,
dit alles hebben overleefd, zal de rest ook wel goed komen. Als er maar gauw
plaats is in het sanatorium.
Bet
De
oorlog in Sas is de strijd om het vliegveld dat maar een kilometer van de kom
van Sas ligt terwijl de gehuchten en eenzame boerderijen er als een gespreide
duim en wijsvinger omheen liggen. Het is de oorlog van het begin van de oorlog
wanneer de Duitsers het vliegveld bombarderen, van afweergeschut en gesprongen
ruiten. En tijdens de bezetting is het de oorlog van de uitbreiding van het
vliegveld voor de Duitse jagers en bommenwerpers, van boeren die hun
boerderijen en land moeten afstaan, van honderden arbeiders die er
tewerkgesteld worden en allemaal moeten eten en waarvan, laten we eerlijk zijn,
Bet en Toontje met hun winkel ook een behoorlijk graantje meepikken.
Levensmiddelen gaan op de bon.
Een groot deel van de avond brengen
ze met zijn allen door met het opplakken van de levensmiddelenbonnen. Het
plaksel maken ze zelf. Plakken en drogen. En de volgende dag brengen ze de
bonnen naar het distributiekantoor naast het gemeentehuis. De bonnen zijn
gratis maar er wordt toch in gehandeld, de een heeft altijd te weinig en een
ander heeft altijd over.
Midden in Sas zijn in het
verenigingsgebouw honderdvijftig Duitse soldaten ingekwartierd. ’s Avonds en ’s
nachts moet het absoluut donker zijn, na acht uur mag niemand meer op straat.
Maar tot die tijd kan men in de winkel terecht. En ’s morgens om zeven uur
weer.
Met de suiker op de bon wordt het
onmogelijk om de stroop te maken die nodig is voor de gazeusebrouwerij. ’t Is
misschien een groot woord voor de installatie in de oude stal. Er werd limonade
gemaakt, een gazeuse in kleine smalle beugelflesjes, prikkellimonade zoals de
kinderen zeggen bij wie hij erg populair is geworden. Bèta’s kinderen helpen
mee door aan een groot wiel te draaien. Het is een bottelmachien. Niemand
begrijpt precies wat er gebeurt en niemand snapt waarom deze limonade zoveel
lekkerder is dan ranja, de met water aangelengde oranje siroop die kinderen bij
bijzondere gelegenheden te drinken krijgen. Behalve Toontje dan. Het heeft met
de grote cilinder met koolzuur te maken waarmee Toontje de prik in de flesjes
weet te krijgen. In huis maakten zij tevoren de stroop door suiker met
citroenessence te koken. In de brouwerij werd de stroop in de flesjes gedaan en
werd er water en koolzuur aan toegevoegd. Je moest er snel bij zijn om de
beugelflesjes op tijd af te sluiten.
De
bezetting duurt al bijna een jaar wanneer ik, naar ik aanneem, mijn laatste
kind krijg. Waarom zou je geen kinderen krijgen? ’t Is een rustige tijd en het
ziet er niet naar uit dat er voorlopig iets zal veranderen. Bovendien komen bij
ons de kinderen nu eenmaal zoals ze komen. Toontje is gelukkig boven de vijftig
en te oud voor de Arbeidsdienst maar van zijn maten van de handboogvereniging
moeten er heel wat wel naar Duitsland. Ze hebben daarom een groepsfoto laten
maken. Laten we hopen dat ze allemaal terugkeren.
Na twee jaar bezetting komen mijn
ouwelui naast ons in onze vroegere woning wonen. Mijn stiefvader is ernstig
ziek en aan de Lange Weg verwachtte Anneke haar tweede kind. ‘t Is niks
geworden, een miskraam, maar het is toch beter dat hij daar weg is. Hier hebben
ze hun eigen woninkje en kunnen we de kinderen er toch een beetje weghouden.
Bovendien wonen Toontjes moeder Liesbetje, die al midden tachtig is, en zijn
broer Doruske er aan de andere kant naast. Zodat ze altijd bij elkaar kunnen
gaan buurten.
Toontje kon het, toen we een nieuwe winkel
hadden laten bouwen, niet laten zijn kleine brilletje op te zetten en voor zijn
schoonvader te gaan staan die hem altijd een flierefluiter had gevonden, en te
zeggen: “Ben ik nu goed genoeg?”
“Toontje
is man geworden,” zeiden de mensen, “toen hij bij de sigarenfabriek werd
ontslagen. Dat is het beste wat hem in zijn leven is overkomen.”
“Zo, en dat gaat hier dan allemaal
veranderen,” had Toontje rustig gezegd, toen hij uit de sigarenfabriek
thuiskwam en hij zijn moeder Liesbetje op de boomstam was gepasseerd en even
naar de drie spelende kinderen had gekeken en naar Bet die al weer dik was van
het volgende.
Liesbetje: het gezicht als een
uitgedroogde, gele gerimpelde appel die de hele winter op zolder heeft gelegen,
maar met pikzwart haar, geen streepje grijs te bekennen. Ze zit op de boomstam
voor het rijtje van drie lage woninkjes met rieten dak. Soms zit ze op een
stoel. De timmerman van de overkant heeft aan beide kanten van de straat een
paar boomstammen liggen, hij zaagt eraf wat hij nodig heeft. En als ze op zijn
brengt een sloffend paard nieuwe, die als de kettingen zijn losgemaakt op de
weg ploffen en aan de kant worden gerold.
Toontje keek naar dingen die hij
allang kende, het minuscule winkeltje met het paar sokken en de fles met
zuurtjes, bij wijze van spreken dan, want er lagen nog een paar dingen meer.
“Als je in die tijd een paar sokken
in de vensterbank legde, had je een winkel,” zeiden de mensen.
“Ja,” zei Toontje altijd, “en als je
even niet oplette lag er een kind bij.” Maar dan doelde hij wel heel erg op
zijn eigen situatie.
Liesbetje verkocht wat
huishoudelijke artikelen en bijvoorbeeld ook klompen. Maar daarvoor moest in
het piepkleine winkeltje een trap die aan ringen hing neergelaten worden, want
de klompen lagen opgeslagen op het zoldertje.
Toontje ging door de lage deur het
winkeltje in, waarbij zelfs hij, die toch niet zo groot was, moest bukken. Door
een deur rechts keek hij in de kamer met de bedstee en bedacht dat die in vergelijking
met zijn eigen slaapkamer opvallend leeg was, want in zijn eigen slaapkamer
stond nog een wiegje en een kinderbedje. Ach, het zou ook hier snel vol komen
staan, maar deze kamer was toch iets groter. En het was bij de winkel.
“Moeder,” mompelde hij alvast, “ik
geloof dat we eens moeten praten.”
Moeder Liesbetje kon hem buiten op
de boomstam onmogelijk gehoord hebben, maar ze begreep wel wat er aan de hand
was, er waren nu drie kinderen en volgend jaar zouden het er vier zijn. Ze had
niet gedacht dat het ooit nodig zou zijn. Een jaar of zeventig had ze zichzelf
altijd gegeven en ze was nu al drieënzeventig geworden, en dat kon nog jaren zo
doorgaan. Als Toontje werkelijk dacht wat van de winkel te kunnen maken dan
moest het maar.
“Doruske moet dan maar naar het
andere opkamertje,” zei Liesbetje. Toontje schrok op en zag dat zijn moeder
achter hem stond en met hem meekeek. Doruske was Toontjes een paar jaar oudere,
ongetrouwde broer die bij zijn moeder was blijven wonen.
Toontje was ook de verwaarloosde
stal ingelopen die aan de achterkant van het huisje met het winkeltje was
gebouwd en waar je vanaf de zijkant in kon. Ook hier had hij goed rondgekeken.
Al gauw scharrelen er wat kippen rond die vrij het weilandje naast de stal
kunnen oplopen, als ze hun eieren maar binnen leggen. Het weilandje is van een
paar oude mensen in het boerderijtje aan de andere kant van het weilandje, en
die hebben er geen bezwaar tegen dat Toontje er een aantal bijenkasten op zet
en er gras snijdt voor de konijnen die hij aanschaft, en ook het paardje dat
een poosje later in de stal komt te staan mag er grazen. Ze zijn allang blij
met de eieren die Toontje af entoe langsbrengt, en de pot met honing vinden ze
een lekkernij. Toontje pakt alles aan wat hij maar kan. In een hoek van de oude
verwaarloosde stal vindt hij plek voor een varken. En in de stal komt ook de
brouwerij.
Het was of Toontje op zijn
veertigste wakker was geschrokken. Hij had dus eens naar de huisjes gekeken en
naar iets gevraagd waarmee hij zich tot dan toe niet had bemoeid: “Hoeveel huur
betalen wij hier eigenlijk?” En ook bij zijn moeder Liesbetje had hij geïnformeerd.
En bij de buren daarnaast, want het was een blok van drie waarin ze woonden en
van één eigenaar.
Hij wist het geld voor de koop van de
huisjes te lenen en gebruikte voortaan de huur die hij ontving én de huur die
hij zelf betaald zou hebben om zijn schuld af te lossen.
“Dat kan zo niet langer,” had
Toontje gezegd, alsof hij inderdaad door het ontslag wakker was geschrokken en
een ander mens geworden. Hij had dan wel met zijn moeder Liesbetje van woninkje
gewisseld en had daarmee wat meer ruimte gekregen, maar praktisch elk jaar kwam
er een kind bij. Als het vierde wordt geboren, slaapt zijn oudste dochter van
zes bij Bet’s ouwelui die dan nog niet aan de Lange Weg wonen maar in de
Polderstraat op de rand van Sas en het Dorp aan de Lange Weg. En Mart van drie
slaapt op het opkamertje bij ome Doruske in het woninkje van Liesbetje.
Toontje had naar het weilandje naast
zijn huisje gekeken en naar het boerderijtje aan de andere kant van dat
weilandje. Hij leek de afstand te meten.
En toen de huisjes zijn eigendom
waren en het geld alsmaar groeide in zijn broekzak, nam hij een hypotheek en
maakte plannen om van het geld een winkelwoonhuis te bouwen op het weilandje
naast zijn oude huisje. Het weilandje, dat bij het boerderijtje aan de andere
kant hoorde, kocht hij voor een appel en een ei. De oude mensen die nog in het
boerderijtje woonden, gebruikten het al jaren niet meer en waren alleen maar
blij met de extra zakcent.
En een paar jaar later stond er
inderdaad op het weilandje, dat geen weilandje meer was, een winkelwoonhuis
waarin alle zes kinderen, ook de twee dus die ondertussen geboren waren, thuis
konden slapen, en waar je ruim met paard en wagen omheen kon rijden.
Ik
zit al jaren met mijn been. Vanaf de geboorte van de derde, ik weet het nog
precies. Het bleef dik. Als je er een vinger in duwde, bleef er een put in
zitten.
Toen stootte ik het aan de punt van
een van de koekblikken die opgestapeld stonden in de nieuwe winkel. Ik krijg
het koud als ik er weer aan denk. De wond ging niet meer dicht. Het been
bepaalt de rest van mijn leven.
Het stinkt en het doet pijn. Ik heb
zin om het iemand onder de neus te duwen. Omdat ik er zo de pest in heb.
“Hier, geniet er ook maar eens van.”
Dat zeg ik niet. Maar ik klaag en
zeur wel en laat het iedereen zien. Een beetje medeleven kan ik wel gebruiken. Wat
die stank betreft, als een van de jongens zijn voeten staat te wassen in de
keuken ruikt het evenmin lekker. Om het er maar niet over te hebben dat we,
bijna vanaf het begin dat we ons eerste winkeltje hadden, ook vis verkochten en
uitventten vanuit de keuken. Met klachten over stank moeten ze dus bij mij niet
aankomen.
Mijn
stiefvader gaat dood aan tbc in het kamertje waarin wij ons winkeltje begonnen
nadat Toontje met ontslag uit de sigarenfabriek was thuis gekomen. Hij zei
altijd dat hij graag lang genoeg zou willen blijven leven om te weten wie
uiteindelijk de oorlog zou winnen, maar dat heeft hij dus niet gehaald.
We zijn nu al vier jaar door de Duitsers bezet. Het
wordt weer onrustiger op en rond het vliegveld. Terugkerende Duitse vliegtuigen
laten voor de landing midden in de nacht twee brisantbommen vallen in onze
straat. Alle ruiten in de buurt sneuvelen, er is een enorme schade aan vee en
huizen maar er zijn alleen wat lichtgewonde mensen. Maar het is nu vooral de
oorlog van de bommen van de geallieerden. Ook hun bommen komen vaak buiten het
vliegveld terecht, de schade is groot, er wordt veel vee gedood maar onder de
bevolking vallen geen doden.
Tot op de eerste dag van “Operatie
Market Garden”. Duizenden vliegtuigen komen die dag vanuit Engeland over de
Kempen en werpen hun bommen, materieel en manschappen af. Het is een mooie zonnige
zondagochtend, het luchtalarm is al een paar keer afgegaan. Tijdens de hoogmis
verschijnen de eerste groepjes Amerikaanse bommenwerpers, “Vliegende For-ten”
genaamd, begeleid door jagers boven ons dorp. Doelwit is ongetwijfeld het
vliegveld. Ze weten blijkbaar niet dat de Duitsers daar al weg zijn. Na een
bombardement door de geallieerden begin september, waarbij opnieuw veel woonhuizen
zwaar worden beschadigd, besluiten de Duitsers de vliegbasis op te geven.
Dagen- en nachtenlang zijn er de explosies en is er de zwarte rook en de stank
van de gebouwen, startbanen, gevorderde huizen en munitie die door hen werden
opgeblazen. Overal in Sas zijn ruiten gesprongen en zijn de pannen van de daken
gevlogen. Maar de geallieerden weten blijkbaar van niks. En als zo vaak laten
ze hun bommen te vroeg los. Twintig doden en veel zwaargewonden. Hoofden en
ledematen van mensen liggen verspreid over straat bij ons huis. Ons twaalfjarig
zoontje Hans dat nieuwsgierig het huis uit is geglipt, wordt door partizanen
naar binnen gejaagd. Hij heeft de klink aan de binnenkant van de kelderdeur net
losgelaten wanneer er aan de andere kant een granaatscherf op slaat. Was hij
een seconde later gekomen, was hij minstens zijn hand kwijt geweest. Ik ben net
met veel moeite met mijn been beneden geraakt als hij zowat bovenop me valt. Ik
ben kwaad omdat hij naar buiten is gelopen maar ik ben toch vooral blij dat hij
er is.
Engelse tanks, met op de voorste
dokter Wouters die geen bed gezien heeft vanwege de doden en gewonden, komen een
dag later vanaf de stad Sas binnen rijden. Ik haal opgelucht adem, ik hoef niet
meer met mijn been de kelder in.
Maar Anneke, zie jij dat dan niet? Dat kind is doodziek! Kijk eens naar die ogen en die koortswangen.(pag.35)
De Vrouwen van de Eerste Huizen
“Wat
één ding betreft kan ik je wel helpen,” zegt Hanna Bosmans. “Jullie hadden op
het eind van de oorlog wel een schuilkelder in de tuin. Het heeft de hele
oorlog geduurd voor het zover was, als hij thuis was zag je Leo altijd graven.
Ik mag zeggen dat ik hem aardig ken, want ik kom zelf ook uit Gelderland, en hij
was niet een van de vlotsten maar wel altijd bezig, meestal met zijn verzekeringen
en anders in zijn hof.”
“Ja, hij keek nooit op als je
voorbijkwam,” zegt de oudste dochter van Meijer met haar zware stem.
“En als je naar hem riep, keek hij
met tegenzin,” zegt Hanna Knietel die heel vlug praat en een beetje sproeit. “Alsof
hij bang was dat je bleef staan om een praatje te maken. Nou, denk ik dan, ik
ken wel gezelliger mensen om een praatje mee te maken. Maar je wilt toch ook
niet voorbijlopen zonder iets te zeggen, of wel soms? Dat deed je toch zeker
niet in die tijd!”
“Maar voor jouw tante Josje haal je wel
wat naar boven,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen. “Ze vraagt zich af of
jij weet dat ze met haar kinderen nog wel eens naar de krater is gegaan waar de
tweede onderduikershut is geweest en waar de onpeilbare Duitse officier Jozef
handgranaten in had laten gooien. Ja hoor, wel nadat iedereen eruit was.
Over de sfeer in die oorlog zegt je
tante Josje dat we niet veel op hadden met de Duitsers maar dat er toch meer
kinderen van Duitsers dan van Canadezen zijn geboren, hoewel die plaatsten de
naam hadden. Ze blijft zeggen: zo is het leven. Als het haar dochters geweest
waren die een relatie met een Duitse jongen hadden, zou ze erover gepraat
hebben en gezegd dat het beter was van niet, maar ze zou het niet absoluut
hebben verboden. We kunnen je trouwens alvast verklappen dat we het trouwboekje
van je tante Bet en je oom Toontje hebben gevonden. We lachen ons rot.
Na de oorlog
De tegengestelde
beweging
Ze
kwamen uit hun schuilplaatsen te voorschijn. Uit hutten, schuren, van zolders,
en sommigen uit een geheime plaats in hun eigen huis. En vooral de laatsten deden
een beetje schutterig en lacherig, alsof ze zich moesten verontschuldigen dat
ze niet verder weggeweest waren en waarschijnlijk niet belangrijk genoeg,
anders hadden de Duitsers wel serieuzer gezocht. Ze aarzelden eerst nog, de onderduikers,
en keken veel om zich heen, ze konden niet geloven dat de Duitsers weg waren.
Ook kwamen de eerste arbeiders terug
uit Duitsland en die vertelden dat ze het goed gehad hadden en blij waren niet
te zijn ondergedoken. Al die spanning! En ze arriveerden vrijwel gelijk met
diegenen die maanden eerder tijdens een bombardement van de geallieerden ergens
in Duitsland ontsnapt waren en nu eindelijk na een lange barre tocht via
Zwitserland, Frankrijk en België thuiskwamen, en ze zeiden tegen deze ontsnapten
dat die maar beter hadden kunnen afwachten, want dat ze dan, net als zijzelf,
gewoon op de trein hadden kunnen stappen. Zo wist je nooit wanneer je het nu
eigenlijk goed deed. En hier waren degenen die voor de Duitsers gewerkt hadden
het volkomen mee eens.
Wij kwamen dus uit onze
schuilplaatsen. Voor zover we ons schuil gehouden hadden natuurlijk, want de
meesten van ons waren gewoon doorgegaan met leven op dezelfde plaats en bijna
op dezelfde manier als we dat voor de bezetting deden. Bijna… Want we kropen
toch uit onze schulp, we hadden ons onder de Duitsers toch gedeisd gehouden,
want je wist het maar nooit met ze. Behalve dan diegenen die partij voor de
bezetters hadden gekozen, die kropen nu op hun beurt in hun schulp. Kortom, er
waren veel tegengestelde bewegingen. De Duitsers trokken weg, in oostelijke
richting, terwijl ze opnieuw onze fietsen meenamen, zoals ze dat ruim vier jaar
daarvoor gedaan hadden in zuidelijke richting. Maar toen waren er genoeg
Duitsers achtergebleven om ons onder de duim te houden.
Cor’s
vrienden kwamen uit de bossen waarin ze zich verborgen hadden gehouden nadat ze
een paar maanden eerder bij Venlo uit de trein naar Duitsland waren gesprongen.
De Duitse soldaat Weebe, die de
Lange Weg had moeten bewaken maar die ondergedoken was, kroop uit de aardappelkelder
van de familie Beentjes en werd als een held onthaald en zou nog jaren met zijn
vrouw de achterkant van een van de huizen van de familie Beentjes bewonen. Tot
hij weggepest werd bij de weverij, waarbij degene die op zijn baan uit was niet
aarzelde om het Duits zijn van de heer Weebe en zelfs het Duitse jood zijn van
mevrouw Weebe in de strijd te gooien. Maar dat is al weer tien jaar na de
oorlog, als Weebe zich van lieverlee genoodzaakt ziet terug naar Duitsland te
vertrekken.
Burgemeester Van Tuin liet zich,
toen hij weer opdook, als een verzetsheld eren omdat hij vlak voor de
bevrijding was ondergedoken nadat hij de andere vier jaar van de oorlog gewoon
op zijn post was gebleven en persoonlijk de mensen thuis had opgezocht die
weigerden mee te doen aan de Duitse Winterhulp. Hij zou nog tot ruim vijf jaar
na de oorlog burgemeester blijven, zoals hij dat twintig jaar voor de oorlog
en ruim vier van de viereneenhalf jaar in de oorlog was geweest, en hij zou
zich weer dezelfde privileges toe-eigenen die hij zich altijd had toegeëigend,
zoals jagen op tijden waarop en op plaatsen waar dat voor anderen verboden was
en zoals met zijn motor over het betonnen fietspad rijden omdat dat minder hobbelde
dan over de keien van de Lange Weg.
Tegengestelde bewegingen dus. De
Duitsers weg en wij die te voorschijn komen en de Canadezen die onze huizen,
danszalen en meisjes binnendringen, zoals sommigen van onze jongens,
ongetwijfeld jaloers, het uitdrukten. Zo was daar het meisje uit de woning die
aan de jongensschool was gebouwd, dat daar jarenlang ziek achter het raam aan
de straatkant had gelegen en waar nu de ene Canadees na de andere door het open
schuifraam naar binnen kroop, recht in het bed en onder de lakens. Waar het
meisje wonderbaarlijk van opknapte, zo zelfs dat het een stevige stoere meid
werd die trouwde en in de grote tuin achter de school met groot gemak spreeuwen
schoot en zonder boe of bah een Vlaamse gaai neerhaalde, iets wat ze
ongetwijfeld ook van de Canadezen had geleerd. En de vader die altijd met de
schooljongens overhoop lag, al was het maar over een bal in zijn tuin, en die
met Leo Weels op de bouw van het klooster heeft gewerkt en ook uit Gelderland
komt en zich daarom misschien wel een beetje vreemd uitdrukt, werd stiekem
uitgelachen als hij over zijn dochters sprak als zijn ‘zeven reine leliën’.
Maar niemand lachte hem uit toen een van zijn ‘zeven reine leliën’ zich
verdronk in de Dommel, want zoiets wens je geen enkele ouder toe. Wel was men
van mening dat de oudste jongen in huis, die volgens velen van onduidelijke
afkomst was, als een soort slaaf werd behandeld en vond men het ongehoord dat
het wonderwel opgeknapte zieke zusje, dat dus eerst sloom en wezenloos was en
nu actief en bazig, hem met de windbuks door zijn pet schoot.
Maar dit laatste terzijde. Ook Cor heeft dus zijn onderduikadres bij boer Spek kunnen verlaten.
Josje
Ferrie
is er op de dag dat de Engelse tanks over de Lange Weg het dorp binnenkomen al
vroeg met mijn fiets vandoor. Hij wil zoals gewoonlijk overal tegelijk zijn.
Hij eet ook alles achter elkaar en door elkaar wat de bevrijders hem aan
chocola, ander snoep en blikvoedsel toewerpen.
“Daar ben ik mooi klaar mee,” zeg
ik. “En je stinkt ook nog,” zeg ik. Mijn hele fiets zit onder, het is zo dun
dat het door zijn broekspijpen op de trappers en de kettingkast is gelopen. Zo
komt hij thuis. En als alles schoongemaakt is, gaat hij er opnieuw met mijn
fiets vandoor en heb ik mijn fiets nooit meer teruggezien. Ik verdenk hem ervan
dat hij hem verpatst heeft, zoals hij de aansteker die ik van Cor heb gekregen
ook verpatst heeft. Maar ik kan nooit lang kwaad blijven op mijn jongste broer,
want hij is nu eenmaal zo.
Hij was al zestien en ik twaalf toen
we uit Gelderland naar Brabant kwamen en toch had ik het idee dat ik voor hem
verantwoordelijk was, altijd op hem moest letten. Natuurlijk was ik het niet
alleen, er was ook Ria van veertien en ook Leo, die al een paar jaar eerder
naar Brabant was vertrokken en bij ons kwam wonen tot hij met Anneke trouwde.
Harry ging toen net in militaire dienst.
Ik zie ons nog met onze ouders in
die oude vrachtauto stappen die mijn broer Peer, die erg handig was, had opgeknapt.
Peer, die al getrouwd was, bracht ons ook, met ons hele hebben en houden, veel
stelde het niet voor. Als laatste sprongen de honden op de auto.
We kwamen in een leegstaand
sigarenfabriekje aan de Lange Weg te wonen, de Gender liep er vlak achter en de
ratten schoten weg op de binnenplaats. Het was maar voor kort, we kregen al gauw
een huis in de Kerkstraat, maar na een paar jaar trokken we in dit huis aan de
Lange Weg naast het voormalige sigarenfabriekje waarin ondertussen al weer
andere Gelderlanders woonden.
In de Kerkstraat had Leo een
kamertje waar hij de administratie van zijn verzekeringswerk deed. Hij heeft de
deur op slot. Moeder staat voor de deur te smeken om haar wat van het verzekeringsgeld
te lenen voor het huishouden.
“Leo?”
“Ja, wat is er nou weer!” Hij
weigert zoals altijd, doet de deur niet open.
“Verrekte kerel,” zegt moeder en
sloft weer weg.
Moeder had altijd geld nodig, maar
als ze dan een worst of een brood had gekocht, gaf ze die ook meteen weer weg.
Een buurmeisje dat door een ziekte erg dik was, kreeg wel eens wat en Leo zei
dan: “Moet jij die dikke nog dikker maken?”
Mijn moeder was veel te goed. Ik mis
haar nog steeds en moet nog vaak aan haar dood denken.
Harry
zagen we in de oorlog niet vaak thuis. Hij moest in verband met de
arbeidsdienst uit handen van de Duitsers zien te blijven, hij zat een tijd
ondergedoken in Drenthe, terwijl Cor en zijn broer uit Drenthe juist weer hier
in Brabant ondergedoken zaten. Harry slachtte illegaal bij de boeren in de
omgeving. Tot het fout ging en hij in concentratiekamp Vught terechtkwam. Of
hij daaruit ontsnapt is of dat ze hem hebben vrijgelaten, weet ik niet, hij
kwam er in ieder geval vel over been uit. Nu is hij druk met het opbrengen van
collaborateurs. Als hij thuis komt, moet een van ons aardappelen voor hem
bakken, want hij eet niets anders dan gebakken aardappelen, nauwelijks vlees.
Vreemd voor een slager, zou je zeggen.
Ik maak me weer eens ongerust over
Ferrie. Hij reed eerst rond in een Rode Kruiswagen. Goed, dat is zijn werk.
Maar nu heeft hij het voor elkaar dat dokter Wouters in de Rode Kruiswagen
rijdt en hijzelf in de auto van de dokter. Zo schijnen ze allebei goedkoop aan
benzine te kunnen komen. En Ferrie vindt het natuurlijk prachtig in een luxe
auto te kunnen rijden. Maar dat is niet waar ik me het meest ongerust over
maak. Hij is stapelgek op een mysterieuze vrouw die opeens is opge-doken en die
alleen Engels spreekt en van iedereen geld leent. En nu willen ze nog gaan
trouwen ook. Het ergst vind ik nog dat ze zo vaak bij ons op de meisjeskamer
blijft slapen. Ik vertrouw haar voor geen cent.
“Wat
ben je onrustig,” zeg ik. “Een vrouw van de wereld als jij.” Ik praat Engels
maar slecht Engels, eigenlijk gooi ik er alleen maar zo nu en dan een woordje min
of meer Engels tussendoor, zoals iedereen van wie ze geld geleend heeft en die
ze toch heel goed duidelijk heeft kunnen maken wat ze wil. En ze verstaat me
prima, weet ik, al doet ze net of ze niets verstaat als we onder elkaar praten
en dat woordje Engels er niet tussendoor gooien.
“’t Is vast niet je eerste huwelijk,”
zeg ik. “Waarom moet jij nou nog zenuwachtig zijn? ’t Is maar met een
boerenpummel dat je vandaag trouwt. Wil je soms helpen om alles voor de plechtigheid
in gereedheid te brengen? Nou, dat is al lang voor elkaar hoor. De rode loper
ligt al vanaf het hotel dwars over straat naar de kerk aan de overkant. Moet je
soms ergens anders voor weg?”
Dan zegt mijn zus Ria: “Ik ben het
die weg moet. Ik moet naar de mis maar ik kan niet want ik heb vreselijke
buikpijn.”
“Je hebt straks meer dan mis genoeg,”
zeg ik, “als deze deftige dame hier met onze onnozele broer in het huwelijk
treedt. Dat wordt een plechtigheid waar dat vroegmisje van jou niet tegenop
kan.”
“Je begrijpt het niet,” zegt Ria. “Die
mis straks is er een voor haar en onze broer. Die van nu is er een speciaal
voor mij, een Maria-mis. Ik heet Maria, weet je nog?”
“Zal ik voor jou gaan?” zegt de
deftige Engelse dame gretig. “Ik kan op zo`n dag wel wat extra gebeden
gebruiken.”
Ze zegt het in het Engels en wat
simpeler, we begrijpen het prima. Zowel zij als mijn zus gaan elke dag naar de
kerk, mijn zus lijkt geen betere vervangster te kunnen treffen. En zo geraakt
de aanstaande bruid toch de deur uit en leent in de gauwigheid even mijn hoed
en sjaal.
Maar
een paar maanden later vind ik haar, de Engelse spionne zoals ze wordt genoemd,
én mijn hoed en sjaal terug op het politiebureau. Ze ziet er goed uit, slank,
en ze spreekt nu opeens vloeiend Nederlands. Ik sta daar samen met ons
melkboertje in zijn grijze melk-boerenjasje en op zijn klompen, van hem heeft
ze namelijk ook geld geleend. Ik ben een van de weinigen van wie ze geen geld
geleend heeft, alleen maar een hoed en een sjaal. Waarom ben ik daar dan? Toch
niet voor die hoed en sjaal. Ik had gehoord dat ze in Amsterdam was opgepakt en
in Eindhoven vast zat wegens oplichterij. Ik wilde haar gewoon eens zien in
haar huidige situatie en haar nog eens vertellen dat ik haar nooit had
vertrouwd en dat ze mijn broer Ferrie lelijk had laten zitten maar dat dat mij
niks had verbaasd. Ik was weer eens uit op sensatie, denk ik.
“Bad boy,” zegt ze als ik over
Ferrie begin. Het heeft wel iets, vind ik, zoals ik daar sta met die
oplichtster die het allemaal lichamelijk geen kwaad lijkt te hebben gedaan en
dat melkboertje dat nog een keer zegt: “En mijn geld?” maar ook wel begint te begrijpen
dat hij er naar kan fluiten.
Vooraanstaande Philipsmensen waren
erin getrapt, dus niet alleen onze familie en mensen uit het dorp. Mijn broer
Harry die op collaborateurs en spionnen jaagt was er ingetrapt. Zelfs mijn
zwager in Gelderland, die net als mijn broer Leo in verzekeringen doet maar op
een heel andere manier, en die al heel wat mensen een verzekering heeft aangesmeerd
die ze niet nodig hebben en die bovendien niet van de borsten van zijn
schoonzusjes kan afblijven. De halve Lange Weg had geld aan haar geleend en we
gingen met zijn allen naar het Engelse consulaat om dat geld terug te halen.
Veel meer dan de informatie dat ze de identiteit had aangenomen van een Engelse
van adel waarmee ze in de cel had gezeten, kregen we niet. Maar ik vond het
heel interessant, nu begreep ik hoe ze aan die documenten kwam. Ze kreeg extra
voedselbonnen, met een stempel van het consulaat. Ze zou een erfenis uit
Engeland krijgen, had ze iedereen verteld, maar eerst moest ze nog…
Ik had wel te doen met Ferrie.
Hoewel ik hem vaak had gewaarschuwd. Hij huilde en jammerde toen ze niet terugkwam
uit de kerk. Hij had alles betaald. Daar stond de hele familie op haar paasbest
bij de rode loper die dwars over de weg vanaf het hotel tot aan de kerkdeur
lag. Ferrie ging zoeken bij de Dommel, hoewel we hoorden dat iemand haar in een
auto had zien stappen. Een ongeluk, een vermissing, zelfmoord? Wij zoeken
altijd bij de Dommel, dat schijnbaar onschuldige riviertje, maar dat op enkele
plaatsen venijnig diep schijnt te zijn, om over de levensgevaarlijke
draaikolken in sommige bochten maar niet te spreken. Ook toen Ferrie gehoord
had dat ze gearresteerd was, zei hij nog steeds van haar te houden, van zijn
geliefde die met haar ogen dicht typte en zeven talen kende. Maar geen Nederlands
in de tijd dat ze bij ons thuis kwam.
Ik moet er wel om lachen. Zoals ik
al zei: het meest last heb ik nog gehad van het feit dat ze altijd bij ons op
de meisjeskamer moest slapen als Ferrie haar mee naar huis nam.
Ferrie is er trouwens ook al
overheen, hij bracht gisteren achter op de motor vanuit Nijmegen een meisje van
zeventien met een heel kort rokje mee naar huis. Daar gaat hij nu, op zijn
negenentwintigste, mee trouwen, zegt hij. Ze heeft al bij ons op de
meisjeskamer geslapen.
Nu de oorlog voorbij is, blijkt het toch allemaal niet
zo eenvoudig, voor mij en voor mijn zus Ria tenminste. Voor Ferrie wel, voor
hem was het leven altijd simpel geweest. Hij trouwt binnen de kortste keren met
het meisje van zeventien met het korte rokje waar iedereen het over had: hoe ze
zo achter op de motor en bij ons op de divan durfde zitten!
“Dat kan toch niet!” Ria is me
achterna gelopen naar de keuken. “Je kijkt door haar keelholte weer naar
buiten.” Ze is een beetje vroom en een beetje preuts, mijn zus Ria.
“Ik kan me er niet druk over maken,”
zeg ik, “wij kunnen er toch wel tegen? En ik kan me niet voorstellen dat Ferrie
iets ziet dat hij al niet eerder gezien heeft, en wat betreft vader: gun die
ouwe ook eens wat!”
“Ik geef die twee zes weken,” zei
een buurvrouw die er kijk op had. En inderdaad trouwen ze binnen een paar
maanden, maar Ferrie is ook al negenentwintig en dan heb je geen zin om lang te
wachten, ook al is zij pas zeventien. De baby is een meisje.
Voor wíj trouwen wil Cor katholiek
worden.
“Twee geloven op één kussen, daar
slaapt de duivel tussen,” zegt de pastoor. Maar als ik dan zeg: “O, dan word ik
maar niks of protestant” – ik weet niet eens wat ze bij Cor thuis eigenlijk
zijn – dan is dat ook weer niet goed, het mag blijkbaar maar één kant op
gebruikt worden. Voor mij hoeft het niet, voor mij mag hij blijven zoals hij
is, maar katholiek worden maakt het trouwen en de discussie in de familie wel
eenvoudiger. Er gaat wel weer een tijd overheen voor Cor genoeg weet over het
geloof om toegelaten te worden. Nou, als ze mij al die dingen zouden vragen,
zou ik ze ook niet weten, dus wat doet die pastoor nou allemaal moeilijk. Het
gaat er toch om hoe je vanbinnen bent, of niet soms?
Het is dus allemaal niet zo
eenvoudig. Als ik trouw en het huis uit ga, blijft Ria achter om voor vader en
het huishouden te zorgen, terwijl zij ouder is en dus eigenlijk het eerste
recht heeft om te trouwen. Maar ze wil voor het zover is nog wat van het leven
genieten, ze vindt dat ze daar in de oorlog te weinig kans voor heeft gehad. En
voor de oorlog was het crisistijd en zijn we van Gelderland naar Brabant
verhuisd net toen zij de leeftijd begon te krijgen om uit te gaan. Nee, Ria wil
nog een poosje lekker gaan dansen, ze is gek op jongens met zwart haar.
We gaan altijd samen, zeker als we
naar de stad gaan. Het zijn nu allemaal Engelsen en Canadezen in de danszalen.
Een Canadees blijft maar “Prommes?” aan me vragen. Ik versta er niks van. Ik
vraag aan iemand wat “prommes?” betekent. Dan begrijp ik dat ik had moeten
beloven dat hij me zou terugzien. Cor komt daar ook wel, maar vaak wat later.
Met hem dans ik ook, maar het gaat toch niet zo goed als met sommige anderen.
Ik houd er vooral van om met jongens die dat goed kunnen de Engelse wals te
dansen.
Engelse wals mocht je in de oorlog
niet zeggen, je moest zeggen: langzame wals. Maar je versprak je natuurlijk wel
eens. Ook liet ik me wel eens iets ontvallen als “Die rotmof!” en dan stond er
weer zo eentje naast je met een speldje achter zijn revers. De Duitse soldaten
sloegen gretig, nee niet met knuppels, dat deden ze wel bij andere soldaten of
bij dronken Nederlanders die de boel op stelten zetten. Nee, het liefst met de
vlakke hand tegen je kont, dat deden ze graag, dat vonden ze zeker lekker. Och,
dacht ik dan, het is maar tegen mijn kont, dat gaat wel weer over. Ik hield er
nu eenmaal van om een grapje te maken en streken uit te halen. Ria was altijd
al serieuzer, maar ze lachte meestal wel als ik iets uithaalde.
Je kon alleen in het begin van de
oorlog nog in het patronaat dansen. Daar dansten ook Duitse soldaten die in het
patronaat of bij de mensen thuis ingekwartierd lagen. Ik kwam er een Duitser
tegen die iemand kende uit mijn geboortedorp aan de Duitse grens en die me eten
bezorgde. Maar daar kregen Ria en ik ook de naam dat we niet met Duitsers
wilden dansen. Terwijl we alleen maar geweigerd hadden omdat we net hadden
afgesproken om de volgende dans samen te doen. We dansten vaak samen.
Maar dat dansen was alleen in het
begin van de oorlog. Daarna kon je alleen nog in Duitse gelegenheden terecht en
daar wilden we niet naar toe. Hoewel ik me voor de rest niet zo bewust was van
wat er allemaal gebeurde, ik hield meer van flauwekul maken. Ik had het bijvoorbeeld
niet door wat het betekende toen de Duitser Knal, die bij ons ingekwartierd
was, zei dat er iets gebeurd was op het vliegveld en eraan toevoegde: “So ein
ganz kleiner Judenbengel hat Steine geworfen.”
Vóór de oorlog ging ik nog niet
dansen. Vader liet me niet gaan. Bovendien zag ik er een stuk jonger uit dan ik
in werkelijkheid was. Dus dansen was er jarenlang niet bij geweest. Je kwam als
jongere in de oorlog wel bij Leens Cafetaria. Dat was waar ik voor de deur door
de zoon van de geitenboer, net als zijn vader een NSB’er, in elkaar was geslagen.
Bij de bevrijding heeft mijn broer Harry die bij de PAN, de partizanen, was,
de geitenboer opgehaald, deze kwam net met een koe uit de wei. Harry heeft veel
collaborateurs opgebracht en waarschijnlijk daarom dacht vrouw Nieuwenhuis dat
hij ook de hand had gehad in de arrestatie van haar man. Ze riep: “Bedankt,
hoor!” toen hij voorbij fietste.
“Niks te danken!” riep hij terug, maar hij wist niet
wat zij bedoelde. En ook ik had Nieuwenhuis niet aangegeven, hoewel hij op het
vliegveld voor de Duitsers had gewerkt en mij bij de fietstocht naar het werk
in de stad vaak getreiterd had met de superioriteit van de Duitsers en zich
Neuenhaus noemde en mij bij de bevrijding een kunstje had geflikt. Ik zou dat
nooit doen, een vader van zo`n groot gezin, met al die kinderen thuis, ik kan
er wel om janken als ik eraan denk. Nee, ik zou zoiets nooit doen. En Harry ook
niet. Bovendien was een van de zoons van Nieuwenhuis zelf bij de PAN.
Maar
nu kunnen we volop dansen, Ria en ik, we gaan de danszalen af en genieten. Nu,
al boven de vijfentwintig, zijn we eindelijk jong. Cor en ik kunnen nog niet
trouwen en Ria wil nog geen verkering, laat staan dat ze wil trouwen. We
genieten van onze jeugd, van onze lichamen. Ria loopt op zeer hoge hakken, ik
heb dat nooit goed gekund, dus doe het met wat minder. Het is de tijd van
jurken met blote schouders, van de dunne schouderbandjes, soms wel drie paar,
van je jurk, je onderjurk en je bustehouder. BH zei je toen nog niet. Tijdens
het dansen vallen de bandjes van je schouder.
“Bandenpech!” grappen de jongens. We
willen onze okselharen scheren, maar we weten dat vader dat niet goed zal vinden.
Bovendien schijnt het erg ongezond te zijn.
Twee jaar lang genieten we.
Natuurlijk, we gaan ook naar ons werk en doen het huishouden, zorgen voor
vader, en gaan helpen bij onze broers en zusters als er kinderen worden geboren.
Dat zijn er veel in die eerste jaren na de oorlog, dat is bekend. En wij waren
thuis al met ons tienen. Ik blijf meestal in de buurt, zoals bij Anneke en Leo
en bij Harry en zijn vrouw Mia. Ria zit vaak wekenlang in Gelderland. Maar ze
probeert toch in de weekeinden thuis te zijn en dan gaan we op stap.
De
pret is opeens voorbij als ik zwanger raak. Van één keer! Natuurlijk was het al
die jaren niet makkelijk geweest, zeker voor Cor niet toen ons huwelijk steeds
uitgesteld werd, maar we hadden het nooit gedaan. Tot er iets in Cor zijn
familie gebeurde waardoor hij erg in de put zat, wekenlang. Toen heb ik hem
willen troosten. Met het bekende gevolg. Het zou nog niet zo erg geweest zijn
als niet heel de familie er doodziek van was geweest. Cor krijgt van iedereen
te horen: hoe heb je dat nu kunnen doen! En hij begint dan steevast te huilen.
Kortom, een drama omdat iedereen het zo opklopt.
Het slaat ook over op mij. Het is
lente, maar geen vrolijke lente. Het groen is overal onbeschaamd opgeschoten,
het is veel te fel groen, bijna blauw. Ik heb een hekel aan mijn lichaam. Ik
verafschuw mijn eigen geur. Ik haat het schaamhaar dat uit mijn directoire
krult. Wat een naam, directoire, bah, ik kan er niet om lachen. Ik zweet, natte
slierten onder mijn oksels. Vooral haat ik mijn dikke buik. Hoe heeft het zover
kunnen komen!
Ik zit bij Cor achterop de fiets en
wil eraf springen, recht onder de vrachtwagen die aan komt rijden. Cor voelt
het en pakt mijn arm vast.
“Niet doen,” zegt hij, “ik kan je
niet missen, we komen hier samen doorheen.”
Vanaf dat moment ben ik er eigenlijk
overheen. Het zijn niet wijzelf, denk ik, die er mee zitten, het is wat we ons
door anderen aan laten praten.
Alleen juist de preutse en vrome Ria
heeft me al die tijd gesteund. Maar door al het gedoe, eerst Ria die eigenlijk
vóór mij zou moeten trouwen maar liever nog wat van haar jeugd wil genieten,
vervolgens de voorwaarde dat Cor eerst een volwaardig katholiek moet worden, is
ons huwelijk wel erg lang uitgesteld. Dan komt ook nog mijn vader te
overlijden. Tien dagen na zijn dood trouwen we dan eindelijk. Drie maanden
later krijgen we een flinke dochter.
Als er nog iemand in het Dorp Aan de
Lange Weg is die niet weet dat ons huwelijk een moetje is, dan weet die het nu.
Want als onze dochter geboren wordt, komt burgemeester Van Tuin – ja, hij nog
steeds – haar huldigen, is er feest en natuurlijk een wielerwedstrijd, want ons
kind is de tienduizendste inwoner van de gemeente. Hiephiephoera!
En
eigenlijk valt er hierna over mij niet meer zoveel te vertellen. Ik krijg in
vijftien jaar elf kinderen. Cor is een ideale, geëmancipeerde echtgenoot, al
voordat dat woord bestond. We hadden geen kind minder willen hebben. Iedereen
blijft gezond en we lachen erg veel in ons grote gezin.
Het drama waar ik het nog over wil
hebben begint in Gelderland, ruim een jaar na de geboorte van mijn eerste kind.
Ria is in huis bij een van onze zussen die een baby heeft gehad. Die zus
overlijdt aan trombose, tien dagen na de geboorte. Trombose? Iedereen krijgt
trombose, wie overlijdt er nu aan trombose! Ik ben woedend.
Ria blijft plichtsgetrouw het
moederloze gezin van zes kinderen ondersteunen. Zo nu en dan komt ze een weekeind
naar huis om op adem te komen, huilt bij mij uit en gaat met lood in de
schoenen terug naar Gelderland. Haar jeugd is voorbij en de jongens met zwart
haar zijn volkomen uit beeld. Toch hoopt ze de eerste jaren nog dat, als de
kinderen wat groter zijn, ze weer haar eigen leven kan gaan leiden, want
natuurlijk houdt ze van die kinderen die ze nu grootbrengt maar toch…
Ze helpt jarenlang zo plichtsgetrouw
dat haar zwager bij wie ze in huis is gaat denken dat ze het voor hem doet.
Ontkennen helpt niet, hij is ervan overtuigd dat hij helemaal aan haar wens
voldoet als hij haar ten huwelijk vraagt. Na maanden huilen tijdens de
weekeinden in Brabant stemt ze toe.
Als je over de Lange Weg schrijft, kun je niet heen om de Vrouwen van de Eerste Huizen.(pag.18)
Nog kan ik in janken uitbarsten van medelijden als ik eraan denk hoe op haar eenendertigste het leven met mijn zus aan de haal is gegaan. Ze sterft op haar tweeënvijftigste.
Anneke
Tonnie
heeft haar eigen ledikantje moeten meenemen naar het sanatorium in Tilburg. Er
is nog aan vanalles gebrek, ook aan bedden. Leo had het al van tevoren met de
lijnbus meegegeven, dat wil zeggen eerst uit elkaar gehaald en dan de bodem en
de poten en de kanten op elkaar gelegd en op zijn precieze manier met touwtjes
aan elkaar gebonden. En de chauffeur kreeg behalve de normale vrachtprijs ook
instructies waar hij het af moest geven en bovendien een fooitje. Leo keek de
bus na, eigenlijk vond hij dat hij er zelf bij moest blijven wilde het allemaal
goed gaan.
De volgende dag stapten wij zelf met
Tonnie en twee kartonnen koffers op de bus. Ze was wel normaal aangekleed en
kon ook wel lopen maar ze moest toch veel gedragen worden, ze was gewoon te
ziek.
En
ik sjouw met Jantje en Rietje, die anderhalf jaar na hem geboren is en Hennie
die weer anderhalf jaar daarna geboren wordt, steeds naar het consultatiebureau
in het patronaat. Niet alleen voor de normale controle op gewicht en de prikken
tegen pokken en mazelen, maar steeds weer om te laten constateren dat geen van
de andere kinderen tbc heeft. Hoewel ze er wel mee in aanraking zijn geweest,
want het kruisje op hun arm wordt een grote rode vlek, een bult zou je het
zelfs kunnen noemen, want het oppervlak is duidelijk verhoogd.
Maar dat is een goed ding, leg ik
aan iedereen uit, die kleine besmetting, want daardoor kunnen mijn kinderen
nooit van hun leven meer tbc krijgen. Je kunt die kleine besmetting eigenlijk
beschouwen als een inenting tegen tbc, zoals die prikken tegen mazelen en
pokken… als de vrouwen begrijpen wat ik bedoel. Zodat het rood opgekomen
kruisje bij mijn kinderen eigenlijk beter is dan het niet opgekomen kruisje bij
andere kinderen. Want het niet opgekomen kruisje wil weliswaar zeggen dat die
kinderen geen tbc hebben, maar dat is maar een momentopname, dat is geen enkele
garantie dat ze het niet elk moment kunnen krijgen. Wat niet wil zeggen, zeg
ik, dat een opgekomen kruisje altijd iets goeds is, natuurlijk niet, maar in
het geval van mijn kinderen wel, snappen jullie? zeg ik.
Leo
is nu nog meer van huis. Er is geen avondklok meer die er voor zorgde dat hij
meestal voor die tijd thuis was, bovendien gaat hij een keer per week op de
fiets naar het sanatorium in Tilburg. Dat kost een hele dag en die moet voor
zijn verzekeringswerk natuurlijk ingehaald worden. Hij zegt zelfs dat het
eigenlijk niet in één dag kan, want dat de tijd dat hij bij Tonnie kan zijn dan
niet de moeite waard is. Daarom blijft hij het liefst bij zijn neef in
Hilvarenbeek slapen. Maar ik weet dat hij, als hij alle tijd van de wereld zou
hebben dat ook zou doen, want die neef is een van de weinigen waar hij goed mee
kan opschieten. Dus laat hij zich de gelegenheid niet ontnemen om daar eens een
avondje te zitten ouwebetten.
Ik kan niet rondkomen van het geld
dat hij verdient met de verzekeringen, ook al hebben we groente en fruit uit
eigen hof. Een kind in het ziekenhuis kost ook extra. Elke zondag gaan we samen
met de bus die kant op. We hebben dan wel kippen en een paar konijnen, de
kruidenier en de slager moeten toch betaald worden, al mag ik dat één keer per
drie maanden van de kinderbijslag doen. Leo heeft totaal geen besef wat dingen
kosten. Hij telt zijn geld van de verzekeringen en begrijpt niet dat het niet
veel voorstelt tegenover wat er allemaal in een gezin als dat van ons wordt
uitgegeven. Hij noemt prijzen en zegt: “Dat kan goed een hele gulden kosten”,
terwijl het dan bijvoorbeeld wel vier keer zoveel is geweest.
Maar nu hebben ze hem een varken
aangepraat. Hij heeft het alleen nog maar over zult en spek en balkenbrij zoals
ze dat vroeger bij hun thuis hadden. Hij vertelt wat ze volgens mij tegen hem
gezegd hebben: “Je hebt toch een hof met groente en fruit en daarvan allerlei
afval. Rot fruit en rotte aardappels eet het ook, dat vindt zo ‘n beest juist
lekker! En die kinderen laten toch ook eten staan wat anders maar wordt weggegooid.
Nou, dat eet dat varken allemaal, dat is een soort vleesmachine. Dat etensafval
stop je erin en binnen een jaar krijg je er worst en ham en spek voor terug. In
één jaar! Wat wil je nog meer! Aan de slager zul jij niet veel geld meer
uitgeven.”
“Je hebt trouwens een broer die het
varken kan slachten,” hebben ze tegen hem gezegd. “En je zusters zullen je
helpen om het om te zetten in worst en vlees. Het hoeft allemaal niks te kosten.”
Ik weet het niet: kippen, konijnen,
weer een varken erbij. Dat moet toch ook allemaal eten gegeven worden, en wie
moet dat doen en wanneer?
Neem nou het omkeren van de
granieten drinkbak van de kippen. Dat moet, want het water is na één dag
modder. Die bak moet je optillen en dan omkieperen. Hem langzaam laten zakken,
dat lukt je niet, daar is hij te zwaar voor. Maar als hij een beetje ongelukkig
uit je handen glijdt, krijg je met een enorme plets de moddergolf recht tegen
je aan, midden in je gezicht, om het over je kleren maar niet te hebben. En dan
moet het ding weer worden teruggedraaid.
Wie plukt het gras voor al die
beesten? De mensen in de buurt die wat handiger zijn snijden het gras, soms
zelfs met een sikkel. Maar voor een scherp mes hoef je bij ons niet aan te
komen, laat staan dat we een sikkel hebben. Zelf is hij er door de week niet
voor het donker is. Ik ken wel een paar mensen met een varken, we zouden heus
niet de enigen zijn, maar ik ken nog meer mensen zonder varken. En waarom
moeten wij nou net weer bij degenen mét een varken zijn? God-zal-me-lazeren!
Al die beesten die gevoerd worden
trekken toch ook weer ongedierte zoals ratten aan. En die hebben we al genoeg
gehad of hebben we misschien nog wel. Ik zie hem nog op het hooischelfje boven
de schuur bezig, helemaal buiten zichzelf, een kop zo rood als vuur, aan de
riek in zijn hand een bloedende rat van een halve meter groot. Ze piepten, nee
gilden, die beesten, en renden alle kanten op, sprongen naar beneden, waar ik
op mijn beurt begon te gillen. En al heeft hij er dan een stuk of vier aan de
riek gestoken, waar zijn degenen gebleven die ontsnapt zijn? Ik geloof er niks
van dat er één kat in de buurt is die zo`n beest aan kan. Die zitten gewoon te
wachten om terug te komen. Als ze er al niet zijn. Hij klimt heus niet elke
week op de hooischelf met gevaar van er doorheen te vallen. Ik vind het maar
niks al die beesten met die kleine kinderen, ik heb al genoeg te prakkiseren
met Tonnie die moet worden geopereerd. Maar maak hem dat maar wijs.
…zijn hoofd met de hoekige hoge platte
pet geheven, zijn pijp als een scepter in zijn hand.(pag. 68)
Bet
Haar
vader overleed toen ze heel jong was, haar moeder hertrouwde al gauw en kreeg
nog vier dochters. Maar geen zoon die de smederij kon voortzetten. Daarom
zouden ze naar Sas verhuisd zijn. Maar zij heeft altijd gedacht dat het om haar
was. Dat haar stiefvader zich schaamde om wat haar was overkomen. Hij was een
erg trotse man met een tot op het laatst kaarsrechte rug, zijn hoofd met de
hoekige hoge platte pet geheven, zijn pijp als een scepter in zijn hand.
Het
gaat goed met ons nadat ik zo moeizaam na het bombardement uit de kelder
gekropen ben. Behalve met mijn been dan.
In het begin is nog bijna alles op
de bon. Maar de mensen beginnen toch langzaamaan wat geld te krijgen. In ieder
geval voor hun eerste levensbehoeften. En daarvoor kunnen ze bij ons terecht.
Van ’s morgens voor zevenen tot ’s avonds na elven.
Het hoofddoel van het huwelijk is:
kinderen voor God voort te brengen en christelijk op te voeden, staat er in mijn trouwboekje, en daar heb ik me aan
gehouden. Ik ben ervan overtuigd dat ze allemaal, van het eerste tot het
laatste, christelijk opgevoed zijn. Ook al had ik dat bij het eerste niet zelf
in de hand.
Maar er staat ook: De vrouw moet aan den man onderdanig zijn in
alles wat goed en eerbaar is en de man moet door echt christelijke liefde dien
plicht veraangenamen.
Dat was iets waar ik wel wat op had
af te dingen. Toontje is geen kwaad mannetje en ik ken hem, vooral vanaf het
moment dat we het winkeltje van zijn moeder Liesbetje overnamen, als een harde
werker die heel wat bereikt heeft, maar hij heeft zo zijn streken, en bovendien
doe ik ook mijn werk. Ik krijg de kinderen, breng ze groot, zorg voor het huishouden
en help zoveel mogelijk in de winkel. Dus onderdanig aan mijn man, nou nee. Hij
mag me er wel eens mee plagen en ik wil ook wel de reactie geven die hij wil
uitlokken, maar dat is het dan.
Er
waren ook tegenslagen. Met de brouwerij bijvoorbeeld. Ach, het was gewoon een plek
in de stal waar een bottelmachine stond. Maar het werd toch een groot succes.
We moesten ermee stoppen omdat de mensen die handige kleine smalle
beugelflesjes die Toontje speciaal had laten maken niet terugbrachten. Ze
gebruikten die om bijvoorbeeld thee mee naar het werk te nemen. En Toontje had
geen statiegeld willen vragen. Zo moesten de mensen de prikkellimonade die ze
zo lekker vonden missen door hun eigen kortzichtigheid.
En er was natuurlijk jaloezie. En
niet alleen van de winkelier verderop, op het pleintje. Er werd geroddeld. De
kruidenierswaren die met paard en kar werden bezorgd, zouden naar vis smaken.
Terwijl we verdomme de hele vrijdagavond schrobden en boenden om de kar proper
te hebben voor de kruidenierswaren op zaterdag.
Als de mensen kwaad willen vertellen,
kun je er niet veel tegen doen, dat heb ik wel geleerd. Er waren er die wel
eens gezien hadden dat er een kat op de viskar sprong. En dat hondje dat er
altijd bij was vertrouwden ze ook niet. Nou ja.
Volgens andere roddelaars dan weer
zou Toontje niet kunnen tellen en amper kunnen schrijven. Schrijven had hij
inderdaad pas als soldaat geleerd en foutloos zou het nooit gaan – hij schreef
bijvoorbeeld luzifers – maar dat was bij de meeste gewone mensen die nog in de
negentiende eeuw geboren waren het geval. En tellen kon hij als de beste.
De
pijn en de lap om het been die iedereen kon zien maakten mij er niet vrolijker
op. Mijn stem werd hard, ik werd ongeduldig en veeleisend en ergerde me aan
mensen die vrolijk waren, speciaal aan Toontje.
Het was soms of ze ‘t erom deden.
Het was zo`n feest waar alle ooms en tantes en neven en nichten aanwezig waren.
Wij, ooms en tantes, zaten op een verhoging naast elkaar, aan één kant van een
aantal aan elkaar geschoven tafels. Iedereen kon onder de tafel door kijken.
Iedereen kon dus ook mijn been zien. Tot overmaat van ramp, bleek achteraf, was
er ook nog een foto gemaakt.
De neven en nichten, en de tantes
waren ook niet wijzer, daagden hem dan uit.
“Oom Toontje, draag een versje voor,
zing een liedje.”
“Doe niet zo gek, Toon,” zei ik dan.
“Blijf hier! Kom van die stoel af!”
En dan lachten ze allemaal nog
harder en zweepten hem nog meer op. Het duurde net zo lang tot hij boven op een
stoel of tafel stond en zong:
“Van je remplemplem, van je mosselemem.”
Het was: “Van je ramplanplan, van je
mosselman.” Maar mosselemem was natuurlijk veel leuker. Het was nog een
vreselijk lang lied ook. De tantes en nichten pisten in hun broek van het
lachen.
Ik
was overal met mijn been geweest, in het hele land. Dat had me heel wat geld en
tijd gekost. Eerst met de bus, maar vanaf midden jaren vijftig bracht ons Peet
me met de auto, als die niet kapot was tenminste. Want dat had je in het begin
ook nog vaak met die tweedehands auto’s. Met de kar was geen doen, na tien
minuten was ik al geradbraakt.
Jarenlang hadden ze me naar een
kruidendokter in Baarle-Nassau gebracht. Naar gebedsgenezers was ik ook
geweest. Toontje deed dat hand opleggen ook, maar mij kon hij niet helpen. Die
van ons kon iedereen helpen behalve mij.
Hij legde zijn ene hand op iemands
hoofd en hield de hand van de zieke in zijn andere hand, of legde die andere
hand op zijn eigen hart. Hij stond met zijn ogen dicht te prevelen, met die
stijve bovenlip, die strakke mondhoeken, waarnaar men keek omdat men verwachtte
dat ze zouden gaan krullen, en dat zijn lippen zouden gaan trillen. Als
toeschouwer kon men de spanning niet volhouden en begon men opgelucht hard te
lachen. En men verwachtte dat Toontje zou gaan meedoen, maar niets daarvan, hij
bleef onverstoorbaar, hij keek zelfs niet naar je. Tot hij klaar was en een
stap achteruit deed, dan pas keek hij je aan en glimlachte.
Bij mij werkte het dus niet. En
natuurlijk nam ik hem kwalijk dat hij iedereen kon helpen maar mij niet.
Misschien lag het aan mij, geloofde ik er gewoon niet in, kende ik hem te goed.
Ik
was dus de kelder uit geklommen met mijn been en de koningin was terug in
Nederland gekomen met haar bontjas. Toen Toontje iets over haar zei – of was
het over de nieuwe koningin die we korte tijd later kregen? – werd hij op zijn
gezicht geslagen. Dat was wel eens goed voor hem, zij het niet speciaal dáárom.
Maar het was goed dat hij met zijn grote mond wat weerwerk kreeg.
Toontje zit aan de bar en is het
gezwam van zijn buurman over de koningin beu en zegt: “Wat de koningin! De
koningin heeft hetzelfde kutje als ons Bet!”
De man wordt kwaad en slaat Toontje
van de kruk af. Toontje krabbelt overeind en zegt: “En het was nog wel bedoeld
als een compliment.”
Maar om hem vanwege de koningin op
zijn gezicht te slaan, was natuurlijk onzin. Van mij mocht hij over de koningin
zeggen wat hij wou. Hoewel, het was beter als hij zijn grote kop eens leerde
houden. Hij moest maar leren dat hij niet overal mee kon lachen. Met mij ook
niet.
Mijn
stiefvader had me uit zijn trouwboekje voorgelezen, en later wees hij er nog
eens op dat in het onze precies hetzelfde stond: Elke poging aangewend om het ongeboren kind, hoe jong ook, te dooden,
is poging tot moord en daarom een zeer zware zonde tegen het 5e
gebod: ‘Gij zult niet dooden’.
Een
zeer zware zonde is eveneens elke opzettelijke poging, om het hetzij door
inwendige, hetzij door uitwendige middelen de zwangerschap af te breken op een
tijdstip, waarop de vrucht nog niet buiten het lichaam kan blijven leven
(vruchtafdrijving).
Zoiets zou niet eens in me opgekomen
zijn. Het was of hij het meer tegen zichzelf zei, hij zat er meer mee dan ik.
Hij wilde het absoluut verborgen houden. En daarom, dat bleef ik denken, waren
we ook verhuisd. Dat hij geen opvolger had in de smidse, was toch geen reden om
te verhuizen! Je kon het hoogstens omdraaien: de smederij was geen reden om te
blijven.
Toontje
is erg trots op de nieuwe Solex zoals dan nog niemand er een heeft. Hij is de
eerste in Sas en in het dorp aan de Lange Weg. Hij gaat nu nog vaker naar Bets
zuster Anneke aan de Lange Weg. Iedereen mag de Solex uitproberen. Maar ze
weten niet hoe het ding te stoppen, en als dan de motor eindelijk afgeslagen
is, vaak na een botsing of valpartij, durft men er niet meer op en komt te voet
terug, wat wel eens een uurtje kan duren. Dan lacht Toontje niet, dan is hij
ongerust, zeker als het zijn jonge nichtje Tonnie is dat zo lang wegblijft met
de Solex.
Wanneer hij te lang blijft hangen –
als hij aan het buurten is en veel aandacht krijgt en regelmatig een nieuwe kop
koude koffie (die speciaal voor hem wordt bewaard) en hij uit zijn zakken stukjes
worst en zuurtjes en dubbeltjes uitdeelt aan de kinderen en de worst ook aan de
hondjes, verliest hij alle tijd uit het oog – en wanneer het dan al donker
wordt moet Jantje meefietsen naast de Solex van zijn peetoom, want in het
donker is Toontje zo goed als blind.
Toen ik mankend en een en al pijn op het eind van de
oorlog met mijn been uit de kelder geklommen was, had ik me versproken. Ik
zei: “Ik heb negen kinderen op de wereld gezet, ’t is mooi geweest.” Maar ons
gezin telde acht kinderen. Misschien kwam het omdat Mientje toen net getrouwd
was en ook in Sas was komen wonen. Misschien kwam het omdat het einde van de
oorlog in zicht was en ik daarom aan mijn stiefvader moest denken, en met name
dacht: “Dat einde heeft hij dus net niet gehaald terwijl hij zo graag wilde
weten hoe het zou aflopen.”
Ik was ervan overtuigd dat vooral
hij degene was geweest die het geheim had willen houden en die ook de hele
constructie, waarin mijn eerste kind in een ander gezin in ons dorp werd
opgevoed en wij naar Sas verhuisden, daarvoor bedacht had. Hij, de trotse
eigenaar van een smederij en een van de notabelen van mijn geboortedorp.
Door die hevige gebeurtenissen vlak
voor de bevrijding had ik aan mijn stiefvader en mijn eerste kind moeten denken
en had me versproken. Dat was het vast geweest.
De Vrouwen van de Eerste Huizen
De
Vrouwen van de Eerste Huizen hebben het trouwboekje van Toontje en Bet te
pakken gekregen en amuseren zich daar blijkbaar kostelijk mee.
Als het waar
is wat hier staat – en ze buigen zich weer lachend over het trouwboekje – dan
heeft Bet inderdaad haar taak ruimschoots vervuld. Maar Hanna Bosmans is al
weer verder in de tekst en leest over de onderdanigheid van de vrouw aan de man
en schatert: “Als die van mij zich hier ooit op zou durven beroepen, krijgt-ie
klapjes, dus dat waagt hij niet.”
“Die van mij
ook niet,” zegt de oudste dochter van Meijermet haar zware stem in haar enthousiasme, en ze vergeet even dat ze geen
man heeft. Ze kijken elkaar aan die vrolijke vrouwen, en proesten het uit, en
Hanna Knietel wel heel letterlijk.
Maar de
Vrouwen van de Eerste Huizen gaan verder. Omdat ze zelf het eeuwige leven
hebben, in dit verhaal in ieder geval, springen ze graag een beetje heen en
weer in de tijd, ze staan te popelen om twintig jaar vooruit te springen en het
einde te vertellen van het verhaal van Bet:
Het einde van het verhaal van Bet
Dadelijk
zullen ze weten wat haar geheim was. Want ze wilde haar geheim niet mee het
graf in nemen, net niet. Ze zullen kwaad zijn, haar kinderen, erg kwaad, om wat
er al die tijd voor ze verzwegen is. Maar daarna zullen ze met hun nicht, die
hun halfzuster blijkt te zijn en al die tijd bij ze in de buurt woonde, naar de
koffietafel gaan. Ze zullen zowat over elkaar heen buitelen met hun uitroepen
‘weet-je-nog-wel toen ik dat zei, als ik toen geweten had’. En Mientje, haar
eerste kind, zal haar ogen sluiten, zoals ze dat vaak doet als ze praat, en zeggen:
‘Ja, maar ik wist het natuurlijk al die tijd.’ En dan pas zal het tot sommige
van haar andere kinderen doordringen dat zij dan wel verontwaardigd kunnen
zijn, maar dat zij niet degenen zijn die al die jaren een probleem hebben
gehad. Dat probleem had haar eerste, voorhuwelijkse, dochter, en Bet zelf: zij
konden zich tegenover elkaar niet als moeder en kind gedragen.
Bet denkt
ook nog aan de grap waarmee Toontje altijd veel succes had en waarmee hij haar
steeds weer op de kast kon krijgen, hij zei dan: “Ze mogen op mijn doodsprentje
zetten wat ze willen, als het maar niet is: ‘Eens zullen we elkander wederzien.’
Hij is drie
jaar voor haar gestorven, en zij weet niet wat hij op het eind nog geloofde of
niet geloofde, maar zij is er niet bang voor dat dat zal gebeuren, dat
wederzien. Hoe een mens toch kan veranderen ja.
Ze ligt te
grinniken in de kist want zij voelt haar been niet meer en moet steeds denken
aan het slot van het griezelverhaal waarmee je als verteller de toehoorders op
het eind geweldig deed schrikken. Zij herinnert zich eigenlijk alleen die
dreigend en geheimzinnig uitgesproken laatste zin die eindigde in die uitroep,
waarbij de verteller met gestrekte armen in de richting van de toehoorders
sprong, wier hart even stilstond. Het verhaal was iets met een zeerover die een
goudschat had verstopt in zijn houten been en daarmee begraven was, en iedereen
maar in het donker op het kerkhof zoeken naar die schat. En dan klinkt er een
stem:
“Het been, het beeeen, het gouououden beeeen, hier HÉB
je het been!”
Die laatste
zin hebben de Vrouwen van de Eerste Huizen eerst met langzame donkere dreigende
stem ingezet en bij HEB zijn ze tegen elkaar opgesprongen en zijn, ondanks dat
ze wisten wat er ging gebeuren en er zelf aan meededen, toch nog van elkaar
geschrokken en daarna in lachen uitgebarsten.
En A.M. denkt: als deze dames zo doorgaan wordt het een heel ander boek.
———-
(Einde van het 1e deel van Aan de Lange Weg, dat voornamelijk over Oorlog en Bevrijding gaat en op internet wordt gepubliceerd ter gelegenheid van 75 jaar Market Garden)
(gebaseerd op de verhalen van familieleden, vrienden, buren en dorpsgenoten, waarbij later de historische feiten werden gezocht, zoals: – het bombardement van Zeelst (in het boek Sas), kerkdorp van Veldhoven, door geallieerden:
(Dit artikel verscheen onder de titel GUST VAN BRUSSEL VEELZIJDIG AUTEUR in boekvorm bij De Graal in 2004 ter gelegenheid van de 80e verjaardag van Gust van Brussel. Het is verreweg de langste bijdrage aan het boek. De overige artikelen zijn van Hugo Schiltz, Gaston Durnez, Gust van Brussel en Willy Copmans. Het behandelt dus niet het werk van Gust van Brussel van 2004 tot 2015. Het Labyrinth van Gust van Brussel stond jarenlang op de site van de (opgeheven) uitgeverij De Graal van Johan van Nijen. Op mijn website had ik een link naar het artikel. Ter gelegenheid van de 100e geboortedag van Gust van Brussel publiceer ik het opnieuw. Met dank aan Paul van Leeuwenkamp. <Meurs A.M.>)
Schrijver Gust van Brussel
Inleiding
Begin 1998 verscheen in het Vlaamse SF-tijdschrift Cerberus mijn artikel “De geaborteerde levens van Gust van Brussel”, dat zich richtte op zijn sciencefictionboeken, maar ze wel nadrukkelijk in het kader van zijn leven en andere werk plaatste. Lang daarvoor hadden zijn boeken al mijn aandacht getrokken. Aanvankelijk met Verlaten landschap in 1983, dat ik enthousiast signaleerde in het tijdschrift Fantastische Vertellingen. In de jaren daarna bleef zijn werk op mijn pad komen en mijn interesse vasthouden. Soms via de boekhandel, soms via de bibliotheek, soms als tweedehands boek. Na het lezen maakte ik aantekeningen, soms kort en gehaast, andere keren meer uitgebreid, en langzaam maar zeker groeiden die aantekeningen tot een artikel. Een artikel met gaten, want het werk van Van Brussel was in Nederland niet altijd even makkelijk te bemachtigen. Ik wist niet eens of hij nog leefde en nog schreef, en het artikel besloot dan ook met een uitdaging aan “vooral de Vlaamse lezer”, dat “artikel aan te vullen en te corrigeren met een sprankelend vervolg”. Die uitdaging werd aangenomen. Door een Vlaming. En wel door Gust van Brussel zelf. Via de redactie wisselden we adressen uit en er ontstond een correspondentie waarin lange brieven zich afwisselden met stiltes, kattebelletjes met toegestuurde gedichtenbundels. Want al was Van Brussel gepensioneerd, hij was nog altijd heel actief met al de dingen die ik uit zijn boeken had leren kennen – zijn gezin natuurlijk, de ontwikkelingen in de maatschappij en uiteraard met schrijven.
De correspondentie vulde de gaten in mijn kennis van zijn oeuvre overvloeiend en dat vormde een ideaal uitgangspunt voor een nieuwe, meer volledige versie van het artikel. Een voornemen dat steeds weer op de lange baan werd geschoven. Pas het initiatief om ter ere van Gusts tachtigste verjaardag een boek over zijn werk samen te stellen, zorgde er voor dat dat voornemen daadwerkelijk werd uitgevoerd, zij het dat het zich beperkt tot zijn romans. Anderen zullen zijn poëzie en verspreide publicaties voor hun rekening nemen.
Dat de beperkende invalshoek van de sciencefiction, destijds voortvloeiend uit de gekozen doelgroep, moest worden verlaten, paste mij wel. Als lezer, schrijver en recensent heb ik mij altijd op de grenzen tussen tussen de realistische literatuur en het fantastische bewogen, en wanneer het werk van Gust van Brussel ergens geplaatst kan worden, dan is wel op die grenzen.
De vriendschap die gedurende onze correspondentie groeide bleek wél een probleem. Niet omdat die een kritisch opstelling in de weg zou staan – in dat opzicht is Gust van Brussel nauwelijks te overtreffen, zoals uit de hierna volgende beschouwing blijkt – maar wel door het gevólg van die vriendschap, namelijk het verlangen om het beter dan goed te doen. Dat is mij echter niet gegeven. Toch geeft de volgende beschouwing een vrij compleet overzicht van een veelzijdig en complex romanoeuvre, waarbij vele critici aan het woord komen om de nuancering aan te brengen die dat oeuvre verdiend. Ik hoop dat het velen er toe zal brengen deze romans of alweer te gaan lezen. En wat de subjectieve ervaring daarbij ook zal zijn, een verrassend avontuur is gegarandeerd.
Utopia als utopie
In 1960 verscheen het romandebuut van Gust van Brussel, De visioenen van Jacques Weiniger. Een hoofdzakelijk in korte zinnen geschreven roman over de boottocht van een groep Westerse Joden naar Israël, die door een rijke Jood wordt gefinancierd. De hoofdpersoon Jacques Weiniger heeft de vernietigingskampen uit de tweede wereldoorlog overleefd en door zijn metaforen en visionaire uitspraken gaat het gezelschap hem als een profeet beschouwen. Een verheven reis naar de utopie van het beloofde land. Maar als de reis begint, mist Weiniger door toedoen van de financier letterlijk de boot, en wanneer hij samen met de vrouw van de financier het gezelschap nareist, glijdt de reis af naar de banaliteiten van het dagelijkse bestaan. Bovendien krijgt Weiniger een relatie met de vrouw, die al snel problematisch en uitzichtloos wordt. Het onverenigbare van verheven doelen en het aardse leven wordt in die relatie uitgebeeld, tot in de gestalte van de vrouw, die groot en blond is en in tegenstelling tot Weiniger niets Joods heeft. Vervolgens blijkt ook de reis zelf niet zo verheven te zijn, want als ze het schip ergens in Griekenland weer inhalen, blijkt de financier er wapens mee te smokkelen. Weiniger wil zich opnieuw als profeet opwerpen, maar wordt niet meer als zodanig geaccepteerd, vooral ook door zijn relatie met de niet-Joodse vrouw. De tegenstellingen in het gezelschap verscherpen zich. En wanneer ze dan eindelijk Israël naderen, worden ze beschoten door een Egyptisch oorlogsschip. Daarbij komt Weiniger om het leven, maar in zijn laatste visioen loopt hij toch het beloofde land binnen. Het enige beloofde land wat er bestaat, het enige echte Utopia, is niet van deze wereld.
De beeldende kracht waarmee dat in deze roman is verwoord, geeft niet alleen aan dat het besef van de vergeefsheid van het menselijk streven diep in Van Brussel verankerd moet zijn geweest, hij maakt de lezer tegen wil en dank ook deelgenoot van dat gevoel. De koppeling aan de destijds actuele problematiek van een Joodse staat, en de daaruit voortvloeiende oorlogen in het Midden-Oosten, vormde slechts het concrete decor, een specifieke uiting van een opvatting die voor Van Brussel algemeen geldend moet zijn geweest. Dat valt al af te leiden uit het feit dat die actuele politiek ook daadwerkelijk een decor blijft en de personages van het verhaal kleurrijk op de voorgrond staan.
Maar dat wil niet zeggen dat het decor niet relevant. Hubert Lampo sprak er in de Volksgazet zijn verbazing over uit dat de Holocaust zo weinig aandacht had gekregen in de Vlaamse literatuur. Hij meende dat dat kwam omdat de Joodse gemeenschap zich concentreerde op één geografische locatie, namelijk in Antwerpen, en dat het bovendien een gesloten gemeenschap betrof. Hij oordeelde dat sommige delen van de roman op scholen verplichte literatuur zouden moeten worden. Bovendien vond hij het van artistieke “roekeloosheid” en “moed” getuigen, dat Van Brussel dit zwaar beladen thema in zijn roman durfde te gebruiken. Over de literaire aspecten van de roman die Jan Walravens “weinig minder dan een meesterwerk” noemde, oordeelde Lampo dat “hier en daar wel een zwakkere passage voorkomt”, maar dat men ze graag op de koop toe neemt “omdat hier een romancier met een grote dichterlijke kracht aan het woord is, die er in slaagde [] de tragische en tevens verblijdende Odyssee van Jacques Weiniger en zijn dappere lotgenoten een werkelijk Oudtestamentaire kracht te verlenen, zulks met volkomen eigentijdse, nergens vervalste middelen.”
Over die dichterlijke kracht van De visioenen van Jacques Weiniger is de kritiek unaniem. In een latere recensie blikt Paul Hardy op deze “nogal vreemde roman” als volgt terug: “een poging om realiteiten te sublimeren in de idee; hij heeft daarvoor tot zijn beschikking een felle en zeer actieve verbeelding; hij verplicht de lezer bovendien tot een eigen verbeeldingswerkzaamheid.”
Die eigen werkzaamheid heeft ook zijn nadelen, in die zin dat de lezer zijn begrip niet zomaar in concreet te citeren passages kan terugvinden. Het kan de lezer onzeker maken, zoals de recensent van Het Binnenhof, die zich zelfs afvraagt of “Van Brussel zelf ieder onderdeel van wat hij heeft geschreven als verzinnebeelding zal hebben begrepen.” Toch wordt ook deze recensent gegrepen door de “markante en boeiende compositorische vorm”. Zijn persoonlijk begrip vindt hij in de “toestand van innerlijke tegenstrijdigheid”, die er uiteindelijk een van “oneindige onbevredigdheid” blijkt te zijn. “De mens, die het ervaarbare tot het laatste toe indrinkt, blijft niet staan met een mond vol tanden, maar met een gulzig open mond.”
Had De visioenen van Jacques Weiniger door de visioenen van de hoofdpersoon een surrealistische, magisch realistische inslag, bij het tweede boek van Van Brussel, Het Labyrint, is dat nog nadrukkelijker het geval, zoals ook Paul Hardy in 1966 constateerde. Hardy concludeerde dat Van Brussel “een probleem, een situatie, een menselijke hunkering – ingrediënten van de menselijke onvolmaaktheid en onzekerheid” ziet “in sublimeringen, in symbolen. De dingen die tot de konkrete orde behoren worden door hem enkel aangegrepen als kommunikatiemiddelen, als media.” Hij stelde dat die bij de vertellende prozaschrijver verder dienen te reiken dan het woord alleen, want “epiek is nu eenmaal gebonden aan de berichtgeving en de naakte suggestie van het uit het uit alle zinsverband losgerukte woord kan hoogstens de poëzie-lezer bevrediging schenken.” Het in korte hoofdstukjes voorgeschotelde verhaal “kent enkel maar de causaliteit van zijn eigen, overwegend op de idee gefundeerde en aan de konkrete realiteit ontstijgende, wonderlijke verbeelding, waarin de lezende buitenstaander nu eens een aanknopingspunt vindt en het dan kort daarop weer kwijtraakt.” Kon Hardy inDe visioenen van Jacques Weinige zijn weg nog vinden, in Het labyrint lukt hem dat niet. Als eindoordeel over “dat vreemde verhaal, dat cohesie en uniformiteit inzake niveau ontbeert, maar dat desondanks doorschoten is met bijwijlen hallucinanten verbeeldingsflitsen en verrassende poëtische invallen”, spreekt hij de vrees uit “dat Gust van Brussel dreigt vast te lopen in sublimeringsprocedé’s die hem in het drijfzand van de raadselachtigheid zouden kunnen doen belanden. En laten we het niet vergeten: er is tenslotte ook nog de lezer.”
Maar er zijn vele verschillende lezers en wat de een niet begrijpt, zal voor de ander duidelijk zijn. En hoe dicht het begrip van die lezer de al dan niet zelf begrepen bedoelingen van de auteur nadert, is uiteindelijk van secundair belang.
De omslag geeft uitstekend weer wat de lezer van het boek mag verwachten. In een bloedrode achtergrond bevindt zich centraal een grote zwarte vlek. Uit die vlek ontworstelen zich de witte hoofden van een man en een vrouw. Tussen hen kronkelen de bloedvaten van het gevoel, die de twee zowel door kunstmatige, mechanische ‘connectors’ lijken te verbinden als door iets wat een hart zou kunnen zijn. Daar, bij dat hart, is het enige rood in de zwarte vlek terug te vinden, een hart dat bloedt en dat bloed stroomt over de klok, die een centrale plaats in de tekening inneemt. In de tijd komen alle kleuren samen, het wit, het zwart en het rood. De natuurlijke omstandigheden van de mens vormen slechts een marginale rol, want bomen, iets wat op een vogel lijkt en iets wat een rivier of zee zou kunnen zijn, slagen er niet in zich uit de randen van de zwarte vlek los te trekken. Alleen een ronde witte vlek staat los van deze brei, als een bleke zon, een onbereikbaar lichtpunt.
En zo is de situatie waarin de hoofdpersoon Frank zich bevindt. Hij houdt niet langer van zijn vrouw en heeft een relatie met een ander. Maar het is een onmogelijke relatie, die hem de punt van een passer door het hart steekt en de cirkel van zijn leven trekt, bestaande uit zijn gezin, zijn baan en zijn huis met tuin. Daarbinnen moet hij bestaan. Hij telt zijn zegeningen: “Ik ben gehuwd. Ik heb kinderen. Ik heb een vaste betrekking… Een auto tegen afbetaling… Een pensioen… een ruime brandverzekering… Bij de joernalistiek heb ik een bijverdienste…” Maar hij heeft daar geen vrede mee, deze Frank die niet langer ‘frank en vrij’ is maar daar wel naar hunkert. “Ik wilde mij realiseren. Mijn ideaal lag niet in een persoon of in een theorie, maar was voor mij een staat van aanwezig zijn.” Dat aanwezig zijn is beperkt door de vaste patronen die zich in zijn leven hebben gevormd. Hij meent een mier te moeten worden, want “een mier vraagt zich ook niet af wat het leven van een mier betekent. Je moet in de hoop. In de hopeloze hoop. Daar vergeet je te denken. Daar verwerf je poten en voelsprieten. Daar ben je intens leven. Een robot. Funktioneel.”
Zijn die crisis voert hem op bizarre zwerftochten, waarbij in korte hoofdstukken de werkelijkheid zich in talloze subjectieve vormen aan hem voordoet. Voortdurend loopt hij verloren, zowel in de wereld om hem heen als in de wereld in zichzelf. Op weg naar zijn werk raakt hij de weg kwijt en komt dan bij zijn geliefde Eliane uit. Op de weg terug van zijn werk komt hij in een nieuwbouwwijk waar de Nieuwe Mens het onderspit delft tegen de robots waarmee zij een verbond wilden sluiten. Machines worden tot mythologische monsters, mensen verworden tot dieren. ’s Nachts ontwaakt hij in absurde werelden, waarin de kritische stem van het geweten hem toespreekt. Met de hulp van zijn vrouw Hilda meet hij zich een kunstmatig hart aan, maar ook dat kan hem niet redden van een breakdown. En de rust van zijn ziekbed geeft ook geen oplossing. In de arts Benoni, een jeugdvriend, wordt hij alleen maar méér geconfronteerd met de verloren vrijheid, de verloren idealen, het onstuimige levensgevoel. “Het ruimteschip was op de akker geland. Zo aanstonds vertrokken zij onder Benoni’s leiding naar een andere wereld, waar je jezelf kon zijn. Helemaal jezelf.” (blz. 84/85) De belofte van het avontuur, van een betere wereld waarin de jeugd nog kan geloven: “‘We landen op Mars,’ zei Benoni. ‘Frank, zal je daar tevreden zijn? Jij droomt toch altijd van andere werelden.’” (blz. 85)
Na zijn ziekteverlof doet Frank een zelfmoordpoging, maar die is halfslachtig en mislukt dan ook. Zelfs de dood biedt geen uitweg en zijn dolen gaat verder. En het is hier dat het accent van het verhaal verschuift. Was daarvoor de buitenechtelijke relatie nog een werkelijke omstandigheid, hier begint het verhaal daarover vraagtekens bij de lezer op te roepen. Frank ontdekt bij een van zijn dooltochten in een standbeeld namelijk de perfecte gelijkenis met zijn Eliane en zijn zoektocht richt zich steeds meer op dat standbeeld. Bestaat Eliane wel? Is zij niet slechts een ideaalbeeld, de meest persoonlijke uitdrukking van het ideaal waarmee Frank het hele boek worstelt. “Was dat het verloren Paradijs? Aan welke vereisten voldeed zijn Nirwana? Het “Alle Menschen wurden Brüder” van Beethovens negende? De supermenselijke staat van Bouddha’s trance? Platoons Politeia? More’s Utopia? Frank voelde een dualiteit in zich. Enerzijds had hij een noodzaak zich met alle dingen en wezens te vermengen in een profusie van altruïsme, waarbij zijn “ik” onderging in het pantheïstisch aanvoelen der schepping. Anderzijds had hij behoefte aan koelte. Afstand. Zelfbewustzijn. Ordening.” (blz. 65) De “Nieuwe Wereld… Het Utopia waarover gedacht werd sinds de geboorte van de mens” (blz. 57), het “Hybernetisch Tijdperk” (blz. 60), die op zijn dwaaltocht in de nieuwbouwwijk tot leven komt? Want, spreekt een stem tot hem, “jij holt maar. Jij wenst maar. Idealen. Steeds wat nieuws, Steeds wat nuttelozer. Jij blijft steeds even ver van de zin der dingen. Even ver van jezelf.” (blz. 73).
Aan het eind wordt opnieuw de scherpe punt van de passer in zijn hart gestoken en de cirkel van zijn leven getrokken. Die is niet anders dan in het begin van het verhaal, maar toch heeft de lezer het gevoel dat Frank tot een zekere acceptatie van zijn situatie en van zichzelf is gekomen. Het ideaalbeeld Eliane is dan van haar voetstuk gestoten en de liefde voor zijn eigen vrouw, die in de loop van het verhaal zichtbaar wordt in gedachten over “haar sterk karakter. Haar robuuste zelfzekerheid.” (blz. 67), lijkt een praktischere, meer realistisch invulling te hebben gekregen. “Wat van te veel liefde vervuld is, kan niet blijven bestaan.” blz. 126).
Het labyrint is het verhaal van een midlife crisis, waarin Paul Hardy zijn weg niet kon vinden. Een belangrijke oorzaak daarvoor lijkt de fragmentarische compositie te zijn, waarin losse, ogenschijnlijk niet op elkaar aansluitende gebeurtenissen in een chaotisch palet samenvloeien. Maar ondanks zijn onbegrip heeft Hardy de roman uitstekend aangevoeld, getuige de titel van zijn bespreking,“Dolen onder een stolp”.
Terugkijkend op Het labyrint vanuit de huidige maatschappij, waarin informatie op talloze manieren wordt gecommuniceerd en voortdurend met elkaar om aandacht strijdt, waarin elk leeg moment wordt opgevuld met informatie en die informatie in toenemende mate wordt opgestapeld in de beperkte tijd die wij tot onze beschikking hebben – bijvoorbeeld door voor de TV met de krant op schoot via ons mobieltje een telefoongesprek te voeren – een tijd waarin woorden in toenemende mate worden ingekort tot iconen en er steeds minder tijd is chronologisch opgebouwde betogen te schrijven of te lezen, doet de compositie van Het labyrint heel vanzelfsprekend aan, geheel in overeenstemming met de problematiek die in deze roman wordt uitgedrukt.
Toch roept Het labyrint nog steeds de sfeer op van eind jaren zestig, begin jaren zeventig en doet het denken aan Joachim Stiller, Hélène Defraye en vooral Kasper in de onderwereld van Hubert Lampo, aan sommige boeken van Johan Daisne, met dit verschil dat Het labyrint dieper lijkt te graven, juist door die moderne, gefragmenteerde opbouw waarmee de lezer naar zichzelf wordt gedwongen. Het confronteert de lezer nog steeds met de vraag die in ons allen besloten ligt: in hoeverre moet je je ideaalbeelden van hun voetstuk stoten om op een positieve en levenslustige wijze door te gaan met leven? En is de kern daarvan uiteindelijk toch altijd aanwezig in je partner, in de menselijke liefde? Want ook al wordt je besprongen door een maatschappij van doordravende automatisering en nieuwbouw, ook in een nieuwe wereld met een nieuwe mens zal die liefde de korenmaat moeten zijn.
Behalve de opbouw in korte hoofdstukken is er natuurlijk de beeldende kracht van de dichter Van Brussel en ook daarin sluit hij aan bij de hedendaagse tijd, namelijk die van de moderne beeldcultuur. Het visionaire dat in De visioenen van Jacques Weiniger door het verleden van de hoofdpersoon en het kader van de stichting van een Joodse staat een wereldpolitieke lading kreeg, is teruggebracht tot de persoonlijke, voor ons zo bekende leefwereld van een Belgisch of Nederlandse hoofdpersoon. Die hoofdpersoon is daarmee voor de gemiddelde lezer herkenbaarder, maar onderliggende thematiek, die van de jacht op een persoonlijk Utopia, is in wezen niet anders.
In zijn derde roman, Voor een Plymouth Belvedere, stapt Van Brussel weer uit de gesloten wereld van één enkel personage. De gevoelsvolle, impulsieve Tim steelt in Leiden een auto, een Plymouth Belvedere, en rijdt daarmee naar zijn woonplaats Antwerpen. Daar vertoeft hij in kringen van kunstenaars en kleine oplichters, waaronder autodieven. Hij leert in een bioscoop een doofstom meisje kennen en weet met de Plymouth indruk op haar te maken. Hij wordt verliefd op haar, misschien wel juist door het gebrek aan communicatie, die wordt teruggebracht tot het meest fundamentele, waaronder het lichamelijke. Uit angst voor opsporing ontvlucht hij de stad en gaat, samen met het meisje, in de Plymouth op een zwerftocht die hem leidt naar de bizarre en gekke kluizenaar die de vader van een vriend is en vervolgens naar oude vrienden die nu succesvolle kunstenaars zijn. In de loop van deze wederwaardigheden krijgt Tim ook meer diepte: hij was als kunstenaar veelbelovend, maar hij heeft om onduidelijke redenen zijn geloof in de kunst verloren en is toen naar de Kongo gegaan, waar hij een onduidelijke ziekte heeft opgelopen.
De ontwrichting van Tims leven zet zich voort en ook de omgang met het meisje komt tot een einde. Op weg terug naar Antwerpen is de benzine op en laat hij de Plymouth gewoon in de velden staan. Hij wordt geheel op zichzelf terug geworpen en daarbij blijkt dat zelf toch vooral zijn denken: “Zijn kop denkt. Zijn kop blijft denken. Alleen zijn kop leeft. Het floers komt niet. Die kop moet ophouden te denken.”
Het eind wordt beschouwd door de ogen van zijn laatste vrienden en kennissen. Tim is opgenomen in het ziekenhuis als gevolg van wat nergens een poging tot zelfmoord wordt genoemd, maar dat wel lijkt te zijn. En wanneer hij in dat ziekenhuis in een zuurstoftent ligt, eindigt de roman met: “Hij ligt zo ernstig te glimlachen. Levenswijs. Ontspannen. Een kind van een twintig jaren. Er ligt een witte voorschoot op de grond. In een bokaal drijft een rubberen handschoen. Er zitten glinsterende luchtbellen tegen aan. Saxofoon-glimmend. Gevangen onder water. Zij willen naar de oppervlakte. Naar de vrijheid.”
Net als in Het labyrint is het Utopia niet concreet op een geografische plaats gelokaliseerd, maar de queeste is duidelijk. De verwijzing naar het wereldtoneel beperken zich tot de persoonlijke relatie van Tim met kolonialisme en de vrijheidsstrijd in Kongo, maar dit verband is als onderdeel van de achtergrond ondergeschikt aan de persoonlijke strijd van de hoofdpersoon. Als gevolg daarvan is de focus sterker gericht op de hoofdpersoon dan in De visioenen van Jacques Weiniger het geval was, terwijl de aanwezigheid van die verwijzingen de roman een algemenere geldigheid geven dan Het labyrint. Kon de lezer bij de eerste roman nog ontsnappen door de wederwaardigheden van Weiniger op de afstand van de genocide in WOII en de strijd in het Midden Oosten te plaatsen, en kon hij bij de tweede alles nog toeschrijven aan de omstandigheden van een ánder, nu heeft de lezer deze vluchtwegen niet en blijft de roman na lezing in hem rondwroeten, met een unheimlich gevoel als resultaat. Voor een Plymouth Belvedere is daardoor een beklemmende roman.
Het door elkaar laten lopen van de werelden van de kunstenaars en de kleine crimineel impliceren het faillissement van de kunst. Een faillissement dat Tim, die zijn geloof in de kunst heeft verloren, ook persoonlijk ervaart en die later door zijn oude kunstvrienden nog verder wordt ontluisterd. De kunst zoals Van Brussel die voor ogen stond, die “als opdracht heeft je als mens te vormen”, de kunst van creatieve betrokkenheid verliest het op alle fronten van het geld en het moderne zakendoen. De kunst ook als vorm van menselijke communicatie, zoals Huib Thomassen in zijn recensie aanduidde. Want “overal blijven de deuren voor hem gesloten. Wie immers kan hem verstaan, in een tijd en een wereld waarin de woorden niet meer dragen?” En biedt die nieuwe wereld van harde cijfers en realistisch winstbejag, vertegenwoordigd door de zakelijke Hollander, het uitgebuite Kongo en de concrete producten van de multinationals, een nieuw soort Utopia? Tim is er naar op zoek geweest in de Kongo, maar de onduidelijke ziekte die hij daar heeft opgelopen wijst eerder op het definitieve verlies van idealen dan op een lichamelijke aandoening. De Plymouth van General Motors, het schoonheidsideaal van die nieuwe wereld, laat hem uiteindelijk ook in de steek. Je zou haast gaan denken dat Van Brussel de globalisering van tegenwoordig al in de jaren zestig voorzag en er toen al stelling tegen nam.
Toch staat de mens niet op zichzelf. De queeste van Tim speelt zich af in een persoonlijke wereld, door Van Brussel benadrukt door zijn aandacht voor concrete dingen in de omgeving van zijn hoofdpersoon. Door de verwoording krijgt de lezer het gevoel dat Tim niet zo heel anders is dan hijzelf, al is hij een ander. En het unheimliche gevoel waarmee de roman de lezer achterlaat, komt wellicht nog meer door Tims relatie met anderen dan door zijn vergeefse zoektocht. Want tussen hem en die anderen ligt een ogenschijnlijk onoverbrugbare kloof, de kloof die Frank in Het labyrint meende te kunnen overwinnen door zijn liefde voor Eliane. Opnieuw is het Huib Thomassen die door de personages te citeren de vinger legt op wat de bron moet zijn van het umheimliche gevoel waarmee de lezer blijft zitten. “We beschikken over een arsenaal woorden, maar we hebben geen tekens om elkaar te zeggen wat er in ons omgaat” (blz. 130) en “De enige mogelijkheid om te ontsnappen is de woordenrommel op de mestvaalt gooien en trachten te vinden wat er in ons diepste ik omgaat. Wat we vinden vergelijken en een nieuwe taal zoeken die uitdrukt wat we gevonden hebben. We moeten woorden vinden voor onze tijd” (blz. 133). Het is “de problematiek van het woord, van het woord dat de ene mens van de andere afschermt.” Dat we “nog steeds mensen (zijn) met de mentaliteit van de lui voor Copernicus” en dat “Ondertussen de wereld (evolueert) op het tempo van zijn machines.” Het zijn opvattingen die Van Brussel later in een interview met Gaston Durnez zou benadrukken: “Bovendien is er het probleem van het woord. Van de communicatie. De hele wereld lijdt er aan. Volwassenen spreken een andere taal dan kinderen, vrouwen een andere dan mannen. De taal van de zuiderlingen verschilt met die van de noorderlingen. De machtigen spreken anders dan de minderen, de liefhebbende mens heeft een andere taal dan de berekende. En we gebruiken allemaal dezelfde woorden, omdat wij de nuancering van onze geest en ons hart niet kunnen uitdrukken in speciale woorden, en we begrijpen mekaar niet. Een schrijver kan zoeken om uitdrukking te geven aan die nuanceringen, die ongezegd blijven en die van het grootste belang zijn voor het begrip onder mensen.”
Het oordeel van de kritiek over Voor een Plymouth Belvedere was dualistischer dan die over De visioenen van Jacques Weiniger. Zo spreekt Thomassen over een “overstelpende drukte en woeligheid”, waardoor de symboliek bedolven raakt “onder een overvloed van inhoudsstoffering.” Passages worden “uitgesponnen” tot “bijna zelfstandige vertelepisodes die zowat beurtelings tot hoofdzaak groeien” en daardoor “slechts desoriënteren en bevreemden.” Ook hij stelt zich de vraag “wat eigenlijk, in de economie van de roman, de functie is van de sarcastische Wassenaar-episode.” Zijn conclusie is dan ook dat “de uitwerking van (de) roman niet helemaal aan (de) bedoelingen beantwoord.” René Gysen was niet gevoelig voor de surrealistische werking van Van Brussels beeldenrijkdom en staarde de roman dood op de realistische basis van die beelden. In zijn verwachting van een uitdieping van het “ruimte-tijdperspectief” en tegenstellingen als die tussen kunst en pseudo-kunst, werd hij teleurgesteld en daarom oordeelde hij Voor een Plymouth Belvedere als “geen buitengewoon, maar gewoon een goed leesbaar boek.” Paul Hardy was negatiever en stelde zich de vraag “of deze geëngageerde auteur niet beneden zijn potentieel rendement bleef, daar hij mogelijk de elementaire kracht ontbeerde van de ‘verteller’ en precies derhalve zijn heil zocht in visionaire momenten, zonder daarom bij machte te zijn z’n wonderlijke verbeeldingswereld te ordenen.”
Maar de dichter Willem M. Roggeman benoemde de drukte en woeligheid van Thomassen als “sterk gestoffeerd” en beschouwde het nu juist als een sterk punt, een hoedanigheid “die vele Vlaamse schrijvers wegens gebrek aan ervaring of verbeelding nog missen.”
Hieraan kan nog een ander oordeel worden toegevoegd, namelijk dat juist die drukte en woeligheid, in combinatie met die desoriënterende en bevreemdende werking, de onderliggende problematiek naar de lezer toeschuift en tot in zijn gevoel laat doorwerken.
De hardnekkigheid van woorden
De eerste drie romans tonen Van Brussel als een volgroeid auteur en bij Voor een Plymouth Belvedere kun je dan ook al spreken van een ‘typische’ Van Brussel. Dat het Utopia waar we naar verlangen en waar we naar blijven zoeken, niet van deze wereld is, het is duidelijk een uitgekristalliseerd basisthema. Zijn stijl van korte zinnen die woordkarigheid suggereren en tegelijkertijd met een overvloed aan beelden bevatten, is herkenbaar. De compositie in korte hoofdstukken eveneens. Het Nederlands is af en toe wat stroef, de stijl van een Vlaming uit de eerste helft van de vorige eeuw, die zich zijn taal heeft moeten toe-eigenen, maar die stroefheid wordt ruimschoots gecompenseerd door een flamboyante dichterlijkheid en een intrigerende ideeënrijkdom. Al de romans, zelfs Het labyrint, hebben de sfeer van een intellectuele afstandelijkheid, en tegelijkertijd zijn ze door de intens weergegeven en zo kleurrijke wederwaardigheden van de hoofdpersonen vol emotie. In alle gevallen wordt de lezer die daar voor openstaat meegesleurd om op zichzelf te worden teruggeworpen.
De romans wekken de indruk dat Van Brussel binnen dit volgroeide kader een balans probeerde te vinden tussen zijn creativiteit en zijn persoonlijke omstandigheden. Van De visioenen van Jacques Weiniger, bijna een ander, naar de eigen probleemstelling van het kunstenaarsschap in een wereld die materiële eisen stelt in Voor een Plymouth Belvedere en vooral Het labyrint. De boeken lijken uitdrukking te geven van een geleidelijk, mooi verlopend groeiproces, waarin Van Brussel zijn persoonlijk ideaalbeeld bewust maakte door dat te verwoorden en om daarmee tot een werkbaar evenwicht te komen. Maar die indruk stemt niet overeen met de werkelijkheid. Integendeel.
Na de publicaties uit het eind van de jaren vijftig, afgesloten met zijn prozadebuut bij Manteau in 1960, bleef het zes jaar stil rond van Brussel. Pas in 1966 verschenen zijn volgende publicaties. Niet zomaar één volgend boek, maar drie verschillende titels: de gedichtenbundel Oase en de romans Het labyrint en Voor een Plymouth Belvedere. Bovendien verschenen de boeken bij drie verschillende uitgevers. Oase gaf hij in eigen beheer uit, Het labyrint, dat hij te persoonlijk vond voor een grote uitgeverij, bracht hij onder bij de kleine, beginnende uitgeverij De Kentaur, en Voor een Plymouth Belvedere verscheen weer bij Manteau. Een welhaast unieke ontwikkeling, die alleen begrepen kan worden in het licht van Van Brussels persoonlijke omstandigheden.
Het schema van De visioenen van Jacques Weiniger ontstond al aan het eind van de jaren veertig, in de eerste jaren van Van Brussels huwelijk, geïnspireerd door een Joodse vriend die de concentratiekampen had overleefd. Het groeide begin jaren vijftig uit tot een roman, maar pas in 1957 spoorde de toenmalige burgemeester van Antwerpen, Camille Huysmans, Van Brussel aan het manuscript Manteau aan te bieden. Jos Vandeloo las het, het werd geaccepteerd en in 1960 gepubliceerd. Van Brussel was toen al gewend aan het lange leven van zijn teksten vóór publicatie, want in 1957 werden bij het Artiestenfonds zes gedichtenbundels gepubliceerd die hij jaren eerder had geschreven. Ook het in 1966 gepubliceerde Voor een Plymouth Belvedere kent zo’n lange geschiedenis, want de eerste teksten werden in 1958/1959 geschreven, nadat het gezin Van Brussel een villa in Braschaat betrokken had.
Schrijven was dus niet iets nieuws voor Van Brussel, verre van dat. Behalve deze uiteindelijk in boekvorm verschenen teksten, schreef hij in de periode 1954 tot 1956 ook nog de dikke roman De ontsterfelijke, die door het Nederlandse Alberdinck Thijmfonds werd geaccepteerd. Van Brussel ontving er het omslagontwerp van, alsmede zijn honorarium, om er vervolgens nooit meer iets van te horen.
Aan het eind van de jaren vijftig werkte Van Brussel voor La Banque d’Anvers, waar hij in een drukke baan groeide naar verschillende functies. Hij had de verantwoordelijkheid voor een gezin, dat in 1960 al elf kinderen telde. Het zouden er dertien worden, waarvan een zoon in 1961 stierf bij de geboorte. En alsof de drukte nog niet groot genoeg was, huisvestte het gezin vakantiegangertjes uit Duitsland en Oostenrijk. Bovendien was Van Brussel zijn hele leven actief betrokken bij tal van verenigingen, als voorzitter, afgevaardigd beheerder, secretaris, penningmeester of gewoon als lid, ook in deze periode. Zo was hij stichter en voorzitter van de Marnix-kring Antwerpen-centrum. Alleen al op grond van die activiteiten vroeg men zich in de familie af waar hij de tijd vandaag haalde kinderen te verwekken. Al vanaf zijn jonge jaren schilderde hij talloze schilderijen. In 1954 kocht hij grond in Brasschaat en liet er een huis bouwen, waarheen het gezin in 1956 verhuisde. Naast al die bezigheden en verantwoordelijkheden schreef hij; ’s nachts aan de keukentafel, overdag soms op de grond van de slaapkamer. Voor wat betreft de literatuur was het maar gelukkig dat Van Brussel weinig slaap nodig had, meestal pas om vier uur ’s nachts naar bed ging. Zonder die extra uren zou misschien veel niet geschreven zijn. Toch was het een overvol leven en dat eiste natuurlijk ook lichamelijke zijn tol. In 1956 hield een maagzweer hem zes weken op bed. Hij ging te vroeg weer aan het werk en in 1957 ontwikkelde zich een nieuwe maagzweer.
Dit drukke leven verklaart mede waarom de romans van Van Brussel in hun opbouw zo gefragmenteerd lijken; waarom ze bestaan uit korte hoofdstukken en tal van scènes. Een ander deel van de verklaring is natuurlijk de aard van Van Brussel, de dichter en schilder die hij ook was. Uit deze aard en omstandigheden vloeit voort dat een mooie nette ontwikkeling als publicerend auteur bijna onmogelijk was. Er ontstonden teksten die door andere verplichtingen op de achtergrond raakten, terwijl later, in gewijzigde levensomstandigheden, nieuwe teksten de schrijfaandacht afdwongen. Weliswaar creëerde Van Brussel voor zichzelf een houvast door voor een roman eerst een schema op te zetten, een kader waarop hij na verloop van tijd weer kon terugvallen, een garantie dat de oorspronkelijke bevlogenheid zich zou voortzetten, gaf dat natuurlijk niet. Daarbij was Van Brussel ook naar zichzelf een kritisch mens en al dan niet onder druk van de omstandigheden ontstond er ook wel eens een boek waar hij niet tevreden over was: “Ik heb nog wel eens een boek geschreven tussendoor, waarmee ik naderhand niet zo gelukkig was en dat nu in mijn kast als herinnering aan vergeefse moeite de eeuwige rust kent.” Maar Van Brussel was ook ‘trouw’ aan zijn teksten, in die zin dat hij er vaak bij terugkwam om er verder aan te schrijven of ze zonodig meerdere keren te herschrijven. Dat hij een manuscript in de kachel gooide omdat het hem niet beviel, zoals hij ooit eens deed, nog voor hij met De visioenen van Jacques Weiniger begon, was toch een uitzondering.
In een overvol leven moeten de geschreven teksten wel een sterke persoonlijke band hebben, en de kans is groot dat zo’n band de vonk van het creatieve schrijfproces weer aanwakkert, ook al is er tijd verstreken en zijn de omstandigheden veranderd: de Joodse vriend bij De visioenen van Jacques Weiniger, de jeugd van de luxe villawijk in Brasschaat die hem in Voor een Plymouth Belverdere met grote zorg deed nadenken over de toekomst van zijn eigen kinderen, de midlifecrisis van Het labyrint.
Een publicatiehistorie van horten en stoten, met meer of minder grote gaten, lijkt dan ook onvermijdelijk. Van Brussel kon zich die onregelmatigheid natuurlijk ook veroorloven, omdat hij daarnaast zijn betrekking bij de bank had.
Zo ook met Cassandra en de Kalebas. In de uitgevershistorie is het de vierde roman van Gust van Brussel, gepubliceerd in 1967, maar het begin werd al in de jaren 1954 tot 1956 geschreven, dezelfde tijd waarin de roman De onsterfelijke verdween. In 1960, het jaar van de onafhankelijkheidsstrijd in Belgisch Kongo, kreeg het zijn definitieve vorm, in een periode waarin Van Brussel afwisselend aan deze roman en aan Voor een Plymouth Belvedere werkte. Ook bij deze roman dus een lange geschiedenis vóór publicatie. En ook bij deze roman een persoonlijke basis: Van Brussels broer was medisch laborant in de Kongo en meerdere van zijn zwagers werkten daar. In de familie van zijn vrouw was ook een halfbloed opgenomen, het kind van een oom. De wijze waarop de onafhankelijkheidsverklaring in de Belgische pers werd afgeschilderd als het natrappen van een communistisch geïnspireerde en zeer ondankbare negerbevolking, raakte hem zeer. Ook hier weer de directe persoonlijke aanleiding tot de roman.
Cassandra is de dochter van een zwarte vrouw uit de Kongo en een blanke kolonisator, die als baby naar België kwam en daar opgroeide in het gezin van haar vaders broer. Haar moeder heeft ze nooit gekend, haar vader nauwelijks. Die “bracht haar destijds naar België, zoals hij zijn koffers meebracht.” Het verhaal speelt zich af wanneer Cassandra een jonge vrouw is, in de tijd dat de Kongo zich losmaakt van België en de kolonisten terug naar België komen, waaronder ook haar neef, de zoon van haar oom. De ondertitel van het boek is “Analyse van een innerlijk avontuur”, want daar gaat de bovenste verhaallijn over: het innerlijk avontuur van Cassandra, opgegroeid als een vreemde in een witte cultuur. “Cassandra groeide met de instinktieve angst die vreemdheid te verliezen, maar met een verlangen naar een witte huid.” Een kind van twee werelden. Uiteraard wordt zij door de vrijheidsstrijd en de teruggekeerde kolonisten tussen die twee werelden vermorzelt. In het begin van het verhaal is zij niet in staat met enkele Kongolese jongeren in het reine te komen. Zij ontmoet hen op de Wereldtentoonstelling, maar wanneer een van hen toenadering zoekt, ontwijkt zij hem, zonder hem geheel af te wijzen. Later krijgt zij vanuit de Kongo een ‘brief’ van hem in de vorm van een beschilderde kalebas; een soort oerbrief die aansluit bij de primitieve kern van haar wezen, bij de primitieve kern van elke mens. Zoals ook de boodschap die op deze kalebas is geschilderd: “je vous aime”.
De teruggekeerde zoon vecht in België met zijn eigen verstoorde dromen als kolonialist en Cassandra is op een bepaalde manier de verpersoonlijking van dat kolonialisme: het samengaan van zwart en wit. Aanvankelijk is er tussen hen vooral strijd, maar uiteindelijk ook de aantrekking tussen twee mensen die beide tussen twee werelden terecht zijn gekomen. Wanneer Cassandra aan het eind zwanger wordt van hem, haalt hij haar over kinine te nemen om de vrucht af te drijven.
Al in het begin heeft ze een kunstenaar ontmoet, de schilder Guido. Teruggedrongen in zichzelf is ook Cassandra een kunstenaar geworden, een dichteres. De weemoedige gedichten over de Kongo geeft Van Brussel nadrukkelijk een plaats in de roman. Weemoedig trouwens niet in de zin van een persoonlijk verleden, maar een verleden vanuit het bloed, een diepgeworteld verlangen naar een Utopia. Haar gesprekken met de schilder zijn vooral erg rationeel, zoekend naar de essentie van het leven, zonder dat zij het te pakken kunnen krijgen. Aan het eind van het boek ligt Cassandra bij de schilder op sterven door de kinine. Ze wordt opgehaald door een ziekenauto en er wordt gesuggereerd dat zij sterft. De schilder wordt door de politie ondervraagt, terwijl hij feitelijk niet voor de toestand verantwoordelijk is: “Hij ondergaat alles suf en instinktmatig. Ondertussen beuken de dokters de deur van Cassandra’s slaap in. Met nutteloze energie. Cassandra is op weg naar een onbekend kontinent, waar haar dualiteit zich oplost in de elementen van de kosmos. Voor Guido heeft Cassandra zich opgelost in haar slaap. Hij antwoordt op geen enkele vraag. Hij kent geen enkel antwoord. Hij herinnert zich van Cassandra niets dan het vers dat hij in zijn jaszak heeft. Het allerlaatste vers, waarmee alles definitief werd en voltooid. Waarmee alles herleid werd tot niets.” (blz. 162) En dat vers eindigt met: “Als de blanke je breekt/ als een rietstengel, neger,/ vergeet Kongo niet.” (blz. 165).
In die zin lijkt de kunstenaar als Van Brussel zelf, betrokken bij de dingen die gebeuren maar toch een buitenstaander, iemand die ondanks al zijn filosofieën geen antwoorden heeft. Zoals eerder te lezen is: “Vaderland? Ik ken dat begrip niet meer. Ik heb het verworpen. Ik ken wel een land dat niet meer bestaat omdat het nog steeds niet bestaat. Lumumba heeft dat niet begrepen. Sommige Uno-mensen geloven ook in een utopische staat. De grens van Utopia ligt in een andere dimensie dan de onze, Cassandra; dat moet je begrijpen.” (blz. 75). Dat overkwam ook Jacques Weiniger, maar Cassandra gaat niet eens meer op reis. Zij wordt zwanger, neemt die te grote dosis kinine en laat de schilder Guido, met stomheid geslagen, achter met haar laatste gedicht.
Net als het Utopia van de Joodse staat is het Utopia van de Kongolese vrijheidsstrijd een valse belofte, want het Utopia moet uit de mens zelf voortkomen. Opnieuw is de kunst de meest duurzame uiting van de verscheurde moderne mens, die voortdurend wordt geconfronteerd met het falen van de menselijke communicatie.
De Nieuwe Gids oordeelde dat “precies in de figuur van een halfbloed enorme mogelijkheden schuilen om de tragiek in het contact, of in de kortsluiting, tussen blank en zwart tot gelding te brengen. Gust van Brussel heeft deze mogelijkheden scherp aangevoeld maar niet uitgeput, althans niet dermate uitgeput dat wij ons door zijn ‘Cassandra’ volledig overtuigd zouden voelen… De reden daarvan ligt in een gebrek aan ‘eigen zelf beleven’… De sfeer van zijn roman is nogal abstrakt, meer precies: verijld. De overdadige breedsprakigheid van de auteur zal daar wel niet vreemd aan zijn; die overschrijdt vaak de grens van wat de lezer, de grens tegelijk van wat het verhaal verdragen kan.” De dialogen van Cassandra met de koloniaal en de kunstschilder, beschouwt de recensent als “een opeenstapeling van enigmatische en ijdele formuleringen en []sofismen” en “precies in dit eeuwig geredeneer op basis van al te gladde argumenten ligt een tweede oorzaak van het gemis aan overtuigingskracht van Gust van Brussel’s roman.” Ook wijst de recensent op “een volstrekt overbodig toemaatje”, dat “verhaalt en verklaart in het met politiek-informatieve gegevens omklede negende hoofdstuk, geheel buiten Cassandra’s tragiek om, hoe Lomani aan zijn einde komt.”
Toch heeft de recensent er oog voor dat de roman symbool staat “voor de gespletenheid en de halfheid van de moderne mens in het algemeen.” En dat dit duidelijk naar voren komt noemt hij “een uitdrukkelijk woord van lof voor de auteur!” “Maar het symbool moet krachtig genoeg zijn om te betekenis te kunnen dragen die men het toemeet… En dàt leek mij dus niet helemaal het geval met het in het geheel niet onverdienstelijke maar losjes gestructureerde en wat in het ijle gecomponeerde ‘Cassandra en de kalebas.’”
De opmerking dat zijn werk “een gebrek aan eigen zelfbeleven” toonde, een opmerking die in andere woorden ook bij De visioenen van Jacques Weiniger werd gemaakt, wekt de indruk dat de romans van Van Brussel bedacht waren, dat het rationele keuzen waren, waar later niet zelf doorleefde personages en omstandigheden bij werden gezocht. De leefomstandigheden van Van Brussel en de wijze waarop zijn teksten tot stand kwamen, zoals die hiervoor geschetst zijn, geven aan dat dat niet juist is. De boeken zijn alle geworteld in een persoonlijke ervaring en ze zijn juist zeer persoonlijk doorleefd. Het labyrint oordeelde Van Brussel zelfs té persoonlijk om het onder te brengen bij de grote uitgeverij Manteau.
Wel is het duidelijk dat Van Brussel een intellectueel was, met een ruime belangstelling voor de maatschappelijke ontwikkelingen, en dat hij de opvatting huldigde dat een literair werk niet alleen doorleefd maar ook doordacht moest zijn. Hij wilde zijn romans een meerwaarde geven, door ook het gedachtegoed van filosofen en schrijvers in zijn werk tot uiting te brengen. Want naast al zijn bezigheden vond Van Brussel ook nog tijd om Plato, Camus, Kierkegaard, Joyce, Dumitriu, Sartre, MacLuhan en Arthur Koestler te lezen. Of Jack Kerouacs “On the road” en “The subterraneans”, waarvan hij later invloeden in Voor een Plymouth Belvedere voelde. Die intellectuele uitwerking was bij Van Brussel echter niet het resultaat van een afstandelijk, bedacht standpunt, het vloeide voort uit de persoon die hij was. En deze benadering bleef ook niet steken in een intellectualistisch schaakspel, maar werd, behalve doordat elk werk sterk wortelde in een persoonlijke ervaring, vooral ook door het dichterschap van Van Brussel op persoonlijke wijze ingekleurd. Die combinatie van intellectueel en dichter gaf bij veel critici de indruk dat hij vanuit de idee schreef en dat idee sublimeerde in zijn romans.
Van Brussel is van Antwerpen
Dat Van Brussel in zijn omstandigheden überhaupt schreef, en dan ook nog met zo’n hardnekkigheid, toont dat schrijven niet zomaar een bezigheid voor hem was. Het zat hem in het bloed. Dat roept de vraag op hoe het schrijven in zijn bloed terecht is gekomen en hoe de omstandigheden die daarvoor hebben gezorgd, de vorm van zijn werk hebben bepaald.
Van Brussel werd op 12 september 1924 in de middenstad van Antwerpen geboren, een jaar na een oudere zus. In 1926 en 1927 volgden nog twee broers. In 1928 verhuisde het gezin naar een zijgangetje van de Congresstraat, een afgesloten rijtje huisjes met tuintje.
De ouders van Van Brussel waren, ieder op eigen wijze, intelligente en ontwikkelde mensen. Zijn moeder, de dochter van een gegoede koopman in Brugge, voltooide een opleiding als lerares, in het begin van de 20ste eeuw een opmerkelijke prestatie voor een vrouw. Zij was een zeer godsvruchtige vrouw. Haar gedachten werden overheerst door een alomtegenwoordige God, door engelen en duivels, en zij had een diepe angst voor alles wat met de dood te maken had. Zijn vader compenseerde zijn lagere school ruimschoots door zijn intelligentie en brede belangstelling. In plaats van zijn oudere broer had hij in de Eerste Wereldoorlog vier jaar in de loopgraven doorgebracht en daarna werd hij in Antwerpen politieagent, een beroep dat aansloot bij zijn sociale geaardheid: hij was betrokken bij verschillende verenigingen, als stichter of als drijvende kracht, en veel mensen deden een beroep op hem voor goede raad of het schrijven van brieven, gebeurtenissen waarbij hij zijn kinderen naar het keukentje bracht en ze opdroeg rustig te zijn.
De sfeer in het gezin Van Brussel werd bepaald door de godsvrucht en doodsangst van moeder en het oorlogsverleden en de sociale betrokkenheid van vader. Het was geen luchthartige sfeer. Zo hoorde Van Brussel pas in de Congresstraat, drie jaar oud, voor het eerst zingen, en dat je zomaar zinnetjes kon zingen en dat dat leuk klonk, maakte grote indruk op hem. Temeer omdat woorden en zinnen toen al een grote waarde voor hem hadden.
Als peuter werd Van Brussel geregeld rondgereden in een dubbele kinderwagen. Vanuit die positie had hij voortdurend zicht op de ontwikkeling van zijn een jaar oudere zus. Hij zag en hoorde hoe zijn moeder haar leerde praten en worstelde om de natuurlijke achterstand die hij op haar had in te halen. In zichzelf oefende hij de woordjes die zijn moeder zijn zus probeerde te leren en uiteindelijk verraste hij iedereen door als eerste woordje niet ‘vader’ of ‘moeder’ te zeggen, maar ‘geranium’.
Van Brussel was niet alleen een intelligent en gevoelig kind, hij had ook een grote visuele ontvankelijkheid, getuige ook de beelden uit zijn allervroegste jeugd die hij zich nog altijd voor ogen kan halen – een kamer met geraniums op de vensterbak, de pui van het huis waar ze woonden. Het is dan ook niet verrassend dat Van Brussel in zijn latere leven behalve schrijver ook schilder zou worden. Behalve dat het belang van woorden als noodzakelijk communicatiemiddel diep in zijn wezen werd verankerd, werd hij ook sterk beïnvloed door de beelden uit zijn vroegste jeugd. Toen een oude man in de Congresstraat overleed, werd zijn moeders doodsangst op Van Brussel geprojecteerd, indrukwekkend geconcretiseerd in de doodskoets, de paarden en de zwarte bekleding. Zijn vaders sociale betrokkenheid lijkt mede bepalend voor de geëngageerdheid die van Brussel vanaf zijn eerste boeken tentoon spreidde.
Van Brussel was een introvert, zwijgzaam kind, dat bovendien nog wat ziekelijk was. Dat ergerde zijn daadkrachtige en sociaal ingestelde vader, die zijn oudste zoon wat afkeurend Willem de Zwijger noemde en die zijn aandacht veel meer richtte op de energiekere en fysiek sterkere jongere broer. De oorlogsheld uit de Eerste Wereldoorlog, die aan die oorlog een chronische bronchitis had overgehouden waardoor fysieke prestatie voor hem nog belangrijker leken te zijn geworden, die held werd voor Van Brussel de maat der dingen, degene wiens goedkeuring van grootste betekenis was. Het bracht van Brussel tot voetballen, waarbij hij zich onder het toeziend oog van zijn vader een waardige zoon probeerde te tonen door te scoren. Hij kon daarbij zó hard rennen, dat het de aandacht trok van de atletiekvereniging, waar hij op uitnodiging lid van werd. Bovendien versterkte het zijn taalgerichtheid, want als tegenwicht voor zijn teruggetrokken geaardheid leerde zijn moeder, de lerares die huisvrouw was geworden, hem al zeer jong schrijven. Daarmee werd hem ook het belang van schrijven haast met de paplepel ingegoten.
In plaats van de luchthartigheid van de krekel kende gezin Van Brussel de serieuze arbeidzaamheid van de mier. Het leven was een serieuze aangelegenheid, geen lolletje, en dat werd de jonge Van Brussel op zesjarige leeftijd nog eens danig ingewreven: in 1929 werden zijn beide ouders in het ziekenhuis opgenomen met longpest, de papegaaienziekte. Zijn broers en zus gingen naar ooms en tantes, alleen Gust ging naar een weeshuis, opnieuw het buitenbeentje. In een later interview zou hij daarover zeggen: “ik wist opeens niet meer in welke wereld ik leefde. Ik voelde me ‘vermist’; kon mezelf niet meer thuis-brengen.” Het is begrijpelijk en voorspelbaar dat dit verzet opriep. Hij werd onhandelbaar en werd uiteindelijk opgevangen door zijn grootouders in Brugge.
In 1930, toen de ouders weer uit het ziekenhuis waren, verhuisde het gezin naar de nieuwe Antwerpse tuinwijk De Luchtbal, gebouwd op grote hoeveelheden opgespoten zand, dat door grote buizen van elders werd aangevoerd. Zo’n wijk waar nieuwe gebouwen naast tijdelijke barakken staan. Het gezin van Brussel vond er een ruimer en comfortabeler huis, en hoopte dat de buitenlucht goed zou zijn voor de bronchitis van vader. Gust doorliep er de lagere school, waarop hij alle zes de jaren de beste van de klas was. Een leraar die zong en schilderde veroverde een belangrijke plaats in het leven van de jeugdige Van Brussel, werd naast zijn eigen vader een voorbeeld, en door deze leraar vervolgde het lot van de taal, dat van Brussel blijkbaar was toebedeeld, zijn weg: het was die leraar die Van Brussel stimuleerde om verhaaltjes te schrijven. Zo rond zijn tiende schreef hij zoveel bladzijden van een schriftje vol, dat hij meende een boek te hebben gemaakt.
Dat Van Brussel behalve een goede leerling ook een goede sporter bleef, was des te opmerkelijker omdat hij nog altijd worstelde met zijn gezondheid. Net als zijn moeder en grootmoeder had hij hartproblemen, die geregeld tot een crisis leidde. In die tijd behielp men zich met volksmiddeltjes, maar veel baat brachten die niet. Pas na de tweede wereldoorlog werd zijn kwaal gediagnosticeerd als een vorm van supraventriculaire tachycardie, waarbij hartritmestoornissen optreden. De psychische spanning die de vele veranderingen bij de intelligente en gevoelige, veel van zichzelf eisende jonge Van Brussel zullen hebben veroorzaakt, de ziekenhuisopname van zijn ouders en het verblijf in een weeshuis, zullen juist zo’n hartziekte beïnvloeden, waardoor hij er in moeilijke perioden meer last van kreeg.
In die tijd ging men na de zesde klas lagere school naar de middelbare school of men bleef nog twee jaren op de lagere school, om daarna te gaan werken. Dat laatste dreigde voor Van Brussel, omdat zijn ouders het financieel niet konden opbrengen hem naar de middelbare school te laten gaan. Het moet voor de intelligente en leergierige Gust een schrikbeeld zijn geweest, dat veel opgekropte woede en machteloosheid moet hebben opgeroepen. Het zal er aan hebben bijgedragen dat in het zevende jaar van de lagere school zijn hartcrissessen zodanig toenamen dat hij vele lessen miste.
Er tekende zich voor Gust van Brussel een toekomst af, die hij zich niet wenste. Een toekomst als arbeider, zonder verdere opleiding. Zo’n toekomst zou zijn binding met het woord niet hebben veranderd en zou zijn toekomst als schrijver niet in de weg hebben gestaan, net zo min als de arbeidersjeugd van bijvoorbeeld Maurits Dekker diens succesvolle schrijverschap heeft verhinderd. Maar Van Brussel was een ander mens en een ander soort schrijver, en hoe het verder voor hem zou zijn uitgepakt, is natuurlijk onzeker. Misschien was hij wel een veel beroemdere schrijver geworden dan nu het geval is. Of misschien was het schrijverschap toch in de kiem gesmoord. Dat was blijkbaar een risico dat het Lot niet wilde lopen, want in 1938, toen Van Brussel in het begin van de achtste klas zat, kreeg het gezin een erfenis en was er opeens veel meer mogelijk: het gezin verhuisde naar Edegem, een voorstad van Antwerpen, en Gust en zijn broer konden toch nog verder leren. Maar deze gunstige ontwikkeling kreeg een onvoorziene schaduwzijde.
Van Brussel werd samen met zijn broer Emiel naar het pensionaat van het Klein Semenarie van Hoogstraten gestuurd, de “Pastoorkesfabriek”. De overgang van de avontuurlijke vrijheid in De Luchtbal en de opsluiting in een somber pensionaat was Van Brussel te veel en al na enkele dagen ontsnapte hij, samen met zijn broer. Hij mocht niet terug en werd in een pensionaat in Berchem geplaatst, het Sint Stanislas College. En toen speelde zijn gezondheid hem opnieuw parten: nu hield een longaandoening hem maandenlang in bed. Toen hij in september 1939 eindelijk op het college aan de slag kon, was hij een stuk ouder dan zijn klasgenoten, alweer het buitenbeentje.
Zijn ontluikende schrijverschap trok ook hier de aandacht van zijn leraren. De leraar Nederlands gaf hem boeken van bijvoorbeeld Couperus te lezen en er ontstond een jarenlange vriendschap tussen hen. Zijn leraar Grieks, Xavier de Win, die het volledige werk van Plato in het Nederlands vertaalde, riep zijn hulp in bij het vertaalwerk, om nuanceringen van de vertaling op te zoeken (“het proeven van woorden”). Een activiteit die dus meer op het Nederlands was gericht dan op het Grieks. Gedurende die collegejaren schreef hij vele gedichten en verhalen, en zelfs toneelstukken. Net als op de Lagere School was hij de opstelkoning. Haast in navolging van zijn vader, die bij de oprichting van zo veel verenigingen betrokken was geweest, richtte hij in 1943 een Vlaamse Academie op, die door de schoolleiding werd verboden en daardoor clandestien opereerde.
En daarnaast ging hij ook verder met sporten. Hij speelde in het voetbalteam van het College, was lid van de Beerschot Atletiek Club en werd in 1944 Belgisch juniorenkampioen op de 200 meter.
Vanaf negen mei 1940 had de Tweede Wereldoorlog zich ook uitgebreid tot België. Iedere jongeling die boven de zestien was, moest zich aangeven, maar gelukkig was Van Brussel pas vijftien. Zijn vader, politie-inspecteur te Antwerpen, raadde hem aan zich koest te houden. “Heldendaden heb ik nooit uitgericht. Ik was een toeschouwer.” Aldus het oordeel van Van Brussel zelf. Maar in die eerste dagen zag hij hoe de Fransen en Engelsen zich in hun straat verschansten en per abuis met elkaar in gevecht kwamen; hij zag vrachtwagens met doden en gewonden rijden, dode soldaten langs de weg liggen en uiteindelijk de Duitsers opmarcheren. Door het blijven van de koning en de regering was de bezetting in België wat minder nadrukkelijk dan in Nederland. Er was bijvoorbeeld geen Kultuurkamer, de politie bleef gewoon de politie etc. Vader Van Brussel bleef dan ook in functie. Hij wist daarmee niet alleen zijn gezin voor de ergste ontberingen te behoeden, maar ook anderen zoveel mogelijk te helpen: hij gaf een Joodse familie onderdak, verstopte een parachutist in een geheime kamer die hij had gemaakt. Tegen het eind van de oorlog, toen hij zich moest melden voor de arbeidsdienst in Duitsland, verstopte ook Van Brussel zich in dat kamertje. Hij werd opgepakt en weer vrijgelaten omdat hij op weg was naar een nationale sportwedstrijd. In 1943 werd Antwerpen door de geallieerden gebombardeerd, waarbij meer dan tweeduizend doden vielen, en Van Brussel hielp de dode kinderen op te graven. Dagelijks vlogen de V1 en V2 bommen over het huis. De jeugd werd naar een school in Torhout gestuurd om de bommen te ontvluchten, maar wegens zijn hartproblemen keerde Van Brussel al snel weer terug naar Antwerpen. Daar volgde hij lessen in de kelders van het Sint Lievenscollege, kreeg hij opnieuw gezondheidsproblemen, volgde een spoedcursus in het Sint Michielscollege. Wanneer Van Brussel over deze jaren vertelt, spreekt hij over het college, over de sport, over de literatuur en het schrijven. Pas wanneer je er expliciet naar vraagt, zal hij over de oorlog vertellen. “Wat wil je dat ik erover vertel?” Korte anekdotes, beginnend met de vraag “moet ik vertellen over…? Zo liep de oorlog maar verder in vrees, verdriet en schaarse vreugde.” De bevrijding met de volkswoede was voor hem onthutsend en ontmoedigend. “Als je meisjes die je gekend hebt ingetoomd als paarden een kar ziet trekken met witte brigademensen en Amerikaanse soldaten… Zelfs liefde voor een Oostenrijkse soldaat kwam toen een buurmeisje en haar hele familie duur te staan. Ik ga niet verder. Het deprimeert me te erg.” Nog altijd.
“De droom van een nieuwe wereld stierf daar al voor hij begonnen was.”
Niet alleen in de Congresstraat draafden de zwarte paarden van dood indrukwekkend aan Van Brussel voorbij.
Na de oorlog zocht het leven weer zijn normale gang. In 1945 werd Van Brussel toegelaten tot de universiteit van Gent, waar hij Germaanse Filologie studeerde, maar later ingeschreven bleek te zijn voor Rechten. Opnieuw richtte Van Brussel zich op zijn studie en het sporten. Maar in mei 1946 ging het mis, zoals het wel mis moest gaan. Met het oog op een belangrijke wedstrijd volgde van Brussel een zware training, ondanks een griep met hoge koorts. In de daarop volgende nacht werd hij getroffen door een infarct. Zo vlak na de oorlog waren er hartspecialisten noch goede medicijnen. De behandelende arts gaf hem nog hooguit een jaar te leven. Op voorstel van Van Brussel zelf werd hij in augustus 1946 bij een boerengezin in Beveren bij Oudenaarde geplaatst, in de hoop dat de buitenlucht hem goed zou doen. Een oom die kunstschilder was had daarbij bemiddeld en woonde daar vlak bij. Deze oom bracht hem in contact met andere schilders die daar in de buurt woonden. Eén van hen was ook drukker en beloofde de eerste gedichtenbundel van Van Brussel te drukken, maar na een woordentwist gooide de man het manuscript in de kachel. Maar, en dat was veel belangrijker, een dokter hielp hem daar met concentratieoefeningen en een nieuwe medicatie over zijn hartcrisissen heen.
Toen Van Brussel in 1946 terugkwam in Edegem was de studie definitief voorbij. Met hulp van zijn ouders begon hij een bloemkwekerij, in de veronderstelling dat het een niet zo zwaar beroep was. In dat jaar leerde hij ook zijn toekomstige vrouw Monique kennen, een Waalse uit Charleroi, met wie hij in 1948 trouwde. Aan het einde van dat jaar werd zijn eerste kind geboren, in de jaren daarna volgde er jaarlijks een nieuwe telg, tot het gezin twaalf kinderen rijk was. Ondanks de beslommeringen van een eigen bedrijf en een groeiend gezin bleef Van Brussel talloze gedichten en verhalen schrijven. Het schema van De visioenen van Jacques Weiniger ontstond in deze tijd, geïnspireerd door een gelijknamige Joodse vriend.
Het draaiende houden van een eigen bedrijf viel echter danig tegen. Het bleek hard en lang werken, tot het waken bij kachels in koude winternachten voor het overleven van het kweekgoed. In 1950 verkocht hij zijn bedrijf, leefde enige tijd van de opbrengst daarvan en vond in 1951 werk in Gistel bij Oostende als bediende bij een gas- en elektriciteitsbedrijf. Hij ervaarde het als een “verbanning”, des te zwaarder omdat zijn toen nog Frans sprekende vrouw er niet kon wennen. In 1954 keerde hij terug naar Antwerpen, waar hij als boekhouder in dienst trad bij La Banque d’Anvers. Het bracht rust en vormde de vooravond van Van Brussels bestaan als publicerend auteur.
Beeldende taal zat Van Brussel waarschijnlijk al in de genen, maar zijn persoonlijke geschiedenis geeft duidelijk weer dat het schrijven hem met de paplepel werd ingegoten. Al had hij wel degelijk de drang om te publiceren, al vanaf dat eerste schriftje dat hij op de lagere school volschreef, de drang om te schrijven was nog wezenlijker. Daarbij schreef hij voortdurend aan verschillende werken, afhankelijk van de drukke woelingen in zijn leven.
Zijn opmerking in een interview enkele jaren later, dat zijn boeken “binnenuit” zijn geschreven, is dan ook volkomen geloofwaardig. “Ik beoordeel mijn onderwerpen niet. Ik onderga ze en tracht de lezer tot een oordeel te brengen… Ik vind dat een boek als opdracht heeft je als mens te vormen. Ik geloof echter niet dat mijn werk zo intellectualistisch is als in Vlaanderen wel eens wordt beweerd.” Een stelling die vanuit de huidige, van informatie overvolle maatschappij alleen maar bevestigd wordt.
Ook geeft zijn geschiedenis aan dat de thematiek van het onbereikbare Utopia, die in zijn eerste romans zo nadrukkelijk aanwezig was, een zeer persoonlijke was. Niet alleen het tijdsgewricht waarin hij opgroeide, de tijd van wereldschokkende veranderingen, van oorlogen en ideologieën, ademde die sfeer, ook in zijn persoonlijke wederwaardigheden dreigde steeds weer de verandering van een andere wereld, van de buitenwijk de Luchtbal, het weeshuis, het college. Een periode waarin van iedereen een sociaal engagement werd gevraagd. Het maakte Van Brussel een pessimistische realist, te intelligent om te geloven in al die “heilslarie”, iemand die over alle instituten negatief was. En hij was ook pacifist, tegen het geweld van staat en kerk, want van geweld had hij meer dan genoeg gezien. Mede door zijn klassieke opleiding geloofde hij dat de geschiedenis zich steeds maar weer herhaalde, dat “iedere oorlog slechts de voorbereiding is op de volgende” en dat de derde wereldoorlog in de verloederde wereld elk moment kon uitbreken. Een opvatting die door de Koude Oorlog alleen maar werd versterkt.
Buiten tijd en ruimte, een andere mierenhoop
“Het ruimteschip was op de akker geland. Zo aanstonds vertrokken zij onder Benoni’s leiding naar een andere wereld… ‘We landen op Mars,’ zei Benoni. ‘Frank, zal je daar tevreden zijn? Jij droomt toch altijd van andere werelden.’”
Wie is opgegroeid in een nieuwbouwwijk zal dit gevoel van avontuur, zoals dat in Het labyrint door Frank wordt verwoord, wel herkennen. Wie jong was rond de tweede wereldoorlog, in de tijd waarin de natuurwetenschappen zich steeds sneller ontwikkelden, waarin na Jules Verne vooral H.G. Wells die ontwikkeling tot onderwerp van verhalen maakte, hoeft het niet te verbazen dat dat gevoel van avontuur vertaald wordt in beelden uit die sciencefiction. In dat opzicht zullen de jeugdherinneringen van Frank uit Het labyrint Gust van Brussel eigen zijn geweest. Uiteraard werd Van Brussel door die ontwikkeling in wetenschap en literatuur beïnvloed en alleen al gezien zijn thematiek, de verkenning van de mogelijkheden en onmogelijkheden van een menselijk Utopia, lijkt het terugkijkend onvermijdelijk dan hij een sciencefictionroman zou schrijven. Literaire sciencefiction is immers uitermate geschikt voor een sociaal betrokken intellectueel. Het genre geeft ook al ruimte aan het beeldende, poëtische schrijverschap van Van Brussel, in wiens werk sciencefictionbeelden al eerder een plaats hadden gekregen, vooral Het labyrint, waarin robots het “Hybernetisch Tijperk” dreigden in te luiden. Beelden die de moderne mens werden opgedrongen door de ontwikkelingen en die auteurs als MacLuhan en Koestler bezighielden, auteurs die Van Brussel kende en bewonderde.
Dat Van Brussel met De Ring een sciencefictionroman schreef, hoeft dus niet te verbazen, evenmin als het feit dat hij dat deed zonder vooropgezette bedoelingen. Zoals Van Brussel het later in een interview zelf zou verwoorden: “Je schrijft niet in een bepaald genre omdat het je interessant lijkt. Je doet het omdat het je enige manier is om je hart en je geest te laten spreken.” Het vloeide haast als vanzelfsprekend voort uit zijn eigen en eigenzinnige schrijverschap. Van Brussel kende het genre ook en noemde later naast H.G. Wells vooral het poëtische werk van het Franse echtpaar Nathalie en Charles Henneberg, die vooral in de jaren zestig succesvol waren en in vele talen werden vertaald maar inmiddels ten onrechte vergeten zijn, als voorbeelden.
Al even eigen aan Van Brussels schrijverschap lijken de lotgevallen van het manuscript.
Voor de oorlog waren er in navolging van H.G. Wells en Karel Capek wel enkele sciencefictionromans in het Nederlands verschenen, waaronder “Het verstoorde mierennest” van Kees van Bruggen en “De aarde splijt” van Maurits Dekker misschien wel de bekendste waren, maar dat golfje was al voorbij en voor sciencefiction was geen plaats, ook niet in Vlaanderen, ook niet in het fonds van Manteau. Zo werd bijvoorbeeld het werk van Hugo Raes in die tijd al wel door de sciencefiction beïnvloed, maar had hij de stap naar échte sciencefiction nog niet gemaakt.
Van Brussel gaf de tekst aan een huisvriend, de filosoof Wildiers, en via hem kwam het bij het Boekengilde De Clauwaert, dat onder andere werk van Ernest Claes, Gerard Walschap, Herman De Coninck en Johan Daisne bracht. Het was een initiatief van een aantal Vlaamse auteurs waaronder Maria Rosseels om een Vlaamse uitgeverij met spankracht tot stand te brengen, enigszins vergelijkbaar met het ontstaan van De Bezige Bij in Nederland. Daar lag het manuscript een jaar in de la, tot professor Wildiers het opnieuw onder da aandacht van de redactie bracht. Ze accepteerden het en vroegen meteen om een nieuw manuscript. Omdat ze De ring wilde uitgeven, ging Van Brussel op dat verzoek in en stuurde Cassandra en de kalebas, dat uiteindelijk nog eerder werd uitgegeven. Maar in 1969 verscheen dan eindelijk De ring en het werd het grootste succes tot op dat moment voor Van Brussel, die met zijn eerdere romans nog niet echt was doorgebroken, al hadden ze de aandacht van de kritiek had getrokken.
Deze keer zocht Van Brussel het beloofde land niet in het heden, maar in een fictieve menselijke mierenhoop, die hij aan het eind van de roman nadrukkelijk buiten de tijd plaatst:
“Alles is hypotese. De rechtvaardigheid zowel als de fotonenraket. Misschien gebeurde de geschiedenis van de ring reeds drie miljoen jaar geleden… Misschien overleefden enkele groepen grijze mensen, gehard in de foltering van het leven, het kataklisme. Misschien ontstond het menstype der superieuren opnieuw uit hen en hebben zij zonder er de zin van te kennen de vreemde gebaren en symbolen van het vergane Gondwana en Laurasia voortgeleerd. Misschien zijn de wonderlijke liederen over vergane rijken, gevleugelde goden die mysterieuze krachten beheersten, niet zó dwaas… Misschien gebeurt het drama echter pas over enkele honderdduizenden jaren en hebben wij nog net de tijd om aan de redding van de mens te denken.”
Toch zullen de meeste lezers het ervaren als een toekomstbeeld, zoals ook Van Brussel zelf de roman aanvankelijk ervaarde. De visioenen van Jacques Weiniger samengebald tot één groots visioen, het visioen van Gust van Brussel. Niet over afzonderlijke individuen, al treden er wel personages persoonlijker op de voorgrond, maar over de hele mensheid, net als in Laatste en eerste mensen van Olaf Stapledon, een andere klassieker uit de sciencefiction. De utopie van de wetenschap en de techniek die ons in de jaren vijftig en zestig werd voorgehouden.
De maan is door menselijk toedoen uiteengebarsten tot een dodelijke gordel van rotsblokken die steeds dichterbij komt, een “donkere partij arduin en metaalerts enkele tienduizenden kilometers boven hen. Gereed om een agglomeratie honderdmaal groter dan Porfyrion te verwoesten. De aarde open te scheuren. Alle leven te vernietigen. Iedere kiem. Iedere cel. Iedere geest.” (blz. 83) Om zich tegen deze dreiging te beschermen heeft de mens zich claustrofobisch teruggetrokken in torensteden, die zich gedeeltelijk ondergronds bevinden. Een uitbeelding van de übermensch en de üntermensch, zoals H.G. Wells dat eerder in “De tijdmachine” deed. Maar de wereld van Van Brussel is aanzienlijk complexer. Er is een kolonie op Venus waar de meest talentvollen veiligheid hebben gezocht, een poging om het overleven van de mensheid te garanderen die uiteindelijk slechts een nieuwe dreiging heeft opgeleverd, namelijk die van een andere maatschappelijke ordening, een horizontale, en de andere mentaliteit die daaruit voortvloeit. Bovendien hebben zich er mutaties voorgedaan, waardoor een nieuw soort mensen is ontstaan. Verder weg is er een planeet bij Alpha Centauri, waar ook mensen wonen waarmee na oorlogen een gespannen vrede heerst. Er worden radiosignalen ontvangen vanuit de Andromedanevel. Maar ondanks al deze technologische vooruitgang is de wereld van Van Brussel weinig utopisch, want ook op dat troosteloze toneel blijkt de mens niet in staat eensgezind een betere wereld te creëren. De beter gesitueerden houden zich nog altijd bezig met hun eigen belangen en besteden het merendeel van hun tijd aan politieke spelletjes. De massa wordt koest gehouden met grote manifestaties waarbij de twee continenten elkaar binnen de arena bestrijden, gelijkend op de gladiatorenspelen uit het oude Rome. Daarnaast is er een subtiel systeem voor het beïnvloeden van de publieke opinie. Natuurlijk volgt het onvermijdelijke: revolte, steeds verdergaande verzuiling en uiteindelijk de oorlogen die leiden tot de vernietiging van de Aarde.
Daarmee vormt de dystopie van Van Brussel ook een spiegel waarin de tekortkomingen van onze tijd worden uitvergroot en die uitgangspunt is voor sociale, politieke, onderwijskundige en religieuze overwegingen, waaronder kritiek op de steeds verdergaande specialisatie in het onderwijs. Het belangrijkste waar Van Brussel zich tegen keert is het machtsmisbruik, dat ieder mens ingeboren lijkt, en het misbruiken van de rechterlijke macht die daar altijd weer uit voortvloeit. Dat de uiteindelijke vernietiging begint bij één van de jaarlijkse manifestaties geeft vooral een oordeel over de mens, over het primaire aspect dat in dergelijke wedstrijden tot uitdrukking wordt gebracht en waar Van Brussel zich steeds opnieuw tegen keert: “Het is hem nog steeds niet gelukt de geest in zich te isoleren en de zin der dingen te ontdekken onder de oppervlakte van de fysische werkelijkheid. Hij vecht om macht, om de wellust en organizeert zich in reusachtige kudden. In zijn prachtige klederen en zijn ingenieuze bijenkorf blijft het mensdier dat schrale, schuwe, bloeddorstige wezen dat in de grotten naakt te wachten zat op de komst van het licht.” (blz. 166) En wanneer van daaruit de gebeurtenissen verder escaleren, gedragen de machthebbers zich als wereldvreemde gladiatoren in hun eigen politieke arena, niet bezig met het lot van de planeet en zijn bevolking, maar slechts met hun eigen ‘wedstrijd’, blind voor het gevaar van de ring om de planeet. De ontwikkeling wordt door Van Brussel des te triester gemaakt doordat de ring, geheel buiten de intriges en manipulaties van de machthebbers om, de uiteindelijke ondergang inluidt: wanneer een van de brokstukken op de Aarde neerstort wordt dat als een aanval van de tegenstander beschouwd en wordt automatisch de tegenaanval ingezet. En terwijl de machtigen hun onderlinge strijd voeren, vervallen de massa’s machteloos tot waanzin. En de ondergang voltrekt zich buiten iedereen om, als een cijfermatige natuurwet, als een objectief oordeel over de mens, niet over wat hij is of presteert, maar over zijn tekort, over wat hij niét presteert.
Met de woorden van een van zijn personages, de schrijver Ellender, stelt Van Brussel: “De kinderen der mensen moesten eerst en vooral weer kinderen van de aarde worden. Zij moesten weer de tekens leren kennen waarin de dingen zich uitdrukten en de eenheid zien tussen teken en geest.” (blz. 168) Daarna geeft Van Brussel zelfs de aanzet voor een nieuwe taal.
Deze samenvatting doet de complexiteit van de roman tekort. Zoals een recensent in ‘Wij’ constateerde: “De stof voor dit verhaal is zo uitgebreid, dat zij wel aanleiding had kunnen geven tot drie of vier romans.”
De ring trok volop de aandacht. Paul Hardy, bij de eerdere boeken van Van Brussel kritisch, begon zijn bespreking met “INDRUKKWEKKEND”. Hij stelde dat in De ring “inderdaad een schrijver aan het woord [is] met een bijwijlen adembenemend vertellerstalent” en dat in deze roman “de wazigheid van zijn vroegere geschriften volkomen zoek” is. “Gust van Brussel droomt op grond van technische – misschien erg betwistbare – hypotesen, maar hij droomt daaraan voorbij omdat hij de angst van de dichter kent, die wellicht niet de angst is van de technicus. Zijn inleving in deze ‘unheimliche’ wereld van zijn rijke verbeelding is van een bewonderingswaardige kompleetheid… Men heeft inderdaad bij voortduring de indruk of ons van reeds gebeurde dingen een bezield en goed gedokumenteerd relaas wordt geschonken.” Bepaalde fragmenten vindt hij “magistraal beschreven”. Zelfs recensenten die niet tot sciencefiction werden aangetrokken zoals Gaston Durnez, weet De ring enthousiast te maken, getuige niet alleen de positieve bespreking in Het Volk, maar ook door het lange interview, waarin hij onder andere stelt dat “je na een moeilijke start in de greep bent gekomen van een vreemde, beklemmende atmosfeer.” Een van zijn eindoordelen stelt dat “wat overblijft, is die beklemming, die angst om het onbegrip en de onmacht van een door mekaar wriemelende massa mensen, die blinde mieren die àlles kunnen behalve leven.” In dat interview benadrukte Van Brussel zijn opvatting dat de mens “fundamenteel de primair uit de grotten is gebleven en hij met een ongelooflijke hardnekkigheid alle macht in zijn eigen voordeel gaat aanwenden. Het is als een kortsluiting, een totaal op zichzelf gericht zijn: een magische ring die hij niet kan doorbreken. Een negativisme dat hem barbaars doet vernietigen of verfijnd verknoeien, naargelang zijn ‘culturele standing.’”
De ring wordt unaniem beoordeeld als sciencefiction “van ongewoon gehalte” (Het goede boek) en het enige punt van kritiek is “dat de mensen te schetsmatig getekend zijn en te weinig leven.” (Wij), dat “de bedreigde mens, zelf niet (dramatisch) genoeg aan zijn trekken” komt (’t Pallieterke).
Een waardering die zich niet beperkte tot de literaire kringen maar zich ook uitstrekte tot het SF-fandom, dat De ring op het eerste Belgische SF-Congres in 1970 bekroonde, én tot de wetenschap. In Dietsche Warande schreef prof. Dr. Marcel Janssens er namelijk zeer lovend over en wees er op “dat het boek geen vrijblijvend spel van de verbeelding is, maar een angstwekkend visioen van een apocalyps als voortdurend dreigende immanente straf voor een kollektieve schuld.”
De ring wordt algemeen aangeduid als de eerste literaire sciencefictionroman in Vlaanderen. Van Brussel zelf vindt die aanduiding niet juist en spreekt liever over een sociaal-futuristische roman, waarin hij een wereld gestructureerd tot in zijn verste consequenties probeert weer te geven. Voor een Plymouth Belvedere zag hij als een “satire… waarin de leegte van de pseudo-artistieke wereld te zien is, die qua mentaliteit de jeugd inspireert.” Van daaruit dacht hij door en trachtte met De ring “in de toekomst te lezen. Ik meende een wereld te zien, die wel over een fantastische structuur beschikt maar die een enorme chaos in het hart draagt. De mens vernietigt zichzelf. Dat is waar in de wereld van vandaag, net als in die van gisteren en morgen.” Vanuit die opvatting wilde Van Brussel een groots werk schrijven, volgens de opvatting van Tacitus, als een kroniceur die “nuchter alles observeert en de beoordeling aan de lezer laat.” Omdat niet alleen geleerden maar ook schrijvers “de mensen moeten wijzen op hun waanzinnige wedloop met de dood.”
Maar marketing vraagt nu eenmaal om makkelijk te herkennen labels en tot op de dag van vandaag draagt De ring de aanduiding sciencefiction met zich mee.
Het verlaten landschap opnieuw betreden
Opnieuw werd het stil rond Van Brussel, nu nog langer dan na De visioenen van Jacques Weiniger het geval was. De man die altijd het uiterste uit zichzelf wilde halen, die, zoals hij in een interview met Gaston Durnez na De ring vertelde, ook nog zou willen beeldhouwen, die huizen en meubels zou willen ontwerpen, zich in een computercentrum wilde bezighouden met het organiseren van informatie, die een eigen filosofie en moraal wilde ontwerpen en zelfs een eigen taal wilde samenstellen, waartoe hij in De ring ook een aanzet deed; de man die alles opnieuw wilde bedenken omdat hij niet kon aanvaarden wat hem als vanzelfsprekend werd voorgesteld, die man had weer eens zijn grenzen overschreden. In 1970 werd hij overspannen en dat duurde tot mei 1971. Na de jeugdrevolte van 1968 waren het voor ouders woelige tijden, ook voor Van Brussel, wiens kinderen in deze periode hun puberteit beleefden. “De villaatjes rondom ons krioelden van de jeugdproblemen [] en de revolutionaire leraren zorgden ervoor dat het antipaternalisme met de zuurverdiende lap vlees op je bord kwam… De revolte leefde in mijn huisgezin met de ganse kracht van kinderen die de noodzakelijke wijziging van de aftandse wereld sinds jaren voorspelde.”
Inmiddels was het gezin de villa in Braschaat ontgroeid. In 1972 verhuisde het gezin naar Antwerpen, waar een groot huis in de Camille Huysmanslaan werd gehuurd. Drie jaar later, in 1976, betrokken ze een beter huis in dezelfde straat.
Ondanks al die drukte bleef Van Brussel uiteraard ook schrijven. Na de publicatie van De ring meldde hij in het interview met Gaston Durnez al dat hij een nieuwe roman had geschreven, De Woonark, “die het streven behandelt naar een planetaire mens, de mens die uiteindelijk onze planeet moet bewonen. Niet de Homo Sovieticus of de man van de Pax Americana, maar de mens uit de straat, die niet aan een stad maar aan de planeet Aarde toebehoort en die het recht heeft er naar behoren op te leven.” Het schema van deze roman bevindt zich nog altijd in Van Brussels archief, maar het onafgemaakte werk vernietigde hij toen hij tot de conclusie kwam teveel van dat schema te zijn afgeweken. De Clauwaert vroeg hem om een nieuwe roman. Na het succes van De ring en zijn breakdown was Van Brussel schrijvend op zoek naar zichzelf, naar zijn eigen positie in het geheel aan zaken dat hem als een stroomversnelling had meegesleurd. Frontaal door zijn kinderen geconfronteerd met de seksuele revolte van de flower power, werd het een boek over seks, Een nacht met Aphrodite. Het katholieke uitgeversgilde bleek echter conservatiever dat Van Brussel verwachtte en keurde het manuscript af. Op het verzoek één van de vertellingen uit te werken tot een zelfstandige roman ging Van Brussel niet in. In het verlengde van zijn huiselijke problematiek schreef hij ook een uitvoerig pamflet, waarin hij verdedigde dat de gezagscrisis van die tijd in feite een waardecrisis was. Het lijkt wel een vooruitblik op de discussie over normen en waarden die de laatste jaren in Nederland woedt, waarin steeds vaker wordt gesteld dat die normen en waarden in de jaren zestig teveel zijn losgelaten en dat we nu de touwtjes weer moeten aantrekken, zonder de positieve aspecten van emancipatie te verliezen. Van Brussel bood het pamflet aan bij een krant maar kreeg na enige tijd te horen dat een van de redacteuren al met hetzelfde onderwerp bezig was. En Van Brussel schreef nog veel meer, waaronder de psychologische romans Jon en De moeder, en twee novellen, waaronder Sfinx is uw naam mens.
Alleen Sfinx is uw naam mens bood hij ter publicatie aan, maar het werd door Manteau afgewezen. Jos Vandeloo zei later dat Van Brussel zijn tijd veel te ver vooruit was. Datzelfde lijkt voor Jon te gelden, dat Van Brussel niet voor publicatie aanbood omdat de auteur Philip De Pillecijn oordeelde dat “een reisverhaal beladen met een psychologisch duel tussen twee mensen, waar een kind bij gemoeid wordt, geen lezers zou vinden.” Een oordeel dat de hedendaagse mens zal verbazen, maar dat in die tijd best juist kan zijn geweest.
Op wat verspreid in tijdschriften verschenen verhalen werd er dus niets van dit alles gepubliceerd. “In de periode na De ring heb ik inderdaad heel wat geschreven. Dat betekend niet dat alles zo maar op de markt moest. Zo zit ik niet in elkaar. Ik zat uitgevers niet in de nek om uit te geven. Mijn talrijk kroost verplichtte me om steeds meer te verdienen. Meer verdienen betekent in het bankleven hard werken, studeren en door je compleet te geven opklimmen in de rangen.” Maar zijn schrijven vloeide nooit voort uit het publiceren, het publiceren vloeide voort uit het schrijven. Dat een werk in druk verscheen was belangrijk, maar het kwam toch op de tweede plaats. En vaak speelde het enthousiasme van anderen daarbij een rol, zoals bij de Franse vertaling van De ring als L’Anneau (Bibliothèque Marabout Fantastique n° 542), die in 1975 tot stand kwam door bemiddeling van Albert van Hageland, al sinds Het labyrint literair agent voor Van Brussel.
Pas in 1979 verscheen er werk dat Van Brussel in deze periode schreef. Uitgeverij Beckers
had het plan opgevat een reeks ‘Vlaamse auteurs’ uit te geven en bij de plus minus twintig schrijvers die zij voor ogen hadden bevond zich ook Van Brussel. Op hun verzoek stuurde hij hen het door De Clauwaert afgewezen manuscript van Een nacht met Aphrodite en het werd geaccepteerd.
De roman wordt voorafgegaan door foto’s, een afbeelding van het handschrift van de auteur en een inleiding door Albert van Hageland, waarin kort het leven van Van Brussel wordt geschetst. Onder de foto’s zijn er ook van de sportman die Van Brussel in zijn jeugd was, hetgeen aangeeft dat die sportieve prestaties voor hem nog altijd belangrijk waren. Van Hageland, altijd al nauw betrokken bij het sciencefictiongebeuren in het Nederlandse taalgebied, roemt vooral De ring, dat hij vergeleek met “Childhoods End” van Arthur C. Clarke en het werk van auteurs als Huxley en Orwell. Hij stelde dat het boek uitstijgt boven alle sciencefiction die in het Nederlands was verschenen. Over de roman zelf schrijft Van Hageland: “‘Een Nacht met Aphrodite’ (de Griekse godin van de liefde, dus de Romeinse Venus) is zijn jongste, voorheen onuitgegeven werk. Andermaal zeer geëngageerd, waarin Gust van Brussel tot het uiterste eindpunt gaat van het behandelde probleem: in hoever kan seks liefde zijn?”
Ondanks de ruimdenkendheid hem van jongsaf eigen, was Van Brussel in voldoende mate een man van de ‘oude stempel’ om zijn roman over het toen nog zo spraakmakende onderwerp met een soort van rechtvaardiging te beginnen: “Nooit werd er meer over seks gesproken dan nu. Nooit werd er zoveel informatie in woord en beeld gegeven en werden zoveel middelen geschapen om seks te bedrijven ‘zonder risico’. Men spreekt over een definitief keerpunt! Maar is de mens er nu echt gelukkiger door geworden? Of blijft zijn behoefte aan liefde hem domineren van zijn geboorte tot zijn dood?”
Het verhaal heeft de vorm van een raamvertelling, zoals de ‘Decamerone’ van Boccaccio. Een gevarieerd gezelschap toeristen is gestrand op het vliegveld van Athene, op het moment dat daar de staatsgreep plaatsvindt. Ze bevinden zich in een klein vliegtuig en terwijl zij afwachten wat er zal gebeuren, luisterend naar de kanonnen, brengen zij de nacht door pratend over seks. Het begint aanvankelijk met een wat algemeen gesprek, waarin wordt gememoreerd dat de oude Grieken veel natuurlijker met seks omgingen, dat bij hen seks zelfs publiekelijk in de tempel werd bedreven. Het puriteinse Christendom sloot het op in de besloten sfeer van afgesloten huwelijkse slaapkamers en de seksuele revolutie van de jaren zestig en zeventig bleek vooral een intellectueel spel, dat de mens nog niet in overeenstemming heeft gebracht met zijn aard zoals die zich in de loop der Christelijke eeuwen ontwikkelde. Het leidt er toe dat iedereen een stelling geeft, en daarna volgen de verhalen die de stelling moeten toelichten. De stellingen: seks is een middel tot bezit, seks is zelfprojectie, seks is een middel om van je gevoelens te genieten, seks is een middel om je te realiseren, seks is een verdoving, die je helpt ontsnappen uit de banaliteit en de relativiteit van het leven, seks is een middel tot communicatie, seks is de man, seks is de romantiek in je leven, seks is een middel tot macht, seks is het leven zelf. Elke stelling wordt vervolgens op persoonlijke wijze toegelicht door degene die hem poneerde.
Tussen de verhalen van de diverse personages, variërend van jong tot oud, gehuwd en vrijgezel, man en vrouw, worden de karakters verder uitgediept en wordt een blik geworpen op de onderlinge relaties, zoals die zich tot dan toe in de groepsreis hebben ontwikkeld. Kort maar bij herhaling worden de gebeurtenissen op het vliegveld getoond, zoals deze vanaf een afstand door de gestrande reizigers worden waargenomen, hetgeen een bedreigende sfeer oproept als kader voor alle gebeurtenissen.
Deze vertelling is verteld zoals een klassieke raamvertelling verteld moet worden. De lokalisatie in Griekenland ten tijden van de revolutie, waarmee Van Brussel twee soorten revoluties naast elkaar zet, geeft extra diepgang aan het verhaal, want het resultaat van de Griekse revolutie, waarvan de reizigers aan het eind de trieste resultaten zien, roept bij de lezer een mogelijke conclusie op, zonder dat deze door de roman wordt verwoord.
Veel weerklank in de literaire kritiek vond de roman niet. Een bespreking van Remi van de Moortel geeft onder de titel “Nieuw werk van Gust van Brussel” vooral een synopsis van het verhaal en nauwelijks een (literair) oordeel: “Gust van Brussel houdt een pleidooi voor een menselijker wereld, waarin seks zijn normale belangrijke plaats krijgt. Hij schrijft in dienst van zijn ideeën die hij met speelse luchthartigheid weet te verwoorden. Hij kent de mens en de wereld waarin we leven. Of hij nu de beste en meest adekwate wijze heeft gebruikt om zijn essentieel gezonde opvattingen te verspreiden, blijft voor ons een open vraag, al noemt hij zijn verhaal dan ook ‘een fiktie’”.
Van de Moortel ging er geheel aan voorbij dat Een nacht met Aphrodite anders was dan de eerdere romans van Van Brussel, dat het de meest ‘realistische’ roman was die hij tot op dat moment publiceerde. De beeldenrijkdom wordt nu niet tot uitdrukking gebracht via visionaire, soms zelfs hallucinaire passages, maar in de verhalen en herinneringen van de verschillende personages, gekanaliseerd in het kader van een raamvertelling. Het is allemaal concreet en indenkbaar, terwijl tegelijkertijd de pessimistische wereldvisie van Van Brussel voelbaar blijft door de situatie waarin zich alles afspeelt: de reisgenoten die op elkaar zijn aangewezen in de kleine, afgesloten ruimte van het vliegtuig, terwijl de oorlog buiten hun positie onzeker maakt. Het maakt Een nacht met Aphrodite tot een roman die uitermate geschikt lijkt voor een verfilming, zo’n klassieke Franse of Italiaanse film met kleurrijke menselijke beelden en een melancholieke sfeer.
Ondertussen had ook een nieuwe novelle zijn weg naar de markt gevonden. Het was weer sciencefiction en gezien het succes van De ring lag De Clauwaert als uitgever voor de hand. Maar die uitgeverij was intern verzeild geraakt in een voortdurend conflict over de te volgen koers. Van Brussel stuurde het manuscript naar Walter Soethoudt, die al jaren actief was met het uitgeven van SF, en in 1980, elf jaar na De ring, verscheen Verlaten landschap.
De flaptekst stelt dat het er een “soort vervolg” op De ring is, maar dat is, zoals de toevoeging “soort” eigenlijk al voorspelt, vooral refereren aan eerder succes. Weliswaar is de Aarde door atoomoorlogen tot een nieuwe wildernis herschapen, zoals in De ring gebeurde, de kunstplaneten uit Verlaten landschap kwamen in die roman niet voor. Een wereld die de lezer zal interpreteren als een verre toekomst, net als bij De ring, en als je kunt spreken van een vervolg, dan toch alleen als een vervolg in het denkproces van de auteur.
Uitgangspunt vormt Brueghels schilderij van de toren van Babel: een tot aan de wolken reikend bouwsel dat geheel verlaten is. Het verlaten landschap van de menselijke prestatie. Van Brussel maakte zijn toren echter minder letterlijk en juist daardoor veel hoger: tot ver in de ruimte reiken de kunstplaneten uit deze novelle. Heimwee naar de verwoeste Aarde, de blauwe planeet, bepaalt de aard en de maatschappij van de kunstmaan, temeer daar het verlangen naar de mythische oorsprong in leven wordt gehouden doordat een beperkt aantal bevoorrechten de inmiddels weer enigszins herstelde Aarde kunnen bezoeken. Van Brussel spiegelt op geraffineerde wijze onze eigen werkelijkheid: wat voor ons de SF van de toekomst is, de kunstmanen, is binnen de context van het verhaal de werkelijkheid; en wat voor ons de werkelijkheid is, het bestaan op onze planeet, is binnen het verhaal een SF-achtige toekomst.
Ook de Babylonische spraakverwarring past hij in veel ruimere zin toe. Niet alleen de taal, maar het wezen van het intelligente leven zelf – bestaande uit cyborgs, genetisch verrijkte honden en apen, mensen en mensachtige Palidanos – leidt tot communicatiestoring. Het verhaal speelt zich af op één van die kunstmatige planeten, Ta geheten, en begint als er plotseling vreemde monsterachtige vogels aan de oppervlakte verschijnen. Als een katalysator brengen zij de spanningen binnen de overvolle maatschappij van de kunstplaneet tot uitbarsting. Een politieke machtsstrijd volgt, revolutie en onderdrukking dreigen. Zoals iedere maatschappij is de kunstplaneet uiteindelijk met zijn eigen monsters geconfronteerd.
Deze intense, in korte zinnen geschreven novelle is zeer beeldend en geeft uiting aan de wijze waarop Van Brussel de moderne tijd moet hebben ervaren. Een tijd die hij later in zijn autobiografische Vader van rebelse zonen een SF tijd noemde en waarover hij schreef: “Terwijl de mens ontsnapte aan de aarde, verloor hij ook vaste grond onder de voeten” en “terwijl hij de bouwstenen van het heelal ontdekte en deze van het leven, hield hij los zand in zijn handen en het sijpelde tussen zijn vingers door.” Een tijd dus van steeds meer kennis en steeds grotere prestaties, waarvan alleen brokstukken overblijven die de mens geen houvast geven.
Het besef van de destructieve aard van de mens leidde in de tijd van de Koude Oorlog met zijn wapenwedloop tot de angst voor een atoomoorlog, die via het indrukken van één knop leek te kunnen worden veroorzaakt. Zo’n oorlog leidde in De Ring het einde van de Aarde in en is in Verlaten Landschap op de achtergrond aanwezig. In ons is de agressie, meegenomen uit de beschavingen waaruit onze cultuur is voortgekomen, te diep geworteld. Alleen de totale vernietiging van onze wereld zal ruimte geven aan een nieuwe, op pacifistische grondslagen gebaseerde samenleving. Maar ook dan zullen de monsters uit het verleden diep in ons aanwezig zijn, om zich vroeg of laat weer te doen gelden.
Het verlaten landschap kreeg aanzienlijk meer aandacht dan Een nacht met Aphrodite, alsof die publicatie zijn werkelijke terugkeer was in het uitgeverslandschap waar hij tien jaar lang niet was geweest. Met een lang artikel in De Standaard heette Gaston Durnez hem opnieuw welkom door uitgebreid in te gaan op zijn literaire verleden en pas daarna zijn laatste publicatie te bespreken. Durnez noemde het “opnieuw een moderne parabel”, “of een sprookje zonder wakker wordende prinses”, en wees weer op de “angstwekkende verbeelding” van Van Brussel, en diens “vermogen om poëzie te scheppen”.
De weekeditie van de Gazet van Antwerpen wees op Van Brussels “ongewoon knappe stijl die het mogelijk maakt zich thuis te voelen in zijn artificiële wereld” en vergeleek hem met de Amerikaan Kurt Vonnegut, die zich ook aan literaire sciencefiction waagde. Opvallend is het advies om eerst De ring te lezen. Het tijdschrift Holland SF oordeelde juist: “Het is echter bepaald niet nodig eerst DE RING te gaan lezen om iets van VERLATEN LANDSCHAP te begrijpen.”
In die SF-kringen werd Verlaten landschap zeer positief besproken. Zo oordeelde de vooraanstaande SF-vertaalster en -redactrice Annemarie Kindt: “De niet nieuwe vraag of elke beschaving het zaad van haar ondergang in zich draagt wordt hier op een heel originele manier opnieuw gesteld. In een taal die ik niet anders kan kenschetsen dan als tegelijk afstandelijk en intens; samengebald, koel en zinderend van hitte tegelijk. Elke zinsnede zit zo barstensvol informatie en intensiteit…Met deze honderd bladzijden springt een heel heelal aan implicaties je in het gezicht. Je zou het in iets moeten kunnen weken zodat het opzwelt tot z’n oorspronkelijke omvang, want die kun je hiermee niet zien, alleen maar raden. Een merkwaardig boek, dat aan allerlei science fiction-voorwaarden gehoorzaamt, maar er ook weer volkomen naast staat.” Fantastische Vertellingen oordeelde dat “de geringe lengte () na lezen echter ruimschoots door de inhoud gecompenseerd (bleek) te worden… Verlaten landschap is dan ook niet zomaar een SF roman, het is meer”.
Een nacht met Aphrodite toont een verandering in het werk van Van Brussel. Omdat zijn publicatiehistorie zo grillig aansluit bij zijn schrijven, is het moeilijk die verandering precies in de tijd te lokaliseren, maar zijn toon werd gematigder, meer ingetogen, en de compositie werd klassieker, de lezer meer houvast gevend. Misschien werd die verandering veroorzaakt door de wijsheid die met de jaren komt. In deze tijd, waarin Van Brussel in het grote huurhuis in de Camille Huysmanslaan woonde, verlieten zijn kinderen het ouderlijk huis om hun eigen weg in het leven te zoeken, een proces waarin elke ouder met weemoed zal gaan terugblikken. Misschien kon hij zijn scherpere contrasten beter kwijt in zijn schilderen of zijn poëzie, of had de kritiek dat hij zich teveel en te grillig in zijn beelden verloor hem doen besluiten om zijn romans voor een groter publiek toegankelijk te maken. Of misschien kon Van Brussel zijn felle contrasten het beste kwijt in zijn sciencefictionachtige werken en werden zijn andere romans daardoor ‘rustiger’. In ieder geval was die heftigheid, dat visionaire van Jacques Weiniger, in grote mate aanwezig in De waanzinnige stad, dat in 1984 bij Walter Soethoudt verscheen.
De waanzinnige stad is het verhaal van een moderne confederatie, met de van Van Brussel bekende strekking. Net als de kunstplaneten uit Verlaten Landschap bevindt die confederatie zich in een verre toekomst, maar ze lijkt zo sterk op onze Westerse maatschappij, dat je tegelijkertijd kunt stellen dat Van Brussel deze keer dichter bij huis blijft. Zelf duidde hij het als volgt aan: “Een auteur heeft de taak scenario’s uit te werken op basis van hypothesen. Dit geldt trouwens ook voor de klassieke psychologische roman. Maar onze wereld is veel meer ‘planetair’ geworden…” Dat planetaire perspectief wordt, nog meer dan in De ring, tot uitdrukking gebracht door personen slechts korte tijd te volgen en daardoor de focus te richten op de totale maatschappij. In deze, in het Orwell-jaar gepubliceerde roman, geen alziende Big Brother, dat zou te simpel zijn geweest voor Van Brussel, maar een complexe staatsmacht, de resultante van individuen die in een hun toebedeeld hokje zitten. De industrie is in handen van een kleine toplaag, die nauwelijks rekening houdt met het milieu. Het verhaal begint wanneer de stad waanzinnig wordt door de vervuiling van zowel geest als milieu, en het beschrijft het effect op de confederatie, die daardoor op zijn grondvesten trilt: machtswisselingen, staatsgrepen, opstanden. Maar opnieuw bekommeren de politici zich alleen om hun eigen belangen en laten het stemgedrag van de kiezers voorprogrammeren door slimme PR-mensen. Het verwoordde opnieuw de grootste bedreiging die Van Brussel voor elke samenleving zag, namelijk die van “mensen die uit persoonlijke ambitie medemensen opofferen, ze manipuleren en breken, ze aborteren.” Het is een waarschuwing voor een zielloze technocratie waarin positieve waarden als loyaliteit en eerlijkheid worden opgeofferd voor technische competentie. Of, in de woorden van Luc Lannoy, “een luguber, door de vele herkenbare basisgegevens rauw-realistisch boek () waarin de zelfvernietiging, het sadisme en de blinde destructiezucht van een op hol geslagen mens-roofdier in al zijn (potentiële) lelijkheid wordt uitgestald.”
De vervuiling van geest en milieu waar Van Brussel op doelde, lijkt die van de ‘american way of life’, die onze Westerse maatschappij in toenemende mate kleurde. Allerlei Engelse termen – bijvoorbeeld supershowboat, supermarket, partypelsjes (blz. 45) – onderstrepen die afkeuring op ironische wijze. In dit opzicht schiet Van Brussel zijn doel echter enigszins voorbij door van allerlei ingeburgerde termen juist weer wel een vertaling te gebruiken: pilootindustrie (blz. 113), paneel in plaats van panel (blz. 123). Grappig is het woord personaliteit, de letterlijke vertaling van personality, waar persoonlijkheid wordt bedoeld (blz. 125). Mede door andere fouten tegen het Nederlands, wekt De waanzinnige stad de indruk uit het Engels te zijn vertaald door iemand die het Nederlands niet voldoende meester is en daardoor krijgt het verhaal iets stunteligs. Bovendien neemt het zwalken van het verhaal, waar Van Brussel in zijn gehaaste leven altijd al toe neigde, soms hinderlijke proporties aan. Als gevolg daarvan is dit het minst geslaagde SF werk van Van Brussel, misschien zelfs wel zijn minst geslaagde roman in het totaal van zijn oeuvre, al intrigeert het boek bij vlagen door de thematiek en toon Van Brussel eigen.
In de SF-kringen, waar zo positief op Verlaten landschap was gereageerd, oordeelde men kritisch. Zo schreef Hans Pols in Holland SF: “Van Brussel heeft een wat afgebeten stijl, maar hij leest wel goed”, maar “het boeit niet… Ik denk dat ik het zo saai vond omdat er geen hoofdpersoon is. Het duizelde me van al die namen. Na 100 pagina’s kwamen er nog steeds nieuwe namen bij. Maar ik kon me met niemand identificeren. Ik leefde niet mee. Dat gaat me vervelen.” In de SF-Gids oordeelde de Vlaamse SF- en horrorschrijver Eddy C. Bertin het “jammer dat van Brussel opteerde voor een gewild intellectueel boek, waarin de gewone lezer moeilijker zijn gading zal vinden”. Bertin vond het “een moeilijke toegankelijke roman”, waarin “slechts in de finale sekwenties [] het hoofdpersonage écht vlees en bloed (wordt), in een mensonterende en tegelijkertijd intens ontroerend tafereel.”
Net als bij Verlaten landschap toonden de reacties op De waanzinnige stad dat liefhebbers van sciencefiction en liefhebbers van literatuur uit twee verschillende werelden komen, ieder met een eigen invalshoek. De kritische houding in de SF-kringen werd namelijk ruimschoots gecompenseerd door de positieve aandacht die De waanzinnige stad vanuit literaire kringen kreeg. Luc Lannoy noemde het in de Kroniek van het Vlaams proza “een verbijsterende toekomstroman” en prees Van Brussels “sterk epische vertelkracht en [] trefzekere, ietwat gedragen taal en stijl”, waarmee “de auteur een beklemmende sfeer op(roept) die de lezer van het begin tot het einde in een als het ware wurgende greep vasthoudt”, een “in alle opzichten boeiende roman, een soort political fiction op hoog niveau.”
P. Sterckx sprak in de Nieuwe Gazet over “een verhaal dat door zijn uitzonderlijkheid grensoverschrijdend is.” Van Brussel “gebruikt de verschuiving naar een toekomst om het heden onder de loupe te nemen, zoals meester Orwell het deed.” Zijn eindoordeel: “Gust van Brussel schrijft zijn verbeelding ongeremd neer. Hij heeft er duidelijk plezier aan, de lezer ook.” Gaston Claes kopte in de Antwerpse Gazet dat Van Brussel een “verbijsterende toekomstroman” schreef en richtte zich vooral op de waarschuwing die de roman bevatte. Hij oordeelde dat het goed is dat “iemand het aandurft, een onpopulair boek te schrijven, dat ons met de neus drukt op de gevaren van een mogelijke en dreigende toekomst.” Iets “dat ons bedreigt, wanneer onze geprogrammeerde computerbeschaving niet tot de echte waarden terugkeert.” Ook André Demedts legt in De Standaard de nadruk op de inhoud van het verhaal, maar sluit af met een literair eindoordeel: “In ieder geval heeft Van Brussel op het gebied van de wetenschappelijke problemenroman een vernieuwend en oorspronkelijk gegeven uitgewerkt in een voortreffelijk proza. Het is het belangrijkste en beste werk dat wij van hem gelezen hebben. Het overtreft door zijn intellektuele en oorspronkelijke inhoud wat ons meestendeels als romanletterkunde wordt aangeboden.”
Hoe het oordeel over De waanzinnige stad ook is, de roman maakt duidelijk dat Van Brussel ook in de tachtiger jaren bleef beschikken over de beeldende, visionaire ideeënrijkdom die hij in zijn eerste romans tentoonspreidde, en dat hij daar ook gebruik van maakte, op dezelfde controversiële wijze als bij zijn eerste romans. Maar het beperkte zich wel tot zijn sciencefictionachtige werk, want in zijn andere boeken zette de verandering die zich in Een nacht met Aphrodite aankondigde verder door. Zijn werk werd in onderwerp en verwoording ook autobiografischer: het vooruitkijken naar onbereikbare utopieën verschoof naar het terugblikken op geaborteerde toekomsten. Dat zou Van Brussels literaire toon van de jaren tachtig blijken te zijn.
De utopie van een eigen leven
In 1981 kondigde zijn jongste dochter aan te gaan trouwen en daarmee kwam voor Van Brussel het moment dat hij een boek over zijn dochters moest gaan schrijven, zoals hij dat ooit had beloofd als een soort rechtvaardiging van de “vader zoals ik ben geweest, met zijn onhebbelijkheden en onhuiselijkheden, met zijn bevreemdende vlagen van artistieke opsluiting.” (blz. 61). Het werd Vader van huwbare dochters en verscheen in 1982 bij De Standaard, een van de werkmaatschappijen die in het woelige uitgeverswereldje uit Manteau was voortgekomen, om later ook nog als feuilleton in twee kranten te verschijnen, De Standaard en de Gazet van Antwerpen.
Het boek bevat een aantal anekdotes, die niet in chronologische volgorde worden verteld, maar die door het onderwerp uiteraard wel samenhangen. Het eindresultaat, dat in Van Brussels eigen woorden “badinerend en luchtig geschreven, maar [] levenswaar” was, wordt daardoor méér dan een bundeling van losse verhalen. In deze teksten blikte Van Brussel terug op zijn gezin, zijn rol als vader en grootvader. Hij toont zich daarbij iemand van een vooroorlogse generatie, “een kind van (zijn) tijd”, zoals hij het zelf uitdrukte; iemand die dat dus van zichzelf weet en zowel zichzelf, dat verleden als het heden weet te relativeren. Ondanks het autobiografisch uitgangspunt, en de rol die het boek in zijn eigen gezin als huwelijkscadeau voor zijn jongste dochter speelde, maakte Van Brussel het daarmee tot méér dan een autobiografisch boek, namelijk het boek van een vader.
Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig verlieten Van Brussels kinderen het ouderlijk nest en zwermden uit over heel Europa.“En ik, honkvaste Vlaming, zwerver in mijn dromen, schrijver van science fictionverhalen, ik beleef in mijn kinderen mijn eigen wispelturige verlangens.” (blz. 52) Ook al nam hij altijd zijn verantwoordelijkheid, Van Brussel voldeed niet aan het ideaalbeeld van de zorgzame huisvader, en dat wist hij maar al te goed: ‘Timmeren, pleisteren, schroeven, het is me totaal vreemd. Voor mij is het iets uit een andere, sciencefictionachtige wereld.” (blz. 100).
Behalve over zijn gezin, zijn vrouw en zijn kinderen, waarbij hij zijn dochter soms rechtstreeks aanspreekt, schrijft hij ook over zijn vader, net als Van Brussel een wijndrinker, en zijn moeder, die 87 werd; over zijn boers en zijn zus. Zijn rol als vader als een schakel in de voortgaande keten van generaties, zich er van bewust dat de eeuwige generatiestrijd steeds op hetzelfde neerkomt: “Ook jij had altijd gemeend dat de dictatuur van ideologieën tot waanzin leidde, ook jij was tegen verslaving van volkeren zowel door drugs als door heilslarie, ook jij was tegen uitbuiting en onmenselijk winstbejag, tegen woekerrenten en overdreven snotneuzenzakgeld, ook jij was tegen de waanzinnige afstand tussen de groten en de nederigen, ook jij was tegen het misbruiken van de mens zowel in sexshops als in casino’s, ook jij was tegen neutronenbommen, tegen vermolmde staatsvormen…” (blz. 131). Hij ziet zijn kinderen de weg naar de toekomst gaan, waarvoor het ideaal lijkt dat “tenslotte nog één enkele mens op de hele naakte aardbol een enorrrem produktieapparaat van fenomenale afmetingen staat te bedienen” (blz. 213).
En natuurlijk zijn er opmerkingen over het schrijven. “Ik ben een binnenskameravonturier. [] Ik realiseer mij dat je als auteur, dus als artiest, een gehandicapte bent. Dat je in een revalidatiecentrum moet om je aanpassing aan de twintigste eeuw te leren. Je bent in feite een dissident.” (blz. 70) Over de “artistieke creatie” oordeelde hij, wellicht toch een beetje verbitterd, dat het “volmaakt nutteloos (is) in de produktieketen van de economie.” (blz. 102)
Diezelfde verbittering klinkt ook wanneer hij het heeft over “de boeken die je had willen schrijven en waar nooit tijd voor was, de verzen die in je hoofd vergingen als herfstbladeren in compost omdat de tijd je verder dreef, je vele nutteloze bekommernissen en je voortdurende gevecht om je kinderen te geven waar ze recht op hadden…” (blz. 180) Het spanningsveld tussen zijn schrijverschap en vaderschap wordt wellicht het kernachtigste verwoord in de titel van het tiende hoofdstuk: “Het kon erger, maar vader is artiest.”
In Knack werd het boek beschouwd als een derde genre voor Van Brussel, dat van de “autobiografische bedenkingen”. Er zou een andere Van Brussel spreken: “niet de nogal moeilijke auteur die we gewoon zijn uit de romans, bedenker van scherpzinnige, soms nogal intellektueel aandoende konstrukties die geschreven worden in een hardnekkig konsekwent volgehouden, hier en daar vermoeiend taalgebruik: hier is alles recht toe recht aan, in de eenvoud zelve een man die echt gebeurde verhalen vertelt – aan zijn kinderen, of aan zichzelf.” De bespreker wees op de ironie en zelfrelativering, waardoor Van Brussel zich “een niet onsympatieke verteller” toont, “die zijn vak ruim genoeg beheerst om de zaken vlot te houden en niet te gaan vervelen”, “zelfs al zou men het nergens met hem eens zijn”. In een interview in De Bond omschrijft Jaak Dreesen het als een “blij boek vol ironie, en met een onderstroom van weemoed en tederheid”. Gaston Durnez, die mede aan de wieg stond van dit boek door zijn aansporing eens “een plezant boek (over) serieuze zaken” te schrijven, wees er in De Standaard op dat nog steeds zichtbaar bleef dat Van Brussel door de filosofie werd aangetrokken, want “de anekdote ligt altijd weer verpakt in bespiegelingen, overpeinzingen van een ouder wordende man…” Hij schrijft dat Van Brussel “enkele van zijn innigste bladzijden (schrijft) als hij het heeft over zijn diepe verering voor zijn vader” en dat hij “voortdurend vrolijke en verrassende beelden” vindt.
Veel van de reacties op Vader van huwbare dochters richtten zich op het vaderschap van Van Brussel en gingen geheel of bijna geheel voorbij aan de literaire aspecten van het boek, de relatie met zijn eerdere werk. Misschien kwam dat omdat veel recensenten niet goed wisten in welk vakje ze het boek moesten plaatsen, zoals de bespreker in ’t Pallieterke, die stelde dat het makkelijk is te zeggen waar hij “niet thuis hoort dan waar hij wél op zijn plaats is.” Belangrijker lijkt dat de ouder-kind relatie sinds de jeugdrevolutie van eind jaren zestig nog altijd een problematische was. Door de grote veranderingen klopte het overgeërfde vaderbeeld niet meer, zoals Van Brussel dat in enkele interviews verwoordde. Na de niet geheel overlappende kringen van de psychologische en de sciencefictionromans had Van Brussel een derde literaire kring betreden. Hij kreeg brieven, mensen kwamen hem de hand drukken.
Het boek kende een grote oplage en het algemene eindoordeel van de literaire kritiek was, met de woorden uit ‘t Pallieterke: “Aanbevolen lektuur”.
Je kunt je de goedmoedige strijd in het gezin Van Brussel voorstellen; acht zonen die bij iedere familiebijeenkomst hun eigen boek opeisten. Uiteindelijk is tegen zo’n overmacht natuurlijk slechts één verweer, ook dát boek te schrijven. En Van Brussel deed dat dan ook, maar eerst kwam in 1986 Anton, mijn Anton, jij was onsterfelijk.
Een novelle met herinneringen aan zijn lievelingskleinzoon, die in juli 1985 bij het spelen dodelijk verongelukte, amper zes jaar oud. Het jongste kind van zijn oudste zoon, die in Milaan bij een bank werkte. Geen schema’s deze keer, geen oude beloften, maar een intens doorleefde hartenkreet, geschreven vanuit “een innerlijke nood”, om daarmee “aan de onrechtvaardigheid van je verdwijnen een zin [] te geven.” (blz. 17) “Is het niet zo dat telkens iemand, die je liefhebt, je zomaar verlaat, die iemand zo intens in je gaat leven, dat je nood krijgt zijn hele levensverhaal, of ten minste dat wat je over hem weet, helemaal over te doen. Alsof je wil dat hij voorgoed in je beklijft.” (blz. 24) Ook een poging de kinderlijke uitspraak van zijn kleinzoon – “Ik ben onsterfelijk. Als ik sterf, kom ik toch terug.” – waar te maken. Naar aanleiding van Cesare Pavese, die schreef over Endymioon, mijmert Van Brussel over de jeugd in het algemeen, “de jeugd, die iedereen in haar ban houdt, wenste hij tijdig te zien opgaan in een nooit eindigende roes van een onsterfelijke dood.” Hij herinnert zich zijn moeder, die zo rotsvast in God geloofde. “Ik heb die zekerheid nooit gekend. Ik ben een man van twijfels… Ik ben een hart vol vragen dat de rust van het uiteindelijke antwoord niet kent.” (blz. 61). “Wij wennen zo moeilijk aan wijzigingen. Wij willen dat de dingen steeds blijven wat ze geweest zijn. Wij willen de tijd stilhouden. De eeuwige jeugd bewaren. Het kan niet… En dat besef raspt als een foltering, voortdurend dezelfde wonde open.” (blz. 65).
Van Brussel vond de novelle zó persoonlijk dat hij hem niet bij zijn uitgever De Standaard publiceerde, maar bij het kleinere Uitgeverij Heibrand uit Turnhout, net zoals hij Het labyrint te persoonlijk vond voor een grote uitgeverij. Nog meer dan Het labyrint is het binnen het oeuvre van Van Brussel een vreemde eend in de bijt; het minst doordacht, het snelst. Dat wil niet zeggen dat deze novelle niet herkenbaar Van Brussel is. Zoals Luc Lannoy in de Kroniek van het Vlaams proza constateerde, bevat het constanten “die doorheen heel het oeuvre van de auteur” opduiken: het “voortdurende conflict tussen de ratio en het hele wezen van de mens”. Daar kan aan worden toegevoegd: de voortdurende strijd tussen groei en verval, tussen leven en dood, zo treffend in de titel verwoord door zelfs onsterfelijkheid een verleden tijd te geven. En zoals Luc Lannoy oordeelde: “De doorleefde visie op het gebeuren en de manier waarop de concrete feiten als het ware opengerukt worden tot een universeel menselijk probleem, kunnen de leeservaring alleen maar verrijken.”
En nog langer moest het wachten, dat boek over zijn zonen. Na de jeugd van zijn kleinzoon kwam eerst zijn eigen jeugd aan bod met De salamandereters, dat in 1988 verscheen, weer ‘gewoon’ bij De Standaard. Het beschrijft Van Brussels katholieke jeugd in De Luchtbal, de tuinwijk bij Antwerpen waar Van Brussel in 1930, na de ziekte van zijn ouders, naar toe verhuisde. De periode waarin hij “in het nergens verdwenen, (zich) uitleven kon”, zoals hij in Anton, mijn Anton, jij was onsterfelijk schreef. “De dag van mijn communifeest, moesten mijn ouders naar me op zoek, omdat ik op avontuur was bij de dokken van Antwerpen…”
Aanvankelijk staat De Luchtbal nog los van de stad, als was het een afzonderlijk dorpje, maar in de loop van het boek wordt de ruimte van moerassen en platteland volgebouwd. Een wereld van kaarters en duivemelkers, waarin zijn vader bij de politie is en zijn godsdienstige moeder op een erfenis wacht, zodat ze naar een buurt met meer stand en status kunnen verhuizen. Voor de jonge Van Brussel is het een wereld van ruimte, vrijheid en avontuur; van vechtpartijen met de jeugd uit andere wijken en rivaliteit tussen katholieken en socialisten. De ruimte van het ontluikende leven, van het bewust worden, het opgroeien naar het redeneren, van de eerste verliefdheid. Van Brussel toont een wereld die iedereen die in zo’n wijk is opgegroeid zal herkennen, namelijk die van de onbegrensde mogelijkheden, zoals ook Frank in Het labyrint die zich herinnerde. De Luchtbal is een wereld van geborgenheid, waarin het kind nog een ondergeschikte positie inneemt, maar al wel de eerste stappen neemt om een volwaardig lid van de gemeenschap te worden. Het Utopia lijkt nog binnen handbereik, hetgeen in het boek wordt benadrukt door het wegvallen van de rivaliteit tussen de verschillende wijken, de belofte van donkere ogen en de aankomst van een schip met sinasappelen, als een schip van overvloed dat voor de jongeren wordt uitgestrooid.
En juist op dat moment komt de erfenis van zijn moeder en gaan ze verhuizen. De Luchtbal blijkt een luchtbel en het Utopia wordt hem uit handen geslagen.
Jooris van Hulle noemde het in De Standaard een roman, “een door weemoed en humor gekleurde terugblik op de eigen kindertijd”, waarbij de auteur zich “een rasechte verteller” toonde, “zonder daarbij het puur literaire aspect over het hoofd te zien.” Onjuist is de aanduiding roman niet. Jos Vranckx oordeelde in Weekeind dat het een boek is, “veel meer dan zomaar een locaal gebonden stukje autobiografie, het schildert een levendig en zeer menselijk tijdsbeeld – gezien vanuit het standpunt van een kind – van een wijk in volle ontwikkeling, met de zich wijzigende sociale verhoudingen typisch voor de jaren dertig.” Maar tegelijkertijd staat De salamandereters met een been in de derde literaire kring die Van Brussel na Vader van huwbare dochters constateerde en waartoe ook Anton, mijn Anton, jij was onsterfelijk kan worden gerekend. De kring van de anekdotische herinneringen, zowel voor wat betreft de beschreven gebeurtenissen als door de stijl en de sfeer, al weet Van Brussel er opnieuw zijn onderliggende thema aan mee te geven, namelijk dat van het immer onbereikbare Utopia.
In 1989 was er dan eindelijk Vader van rebelse zonen. Het was anders geaard dan Vader van huwbare dochters, ook al verwees de titel er nadrukkelijk naar. Toen Van Brussel over zijn dochters schreef, richtte hij zich vooral op zijn eigen familie, zijn zonen herdenkend, een “licht ontvlambaar onderwerp”, kwam de buitenwereld veel meer aan bod.
Van Brussel toonde zich altijd al iemand die verlangde naar een Utopia, maar te cynisch of te realistisch was om er in te geloven. In Vader van rebelse zonen geeft hij daar veelvuldig uiting van, bijvoorbeeld door opmerkingen als: “waarom niet overgaan naar algemene euthanasie boven de zestig, als je weet dat je toch maar een hoop grijze pensioenprofiteurs overhoudt.” (blz. 40). Zijn zonen confronteren hem des te meer met het falen van de mens: “Ontgoocheld als je merkt hoe de wereld verloederd wordt en triest omdat je beseft dat je zonen een verklaring zullen eisen over de verschrikkingen die de mens over de wereld heeft gebracht.” (blz. 46) Zelf is hij een “vredesduif” (blz. 114), zich realiserend dat “iedere oorlog slechts de voorbereiding is op de volgende” (blz. 77) en dat een volgende wereldoorlog ieder moment kan uitbreken. “De kindermoord zal nooit ophouden, dat weet ik, alle vredesboodschappen ten spijt.” (blz. 124). Een kritische man die ten opzichte van al de veranderingen sceptisch was, zoals hij dat ook in zijn eigen jeugd was ten opzichte van de toenmalige ontwikkelingen. Een ouderwets mens, die de tijd waarin zijn zonen opgroeien bestempelt als een “SF-tijd”. Maar ook een mens met wijsheid, die op oudere leeftijd vergevingsgezind en accepterend is geworden, “met een mildheid die je overhoudt nadat je de wrevel over de menselijke dwaasheid in jezelf tot bedaren hebt gebracht.” Hij realiseert zich terdege dat die verloedering niet betekent dat de wereld vroeger beter was: “de samenleving van toen, die trouwens op dat ogenblik minstens zo verderfelijk was als de hedendaagse.” (blz. 77)
Zijn zonen brengen hem weer bij het van hem bekende inzicht, het hoofdthema in zijn werk: “Terwijl de mens ontsnapte aan de aarde, verloor hij ook vaste grond onder de voeten. Terwijl hij de bouwstenen van het heelal ontdekte en deze van het leven, hield hij los zand in zijn handen en het sijpelde tussen zijn vingers door. De mens is nu eenmaal een nar die voortdurend van pak wisselt.” (blz. 92) En uiteindelijk sluit hij de cirkel tussen zijn eigen jeugd en die van zijn zonen, want ook hij is een “rebel van natuur” (blz. 179).
Ondanks die wijsheid toont hij zich echter ook wat naïef, want hij zag in het schrijven nog steeds een vorm van onsterfelijkheid: “Wat zin heeft het boeken te schrijven? [] Wat heb je nu aan onsterfelijkheid?” (blz. 9). Hij meende zijn boeken “aan de eeuwigheid van het bibliotheekwezen” toe te vertrouwen, wellicht bewust onbekend met het economisch verantwoorde beleid van bibliotheken, die tegenwoordig hun opslagruimte alleen willen bekostigen voor boeken die nog geregeld worden uitgeleend. En, de man die altijd veel meer wilde doen dan menselijkerwijs mogelijk is, wijst ook op wat hij allemaal niet geschreven heeft: “… nog geen detectievenverhaal geschreven. Geen historische roman, al was het over een ongure abt. De kelk van de belijdenisliteratuur die zoveel zelfvoldoening verschaft, liet ik aan mij voorbijgaan. Ik heb zelfs nooit iets geschreven waar niemand wat van verstond en dat mij aan de tapkast van het Letterkundig Miskraam heel wat schouderklopjes van hyperintellectuelen zou hebben opgeleverd.” (blz. 11). Ook deze visie lijkt mij wat naïef.
De boeken van Van Brussel hadden altijd een sterk persoonlijke inslag, maar ze waren niet autobiografisch. De vier herinnerende boeken waren dat wel, met Anton, mijn Anton, jij was onsterfelijk als het ene en De Salamandereters als het andere uiterste, al wist de filosoof in Van Brussel ook deze boeken een algemenere strekking mee te geven, namelijk die van de opeenvolgende generaties, waarmee de fakkel van de jeugd vanuit de schoot van het gezin wordt doorgegeven om steeds opnieuw te rebelleren tegen een stagnerende wereld, steeds opnieuw te streven naar een Utopia, voor de jeugd ogenschijnlijk binnen handbereik maar voor de ouderen, die tegen wil en dank de primitieve holbewoner in de mens hebben moeten onderkennen, een onhaalbaar ideaal.
Deze reeks boeken, die in 1982 in het eigen gezin begon en daar in 1989 ook weer eindigde, vormde Van Brussels raamwerk voor de tachtiger jaren, een gerichtheid in zijn literaire leven van dat decennium, een kader voor de twee andere boeken die hij toen publiceerde. Boeken die even autobiografisch in het terugblikken wortelden, maar die nadrukkelijk de vorm van een klassieke roman kregen.
Van Utopia naar geaborteerde toekomsten
In 1982, na Vader van huwbare dochters, toen de kinderen het ouderlijk nest hadden verlaten, verhuisde Van Brussel van het grote huis in de Camille Huysmanslaan naar een appartement in de Frankrijklei. Hij werkte er zijn laatste bankjaren af als Public Relation Officer en beëindigde er zijn loopbaan als Hoofdafdelingschef in 1984. Op de dag dat hij zestig werd en het “tussendoor geschreven” De waanzinnige stad feestelijk werd gepresenteerd, ging hij met vervroegd pensioen. Hij kocht een appartement in de Quellinstraat, waar hij zijn lange bankleven op eigen wijze écht afsloot door er een roman over te schrijven, De abortus, die in 1985 verscheen bij De Standaard.
Vanuit de sfeer van terugblikken op eigen leven verwerkte Van Brussel zijn jarenlange bankervaring. Hij deed dat echter door de anekdote noch de visionaire beelden uit zijn eerdere werk. De these en antithese van deze twee uitersten wist hij in De abortus te synthetiseren tot een kleurrijke en uiterst realistische roman van vijfhonderd bladzijden. Een breed geschilderde weergave van onze complexe hedendaagse maatschappij, als een schilderij van een moderne Jeroen Bosch, bevolkt door personages uit alle lagen van de bevolking. Het accent ligt daarbij op de klasse die onze maatschappij stuurt – die van de bankiers, de ondernemers, de rechters en advocaten – maar ook criminelen, secretaresses en kunstenaars spelen hun essentiële rol, evenals de allochtonen die onze Westerse maatschappij zo problematisch kleur geven.
De stiefdochter van een adellijke bankier laat het kind van een jongeman uit haar klasse aborteren. Een daad van verzet tegen het leven dat haar voorbestemd is. Ze vlucht naar de randgebieden van onze maatschappij, om uiteindelijk op een kleine flat en met een gewone baan haar eigen leven te vinden, los van het beschermende maar ook zo huichelachtige milieu van de gegoede burgerij. Ze is dan zwanger van een veroordeelde crimineel die ze niet wil terugzien, maar dat kind laat ze niet aborteren. Gedurende haar wederwaardigheden valt haar stiefvader ook uit zijn maatschappelijke rol en gaat samenwonen met zijn secretaresse. Hij is echter niet in staat zich van zijn erfgoed los te maken en komt weer terug in zijn oude leven. Daar doorheen vlecht van Brussel tal van andere levens en geeft hij weer volop commentaar op onze samenleving.
Die abortus is natuurlijk een metafoor voor de voortijdig beëindiging van mogelijkheden. Van Brussel laat zijn personen dat ook expliciet verwoorden. “Ik kan van je scheiden en meteen ook het probleem van je vooruitstrevende dochter aborteren” (blz. 208). “Steeds maar toegeven. Zichzelf aborteren” (blz. 231). “Alles is abortus. Je wordt voortdurend geaborteerd. Je hele leven door is een aaneengesloten rij van abortusfenomenen.” (blz. 245). Elke door omstandigheden opgelegde keuze beëindigt voortijdig de ontwikkeling van een andere persoon die je ook in je hebt, zoals de oude beschavingen in een richting evolueerden die een rechtvaardige en vreedzame samenleving blokkeerden. De vijftigjarige bankier kan zich niet meer onttrekken aan die keuzen en hem rest niets anders dan de persoon die hij is geworden te accepteren, maar de jeugd kan nog een andere richting in slaan. Gemakkelijk is dat niet, hetgeen vooral ook in de andere personen van het boek wordt getoond.
Misschien komt de roman wat traag, wat bedachtzaam op gang, maar wanneer je de verschillende personen eenmaal hebt leren kennen, blijf je nieuwsgierig naar hun wederwaardigheden. Daarbij zorgde Van Brussel er voor dat het verhaal blijft boeien.
De abortus is hier slechts summier weergegeven omdat iedere synopsis de roman toch tekort doet, maar het is onomstotelijk het opus magnum van Van Brussel. Hij keek erin terug op zijn eigen leven als bankmedewerker, afwezige vader en kunstenaar, en al de maatschappelijke veranderingen die hij meemaakte kregen hun plaats, van de revolte van de jeugd tot het opgaan van kleinere familiebedrijven als La Banque d’Anvers in grote internationale organisaties als de Generale Bank. Al was Van Brussel begin zestig, het boek heeft de toon van de voorafgaande periode. Het is vooral de roman van een vijftiger die, maatschappelijk op de top van zijn carrière, ver om zich heen ziet en alle dagelijkse woelingen relativeert. Van Brussel, de rebel van naturen, wordt niet lyrisch van de wereld die hij vanuit die positie ziet, de wereld die zijn generatie heeft gemaakt. Hij is zich er terdege van bewust dat het Utopia waar hij jeugdig van droomde niet is gerealiseerd en dat uiteindelijk de niét gerealiseerde mogelijkheden, de geaborteerde toekomsten, zich het diepst in een mens verankeren. Maar door de wijze waarop de verteller de wereld benadert, heeft het ook de sfeer van iemand die zich heeft verzoend met het leven, maar toch de hoop blijft koesteren dat de jeugd in staat is een andere toekomst te realiseren. Ook in dat opzicht is De abortus autobiografisch.
Het persoonlijke uitgangspunt van Van Brussels literaire werk is al eerder benadrukt. In dat opzicht is De abortus niet anders. Toch opende hij deze roman met de opmerking dat “iedere gelijkenis met bestaande personen of toestanden [] volledig toevallig en ongewild” is. Zo’n opmerking waardoor iedere lezer het tegenovergestelde vermoedt. Dat Van Brussel zich tot deze opmerking genoodzaakt voelde, heeft meer te maken met de vorm van het verhaal dan met de autobiografische elementen die er al dan niet in verwerkt zijn, namelijk die van een klassieke realistische roman. Misschien wel het soort roman waarvan hij in zijn jonge jaren, vóór hij het schema van De visioenen van Jacques Weiniger maakte, een exemplaar in de kachel gooide. Het soort roman waarnaar het raamwerk van Een nacht met Aphrodite een overgang vormde.
De abortus werd, heel toepasselijk, gepresenteerd in het gebouw van de Generale Bank aan de Meir in Antwerpen. Er waren tal van sprekers, zowel vanuit de bankwereld als uit de literatuur. De literatuurdeskundige prof. Clem Neutjens wees er op dat de individuele abortus uit het boek “als exemplarisch moet beschouwd worden voor wat er in onze huidige wereld allemaal kapot wordt gemaakt”, met “als oorzaak van dat alles [] de kollektieve waanzin, die alles overheerst. Vandaar dat de auteur voor een psychische rekonstruktie in de mens zelf pleit.” Daarmee plaatste hij niet alleen de titel in het bredere kader van de thematiek, maar sloeg hij ook een brug naar het jaar daarvoor verschenen De waanzinnige stad, zelfs naar het totale oeuvre van Van Brussel. Hij vergeleek De abortus met La Comédie Humaine van Balzac, een vergelijking die zich door de klassieke structuur van het boek, de ironie en het engagement inderdaad opdringt. Onder de sprekende titel “Spiegel voor Elckerlyc” vervolgde Neutjens in De Standaard zijn betoog middels een bespreking van de roman, waarin hij nogmaals benadrukte dat het werkelijke thema van het boek “het vele echte leven (is) dat onze huidige kultuur voortdurend uit zichzelf wegsnijdt.” Neutjens somde al de verschillende aspecten nog eens op en vond “elk van de vierenveertig hoofdstukjes [] een kleurrijk tafereel.” Het is of we Van Brussel zelf horen spreken, bijvoorbeeld in het interview dat hij met Jos Vranckx hield naar aanleiding van de publicatie van De waanzinnige stad. Diezelfde Jos Vranckx bestempelde De abortus als een “monument van een boek”, “een opmerkelijke gebeurtenis [] in onze literatuur.” Hij oordeelde het “als (voorlopig) hoogtepunt” en maakte de “scherpe blik van Gust van Brussel” tot vet gedrukte titel van zijn stuk. “Voor de Vlaamse literatuur een aanwinst van formaat, want we zijn echt niet rijk aan romans die naast actie, spanning en psychologie, ook nog ‘wijsheid’ bevatten.”
Uiteraard deed Van Brussel veel meer in deze periode dan alleen maar schrijven aan De abortus. Zo werkte hij als coördinator mee aan “Antwerp port for all seasons”, een groots naslagwerk over de geschiedenis van de Antwerpse haven. Hij schilderde nog altijd en was actief in het verenigingsleven. Bovendien genoot hij van de vrijheid die zijn pensioen hem gaf door geregeld naar het buitenland te gaan, waaronder Italië, waar zijn oudste zoon werkte. Op de terrassen van hotels in Sorrenta en aan het Ortameer blikte hij terug op zijn leven en schreef er de roman Het terras, die hij in 1987 voltooide en die in hetzelfde jaar bij De Standaard verscheen.
In Het terras vond Van Brussel mijmerend over zijn verloren jeugd een balans tussen het realisme van zijn laatste boeken en de soms verwarrende beeldenrijkdom van zijn eerste werk. Een zeer persoonlijke roman, terloops benadrukt door de vrouw van de hoofdpersoon één enkele keer te noemen, Monique, net als de vrouw van Van Brussel.
Die hoofdpersoon heeft net als Van Brussel altijd al geschreven en is nu alleen op vakantie in Italië. Op een terras aan het Ortameer komt hij in een tussenwereld terecht, zoals het terras een wereld is tussen de vastomlijnde grenzen van een gebouw en de weide wereld daarbuiten – een wereld tussen het mogelijke en het onmogelijke, tussen realiteit en illusie, werkelijkheid en herinnering. In deze tussenwereld ontmoet hij drie vrienden die door een vroegtijdig overlijden uit zijn leven zijn geaborteerd. In tegenstelling tot de hoofdpersoon hebben zij de leeftijd uit het verleden behouden, als zijn zij door hun dood buiten de tijd geplaatst, bevroren in de herinneringen van de hoofdpersoon. Als eerste duikt Jacques op, later ontmoeten ze Jan. Met deze vrienden heeft de hoofdpersoon een intensief en vaak bizar contact. Tegen het einde ziet hij ook nog Louis, maar die herkent de ouder geworden hoofdpersoon niet meer en een contact komt niet tot stand. Eigenlijk weet de hoofdpersoon wel dat de wereld waarin hij terecht is gekomen en illusie is, geen werkelijkheid kán zijn, maar dat wil hij zichzelf niet bekennen. “Het nam bezit van me. Ik maakte mijn verlangen tot werkelijkheid.” (blz. 48) En bovendien, “is het onwerkelijke niet de boeiendste werkelijkheid?” Het is “alsof ik het evenement waarin ik aanwezig was, zelf creëerde, terwijl het in werkelijkheid niet bestond. Alsof ik iets materialiseerde wat in mijn geest bestond, maar wat niet reëel was.’ (blz. 32) Hij spreekt over synchroniteit, dat een “literaire constructie” zou zijn. “Het laat inderdaad een auteur met een beetje verbeelding toe evenementen in een zodanig verband te brengen, dat er tussen die evenementen als het ware iets totaal nieuws tot leven komt. Je zou het een alternatief kunnen noemen. Auteurs zijn magiërs, als zij erin slagen dat leven op te roepen.” (blz. 80) Maar “de magie van de auteur brengt wel mee, en dat is een gevaar, dat hij door dit magisch spel met het leven zelf meegevoerd wordt… Zonder het te beseffen wordt hij gevangene van zijn eigen schepping… hij wordt eraan verslaafd en wenst geen ander leven meer. Uit dat magisch leven treden gaat hem pijn doen. Hij beleeft nu eenmaal dat andere leven, net zo natuurlijk als een sterveling zijn sterfelijk leven beleeft.” (blz. 81)
Aanvankelijk oordeelde de hoofdpersoon de utopie nog onhaalbaar: “Het paradijs bestaat uiteraard niet. [] Ze hebben je er gedurende je kleuterjaren mee zoet gehouden en je blijft het mordicus zoeken, omdat alles wat je als kind geloofde, zo diep in je geankerd zit. Je kindersprookjes neem je mee tot je oude dag.” (blz. 8) Maar al snel oordeelt zijn vriend dat die utopie wél bestaat, en wel in “de schijn van de verbeelding. De schijn van de woorden. Met woorden creëer je desnoods een paradijs.” (blz. 31)
Naarmate het verhaal zich ontplooid lopen werkelijkheid en illusie steeds meer in elkaar over, waarbij het bezoek aan een Milanees museum een eerste climax vormt: er ontstaat een soort omdraaiing, waarbij de werkelijkheid een wereld van bizarre Jeroen Bosch-achtige schilderijen wordt en de fantasie wordt een werkelijkheid van verklede suppoosten en dierachtige mensen. Daarna blijven duistere erediensten en bizarre gebeurtenissen op zijn pad komen, met als volgende climax zijn droomachtige ervaring in hoofdstuk twaalf, waarin hij in een Danteske onderwereld door Egyptisch aandoende figuren wordt gewogen.
Met woorden was Van Brussel op zoek naar het paradijs in zijn eigen bestaan. Hij tastte naar een alternatief waarin leven niet werd geaborteerd, en dat tasten initieerde persoonlijke processen, riep angsten op en hoop, en leidde ook tot het terugvinden van zijn ideaalbeeld van de vrouw, dat in de loop van het verhaal op het terras opduikt en hem redt uit de onderwereld. Zijn levenslust is te groot, te groot om zich neer te leggen bij zijn eigen eindigheid en die van zijn geliefden. “Ik wil niet dat wie ik liefheb in de verrotting van de grond verdwijnt of in de as van een oven. Als kleuter meende ik dat in de zwarte koets met zilveren kruis en toortsen, getrokken door paarden in zwarte mantels getooid, met een pluim op hun kop en met gaten in het doek, waardoor ze keken, dat in die koets een lege kist lag en dat de priesters de afgestorven ergens verborgen hielden…” (blz. 87/88) Die zwarte koets die in zijn jonge jaren, ver weg in de Congresstraat, zo’n indruk had gemaakt.
Even plotseling als ze opnieuw in zijn bestaan zijn gekomen, verdwijnen de vrienden weer. Eerst Jacques, later Jan. De “zwervende auteur” (blz. 157) komt langzaam maar zeker weer terug in onze realiteit. Uit eigen keuze, want “Ik wilde me niet verder begeven in die illusoire wereld, waarin ik – dat had ik tenminste geloofd – mijn vrienden van vroeger terugvinden kon. Ik had trouwens niets tastbaars overgehouden van dit avontuur. Ik stond hier weer met lege handen. Alleen bepaalde gevoelens had ik gekend, die me tot dan toe vreemd waren geweest. Een mengeling van geluk omdat ik hen had teruggevonden en van heimwee, omdat ook een vriend enkel een episode is in je leven. Zoals alles wat voorbijgaat.” (blz. 159/160) Hij zit dan nog steeds op het terras, al is het in de werkelijkheid van onze wereld een ánder terras, niet bij het Ortameer maar in Sorrento. Wanneer de barkeeper vraagt of hij een boek schrijft over de liefde, noteert de hoofdpersoon: “Ik heb instemmend geknikt op zijn vraag. Omdat ik een boek dacht te schrijven over mijn liefde tot het aardse leven. In zo’n boek ging het niet om erg materiële dingen. Het ging om nuanceringen. Nuanceringen die op je vast zitten als rimpels op een huid” (blz. 156/157). Een wat verwaarloosde hippie probeert hem daarna nog een poppetje te verkopen, om geld te verdienen voor een reis naar India. Want daar “kreeg je voeling. Met het andere. Met het zinnige. Dat was hier verloren gegaan. Onze zintuigen roken de geur niet meer van het Eeuwige Leven. Wij kenden enkel de smaak van hot-dog en het lawaai van rockmusic. In Europa weet men zelfs niet meer wat leven is en in Amerika is het nog erger gesteld” (blz. 166). Maar wanneer de man wegloopt, “verder op weg naar zijn paradijs”, gaat de hoofdpersoon niet met hem mee. Hij gaat terug naar zijn eigen aardse leven. “Ik besefte dat ik het terras voorgoed verliet.” (blz. 168)
Door het spelen met de werkelijkheid is Het terras in de SFLexicon opgenomen, de meest complete SF bibliografie voor SF en Fantasy in het Nederlandse taalgebied. Zo’n classificering doet de roman echter tekort. Het is een magisch realistische roman, die qua sfeer wat doet denken aan “Ontmoeting in de zonnewende” van Johan Daisne of “Helene Defraye” van Hubert Lampo. Rustig en sfeervol opgebouwd, met voldoende bizarre gebeurtenissen en stroomversnellinkjes om de lezer te blijven verrassen. Een interessante vorm van autobiografie, een verzet tegen de veranderingen in ons leven want, zoals Van Brussel in Anton, mijn Anton, jij was onsterfelijk al schreef, “wij wennen zo moeilijk aan wijzigingen. Wij willen dat de dingen steeds blijven wat ze geweest zijn. Wij willen de tijd stilhouden. De eeuwige jeugd bewaren. Het kan niet… En dat besef raspt als een foltering, voortdurend dezelfde wonde open.” (blz. 65). Maar het is wel een autobiografie die de lezer op zichzelf terugdringt. Want je moet “niet zomaar gratis een boel informatie over jezelf doorgeven. Dat heeft geen zin. De deuren van je diepste ik moeten gesloten blijven. De mens is de meest hermetische wereld van het heelal” (blz. 157).
Jooris van Hulle schreef in De Standaard dat in Het terras “realiteit en verbeelding, nuchtere beschrijvingen en illusoire gebeurtenissen in een gedoseerde afwisseling naast en tegenover elkaar komen te staan.” Over een onderdeel van het realistisch kader van de roman schrijft hij: “Opmerkelijk is de manier waarop deze realiteit als cliché wordt ontmaskerd”. Hij oordeelde Het terras als een overtuigende roman en betreurde alleen dat Van Brussel op de laatste pagina’s zijn bedoeling zo expliciet heeft gemaakt, hetgeen volgens hem overbodig was. Ook Luc Lannoy, die schrijft dat “deze roman [] zijn grootste kracht [put] uit de wazige, mystische sfeer waarvan het geheel is doordrenkt”, vindt het “jammer dat die voor een groot deel teniet gaat in de (mijns inziens overbodige) laatste twee hoofdstukken. Daarin worden enkele ideeën uit de Steinertheorie en omtrent reïncarnatie geëxpliciteerd en voel je als lezer de eigen invulmogelijkheden enigszins op hun honger gelaten.” Maar ondanks die “dissonant is Het terras een boeiende verkenning geworden van menselijke (ver)twijfel(ing) en eenzaamheid in het licht van een ‘ontembare’ ver-gan(g)kelijkheid.” De hoofdpersoon zou een “sterk versneden en een aan onze vaak als postmodern bestempelde tijd aangepaste Byron-hero” zijn. “Tot op zekere hoogte wellicht ook een beeld van de schrijver die Van Brussel is.”
In dat einde hebben deze critici misschien wel gelijk, maar wie zich herinnert dat Van Brussel zo vaak onbegrijpelijkheid werd verweten, kan zich zo’n einde wel voorstellen. In ieder geval kun je ook stellen dat de afsluiting, die als een benadrukkende paukenslag de kern van de gebeurtenissen nog eens onderstreept, de roman niet tekort doet. De bespreker in Vlaanderen viel niet over het einde. Die vond dat “de irreële sfeer van de ‘vierde dimensie’ [] met grote evocatieve kracht gesuggereerd [is]. Voortdurend vertoeft de lezer, door zovele woorden met dubbele bodem, door zinspelingen en voorvallen die verwijzen naar antieke onderwereld-mythen, in een sfeer tussen twee werelden. Het geheel getuigt niet alleen van een scherpzinnige vindingrijkheid, het confronteert de lezer met zovele vragen van leven en dood…” Zijn eindoordeel: “Gust Van Brussel laat zijn geïnteresseerde lezer beslist niet onberoerd.”
Het zonnige zuiden
In 1987, het jaar van Het Terras, verhuisde Van Brussel naar het Zuiden van Frankrijk, naar Montpellier dat hij kende van eerdere vakanties. Behalve de twee boeken die gepubliceerd werden, De Salamandereters en Vader van rebelse zonen, schreef hij aam meerdere manuscripten, waaronder die van De Atlantica Kroniek en De helm van Parsival. Hij werkte aan “De weemoed van de herfstavonden”, in het Frans, en schreef er De Grotbewoners, een vervolg op De Salamandereters over zijn jeugdjaren in Edegem. Het werd niet gepubliceerd omdat De Standaard hun poging tot een reeks humoristische literatuur had opgegeven bij gebrek aan manuscripten. Was Van Brussel als bankmedewerker met pensioen, als schrijver was hij dat allerminst. Hij was juist zeer productief. En toch werd het stil rondom Van Brussel, bleek de derde periode waarin hij niet publiceerde te zijn aangebroken. Want daar in het zonnige zuiden werd in 1992 kanker bij hem geconstateerd. Hodgin- of lymfekanker in de derde graad, die zich uitzaaide tot darmkanker en blaaskanker en uiteindelijk ook huidkanker. Operaties, bestralingen en chemotherapie volgden. Met de dood voor ogen en uitgeput door een tekort aan witte bloedlichaampjes vond hij steeds minder de kracht om te schrijven.
Terug naar de stam
De voortdurende kankerbehandelingen, een blaasoperatie en een darmoperatie, deden Van Brussel terugverlangen naar zijn vertrouwde vaderland. In 1999 keerde hij terug naar Vlaanderen en vestigde zich in Oud-Turnhout. Uitgeput door de medische molen waarin hij terecht was gekomen, nam hij zich voor de pen in de wilgen te hangen en alleen nog maar te gaan schilderen. Maar eerst moest De Atlantica Kroniek worden afgerond, de roman waarmee hij in Frankrijk was begonnen en dat hij als zijn testament beschouwde, maar die hij al zes versies lang niet tot eigen tevredenheid vorm wist te geven. Hij raapte al zijn kracht bijeen om het opnieuw te herschrijven en eindelijk, de zevende versie kreeg zijn goedkeuring.
En toen? Het was 2001 en de wereld was veranderd. In het Nederlandse taalgebied was alles dat naar sciencefiction zweemde uit de gratie, en wanneer een uitgever zich er aan waagde, moest het of vlot en makkelijk zijn, geheel binnen de grenzen van een afgebakend genre, of het moest een goed lopende auteur betreffen. En De Atlantica Kroniek is bij eerste kennismaking een moeilijk boek, dat buiten elk vertrouwd kader valt. Van Brussel was na zijn verblijf in Frankrijk en zijn ziekte ook geen bekende, goed lopende auteur meer. Uitgevers waren op zoek naar jeugdig talent en niet naar een auteur die bijna tachtig was. Zijn eerdere successen waren in onze van informatie overladen maatschappij zo goed als vergeten.
Hij stuurde het manuscript naar het Davidsfonds, waar het werd afgewezen omdat er geen markt voor zou zijn, een oordeel dat voor wat betreft sciencefiction nog altijd juist lijkt te zijn. Maar de gebrekkige motivatie waarmee de lectoren hun afwijzing onderbouwden maakte Van Brussel toch boos. Hij realiseerde zich dat je in het Nederlandse taalgebied voor de uitgeverijen van de “turbogeneratie” geen interessante auteur meer bent. Maar ook dat alles kon het schrijversvuur van Van Brussel niet blussen en toen hij eind 2001 op het Internet de site van ’t Prieeltje ontdekte, gerund door de energieke Henri Thijs, schrijver en uitgever die enige tijd daarvoor geheel digitaal was gegaan en een reeks boeken in elektronische vorm uitgaf, netbooks of eBooks. En in 2002 verscheen in die reeks De Atlantica Kroniek in elektronische vorm.
Maar ook toen accepteerde geen wilg Van Brussels pen. De GRAAL vzw, een amateur uitgever uit Turnhout, wilde een aantal “bucolische rijmen” van Van Brussel in boekvorm uitgeven en eind 2001 verscheen de gedichtenbundel Oud-Turnhoutse jaargetijden. Voor zijn romans bleek dit weer zo’n dwingende vingerwijzing van het lot, want de uitgever wilde méér en wist Van Brussel er toe te bewegen een volksboek voor hem te schrijven. Het werd De Sus, dat in 2002 verscheen in een oplage van vijfhonderd. Een sober maar net uitgegeven boekje. Het trok de aandacht, mede door een actie van Antwerpen Boekenstad, waarbij een aantal exemplaren “wild gelegd” werden achter in Antwerpen, om te worden meegenomen en na lezing elders weer openbaar te worden neergelegd. In het verlengde van de ondertitel, “een Antwerps volksverhaal”, benadrukte Tony Rombouts in De Antwerpenaar dat het “niet alleen volledig gesitueerd (is) in Antwerpen”, maar ook “van onder tot boven (is) bevolkt met volkse figuren en (is) geschreven in de volkstaal.” AGA, het Algemeen Geschaafd Antwerps, blijkt “een Nederlands, doorspekt met Antwerpse woorden en uitdrukkingen.” De Nederlander en wellicht ook de niet-Antwerpse Vlaming komt inderdaad heel wat onbekende woorden tegen. Sommige zijn in Van Dalen niet terug te vinden, zoals “krammakkelijk”, “kasj”, “mammezel” en “talloor”, om er enkele te noemen. Maar zelfs wanneer de betekenis van die woorden niet uit de context is af te leiden, doen ze geen afbreuk aan de begrijpelijkheid en de sfeer van het verhaal over de rasechte Antwerpenaar Francois Pittoors, die Sus wordt genoemd.
Sus heeft een schoenenzaak, die in de tijd van zijn vader nog uitstekend liep. Maar “het lappen van schoenen geraakte in de vergeethoek, want tegen de prijs van fabrieksschoenen met kartonnen zolen was niet te concurreren. De lodders kwamen in de vuilbak terecht. De mode veranderde ook voortdurend en met de onverkochte stock konden schoenmakers gelijk de Sus een heel regiment aan schoenen helpen.” (blz. 26) In zijn jonge jaren was Sus een vlotte jongen, die veel succes had met liedjes uit de oude tijd, maar ook dat is voorbij. Om zijn gezin te onderhouden, is Sus gedwongen om bij te verdienen met het wassen van auto’s en kelner te zijn bij feesten en partijen, terwijl zijn vrouw Melanie de strijk doet voor restaurants. Ook zijn kinderen confronteren hem frontaal met de nieuwe tijd. Zijn dochter Margriet noemt zich opeens Daisy, gaat ongehuwd samenwonen, wordt zwanger, komt weer thuis, leeft daarna bij een welgestelde oudere man en komt uiteindelijk weer bij haar oorspronkelijke vriend. In het begin van het verhaal wijdt Sus zijn zoon Lowie, die de volgende dag naar het college gaat om Latijn te leren, in het echte leven in: “Nu moet ge uw oren en uw ogen goed openhouden… We zullen onze tournee afwerken deze laatste avond tot ik u alles geleerd heb wat u later in uw leven kan van pas komen en dat zult ge nooit in het college leren.” (blz. 8) Maar Lowie wil liever beeldhouwer worden en begint in de loop van het verhaal te spijbelen, gaat drugs gebruiken, heeft een geheime Marokkaanse vriendin.
Het huwelijk van de Sus is er zo een waarin de vrouw zorgt dat de man een schone zakdoek bij zich heeft, dat beeld dat we al kenden van Frank uit Het labyrint. “t Is een propere… Uw moeder heeft hem daastraks in mijn zak gestoken. Die denkt aan alles.” (blz. 207) Ondanks de komisch geschetste spanningen en verschillen (“Vaders en moeders hebben een verschillend zicht op het leven van een mens. Moeders rekenen op God. Vaders moeten op zichzelf rekenen.”), houden ze van elkaar en hebben ze voor elkaar gekozen.
De Sus is een man van de oude stempel. Niet alleen de vriend van zijn dochter verwijt hem dat, zelfs Melanie is dat van mening: “Gij hebt uw tijd gehad. Uw kinderen hebben recht op hun tijd. Wat gij vertelt is voor hen prietpraat. Gij leeft nog voor de oorlog Sus, gelijk uw vader en uw grootvader. De tijden zijn veranderd.” (blz. 23) Maar Sus blijft bij zijn opvattingen: “Mijn grootvader en mijn vader waren gelukkige mensen. Die leefden nog gelijk in de goeden ouwen tijd.” (blz. 22) “De kinderen hebben geen jeugd meer. Voor ze tuttefrut kunnen knabbelen weten ze alles over seks en als ze trouwen gaan ze uiteen voor een scheet in een fles.” (blz. 23) Vanuit die instelling en met een nuchtere kijk, slaat hij er zich doorheen; wat overmoedig en eigengereid, vloekend en lachend, met zotte invallen en gelukkige meevallers, blijft hij alles doen om zijn kinderen te geven wat ze nodig hebben. Want de Sus heeft meer diepte dan je aanvankelijk zou denken. Ook hij wilde beeldhouwer worden en is slechts in de zaak gegaan omdat zijn vader dat wilde en je dat in die tijd dan ook deed.
Een verhaal waar volgens Rombouts “ongegeneerd mee gelachen kan worden. Zo eens iets anders dan al die serieuze literatuur.” Dat doet De Sus geen onrecht. Tegelijkertijd doet het deze roman ook tekort en dat niet alleen door de serieuze volkse wijsheden van Sus. Tussen alle humor door heeft Van Brussel zijn eigen problematiek weer duidelijk verwoord. Zo kan een directe relatie worden getrokken met De abortus.
In De abortus gaf Van Brussel een breed, realistisch beeld van de veranderingen in onze complexe maatschappij. In De Sus deed hij hetzelfde, nu niet door als geletterde intellectueel op de fusies en overnames neer te zien en zich dan vanuit de comfortabele positie van een machthebber wat onwillig te schikken, maar door van onderuit tegen die veranderingen aan te kijken, vanuit de positie van de gewone man, de kleine zelfstandige die steeds harder moet werken om zijn hoofd boven water te houden. Het is een invalshoek waarin zelfrelativering doorklinkt, vooral wanneer Sus met zijn directe levenswijsheid over de geletterde mensen als Van Brussel opmerkt: “Het duurt veel langer in hun kop vooraleer zij content zijn over hun eigen gedachten. Ze zijn zo ingewikkeld geworden dat ze niks meer durven geloven. Het moet toch allemaal veel simpeler zijn!” (blz. 127) Opnieuw is er de breuk tussen de generaties, die nu nadrukkelijker een breuk is geworden tussen de tijd van Sus en zijn vader en zijn grootvader enerzijds, en de tijd van zijn kinderen anderzijds – de problematiek dat Van Brussels generatie geen voorbeeld voor het ouderschap meer had, zoals hij dat na Vader van huwbare dochters in interviews aanstipte.
Het is duidelijk dat Van Brussel volop uit zichzelf heeft geput om Sus, een mens “van den ouwe slag” vorm te geven. Zo hoor je een scherpe Van Brussel spreken wanneer Sus het heeft over de holle frasen van politici, die niet verder komen dan te stellen dat ze de mens centraal willen stellen: “En als die dan centraal staat, wat staat hij daar dan te doen. Als ge het mij vraagt, staat hij in zijn broek te krabben, want hij weet gewoon niet wat hij daar staat te doen.” Sus zijn bijverdienste als zanger kan worden beschouwd als een knipoog naar het schrijverschap van Van Brussels, de Troubadour op tocht, zoals de titel van zijn verzamelde gedichten luidde, net zoals in Het labyrint de bijverdienste van Frank in de journalistiek als zodanig kan worden beschouwd. Andere aspecten van zichzelf heeft hij geprojecteerd op Lowie, die op de lagere school altijd de beste van de klas was, Latijn gaat studeren, denkt dat zijn moeder wil dat hij pastoor wordt en artistieke aspiraties heeft. Wanneer Sus zich afvraagt of Lowie “echt door die duivel van de kunst gebeten was”, klinkt daarin door wat Van Brussel bijvoorbeeld in Vaders van huwbare dochters schreef: “Ik heb steeds gevreesd dat een van mijn kinderen een kunstzinnige aanleg zou hebben, precies ter wille van die onontkoombare situatie waarin je belandt als artiest.”
De Sus was succesvol. De media haalden Van Brussel weer voor het voetlicht en de roman trok de aandacht van Uitgeverij Pandora, die de rechten opkocht en een mooie tweede druk verzorgde. Dat leverde weer nieuwe publiciteit, bijvoorbeeld door een kort interview in Lifestyle, waarin Van Brussel de Congresstraat waar hij geboren werd en de Luchtbal waar hij opgroeide als deel van het autobiografische aanduidde. “Mijn ouders waren arm, maar we zijn nooit ongelukkig geweest.” Hij benadrukte het basisthema van de roman, het tussen twee tijden, twee werelden gemangeld worden: “De Sus staat met één poot in den oude tijd en met de andere in de nieuwe. En hij weet niet hoe hij moet dansen.” Zoals dat tegenwoordig voor zo velen geldt. Vergeleken met Lode Baekelmans en Willem Elschot vond hij dat “het genre van het eenvoudige volksverhaal [] meer aan[sluit] bij Baekelmans” dan bij de psychologiserende Elsschot.
Voldoende succes voor Uitgeverij Pandora om ook De Atlantica Kroniek als écht boek uit te geven en drieëndertig jaar na De ring, bijna twintig jaar na De waanzinnige stad, verscheen er weer een sociaal-futuristische roman van Van Brussel in druk.
In De Atlantica Kroniek beschrijft Fabian Zé, “historicus en docent aan de academie van Trozen op het rijke Tarmaddon” in negentien folio’s het ontstaan van de Porfirische Confederatie, die uit zeven planeten bestaat. Aan het eind van de inleiding geeft Van Brussel bij monde van Zé zijn uitgangspunt: “In het collectieve bewustzijn van de Atlanten vervaagde de geschiedenis van de Atlantica. De leiders hebben dit zo gewild. Gedurende vele generaties werd de herinnering aan de Atlantica afgezwakt. Tot de officiële versie van de heroïsche tocht overbleef als enige waarheid. Historische namen. Heldenavonturen. In de scholen werd een clean verleden als waarheid verkocht. Ik schaam me over dit officiële misprijzen van de Geschiedenis. Voor machthebbers geldt enkel het vervlakken van het individu in de massahypnose van een funeste politieke moraal. De eenzaamheid van het individu opgesloten in de virtuele wereld van een oppermachtig gemeenschapssysteem dat men Democratie noemt. De creatie van een item, een cyberwezen dat manipuleerbaar is en geprogrammeerd wordt naar de grillen van de machtigen.”
De eerste folio’s, gebaseerd op de oudere archieven, beschrijven de eerste officiële vlucht van de kunstplaneet de Atlantica. De Aarde staat op de drempel van een werelds Utopia, maar dan ontploffen de tegenstellingen letterlijk en komt er een einde aan onze wereld. Getraumatiseerd zwerft de kunstplaneet door de ruimte, ontdekt de komeet Hio, met een aantal grote meteoren in haar nasleep, en vindt daar een schuilplaats. Op de kunstplaneet nemen de vrouwen de macht, een verzet tegen de mannelijke strijdlust en rivaliteit die de Aarde vernietigde. Iedereen zweert de Eed van de Atlanten, die geweld en oorlog moeten uitbannen.
Daarna, in folio vier tot en met elf, wordt op grond van “de jongere archieven” verteld over de complexe maatschappij die zich op de artificiële planeet heeft ontwikkeld. “Wie zich aan een melodramatische beschrijving daarvan verwacht, zal teleurgesteld worden. Het gaat om een kroniek, niet om een feuilleton.” (blz. 125) Het is dan ook geen makkelijke lectuur, die gedachteloos weghapt als vluchtige ontspanning. “Om de betekenis van de huidige gedragingen van de Atlanten te begrijpen, moet men nadenken over de evolutie die de Atlant heeft doorgemaakt en mag men nooit zijn Terraans verleden vergeten. Wij zijn embryo’s van het verleden in het heden kind geworden.” (blz. 94) Van Brussel brengt de maatschappij in al zijn geledingen tot leven, want om “de geschiedenis van de Atlantica te begrijpen is het nodig nader kennis te maken met de hele structuur van deze sociëteit in ballingschap. In vele opzichten is de Atlantica een boeiende onderneming geweest en voor alles was zij een uniek experiment dat vele generaties overleefd heeft.” (blz. 47) Een genetische dienst en strikte scholing creëerden “een Atlant degelijk functionerend in het gesloten socio-economisch circuit van de Atlantica biotoop”, terwijl klonen in reserve worden gehouden voor ongelukken. Een krampachtig rationeel gereguleerde maatschappij, met eigen financieel-economische wetten, opgedeeld in kasten van vrouwelijke Fria’s, een selecte groep mannelijke technici waaronder de vluchtcommandant, de Sakarits, en de massa van mannelijke Orga’s, die het werk doen. “Alles wat men ooit op Terra cultuur genoemd had, werd geweerd… De Terraanse cultuur was een afwijking waarbij de gevoelens de bovenhand haalden op de geest. Cultuur was toegeven aan wat niet concreet kon uitgedrukt worden. Vandaar dat door de Frias het woord cultuur uitsluitend gebruikt werd in de betekenis van onverbeterlijk achterlijk.” (blz. 51)
Maar ook in deze door vrouwen overheerste maatschappij ontstaat er een politieke machtsstrijd en het is deze ontwikkeling die Van Brussel hanteert als rode draad om daarmee spanningsbogen in het verhaal te brengen. Want al is het dan een kroniek, door een aantal personages in de machtsstrijd en de daaruit voortvloeiende revolte te volgen, is het ook een spannend avontuur.
Aan de hand van “de recente archieven” beschrijft Zé de uiteindelijke escalatie. De verdrongen menselijkheid komt in alle hevigheid naar buiten, de samenleving die zo ideaal moest zijn stort in, moord en doodslag bedreigen het voortbestaan van de Atlantica. “De genetica moest een item voortbrengen perfect geprogrammeerd om in een net zo perfect voorgeprogrammeerde sociëteit te functioneren. Nu weten we dat een dergelijk item nooit zal geboren worden uit haar kolven. Telkens er zich een afwijking van dat ideaalbeeld voordeed en hoe vaak gebeurde het niet, werd dit doodgezwegen.” (blz. 152)
De verrassende ontknoping, waarin ergens in de Nimbus toch een paradijslijke wereld ons wacht, begint met een verzuchting die Van Brussel eigen is: “Wie ben ik, Fabian Zé, die het in zijn oude hoofd haalde de geschiedenis van de Atlantica te schrijven! Erudiet misschien in het ontleden van beschimmelde teksten, elektronische en zelfs chemische informatie, maar zo onmondig om de samenhang van het lot der Atlanten te begrijpen.” (blz. 168).
In De Atlantica Kroniek heeft Van Brussel de thema’s uit zijn eerdere SF-boeken tot één complex, uiterst gedetailleerd verhaal samengevoegd. Hij heeft er zijn bekroonde en in het Frans vertaalde De ring mee overtroffen. Op kosmische schaal filosofeert hij over het lot van de mens, door hem los te rukken van zijn wortels en op te sluiten in een afgesloten wereld van metaal. Een artistiek gedachtenexperiment waarin de mens wordt teruggeworpen op zijn primaire drijfveer, het verschil tussen de seksen. Losgerukt van zijn bakermat, van de mythen en archetypen, zonder houvast aan zijn natuurlijke ontwikkeling en de gevoelens die daarmee zijn verbonden, moet dat natuurlijk tot waanzin leiden, een waanzin die wordt vergroot door zijn al even natuurlijke machtswellust. Én de steeds dodelijkere middelen in zijn handen. Een thematiek die eeuwig is en die op vele manieren vertelt kan worden. De manier die Van Brussel koos, die van een gedetailleerde kroniek, plaatst de vertelling op een hoger plan, net zoals Olaf Stapledon dat deed in zijn SF-klassieker “Eerste en laatste mensen” – maar daarmee week hij wel af van de succesformule die de grote uitgeverijen tegenwoordig nastreven, waarin de personages en hun wederwaardigheden centraal staan. De Atlantica Kroniek is dan ook een boek dat met aandacht moet worden gelezen, maar wanneer de lezer dat kan opbrengen vindt hij een wereld die blijft intrigeren en een verhaal dat bij herlezen alleen maar beter wordt. Een verhaal dat de lezer ook met zichzelf confronteert en vragen oproept waar hij zelf het antwoord op zal moeten vinden: Zullen wij mensen altijd onderworpen zijn aan onze biologische wortels? Zullen wij, hoezeer we ook veranderen, altijd de speelbal blijven van onze gevoelens, van de politiek en van het machtsstreven dat in ons geprogrammeerd is? Zal de afstand tussen mensen onderling nooit overbrugd kunnen worden dan met een ongrijpbaar, verwarrend en machteloos gevoel, zelfs in onze meest intieme relaties? Is er echt een uitweg, ergens op een hoger plan, ergens in de Nimbus?
Dat Van Brussel De Atlantica Kroniek zijn testament noemde, is niet verwonderlijk, want de thema’s in zijn sciencefictionboeken zijn de thema’s in zijn andere boeken, de thema’s van Van Brussel. Opnieuw ging het om de vraag “hoe maken we er een mooie wereld van”. Nog altijd ging het om “om een deelname aan een sociaal engagement”, om de ontvoogding van de mens, of dat nu de Westerse jongere was (Voor een Plymouth Belvedere), de vroegere kolonies (Cassandra en de kalebas) of “de totale ontvoogding, inspraak en machtsuitdrukking van de vrouw” uit De Atlantica Kroniek.
Het is nog niet gedaan. In 2004 verscheen De helm van Parsival als eBook op de site van ’t Prieeltje, nadat deze door De Standaard werd geweigerd. Het verslag van de thuisreis van de jonge Oostenrijkse soldaat Johan Marthaler, die na beperkte maar toch al traumatiserende oorlogsinspanningen bij een bombardement zwaar gewond raakt aan zijn hoofd en door een hospitaalschip terug naar de Heimat wordt gebracht, om daar een zilveren schedel aangemeten te krijgen. Het verhaal vertelt hoe Johan deze reis ervaart, hetgeen er op neer komt dat de lezer van de trieste ziekenboeg slechts korte fragmenten te zien krijgt. Want vanuit het delirium waarin Johan zich bevindt, is de werkelijk slechts een koortsdroom. De dwingende aanwezigheid van de zuster, het lijden en sterven om hem heen, de machteloze bezigheden van artsen. En de koortsdroom waarin hij ronddoolt is de werkelijkheid geworden, waarin hij de zoon van een herenboer is, toekomstig eigenaar van land en knechten en bedienden, en toch is onderworpen, zit hij in het keurslijf van zijn ouders en de christelijke regels en de goede zeden van zijn samenleving zijn. De werkelijkheid als maalstroom van biologische vitaliteit, van geboorte en sterven, van opvreten en opgevreten worden, zowel geestelijk als fysiek, waarin het verleden samenvloeit tot één heden waarin hoop en angst elkaar afwisselen. Zijn bekenden en verwanten dringen zich steeds bemoeizuchtiger aan hem op. Aanvankelijk is hij blij met het weerzien, maar in toenemende mate probeert hij zich aan hun overheersing te ontworstelen. Het leven als een delirium, dat slechts met “Ach zo…” becommentarieerd kan worden. Want “er bleef Johan geen andere reactie meer over in zijn absurde wereld.”
Maar desondanks is er hoop, want aan het eind van het verhaal komt Johan thuis. Hij is meester geworden van de verlaten ruïnes van zijn jeugd. Niet in de realiteit maar in zichzelf, in dat wat een leven na de dood zou kunnen zijn, dát wat buiten de grenzen van ons Aardse vermogen ligt. Net zoals in het begin van Van Brussels literaire carrière Jacques Weiniger het beloofde land vond voorbij aan die grenzen. Als vindt Johan daar een tegenwicht voor wat Van Brussel in onder andere Vader van rebelse zonen constateerde als de kern van het menselijk bestaan, namelijk dat “terwijl de mens ontsnapte aan de aarde… hij ook vaste grond onder de voeten [verloor]”, dat “terwijl hij de bouwstenen van het heelal ontdekte en deze van het leven, [] hij los zand in zijn handen [hield]…” (blz. 92) Buiten de grenzen van zijn Aardse bestaan vindt Johan die vaste grond onder zijn voeten terug. Het Utopia, de nimbus, het Extropium, het paradijs. En “het land geurde naar het voort stoeiende leven. De buik van de aarde stond bol van verlangen naar bezaaiing. De bosheuvels voerden een wattige nevel aan. Over het erf hobbelden vlugschriften in een windstoot. KRAFT DURCH FREUDE. Boven Sankt Georgen draaiden, onzichtbaar door het alles overheersende licht de Sterrenbeelden.” Een grond die in ons Aardse bestaan steeds weer verstoord zal worden, want “eeuwen zullen voorbijgaan, maar keer op keer zal een man in oorlogsuniform met zegebanieren uit het niets opstaan om in naam van een mythe miljoenen mensen de dood in te jagen. Keer op keer zal uit die mythe het delirium ontstaan en zal de geest van het kwaad regeren. In naam van God.”
In De helm van van Parsival heeft Van Brussel vorm en inhoud op bijna onmogelijke wijze laten samenvloeien en het is dan ook de meest heftige roman die hij ooit heeft geschreven, al vanaf de allereerste alinea: “De jonge Oostenrijkse soldaat Johan Marthaler had geen greep meer op de realiteit. Zijn leven sijpelde weg terwijl de boot op en neer ging in de golven. De storm gierde. De planken van de kajuit kraakten. Hij lag vastgebonden op een brits.” In een korte en directe stijl wordt Johans situatie van beweging en onbeweeglijkheid direct beeldrijk neergezet, en dat houdt Van Brussel bijna honderdvijftig bladzijden lang vol. Dat is voor de lezer soms even wennen. Aanvankelijk laat je verwonderd meesleuren in de koortsachtige beeldenrijkdom, die al na enkele bladzijden een soort koorts bij jezelf veroorzaakt. Je verwacht dat die koorts eindigt, dat je weer wordt teruggezet in de vertrouwde realiteit, hoe fictief die ook is, maar dat gebeurt niet. De koorts woedt maar voort. Je wordt vermoeid en wilt stoppen, maar tegelijkertijd wordt je voortgeduwd, door dat dipje heen, om te ontdekken dat de vermoeidheid voortkomt uit je eigen onjuiste verwachting. Pas als je daar bent, ben je in staat die verwachting opzij te schuiven en je over te geven aan het verhaal van Johan dat toch ook een beetje je eigen verhaal is, hoezeer Johan en zijn omstandigheden ook van je verschillen. En wanner je de laatste bladzijde hebt omgeslagen blijf je heel stil in jezelf zitten, wachtend op de luwte na de storm, om daarin ook rationeel grip te krijgen op de vragen die deze roman bij de lezer oproept.
De belangrijkste vraag dringt Van Brussel op door middel van de titel. Hoezo “de helm van Parsival”? Het associatieve denkproces dat de roman in je heeft versterkt, roept meteen allerlei antwoorden op.
Natúúrlijk is Johan ook Parsival, de beste, meest heilige ridder die speurde naar de Graal. Iedereen is zijn eigen Parsival, elk leven is zijn eigen queeste naar zijn eigen Graal. Een queeste die wellicht door omstandigheden in gang is gezet, misschien zelfs wel door God, maar die uiteindelijk slechts naar je zelf leidt. En ook al zal op die tocht in naam van God het kwaad weer heersen – wat kun je anders verwachten van de holenmens die we ook zijn – uiteindelijk vinden we misschien toch onze Graal, ons paradijs, ons Utopia.
En natúúrlijk is het de helm van Parsival. Want al dat denken in ons hoofd is een verdediging tegen alles wat ons van boven uit de kosmos kan raken, een middel om ons Aardse bestaan zo lang mogelijk te rekken, Net zoals Parsival als ridder een helm droeg om zich te beschermen op zijn queeste. Tegelijkertijd roept die helm, die zilveren schedel die Johan denkt te zullen krijgen, een potsierlijk beeld op van de mens: want is die zilveren schedel misschien ook de Graal die hij omgekeerd op zijn kop zet en waarmee hij zich zelfs met zijn mythen maakt tot de nar in steeds weer andere kleren, zoals Van Brussel de mens ooit kenschetste.
Koortsachtige vragen en antwoorden waarin de lezer tot zijn eigen antwoorden moet komen.
De helm van Parsival wordt hier nog slechts cursief vermeld, net zoals De Atlantica Kroniek bij het elektronisch verschijnen cursief bleef. Een publicatie in de virtuele wereld van het internet is immers weinig tastbaar, ondanks de mogelijkheid het tijdrovend te downloaden en uit te printen. Voor je het weet is zo’n site weer verdwenen en blijkt alles in de bittenbak te zijn verdwenen. Dat is misschien ouderwets. Misschien verschijnen over enkele decennia boeken alleen nog maar elektronisch, al duiden de statistieken van de afgelopen jaren niet in die richting. Belangrijker is dat De helm van Parsival als écht boek nog een vetgedrukte vermelding zal veroveren, daar hoeft niet aan getwijfeld te worden. Tot die tijd wil Van Brussel wat zijn lezers willen, namelijk dat hij in vrede verder kan schrijven. Aan de novelle De snelweg naar nergens bijvoorbeeld, die hij bijna klaar heeft. Aan de satire Floris Fluwijn, voor een deel al in een derde versie. Aan De Pierrot, een lijvig boek als De abortus, dat voor een groot deel eerst in het Frans werd geschreven. Het schema van “De woonark” heeft hij nog steeds en ook al heeft hij er elementen van gebruikt in andere boeken, de echte Woonark trekt hem nog altijd als een te schrijven boek. En zou De grotbewoners, het vervolg op De Salamandereters dat ooit door De Standaard werd geweigerd, ook niet uit de kast gehaald moeten worden?
Zonder conclusies concluderend
Van Brussel is door de kritiek meermalen als een van de meest veelzijdige Vlaamse auteurs bestempeld. Toch is hij niet met literaire prijzen geëerd en hebben zijn boeken geen talloze herdrukken mogen beleven. In Nederland zijn er maar weinig lezers die zijn werk kennen, en dan beperkt die kennis zich voornamelijk tot zijn sciencefictionboeken. Bij een snelle beschouwing zou men kunnen concluderen dat dat komt omdat zijn romans als gevolg van een overvol leven te lijden hadden onder te veel haast, hetgeen zich vooral zou uiten in onnodige taalfouten en passages die binnen de structuur van de romans overbodig zijn. Wanneer je echter bedenkt dat Van Brussel met schema’s werkte en een tekst meerdere keren herschreef, dat mede daardoor zijn schrijversleven gekenmerkt wordt door perioden van jarenlang niets publiceren, dan moet je wel concluderen dat het geen kwestie van grote haast kan zijn.
Het is waar dat zijn romans taalfouten vertonen, slordigheden waar door de kritiek op is gewezen, variërend van “herkennen” in plaats van “erkennen” tot “de – soms storende – germanismen en gallicismen” waar Luc Lannoy in zijn bespreking van Anton, mijn Anton, jij was onsterfelijk op wees. De irritatie van Van Brussel over deze kritiek is begrijpelijk, vooral wanneer die kritiek de suggestie wekt dat hij zelf niet zou weten wat wel en niet fout is. Je vergeet in deze elektronische tijd makkelijk hoe nog niet zo lang geleden boeken tot stand kwamen, hoe een typoscript op papier werd aangeleverd en door een zetter werd overgezet in lood om het daadwerkelijk te drukken. Een fout als herkennen in plaats van erkennen lijkt mij zo’n typische zetfout. Van andere, wat complexere fouten, weet iedereen die wel eens wat schrijft dat je ze in je gedrevenheid ongewild maakt. Deze zouden bij het controleren van drukproeven, door Van Brussel zelf of door een redacteur, zijn gecorrigeerd. Maar ook daarvoor was vaak geen geld, vooral niet bij kleinere uitgevers als Walter Soethoudt. Iets wat onder druk van de markt en vereiste winstgroei nog altijd geldt, ondanks alle technische vooruitgang, zelfs bij grote uitgeverijen. Wanneer haast in dit opzicht een rol heeft gespeeld, dan is het toch vooral de haast van de uitgevers geweest. En die is bij veel meer auteurs te constateren.
Belangrijker is dat deze fouten teniet worden gedaan door de beeldende kracht van Van Brussel – die in de kritiek nog veel vaker wordt genoemd – en de communicatieve intensiteit, de zo sterke persoonlijke bewogenheid van zijn boeken die door Lannoy ook werd geconstateerd. Taal heeft Van Brussel altijd in het bloed gezeten. Het is dan ook, in de woorden van Lannoy, zeker “geen veroordeling”, terwijl je je bij diens “vaststelling” afvraagt wat er dan precies is vastgesteld.
Tot afsluiting van dit punt kan er op worden gewezen dat Van Brussel zich altijd heel bewust is geweest van het doel van de taal, namelijk die van het communiceren. Zo staat hij niet afwijzend tegenover de huidige ontwikkelingen, waarin het beeld een steeds prominentere rol krijgt, tot de icoontjes, smileys en ‘Messenger Emoticons’ aan toe. Al zegt hij bij monde van de Sus ook: “als ge uw taal verliest, verliest ge ook een stukske van uw ziel”.
Meerdere critici wezen op overbodige hoofdstukken en passages, bijvoorbeeld in de recensies van Cassandra en de kalebas of Het labyrint. Tegen deze opvatting is eerder in dit artikel al stelling genomen, maar het is goed er afsluitend nog even op terug te komen, omdat op dit punt de eigenheid van Van Brussel wellicht het méést tot uitdrukking komt.
De boeken van Van Brussel hebben een grote informatiedichtheid, waarbij die informatie, in overeenstemming met de dichter en schilder die Van Brussel altijd was, zich uitstrekt tot wat achter de woorden aanwezig is, tot de totale expressie van opvatting, gevoel en ervaring. Een vitaliteit die de vitaliteit van Van Brussel zelf was, de man die overal in geïnteresseerd was en alles wilde doen, die duizend levens wilde leven. Een man die altijd overvolle romans zou hebben geschreven, romans als de schilderijen van Jeroen Bosch, zelfs wanneer hij zijn hele leven vrijgezel en zonder job was geweest.
Binnen de queeste naar een betere wereld die zijn romans steeds weer blijken te zijn, worden die gevoelens en opvattingen in woorden tot uitdrukking gebracht via een deel van de tekst, een passage of een hoofdstuk. Daarmee kunnen de feitelijk beschreven gebeurtenissen hun rol hebben vervuld en Van Brussel heeft zich altijd de vrijheid genomen er dan niet op terug te komen, terwijl de onderliggende thematiek in de queeste gewoon zijn vervolg kreeg in andere beelden. Dat was een weloverwogen keuze: “Bij mij gaat het om brandpunten ideaal te plaatsen in een literaire structuur… Rondom die brandpunten valt het licht op het verhaal, waardoor ik in mijn beste werk dat transcendente en metafysische bereiken wil. Daarom zijn woorden centra waarrond zich een hele schakering van symbolen situeert, net zoals dat met een kleurenschijf gebeurt.” Hij week daarmee af van de geijkte literatuur op een wijze die aansluit bij de dichter en schilder in hem, en het draagt in belangrijke mate bij aan de vitaliteit van zijn werk.
De kunstopvatting die Van Brussel in zijn romans huldigde, sluit beter aan bij de beeldcultuur van de nieuwe eeuw dan bij de tijd waarin ze oorspronkelijk verschenen. Door de hedendaagse informatieovervloed, gecombineerd met de toenemende beeldcultuur, treedt er een verschuiving op van analytische, lineair opgebouwde teksten naar ogenschijnlijk versnipperde, meer associatief te ervaren teksten. In dit opzicht blijkt Van Brussel een voorloper te zijn van de wijze van expressie die zich steeds meer uitkristalliseert. Geen “ijsprong in het oeverloze”, zoals Huib Thomassen bij Voor een Plymouth Belvedere stelde. Wat Hubert Lampo bij De visioenen van Jacques Weiniger constateerde, dat het een “vernieuwing van de inspiratie” was, ligt dichter bij de werkelijkheid, zij het dat het óók een vernieuwing van de expressie en de communicatie was. Een vernieuwing die zijn voorlopers had in kunstenaars als Jeroen Bosch en Dante.
Het is bijna logisch dat er geen literaire prijzen en talloze herdrukken voor Van Brussel waren. Door de literatuuropvatting die hij in zijn romans tot uitdrukking bracht, paste Van Brussel in geen enkel hokje. En hij maakte zich nog extra ongrijpbaar door zulke diverse genres te beoefenen, van volksverhaal tot psychologische roman, van sciencefiction tot anekdote. “Ik ben onberekenbaar omdat ik alles aandurf. Ik houd geen rekening met wat mag of niet mag, doodeenvoudig omdat ik schrijf.” Het ging hem ook niet om de instemming van de gevestigde literaire orde, want hij schreef een boek “omdat het nu eenmaal uit je moet” (Vader van huwbare dochters) en het hem de mogelijkheid gaf zijn “duizend levens (te) beleven”, en te ontsnappen aan “de sleutel-op-de-deur-maatschappij”, zoals hij dat in een interview met Gaston Durnez vertelde. En daarin is Van Brussel, zoals hij in 1988 al tegen Jos Vranckx vertelde, onomkoopbaar en compromisloos, want “ik wil ten minste voor mezelf iets onbezoedeld houden: literatuur.” Schrijven was en is voor Van Brussel ook een noodzakelijke vorm van afreageren, een wijze van expressie die hem eigen is. “Ik ben met mijzelf op zoek naar het punt Omega. Ik ontraadsel.” En daarmee confronteert hij de lezer met die raadsels en bewerkstelligt hij ook in de lezer het begin van een ontraadseling.
Daarnaast was het ook een verdediging tegen de zwarte briesende paarden van de dood, een graaien naar onsterfelijkheid, die van Brussel zelf relativeerde tot “de eeuwigheid van het bibliotheekwezen” (Vader van rebelse zonen). In Het terras merkt zijn vriend Jacques daarover op: “IJdele hoop waarmee jullie auteurs de onsterfelijkheid najagen. Jij brengt je nachten door voor je schrijfbureau als auteur, in de mening dat je iets tot leven brengt wat nooit werkelijk leven zal, terwijl het echte leven, het waarachtige, zich buiten je werkkamer afspeelt en dat mis jij compleet”.
De waarheid ligt natuurlijk weer ergens in het midden, maar door de moderne informatiemaatschappij met zijn beeldcultuur, waarin de romans van Van Brussel nóg beter tot hun recht lijken te komen, zou een tweede jeugd van een aantal van die romans mij niet verbazen. Vooralsnog kan ik slechts afsluiten met eigen woorden: lees zelf en oordeel zelf.
De romans van Gust van Brussel
1960 De visioenen van Jacques Weiniger, roman, A. Manteau n.v.
1966 Het labyrinth, roman, De Kentaur
1966 Voor Plymouth belvédère, roman, A. Mantea n.v.
1967 Cassandra en de kalebas, roman, De Clauwaert
1969 De ring, roman, Boekengilde De Clauwaert
1979 Een nacht met Aphrodite, Uitgeverij Beckers
1980 Verlaten landschap, novelle, Soethoudt
1982 Vader van huwbare dochters, anekdotes, Standaard Uitgeverij
1984 De waanzinnige stad, roman, Soethoudt
1985 De abortus, roman, Standaard Uitgeverij
1986 Anton, mijn Anton jij was onsterfelijk, novelle, Uitgeverij Heibrand Turnhout
1987 Het terras, roman, Standaard Uitgeverij n.v., Antwerpen
1988 De salamandereters, roman, Standaard Uitgeverij n.v. Antwerpen
1989 Vader van rebelse zonen, Uitgeverij Heibrand
2001 De Atlantica Kroniek, roman, eBook, Het Prieeltje Online
2002 De Sus, roman, De GRAAL vzw
2003 De Sus, roman, Uitgeverij Pandora
De Atlantica Kroniek, roman, Uitgeverij Pandora
2004 De helm van Parsival, roman, eBook, Het Prieeltje Online
Over Gust van Brussel
1960 De visioenen van Weiniger, recensie, D. Ouwendijk, Het Binnenhof, 30/7
Vernieuwing van de Inspiratie, recensie, Hubert Lampo, Volksgazet, 14/4
1966 Dolen onder een stolp, recensie Het Labyrint, Paul Hardy, Exa
1967 Voor een Plymouth Belvedere, recensie, Huib Thomassen, De Spectator, 15/10
Voor een Plymouth Belvedere, recensie, René Gysen
In weifelend zweven…, recensie Cassandra en de Kalebas, De Nieuwe Gids, 6/5
1968 Venus van de welvaartstaat, recensie, Willem M. Roggeman, L. Nieuws, 7/3
1967 In weifelend zweven…, recensie Cassandra en de kalebas, De Nieuwe Gids, 6/5
1969 De Ring, recensie Feniks, ’t Pallieterke, 12/6
De ring, recensie, Wij, 5/7
Indrukwekkend, recensie De ring, Paul Hardy, 19/8
De dreigende maan, recensie De ring, Gaston Durnez, Het Volk, 1/10
Recensie De ring, Juliette Waeyenborghs, Het goede boek
De mens vernietigd zichzelf, interview met Gaston Durnez
1970 De ring, recensie, Holland SF
1978 De hedendaagse toestand van science fiction en fantastiek in belgië, door Albert van Hageland, De Periscoop, december
? Een nacht met Aphrodite, recensie, Remi van de Moortel
1981 Leren leven met de monsters, artikel, Gaston Durnez, De Standaard, 29/1
Verlaten landschap, rercensie, Annemarie Kindt, Holland SF, juli
1982 Goede Science-Fiction van bij ons, recensie Verlaten landschap, Weekeditie Gazet van Antwerpen, 17/6
Ik geloof in mijn kinderen, interview naar aanleiding van Vader van huwbare dochters, Jaak Dreeseb, De bond, 29/10
De opgave van de artiest, recensie Vader van huwbare dochters, Knack, 8/12
Een vader is iemand die een vlieger kan oplaten, recensie Vader van huwbare dochters, Gaston Durnez, De Standaard, 3/12
Vader van huwbare dochters, recensie, WIBO, 9/3
1983 Vader schrijft over zijn huwbare dochters, Nieuwsblad, 4/11
Verlaten landschap, recensie, Eddy C. Bertin, SF Gids 44/45
Verlaten landschap, recensie, Paul van Leeuwenkamp, Fantastische Vertellingen 15
1984 De aanslag, recensie, Patrick van de Wiele, SF Gids 68
De waanzinnige stad voer voor futurologen, recensie De waanzinnige stad, Gaston Claes, Gazet van Antwerpen, 29/11
Meer menselijkheid?, recensie De waanzige stad, André Demedts, De Standaard, 1/6
Boekenbeursberichten, recensie De waanzinnige stad, P. Sterckx, Nieuwe gazet, 9/11
Gust van Brussel op de drempel van nieuwe literaire levensfaze, recensie De waanzinnige stad, Jos Vranckx
Gust van Brussel werd zestig, Gazet van Antwerpen, 9/11
1985 De waanzinnige stad, recensie, Eddy C. Bertin, SF Gids 74
De waanzinnige stad, recensie, Hans Pols, Holland SF, oktober
Gust van Brussel, een Vlaamse Balzac, bespreking van de presentatie van De abortus, J.Vs, Gazet van Antwerpen, 17/12
1986 Kroniek van het Vlaams proza, over Anton, mijn Anton , jij was onsterfelijk en over De waanzinnige stad, Luc Lannoy, Boekengids
1987 De vierde dimensie, recensie Het terras, Jooris van Hulle, De Standaard, 12/9
Kroniek van het Vlaamse proza, over Het terras, Luc Lannoy, Boekengijds, oktober
Het terras, recensie, G.K., Vlaanderen, jan/feb
1988 Na Terras in Italië Salamandereters van de Luchtbal, artikel, Jos Vranckx, Weekeind, 12/13 november
1990 Dromen over je levensweg, recensie De salamandereters, Jooris van Hulle, De Standaard, 6/1
2003 De Sus, recensie, Tony Rombouts, De Antwerpenaar, 14/4
2004 Gust van Brussel vertelt een Antwerps volksverhaal, interview met Sven Peeters, Lifestyle, 21/1
Boeken van Gust van Brussel en special HetWerk65, literair kladschrift van Meurs A.M. over Gust van Brussel: Boekwinkeltjes.nl. Opbrengst boeken ter promotie van de auteur Gust van Brussel.
Helaas is hij heden in het boekenwereldje zo goed als vergeten.
In de poëzieweek van 2023 publiceerde ik elke dag een gedicht van Gust van Brussel. Ik beperk me hier tot de afleveringen waarbij de afbeeldingen niet zijn weggevallen. Die afbeeldingen staan wel nog bij het album op Facebook. Zie ook de links aldaar. Poëziealbum
HET essay over het werk van Gust van Brussel: ‘Het labyrint van Gust van Brussel, een dooltocht naar een mooiere wereld’ door Paul van Leeuwenkamp – : https://meursam.nl/?p=2008
Zie ook het nieuwe FBalbum Bij 100ste geboortedag: uit de special <Gust van Brussel (90)>: Facebook
We hebben een buitengewoon treurig kabinet, met 4 ministers van de PVV, een partij die veroordeeld is vanwege racisme, en die partij levert notabene de minister van migratie. Dat is pure kwaadaardigheid, denk je dan. En met een premier uit de vroegere BVD, Binnenlandse Veiligheids Dienst, nu AIVD, Algemene Inlichtingen en Veiligheids Dienst, een mannetje van law and order, behalve voor de eigen organisatie. Over de overigen zullen we het een andere keer hebben.
Voor Schoof zet ik natuurlijk mijn eigen geheime wapen in, en dat is Kitty, de ongeremde, dakloze vrouw uit Mijn liefde is scharlakenrood, Deel 3 Kitty, het hoofdstuk over 2003, titel En net hadden we…
(Kitty aan het woord)
2003
En net hadden we…
Dat Moslimterrorisme moet voor de Veiligheidsdiensten als een zegen zijn gekomen! Die roep van linkse mensen om intelligence! in plaats van oorlogen tegen Irak en Afghanistan. Echt werk in plaats van achter Russische functionarissen lopen tijdens een grote demonstratie tegen de neutronenbom in Amsterdam! In plaats van het schaduwen van pacifisten, radicale milieuactivisten en wouldbe-revolutionairen zoals mijn Rooie Willem. Op de televisie in de zaal van het pension zie ik een dikke vieze man met een van voren bolle broek, de man leunt achterover in zijn stoel, voorover leunen zou moeilijk gaan, hij zou ergens in zijn middenrif klem komen zitten, iets wat ik hem eigenlijk al gauw best gun. Tegenover hem zit een wat we tegenwoordig een nerd noemen, hij kijkt verlegen uit zijn ogen achter de vanzelfsprekend dikke brillenglazen. Hij heeft natuurlijk ook een baard, die hem al evenmin staat als zijn bril, terwijl geen baard en geen bril hem ook niet zouden staan, hij zou dan een gezicht hebben als de kont van een kip die door de andere kippen is kaal gepikt, iets wat ik hem op zijn beurt ook al gauw gun. Heel onschuldige dingen, maar die wel aangeven dat ik ze beiden al snel ben gaan haten. Of hij zich niet bedonderd voelt, vraagt men de nerd, nadat deze verteld heeft dat de BVD-agent, want dat blijkt de vieze dikke man die destijds met hem in dezelfde zogenaamd marxistisch-leninistische organisatie zat in werkelijkheid te zijn, zelfs nog op zijn trouwfeest is geweest. De nerd bloost en lacht verlegen. De BVD-agent zegt: “Ja, we waren echt bevriend.” “Dat zijn we nog,” zegt de nerd met een hoge stem en op dat moment schiet me te binnen dat van de BVD-agent gezegd werd dat hij zijn reizen naar China graag in Moskou of in andere 219 Europese steden onderbrak (de BVD was hem soms kwijt!) voor homoseksuele contacten en dat zijn directeurschap van een jongensschool ook niet geheel onverdacht was. “Ik denk nu precies het tegenovergestelde van wat ik toen dacht,” zegt de nerd. “Wat ik toen dacht en deed was helemaal fout. Maar dankzij deze BVD-agent heb ik toch geen kwaad gesticht, heb ik zonder het te weten zelfs meegewerkt aan het goede doel.” “Je bent de man die je jarenlang heeft bespioneerd, belogen, belazerd, dus dankbaar?” “Heel erg,” zegt de nerd, “dankzij hem heb ik niemand schade berokkend.” “Behalve je kameraden van die tijd dan.” “Ja, maar die wilden zelf de maatschappij schade berokkenen, die waren door de duivel gestuurd.” “De BVD-agent was de engel die ze bestreed en tevens jouw reddende engel?” “Zo is het, de Heer zij geloofd!” “Heeft hij je wel eens seksueel benaderd, het is bekend dat hij homo is?” “Ook dat is hem vergeven, bovendien is dat zijn goed recht, ook daar heb ik van geleerd.” “Wil je nog iets toevoegen?” “Ja, halelujah!” Ik word dus ook door de tv helemaal weer terug in die tijd gedrukt en niet op erg prettige wijze.
Het voorval staat niet op zichzelf. Er komt veel Binnenlandse Veiligheidsdienst of Algemene Informatie en Inlichtingendienst op de televisie. De vorige keer, de scène met de walgelijk dikke BVD-agent en de nerd, was ik na afloop hevig te keer gegaan, was scheldend en vloekend de afdelingen heen en weer en de trappen op en af gelopen. Dat wilden mijn medebewoners nog wel een keer meemaken, dus kwamen ze me voortaan roepen zo gauw ze dachten dat er ook maar iets soortgelijks op de tv was. De BVD was eigenlijk altijd een lachertje geweest in de ogen van de meeste mensen, want ze had altijd op een belachelijke en naïeve manier ‘links’ bestreden. Dat werd trouwens nog eens in de recente optredens en publicaties bevestigd. Nu ze bij de AIVD een nieuw doel hadden, het islamterrorisme, en daarmee ook opeens een draagvlak in de samenleving, probeerden ze ook hun lachwekkende verleden op te poetsen. Er komt een aantal (ex)BVD-ers op de tv. Ze zijn allemaal onsympathiek, misschien omdat je weet dat ze allemaal hebben behoord tot de afdeling stiekem, van schenden van het briefgeheim, van pakjes openen en – sorry, beschadigd bij het transport – weer dichtplakken, van infiltratie, je anders voordoen dan je bent, meedoen met mensen waar je het niet mee eens bent, die je toch naar de mond praat, tot daden brengt waarop ze gepakt kunnen worden, die je in de val laat lopen. Minister Verdonk komt uit die hoek. Ze weet dat wij dat weten. Ze compenseert haar schaamte en lafheid door stoer te doen, zet een vakbondsstem op. Maar als ze in de Kamer vragen moet beantwoorden, als ze niet haar riedeltje kan afdraaien, lukt het opeens niet meer, is ze zielig. Nou, dit soort figuren is opeens opvallend veel op de tv. Meer dan de helft heeft de hele uitzending een rooie kop, alsof ze zich alsnog schamen voor hun stiekeme gedrag. Je moet de vijand al heel groot maken om voor jezelf zo’n gedrag te kunnen rechtvaardigen. Eén valt er extra op. Het is een vieze man, niet alleen door de manier waarop hij er uitziet, het rode gezicht, het lachje, de dikke bril, maar ook door de manier waarop hij dingen zegt. Bijvoorbeeld over een man die ze jarenlang hebben geschaduwd: “Het was een Don Juan, een Casanova.” En dan komt het: “Die hoefde een dame maar aan te kijken en dan lag haar lingerie al op haar enkels.” Dat is duidelijk zijn eigen fantasie. Met camera’s, afluisterapparatuur en waarschijnlijk met inzet van een “dame” hebben ze jarenlang de Don Juan tot in de slaapkamer gevolgd. Lingerie. Ja, we passen even het trucje van Martin Bril toe. Het “lingerie op haar enkels” is veel kleffer dan wanneer hij gezegd zou hebben: “En dan was ze al bezweken.” Of desnoods: “En dan stond ze al in haar blote kont.” Dat laatste zou grof zijn, maar niet schijnheilig, ironisch, schijnbaar verhullend, geil. Deze man heeft persoonlijk likkebaardend aan de monitor en de koptelefoon gezeten, dat zie je. Kom maar op, Martin Bril. Vieze man. Stiekemerd. BVD.
“Mijn zoon is dood!” jammert Hanna
Bosmans van de Eerste Huizen.
“Mijn zoon is dood!” jammert Hanna Bosmans van de Eerste Huizen tegen A.M. “Aan kanker gestorven. Vijfenvijftig, even oud als jij, en jij klaagt dat het schrijven niet lukt en dat je er te weinig tijd voor hebt, maar jij bent gezond. Jij klaagt en van de enkele vrienden die je hebt is er een dood en hebben er twee kanker gehad en vechten en hopen dat het maar niet terugkomt. Jij klaagt en je buurvrouw van zevenenvijftig droeg een pruik als gevolg van de bestralingen en chemokuren, maar ze vocht, want als er iemand levenslustig was, dan was zij het, en had ze dan ook niet het recht…? Ze dacht dat ze ook al geen wimpers meer had, maar dat was duidelijk niet zo, dat zag je als ze haar hoofd opzij draaide, en daar was jij dan weer blij om. En toen ze nog geen weet had van haar ziekte zei ze eens: ‘Dood? Dat is het laatste wat ik wil!’ Jij vond dat grappig en zei: ‘Als dat het laatste is, heb je het voor elkaar.’ Maar de ziekte was onverbiddelijk en vorige week hebben jullie haar begraven met heel veel familie en vrienden. En sinds ze dood is hoor je haar stem de hele dag voor en achter het huis. En deze week is het een oom van eenenzeventig aan dezelfde soort ziekte… Maar jij klaagt.
Je hebt van mijn zoon nooit een
personage gemaakt, dus dood is in dit geval dood voor jou, want hij was
misschien niet interessant genoeg, te braaf, maar hij was wel mijn kind. En het
enige dat jou lijkt te interesseren is hoe oud zijn moeder dan wel zou zijn.
Nou, een jaar of negentig dus, want hij was mijn vierde, dus ik had er best nog
kunnen zijn.”
Ja, je schaamt je als je Hanna Bosmans van de Eerste
Huizen zo bezig hoort in haar verdriet. Ze heeft gelijk, je hebt niets te
klagen.
Je schaamt je, want ze heeft gelijk dat bij jou ook
hier het schrijven het echte leven verdringt. Want je realiseerde je inderdaad
dat er een zoon van vijfenvijftig dood was van een vrouw die in jouw
geschriften die leeftijd niet eens heeft. Want Hanna Bosmans van de Eerste
Huizen is bij jou ergens tussen de vijfendertig en vijfenvijftig.
We waren van dezelfde leeftijd. We zaten dus samen in
dezelfde klas van de lagere school. Hij was een knappe, lieve, brave jongen.
Misschien waren we ook samen bij de welpen. Later werd hij leider van de andere
jeugdbeweging. Ik denk ook dat hij misdienaar is geweest. En hij was bij de harmonie.
Toen we een jaar of achttien/negentien waren en veel
uitgingen, kwamen we hem nooit tegen. Waarschijnlijk had hij al vaste
verkering en zat hij rustig bij zijn meisje thuis.
Hij woonde dus in het allereerste huis. Of in het
allerlaatste, het was maar van welke kant je het bekeek. Naast hun huis was een
weiland tot aan de Gender. We voetbalden er soms, niet vaak, het was er ongelijk,
hobbelig, met lastige hoge graspollen en distels. Er stonden ook koeien, die
weliswaar tweehonderd meter naar achter, naar de Gender opschoven als wij
kwamen maar toch hun vlaaien achterlieten. Dat was een probleem, zeker omdat
onze kleren als doelpaal dienden.
En als we het huis in gingen om wat water te drinken, was
daar zijn luidruchtige moeder, die zo heel anders was dan hij en ons een rooie
kop deed krijgen als ze riep: “Hoe is het met jullie vader en moeder? Slapen ze
nog steeds samen in één bed?”
Ja, moeder Hanna Bosmans van de Eerste Huizen, ik
schaam me dat ik zo weinig kan schrijven over jouw zoon die dood is.
De Eerste HuizenDe Vrouwen van de Eerste Huizen op de omslag van de 3e, door @UfukKobas geÏllustreerde, druk van Aan de Lange Weg.
De Vrouwen van de Eerste Huizen
<Als je over de Lange Weg schrijft, kun je niet heen om de Vrouwen van de Eerste Huizen. Want ze wonen daar inderdaad in die eerste huizen als je vanaf de stad komt, en vanaf daar lopen ze dagelijks over de Lange Weg naar de sigarenfabriek, de school, de kerk en het patronaat en de winkels, want alles ligt voor ze, daar zijn het de Vrouwen van de Eerste Huizen voor. Achter ze ligt de stad en over de lange dijk naar de stad gaan ze met de bus of soms met de fiets en alleen bij bijzondere gelegenheden. Ze kennen elk huis en elke bewoner aan de Lange Weg beter dan A.M., kortom hij heeft ze nodig. >
(De Vrouwen van de Eerste Huizen, te weten: Hanna Bosmans, Hanna Knietel en De oudste dochter van Meijer; zij zijn tegelijk personages, vertelsters, commentatoren én Muzen van A.M;)
En A.M. denkt: als deze dames zo doorgaan wordt het een heel ander boek.(pag.75)
(De boeken over populisme zijn deze Boekenweek populair. Zo’n boek begint dan meestal met het begin (van het populisme of van de schrijver), dat wil zeggen met een heel lange aanloop. Gelukkig is er ook Antonio Scurati, die al heel snel vertelt dat hij eerst een boek heeft geschreven over een slachtoffer van het fascisme, Leone Ginzburg, en daarna 3 boeken over de fascist zelf, namelijk Mussolini, en het worden er 4. Met andere woorden: Scurati laat een fascist, een populist ZIEN)
(foto: Infiltranten in een demonstratie van Pegida in Duitsland nemen Wilders in de maling: ‘Pegida houdt van je pielenmuis’.)
WE ZIJN AAN DE 3E POGING TOT EEN REGERINGSFORMATIE. Het is buitengewoon treurig om 2 oude heren uit een andere wereld te zien, die ik graag met dat pak in die andere wereld met rust zou hebben gelaten, heren die 4 maanden na de verkiezingen een 3e poging moeten doen om een partij aan de macht te helpen omdat die partij meer stemmen heeft weten te behalen, niet meer als alle andere partijen samen, wat een argument zou kunnen zijn maar niet het enige, maar gewoon meer als een van de andere partijen.
Dit terwijl de reden om deze partij, de #PVV, UIT de macht te houden zonneklaar is: namelijk omdat deze partij #racistisch, #semifascistisch, #ondemocratisch, #onbetrouwbaar en #haatzaaiend is, en #contraproductief wat betreft de #wereldproblemen zoals #klimaatverandering en #gelijkwaardigheid en kansen (#vluchtelingen). En NEE, mevrouw uit Venlo, #GeertWilders zegt NIET wat u denkt (en trekt dit net zo makkelijk weer in) maar heeft ervoor gezorgd dat u DENKT dat hij zegt wat u denkt. En dat komt ook omdat andere partijen als VVD en CDA om opportunistische reden Geert niet hebben tegengesproken maar in dezelfde populistische vijver hebben gevist en nog vissen. In DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM leest u hoe #populisme en #racisme werken en waar ze toe kunnen leiden.
Dit is het vervolg van DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM, Deel 5, waarin Theorie vertelt over zichzelf en vooral over Wilders.
5 Nauwelijks 2 maanden na hun eerste afspraak zat het PAZC (Particuliere AZC) tjokvol. Het was het enige AZC in Nederland dat vol zat. Inderdaad was het probleem voor We Are Here letterlijk van de straat. Alle steden keken verwonderd toe. Azc’s concentreerden zich opportunistisch op de ‘makkelijke’ Syriërs en stuurden de moeilijker gevallen, meestal uit Noord- en Midden-Afrikaanse landen van wie de IND vond dat hen niet of niet zonder meer asiel kon worden verleend, door naar het PAZC, mét het gevraagde rugzakje met geld dat staat en gemeente samen vulden. Opeens kon dat! Het PAZC zat dus vol, kende het gewenste verloop op de geplande wijze en de halalvlees-markt was als enige in zijn soort razend populair. De verkiezingen naderden en Rein kon dat aan Theorie goed merken. De zaken liepen dan wel goed maar wat straalde daar van af op zijn nieuwe partij? Hoe kreeg hij de credits voor de asielzoekers die hij op heimelijke wijze deed verdwijnen? Want dat ze verdwenen was een feit. Maar het oude probleem was gebleven, want wat kon hij openlijk laten zien? Rein overtuigde hem dat hij rustig door moest gaan met de demonstratieve gedwongen uitzettingen op Schiphol, zelf ging hij door met de demonstratieve ‘vrijwillige terugkeer’, eveneens op Schiphol. Misschien konden ze een persmoment organiseren waarop Theorie demonstratief verklaarde dat die ‘vrijwillige terugkeer’ eigenlijk de ideale terugkeer was voor zijn Partij voor Theorie en Praktijk en dat daar in toenemende mate succes mee werd geboekt. Misschien kon hij wel helemaal overschakelen op die ‘vrijwillige terugkeer’. Misschien kon Theorie zelfs op een bepaald moment wel te voorschijn treden als de man achter het succesvolle PAZC, het azc met het grootste percentage vrijwillige terugkeer! Maar Rein wist hem eerst ervan te overtuigen dat zijn invloed oneindig groter zou zijn als hij voor de verkiezingen tot een fusie zou weten te komen met de anti-immigratiepartijen. Het kiezerspotentieel van de PVV moest naar die nieuwe partij worden getrokken waarin Theorie als initiatiefnemer een stevige vinger in de pap zou hebben. Dat leek Theorie wel wat. Het gevolg was wel dat ze het vanaf nu tijdens hun wandeling heel veel over die andere partijen hadden. Theorie: ‘Laten we eerlijk zijn, we zijn een stel ijdeltuiten bij elkaar. Te beginnen met die Wagensveld van Pegida, dat hier niet van de grond is gekomen in tegenstelling tot in Duitsland, en dus ook geen politieke partij is geworden. Hier bleek hun enkele demonstratie vooral een reünie van extreemrechtse groepjes. Duitser Wagensveld had blijkbaar van Pegida Duitsland de opdracht gekregen de beweging over te brengen naar Nederland. Nou, daar staan ze dan met hun varkenskoppen. Wat moet je met die lui? Weet jij het? Die Wagensveld is bijzonder ijdel. Die laat zich arresteren om in het nieuws te komen en is opvallend camerageil. Van Geert weten we het: alles waar hij voor op komt, zou je ook om kunnen keren, als hij maar aandacht krijgt. Als hij maar macht kan verwerven. Nou ja, Roos… die heeft typisch zo’n koppie waarmee je er op het schoolplein om vraagt om gepest te worden. Dat is allemaal compensatie. Het is bekend dat we het moeten hebben van stemmen van de massa. Niet alleen aan onderbuikgevoelens appelleren zoals vreemdelingenhaat maar ook aan sociale dingen zoals de zorg en armoede. Dus we moeten inderdaad niet alleen nationalisten zijn maar ook socialisten. Nou ja, daar hebben we voorbeelden van: het nationaal-socialisme. Kijk als je nazi zegt, dan klinkt dat heel erg, maar in feite is nazi gewoon de afkorting van Nationalsozialist. Dat daar allerlei rassentheorieën bijgekomen zijn is een andere zaak. Maar met nationalisme in combinatie met socialisme is niks mee. Geert combineert die ook, de zorg, ouderen, dat doen wij ook. Misschien wij iets minder dan Geert, omdat we wat minder populistisch zijn, maar in feite komt het er wel op neer. Al betwijfel ik of Geert de zorg en de ouderen echt interesseren. Zonder dat sociale komen we er niet. Het is geen geheim dat onze kiezers vaak eenvoudige, zelfs simpele mensen zijn, zelfs al gedeeltelijk dementerende ouderen of zelfs zwakbegaafden. Wat denk je van die mensen die daar in Steenbergen stonden te joelen? Natuurlijk, er zijn weekendhooligans bij, mensen met een nette baan die uit pure frustratie in het weekend de lomperik willen uithangen, maar er zijn ook echte zwakbegaafden bij, er komt soms geen redelijk woord uit. Maar het zijn wel stemmen. Natuurlijk moet Wilders zich distantiëren van een man als Breitvik die 80 mensen heeft vermoord. Maar het feit is dat zo’n psychopaat wel mede door Wilders is getriggerd. Hij heeft hem niet alleen geciteerd maar heeft hem ook in Londen opgezocht toen Wilders daar kwam spreken. Wilders roept een aantal zaken bij de mensen op maar als het dan tricky wordt dan distantieert hij zich daarvan. Heel verstandig maar… Kijk, wij zijn geen nazi’s, wij sturen geen miljoenen mensen naar vernietigingskampen. Hoewel ik soms denk: zijn wij in het klein ook niet met zoiets bezig? Wat je in het klein doet wanneer je nog niet aan de macht bent, kan iets groots worden als je wel aan de macht bent. En laat ons eerlijk zijn, het gaat er ons helemaal niet om of het nou moslims zijn of joden. Als het vóór de oorlog was geweest, zou het om joden gaan. Het gaat er meer om dat we appelleren aan de vreemdelingenhaat van een heleboel mensen. Eigenlijk gaat het om onszelf. We zijn ijdel. Ik geef het eerlijk toe, ik ben ijdel. Nou, en als er iemand ijdel is, dan is het Geert. Over Jan Roos hebben we het al gehad: wraak nemen. We willen aandacht. En de leuzen die we daarvoor gebruiken hangen af van de situatie. Nu zijn het de moslims, zo simpel is het, en nationalisme, tegen Europa. Geert weet niet zo veel, is ook niet bijzonder intelligent, hij is wel erg slim. Hij heeft een demagogie waar ik me voor schaam, maar ja, de mensen trappen erin. Zijn invloed heeft niets met de kwaliteit van zijn redevoeringen te maken maar meer met zijn publiek. Als je politicus van het jaar wordt doordat er naar je invloed wordt gekeken en niet naar de kwaliteit van wat je doet, dan is hij politicus van het jaar. Dan was Hitler de politicus van de eeuw, misschien de grootste politicus aller tijden. Maar misschien wordt dat gerelativeerd door het feit dat hij uiteindelijk heeft verloren. Ik heb de levens van Hitler, Mussolini, Mussert en Rost van Tonningen gelezen. Ik weet dat ik hoogbegaafd ben. Maar ja, dat zegt die Baudet ook van zichzelf Weet je wat erg is? Als je moeder tegen iedereen vertelt dat je hoogbegaafd bent. Wij keren ons tegen de élite, tegen de huidige bestuurlijke élite, maar natuurlijk willen wij daar zelf toe behoren of deze vervangen. We beperken ons tot kritiek op de bestuurlijke élite. Geert keert zich tegen de élite in het algemeen, zegt hij, maar hij bedoelt de bestuurlijke, de intellectuele en de culturele élite, en weet dat hij nooit bij de laatste twee zal horen. Zijn aanhang vindt dat prima, maar hijzelf zou daar eigenlijk wel bij willen horen. Maar hij heeft het gewoon niet. Waar je hem niet over hoort, is de financiële élite. Die valt hij niet aan. Natuurlijk, die wil hij op zijn hand krijgen. Zoals dat in Duitsland in de nazitijd is gegaan met Krupp, Volkswagen, IG Farben (Bayer), enzovoort, met alle grote bedrijven, allemaal achter Hitler. En Geert denkt nu opeens dat hij ook wel kan wat Trump kan met een grote mond en een hoop getwitter. Maar hij vergeet daarbij dat Trump niet alleen een heleboel zegt wat gewone mensen zouden willen zeggen maar ook een heleboel heeft wat gewone mensen zouden willen hebben! Geld namelijk. Zeg nou eerlijk, heeft Geert ook maar iets, het kleinste kleinigheidje wat jij zou willen hebben? Denk maar aan Rita. Rita …., zie je nou wel, we zijn haar achternaam al vergeten. Zo gaat het ook met Geert, omdat ze allebei niks hebben wat wij zouden willen hebben. Er zijn grote verschillen tussen de anti-immigratie, anti-moslim, anti-Europa-partijen. Maar het grootste probleem zit hem toch in de ego’s van de leiders. Maar goed, laten we het proberen. Degene die met het fusievoorstel komt maakt in ieder geval een goede beurt bij de kiezer.’ ‘Goed,’ zei Rein, ‘we doen het in Carré.’
door Meurs A.M.
DE MENSENSMOKKELAAR VAN AMSTERDAM/ THE AMSTERDAM HUMAN SMUGGLER, het hele verhaal in het nederlands en engels.
Johan van Nijen overleed aan een aneurisma op 25 november 2012 te Turnhout, waar hij ook was geboren.
Een van de laatste foto’s van Johan van Nijen met zijn dochters bij de presentatie van OVER LOUIS PAUL BOON <Die twee gebroers en hun zuster, dat was heilig> van Josken Boon-Vermoesen en Meurs A.M. op 20 oktober 2012 in de Stadsfeestzaal van Aalst (B)).
Johan van Nijen was een door de media genegeerd schrijver. Hij stuurde jarenlang al zijn boeken op, kocht wekenlang de kranten in de hoop dat ze over hem zouden schrijven, tenslotte gaf hij het op en stuurde niks meer. Hij was te bescheiden om echt aan de bel te trekken. In zijn artikel <Het einde van de Graal> schrijft Paul van Leeuwenkamp niet alleen met waardering over de uitgaven van de Graal maar ook over Johan’s eigen roman Iks. Het zal deze goed gedaan hebben. Het was met dit boek dat hij enig succes had en dat door de meeste bibliotheken werd opgenomen.
Op de (opgeheven) site van De Graal lazen we: <Wie is toch die man ? Johan werd geboren in de grote oorlog. Johan heeft echter niet het geweer in aanslag maar wel altijd een vriendelijk woord. Johan huwde en kreeg 2 kinderen. Op later leeftijd leerde hij reizen. Hij ontdekte het zachte toerisme, bergen, wandelen, buiten zijn, de natuur. Buiten slapen in een tent, en ’s morgens luisteren naar de vogels. Kijken hoe de zon ontwaakt tussen bergen met eeuwige mooie sneeuw. Genieten van een reep zwarte chocolade en vrienden om deze reep te delen. Niet het materialisme was belangrijk maar wel de mens. De mensen zoals de mensen zijn. Johan zijn geest staat open voor de Europese geschiedenis, de Belgische politiek, de kosmos, de evolutietheorie en de quantummechanica. Johan schrijft met een pen waaruit warme inkt vloeit.> Wim Cools
Boekpublikaties van Johan van Nijen:
Een periode – gedichten De redder van de wereld – novelle De broeders van het licht – roman Onrust – gedichten Een blauwtje – verhalen Tijl in Turnhout – verhaal Iks – vampierenroman Kolen – novelle Op zoek naar – gedichten Onderweg – over de GR5 door Vlaanderen en de Vogezen De ontdekkingsreis – roman Bakboord is links – verhalen Vlaanderen boven – gedichten Het geduld van Maria – buitenverhalen Dag, meneer de controleur – verslag van een onderzoek ter plaatse Teksten – gelegenheidsuitgave
Naast deze boeken stonden op de (opgeheven) site van De Graal talloze verhalen, fragmenten en foto’s van wandelingen door Johan gemaakt.
Een karakteristiek beeld van gedreven wandelaar Johan van Nijen, hier met Duck en fotograferend tijdens een wandeling aan de Ruhrsee.
Indrukwekkend op de site van de Graal was de documentatie over Gust van Brussel, vooral het 10-delige essay van Paul van Leeuwenkamp, <Het Labyrinth van Gust van Brussel>, maar ook de lijsten met publicaties van en over Van Brussel, de gedichten van Van Brussel zelf over De Reynaert en over zijn overleden vrouw Monique, maken, samen met de 8 van hem uitgegeven boeken, duidelijk dat Johan van Nijen de laatste 10 jaar De Graal vooral in dienst heeft gesteld van Van Brussel. Met de 2 boeken die hij van mij uitgaf, ben ik hem ook daar dankbaar voor. Maar wat zou ik hem graag wat meer aandacht voor zijn eigen werk gegund hebben. Dat daar pareltjes tussen zitten toont het volgende gedicht van
Johan van Nijen
Onvoltooid
ben ik niet cel van jouw cellen je mooiste complement van wonderspiegels het geweten
ben ik niet onvoltooid maar toch volledig het antwoord op alle vragen volmaakt onvolmaakt
ben ik niet hoe kortstondig ook eeuwig reeds en onsterfelijk
Foto uit <Wentersel vruuger> van Jos van der Heijden
Zie Toelichting onder het verhaal
(Jongen van 8 in 1e Wereldoorlog)
Ik was al een poosje op de hoofdweg tussen de twee dorpen aangekomen. Eerst stond er nog een verspreid huis, zoals dat met de smederij, langzaam werd de bebouwing dichter. De twee jongens stonden me op te wachten zoals ik verwacht had. Waar zat je? zeiden ze, dit is al de derde dag dat we hier staan. Ze zaten in het dorp waar de kerk was op school, ik zat in een ander dorp op school. Ze wisten niet dat ik twee dagen nergens geweest was, alleen thuis in bed. Het was nog steeds donker. Ze hadden de big bij zich, ook al voor de derde dag. Degene die de big in zijn armen droeg aaide hem voortdurend, gaf hem kusjes en fluisterde hem woordjes toe om hem rustig te houden. Ze wilden dat ik de big onder de rok van de Manke zou stoppen als deze over het pad naar de kerk zou komen aangekropen. Zelf waren ze daar te schijterig voor. Ik had dat al een keer gedaan, ik had daar toen een reden voor en zou het niet opnieuw doen. Ik hield er niet van om in herhaling te vallen, ik vond dat fantasieloos. Iedereen had een hekel aan de Manke, omdat ze lelijk was en omdat ze verlamd was, omdat ze anders was. Ze werd als een heks beschouwd en kreeg overal de schuld van, van de hagel die de oogst verwoestte tot aan de oorlog, waar we weliswaar niet aan meededen maar waar we wel last van hadden door de vluchtelingen, de verdwaalde bommen en kanonskogels en eenvoudig doordat we niet over de grens konden die vlakbij was en waarachter we allemaal familieleden en bekenden hadden en waar velen van ons werkten. Ik had geen hekel aan de vrouw die ze de Manke noemden, al heel jong kwam ik bij haar thuis, ze woonde bij haar getrouwde zuster, en ze had ooit iets tegen me gezegd dat ik mijn hele leven niet zou vergeten. Ik was er ook van overtuigd dat de meeste mensen zich die hekel aangepraat hadden en die verdachtmakingen alleen gebruikten om zich kwaadaardig en zelfs misdadig tegenover haar te gedragen. Na het vreselijk pak slaag had ik veel liggen denken en ook dat was me duidelijk geworden. De Manke was een bijzonder iemand. Haar benen waren verlamd en ze kroop elke dag naar de kerk. Maar de dorpsbewoners beschouwden die kerkgang als pure schijnheiligheid en misleiding.
Aan
de kant van het boerderijtje waar de Manke naar buiten komt om naar de kerk te
gaan is aan de overkant van het erf de hooischuur waarin de Luie Apostel soms
slaapt en daarnaast is de beukenhaag. De zwerver die de Luie Apostel genoemd
wordt, dat laatste vanwege zijn lange baard, is een van de weinige vrienden die
zij heeft. Soort zoekt soort, zeggen de mensen.
De haag is aan de onderkant open doordat katten en honden er veelvuldig
doorheen kruipen, en ook wel kleine kinderen. De heg lijkt op pootjes te staan,
de grond eronder is gladgeslepen, je kunt vanaf het erf tussen de stammetjes
door kijken, maar je ogen blijven steken op de ruigte van het stukje
niemandsland erachter. De haag is al verkleurd, ziet ze als zij, terwijl ze
even op één hand steunt, moeizaam omhoogkijkt. Van de hoge eik aan het pad zijn
eikels gevallen en daar moet ze voor oppassen want die kunnen pijn doen aan
haar knieën. Ze is nu op het glad getreden zandpaadje dat naast het ongelijke
karrenspoor loopt en ze denkt eraan dat de katten en honden inderdaad nooit
deze route, het open stuk tussen haag en boerderij kiezen, dat laten ze
blijkbaar over aan de mensen en de karren. Maar ze duiken altijd onder de heg,
kijken even om zich heen en komen dan pas verder het erf op. En als ze vanaf
het erf komen hetzelfde, eerst onder de heg, rondkijken, en dan pas verder door
het ruige hoge gras naar het pad. Misschien zou ik dat ook moeten doen, denkt
ze, misschien zou ik ook behoedzamer moeten zijn, misschien heb ik meer gemeen
met deze dieren dan met mensen. Maar ze glimlacht en zucht als ze denkt: ik zou
toch nooit onder die heg door kunnen, en bovendien: ze zouden me alleen nog
meer uitlachen.
Ze moet niet vergeten te tellen. Ze
kent precies het aantal passen van de achterdeur van het boerderijtje tot aan
de kerkdeur, en van de kerkdeur tot aan de vierde bank van voren en van die
vierde bank tot aan de communiebank. Beter was het als ze alvast begon te
bidden. Dat zouden Onze Lieve Vrouw en het kindje Jezus meer op prijs stellen
dan al dat gezeur. Het zijn vijfhonderdveertig passen tot aan de kerkdeur. Je
kunt het eigenlijk geen passen noemen, dat weet ze wel, haar armbewegingen zijn
korter dan de beenbewegingen die je passen noemt, maar het blijft evengoed een
heel eind en haar inspanning is er niet minder om.
Ze passeert de weelderige tuin van de
pastorie, een mooie tuin met alleen luxe planten, iets wat de meeste mensen
zich niet kunnen veroorloven, die hebben de grond hard nodig voor groenten,
aardappelen en, als er plaats is, fruit. Maar hier staan rozen, dahlia’s,
vingerhoedskruid, Oostindische kers, seringenstruiken, lelies en veel planten
waarvan zij de naam niet kent. En mooi ís het. Deze tuin wordt dan ook door een
tuinman bijgehouden. Och, denkt ze, als je bedenkt dat een pastoor er is voor
de zaken die een beetje boven de dagelijkse sleur uitstijgen, dan hoort zo’n
luxe tuin daar ook bij. Een pastoor met zo’n mooie pastorie hebben we toch ook
voor de luxe, hoort ze de ondeugende Fried Piene zeggen die aan de andere kant
van het pad, tegenover het koetshuis van de pastorie woont. Ze kruipt nu
voorbij het koetshuis. Er staat een koets in die de parochianen mogen lenen
voor bijzondere gelegenheden, de pastoor heeft zelf geen paard. Hij kan ook
niet fietsen, hij doet alles te voet. Trouwens, nog lang niet iedereen heeft
een fiets. Soms komt er een boer te paard, spant het paard voor het rijtuig en
haalt zo de pastoor op. Men heeft over het algemeen niet zoveel haast in het
dorp.
Ze kruipt rustig verder. Ze komt zo
bij de hoofdweg. Er zijn al een paar kinderen. Dat wil zeggen dat ze niet zo vroeg
is als ze zou willen. Haha, zeggen de kinderen, de pastoor kan niet fietsen en
hij heeft een rijtuig maar geen paard. De kinderen lachen hem uit, maar niet
openlijk, dat zouden ze niet durven. De dokter heeft wel een rijtuig met paard,
maar die woont in een ander dorp. Ze moet nu gaan oversteken. De kinderen
lachen haar ook uit, maar evenmin openlijk. Ze zegt altijd: laat mij maar, ik
heb mijn eigen tempo. Ze gaat extra vroeg, zodat ze helemaal naar voren in de
kerk kan kruipen voordat het daar vol zit, en zodat ze bij het gaan naar de
communiebank maar een kleine afstand hoeft af te leggen. En ze doet het ook
omdat ze niet te veel mensen tegen wil komen en liefst geen kinderen. Het lijkt
of er een hoopje kleren met een hoofddoek erop over de weg kruipt. Waarom neemt
niemand haar op zijn rug? Kan ze niet op een karretje gezet worden, op een
hondenkar, desnoods op een kruiwagen? Maar nee, ze doet dit al jaren zo. Wil ze
niet anders, is het misschien tegelijk een soort boetedoening?
Je ziet niet hoe ze het doet, denken
de kinderen, haar hele lichaam behalve haar hoofd is verborgen onder haar
kleren, onder die omslagdoek en die lange zwarte rok. Wat beweegt daar zo laag
over de grond? Je zou kunnen denken dat het een hond is. Je zou in het donker
over haar kunnen vallen. Het is geheimzinnig hoe de Manke zich voortbeweegt,
heeft ze benen of heeft ze geen benen, kan ze haar bovenbenen bewegen, kruipt
ze dus op haar knieën of moet ze haar onderlijf meeslepen? Doe
het eens voor, zegt Bertje tegen de wat jongere Rinuske. En jawel hoor, daar
kruipt Rinuske al op handen en knieën. Die zullen straks in de kerk goed vuil
zien. Zeker nu hij zijn knieën stilhoudt en ze door het zand laat slepen. Dat
zou je toch moeten zien, zegt Rinuske, aan de sporen. Nee, zegt Bertje, die
sporen worden door de sleep van de rok weer uitgewist. Ja, die rok, zegt
Rinuske, ze kan wel een big meenemen onder die rok. Hou je fatsoen, zegt
Bertje. Haar handen zijn haar voorpoten. ’T is net een hond, ze kan zo voor de
hondenkar, zegt Rinuske. Zeg!, zegt
Bertje. Maar ze is wel een slimme hond, zegt Rinuske, want, omdat haar handen
natuurlijk geen echte poten zijn, heeft ze een stokje in elke hand waarmee ze
zich kan afzetten.
Maar dat is toch vies, dat kruipen
tussen al die hondendrollen, paardenvijgen en koeienvlaaien! Ja, maar die
blijven toch zeker niet liggen, dat wordt regelmatig allemaal opgeruimd.
Iedereen veegt immers naast zijn huis en hof, de pastoorsmeid doet dat voor en
naast de pastorie, en anders de tuinman wel, die gaat er wel met een hark
overheen. Maar haar knieën gaan toch helemaal kapot zo? Ja, daar zal ze dan wel
iets omheen binden, misschien wat vodden maar misschien ook wel iets van leer
dat ze schoonmaakt en steeds opnieuw kan gebruiken. Wie weet! Misschien heeft
ze ook wel stokjes aan haar knieën zoals ze die in haar hand heeft. Maar dat
kun je niet zien met die lange rok. Durf jij die rok op te tillen? Ben je
helemaal gek! In het donker misschien wel, dan ziet ze toch niet wie het doet.
Maar als het donker is dan zien wij toch ook niks! En met een lamp? Maar dan
kan zij zien wie die lamp in zijn hand heeft! En je moet uitkijken dat de Luie
Apostel er niet achteraankomt, want die helpt haar, want die mag daar in het
hooi slapen. De Luie Apostel, lang haar, maar kaal bovenop zijn schedel, een
lange baard, slordig gekleed, een stok met een knapzak op zijn rug, met daarin
brood dat hij ophaalt bij de boeren, nooit bij degene bij wie hij slaapt. Dat
is de regel. Hij ligt bijna altijd te slapen. Soms doet hij een klusje, haalt
wat hout. Handig is hij niet. Het is geen kwaaie man. Maar hij zal de Manke
zeker helpen. Als hij er is moet je dus uitkijken. Hij slaapt daar minstens een
keer in de veertien dagen.
Ze moet de
steenweg oversteken. Daar
ligt een scherpe steen en daar een drol. Wie laat er zijn hond nu midden op de
weg kakken? Op hebben de kinderen die drol in haar weg geschoven? Ze hoort aan de stem en ze ziet aan de voeten
en de klompen wie er voorbijgaat, fluistert Rinuske. Hij probeert zijn stem te
vervormen, maar de Manke zegt: Ben jij die snotneus van een Van Herk? We moeten
meer afstand houden, zodat ze ons niet kan zien en dan moeten we roepen, zegt
Bertje. Is die deugniet van Jacobs er ook bij? zegt de Manke meteen. Ze hoort
alles. Het is rustig op zondag, er zijn geen karren en paarden. Iedereen gaat
te voet. Ze kijkt even naar de kerk terwijl ze over de ronde keien aan de
zijkant van de weg kruipt. Ze kent de geschiedenis van de verharding van de
weg. Toen ze een jaar of tien was, was de weg nog niet verhard. Toen ze de weg
aanlegden was het met keien, kinderkopjes, en zij was waarschijnlijk de enige
die er niet blij mee was. Later hebben ze de weg verbreed, hebben ze de keien
in een zestig centimeter brede strook aan de zijkanten gelegd, en dunne
bakstenen met de smalle kant naar boven in het midden. Het blijft
ongemakkelijk.
Aan de overkant moet ze nog een stuk
naar rechts om bij het pad naar het kerkhof uit te komen waaraan aan de
rechterkant de ingang van de kerktoren ligt. Het pad bestaat uit aangestampte
steentjes die pijn doen. Ze kruipt daarom onder de bomen door over het gras
ernaast. Liefst aan de linkerkant. Aan de rechterkant zou ze vlak langs het
pishokje komen en dat ruikt ze toch al erg. Haar zus zegt dat het verbeelding
is, dat zij nog nooit iets heeft geroken. Maar van Genderen, de man van haar
zus, geeft háár gelijk: het kon best eens zijn dat die luchtstroom langs de
grond gaat. Je zou eens aan de kleine kinderen moeten vragen of zij het ook
ruiken. Maar ze vraagt liever niks aan de kleine kinderen. Och, dat pishokje
heeft zijn functie, misschien is die heg langs de muur van de kerk er wel om te
verhinderen dat de mannen tegen de kerk pissen. Voor velen is het immers
zondags niet alleen van de kerk naar de kroeg maar zeker ook andersom. De
oudere vrouwen en mannen dragen zwarte met kachelblink gepoetste klompen. Ze
kan zo aan de klompen zien wie het zijn. Als ze haar groeten – Goedemorgen,
Marie – zegt ze: Goedemorgen, Drika, of Goedemorgen, Sjaak terug. Maar sinds
het oorlog is groeten de meeste mensen haar niet meer. De oudere vrouwen dragen
een witte muts, de een draagt die als een soort sluier die naast het hoofd
wappert, de ander met een band en een strik onder de kin. De mannen hebben een
pet op. Soms valt er een muts of pet. Ook dan weet ze meteen van wie die is.
Het zijn altijd dezelfden… Ze weet dat ze veel bekijks heeft. Het zijn er vanaf
de ingang nog zesenzestig tot aan de vierde bank. Ze moet links gaan zitten,
bij de vrouwen. De eerste drie banken zijn voor de rijke boeren en het hoofd
van de school, zij wringt zich in de vierde bank en hijst zichzelf op de
zitting. Tot aan de vrouwencommuniebank recht voor haar zijn het er nog
zestien. Als ze met de schaal rondkomen diept ze ergens uit haar kleren een
cent op. Bij de communie doet de pastoor wel alsof hij haar het laatste stukje
tegemoet wil komen, maar het is niet meer dan een schutterige beweging en hij
is zoals altijd te laat en zij hijst zichzelf op de marmeren trede naast de
communiebank. De terugkeer uit de kerk
is erger. Die drukte, al die mensen die blijven staan buurten, al die benen en
voeten. Ze houdt haar hoofd naar beneden, zegt als men haar groet: Ja,
goededag, zonder de voornaam eraan toe te voegen, kijkt niet op en kruipt
haastig verder. Meestal wacht ze tot iedereen weg is. Thuis zit ze in de stoel
in de hoek en komt er de hele dag niet meer uit, tenzij om naar de plee te
gaan. Daarvoor moet ze de bijkeuken door kruipen. Ze hijst zichzelf op de
plank. Haar zus is op haar eenenveertigste getrouwd met van Genderen en die is
bij ze komen wonen. Zoals iedereen in het dorp, behalve de hoofdonderwijzer en
de pastoor, boert hij en is de hele dag op het land bezig. En dat land ligt
niet allemaal vlak bij huis maar overal verspreid. Hier een hectare en daar nog
eens een hectare. Bij de Calvarieberg is de grond beter, als je daar land hebt
zit je goed. Haar zus is wel veertien jaar jonger dan zij maar loopt toch ook
tegen de zestig. Ze is klein, slank, heeft wit haar met daarop een wit mutsje.
Ze draagt altijd grote wijde rokken met daarover een geruite schort. Het is een
eenvoudig, stil mensje. Hun andere broers en zusters zijn getrouwd en het huis
uitgegaan. Eén broer woont nog in het dorp, hij is de dorpssmid en zit in het
bestuur van de handboogvereniging en in de Raad van Toezicht van de
Boerenleenbank en heeft zo nog een paar van dat soort functies. Hij hoort, een
beetje, zeggen zijn zusters, bij het groot van het dorp. Het zal niet lang meer
duren of hij zit ook vooraan in de kerk. Hij is getrouwd en heeft vijf
dochters. Marie doet in haar stoel allerlei huishoudelijke klusjes die ze
zittend kan doen, zoals aardappelen schillen, groenten schoonmaken en naai- en
verstelwerk. Haar zus doet de rest van het huishouden. Van Genderen is meestal
buitenshuis bezig. Het is rustig en vredig in huis. Maar nu heeft Marie gehoord dat ze een
pasgeboren babytje in huis krijgen en dat hun broer met zijn gezin verhuist
naar een ander dorp. En nu wuift ze het niet meer weg als iemand tegen haar
zegt dat het toch ontzettend zwaar moet zijn, dat naar de kerk kruipen, maar
antwoordt: Ja, maar misschien doe ik wel boete voor wat er hier allemaal
gebeurt.
Op een dag was ik voor de voortdurende aandrang bezweken en ook dacht ik: het is beter dit dan erger. Op een donkere plek sloop ik achter de Manke aan toen er net op de kruisende steenweg een paard en kar passeerden en ze me niet kon horen, ik duwde de big onder haar rok en trok tegelijk aan zijn staart. In onze beleving was het gekrijs van de big en van de Manke nog urenlang te horen. Vandaag liet ik de jongens met hun big voor wat ze waren en liep door naar de kerk, het was tijd.
(…)
Ik dacht aan de protestantse jongen die we in elkaar hadden geslagen terwijl hij zich niet meer kon verweren, aan het vreselijk pak slaag dat ik zelf had gekregen van mijn broer en aan mijn reactie dat alles beter was dan zo’n pak slaag en dat ik voortaan die vuilak van een broer zijn gang zou laten gaan, aan het gekrijs van de Manke toen ik een big onder haar rok had gestopt, ik zat zo boordevol schuldgevoel om alles dat ik, toen ik ondertussen al honderden meters buiten het dorp omkeek naar de kerk, niet eens verbaasd was dat er dwars door een wei, dan door een haag en vervolgens door een boomgaard, waar het alle bomen op zijn weg meenam, een vliegtuig recht op me af zag komen. De Manke! Ze wist dat ik die big onder haar rok gestopt had en had een Duits vliegtuig op me af laten sturen maar toen had ze bedacht dat ik dat met die big niet zomaar gedaan had, dat ik er een bijzondere reden voor moest hebben, en met haar toverkrachten als heks had ze het vliegtuigje tot landen gedwongen maar had niet kunnen voorkomen dat het achter me aan kwam. Toverkrachten kenden hun grenzen. Ik was met mijn verdachtmakingen en bijgeloof al net zo erg als de anderen! Ik moest me vermannen. Het zou wel komen doordat ik dan wel niet verbaasd was maar toch geweldig was geschrokken. Ik hield me voor dat de Manke een vriendin van me was en dat ik die big onder haar rok had gestopt om erger te voorkomen. Als ze wist dat ik het was zou ze het begrijpen. Ik had nog twee vrienden in de wereld over, de een was mismaakt, de ander was gek volgens de mensen, ze noemden hem de Gekke Onderwijzer. Maar ik moest al die hokuspokus van me afzetten. Als ze wist dat ik het gedaan had en niet wist dat ik het om een goede reden gedaan had, dan nog had ze niet de macht om een vliegtuig op me af te sturen. In ieder geval niet met toverkracht, want toverkracht bestond niet. Wat wel kon was dat er een verkenningsballon in de lucht hing van waaruit ze mij zagen lopen en dat ze dachten: die ziet er verdacht uit, en dat ze naar het dichtstbijzijnde vliegveld over de grens telegrafeerden. Maar waarom zou ik er verdacht uitzien? Het was allemaal toeval. De Manke zou altijd een vriendin van me blijven omdat ze een paar jaar geleden tegen me had gezegd: Ach, jongen, jij hebt meer verstand in je ene pink dan ik in mijn hele lijf. Dat zou ik heel mijn leven onthouden, zo trots was ik. Ik was de mensen aan het langs gaan omdat ik plaatjes verzamelde die bijvoorbeeld op een pak havermout zaten. Om het plaatje te vinden moest je het pak openen. Tante Marie, zoals ik de Manke noemde, maakte het pak speciaal voor mij open en toen ze het weer met een touwtje dicht wilde binden, deed ze het verkeerd. Ik nam het van haar over en toen zei ze dat wat me heel mijn leven zou bijblijven. Tegen mij praatte ze zacht en vriendelijk maar meestal staarde ze thuis zwijgzaam voor zich uit. Ze leed waarschijnlijk zeer onder wat de mensen over haar zeiden. Haar zus verklaarde, hoorde ik jaren later, haar norsheid zoals ze het noemde, uit het feit dat ze heel haar leven niet ongesteld was geweest. Dat bloed dat niet weg kon had zich opgehoopt in haar hoofd en drukte op haar hersens en daarom kon ze niet anders zijn als ze was. Ik had de big onder haar rok gestopt om erger te voorkomen. Nu het oorlog was dachten de mensen haar ongestraft te pakken te kunnen nemen, zelfs te kunnen vermoorden met het gelijk aan hun kant. Ze beschuldigden er haar van dat ze een Duitse was, in ieder geval was ze een Duitse agente die berichten over hen doorzond. De een wilde haar treffen in een van haar lievelingsdieren, haar kat, ze wilden die met een spijker door zijn kop aan haar deurpost nagelen. Anderen wilden een kuil graven in het pad waarover ze altijd naar de kerk kroop, een valkuil waarin sommigen zelfs ijzeren spiesen wilden plaatsen die haar zouden doorboren. De mensen konden erg wreed zijn. In een leegstaand boerderijtje was iemand van buiten het dorp komen wonen, de mensen kwamen erachter dat hij niet getrouwd was met de vrouw die bij hem woonde. Wekenlang trokken ze elke avond met potten en pannen, schuimspanen en pollepels, met ketelmuziek langs het boerderijtje. (…)
Als je de mensen zo over de Manke hoorde praten kende hun sadisme, hun moordzucht en hun vindingrijkheid geen grenzen. Zij mochten dat allemaal, want zij stonden aan de goede kant. De krijsende big die een zeker zo hard krijsende Manke veroorzaakte moest afleiden van die gruweldaden die in de lucht hingen, moest ze, voorlopig dan toch, de wind uit de zeilen nemen. We hebben die smerige verraadster toch maar even goed te pakken genomen. Wat kan dat mens krijsen, onmenselijk gewoon, een varken is er niks bij, een normaal mens krijst niet zo. Ik was begonnen te rennen zo gauw ik dat vliegtuig in de verte op me af zag komen, en ik holde minstens twee kilometer door zonder om te kijken, zo bang was ik en zo zeker dat het ‘t op mij gemunt had. Ik holde door, ook nog toen ik allang de knal gehoord had en het gevechtsvliegtuig, zoals ik later hoorde, tegen de schutting bij de smederij tot stilstand was gekomen en in brand vloog. De motor werd in het weiland teruggevonden. Wat ben jij vroeg op school, zeiden ze tegen me.
________
Toelichting: Vanaf begin 80er jaren liep ik niet alleen met mijn moeder door #Meerveldhoven om huizen en gebouwen te fotograferen die voor haar en mij belangrijk waren geweest, ik ging ook met haar naar #Wintelre op zoek naar haar roots. Toen ze in 1994 overleed ging ik verder met het onderzoek. Hoogtepunt voor haar zus Cisca was de reünie in 2004 met 3 leeftijd-genoten, allen boven de 90, uit Wintelre. Een van de verhalen die ik er in die jaren opdeed was dat van haar verlamde tante die de Kromme Saris werd genoemd en die zondags van hun boerderij de paar honderd meter naar de kerk kruipend aflegde. Ik zag onlangs op Wintelre zoals het was dat Doreke Saris opdook in een lied dat was gezongen in 1981 toen het 50 jaar geleden was dat de kerk van Wintelre was verbouwd. Ik publiceerde dat verhaal in 2013 in mijn literair kladschrift HetWerk63 als onderdeel van een hoofdstuk van een roman in wording. Het lied is de reden dat ik het verhaal van de Kromme Saris, die bij mij De Manke heet, nu op Facebook en op mijn website zet. Hier zijn fragmenten van De Manke, uit een hoofdstuk dat heet: <Alles beter dan zo’n pak slaag>, voor 90% geïnspireerd op de ‘Kromme Saris. Ik had namelijk in de 70er jaren in België ook een gehandicapte vrouw leren kennen die eveneens in een boerderij samen met haar getrouwde zus woonde. Deze vrouw kon wel lopen. De verklaring die de zus gaf waarom de vrouw was zoals ze was, nors dus, was te mooi om niet te verwerken. De Manke is dus een romanfiguur, waar en hoe ze naar de kerk kruipt is zoals in Wintelre, de big die onder haar rok wordt gestopt ook, maar iets anders, wat ze denkt en zegt komt helemaal voor mijn rekening. De omstandigheden zijn zoals in Wintelre: de kruiptocht, de situatie in de oude kerk. De grotere omgeving is wat anders, dorpen dicht bij de grens zoals Wintelre, Veldhoven, Geel in België, Vaals in Limburg, Beek bij Montferland en ‘s-Heerenberg bij de Duitse grens, worden in de roman een groot, nieuw landelijk dorp, een verzameling van vroeger zelfstandige dorpen eigenlijk, waar Driek rond 1909 wordt geboren en 100 jaar later na veel omzwervingen sterft. Driek als jongen woont bijvoorbeeld buiten de bebouwde kom en valt daardoor onder een andere parochie dan waar zijn school staat. Omdat hij elke dag naar de kerk moet maakt hij elke dag een wandeling van huis naar kerk naar school en via zijn grootouders terug naar huis. Zo moest mijn vader als kind elke dag naar kerk en school. Ik heb die tocht van meer dan een uur van buiten Wehl naar Kilder naar Wehl en naar zijn huis nagelopen, niet makkelijk omdat er ondertussen een snelweg tussen zat die je niet op de oude route kon oversteken. Maar weer: te mooi om niet te gebruiken. In dit verhaal van de Manke is Driek op weg van thuis naar de kerk en gaat daarna naar school in een ander deel van het grote dorp.