Midden
jaren vijftig van de 20e eeuw is de Wildeman nog geen wildeman maar
een magere jongen die Dolf heet en die van tekenen en Van Gogh houdt, en
misschien ook wel van de bloedmooie Petra Donkers, bij wie hij op deze
zaterdagmiddag achteromloopt, over het tegelpaadje langs de zijmuur van haar
huis waar de voordeur zit, met links van hem de voordeur van Van Zand. Hij doet
de poort in de manshoge schutting open en fluit een deuntje van Bix
Beiderbecke.
Petra staat zich in zwart broekje en
bh te wassen aan de gootsteen naast het raam. Ze kijkt even onderzoekend het
binnenplaatsje op en doet dan haar bh af. Dolf komt de poort door en deinst
achteruit. Dan maakt hij rechtsomkeer. Ze zullen elkaar dat weekeinde niet meer
zien.
Net
wanneer Petra vanuit de Kerkstraat te voet de Lange Weg wil oversteken, duikt
Dolf met zijn fiets vanachter haar op en zet zijn fiets schuin voor haar. Ze
schrikt en hij lacht en dan lachen ze allebei. Ze wisselen enkele zinnen,
steken samen de weg over en zij springt achterop. De mensen bij de bushalte
kijken hen na. Ze zit achteraan op de bagagedrager, ver van hem af, beide benen
aan de linkerkant van de fiets. Ze zoekt waar ze haar handen kan laten, legt ze
dan in haar schoot. Met haar hoofd iets gebogen zit ze te glimlachen. Op de
stoep van de sigarenfabriek zitten mannen met hun rug tegen de muur te
schaften. Bij het bord “Fietsers oversteken” pakt hij haar arm, drukt die in
zijn zij en steekt snel de Lange Weg over. Op het fietspad voor twee richtingen
laat hij haar arm weer los en meerdert vaart. Zij zoekt een plekje om zich vast
te houden, ze pakt de zadelpen. Ze bloost en kijkt verlegen om zich heen.
“Stop!” roept ze even later. “Je rijdt de
bushalte voorbij.” En dan: “Ze zullen ons zien bij ons thuis!” en gaat
ineengedoken zitten terwijl ze haar huis aan de overkant voorbijrijden en hij
zich lachend naar haar omkeert en zij moppert: “Maar ik ga niet bij die eenzame
halte bij de steenfabriek staan.” Dolf pakt haar arm.
“Ik breng je naar de stad,” zegt
hij. “Kom dichterbij, dan blaast de wind niet tussen ons door.” Zij schuift
dichter tegen hem aan. Hij laat haar arm los, maar nu blijft ze deze rond zijn
middel houden. Hij buigt zijn hoofd een beetje en trapt stevig tegen de wind
in. Glimlachend zit ze dicht tegen hem aan.
In
het smalle gangetje tussen de muren van de winkel en de bakkerij van Wenkenbeek
komt Petra met haar hoge zwarte fiets tussen haar benen op ons toelopen. Ze
draagt een crèmekleurige wijde rok met zwarte ceintuur en een witte blouse met
korte mouwen. Het valt ons weer eens op hoe buitengewoon mooi ze is. Tussen
haar handen op het hoge stuur van haar fiets houdt ze een gebakdoos geklemd.
Maar ze huilt! Ze fietst weg. Vijftig meter verderop stopt ze, een been aan
elke kant van de fiets. Ze komt terugfietsen. Ze is harder gaan huilen. Voor de
winkel laat ze de fiets langs haar benen op de grond glijden. Ze gooit luid
snikkend de doos tegen de etalageruit. De ruit blijft heel, een stuk gebak zakt
langzaam langs het glas naar beneden.
Mevrouw Wenkenbeek, vijfenveertig
jaar en met schort, kijkt door de glazen deur naar buiten, waar Petra met
gebogen hoofd staat te snikken. Mevrouw Wenkenbeek komt naar buiten, slaat haar
linkerarm om het middel en legt haar rechterhand op de buik van het meisje. In
het smalle gangetje achter hen steekt bakker Wenkenbeek zijn bovenlijf door de
deuropening van de bakkerij en kijkt naar de beide vrouwen. Mevrouw Wenkenbeek
merkt hem op en jaagt hem achter Petra’s rug met een woedend slaand gebaar van
haar linkerarm weg. Petra duwt mevrouws hand van haar buik. Mevrouw Wenkenbeek
raapt de fiets op en legt de handen van Petra op het stuur, ze gebaart haar te
wachten. Mevrouw Wenkenbeek komt met een nieuwe doos gebak buiten en legt die
tussen Petra’s handen op het stuur.
“Van mij,” zegt ze, “dat is wat
anders.”
Petra fietst zonder op of om te
kijken weg, ze huilt niet meer. Als ze weet dat ze uit het zicht is, staat ze
stil met de fiets tussen haar benen. Zonder aandacht te schenken aan de voorbijgangers
eet ze zeer gulzig achter elkaar drie gebakjes op. Ze fietst verder. Bij de
kerk heeft ze geen erg in de kerkklok en gaat rechtsaf het pad tussen de hoge
hagen in. Voorbij de meisjesschool fietst ze linksaf richting de Lange Weg. Ze
stopt bij de winkel voor manufacturen op de hoek.
Ze neemt de doos gebak op de
binnenkant van haar linker onderarm, duwt met haar rechterhand de rechthoekige
standaard van haar fiets naar beneden, duwt dan met haar voet verder tot het
achterwiel van de grond komt en de fiets staat.
Ze komt even later buiten met een
wit kledingstuk, gevouwen in doorzichtig plastic: een verpleegsters-uniform.
Ze doet het onder de snelbinder en haalt binnen de doos gebak op. In gedachten
fietst ze dezelfde weg terug die ze gekomen is. Ze schrikt als ze merkt dat ze
weer in de richting van de bakkerij fietst. Bij de meisjesschool gaat ze nu
rechtsaf weer het pad in, ziet dat het op de kerktoren tien voor half twee is,
schrikt geweldig en begint hard te fietsen. Op het eind van het pad slaat ze
voor de kerk rechtsaf en zet nu echt de vaart erin. Ze kijkt ver voor zich uit
naar de T-kruising met de Lange Weg, vaag ziet ze de zijkant van een autobus.
De bus zit vol jongens in
mariniersuniform. Alleen Dolf loopt nog buiten zenuwachtig heen en weer met een
tekenmap onder zijn arm. Zijn vader is net geweest om hem op het laatste moment
een hand te geven. Er staan nog een paar meisjes om de jongens uit te zwaaien.
De chauffeur toetert en begint meteen langzaam op te trekken. Dolf springt naar
binnen. Terwijl hij de Kerkstraat in kijkt ziet hij Petra gebogen over de
gebakdoos aan komen fietsen. De bus is al vijftig meter ver weg als ze de weg
oversteekt en achter de bus aan rijdt. Dolf is naar achter in de bus gehold en
kijkt naar haar door de achterruit. De bus meerdert vaart, de afstand wordt
groter en Petra stopt abrupt, de doos gebak valt op de grond. Ze staat met de
fiets tussen haar benen midden op de weg en blijft de bus nakijken tot hij om
de bocht bij hotelcafé Den Os verdwijnt. Dolf gaat dan zitten.
Sommigen
zeiden dat het door die zon kwam in Nieuw Guinea, anderen door wat hij daar
gezien had. Weer anderen zeiden: “Welnee, ’t is omdat hij twee jaar niets van
zijn meisje had gehoord – ‘maar hij had helemaal geen meisje!’ onderbreekt nog
iemand – “en toen hij terugkwam bleek ze al twee jaar uit het dorp verdwenen en
zou ze zelfs een kind gehad hebben dat ze had afgestaan en zou ze ergens bij de
grote rivieren in de verpleging werken.”
In ieder geval was de magere jongen
een woeste man geworden die zijn haar en zijn baard liet groeien en woest op
zijn motor door het dorp reed en ergens in een hutje was gaan wonen waar je
door de modder alleen te voet of met de motor kon komen. En het scheen dat hij
daar in die verlaten hoek zelfs niet over de paden reed maar soms dwars door de
weiden en akkerlanden en zelfs door het prikkeldraad scheurde. De rustige
magere jongen was een wildeman geworden die wilde tekeningen van Nieuw Guinea
liet zien en bijna even wilde tekeningen van vrouwen- en paardenkonten, zoals
hij ze noemde, en die die tekeningen ook exposeerde en de affiches met “Dolf
Mens exposeert vrouwen- en paardenkonten” nog net niet zoals Luther op de
kerkdeuren spijkerde, maar wel op de bomen rond de kerk. En die dronk en
vloekte en kaartte en voor wie geen vrouw veilig was. Zei men.
Ja, de verhalen deden al gauw de ronde.
Dat hij de meisjes op de benzinetank van zijn motor door de opspattende modder
tot vlak voor zijn hutje reed. Dat hij, als ze klaagden dat ze helemaal onder
zaten, de modder van hun gezicht en benen likte.
Maar Truus Brechten die ze allemaal
kenden kwam op eigen gelegenheid. Die zou trouwens nooit samen met hem op die
motor gekund hebben, laat staan op de benzinetank. Nee, Truus kwam in vol
ornaat, imposant en breed als ze was aanfietsen. Tot ze niet verder kon en ook
geen zin had om de fiets honderden meters over de modder te tillen. Ze zette
hem dan maar tegen een weipaal, en daar bleef hij dan meestal staan tot de
volgende dag.
En over Truus kon je Dolf zelf in de
café`s horen vertellen. Hij was nog een jonge jongen en Truus een vrouw zooo, en hij spreidt allebei zijn armen.
En je moest het van haar met praten winnen. Dan was ze op een gegeven moment
flink opgewarmd en kon ze zich goed naakt uitkleden. En dan had ze van die
tieten zo… zoo (bij het eerste zo de handen gebogen op een afstand van
twee decimeter, de toppen omhoog, bij
het tweede zo hetzelfde maar
met de toppen naar elkaar toe). En hij kon dan niet, want hij was dan nog
helemaal niet opgewarmd. En die kont van haar, dat was ook geen huid, dat was
dik rubber. Truus is een meid, die hoeft hij maar op te bellen, dan gaat ze
mee. En de mensen mochten dan zeggen: “Truus Brechten is een hoer”, maar tegen
hem had ze gezegd: “Met jou wil ik trouwen, je hoeft niet te werken, ik verdien
genoeg.”En dat kan hij nou wel doen om de stoere peer uit te hangen maar… Als
hij een of andere lul was zou hij het doen.
Hij vertelde in het café en het was
dan doodstil, en men vertelde ook weer verhalen over hem. Zo zou hij in een boerendorp
de torenklok op hol hebben gezet. En op zijn beurt kon hij ook de mensen laten
vertellen, hij lokte ze uit. Zoals de man die uitbeeldde hoe iemand zand van de
vloer had gepakt en in de ogen van een tegenstander gegooid. Keer op keer liet
Dolf de man opnieuw vertellen. “Hoe pakte hij dat zand?” En opnieuw sloeg de
man met zijn handen op de tegels. Dolf ging door tot het uiterste, kende geen
medelijden. Tot de vingers van de man bloedden, bloedden!
Het scheen dat hij ook de zus van
zijn maat uit Nieuw Guinea niet met rust had kunnen laten. En dat hun oude moedertje
al begon te janken als ze hem aan zag komen, want dan werd er weer gezopen.
Hij was nog wel eens bij Petra thuis
geweest en hij had niet naar haar gevraagd en men was zelf ook niet over haar
begonnen. Maar de zus van Petra liet hem even uit en drong zich tegen hem aan
en nam hem mee naar het varkenshok en van haar kreeg hij waar hij bij zijn
geliefde niet aan toe was gekomen. Hij werd er alleen maar woester van en
scheurde nog harder op zijn motor door het dorp. Hij vocht en trok de barleuning
met een ruk van de bar.
Maar er waren ook mensen die hem
konden kalmeren. Soms hoorde je dagen niks van hem en men zei dat hij dan met
een oude veekoopman België in fietste en dat ze dan ook wel dronken en kaartten
maar alles heel rustig, bovendien bleven ze overdag vaak in de velden en
bossen.
Toch stond daar weer tegenover dat
hij een keer wakker werd in een woonwagenkamp en, zoals hijzelf zei, met alle
respect werd behandeld omdat hij een wedstrijd wie het snelst drie flessen
jenever achterover kon slaan, had gewonnen. Zijn tegenstander was nog niet bij
kennis, zeiden de bewoners.
“Die voelt dan ook zijn hoofd nog
niet, zoals ik,” had Dolf gezegd.
“Nee, hij is nog lang niet
gekalmeerd,” zei iemand eens. “Ben ik zaterdag in Valkenswaard, springt er op
een gegeven moment een meid op het biljart en begint zich spiernaakt uit te
kleden. En met wie gaat ze daarna mee, denken jullie?”
“Wanneer was dat?” zegt een ander. “Zaterdagavond?
Dat kan niet, want toen kwam hij met mij met de bus uit Deurne, hij kent mij
niet, maar ik heb gezien hoe hij iemand, een burgerlijk mannetje, zijn stropdas
heeft afgeknipt.”
En zo begon men te twijfelen, niet
alleen aan de sterke verhalen die de Wildeman zelf vertelde, maar ook aan de
verhalen die anderen over hem vertelden, want hij kon onmogelijk op twee
plaatsen tegelijk zijn geweest.
“Dat is waar,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen, “maar daar hebben wij wel een verklaring voor. Maar dat komt later, anders gaan we te ver vooruit in de tijd.”
(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M., geïllustreerd, hier graag bestellen via mijn Boekwinkeltje Wonderland, in nieuwstaat en zonder verzendkosten. U koopt rechtstreeks bij de schrijver die de kosten voor de uitgave zelf gefinancierd heeft. Zo u wilt gesigneerd. Hartelijk dank!)
(Dit verhaal sluit minofmeer aan bij het in ik-vorm vertelde verhaal Alles beter dan zo’n pak slaagHetWerk 63 van 20 november 2013. Beiden zijn bedoeld als hoofdstukken van een roman)
De lagereschooltijd van Driek was plotseling afgelopen. In het weekeind al, vlak na de laatste schooldag, werd hij in de kost gedaan bij een boer in een dorp op een twintig kilometer afstand. Dat had hij totaal niet verwacht. Hij was in alle klassen, net als trouwens de meesten van zijn broertjes en zusjes, de beste geweest. Pas in de 6e en laatste klas had hij wat concurrentie gehad van de kinderen van ‘het groot’ van het dorp, de gefortuneerde klasse. Hij was bij de deelnemers aan de Franse les geweest, had voor het eerst van zijn leven huiswerk meegekregen en vond het heerlijk. Hij was er altijd vast van overtuigd dat zijn ‘echte’ vader, die hij nog steeds situeerde in het kasteel, grootse dingen met hem voor had. En nu zat hij bij de boer. Nu bond hij korenschoven en plaatste ze als een wigwam tegen elkaar. Nu moest hij oefenen met een voor zijn leeftijd en lengte te grote zeis, liep hij gebukt tussen de graanstoppels om achtergebleven aren op te rapen. Het was heet, gloeiend heet. Hij was vol verwachting geweest waar hij naartoe zou gaan, misschien naar de stad, een middelbare school en in de kost bij burgermensen. Misschien in een internaat, alles was goed als hij maar thuis weg was, weg van zijn broer. Ook bij de andere boerderijen daar in de buurt waren nieuwe jongens gekomen. Het was de vaste bestemming voor jongens uit grote boerengezinnen. Trouwens ook met de meisjes ging het zo, die gingen ‘in betrekking’, kwamen in het huishouden te werken van meestal ook boerengezinnen. De huishoudschool en de ambachtsschool waren nog ver weg, letterlijk en figuurlijk. Laat staan de middelbare opleidingen als HBS. Als de jongens vrij waren, wat zeldzaam was, hadden ze onderling contact en haalden kattenkwaad uit. Ze stalen fruit, knolletjes, wortels, noten bij andere boeren. Dat ze daar waren vonden de meesten best, ze waren over het algemeen blij dat ze thuis weg waren, ondanks hun beperkte vrije tijd ervoeren ze hier meer vrijheid. Ze schikten zich in hun lot. Er was nog één jongen die zich in een vergelijkbare situatie als Driek bevond. In die zin dat hij volkomen onverwacht in een boerengezin was terechtgekomen. Die jongen kwam uit een rijke familie en zijn ouders hadden hem bij een boer geplaatst omdat ze meenden dat dat goed was voor zijn opvoeding. Ze gingen ervanuit dat hij in zijn leven vaak de weg zou moeten wijzen aan al dan niet zelfstandige boeren. Maar of de jongen het daarmee eens was hadden ze niet gevraagd. Die jongen werd meestal de aanvoerder van het kattenkwaad dat ze uithaalden. Bij een boer waar geen jongens in de kost waren – zelfs daar is hij te gierig voor, zei men – bonden ze de koeien met de staarten aan elkaar. Ze holden een biet uit, maakten er gaten in voor ogen, neus en mond en plaatsten er een brandende kaars in, een bekend kunstje om mensen bang te maken. Ze maakten lawaai, de boer kwam buiten, het was niet de eerste keer, hij kwam dan ook meteen buiten met zijn bats in zijn hand en zwaaide er dreigend mee. De jongens hadden minachting voor de boer, ze liepen niet eens weg, ze dachten de oude man makkelijk voor te kunnen blijven. De boer was getergd, hij zwaaide zijn bats, hij mikte met de platte kant op het hoofd van een van de jongens, hij raakte deze maar half maar de jongen viel neer en bleek achteraf zwaargewond. De boer zwaaide opnieuw zijn bats, hij was uitzinnig, moordzuchtig, hij moest worden gestopt. De jongen van rijke komaf die op gymnastiek zat, dook onder de bats door, ging in de zwaai mee en pakte de bats over van de boer en sloeg hem met de platte kant tegen zijn hoofd. De boer viel met zijn hoofd op een laag muurtje rond de mesthoop en was op slag dood. In de hoogste klassen van de lagere school werd er voor elk vak een prijs gegeven, een boek. Al die prijzen gingen naar de kinderen van de rijken uit het dorp. De rijken kregen op die manier hun compensatie voor het geld dat ze aan de school gaven. Bijdragen die ze leverden voor een verbouwing, een kapot dak en dergelijke. Zoals dat ook gebeurde met de kerk, voor hun plaats vooraan in de kerk, voor privileges zoals vooraan te mogen lopen in een processie, direct achter de pastoor, de misdienaars en de bruidjes. Iedereen vond dat vanzelfsprekend en gewoon, men was eraan gewend, legde er zich bij neer. Behalve Driek en de jongen uit rijke familie die de boer had neergeslagen, ze zagen dat allemaal wel gebeuren maar ze waren het er niet mee eens. Alle jongens werden verhoord. Driek nam de schuld op zich. Hij hield het namelijk bij zijn boer, bij het leventje dat hij nu had, niet langer uit. Dan maar tuchtschool. Maar eigenlijk was hij ervan overtuigd dat hij aan de tuchtschool zou ontsnappen door toedoen van de kasteelheer. De andere jongens verklaarden dat het achter hun rug gebeurd was want dat zij weg waren gehold. De ernstige verwonding van de jongen die door de boer met zijn bats was neergeslagen woog zwaar. Het was duidelijk waartoe de boer in staat was geweest en hij had daarvóór al een reputatie. Hoewel de rijke jongen in dit geval ook op de invloed van zijn rijke familie rekende, wist Driek hem te overtuigen dat ook hij, Driek, geen echt gevaar liep, want dat hij op de kasteelheer kon rekenen. De 2 jongens waren makkelijk opgewassen tegen de agenten die hen verhoorden. De familie van de rijke jongen vermoedde wel hoe het werkelijk gegaan was maar accepteerden het verhaal van de jongens. Wel hielden ze voeling met de kasteelheer. De twee jongens kregen allebei hun zin, ze werden beiden bij hun boer weggehaald, de rijke jongen ging naar een HBS in de stad en Driek, die volgens de rechter wel in de gaten moest worden gehouden, ging naar een internaat in het dorp van het kasteel.
Naar kostschool
Dat werd dus lopen. Zijn vader liep met een grote kartonnen koffer met
daaromheen een touw. Driek droeg een kleinere kartonnen koffer waar gelukkig
nog een riem om paste. Vader droeg ook nog een stoffen tasje, daar zaten
boterhammen in, een kruikje thee en voor elk een appel. Driek vroeg zijn vader,
toen ze uit de stoomtram waren gestapt en erachter kwamen dat er verder geen
verbinding was, hoe ver het lopen was. ‘Och, zo’n 2 kilometer, zoon,’ zei deze.
Maar Driek wist dat het 8 kilometer was want hij had het de dag ervoor in een
atlas opgezocht. Zijn vader had die moeite niet genomen. Hij had gezegd: ‘Er
gaat een tram, een stoomtram, en als die er niet is dan gaat er een
paardentram, want die boeren zijn niet gek, die hebben paarden.’ Maar de
stoomtram ging tot H, waar ze net uitgestapt waren, en vanaf hier moesten ze
lopen. Dat zou ze zo’n 2 uur kosten en geen half uur zoals zijn vader zei, ze
zouden te laat komen voor het toelatingsexamen dat om 11 uur plaatsvond, ze
waren sukkels, vond Driek. Eenmaal het dorp uit was er aan de weg geen bebouwing
meer. Hij had flink de pest in en hij schoot 2 keer, eerst op een zeldzame auto
die passeerde zonder een teken te geven, deze vloog meteen in brand en verdween
aan de zijkant in een sloot. Daarna schoot hij nog een keer, nu op een
boerderij in een zijpad van waaruit geen enkel signaal kwam van maar enigszins
begaan zijn met de eenzame wandelaars. In beide gevallen was het verdiend.
Ze spraken nauwelijks
onderweg. Zijn vader zei wel: ‘Je zult zien dat er allemaal paters en nonnen
zijn. De paters geven les en hebben de leiding, de nonnen regelen het
huishouden. De paters zullen je geloof wel testen en je vragen of je de
negertjes in Afrika wilt gaan bekeren. Ik geloof dat het een orde is die zich
speciaal op Afrika richt. Verheffen, zo noemen ze dat ook wel. Je vertelt ze
gewoon zoals het is, dat je allerlei mooie verhalen over Afrika hebt gelezen.
En verder hou je je op de vlakte. Je mag je vingers aflikken met zo’n
opleiding. Ik heb zo’n kans nooit gehad. Denk eraan dat wij er ook een bijdrage
aan moeten leveren. Na die 6 jaar kun je nog altijd zien wat je doet.’ Driek
kon zich niet goed voorstellen wat hij moest verwachten, maar leren daar had
hij wel zin in. Hij zag dat vooral als het lezen van een heleboel boeken. Ze
zwegen terwijl hij hieraan dacht. Maar de irritatie over de onnodig lange
voettocht wilde niet echt wegzakken.
Toen
na bijna 2 uur het rode dak van het college in zicht kwam schoot hij dat meteen
in brand. De vader had niets in de gaten. Ze zouden daar rondlopen tussen de
verbrande resten van het gebouw en tussen de verkoolde lijken. Maar de sukkels
om hem heen zouden het niet merken.
Ze waren inderdaad te laat
voor het toelatingsexamen maar men geloofde blijkbaar het verhaal van zijn
vader, al keken ze deze wel wat medelijdend aan. Maar zeiden dan: we nemen het
wel een keer particulier af.
Zijn vader en hij waren door
de voordeur binnengelaten en een paar dagen later al realiseerde hij zich dat
dat de eerste en voorlopig ook de laatste keer was geweest dat hij door die
deur ging, want de leerlingen mochten daar niet in of uit en zelfs mochten ze
helemaal niet in dat deel van het gebouw komen waar de paters woonden.
Ze hadden samen een maaltijd
gekregen in een van de kamers naast de voordeur – gekookte aardappelen, rode
bietjes en een gehaktbal – en zijn vader
was even met een pater mee geweest om wat zaken af te spreken en daarna had hij
al afscheid moeten nemen, want zijn vader had nog een voettocht en een
tramtocht voor de boeg en er ging maar twee keer per dag een tram. ‘Vaarwel, jongen,
hou je goed,’ zei zijn vader en kuste hem, wat ongewoon was. Ze zouden elkaar 3
maanden lang niet zien.
De pater liep met hem vanaf de
paterskant de eetzaal binnen die refter werd genoemd en aan de gangkant waar de
klassen waren er weer uit. De pater wees naar de trap naar de slaapzalen, zei
dat de jongens deze niet mochten gebruiken, dat deze voor de paters was, tikte
in het voorbijgaan tegen de deuren van de klaslokalen, wees de kamer van de
Overste aan die net als de Prefect, de ordebewaarder, niet alleen een kamer in
het patershuis maar ook een hier in de gang had, hij opende de deur van de
kapel – ‘deze deur is altijd open, hier kun je tot God en tot rust komen’ –
zwaaide naar de andere trap naar de slaapzalen die ze wel mochten gebruiken. Ze
liepen midden door de studiezaal, staken de recreatiezaal over langs een
biljart en pingpongtafels, en vlak voor wat de pater de aula noemde gingen ze
de speelplaats op die cour heette. Hij wees Driek op de toiletten aan de
overkant en zei dat daarachter een beek liep en dat de bomen van hun bos waren.
Met een gebaar naar links noemde hij het volley- en het handbalveldje en weer
daarachter, nauwelijks te zien door de bomen, het voetbalveld. En rechts van
het voetbalveld, aan de andere kant van de beek, zei hij, was zelfs een zwembad
dat de jongens zelf gegraven hadden. Kortom, op sportief gebied kwam Driek hier
niets tekort. Als het regende konden ze onder de loods die naast de aula lag.
‘Kom, dan gaan we weer naarbinnen en laat ik je je chambrette zien, een chambrette
is een kamertje zonder plafond met voor de ingang een gordijn.’ Er was een aan
de houten, lichtgroen geschilderde wanden vastgemaakt bed, en een kast.
Vanboven was het inderdaad open maar Driek zag meteen dat hij hier meer privacy
zou hebben dan hij thuis ooit gehad had. ‘Op de slaapzaal mag je niet praten op
straffe van naar huis gestuurd te worden. Kom,’ zei de pater weer en leek hem
aan een touwtje met zich mee te trekken, ‘dan geef ik je in de refter het
reglement waar dat allemaal in staat, en je bagage, dan kun je die naar je
chambrette brengen. Je wordt om zeven uur in de studiezaal verwacht. Om negen
uur ga je na het avondgebed naar bed.’
Toen de pater naar de bomen
achter de toiletten op de cour wees had Driek daar met één hand aan een tak een
meer dan drie meter grote aap zien hangen die met zijn andere hand met zijn pik
speelde. Driek keek naar de pater of die de aap ook zag maar dat was duidelijk
niet het geval. Hij besloot niets over de aap tegen de pater te vertellen. Hij
ging hier zijn eigen leven leiden. Net als de aap dat deed.
De studiezaal zat, en ook al
de keren erna, helemaal vol met leerlingen uit alle klassen. Ze waren hier elke
dag op het einde van de middag en ’s avonds. En voor de vrije woensdag- en
zaterdagmiddag begon zat je ook eerst een uur in de studiezaal. Ook zondags
bracht je tussen ontbijt en middageten twee uur in de studiezaal door. De
middagen dat ze geen school hadden werden gezamenlijk doorgebracht met
verschillende sporten of een gezamenlijke wandeling.
Hij had nooit geleerd wat
studeren was, nou ja, een klein beetje toen hij in de laatste klas van de
lagere school Franse les kreeg en huiswerk waarbij hij ook woordjes en
grammatica moest leren.
Nu had hij voor elk vak een
boek en een schrift waarin je schreef wat de leraar zei en wat niet in het boek
stond. Driek bedacht dat er veel energie, tijd en papier bespaard had kunnen
worden als de leraar gewoon zou vertellen wat er in het boek stond. Het schrift
had dan gereserveerd kunnen worden voor vragen van de leerlingen en
verduidelijkingen van de kant van de leraar. Hij leerde hoe hij met zijn ellenbogen
op de lessenaar en zijn vingers op zijn voorhoofd en zijn duimen in zijn oren
kon studeren. Vanwege die ellenbogen had hij al meteen de tweede dag dat hij hier
was naar huis geschreven voor studiemouwen. In de studiezaal stonden ze onder
bewaking van een surveillant. Driek wist dat de surveillant naakt was onder
zijn toga en dat deze dacht dat Driek dat niet in de gaten had.
De
verbazing dat hij zijn best moet doen om te leren ging niet zomaar weg. Het
duurde weken, misschien wel twee maanden, voor het werkelijk tot hem
doorgedrongen was en hij er zich ook bij neergelegd had dat hij om te leren
zich moest inspannen. De lagere school was veel te gemakkelijk geweest, hij had
zich overschat, had zich om de tuin laten leiden.
De dagorde:
6.25u: Opstaan junioren (1e t/m 3e klas), 10 minuten na
de senioren (4e t/m 6e klas). Met grote passen en
wapperende witte rok slaat de pater tegen de gordijnen van de chambretten om te
kijken of er nog iemand in bed ligt, hij houdt halt, wie zou er nog in liggen? Ochtendgymnastiek
op de cour, rondje in draf rond het voetbalveld, terug naar de slaapzaal, in
hemdje en kort gymnastiekbroekje je gezicht, oksels en armen wassen aan de
wasbakken in het waslokaal tussen grote en kleine slaapzaal, 12 wasbakken naast
elkaar aan elke wand, in het midden een rij van 2 wasbakken tegenover elkaar, 2
deuren tegenover elkaar, naar elk van de 2 zalen een; aan de andere kant van de
muur, aan de zijde van de grote slaapzaal, zijn de voetwasbakken, veel gebruikt
na sport of wandeling. Er is alleen koud water. Wassen dus ’s morgens aan een
klein wasbakje en verder aankleden.
6.45u:
Morgengebed en meditatie van de senioren in de kapel.
6.55u: Morgengebed van de junioren. De junioren hoeven niet te mediteren en
trekken nu voorlopig gelijk op met de senioren. Van beide groepen zijn er een
paar jongens die nog gauw hun doodzonde biechten omdat ze anders niet ter
communie mogen. (Driek heeft geen idee wat deze doodzonde is, hij merkt wel dat
deze als een zwarte schaduw boven hun dagelijks leven hangt)
7.00u: H. Mis. Dat betekent Heilige Mis. Naar de mis dus, nuchter, want ze
moesten ter communie kunnen.
7.40u: Studie. Dat wil zeggen dat de Mis bijna 40 minuten kan duren. Maar
iedereen weet dat het ook in 20 minuten gebeurd kan zijn. Dat hangt van de celebrant
af, de pater die de mis doet (20 minuten), of die de mis celebreert, dat
wil zeggen viert (40 minuten). Dat is net zoiets als iemand die zegt dat
hij ‘het leven viert’. Loop gillend weg of maak je schoorvoetend maar
vastberaden uit de voeten. Niet alleen omdat degene die dit vreselijke cliché
durft te poneren, je triomfantelijk zal aankijken alsof hij het heeft
uitgevonden, maar vooral omdat zo iemand zelden feestelijk leeft maar er wel
uren over kan ouwehoeren. Driek denkt na deze zin even na en sluit niet uit dat
ook hij deze uitdrukking wel eens heeft gebezigd. Maar komt tot de conclusie
dat dit niets afdoet aan zijn stelling.
Dat is dus elke morgen om 7
uur weer spannend: welke pater komt er achter de misdienaar de sacristie uit?
De jongens rekken zich, buigen zich om degene voor zich heen, kunnen niet wachten
tot de pater voor iedereen duidelijk in beeld is. Dan hoor je zuchten van
opluchting of van teleurstelling. Driek is nooit misdienaar geweest, hij moet
het hier leren, misdienen. Hij had het altijd vreemd gevonden, jongens die vies
deden, vloekten, scholden, pesten, werden opeens misdienaar, kregen een
mispakket, speelden thuis altaartje. Anderen die te dom waren om voor de
duvel te dansen, kenden opeens het confiteor vanbuiten, in het
latijn dus, opeens op een zolder waar je aan het spelen was begonnen zij het
confiteor te zingen. Driek had een groot wantrouwen tegen dat misgedoe
ontwikkeld. En nu zit hij er middenin.
8.10u: Bed opmaken, ontbijt en vrije tijd (buiten door te brengen) (lokalen in
orde brengen)
Hij heeft het moeilijk. Hij heeft meestal slecht geslapen. Tijdens
het half uur studie kun je je lessen nog een beetje voorbereiden als je dat de
vorige avond niet gedaan hebt. Als je tenminste niet met je duimen in je oren
en je vingers op je voorhoofd in slaap valt. En je ellenbogen opeens van de
rand van je lessenaar af schieten. Telefoon!
8.45u: 1e Les.
Slaapzaal, cour, rennen rond het voetbalveld, slaapzaal, kapel, studiezaal,
refter, klaslokaal. Hij kwam op al die plekken vaak te laat. Hij was er met
zijn hoofd niet bij.
Zijn moderator – elke jongen had een patermoderator – maakte na een week op het
internaat een afspraak met hem. Ze zaten in een leeg klaslokaal, de moderator
achterstevoren in de bank voor hem met zijn gezicht naar hem toe en zijn benen
in het gangpad. ‘Zo, jongen,’ zei de pater, ‘vertel me eens, hoe ben je
erachter gekomen dat je roeping hebt?’ Driek keek hem niet begrijpend aan. ‘Je
roeping om priester te worden, om je leven aan God te wijden, zoiets komt niet
van de ene dag op de andere.’ Driek werd vuurrood. In één klap was hem veel
duidelijk van wat hij in de afgelopen week niet goed begreep. Bijvoorbeeld dat
er alleen maar paters les gaven, hoewel hij zich herinnerde dat zijn vader dit
onderweg verteld had. Maar ja, op de bewaarschool waren ook alleen maar nonnen geweest en op de
meisjesschool ook nog heel lang. Opeens begreep hij het: dit was geen gewone
katholieke kostschool, geen gewoon internaat, dit was een seminarie, een
priesteropleiding, dit was een patersfabriek. En hij voelde zich bedonderd, op
de eerste plaats door zijn vader van het kasteel. Hij vermande zich even en
slaagde erin om min of meer normaal te zeggen: ‘Dat weet ik niet meer precies.’
Dan holde hij het klaslokaal uit.
Kort
daarna richtte Driek ‘De Vereeniging voor de rechten van het Groote kind’
op (twee e’s en 2 o’s, zo schreef je dat toen). Hij had aan andere namen
gedacht, bijvoorbeeld ‘De Vereeniging voor de rechten van den Puber’,
maar hij vond dat te veel latijn. En daar had hij al moeite genoeg mee.
Bovendien stond er in het Latijns woordenboek bij het woord ‘pu(b)er’
als mogelijke betekenissen: ‘in staat zaad te maken, in staat een kind te
verwekken’. Die betekenissen associeerde hij niet met zichzelf of met zijn
vrienden, – die hij nog niet had maar die hij al wel lid maakte van de vereniging, hoewel hij voorlopig niemand op de hoogte
stelde van de oprichting, ze zouden dat nog niet begrijpen. Hij associeerde
deze betekenissen met zijn grote broer en dat was geen prettige gedachte. Zijn
broer zou zich uit puur eigen belang tegen deze rechten keren maar dat kwam
Driek goed uit, daarmee ging zijn broer regelrecht op weg naar de guillotine.
Driek interesseerde zich erg voor de Franse Revolutie. Ook verschillende paters
zouden deze smadelijke gang niet kunnen ontlopen, voorop de Prefect die op zijn
kamer in de gang voor het minste of geringste de jongens gelastte hun broek
omlaag te doen, ze over de knie legde en ze met de blote hand een pak slaag op
hun blote kont gaf. Met zijn hoofd al tussen de planken van de guillotine
zouden de billen van de Prefect publiekelijk ontbloot worden en zou hij voor de
ogen van de menigte allereerst zelf zijn favoriete lijfstraf ondergaan. Daarna
zou het mes vallen en zijn kop rollen.
Driek
schrijft zijn: RECHT
OP ALGEMEEN EN OPENBAAR ONDERWIJS VOOR HET GROOTE KIND
1. Elk groot kind, het kind vanaf 12 jaar, heeft het recht onderwijs te volgen
tot tenminste het bereiken van zijn 17e levensjaar. Het mag daarbij wel
vrijwillig enige werkzaamheden verrichten maar deze mogen slechts een gering
deel van zijn schoolweek uitmaken.
(Dus aan het bij een boer in de kost geven van 12-jarigen om daar zonder
verdienste werkzaamheden te verrichten wordt met onmiddellijke ingang een einde
gemaakt evenals aan het in betrekking doen van 12-jarige meisjes.)
2. Alle onderwijs, van welke aard of van welk niveau ook, is tot het bereiken
van de leeftijd van 17 jaar uitsluitend algemeen en openbaar en staat onder
controle van de staat.
(Dus onderwijsinstellingen die reeds vanaf het 12e levensjaar van de leerling
gericht zijn op een beroep dat deze pas veel later, bijvoorbeeld op zijn 24e,
en na het volgen van hoger onderwijs, zal uitoefenen, zoals dat van pater,
zullen moeten worden opgeheven of moeten overgaan op algemeen en openbaar
onderwijs.)
3. Het is dom, onverantwoord en immoreel en dus verboden het grote kind tot 17
jaar vast te pinnen op of te dwingen tot een beroepskeuze of levenswijze.
4. Dus en wellicht ten overvloede: VOOR EEN PATERSFABRIEK VOOR ONDER 17-JARIGEN
IS OP DEZE WERELD GEEN PLAATS! VOOR ZOVER DEZE NOG BESTAAN DIENEN ZIJ MET
ONMIDDELLIJKE INGANG TE WORDEN OPGEHEVEN!
Driek
zuchtte.
Hij kreeg brieven van zijn moeder en schreef ook terug. Hij schreef dat
alles goed ging. Voor het eerst van zijn leven haalde hij een onvoldoende, het
was voor latijn. Op zijn herfstrapport had hij voor latijn een 5,5. Het was
normaal. Alleen de zittenblijvers slaagden erin een voldoende te halen voor
latijn. Zo maakten de paters duidelijk hoe belangrijk en moeilijk dat vak was,
ze moesten elke dag een uur aan latijn besteden. Maar hij schaamde zich voor
een onvoldoende, kon het niet uitstaan. Hij was blij dat hij als eerstejaars in
de herfstvakantie niet naar huis mocht – dat was omdat de eerstejaars moesten
leren zich te onthechten, om 3 maanden te wennen aan niet thuis te zijn – en
dat hij nergens zijn schoolrapport hoefde te laten zien.
Als
je over de beek het bos in ging had je aan de rechterkant al gauw het kerkhofje
waar enkele paters begraven lagen. Maar hij kwam erachter dat er nog een graf
was, een heuveltje ver weg in het bos, bijna aan de rand, met iets dat op een
kruis leek, maar dan als dat van de goede moordenaar met boven de armen van het
kruis geen opstaand gedeelte, een T dus. Het graf was van een weesjongen die in
diverse gestichten, internaten, had gezeten. Tot ze op zijn 12e
besloten hem naar de Patersfabriek te sturen. De jongen wist van niks. Toen hij
erachter kwam waar hij terecht was gekomen maakte hij een einde aan zijn leven.
Ze wisten niet waar ze hem moesten begraven, hij mocht als zelfmoordenaar niet
op het kerkhofje in de gewijde aarde bij de paters liggen. Het zal mij niet
overkomen, dacht Driek, ik laat me niet gek maken. Soms bracht hij in het
geheim en zwijgend een bezoek aan zijn bondgenoot, zijn lotgenoot ook. Ook deze
jongen was ergens geplaatst waarvan hij niet wist wat het was.
Midden in de herfst. Een hele middag werken op het koude, natte
land van een boer. Bietjes uitdoen. Wat krijgen ze ervoor? Twee zuurstokken of
kaneelstokken. Ze hebben geen werkhandschoenen en ook hun kleding en schoenen
zijn niet geschikt voor dit werk in deze tijd van het jaar.
Hij
had een enorme scrupulositeit. Of hij een snoepje zou nemen of niet, hoe hij ze
daarna met grote aantallen tegelijk in mijn mond propte, hevig begon te zuigen,
ademnood kreeg, opgelucht de plakkerige troep in de palm van zijn hand liet
vallen, achterover zakte en na bleef hijgen, een papiertje zocht, ze daarin
liet vallen, één snoepje in zijn mond stopte en er hevig op begon te zuigen.
Rollen groene menthol, het eten van stophoest. De pijnlijke tong, het schrale
gehemelte als gevolg. Hij leende geld van andere jongens om te snoepen, hij zou
het na de Kerstvakantie terugbetalen.
Ze mochten soms roken op
voorwaarde dat ze dat van thuis mochten. Natuurlijk mochten ze dat allemaal. Hij stak na het ochtendgymnastiekrondje om het
voetbalveld een sigaret op en werd
misselijk. Hij besloot tot zijn 13e niet meer te roken. Dat zou zijn
na het eerste jaar in de Patersfabriek.
Tegen
Kerst had hij een 6-plus voor latijn. Maar had er geen voldoening van. Hij was
meegegaan in hun spel. Ze verwachtten nu vast dat hij voor het overige ook aan
hun verwachtingen zou voldoen.
Een
week voor Kerst. Op de fiets in de sneeuw, ijskoud, naar huis, in H moest hij al een keer afstappen, van G naar E heeft hij praktisch gelopen, een uur lang op een draf
naast zijn fiets vanwege ijskoude voeten. Normaal is het een uur fietsen, nu
kwam hij uitgeput en koud na 3 uur voor het eerst in 3 maanden thuis. Hij kon
er niet tegen dat zijn broers en zusjes zo onaardig tegen elkaar deden en begon
te janken.
Een van de dingen die in de vakantie van hem verwacht worden is buren-
en familiebezoek om zijn schoolrapport, puntenkaart, zeggen de oudere mensen,
te laten zien. Hij beantwoordt geduldig de vragen als: Was dat niet lang, zo 3
maanden zonder je familie? Dat viel wel mee, zegt hij. Bij het weggaan geven ze
hem een paar stuivers. Of al eerder als de echtgenoot, meestal de oom of neef
die het niet hoeft te weten, ze hebben het zelf ook hard nodig, even de kamer
uit is. Hij schaamt zich en zou het liever niet aanpakken. Maar zijn moeder
zegt dat de mensen ook wel weten dat zo’n school geld kost en een leerling die
niet werkt moeilijk is voor een gezin. En dan geneert Driek zich ook daar voor.
‘Later krijg je het allemaal terug,’ zegt Driek. ‘Dat denk ik niet,’ zegt zijn
moeder. Ze gelooft echt dat ik pater wordt, denkt Driek.
Voor hij de kans krijgt zijn
eveneens verplichte bezoek aan de pastoor af te leggen komt deze al bij hem
thuis. Hij wil iets voorstellen, niet alleen aan hem maar ook meteen aan zijn
ouders.
Driek zit aan het lage tafeltje in de woonkeuken waar normaal de kleine
kinderen zitten, die zijn al naar bed. Hij leest een missieboekje dat aan de
deur is gekocht. Het lijkt erop dat men een Afrikaanse sage volledig heeft
gekatholiseerd. De heidenen keren zich af van de magische figuren, mensen en
dieren, van de sprookjesachtige wezens tussen mens en dier in, en tussen hun
voorouders en goden in. Ze bekeren zich tot het ‘ware geloof’. Het boekje
kostte 1 gulden. Dat is veel geld, opbrengst voor de missie. Het is normaal dat
de pastoor, als een van de weinigen, via de voordeur binnenkomt. Maar gewoonlijk
blijft hij in de voorkamer maar daar is het nu te koud. Als hij verwacht werd
zou de kachel daar zijn aangemaakt. Hij komt nu de woonkeuken binnen en zit aan
tafel achter het tochtschot waar ook altijd het wijf van de huur zit. ‘Hoe gaat
het?’ zegt de pastoor, ‘ik kom eens kijken, want ik heb je nog niet op de
pastorie gezien in deze vakantie.’ ‘Ik ben 3 maanden niet thuis geweest,’ zegt
Driek, ‘en moest veel familie goedendag zeggen.’ ‘Je bent nu 3 maanden daar
geweest,’ zegt de pastoor, ‘en misschien heb je nog eens kunnen nadenken. Is
het wel zeker dat je naar Afrika wilt, het is natuurlijk een prachtig doel, en
ook nodig, maar hier ben je ook hard nodig, de roepingen lopen hier terug, de
kerk kan iemand als jou ook goed hier gebruiken en je blijft in de buurt van je
familie’
Drieks hoofd zakt op zijn borst, hij staart naar het tafelblad voor zich, de
pastoor blijft maar doorpraten, er komt geen eind aan. Dat moet stoppen, denkt
Driek, en hij roept: ‘Tis goed, ik blijf wel hier.’ Hij heeft zich geërgerd aan
het boekje, aan het verhaal dat de paters helemaal naar hun hand hebben gezet.
Ik wil helemaal niemand bekeren, denkt hij. ‘Tis goed, tis goed,’ zegt hij.
‘Weet je het zeker?’ zegt de pastoor. ‘Ik wil hier blijven,’ zegt Driek. ‘’t Is
goed,’ zegt de pastoor. ‘Dan praten we morgen verder, kom maar naar de
pastorie.’
Zijn moeder gaat met de pastoor de voorkamer in om deze door de voordeur uit te
laten. Als de deur tussen woonkeuken en voorkamer net dicht is springt Driek op
en gooit het boekje woedend tegen de deur waarachter de pastoor net verdwenen
is. Zijn vader springt naar de deur en gaat haastig de voorkamer in. De pastoor
wordt teruggeroepen. Hij was nog net niet op zijn fiets gestapt, hij haalt
geërgerd zijn schouders op. Hij stapt op zijn fiets, komt niet meer terug de
kamer binnen. Bij zijn bezoeken aan de pastoor elke anderhalve maand blijft het
voorval tussen Driek en de pastoor in staan, hoewel ze normaal elkaar wel
kunnen vinden in hun liefde voor boeken.
Toen hij terugkwam van vakantie
vroegen sommige paters hem waarom hij niet op hen reageerde. Hij kon niet
zeggen dat hij hen al een week geleden had geliquideerd. Hun tragiek was dat ze
het zelf niet doorhadden. Hij wist niet of hij daar wel iets op wou verzinnen.
Het
tweede trimester
Ik moet beginnen met u te vertellen
dat ik in de Kerstvakantie ook bij onze buurvrouw tante Net ben geweest. Ze zit
altijd in het donker, dat kost geen lampolie of kaarsen of elektriciteit als
die er is. Ze kan op die manier niets doen, niet schoonmaken, niet strijken en
evenmin sokken stoppen of breien. Ze heeft een ziekte, ze heeft hoge bloeddruk.
Als ze wel eens in het licht komt zie je de paarsrode adertjes op de koontjes
van haar wangen. Wanneer ik zo oud ben lijkt die ziekte me ideaal, dan heb je
een rustig leven. Ik heb van haar De Navolging van Christus van Thomas
a
Kempis cadeau gekregen. Ik weet niet of ik er blij mee moet zijn: Ik lees
allemaal circelredeneringen. Misschien kom ik hier nog wel een keer op terug.
Naar u toe, bedoel ik, niet in de zin dat ik er anders over zal gaan denken,
want dat verwacht ik niet, het is te duidelijk.
Ik moet u ook iets bekennen, meester, ik slaap vaak met een servet rond mijn
oren met de bedoeling mijn uitstaande oren tegen mijn hoofd te dwingen. Na het
middageten of in de ochtendpauze van 20 minuten ga ik dikwijls naar mijn
chambrette en sta dan een poos voor de spiegel. Deze heeft een lichtgroene houten rand en hangt aan
de binnenkant van mijn kastdeur. De kast zit aan de wanden vast, de linker- en
achterkant zijn onderdeel van de wanden van de chambrette. Je mag eigenlijk in
die pauzes niet op de slaapzaal komen. Ik kam mijn haar met slaolie vermengd
met zeep, het glimt dan mooi, je moet het wel wassen voor het begint te
stinken. Ik kijk altijd goed naar het haar van de andere jongens, duw slagen in
mijn eigen haar. Met een hand in mijn nek, een duim op een oor en de wijsvinger
op het andere kijk ik hoe knap, hoe anders ik dan ben en vraag me af of ik nog
wel het knapste jongetje van de klas ben. Als ik daar zo sta, mijn mond dicht
houd, mijn onderlip niet laat hangen en niet bloos, mag ik er zijn. Het wordt
een obsessie mezelf zo te gaan bekijken.
Soms heb ik staan dromen en ben of kom ik opeens in een volkomen lege zaal. Dan
is er een bel gegaan of een teken geweest dat me is ontgaan. Ik begin te hollen
en zie nog net de laatste de kapel of de refter ingaan. De rector maakt de deur
van de refter dicht. Soms houdt hij de deur van de refter open tot ik binnen ben.
Vaak ziet de rector me goed aankomen maar doet toch de deur dicht. Ik moet dan
wachten tot na het bidden. Er zijn dan dikwijls nog enkele mededelingen. De laatkomers
mogen tijdens deze naarbinnen gaan en aan de andere kant van de deur blijven
staan. Maar soms wordt dat ze belet doordat de pater met een hand achter zijn
rug de klink van de deur vasthoudt. De
jongens wringen er dan toch aan, proberen hem omlaag te drukken en horen aan de
stem van de pater terwijl hij de mededelingen doet de krachtsinspanning waarmee
hij de deur dichthoudt. Hij laat soms opeens los, doet snel een stap opzij en zij vliegen naarbinnen. ‘De deur klemt,’ zeggen
ze tegen de pater die rood is van inspanning.
Mijn
leven hier is niet bepaald vrolijk, beste meester, maar u hoeft geen medelijden
met me te hebben. Ik zal een voorbeeld geven. Vrienden heb ik hier eigenlijk
niet, daarvoor ben ik nog te veel op mezelf gericht, maar ik beleef de dingen
ook anders als zij en dat is mijn geluk. Als zij bijvoorbeeld over het houten
bruggetje de beek naar het bos oversteken steek ik de Berezina over, over
planken half onder water op palen, tussen verdrinkende paarden door terwijl ik
drijvende lijken probeer te ontwijken. We komen dus totaal verschillend aan de
overkant, wil ik maar zeggen. Dat vertel ik ze natuurlijk niet, ze zouden me voor gek verklaren maar u wil ik
het wel toevertrouwen, ook al noemen ze u, of misschien juist wel daarom, de
Gekke Onderwijzer.
Het
voorjaar is koud en vooral nat, op veel plaatsen hoog water. Waar we in het
begin van het schooljaar nog op rietpollen die boven het water uitsteken durfden
springen, durven we op de vrije middagen nu alleen aan de onderkant tegen
stammetjes te springen en tegelijk zo’n stammetje vast te pakken zodat we niet
omvallen. Maar hoe komen we zonder natte voeten daar weer vandaan? Dat lukt dan
ook meestal niet, want we kunnen ons nauwelijks afzetten, laat staan een
aanloop nemen.
Ik kom de trap van de slaapzaal aflopen en meen links van de trap in de kamer
van de Prefect tussen trap en kapel gehuil te horen. Straks zal vanuit deze
kamer door een omhooggeschoven raam het winkeltje open zijn waar we vanaf de
cour schoolgerei en snoep kunnen kopen. Ik loop de gang met de klaslokalen in
tot aan de refter en keer dan om en inderdaad komt er uit de hoek naast de
kapel een jongen snikkend met rood betraande ogen de gang op en buigt gauw zijn
hoofd. Die heeft vast op zijn blote kont gehad. En weer keer ik om in de
richting van de refter en op de terugtocht zie ik in een klaslokaal de jongen
op de schoot van de Wasbeer zitten. Straf van de Prefect, troost van de
Wasbeer, die twee spelen elkaar de bal toe. Twee jongens uit de hogere klassen
die hadden proberen te ontsnappen werden in de kelder temidden van allerlei
leidingen en buizen tussen 3 broeders heenenweer geslagen. De paters, net als de
Prefect dus, maakten hier hun handen niet aan vuil. Er werd niet over ge-sproken.
De jongens werden niet naar huis gestuurd, want dat wilden ze juist en hun
ouders waren hierop tegen. Ik denk aan het heuveltje in het bos.
Er loopt naast het gebouw een breed
kilometers lang zwart pad, steenkolengruis, hoe komt het anders zo zwart, naar
de inrichting waar broeders samen met leken patiënten met vallende ziekte
verplegen. Als de patiënten 7 jaar geen aanval hebben gehad mogen ze naar huis.
Meestal krijgen ze vlak voor die 7 jaar om zijn een aanval en begint het
aftellen opnieuw. Is het de spanning of wordt er geknoeid met de medicijnen? We
voetballen wel eens tegen ze en een keer lag er een schuimbekkend op de
middenstip. We lopen dat brede zwarte pad af om daar een film te gaan zien, het
is The Kid van Charley Chaplin, de film breekt en de voorstelling is afgelopen
en wij weer terug over datzelfde zwarte pad naar onze eigen inrichting. Het is
toch niet helemaal voor niks geweest want er zijn daar ook meisjes die helpen
bij de verzorging en ik zorg altijd dat ze me goed zien, waarom weet ik
eigenlijk niet. Als ze naar me kijken bloos ik.
In de Paasvakantie speel ik met heel kleine kinderen in de speeltuin, de oudere zijn allemaal naar school, mijn vakantie duurt langer. Wat doet die grote lummel hier, zie ik de ouders denken. In de zomer, voor de grote vakantie, is het Grote Wandeling. Het is prachtig weer, we komen bij een ven, we hebben een zwembroek en een handdoek bij ons. Als we ons in de bosjes willen gaan omkleden roept Pater Simpie ons terug. Hij wil ook geen gedoe achter handdoeken. ‘Jongens onder elkaar!’
De zomervakantie. Mijn grote broer is
nergens te bekennen. Hij blijft al die tijd weg, niemand weet waar hij is.
Maakt hij een grote reis? Vlucht hij voor mij?
Het
tweede jaar
Na de vakantie blijkt een flink aantal
jongens thuisgebleven. Het najaar verloopt zoals verwacht. Op een nacht kom ik uit mijn bed en sluip door
het gangetje naast de refter naar de keuken en verslind wel zo’n 20 tomaten. Na
een poosje op mijn rug in bed te hebben gelegen doe ik nog een keer hetzelfde.
Wat betekent dit? vraag ik me af terwijl ik daarna opnieuw in het donker lig te
staren. Wel herfstvakantie deze keer, mijn eerste dus want vorig jaar niet, 4
dagen inclusief Allerheiligen. Slecht hierop gekleed werken we in november opnieuw
op het natte koude land van een boer met als beloning een paar kaneelstokken .
Ik durf van het dak van de loods te springen, dat gaat goed, maar fout gaat het wanneer ik me uit een van de dennenbomen bij het volleybalveldje laat vallen – er was een pluimballetje van wat ook wel badminton wordt genoemd in de boom blijven hangen – ik verstuik mijn enkel en lijd wekenlang de ergste pijn die ik ooit gehad heb, waarschijnlijk trouwens omdat pijnstillers nog niet erg in zijn. Ik zit met mijn been op een krukje naast mijn schoolbank in het klaslokaal en in de studiezaal, ik heb geen loopkruk, ik hinkel, de schokken doen extra pijn. Ik denk: wat heerlijk als ik nu niets had, geen kapotte mondhoeken, geen korst onder mijn neus van verkoudheid, geen verstuikte voet. Achteraf wijt ik mijn verschrikkelijke pijn aan achterlijkheid wat betreft pijnbestrijding en onderschatting van mijn probleem. Ik speel met jongens die het naaischooltje worden genoemd omdat ze zelf eenvoudige reparaties aan hun kleren uitvoeren. Dat naaischooltje zou later tegen me gebruikt worden, meester. Het duurt weken voor ik weer normaal kan lopen. Met Sinterklaas liggen ’s avonds om 7 uur de cadeautjes klaar op het bed in onze chambrette. Degenen die zich net als vorig jaar om 7 uur eerst nog een poosje knielend willen gaan versterven in de kapel – als genoegdoening voor de eigen zonden of voor die van de mensheid – worden door de overste, de Baas, de kapel uit gehaald. ‘Kom op, jongelui, ’t is wel goed, ga gewoon die pakjes openmaken en geniet ervan.’ Een aansteller stribbelt tegen, pakt dramatisch de soutane naast de dikke buik van de baas vast en zegt zeurderig: “Nee, pater, ik heb het nog niet verdiend, ik moet eerst nog boete doen.’ ‘En nu gauw naar boven!’, zegt de Baas, ‘of ik geef je pakje aan de arme negertjes, ondankbaar joch dat je bent!’ Het is de bedoeling dat we op zondag een stropdas dragen. En een stropdas knopen was altijd een heel gedoe. Ik leer om er een vaste, verschuifbare knoop in te leggen, waardoor een lus ontstaat die ik groter en kleiner kan maken. Ik kan die lus over mijn hoofd doen en rond mijn hals aantrekken zonder dat ik de knoop los hoef te maken. In al mijn stropdassen, een stuk of vier, leg ik zo’n knoop. Voor het priesterkoor in de kapel hangt aan de linkerkant een Mariabeeld en aan de rechterkant een Heilighartbeeld. Als ik naar het laatste kijk moet ik aan de uitdrukking denken: Het hart op de juiste plaats dragen. Dat wil in dit geval zeggen: in het midden van de borst en bovenop de kleding, het is donkerrood en er schieten gouden stralen uit. Wanneer ik, een beetje voorover, geknield in de kerkbank zit, ruik ik vaak een stank. Ik kijk het vak voor de kerkboeken na, ruik aan het vilten knielkussentje, zoek onder de knielplank. Overal ruik ik dezelfde stank maar vind niets. Als ik de volgende zondag een stropdas om mijn nek doe is de stank verschrikkelijk. Ik kokhals als ik aan de knoop ruik. Er zit een verdikking onder de knoop. Ik loop naar het toilet op de slaapzaal en maak boven de toiletpot de knoop los, ik schud en er valt een half verdroogde muis in de toiletpot. Die moet in de holle stropdas zijn gekropen tot aan de knoop en niet meer voor- of achteruit hebben gekund. Daarmee heb ik dus minstens 2 zondagen om mijn hals in de kapel gezeten! Ik gooi de stropdas naast de muis in de toiletpot en trek door voor ik weer moet kokhalzen. Ik heb zó al mijn beproevingen, meester, ik hoef ze niet zoeken.
De Kerstvakantie is net zo snel voorbij als dat hij er opeens was. Ik heb vanaf nu voor alles voldoendes. Zelfs voor Grieks dat we vanaf het tweede schooljaar kregen. Mijn oudere broer is nergens te bekennen. Ik merk dat de familieleden bij bijeenkomsten van me verwachten dat ik voortaan bij de volwassenen zit. Ze luisteren naar me maar eigenlijk wil ik helemaal niks vertellen. In het voorjaar heb ik opeens hevige griep. Ik sta te dollen op mijn benen, kan niet recht blijven staan. Ik word opgenomen in de ziekenboeg op de Broedersgang, 40 graden koorts. Normaal mag je hier nooit komen, hoogstens om de mis te dienen in het kapelletje verder op de gang. Na een dag of 4 mag ik terug naar de slaapzaal, maar nog niet naar mijn eigen chambrette maar naar een in de buurt van de ziekenboeg om me nog regelmatig te kunnen controleren. Je hebt geijld, zeggen ze tegen me, het leek of je franse woordjes aan het leren was. Pontonnier? Ik moet nog in bed blijven. Ik lees maar begin als er niemand in de buurt is rond te snuffelen. Zo ontdek ik in een van de chambretten in een kast een luchtbuks. Ik vraag een jongen om een reep chocola voor me te kopen vanwege het zilverpapier. Van het zilverpapier maak ik propjes en schiet met de windbuks. Ik beheers me denkend aan de gevolgen en schiet niet op de lampen. Misschien vlak voor ik hier wegga, houd ik mezelf voor. Ik ontdek ook een chambrette waarvan de kast helemaal vol ligt met pakken suikerklontjes. Dat wordt mijn vaste snoepgoed. Weer beter moet ik mijn leerachterstand van ruim een week inhalen. Aan mijn klasgenoten vraag ik hun schrift met aantekeningen te leen. Maar die stellen niks voor, ik heb er niks aan. Ik heb geen idee hoe ik het moet inhalen. Ik lees in de leerboeken de pagina’s door van wat de behandelde stof zou zijn maar niemand kan me zeggen of er niet een heel ander verhaal is verteld. Ik ben wel zo wijs om niet naar de leraren te gaan, ik ben geen slijmerd.
Ik had dus hevige griep, maar ik was niet bang dat ik Spaanse griep had. Die was immers al 2 jaar onder de knie. Er waren zoveel miljoenen mensen aan gestorven, er waren zoveel, een half miljard, mensen besmet geweest dat de overlevenden immuun waren. Zonder dat er een vaccin aan te pas was gekomen. Want ze wisten de oorzaak niet. En als je niet weet wat het is kun je er ook geen geneesmiddel tegen maken. Ze hielden het op een bacterie, maar ze vonden geen bacterie. Als ze alle bacteries uitfilterden, ging nog de besmetting gewoon door. Er moet iets zijn, vindt de Nederlandse bioloog Martinus Willem Beijerinck, dat veel kleiner en simpeler dan een bacterie is en dat je met de huidige microscopen nog niet kunt zien. Hij noemt het virus, het Griekse woord voor vergif. Het wachten is volgens hem op een veel betere microscoop. Ondertussen is het enige dat helpt, isolatie van anderen, afstand houden, mondkapjes, handen wassen met zeep. De Spaanse griep duikt steeds opnieuw op omdat de maatregelen te vroeg worden opgeheven of omdat de mensen er zich niet meer aan houden.
Als
we op de vrije middagen niet gezamenlijk gaan wandelen, in groepjes met een
wandelleider, dan doen we aan sport. In het bos is ook een sportveld, we doen
er aan honkbal en aan dingen waar ik nog nooit van gehoord heb zoals de
hinkstapsprong. In hoogspringen ben ik niet slecht, ik kan mezelf goed
zijwaarts achterover gooien.
Ik lees in bed onder de dekens
met een zaklamp. Die heeft me heel wat sigaretten, snoepgoed, zelfs geld
gekost. Maar toen ik er een jongen mee zag, moest ik zo’n ding hebben. Als de
batterij een keer leeg is besluit ik op het toilet te gaan lezen. Er brandt
licht maar de deur is niet op slot. Als ik de deur open stinkt het en zie ik
dat iemand met stront op de gele muur heeft geschreven: IK WIL NAAR HUIS.
Op een avond schuift een van de jongens van het naaischooltje onder mijn dekens, hij zegt niks. Als we de deken over ons hoofd hebben getrokken zegt hij: Hoi. Ik zeg hoi terug. We liggen op onze rug, draaien een keer op onze zij en later op de andere zij. We raken elkaar niet aan. We fluisteren, maar alleen onder de dekens. Het is de eenzaamheid, de ellende, het verlangen naar huis, de stront op de muur. Als we op onze rug liggen zien we de bewegende schaduwen van de jongen in de chambrette naast ons die oefeningen doet om een bodybuildingfiguur te krijgen. ‘Dan moet hij nog lang oefenen,’ fluisteren we weer onder de dekens en lachen gesmoord. We worden niet betrapt maar wel verraden. Door de jongen van het wouldbe-bodybuilderfiguur? We worden niet samen verhoord, alleen apart. Pater Simon doet zo’n verhoor gretig, ook in de biechtstoel vraagt hij graag details. Om de zwaarte van de penitentie te bepalen, zegt hij. Maar op dit vergrijp staat geen penitentie maar een strenge straf: naar huis gestuurd worden. Jullie lagen achter of naast elkaar? Nooit omgedraaid? Raakten jullie elkaar niet aan? Waarom noemen jullie je clubje het naaischooltje? Bij al die suggesties moet ik opeens aan mijn oudere broer denken. Kort daarna is het grote vakantie. Pater Simon komt bij mij thuis langs, hij probeert met me alleen te zijn maar ik weet dat te voorkomen. Ik praat niet over mijn grote broer. Maar ik weet dat mijn moeder aan hem denkt en aan wat hij met mij heeft gedaan. Wat moeten ze met me als ze me van school sturen? Ik word immers nog steeds verdacht van het doden van de boer. Waarschijnlijk komt ook de kasteelheer weer in beeld. De Patersfabriek was een goede oplossing, vonden ze. Wat moeten ze nu met me?
Voor het eerste gedeelte, het moerassige gebied tot aan het water, kon hij gelukkig nog lagere brugjukken maken. Waar de eigenlijk rivier de Berezina stroomt, hevig stroomt met ijsschotsen, waar het water 2 meter diep is, zijn jukken van minstens 3 meter nodig. En dan moeten ze nog rekening houden met de modder, hoewel die met zo’n sterke stroming mee zal vallen. ‘Drie meter,’ grapt iemand, ‘dat is twee keizers op elkaar.’ Ze lachen erom, maar het helpt toch als daar een keizer staat die je bemoedigend toeknikt en vertrouwen schenkt aan je onderneming wanneer je in je blote bast het ijskoude water in gaat. Het hout is schaars, ze kunnen maar 2 in plaats van 3 bruggen bouwen. Gelukkig zijn de daken van de huizen hier gemaakt van planken die ze kunnen gebruiken. Die zijn wel kort, ze moeten aan elkaar worden gespijkerd, wat de stevigheid van de brug niet verhoogt. Als Nederlandse pontonniers hebben ze een naam op te houden. Die keizer die daar aan de kant ze toe staat te knikken kan ook averechts werken, mannen overschatten zichzelf, blijven te lang in het ijskoude water, raken bevangen, worden meegesleurd. Redden kunnen de pontonniers elkaar niet, misschien wel het brugjuk als het ergens aan hun kant blijft steken, het kan dan op een kar teruggehaald worden. Sommige brugdelen houden geen stand en daarvoor moeten ze opnieuw het water in. Al gauw raakt de brug verstopt met paarden, onder de voet gelopen mensen, karren. Dan begint hun moeilijkste taak, om alles wat in de weg ligt en niet verder kan, want terug kan niet, om mensen en dieren, dood of levend, alle materiaal van de brug af het water in te duwen.
24e Jaargang
Nr.70 (69 was nog
de 23e, dat stond verkeerd), 1
juni 2021.
Los nr: €4,- Verkrijgbaar bij Fenix en Streppel in Amsterdam. Of door (inclusief verzending) €5,92 over te schrijven naar IBAN: NL97 TRIO 0379 4947 87 t.n.v. Meurs A.M. Amsterdam ovv Uw adres en HetWerk70. Alle nummers en boeken ook verkrijgbaar via Boekwinkeltje Wonderland. HetWerk70 bijWonderland
Grootabonnement
NL (11 nrs looptijd ca 4 jaar maar wordt korter): €41;
Kleinabonnement (6 nrs, looptijd ca 2 jaar, doet mee aan de korting): €21,50;
Steunabonnement (11 nrs): €50. België en rest Europa: €50. Overmaken op (attentie nieuw banknummer!): IBAN: NL97 TRIO 0379 4947 87 t.n.v. Meurs A.M. Amsterdam ovv Uw adres. Of mail naar: hetwerkliterair@hotmail.com
Ik kwam in 1965 het huis in de Prins Hendrikstraat in Eindhoven binnen waar ik sinds kort assistent, manusje van alles, was van een vertaler. Ik was nog maar een paar treden de trap op toen ik inhield. Boven in huis klonk vanuit een zolderkamertje waarvan de deur open moest staan, een door merg en been gaande song. Zes minuten lang, weet ik achteraf, bleef ik doodstil op de trap staan luisteren. Het bleek LIKE A ROLLING STONE van Bob Dylan te zijn. Zonder geluid sloop ik verder de trap op en sloot geruisloos de deur van het kamertje op de 1e verdieping dat als kantoor diende achter me.
Let op de beelden die Dylan van Rome en Brussel oproept in de song When I paint my masterpiece, die ik steeds in mijn hoofd had toen ik 50 jaar later door Rome liep.
Het Perspectief (ROME, met in mijn hoofd When I paint my masterpiece (and Botticelli’s niece, zie link naar de song onderaan.)
<Net door de poort onder de gebouwen door, met in mijn hoofd voortdurend de Bob Dylan song ‘When I paint my masterpiece’, realiseerde ik me schrikkend dat ik een militair in een kantoortje was gepasseerd, en dat wat ik eerst voor ‘hallo’ had gehouden ook ‘halt!’ kon geweest zijn, en hield ik met ingetrokken nek mijn pas in, voor de zekerheid, en ook om vooral niet de indruk te wekken dat ik voor dat ‘halt!’ wegvluchtte, wat dodelijk kon zijn. Er gebeurde niets, het moest ‘hallo’ geweest zijn. Op de vraag van de receptioniste of ik professor, wetenschapper, leraar, schrijver, of tenminste journalist was, durfde ik niet te zeggen ‘schrijver’ en probeerde mijn lafheid te verbergen met het grapje ‘allemaal’. De receptioniste schonk me goedmoedig de korting. Naast de receptie stond op een paar meter afstand een opvallend klein vrouwtje me al een tijdje toe te lachen telkens wanneer ik in haar richting keek. De gids is een gidsje, dacht ik, van ongeveer 50 jaar oud en niet groter dan 145 centimeter. In een uniformpje met een zwarte rok en een blauwe blouse, met zwart gelakte schoenen en glad donker geverfd haar. Ze droeg een zwart gerande bril. Ze glimlachte steeds en sprak alleen Italiaans. Ze stapte met afgemeten passen voor me uit, keek telkens om of ik volgde. Ze hield de zware deur met haar kleine lijfje open en zei ‘grazie’ wanneer ik de deur van haar overnam. Ze bracht me naar de overkant van een binnenplaatsje, draaide dan op haar hakken naar rechts en maakte een armgebaar in de richting van ‘Het perspectief’. We bevonden ons 10 meter van een zuilengalerij met daarachter een pad tussen rechthoekig geschoren hagen met op het einde het beeld van een Romein met helm. De afstand tot de Romein leek 100 meter, hij leek 1 meter 80. Maar ik had gelezen dat het geheel niet meer dan 9 meter diep was en de Romein nog geen 90 centimeter hoog. ‘Unbelievable,’ zei ik zoals van me verwacht werd tot het vrouwtje. Zij glimlachte stralend. Op het binnenplaatsje stonden twee rijk beladen sinaasappelbomen. En er waren minstens twee katten. In de boom zat een vogel die schreeuwend de kat uitdaagde. Die sprong dan tegen de boom terwijl de sinaasappels vielen. Het vrouwtje bracht me naarbinnen, naar de zalen met honderden jaren oude schilderijen, tafels, kasten, vazen en beelden. Een oude man en vrouw verwelkomden me. De man wees naar een stapel catalogi in verschillende talen. Elke kleine zaal had een eigen stapel. Mijn oog viel meteen op een schilderij van een kardinaal in een fel rood kleed. Het kwam me bekend voor. Het moest ergens voor gebruikt zijn, een boek of een film. Als ik naar de schilderijen van de Vlaamse en Hollandse schilders keek, viel me op dat ze opvallend helder en scherp waren geschilderd. Toen ik moe van een hele dag lopen op een bank onder een raam had plaatsgenomen kwam een jonge vrouw de luiken sluiten en moest om ze te vergrendelen op een stoel gaan staan om bij het haakje te kunnen. Terwijl zij zich rekte stond plotseling het gidsje in de deuropening en rekte zich schijnbaar onwillekeurig met de vrouw mee. Betrapt draaide het kleine vrouwtje zich dan bruusk om en verdween. In de poort groette ik luid de militair. Met opnieuw het lied van Bob Dylan in mijn hoofd dacht ik aan het kleine gidsje. Nu iedereen weg was en het licht nog goed installeerde het vrouwtje op het binnenplaatsje een camera met zelfontspanner, bukte zich maar een heel klein beetje om onder het koord voor de Prospettiva door te gaan en stelde zich op achter de Romein op het eind van het plantsoentje. Met haar 145 centimeter torende ze hoog uit boven de nog geen 90 centimeter van de Romein. Op de foto keek ze die avond naar een diepe galerij met daarachter een plantsoen en op wel 100 meter afstand een grote stoere krijger met achter hem een reuzin. Ik zong zacht hardop: ‘Everything will be different, when I paint my masterpiece.’>
Bij de afbeelding van Ufuk Kobas: ‘Zijn moeder doet zijn schoenen en kleren uit en laat deze in de emmer achter terwijl ze hem naakt in een andere emmer zet.’
Zoveel over mijn moeder geschreven, tientallen bladzijden als model voor Anneke in Aan de Lange Weg, maar ook indirect in de dood van de moeder van De oude soldaat in het toneelstuk SREBRENICA OF DE MANDAAD… En dan komt het er op Moederdag 2021 niet van. Alsnog:
Uit JANTJE EN DE STOK:
<(…) Dan is het al weer terug, de drang wordt erger, hij moet helemaal stilstaan en zich over de kramp in zijn darmen buigen. Daar zijn de jongens, ze zullen hem niet inhalen, wat er ook gebeurt!, en hij gaat verder, kijkt nog één keer naar een plekje waar hij ongezien kan neerduiken, maar daar is het weer, hij zou nu moeten stilstaan en zijn aars dichtknijpen, maar hij hoort de jongens en doet het niet, hij richt zich op om harder te rennen, gooit alles los en tegelijk ploft, spat het in zijn broek als een bevrijding en loopt meteen langs zijn blote benen naar beneden. Maar zij zullen het niet zien! Terwijl hij blijft draven, bukt hij zich en trekt een bos droog gras los, waarmee hij tijdens het lopen langs zijn benen wrijft. Hij komt zo dadelijk uit het pad, zal de Lange Weg moeten oversteken, dan mag er weinig te zien zijn, en hij begint zich voor te bereiden op de verwijten die hij zal te horen krijgen. Als er een nieuwe golf over zijn benen spuit, beseft hij de hopeloosheid van alles wat hij probeert en begint, terwijl hij thuis achterom loopt, te huilen en te roepen: “Mama, ik heb in mijn broek gepoept en kon er niets aan doen.” Misschien is iemand hem op de fiets voorbij gereden en heeft die zijn moeder gewaarschuwd, want er staat onder de lindeboom een emmer met water klaar, waar hij met kleren en schoenen in moet gaan staan. Moeder Anneke jaagt de kinderen weg die grinnikend om de hoek komen kijken. “Maar we komen schommelen,” zeggen ze. “Nou niet,” zegt zijn moeder kortaf en vraagt aan hem waarom hij zo`n schijterd is dat hij op school niet durft te vragen of hij naar de wc mag en waarom hij dan niet meteen ná school gaat. Zijn moeder doet zijn schoenen en kleren uit en laat deze in de emmer achter terwijl ze hem naakt in een andere emmer zet. Hij kijkt even of er geen kinderen zijn, maar kan haar toch niet vertellen dat hij bang was dat de jongens hem zouden opwachten, hem tot een gevecht uitdagen dat hij niet kon winnen en hem pesten met wat in de klas was gebeurd. Maar terwijl hij in de emmer staat en zijn moeder hem wast, glimlacht hij opeens, opgelucht met het besluit dat hij zojuist heeft genomen, namelijk nooit te trouwen, omdat je daarvoor een meisje moet vragen, en om zich als een kluizenaar van alles en iedereen af te zonderen, of om in ieder geval naar Afrika te gaan, waar hij doorlopend zo roodbruin verbrand zal zijn dat niemand ziet wanneer hij van kleur verandert. En blij met deze oplossing kijkt hij met glanzende ogen en een blos op zijn wangen langs zijn moeder heen de hof in.>
(Uit: Aan de Lange Weg) Het hele hoofdstuk JANTJE EN DE STOK: https://meursam.nl/?p=1023. Met illustratie van Ufuk Kobas, foto van de jongensschool in de Schoolstraat en landkaartje van Peter Dillen met het ‘paaike’ tussen de Langendijk (Provincialeweg) en de Broekweg tegenover de Schoolstraat in #meerveldhoven.
(In Gekke Familie, deel 1 van Aan de Lange Weg, zijn de 3 hoofdvertelsters Anneke (Meerveldhoven zoals het was, haar schoonzusje Josje(Veldhoven zoals het was) en haar halfzuster Bet(Zeelst zoals het was). Maar ook in het tweede deel VREEMDE BUREN duikt Anneke nog vaak op, zoals hier op het einde van het hoofdstuk JANTJE EN DE STOK)
(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was en Zeelst zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)
Harry zagen we in de oorlog niet vaak thuis. Hij moest in verband met de arbeidsdienst uit handen van de Duitsers zien te blijven, hij zat een tijd ondergedoken in Drenthe, terwijl Cor en zijn broer uit Drenthe juist weer hier in Brabant ondergedoken zaten. Harry slachtte illegaal bij de boeren in de omgeving. Tot het fout ging en hij in concentratiekamp Vught terechtkwam. Of hij daaruit ontsnapt is of dat ze hem hebben vrijgelaten, weet ik niet, hij kwam er in ieder geval vel over been uit. Nu is hij druk met het opbrengen van collaborateurs. Als hij thuis komt, moet een van ons aardappelen voor hem bakken, want hij eet niets anders dan gebakken aardappelen, nauwelijks vlees. Vreemd voor een slager, zou je zeggen.
Ik maak me weer eens ongerust over Ferrie. Hij reed eerst rond in een Rode Kruiswagen. Goed, dat is zijn werk. Maar nu heeft hij het voor elkaar dat dokter Wouters in de Rode Kruiswagen rijdt en hijzelf in de auto van de dokter. Zo schijnen ze allebei goedkoop aan benzine te kunnen komen. En Ferrie vindt het natuurlijk prachtig in een luxe auto te kunnen rijden. Maar dat is niet waar ik me het meest ongerust over maak. Hij is stapelgek op een mysterieuze vrouw die opeens is opgedoken en die alleen Engels spreekt en van iedereen geld leent. En nu willen ze nog gaan trouwen ook. Het ergst vind ik nog dat ze zo vaak bij ons op de meisjeskamer blijft slapen. Ik vertrouw haar voor geen cent.
“Wat
ben je onrustig,” zeg ik. “Een vrouw van de wereld als jij.” Ik praat Engels
maar slecht Engels, eigenlijk gooi ik er alleen maar zo nu en dan een woordje min
of meer Engels tussendoor, zoals iedereen van wie ze geld geleend heeft en die
ze toch heel goed duidelijk heeft kunnen maken wat ze wil. En ze verstaat me
prima, weet ik, al doet ze net of ze niets verstaat als we onder elkaar praten
en dat woordje Engels er niet tussendoor gooien.
“’t Is vast niet je eerste huwelijk,”
zeg ik. “Waarom moet jij nou nog zenuwachtig zijn? ’t Is maar met een
boerenpummel dat je vandaag trouwt. Wil je soms helpen om alles voor de plechtigheid
in gereedheid te brengen? Nou, dat is al lang voor elkaar hoor. De rode loper
ligt al vanaf het hotel dwars over straat naar de kerk aan de overkant. Moet je
soms ergens anders voor weg?”
Dan zegt mijn zus Ria: “Ik ben het
die weg moet. Ik moet naar de mis maar ik kan niet want ik heb vreselijke
buikpijn.”
“Je hebt straks meer dan mis genoeg,”
zeg ik, “als deze deftige dame hier met onze onnozele broer in het huwelijk
treedt. Dat wordt een plechtigheid waar dat vroegmisje van jou niet tegenop
kan.”
“Je begrijpt het niet,” zegt Ria. “Die
mis straks is er een voor haar en onze broer. Die van nu is er een speciaal
voor mij, een Maria-mis. Ik heet Maria, weet je nog?”
“Zal ik voor jou gaan?” zegt de
deftige Engelse dame gretig. “Ik kan op zo`n dag wel wat extra gebeden
gebruiken.”
Ze zegt het in het Engels en wat
simpeler, we begrijpen het prima. Zowel zij als mijn zus gaan elke dag naar de
kerk, mijn zus lijkt geen betere vervangster te kunnen treffen. En zo geraakt
de aanstaande bruid toch de deur uit en leent in de gauwigheid even mijn hoed
en sjaal.
Maar een paar maanden later vind ik haar, de Engelse spionne zoals ze wordt genoemd, én mijn hoed en sjaal terug op het politiebureau. Ze ziet er goed uit, slank, en ze spreekt nu opeens vloeiend Nederlands. Ik sta daar samen met ons melkboertje in zijn grijze melkboerenjasje en op zijn klompen, van hem heeft ze namelijk ook geld geleend. Ik ben een van de weinigen van wie ze geen geld geleend heeft, alleen maar een hoed en een sjaal. Waarom ben ik daar dan? Toch niet voor die hoed en sjaal. Ik had gehoord dat ze in Amsterdam was opgepakt en in Eindhoven vast zat wegens oplichterij. Ik wilde haar gewoon eens zien in haar huidige situatie en haar nog eens vertellen dat ik haar nooit had vertrouwd en dat ze mijn broer Ferrie lelijk had laten zitten maar dat dat mij niks had verbaasd. Ik was weer eens uit op sensatie, denk ik.
“Bad boy,” zegt ze als ik over
Ferrie begin. Het heeft wel iets, vind ik, zoals ik daar sta met die
oplichtster die het allemaal lichamelijk geen kwaad lijkt te hebben gedaan en
dat melkboertje dat nog een keer zegt: “En mijn geld?” maar ook wel begint te begrijpen
dat hij er naar kan fluiten.
Vooraanstaande Philipsmensen waren
erin getrapt, dus niet alleen onze familie en mensen uit het dorp. Mijn broer
Harry die op collaborateurs en spionnen jaagt was er ingetrapt. Zelfs mijn
zwager in Gelderland, die net als mijn broer Leo in verzekeringen doet maar op
een heel andere manier, en die al heel wat mensen een verzekering heeft aangesmeerd
die ze niet nodig hebben en die bovendien niet van de borsten van zijn
schoonzusjes kan afblijven. De halve Lange Weg had geld aan haar geleend en we
gingen met zijn allen naar het Engelse consulaat om dat geld terug te halen.
Veel meer dan de informatie dat ze de identiteit had aangenomen van een Engelse
van adel waarmee ze in de cel had gezeten, kregen we niet. Maar ik vond het
heel interessant, nu begreep ik hoe ze aan die documenten kwam. Ze kreeg extra
voedselbonnen, met een stempel van het consulaat. Ze zou een erfenis uit
Engeland krijgen, had ze iedereen verteld, maar eerst moest ze nog…
Ik had wel te doen met Ferrie.
Hoewel ik hem vaak had gewaarschuwd. Hij huilde en jammerde toen ze niet terugkwam
uit de kerk. Hij had alles betaald. Daar stond de hele familie op haar paasbest
bij de rode loper die dwars over de weg vanaf het hotel tot aan de kerkdeur
lag. Ferrie ging zoeken bij de Dommel, hoewel we hoorden dat iemand haar in een
auto had zien stappen. Een ongeluk, een vermissing, zelfmoord? Wij zoeken
altijd bij de Dommel, dat schijnbaar onschuldige riviertje, maar dat op enkele
plaatsen venijnig diep schijnt te zijn, om over de levensgevaarlijke
draaikolken in sommige bochten maar niet te spreken. Ook toen Ferrie gehoord
had dat ze gearresteerd was, zei hij nog steeds van haar te houden, van zijn
geliefde die met haar ogen dicht typte en zeven talen kende. Maar geen Nederlands
in de tijd dat ze bij ons thuis kwam.
Ik moet er wel om lachen. Zoals ik
al zei: het meest last heb ik nog gehad van het feit dat ze altijd bij ons op
de meisjeskamer moest slapen als Ferrie haar mee naar huis nam.
Ferrie is er trouwens ook al
overheen, hij bracht gisteren achter op de motor vanuit Nijmegen een meisje van
zeventien met een heel kort rokje mee naar huis. Daar gaat hij nu, op zijn
negenentwintigste, mee trouwen, zegt hij. Ze heeft al bij ons op de
meisjeskamer geslapen.
Nu de oorlog voorbij is, blijkt het toch allemaal niet
zo eenvoudig, voor mij en voor mijn zus Ria tenminste. Voor Ferrie wel, voor
hem was het leven altijd simpel geweest. Hij trouwt binnen de kortste keren met
het meisje van zeventien met het korte rokje waar iedereen het over had: hoe ze
zo achter op de motor en bij ons op de divan durfde zitten!
“Dat kan toch niet!” Ria is me
achterna gelopen naar de keuken. “Je kijkt door haar keelholte weer naar
buiten.” Ze is een beetje vroom en een beetje preuts, mijn zus Ria.
“Ik kan me er niet druk over maken,”
zeg ik, “wij kunnen er toch wel tegen? En ik kan me niet voorstellen dat Ferrie
iets ziet dat hij al niet eerder gezien heeft, en wat betreft vader: gun die
ouwe ook eens wat!”
“Ik geef die twee zes weken,” zei een buurvrouw die er kijk op had. En inderdaad trouwen ze binnen een paar maanden, maar Ferrie is ook al negenentwintig en dan heb je geen zin om lang te wachten, ook al is zij pas zeventien. De baby is een meisje.
(uit <VELDHOVEN 4000 jaar geschiedenis van Oerle, Meerveldhoven, Veldhoven en Zeelst> door Jacques Bijnen
Voor
wíj trouwen wil Cor katholiek worden.
“Twee geloven op één kussen, daar
slaapt de duivel tussen,” zegt de pastoor. Maar als ik dan zeg: “O, dan word ik
maar niks of protestant” – ik weet niet eens wat ze bij Cor thuis eigenlijk
zijn – dan is dat ook weer niet goed, het mag blijkbaar maar één kant op
gebruikt worden. Voor mij hoeft het niet, voor mij mag hij blijven zoals hij
is, maar katholiek worden maakt het trouwen en de discussie in de familie wel
eenvoudiger. Er gaat wel weer een tijd overheen voor Cor genoeg weet over het
geloof om toegelaten te worden. Nou, als ze mij al die dingen zouden vragen,
zou ik ze ook niet weten, dus wat doet die pastoor nou allemaal moeilijk. Het
gaat er toch om hoe je vanbinnen bent, of niet soms?
Het is dus allemaal niet zo
eenvoudig. Als ik trouw en het huis uit ga, blijft Ria achter om voor vader en
het huishouden te zorgen, terwijl zij ouder is en dus eigenlijk het eerste
recht heeft om te trouwen. Maar ze wil voor het zover is nog wat van het leven
genieten, ze vindt dat ze daar in de oorlog te weinig kans voor heeft gehad. En
voor de oorlog was het crisistijd en zijn we van Gelderland naar Brabant
verhuisd net toen zij de leeftijd begon te krijgen om uit te gaan. Nee, Ria wil
nog een poosje lekker gaan dansen, ze is gek op jongens met zwart haar.
We gaan altijd samen, zeker als we
naar de stad gaan. Het zijn nu allemaal Engelsen en Canadezen in de danszalen.
Een Canadees blijft maar “Prommes?” aan me vragen. Ik versta er niks van. Ik
vraag aan iemand wat “prommes?” betekent. Dan begrijp ik dat ik had moeten
beloven dat hij me zou terugzien. Cor komt daar ook wel, maar vaak wat later.
Met hem dans ik ook, maar het gaat toch niet zo goed als met sommige anderen.
Ik houd er vooral van om met jongens die dat goed kunnen de Engelse wals te
dansen.
Engelse wals mocht je in de oorlog
niet zeggen, je moest zeggen: langzame wals. Maar je versprak je natuurlijk wel
eens. Ook liet ik me wel eens iets ontvallen als “Die rotmof!” en dan stond er
weer zo eentje naast je met een speldje achter zijn revers. De Duitse soldaten
sloegen gretig, nee niet met knuppels, dat deden ze wel bij andere soldaten of
bij dronken Nederlanders die de boel op stelten zetten. Nee, het liefst met de
vlakke hand tegen je kont, dat deden ze graag, dat vonden ze zeker lekker. Och,
dacht ik dan, het is maar tegen mijn kont, dat gaat wel weer over. Ik hield er
nu eenmaal van om een grapje te maken en streken uit te halen. Ria was altijd
al serieuzer, maar ze lachte meestal wel als ik iets uithaalde.
Je kon alleen in het begin van de
oorlog nog in het patronaat dansen. Daar dansten ook Duitse soldaten die in het
patronaat of bij de mensen thuis ingekwartierd lagen. Ik kwam er een Duitser
tegen die iemand kende uit mijn geboortedorp aan de Duitse grens en die me eten
bezorgde. Maar daar kregen Ria en ik ook de naam dat we niet met Duitsers
wilden dansen. Terwijl we alleen maar geweigerd hadden omdat we net hadden
afgesproken om de volgende dans samen te doen. We dansten vaak samen.
Maar dat dansen was alleen in het
begin van de oorlog. Daarna kon je alleen nog in Duitse gelegenheden terecht en
daar wilden we niet naar toe. Hoewel ik me voor de rest niet zo bewust was van
wat er allemaal gebeurde, ik hield meer van flauwekul maken. Ik had het bijvoorbeeld
niet door wat het betekende toen de Duitser Knal, die bij ons ingekwartierd
was, zei dat er iets gebeurd was op het vliegveld en eraan toevoegde: “So ein
ganz kleiner Judenbengel hat Steine geworfen.”
Vóór de oorlog ging ik nog niet
dansen. Vader liet me niet gaan. Bovendien zag ik er een stuk jonger uit dan ik
in werkelijkheid was. Dus dansen was er jarenlang niet bij geweest. Je kwam als
jongere in de oorlog wel bij Leens Cafetaria. Dat was waar ik voor de deur door
de zoon van de geitenboer, net als zijn vader een NSB’er, in elkaar was geslagen.
Bij de bevrijding heeft mijn broer Harry die bij de PAN, de partizanen, was,
de geitenboer opgehaald, deze kwam net met een koe uit de wei. Harry heeft veel
collaborateurs opgebracht en waarschijnlijk daarom dacht vrouw Nieuwenhuis dat
hij ook de hand had gehad in de arrestatie van haar man. Ze riep: “Bedankt,
hoor!” toen hij voorbij fietste.
“Niks te danken!” riep hij terug, maar hij wist niet
wat zij bedoelde. En ook ik had Nieuwenhuis niet aangegeven, hoewel hij op het
vliegveld voor de Duitsers had gewerkt en mij bij de fietstocht naar het werk
in de stad vaak getreiterd had met de superioriteit van de Duitsers en zich
Neuenhaus noemde en mij bij de bevrijding een kunstje had geflikt. Ik zou dat
nooit doen, een vader van zo`n groot gezin, met al die kinderen thuis, ik kan
er wel om janken als ik eraan denk. Nee, ik zou zoiets nooit doen. En Harry ook
niet. Bovendien was een van de zoons van Nieuwenhuis zelf bij de PAN.
Maar
nu kunnen we volop dansen, Ria en ik, we gaan de danszalen af en genieten. Nu,
al boven de vijfentwintig, zijn we eindelijk jong. Cor en ik kunnen nog niet
trouwen en Ria wil nog geen verkering, laat staan dat ze wil trouwen. We
genieten van onze jeugd, van onze lichamen. Ria loopt op zeer hoge hakken, ik
heb dat nooit goed gekund, dus doe het met wat minder. Het is de tijd van
jurken met blote schouders, van de dunne schouderbandjes, soms wel drie paar,
van je jurk, je onderjurk en je bustehouder. BH zei je toen nog niet. Tijdens
het dansen vallen de bandjes van je schouder.
“Bandenpech!” grappen de jongens. We
willen onze okselharen scheren, maar we weten dat vader dat niet goed zal vinden.
Bovendien schijnt het erg ongezond te zijn.
Twee jaar lang genieten we.
Natuurlijk, we gaan ook naar ons werk en doen het huishouden, zorgen voor
vader, en gaan helpen bij onze broers en zusters als er kinderen worden geboren.
Dat zijn er veel in die eerste jaren na de oorlog, dat is bekend. En wij waren
thuis al met ons tienen. Ik blijf meestal in de buurt, zoals bij Anneke en Leo
en bij Harry en zijn vrouw Mia. Ria zit vaak wekenlang in Gelderland. Maar ze
probeert toch in de weekeinden thuis te zijn en dan gaan we op stap.
De
pret is opeens voorbij als ik zwanger raak. Van één keer! Natuurlijk was het al
die jaren niet makkelijk geweest, zeker voor Cor niet toen ons huwelijk steeds
uitgesteld werd, maar we hadden het nooit gedaan. Tot er iets in Cor zijn
familie gebeurde waardoor hij erg in de put zat, wekenlang. Toen heb ik hem
willen troosten. Met het bekende gevolg. Het zou nog niet zo erg geweest zijn
als niet heel de familie er doodziek van was geweest. Cor krijgt van iedereen
te horen: hoe heb je dat nu kunnen doen! En hij begint dan steevast te huilen.
Kortom, een drama omdat iedereen het zo opklopt.
Het slaat ook over op mij. Het is
lente, maar geen vrolijke lente. Het groen is overal onbeschaamd opgeschoten,
het is veel te fel groen, bijna blauw. Ik heb een hekel aan mijn lichaam. Ik
verafschuw mijn eigen geur. Ik haat het schaamhaar dat uit mijn directoire
krult. Wat een naam, directoire, bah, ik kan er niet om lachen. Ik zweet, natte
slierten onder mijn oksels. Vooral haat ik mijn dikke buik. Hoe heeft het zover
kunnen komen!
Ik zit bij Cor achterop de fiets en
wil eraf springen, recht onder de vrachtwagen die aan komt rijden. Cor voelt
het en pakt mijn arm vast.
“Niet doen,” zegt hij, “ik kan je
niet missen, we komen hier samen doorheen.”
Vanaf dat moment ben ik er eigenlijk
overheen. Het zijn niet wijzelf, denk ik, die er mee zitten, het is wat we ons
door anderen aan laten praten.
Alleen juist de preutse en vrome Ria
heeft me al die tijd gesteund. Maar door al het gedoe, eerst Ria die eigenlijk
vóór mij zou moeten trouwen maar liever nog wat van haar jeugd wil genieten,
vervolgens de voorwaarde dat Cor eerst een volwaardig katholiek moet worden, is
ons huwelijk wel erg lang uitgesteld. Dan komt ook nog mijn vader te
overlijden. Tien dagen na zijn dood trouwen we dan eindelijk. Drie maanden
later krijgen we een flinke dochter.
Als er nog iemand in het Dorp Aan de
Lange Weg is die niet weet dat ons huwelijk een moetje is, dan weet die het nu.
Want als onze dochter geboren wordt, komt burgemeester Van Tuin – ja, hij nog
steeds – haar huldigen, is er feest en natuurlijk een wielerwedstrijd, want ons
kind is de tienduizendste inwoner van de gemeente. Hiephiephoera!
En
eigenlijk valt er hierna over mij niet meer zoveel te vertellen. Ik krijg in
vijftien jaar elf kinderen. Cor is een ideale, geëmancipeerde echtgenoot, al
voordat dat woord bestond. We hadden geen kind minder willen hebben. Iedereen
blijft gezond en we lachen erg veel in ons grote gezin.
Het drama waar ik het nog over wil
hebben begint in Gelderland, ruim een jaar na de geboorte van mijn eerste kind.
Ria is in huis bij een van onze zussen die een baby heeft gehad. Die zus
overlijdt aan trombose, tien dagen na de geboorte. Trombose? Iedereen krijgt
trombose, wie overlijdt er nu aan trombose! Ik ben woedend.
Ria blijft plichtsgetrouw het
moederloze gezin van zes kinderen ondersteunen. Zo nu en dan komt ze een weekeind
naar huis om op adem te komen, huilt bij mij uit en gaat met lood in de
schoenen terug naar Gelderland. Haar jeugd is voorbij en de jongens met zwart
haar zijn volkomen uit beeld. Toch hoopt ze de eerste jaren nog dat, als de
kinderen wat groter zijn, ze weer haar eigen leven kan gaan leiden, want
natuurlijk houdt ze van die kinderen die ze nu grootbrengt maar toch…
Ze helpt jarenlang zo plichtsgetrouw dat haar zwager bij wie ze in huis is gaat denken dat ze het voor hem doet. Ontkennen helpt niet, hij is ervan overtuigd dat hij helemaal aan haar wens voldoet als hij haar ten huwelijk vraagt. Na maanden huilen tijdens de weekeinden in Brabant stemt ze toe. Nog kan ik in janken uitbarsten van medelijden als ik eraan denk hoe op haar eenendertigste het leven met mijn zus aan de haal is gegaan. Ze sterft op haar tweeënvijftigste.
DE
VROUWEN VAN DE EERSTE HUIZEN in OP DE THEE BIJ ANNEKE
Als je meer wilt weten, moet je het aan boer Vrieskens vragen die daar
tegenover woont en van wie het land was dat tussen hem en de Lange Weg ligt.
Hij schijnt het voor een goede prijs aan de gemeente verkocht te hebben. En
zelf mag hij aan de zuidkant van het dorp voor een appel en een ei opnieuw
gaan boeren. Ze hebben voor die boeren zelfs de Run gekanaliseerd.
Maar als je nog meer wil weten, kun
je het ook aan die mannen in de korte broek vragen die, als ze niet
rondfietsen, bij hotel/café Den Os zitten. Die mannen lijken het er niet zo mee
eens te zijn. Zeker niet nu ze ontdekt hebben dat een van die boeren voor wie de
gemeente zoveel kosten heeft gemaakt, gewoon een grote schuur met honderden
varkens heeft neergezet en alleen nog maar wat maïs en bieten verbouwt en zijn
mest niet kwijt kan, en dat soms opeens de sloten daar in de buurt keihard
beginnen te stromen – een nieuwe omlegging van de Gender, denk je eerst nog – maar
de boer is bezig zijn gierkelders leeg te pompen.
(UIT
OP CAFÉ EEN, De bezoekers van hotel/café Den Os aan het woord)
Teun is niet de enige, er zijn meer van die fietsers. Maar die zijn wat meer
verdacht. Die dragen vaak een korte broek en dat vinden we gek bij ons in het
dorp. Niet dat ze bij hotel/café Den Os ooit iemand lastig vallen – ze zouden
het bij de vaste bezoekers al niet moeten proberen! – maar we vermoeden toch
dat ze op de fiets en met die korte broek achter de jongens aan zitten. Waarom
anders die korte broek?
Maar ze weten alles, de fietsers,
alles van en rond het dorp. Van de Gender, de nieuwe en de oude. En zoals
iedereen die hem gekend heeft zweren ze bij de oude Gender, die van voor de
omlegging. Daar zat nog vanalles in, die leefde nog. Er zijn nog een paar
stukken van over, na hevige regen staat er soms zelfs weer wat water in. De
nieuwe Gender is alleen op zondag, wanneer de wasserijen en weverijen stil
liggen, nog tamelijk helder. Dan heb je in een strenge winter zelfs kans dat
hij nog bevriest en kun je erover naar de Leef schaatsen, de ijsbaan tegenover
de steenfabriek richting stad. Wel zie je ook op zondag, als het grijsblauw van
het afvalwater van de fabrieken hem niet verkleurt, dat de Gender steeds
bruiner wordt. IJzer waarschijnlijk. Dat heb je met die omleggingen! zeggen de
fietsers.
Ze weten dus alles, die mannen op de
fiets. Van de ruilverkaveling, de boeren die vanuit de dorpskernen en de noord-
en westkant van de gemeente naar het natte zuiden verhuizen, naar het gebied
van de Dommel, de Run en Gender. Want, weten ze te vertellen, er komen nog veel
meer nieuwe wijken. En in het zuiden komen de boerderijen en, wat dichterbij,
vlak achter de Lange Weg, de industrie. Van het hele natuurgebied tussen de
riviertjes blijft niks over. Voor de landbouw moet er gekanaliseerd en
ontwaterd worden. En voor loodsen en industriehallen moet er ontwaterd en
opgehoogd worden. Kijk, dat die boerderijen in het zuiden komen, dat begrijpen
de fietsers wel, het was altijd al het vruchtbaarste gebied van de gemeente,
zij het vaak te nat. Nat en zompig, noemen de mensen die aan de Lange Weg wonen
het Broekland, waar de huizen vochtig zijn en de mensen klein en achterlijk
blijven. Dat was het beeld, maar met de moderne methoden moet dat kunnen
worden opgelost. Maar wat die industrie daar doet, begrijpen de mannen op de
fiets niet. Omdat er traditioneel al industrie was aan de zuidkant van de Lange
Weg? Vanwege de Gender die schoon water aanvoerde en vuil water afvoerde? Maar dat
is toch achterhaald, daar heb je toch pompen en riolering voor tegenwoordig! De
fietsers verklaren het gemeentebestuur voor gek en voor slaaf van Philips en
van Eindhoven. Dat is precies wat oud-burgemeester Van Tuin altijd heeft
tegengehouden, zeggen de fietsers. Je zou bijna terugverlangen naar de tijd dat
die godsdienstgek het hier voor het zeggen had. Als die terug zou komen en een
dam zou opwerpen tegen al die ‘vooruitgang’, dan mocht hij wat hen betreft ook
heilig verklaard worden, net als Pius X.
Maar de meeste fietsers mogen met hun korte broek dan wel modern willen doen, het zijn toch flikkers die tegen de vooruitgang zijn, zeggen we bij hotel/café Den Os. En wat betreft Teun, die versta je niet en is gewoon gek. (uit Aan de Lange Weg van Meurs A.M.)
Mijn moeder Nelleke Meurs-Saris in verzorgingshuis De #Merefelt in #Veldhoven. Toen ze overleed keek ik ook naar die handen. En een paar jaar later liet ik een oudere militair in een toneelstuk zeggen: <Mijn moeder kreeg steeds meer een vogelkopje toen ze op sterven lag. Ten slotte lag er een dood vogeltje. Maar haar hand, waarmee ze me kort tevoren nog geknepen had, lag daar ijzersterk op de rand van het bed, als de poot van oude, taaie kip.> (uit Srebrenica of de mandaad). In het verhaal hieronder woont ze nog als Anneke Aan de Lange Weg. De oorlog is in het Zuiden van Nederland voorbij, zoon Jantje is nog een zuigeling en kleuter Tonnie ligt met tbc in het sanatorium in Tilburg.
Tonnie heeft haar eigen ledikantje moeten meenemen naar het sanatorium in Tilburg. Er is nog aan vanalles gebrek, ook aan bedden. Leo had het al van tevoren met de lijnbus meegegeven, dat wil zeggen eerst uit elkaar gehaald en dan de bodem en de poten en de kanten op elkaar gelegd en op zijn precieze manier met touwtjes aan elkaar gebonden. En de chauffeur kreeg behalve de normale vrachtprijs ook instructies waar hij het af moest geven en bovendien een fooitje. Leo keek de bus na, eigenlijk vond hij dat hij er zelf bij moest blijven wilde het allemaal goed gaan.
De volgende dag stapten wij zelf met Tonnie en twee kartonnen koffers op de bus. Ze was wel normaal aangekleed en kon ook wel lopen maar ze moest toch veel gedragen worden, ze was gewoon te ziek.
En ik sjouw met Jantje en Rietje, die anderhalf jaar na hem geboren is en Hennie die weer anderhalf jaar daarna geboren wordt, steeds naar het consultatiebureau in het patronaat. Niet alleen voor de normale controle op gewicht en de prikken tegen pokken en mazelen, maar steeds weer om te laten constateren dat geen van de andere kinderen tbc heeft. Hoewel ze er wel mee in aanraking zijn geweest, want het kruisje op hun arm wordt een grote rode vlek, een bult zou je het zelfs kunnen noemen, want het oppervlak is duidelijk verhoogd.
Maar dat is een goed ding, leg ik aan iedereen uit, die kleine besmetting, want daardoor kunnen mijn kinderen nooit van hun leven meer tbc krijgen. Je kunt die kleine besmetting eigenlijk beschouwen als een inenting tegen tbc, zoals die prikken tegen mazelen en pokken… als de vrouwen begrijpen wat ik bedoel. Zodat het rood opgekomen kruisje bij mijn kinderen eigenlijk beter is dan het niet opgekomen kruisje bij andere kinderen. Want het niet opgekomen kruisje wil weliswaar zeggen dat die kinderen geen tbc hebben, maar dat is maar een momentopname, dat is geen enkele garantie dat ze het niet elk moment kunnen krijgen. Wat niet wil zeggen, zeg ik, dat een opgekomen kruisje altijd iets goeds is, natuurlijk niet, maar in het geval van mijn kinderen wel, snappen jullie? zeg ik.
Leo is nu nog meer van huis. Er is geen avondklok meer die er voor zorgde dat hij meestal voor die tijd thuis was, bovendien gaat hij een keer per week op de fiets naar het sanatorium in Tilburg. Dat kost een hele dag en die moet voor zijn verzekeringswerk natuurlijk ingehaald worden. Hij zegt zelfs dat het eigenlijk niet in één dag kan, want dat de tijd dat hij bij Tonnie kan zijn dan niet de moeite waard is. Daarom blijft hij het liefst bij zijn neef in Hilvarenbeek slapen. Maar ik weet dat hij, als hij alle tijd van de wereld zou hebben dat ook zou doen, want die neef is een van de weinigen waar hij goed mee kan opschieten. Dus laat hij zich de gelegenheid niet ontnemen om daar eens een avondje te zitten ouwebetten.
Ik kan niet rondkomen van het geld dat hij verdient met de verzekeringen, ook al hebben we groente en fruit uit eigen hof. Een kind in het ziekenhuis kost ook extra. Elke zondag gaan we samen met de bus die kant op. We hebben dan wel kippen en een paar konijnen, de kruidenier en de slager moeten toch betaald worden, al mag ik dat één keer per drie maanden van de kinderbijslag doen. Leo heeft totaal geen besef wat dingen kosten. Hij telt zijn geld van de verzekeringen en begrijpt niet dat het niet veel voorstelt tegenover wat er allemaal in een gezin als dat van ons wordt uitgegeven. Hij noemt prijzen en zegt: “Dat kan goed een hele gulden kosten”, terwijl het dan bijvoorbeeld wel vier keer zoveel is geweest.
Maar nu hebben ze hem een varken aangepraat. Hij heeft het alleen nog maar over zult en spek en balkenbrij zoals ze dat vroeger bij hun thuis hadden. Hij vertelt wat ze volgens mij tegen hem gezegd hebben: “Je hebt toch een hof met groente en fruit en daarvan allerlei afval. Rot fruit en rotte aardappels eet het ook, dat vindt zo ‘n beest juist lekker! En die kinderen laten toch ook eten staan wat anders maar wordt weggegooid. Nou, dat eet dat varken allemaal, dat is een soort vleesmachine. Dat etensafval stop je erin en binnen een jaar krijg je er worst en ham en spek voor terug. In één jaar! Wat wil je nog meer! Aan de slager zul jij niet veel geld meer uitgeven.”
“Je hebt trouwens een broer die het varken kan slachten,” hebben ze tegen hem gezegd. “En je zusters zullen je helpen om het om te zetten in worst en vlees. Het hoeft allemaal niks te kosten.”
Ik weet het niet: kippen, konijnen, weer een varken erbij. Dat moet toch ook allemaal eten gegeven worden, en wie moet dat doen en wanneer?
Neem nou het omkeren van de granieten drinkbak van de kippen. Dat moet, want het water is na één dag modder. Die bak moet je optillen en dan omkieperen. Hem langzaam laten zakken, dat lukt je niet, daar is hij te zwaar voor. Maar als hij een beetje ongelukkig uit je handen glijdt, krijg je met een enorme plets de moddergolf recht tegen je aan, midden in je gezicht, om het over je kleren maar niet te hebben. En dan moet het ding weer worden teruggedraaid.
Wie plukt het gras voor al die beesten? De mensen in de buurt die wat handiger zijn snijden het gras, soms zelfs met een sikkel. Maar voor een scherp mes hoef je bij ons niet aan te komen, laat staan dat we een sikkel hebben. Zelf is hij er door de week niet voor het donker is. Ik ken wel een paar mensen met een varken, we zouden heus niet de enigen zijn, maar ik ken nog meer mensen zonder varken. En waarom moeten wij nou net weer bij degenen mét een varken zijn? God-zal-me-lazeren.
Al die beesten die gevoerd worden trekken toch ook weer ongedierte zoals ratten aan. En die hebben we al genoeg gehad of hebben we misschien nog wel. Ik zie hem nog op het hooischelfje boven de schuur bezig, helemaal buiten zichzelf, een kop zo rood als vuur, aan de riek in zijn hand een bloedende rat van een halve meter groot. Ze piepten, nee gilden, die beesten, en renden alle kanten op, sprongen naar beneden, waar ik op mijn beurt begon te gillen. En al heeft hij er dan een stuk of vier aan de riek gestoken, waar zijn degenen gebleven die ontsnapt zijn? Ik geloof er niks van dat er één kat in de buurt is die zo`n beest aan kan. Die zitten gewoon te wachten om terug te komen. Als ze er al niet zijn. Hij klimt heus niet elke week op de hooischelf met gevaar van er doorheen te vallen. Ik vind het maar niks al die beesten met die kleine kinderen, ik heb al genoeg te prakkiseren met Tonnie die moet worden geopereerd. Maar maak hem dat maar wijs.
Affiche van de #Vrijheidsschool (initiatief #Cineclub) oktober 1970
70 Jaar geleden werden ruim tienduizend ZuidMolukkers vanuit Indonesië per schip overgebracht naar Nederland. In het derde deel van de roman Mijn liefde is scharlakenrood van Meurs A.M. kijkt Kitty, inmiddels dakloos en verslaafd, vanuit 2003 terug op haar revolutionaire jaren. Hier vertelt ze hoe ze met een, eveneens jonge, ZuidMolukker in Amsterdam leuzen op de muren schildert tegen de komst van Soeharto naar Nederland.
Kitty
1970
Soeharto zou naar Nederland komen
en dat wilden we verhinderen. Soeharto was verantwoordelijk voor de moord op
700.000 communisten. De Zuid-Molukkers in Nederland hadden ook een appeltje met
hem te schillen, want ze wilden een onafhankelijk Ambon en vooral, hij had hun
leider, Soumokil, vermoord. Hoe konden we Soeharto bereiken en de indruk wekken dat het hier gevaarlijk voor
hem was? Door een provocerende leus op de muren te kalken, waar de pers over
zou schrijven en die hem op die manier zou bereiken nog voor hij uit Indonesië
zou zijn vertrokken. Want zo’n leus, al was die met nog zo’n koeienletters op
een kade in Amsterdam gekalkt waar elke dag tienduizenden mensen hem lazen, zou
hij natuurlijk nooit zelf onder ogen krijgen. Tenzij via een foto of een
artikel in een krant. En dat lukte! De kranten pikten het op, ze spraken er
schande van, van zo’n leus, de toon was gezet, en toen een dag voor het
geplande bezoek ook nog eens drieëndertig Zuid-Molukse jongeren de Indonesische
ambassade in Wassenaar bezetten, waarbij een agent die op wacht stond werd
gedood door een kogel – hoe dat gebeurde bleef onduidelijk – werd het bezoek
van drie dagen teruggebracht naar één dag en in Amsterdam kwam hij helemaal niet.
En zo lag
Jantje, het kleine Zuid-Molukkertje, daar op zijn buik koeien van letters
ondersteboven op die schuine kade tegenover het CS te kalken. De Zuid-Molukkers
zijn afstammelingen van stoer soldatenvolk maar als ik naar dat kleine Jantje
keek leken de afstammelingen een stuk minder stoer en de Molukken een stuk
minder uitgestrekt. Dat dacht ik terwijl ik in een maillot met een kort rokje
erover op de uitkijk stond en over de stoppende auto’s heen bleef uitkijken en
een prijs vroeg waarop geen enkele man serieus kon ingaan. “Voor die prijs neuk
ik de koningin!” riep er eentje, “en de prinsessen erbij!” en reed luid
toeterend weg. Waar het omging was dat niemand op Jantje lette die daar
prachtig, van hem zelf gezien op zijn kop had geschilderd: DOODT SOEHARTO! DIEN
HET VOLK! RJ. We waren daarna een beetje
roekeloos geworden en stonden op het stationsplein die leuze, nu aan de
overkant van het water, te bewonderen. Ik had de plastic tas met de emmer met
kalk van Jantje overgenomen en terwijl we daar stonden zei ik plagend: “Hoe
krijg je dat voor elkaar, die grote letters met die kleine armpjes?” “Ik heb
mijn hele lijf erin gegooid,” zei Jantje, “soms voelde ik me echt van de wal af
glijden.” Een politieauto stopte met gierende remmen achter ons. Ik kon tussen
de vele mensen in weg springen – het was midden op de avond – en vluchtte het
station in, waar ik weer normaal liep. Een auto kon me nu niet volgen. Ik ging
de toiletten op het eerste perron binnen en veegde met toiletpapier de resten
muurverf van de buitenkant van de plastic tas. Daarna verliet ik het station
aan de andere kant dan die waarvan ik gekomen was. Er was hier niet veel
verlichting en dat maakte me opnieuw overmoedig, ik kon nog wel een klusje
doen. Op een muur tussen twee laad- en losperrons in schilderde ik DOODT
SOEHARTO, tot ik merkte dat er iemand naar me had staan kijken. In het gele
licht van een kantoortje zag ik de man telefoneren en ondertussen zijn hoofd en
bovenlijf in gebogen houding heen en weer bewegen, ik wist dat hij speurde of
hij mij nog zag. Rooie Willem, en T trouwens evenmin, kon dit soort dingen niet
begrijpen. Wij deden dit immers, we deden immers álles voor het volk! Wij, die
man, Willem, T en ik, de RJ, wij waren in dienst van het volk, wij wáren het
volk! En toch lapten die kameraden ons erbij, onbegrijpelijk. Nou ja, gebrek
aan politiek inzicht, er moest nog veel aan scholing gedaan worden.
Maar daar had ik niet op gewacht. Ik verstopte mijn kalkgereedschap bij een bouwkeet die tegen een stukje van die lange achterkant van het CS aan stond. Hier viel het niet op, zeker niet toen ik het uit de tas had gehaald, het leek gewoon bij het materiaal te horen dat er lag. Ik zou het later op de avond wel ophalen. Ik begon dus verstandiger te worden. Tenminste dat dacht ik. In de waan dat niemand me zonder kalktas wat kon maken, wandelde ik weer door het CS om te zien of ik Jantje kon terugvinden. Ik zag hem niet en ik dacht: kom, ik kijk nog één keer naar die mooie grote leus aan de overkant van het water voor ik terugga naar het actiecentrum. Het politieauto’tje verderop was vast allang teruggevallen in zijn dagelijkse, sluimerende routine. Ik was nauwelijks tien meter van de ingang van het CS verwijderd of het voertuig leek met een sprong op me af te stuiven. Ik rende opzij maar ze reden me binnen de kortste keren klem. Toen ze me de wagen in duwden zat Jantje daar al. We deden of we elkaar niet kenden. “Zo, zijn dat nou Black Panthertjes?” zei de ene agent tegen de andere. Ze haalden alles door elkaar, maar we gaven geen kik.
Ze hielden ons een paar uur vast. We praatten wel, bijvoorbeeld vroegen we wat de tenlastelegging was, maar we gaven geen naam. Dat had ons wel zes uur kunnen kosten, maar het was nu eenmaal afspraak. Ze hadden geen bewijs en hadden ons evenmin op heterdaad betrapt. We hadden niets bij ons en er zaten geen verfspatten op onze kleren en handen. Ik zag dat Jantjes kleren aan de voorkant wel wat goor waren van het op de grond liggen, maar hij zei dat hij gevallen was toen ze als gekken achter hem aanreden. “Anders hadden jullie me nooit te pakken gehad,” lachte hij nog. “Maar we hebben je,” zeiden ze, “daar gaat het om, je bent er gloeiend bij.”
Toen ze ons om een uur of twaalf ’s nachts vrij lieten, konden ze het niet laten om nog een spelletje te spelen. Ze lieten ons spitsroeden lopen tussen een rij van aan elke kant wel acht agenten. Waar haalden ze al die smerissen vandaan? Was dit het verzetje dat ze zichzelf gunden wanneer de nachtploeg de avondploeg afloste? De dubbele rij begon in de smalle gang, waar we alleen maar zijwaarts konden passeren, en liep tot het midden van de Warmoesstraat. Ze keken ons strak aan terwijl we passeerden. Een hief er met een ruk zijn arm op en ging dan door zijn haar. Een ander zette zijn been in de loop en trok het pas op het laatste moment terug. We keken rustig terug, we voelden ons moreel ver verheven boven deze dienaren van het kapitaal. Toen we dertig meter de Warmoesstraat in waren, spraken we af dat elk met een omweg naar zijn eigen huis zou gaan. Ik was net een steegje in geslagen, toen ik Jantje luidkeels hoorde roepen: “MENA! … MURIA!”, de vrijheidskreet van de Zuid-Molukkers.
Thuis bleek mijn kind nog wakker, of liever gezegd weer wakker. Het luisterde aandachtig naar het verhaaltje dat de scholiere die van huis was weggelopen en bij me logeerde voorlas. Het ging over Black Panthers die voor maaltijden zorgden op zwarte scholen. “Zo, mama is weer thuis,” zei ik. “Alles goed hier?”
Het gaat niet meer om de traditionele partijen en wat die doen of zeggen, het gaat dus ook niet meer over welke partijen door en door slecht zijn of om welke ook wel goede punten hebben, HET GAAT OM WELK #GELUID ER NOG TOE DOET, OM WELKE #STEM ER GEHOORD MOET WORDEN, het gaat nog om TWEE STEMMEN, TWEE GELUIDEN, TWEE STROMINGEN, die van HET #KLIMAAT, het milieu, het overleven van de aarde met alles erop, en het gaat nog om de stem van DE #GELIJKWAARDIGHEID, van mensen, van landen, de stem van #ANTIRACISME en #ANTIDISCRIMINATIE. Het gaat nog om TWEE RADICALE EN PRINCIPIËLE GELUIDEN die een volledig, allesomvattend programma hebben, ook over elkaars hoofdthema, het gaat nog om HET #KLIMAAT en het gaat nog om #GELIJKWAARDIGHEID, het gaat nog om DE #PARTIJVOORDEDIEREN en de partij #BIJ1, daar komen de TWEE RADICALE EN PRINCIPIËLE GELUIDEN vandaan die we het allerhardst nodig hebben, het geluid van die partijen moeten we laten klinken, en de andere partijen, groter of kleiner, zullen (moeten) volgen. Kies PRINCIPIËEL en voor een PARTIJ WAAR JE VOLLEDIG ACHTER KAN STAAN, dat is belangrijker dan het machtsspel van al of niet in de regering. En bedenk bij dit alles dat er meer moet gebeuren, dat de mogelijkheid van een politieke partij beperkt is, dat er #BURGERINITIATIEVEN nodig zijn, dat de meeste invloed op ons leven en op de strijd tegen #KLIMAATVERANDERINGis bereikt door een #BUITENPARLEMENTAIRE organisatie, namelijk #URGENDA, en dat een eveneens BUITENPARLEMENTAIRE organisatie, #KICKOUTZWARTEPIET, het VERBORGEN EN VERZWEGEN #RACISME in onze maatschappij heeft blootgelegd, zodat we daar heel anders tegenaan kijken dan enkele jaren geleden. STEM PRINCIPIËEL EN RADICAAL!