Op café Twee (uit Aan de lange weg)

Als Jan Weels tot zo laat bij Den Os blijft hangen, zit aan de bar alleen nog de rooie Gielens met zijn lange gezicht en zijn hortende manier van praten. Hij zit altijd aan het gesloten eind van de bar, tegen de muur. Hij kan alles van Marie zien: haar borsten als ze vooroverbuigt en haar benen als ze die over elkaar slaat en haar kont als ze de andere kant op bukt. Marie weet dat en geniet ervan, hoewel ze tegenover anderen erom lacht wanneer de rooie Gielens er niet bij is. Teun van Leer hangt vaak naast de rooie Gielens, scheef zoals hij is geboren en hij stoot alleen zijn klinkers uit. Het is een belevenis een gesprek tussen die twee aan te horen. Maar ze verstaan elkaar als geen ander.

            Het was zeker mede aan jongelui als Jan Weels en zijn vriend Wouter te danken dat het ingeslapen hotel/café Den Os weer tot leven was gekomen. Eigenaresse Marie luisterde naar de jongens en vroeg raad als het om de keuze van muziek op de jukebox ging. Zo waren, naast de oude rockers en naast de populaire tango Speel die dans van Peter Koelewijn en de favoriete dansplaat A steelguitar and a glass of wine van Paul Anka, de Beatles, de Rolling StonesenAdamoop de jukebox gekomen. En zo werd er dan op zaterdag- en zondag­avond vaak spontaan gedanst, jong en oud door elkaar. Toen met de kermis Hanna Bosmans samen met de andere Vrouwen van de Eerste Huizen binnen was komen vallen, was de tent te klein geweest. “De gekste wijven van het dorp bij elkaar in één ruimte, dat is mij te veel,” zei Leo Weels toen hij de benen nam. De kermis had hem een leuke gelegenheid geleken om eens een brandewijntje met suiker te drinken bij hotel/café Den Os waar de laatste tijd zoveel aanloop was.

            Ook Marie laat zich soms tot een dansje verleiden, genie­tend van wat ze nog seksueel kan oproepen bij de mannen die vanachter hun drankje naar haar zitten te loeren. Door een goede klant laat ze zich onder het tafelkleedje wel eens tussen de benen pakken, tegen een andere vertelt ze dan weer dat de eerste dat geprobeerd heeft  – “Eentje teveel op!” lacht ze ver­goelijkend –  maar dat ze hem op de vingers heeft getikt. Ze is duidelijk in haar tweede jeugd. Het is niet alleen het spelletje dat ze speelt, vaak met mannen voor wie dit het enige verzetje met een seksueel tintje is, ze heeft zelf ook het gevoel dat ze aan het begin van een nieuw leven staat. Hoewel ze in een café is opgegroeid, heeft ze nu eindelijk haar eigen café. Ze zal haar middenstandsdiploma en haar rijbewijs gaan halen en ook hierover, hoe zich daarbij te gedragen, vraagt ze de jongelui om raad. En achteraf vertelt ze dan weer trots hoe ze de examinato­ren heeft gecharmeerd. Als Den Os zo blijft lopen komt alles goed.

            Ze flirt niet alleen met de mannen van zestien tot in de tachtig, het ziet er naar uit dat ze nu ook echt een stevige jonge minnaar van dertig heeft, want dat Kareltje Manshoog het niet bij een slippertje wil laten. Allemaal nieuwe leuke dingen, allemaal totaal anders dan toen ze met haar zoon van nog geen zestien en zijn, met zijn vijftig jaar veel te oude, stiefvader Gerrit in dat rijtjeshuis zat weggestopt. De wereld is voor haar op haar veertigste opengegaan.

            Ook de altijd vermoeide, wat tobberige Gerrit ziet het wel zitten als het café zo blijft lopen. Misschien kan hij dan stoppen met die hem zo uitputtende ploegendiensten. En als hij de duivenmelkers en de voetballers naar Den Os zou kunnen halen, dan zou voor hem hobby en inkomen gecombineerd zijn. En dat spelletje van zijn vrouw, tot op zekere hoogte, als dat de zaak ten goede kwam, nou ja. Maar er moest niets serieus aan te pas komen. Want hij laat zich natuurlijk niet in de maling nemen.

            Staat naast hotel/café Den Os aan de Lange Weg nog de laatste boerderij van het dorp, bij café Willems aan het begin van de Schoolstraat zit de ex-boer Noud Lauwers, ook al eentje die er niet helemaal normaal uitziet met zijn armpje dat hij omhoog houdt als een kippevleugel zonder veren. Noud is een van de zonen van de op één na laatste boerderij van het dorp. Hun boerderij staat er nog wel daar aan de Broeklandweg maar het land is verkocht aan de gemeente, voor twee nieuwe wijken die er ondertussen gebouwd zijn. Noud is dus, behalve een vleugellamme, ook een van zijn land losgesneden boer. Alle reden om de hele dag bij Willems te zitten. Noud vergelijkt zich graag met de indiaan, wiens land en levenswijze hem zijn afgenomen en die nu aan het vuurwater is geraakt. Naast hem zit hier aan de bar en tegen de muur Kareltje Manshoog.

            Kareltje is een gevaarlijk mannetje. Je ziet dat aan die kop met vet achterovergekamd pikzwart haar maar vooral aan die stevige nek en de houding van die stoere schouders. En ook aan de manier waarop hij naar je kijkt en luistert zonder iets te zeggen. Tot degene die hem een verhaal vertelt er ongemakke­lijk van wordt en op zijn barkruk ineenschrompelt en Kareltje het verhaal van de ander dodelijk samenvat: “Dus de vrouwen moeten voor jou uitkijken.”

            “Nou, dat valt ook wel weer mee,” zegt de ander met het stemmetje van een muis.

            Bij Willems komt iedereen, ook de Philipsbeambten uit de nieuwe wijk die in de volksmond het Zilverstrand wordt genoemd. Ze gaan zaterdagsmorgens judoën in het patronaat en daarna nemen ze een paar pilsjes bij Willems. Judo is onge­looflijk populair sinds Anton Geesink wereldkampioen is geworden. Nee, net zoals Jan Weels daar dan de hele dag blijven hangen doen ze niet. Om één uur zitten ze gewoon aan de lunch bij de vrouw thuis. Jan komt pas bij het avondeten thuis, en ook dat vaak niet. Soms brengt hij een oud mannetje, dat door zijn toedoen een borrel teveel genomen heeft, terug naar het klooster. Dat is de gelegenheid om zich af te vragen waar hij mee bezig is en of hij zijn judopak niet naar huis moet brengen. Hij blijft op de been met borrelworstjes, pinda`s en paprikachips.

            Vorige zaterdag is hij met Ko Bierhof in de taxi gestapt naar Valkenswaard (10 kilometer!), hoewel hij gezegd had dat zijn geld zo goed als op was. Maar Ko had erop gestaan dat hij meeging en hem in het café in Valkenswaard, waar volgens hem zijn geliefde zat, aan iedereen voorgesteld als zijn ‘jonge vriend’, en ze waren allemaal erg aardig tegen hem geweest. Ko had inderdaad urenlang contact met de bazin, die als ze maar even kon bij hem kwam zitten. Hij zag er in zijn donkerblauwe streepjespak uit als een heer, hij was zeer charmant en zong mee met de Franse chansons. Maar voor zover Jan zich kon herinneren waren Ko en zijn geliefde niet van de bar weggeweest. Het diepe hoge café was hem bijgebleven als een prettige omgeving om te zijn. Ze waren ook met de taxi terug­gekomen, een hele uitgave, en hadden afgesproken om de volgende zaterdag opnieuw te gaan.

            Dat was gisteren, maar hij had vergeefs bij Willems zitten wachten. En toen had men hem uitgelegd waar Ko waarschijn­lijk was. Hij had het timmerfabriekje achter de huizen inderdaad gevonden, en daar had Ko gestaan in zijn beige timmermansoverall. Toen pas had Jan zich gerealiseerd hoe de honderden guldens die Ko het vorige weekeind voor hen beiden had uitgegeven, verdiend moesten worden.

            Mon amour, mon amourr, liet Ko steeds op de jukebox spelen, wat de achterkant was van Non, je ne regrette rien van Edith Piaf. Het was Jans taak geweest de plaat steeds opnieuw te kiezen en zelfs het kwartje daarvoor had Ko hem gegeven. Jan schaamde zich en was niet teruggegaan naar Willems. Voor het eerst in lange tijd kwam hij zaterdags overdag thuis.

            Het is zondagavond laat en Jan zit bij Willems. De Wilde­man komt binnen, een kunstschilder die zo genoemd wordt vanwege zijn uiterlijk en gedrag. Jan kent hem van de verhalen. Maar er komt iets bij wat de verhalenvertellers niet op waarde wisten te schatten: de Wildeman heeft veel gelezen, Dostojewski, Hermans, Streuvels, Elsschot, Wilde. Het klikt tussen de zeven jaar oudere Wildeman en Jan. Het is al tegen sluitingstijd en ze vertrekken met een liter vieux naar het hutje van de Wildeman. Er staat een kolenkacheltje en er liggen overal tekeningen met een laagje gruis erop. Jan slaapt een paar uur op de rand van het bed van de Wildeman, het hout staat `s morgens in zijn rug. Om half tien zitten ze in café van Oers aan de weg naar Oerle. Ze ontbijten, drinken, kletsen en toepen, en de Wildeman vertelt verhalen, net als de vorige avond. Bij het toepen vertrouwt Jan blindelings op de Wildeman. Bij de verhalen telt voor Jan alleen of ze goed verteld worden. Jan komt zelf ook los. Cafédochter Maria vlucht blozend naar de keuken. Om een uur of een beginnen ze van Sas naar de Lange Weg te lopen; om half drie moet de Wildeman beginnen bij de weverij. Dan komt Jans zus Tonnie hen tegemoet fietsen.

            “Waar heb jij gezeten? Ik fiets al heel de morgen rond. Bij Den Os wisten ze alleen dat je naar Willems was gegaan en bij Willems was het nog niet open. Ons moeder is hartstikke ongerust. Ik begrijp niet hoe je dit kunt doen. Ze heeft het al zo moeilijk sinds Ineke dood is.”

            Jan was het even vergeten. Want nog geen twee weken geleden, vroeg in de morgen, gooit Anneke Weels de slaapka­merdeur open van haar oudste zoon die eindelijk een eigen kamer heeft nu zijn zus is getrouwd, schreeuwt wat naar binnen en laat de deur open. En die deuropening blijft daar staan als een enorme vertikaal geopende mond, als een schreeuw, en Jan weet niet zeker wat hij heeft gehoord, maar ook hij schreeuwt: “Doe godverdomme die deur dicht!” Alles schreeuwt, de moeder, het deurgat, de zoon, want hij beseft nu wat ze heeft geschreeuwd toen ze wanhopig is weggelopen, niet in staat om stil te staan: “Ineke Verstappen is dood!”, haar grootste vrien­din en troost en het meisje dat hem heeft leren lopen.

            “Ik ga zo,” had Ineke tegen haar man gemompeld nadat de wekker was gegaan. Maar toen hij haar een paar minuten later aanstootte en zei: “Toe dan”, reageerde ze niet meer en was dood.

            “Het ergste was nog dat binnen tien minuten de politie daar was,” zei Anneke. “Wat denken die lui wel! Dat krijg je er dan ook nog bij. En het was zo`n goed mens,” zei Anneke. “Als de oudste naar school was, pakte ze de jongste op en zei: ‘Kom op, Hans, we nemen het er vandaag van, we gaan bij Anneke buurten.’” Anneke kon wekenlang niet ophouden met huilen.

            De Wildeman kent het verhaal van de plotselinge dood van Ineke, haar man werkt bij hem op de weverij.

“Ga maar gauw naar huis,” zegt de Wildeman. “Een moe­der moet je niet… nou ja, ga maar gauw naar huis.”

zie ook OP CAFÉ EEN, eveneens zich afspelend in Den Os,
uit Aan de Lange Weg ,
roman van Meurs A.M., 3e, geïllustreerde, druk, hier graag bestellen via mijn Boekwinkeltje Wonderland, in nieuwstaat en zonder verzendkosten. U koopt rechtstreeks bij de schrijver die de kosten voor de uitgave zelf gefinancierd heeft. Zo u wilt gesigneerd. Hartelijk dank!)

1966 – 1969 De bewustwording van T, uit Mijn liefde is scharlakenrood van Meurs A.M.(nav Tanja Nijmeijer)

(Tanja Nijmeijer krijgt bij het verschijnen van haar boek veel kritiek op het feit dat ze zich bij de linkse guerrillabeweging FARC in Colombia heeft aangesloten.
De jongeman T vraagt zich midden 60er jaren in de roman <Mijn liefde is scharlakenrood> het volgende af:
<Moet hij eigenlijk niet naar Zuid-Amerika gaan en aan de kant van
de guerilleros vechten? Wat is eigenlijk het excuus om niet te gaan?
Heeft iemand het recht te zeggen: ik ben moe, het is me te moeilijk, ik
heb genoeg van het me moeilijk maken, ik wil gewoon mijn eigen leven
leiden en van daaruit eerlijk proberen te blijven?

Hij heeft nu meer dan een jaar geprobeerd alles bij te houden wat er
in de wereld gebeurt. Verder nergens tijd voor. Moet hij daar dan maar
mee stoppen? Maar nauwelijks enkele minuten later beseft hij, na het
nieuws gehoord te hebben, dat het weglaten van dit alles de dood zou
betekenen voor zijn nieuwe bestaan.
)

1966 – 1969

De bewustwording van T

T heeft in Amsterdam een kamertje gevonden bovenin een huis aan een gracht en vlakbij een oude vestingtoren. Hij had een man die in de buurt, op de Kromboomsloot, zijn hondje uitliet aangesproken en die man had gezegd dat er bij hem over zes weken een kamer vrij kwam. Je gaat eerst een paar meter een zijstraatje van de gracht in en een hoge buitentrap op en staat dan voor de buitendeuren waarvan er een alleen van de eerste verdieping is. De andere is van het trappenhuis naar de tweede en de derde en naar de zolder, waar de bewoners van de étages elk een kamertje hebben dat ze meestal verhuren. Op de begane grond, onder die hoge buitentrap, is een soort kerk meent T waar de bewoners van de eerste verdieping alles mee van doen hebben. Een toilet hebben de kamerhuurders op de vierde niet, daarvoor moeten ze bij hun hospita aankloppen. Of ze moeten een emmer gebruiken die met chemicaliën is gevuld en chemisch toilet wordt genoemd. Je kunt deze emmer op een gunstig moment legen in het toilet van je hospita of, liefst ‘s avonds laat als er niemand op straat is, in de gracht. Er staat daar een vissers- of woonbootpompje waaraan je de emmer kunt omspoelen. Op de zolderverdieping is er voor de vijf bewoners, waarvan T er nu een is, slechts een wasbak in het trappenhuis met daarnaast een butagastoestel. Het is absoluut niet de bedoeling dat je je emmer leegt in de wasbak. Zoals het evenmin de bedoeling is dat de jongens in de wasbak plassen. Als de twee meisjes die er wonen erop betrapt zouden worden dat ze hun pispotje in de wasbak kieperen, zouden ze een andere kamer moeten zoeken. En omdat een van hen haar kamer via de kerk beneden heeft gekregen, zou ze niet meer op bemiddeling van de kerk mogen rekenen. Integendeel, deze zou het haar zelfs moeilijk kunnen maken. Als iedereen weet waar hij aan toe is, hoeven we het er verder niet over te hebben.

Het meisje dat haar kamertje via de kerk heeft gekregen woont aan de overkant van het trappenhuis. Er woont aan dat gangetje ook nog een wat oudere, nogal kleine man met sluik zwart haar die er soms uitziet als een zwerver en dan opeens weer een net pak aan heeft. Aan de kant van T woont nog een jongen en vlak naast T een meisje.

President Johnson van de Verenigde Staten wil ingrijpend gaan bezuinigen op het ruimtevaartprogramma. Dat is natuurlijk vanwege de kosten van de oorlog in Vietnam. Vriend en vijand geloven echter niet dat de VS het risico zullen nemen dat ze wat betreft de landing van de eerste mens op de maan opnieuw door de Russen zullen worden afgetroefd, zoals dat in 1957 gebeurde met de eerste satelliet in de ruimte, de Spoetnik, vervolgens een paar maanden later met het eerste levende wezen, het hondje Laika, in een satelliet die nog niet op aarde kon terugkeren en dus verbrandde maar toch de eerste stap was naar de bemande ruimtevaart, en zoals dat in 1961 gebeurde met het lanceren van de eerste mens in de ruimte, Joeri Gagarin, die zoals bekend wel terugkeerde. De senator Mansfield stelt voor de Amerikaanse troepensterkte in Europa tot tweevijfde terug te brengen, onder andere omdat de Europese Navo-bondgenoten niet aan hun verplichtingen voldoen inzake de oorlog in Vietnam.

Zijn verwarming is een butagaskacheltje. Daarom moet het dakraampje altijd een beetje openstaan. Zijn elektriciteit komt via een draad die naast zijn deur door de vloer gaat, zijn hospita woont vlak onder hem. Als je de stekker uit het stopcontact trekt is de kamer zonder stroom. Bovendien is dat gevaarlijk want de stroom staat op de stekker. Zijn hospes is een marktkoopman die niet op het idee is gekomen om de stroom op het stopcontact te zetten.

De derde wet op de Burgerrechten, die een verdere stap moest betekenen naar het einde van de rassenongelijkheid in de VS, is door de senaat verworpen. Ook dit jaar zijn er bij rassenrellen reeds tientallen zwarten door de politie gedood. De oprichting van Black Power is het antwoord van radicale zwarten die zich niet langer door de politie en organisaties als de Ku Klux Klan willen laten afslachten.

Eerst haalt hij de doeken weg die de dakbalken verbergen. Hij wil ze bruin beitsen en ze daarmee accentueren. Soms snuift hij voorzichtig, bang weer de bedorven pis te ruiken die de vorige bewoner had laten staan. Hij valt een paar keer met wat alcohol op in de stoel in slaap. Hij droomt. Hij is in Vietnam. Hij kan zich niet voorstellen dat hij er vrijwillig naartoe is gegaan. Hij moet vechten aan de kant van de Amerikanen. Er is een bruingroen water dat aan zijn kant door horizontale palen in drieën is verdeeld. Het doet hem aan een buitenzwembad dat hij kent denken maar dit water is veel uitgestrekter. In de verte ligt links het kamp van de vijand. In zijn kamp liggen in het grote middenvak in rijen die weliswaar niet meer volledig gevuld zijn toch nog heel wat zeer kleine gevechtsbootjes, niet groter dan een roeiboot. In het kleinere vak rechts liggen er ongeveer even veel, maar ook hier is uitgedund. Aan de linker kant zijn er nog maar een stuk of vier over. Hij kiest links omdat hij meent dat links altijd het beste is. Dit linker vak ligt het dichtst bij de vijand, bij een gelijke start zijn deze bootjes er dus het eerst. Ze kunnen niet uitwijken naar rechts want dan komen ze in de vuurlinie van de midden- en rechterbootjes. Hij en zijn twee vrienden die ook net zijn aangekomen staan onder leiding van een man met een lang gezicht en blond haar dat in een paar slagen achterover is gekamd. Hij lijkt op T’s eerste baas. Na het eerste gevecht keren zijn twee vrienden niet terug. De leider vertelt dat hij Porter heet, de naam van T’s tweede baas. T zegt dat hij waarschijnlijk zijn broer kent maar dat deze helemaal niet op hem lijkt, hij zal hem de groeten doen. “Neenee,” zegt de man en vertelt dan dat hij eigenlijk helemaal geen Porter heet. Ze zwemmen in een smalle inham waar grote zware bomen het licht wegnemen en het water zwart is. De man gaat soms even onder waarbij hij rochelt en kreunt. T meent dat de man hem iets wil leren, soms denkt hij dat de man dronken is, hij vertrouwt hem niet en houdt hem in de gaten. Opeens gilt de man: “Je bloedt, het bloed stroomt uit je neus. Gauw naar de kant!” T wordt wee van angst dat hij dood zal bloeden. Hij zwemt met zijn hoofd omhoog naar de kant en gaat op de rand zitten, zijn benen in het water. De man zal in het grauwe huis aan de overkant van de inham iets gaan halen. T wordt opeens doodsbang dat de man boven in het huis aan de overkant plotseling een raampje zal openstoten en hem met zijn machinegeweer van de kant maaien. Hij zit daar als een makkelijk doelwit. T loopt achter de bomen hard weg.

In een stadion in Phnom-Penh, de hoofdstad van Cambodja, heeft president De Gaulle van Frankrijk voor een gehoor van honderdduizend mensen felle kritiek geuit op de oorlogspolitiek van de VS in Vietnam.

Telkens als hij zo in zijn luie stoel wakker wordt, slapen zijn handen. Hij zit dan wel een uur voor zich uit te staren, niet in staat iets te doen. De eerste keer dat hem dat overkwam was op een avond, het was zo goed als donker geworden. Na het slapen bekijkt hij lange tijd met twee spiegels zijn gezicht van alle kanten. Door de ene spiegel door de kamer te bewegen krijgt hij het effect van een film.

Hij is alleen. De ene dag haalt hij de affiches van boerenkool en braadkuiken van de wanden, de andere dag de hoezen van kleine grammofoonplaten. Elke dag moet hij iets doen. Toen hij in het toilet van zijn hospita de emmer bedorven pis niet snel genoeg kon doorgetrokken krijgen, liep hij kokhalzend weg. In de eerste week loopt hij elke avond langs de hoeren in de buurt en masturbeert daarna in bed.

Denk je dat er eindelijk een belangrijke politieke daad wordt gesteld, de moord door een parlementsbode op Verwoerd van het apartheidsregime in Zuid-Afrika, blijkt de moordenaar geestelijk gestoord… Maar dat zeiden de nazi’s ook over Van der Lubbe die de Reichstag in brand heeft gestoken. Die was communist of geestelijk gestoord. Het is in ieder geval niet langer verantwoord om niet politiek geëngageerd te zijn. Hij moet zich verdiepen in communisme en socialisme, in hoe Rusland zijn veroveringen gemaakt heeft, in de situatie Laos, Vietnam, in rechts en links, in de Zuid-Europese rechtse dictaturen, in het ontstaan van Israël.

In café Hoppe op het Spui raken twee Zuiderlingen met elkaar in gesprek. De een is een politicus uit Helmond die de VVD heeft verlaten en van plan is een nieuwe politieke partij op te richten, hij zoekt nog naar een aansprekende naam. De ander is een kunstschilder uit Eindhoven die vertelt dat hij vorig jaar de kunstenaarsgroep Mei ’65 heeft opgericht. Enkele dagen later wordt de oprichting bekend gemaakt van de politieke partij Democraten ’66 oftewel D’66. Zo gaat dat dus, denkt de kunstenaar in Eindhoven.

Onze jongen walgt van heel rechts Nederland, van alles wat fascistisch of zelfs maar gewoon conservatief is. De zeer rechtse KVP-er Schmelzer heeft het kabinet van katholieken, sociaaldemocraten en antirevolutionairen laten vallen. Het kabinet was naar de zin van conservatieve katholieken te “links” bezig. Deze maandag is hij door zijn rotstemming niet gaan werken, hij lost vrachtwagens bij een groothandel op de kop van de Zeedijk. Er is daar een meisje waar hij geil op is. Hij is erg alleen. Mag dat misschien? Het gaat niemand iets aan.

Het is een gedachte die hij steeds verdringt maar het is waar, hij ziet Amsterdam niet meer als in het begin, hij is teleurgesteld. Hij is teruggevallen op deze buurt en ziet van Amsterdam nu minder dan toen hij op zoek was naar een kamer. Hij ging toen geregeld over het Y en kwam ook aan de andere kant van het Damrak. Hij is die enthousiaste frisse blik van het begin kwijt en denkt met heimwee terug aan hoe hij voor het eerst Amsterdam binnenkwam, die sensatie om in de tram te zitten die maar net tussen de hoge huizen scheen door te kunnen.

In de deelstaat Hessen in West-Duitsland heeft de neonazistische NPD 8% van de stemmen gekregen. Het aantal ultrarechtse elementen in Duitsland is weer ontzettend toegenomen. Nochtans vormen zij volgens de regering geen gevaar voor de democratie. In Nederland zijn de regionale kranten en praktisch alle geïllustreerde tijdschriften in één rechtse hand gekomen. Daarom, dames en heren, moet ik u eens te meer waarschuwen voor de gevaarlijke linkse voorlichting in de persorganen. Wij zijn blij dat de ultrarechtsen in Duitsland geen gevaar vormen voor de democratie in Portugal, Spanje, Rhodesië, Zuid-Afrika en andere dictaturen.

De gordijnen en doeken in zijn kamer zijn vroegere, merkwaardige en vooral zeer wijde jurken van zijn zeer dikke, lieve hospita. Zittend op de vloer onder het schuine dakgedeelte van zijn kamer, overal gaten en hoeken en opbergruimtes ontdekkend, wordt hij vertrouwd met zijn kamer en overweegt om allerlei verborgen kastjes te maken en, bijvoorbeeld, een geheime toegang tot de kamer van zijn buurmeisje. Feit is dat hij vanuit zijn kamer een ruimte achter die van haar heeft ontdekt waarin hij al wat spullen heeft opgeborgen, en als hij een stuk uit de balk zou zagen zou hij zelfs in de ruimte kunnen komen. Zijn butagaskacheltje verspreidt bij het aansteken een aangename geur van verbranding die meteen het idee van warmte geeft. Hij heeft die gewaarwording ook bij het ruiken van de uitlaatgassen van een vrachtwagen die hij in de kou moet lossen. Op zijn kamer is hij steeds bang voor kolendampvergiftiging, waar volgens de krant dagelijks vooral oude mensen aan sterven. Zijn dakraam moet altijd een beetje openstaan, al is het nog zo koud.

Er is dankzij Zuid-Afrika in ieder geval één Nederlands woord dat de hele wereld kent: apartheid. Hij loopt zenuwachtig heen-en-weer, hij heeft het koud, hij moet zijn sokken aan doen, maar de kou komt van binnen. Hij moet zich verdiepen in de politiek, in Marx, in het socialisme, maar wanneer moet hij dat godverdomme allemaal doen! Hij klappertandt, hij heeft de sokken nog niet aan gedaan. Hij is bang, bang voor de rechtse krachten die overal opduiken. Er zitten hier in de gemeenteraad nota bene vier Boeren, een uiterst rechtse, bijna fascistische partij die landelijk 9% van de stemmen heeft gehaald, tegenover één Provo. En ondertussen doet men alsof het een tijd is van uiterst gevaarlijke links-radicale krachten die de maatschappij trachten over te nemen.

In Hanoi en omgeving hebben de Amerikanen systematisch woonwijken gebombardeerd. Aldus de Amerikaanse journalist Salisbury die ter plekke is geweest.

Hij kan niet blijven vluchten. Hij krabt de roos van zijn hoofd. Hij wrijft over zijn jeukende oren. Hij vertrekt zijn gezicht en vormt met zijn mond de woorden van de beatplaat op de radio. Al voor het avondeten gemasturbeerd op Corrie van zijn werk. Hij is duidelijk bezeten van haar, moet hij haar mee uit vragen? Maar hoe lang werkt hij daar nog? Nu al staat hij bij gebrek aan laad- en loswerk in te pakken, waar hij een gruwelijke hekel aan heeft.

Het sneeuwt als hij uit het koffiehuis komt. Het zat er vol oude mannetjes, twee vrouwen en een paar zwarten. Iedereen keek geboeid naar het zaterdagmiddag-programma op de tv. Een man die zat te slapen werd door roepen wakker gemaakt, slapen mocht niet. T had hoofdpijn van de jenever die hij op zijn kamer gedronken had en was terneergeslagen door de vele dingen die hij moest doen en niet gedaan had. Harry, de kunstenaar die hij op zoek naar een kamer heeft leren kennen, was niet thuis. T wilde bij hem schijten, douchen en zijn haar wassen, bovendien zou hij hem helpen met het ophangen van een paar spotjes. Hij heeft jeuk op zijn hoofd en ergert zich aan zijn baard. Hij is schraal onder zijn neus en zijn linkermondhoek gaat weer kapot. Hij heeft geen zin in fruit. Hij zou zich meer moeten bezighouden met wat andere jongeren doen.

Toch bevalt het me om hier te wonen, denkt hij terwijl hij in een koffiehuis aan de Nieuwmarkt zit, de sfeer bevalt me. Overal elders is het erger. Toen hij in de kou liep had hij weer even aan een hoer gedacht, vergetend dat hij er geen warmte zou vinden en na tien minuten weer buiten zou staan.

De Rechtsen besluiten voortaan elke vergrijp, hoe klein ook, met de dood te bestraffen. Dit ter vereenvoudiging van de rechtspraak, afschaffing van dure gevangenissen en als bijdrage aan de oplossing van het overbevolkingsvraagstuk.

In café De Vriendschap op de Nieuwmarkt zit een oude man met wit haar, open gezicht en grote kinderogen steeds onverstaanbaar te praten. Een man zegt: “Het is een Turk, komt voor vanavond: AjaxBesiktas.” Opeens valt de oude man met stoel en al achterover met zijn achterhoofd op de tegels. “Die is dood,” zegt de man van ‘Ajax-Besiktas’, “die is dood.” “Nee, hij is niet dood,” zegt T, “ ik zag zijn ogen bewegen.” “Die gaat dood!” schreeuwt een kleine artistieke man met grijze baard en zwarte jas met capuchon naast hem. De oude man ligt op de kale vloer en de man met de baard schreeuwt: “Die gaat vanavond de pijp uit!” en ondertussen knijpt hij T hard in zijn bovenarm. Iemand duwt de oude man op zijn zij. “Niet aankomen!” wordt er geschreeuwd. “Hij bloedt niet,” zegt een ander, “hij bloedt niet uit zijn mond.” “Ook niet uit zijn achterhoofd,” zegt nog een ander. “Die is er geweest!“ danst de man met de capuchon en de baard, “ik heb het zo al eens meegemaakt.” Ze trekken de oude man overeind.

Als ze de man met de witte haren, het open gezicht en de grote kinderogen overeind hebben getrokken, zetten ze hem op een stoel en schuiven een tafel in zijn buik zodat hij niet kan vallen. De oude man begint even later weer in onverstaanbaar Nederlands te mompelen en kijkt je met zijn grote ogen aan. “Stil maar,” zegt iemand, “we weten wel dat je uit Turkije komt.” Dan pakt iemand hem van achter om zijn middel en draagt hem naar buiten. Als zijn voeten de grond raken zakt hij door zijn knieën en zit op handen en knieën op de stoep. Iemand maakt de deur dicht en zegt tegen T: “Hij zei tegen me: ik ga op handen en knieën, dat gaat net zo vlug.” “Je kunt hem toch zo niet laten zitten,” zegt T. “Die is allang weg,” zegt de ander, “kijk maar.” Hij opent de deur weer, de oude man is weg.

Op Sinterklaasavond heeft hij de neiging door de hoerenbuurt te gaan lopen en te kijken hoeveel er werken en hoeveel belangstelling er is maar hij wordt weerhouden door de kou en door zijn verlegenheid. Hij zou alle hoeren van de buurt moeten proberen, alle honderden, stelselmatig, een voor een, telkens als hij een paar tientjes over heeft. Hij heeft wat extra flesjes bier gehaald voor vanavond. Hij had een hoer horen zeggen: “Ik kousen stoppen en hij met een ander in de koffer.” Ging het maar zo makkelijk! Zijn moeder heeft hem een tientje gestuurd. Voor dat tientje kan hij nu voor haar een cadeautje kopen. Wie is ermee gebaat? De winkelier, de groothandel, de fabrikant. Sinterklaas een kapitalistisch feest. Hij voelt zich opgelucht dat hij helemaal geen pakjes hoeft in te pakken, rijmpjes te maken en vooral dat hij helemaal niet leuk hoeft te zijn. Hij heeft zojuist zijn handen ingesmeerd omdat ze schraal zijn en jeuken. Verdomme, telkens die drang tot janken: bij mensen die verdronken zijn, bij een astronaut die de ruimte in gaat.

De hele buurt hier, de rosse, de donkere, zou gesocialiseerd moeten worden. De hoeren zouden maatschappelijk werksters moeten zijn. Die hele buurt is één groot teken van het falen van de seks in onze samenleving. Hij moet zich in ieder geval zo gauw mogelijk politiek op de hoogte stellen.

In het proces tegen oorlogsmisdadigers van het kamp Sobibor zijn straffen uitgesproken van drie jaar tot levenslang. Hij hoort zijn vader zeggen: “Die hadden ze allang op moeten hangen, die vuile beesten. Waarom moeten ze daar zo lang mee wachten? Dat vuile wijf, ze stopte er honderd in een treinwagon waar maar plaats was voor vijfentwintig. Ik zou zo’n wijf pas kunnen vergeven als ik ze es flink had afgeranseld, er flink met de zweep over was gegaan.” Veel ex-nazi’s zijn opnieuw aan de macht.

Hij droomt van zijn vader op krukken. Het is oorlog, met krukken onder zijn oksels loopt zijn vader over heuvels. Waar lijken die heuvels op? Ze bestaan uit zand en hier en daar een beetje gras. Het zijn geen duinen. Het is Vietnam. Nu weet hij het niet meer zeker. Is het Vietnam?

Hij voelt zich ontzettend ver van alle bossen verwijderd. Hij moet in een makkelijke stoel gaan zitten. Hij heeft de hele dag aan een stuk vrachtwagens gelost en heeft nu pijn in zijn rug. Hij voelt zich vies en heeft een baard, hij ziet er vermoeid uit en zijn mondhoeken zijn nog steeds kapot. Dacht je dat de sinaasappels en citroenen hielpen, de zalf? Nee hoor. Hij stoot zijn koude bovenhand aan het cement van de schoorsteen die door zijn kamer loopt. Dat is om erg kwaad van te worden. Hij heeft de laatste dagen om de haverklap de aandrang tot janken. Zou hij overspannen zijn? Hij is steeds bang dat zijn hospita naar boven komt als hij de radio hard heeft staan.

Hij gaat er even uit. Als hij de kamer uit gaat controleert hij altijd of zijn buren er zijn: zijn buurmeisje, zijn buurjongen en zijn overbuurmeisje, het meisje aan de andere kant van het trappenhuis. Als de buurmeisjes er zijn vindt hij dat meestal fijn, als zijn buurjongen er is meestal niet, tenzij het vriendinnetje van de buurjongen er ook is. Er ligt overal sneeuw. Harry de kunstenaar aan de Amstel is niet thuis. Hij loopt over het Rembrandtplein naar het Muntplein, door een stukje Kalverstraat, door de Nes langs de Brakke Grond, langs een paar hoeren, maar DE hoer ziet hij niet. Ze zaten allemaal te lezen, kerstverhalen, denkt hij. De hoer die altijd verlegen zit te kijken ziet hij op de Zeedijk bij een man in een auto stappen. Ze kijkt hem aan, herkent hem waarschijnlijk. Voor haar raam ziet hij even later een bordje: “Gem. kamer te huur, tel. …”

In Vietnam is de toestand zo in-triest dat je niet weet of een kind

dat vandaag hulp krijgt morgen nog in leven is. De Amerikaanse regering weigert verantwoording te aanvaarden voor de kinderen die voortkomen uit de pleziertjes van de Amerikaanse soldaten. Wel is er in Amerika een groot persoonlijk initiatief. Persoonlijk initiatief helpt persoonlijk initiatief. De kinderen in Korea die gemengd bloed hebben worden erg gediscrimineerd, er zijn kinderen gestenigd.

“Als ik niet gek was liep ik hier niet met jou,” zegt zijn buurmeisje. Ze is meegeweest naar het personeelsfeest van zijn werk en nu lopen ze met nog wat jongelui over de Zeedijk op zoek naar een café dat nog open is. Als ze met hun tweetjes op zijn kamer zijn durft hij eerst niet, want ze had gezegd dat haar vriend het vast zou uitmaken als ze met een ander naar bed ging. Maar dan komt ze vlak voor hem op de vloer bij het kacheltje zitten en dan moet hij wel.

De zon en de politieagenten op de Zeedijk, hij met een kachel op een steekwagen, de witte kerstklokken voor het raam van de hoer die pas om half zes komt, Annemieke het eerste meisje waarmee hij naar bed is geweest na al die jaren met zijn vriendin, dit allemaal propt hem boordevol gevoel en hij snikt van geluk terwijl hij met de kachel op de steekkar in de winterzon over de Zeedijk loopt.

De huidige president van West-Duitsland, Heinrich Lübke, heeft in 1964 onderscheidingen (Verdienstkreuze) uitgereikt aan enkele Duitse oorlogsmisdadigers, zoals aan Heinrich Bütefisch die in Neurenberg tot 6 jaar gevangenisstraf was veroordeeld. Na hevig wereldwijd protest moest de laatste de onderscheiding teruggeven. Zelf heeft de architect Lübke een aantal concentratiekampen gebouwd voor de nazi’s. Na de oorlog werd hij dan ook door de Amerikanen gezocht maar was spoorloos. De nazi-officier Von Kielmansegg is nu opperbevelhebber van de NAVO in Midden-Europa.

“Je gezicht verandert meteen als je begint te vrijen,” zei ze, “je bent dan lang niet zo streng.” In het weekeinde moest ze naar haar vriend maar maandagnacht was ze er weer en tegen de ochtend, vier uur, keek ze hem met dronken ogen die niets met drank te maken hadden aan en zei: “Ik voel je tot hier joh,” en wees op haar borst. Hij had het nog steeds volgehouden om niet klaar te komen… en toen hoorden ze gerammel van sleutels, geklop op haar deur, lagen ze tien minuten te zweten, dan geklop op zijn deur en toen haar vriend die riep dat hij de boel kort en klein zou slaan als ze niet vlug open deden. “Ik kom, Ron,” zei ze, “wacht even hiernaast, Ron.” En sindsdien is ze weg.

Ulrich de Maizière, vertrouwensman van Hitler, is nu generaalinspecteur van de Bundesarmee. Alfred Krupp, in 1948 door het Amerikaanse Militair Gerechtshof nog gekenschetst als een van de hoofdschuldigen aan de Tweede Wereldoorlog, is sinds 1951 vrij en weer aan de macht in zijn naar hem genoemde concern (voornamelijk wapens, omzet 6 miljard mark per jaar). De Duitse oorlogsmisdadiger Lages, verantwoordelijk voor de deportatie en dood van 70.000 joodse Nederlanders en de executie van honderden andere Nederlanders en hiervoor aanvankelijk ter dood veroordeeld, mocht voor verpleging drie maanden naar Duitsland. We hebben hem niet meer teruggezien.

Hij ziet dat haar gastoestel op de gang verdwenen is. Verdomme. Die afwas, is die van haar? Hij wil het aan de anderen vragen maar er is niemand. “Je buurmeisje gaat weg hè,” zegt zijn hospita als hij haar een gelukkig nieuwjaar wenst. In de week erna merkt hij dat ze steeds haar post ophaalt als hij er niet is. Hij is weer alleen. Hij zit heel de avond in de spiegel te kijken, basta.

Als hij zijn jas er niet voor heeft hangen kun je op de plaats waar bij de deur het hangslot gemaakt is in zijn kamer kijken. Als hij iets voor zijn kamer hoort kijkt hij naar die plek. Hij heeft het gevoel dat hij in een cel zit waarin hij altijd bespied kan worden. Het heeft geen zin om bijna te staan janken boven zijn afwasbak, van ellende en vermoeidheid. Zo doorgaan kan ook niet. Geen vaste vriendin meer hebben moet hem dwingen de straat op te gaan, de café’s in, en contacten te leggen met andere jongelui.

T droomt dat hij aanplakbiljetten ophangt. Als de politie komt holt hij weg. “Sta of ik schiet,” mompelt de agent. T holt door. De agent schiet. T fluistert nog: “De schoft, hij heeft me doodgeschoten omdat ik aanplakbiljetten ophing, de schoft!” Hij denkt er nog over om te zeggen dat hij hem vergeeft, maar hij doet het niet.

De regering Zijlstra heeft een militaire attaché benoemd in Saigon. Als reden wordt opgegeven dat de militaire situatie daar in de gaten moet worden gehouden.

Hij heeft hoofdpijn, een kater. Hij kan niet naar buiten, want het regent te hard. Hij is bang dat er weer opeens bloed uit zijn neus begint te stromen, hij heeft net de zwarte korsten eruit gehaald. Opeens had hij zin zijn eigen vertrokken gezicht te fotograferen. Of is dat kitsch? Hoe kan iemand met wie je twee heerlijke nachten hebt doorgebracht zomaar uit je bed stappen en uit je leven verdwijnen? Moet hij in een commune gaan? Welk alternatief is er voor deze mannetje-vrouwtjehuisje-kindje wereld? Hij moet nu gaan luisteren naar een programma over ontwikkelingshulp op de radio.

De Rechtse laat de krullen uit zijn schaamhaar halen om niet op een neger te lijken.

Opeens komt hij Annemieke tegen op de Zeedijk. Hij heeft haar weken niet gezien. Ze loopt daar, klein met alleen haar ogen boven haar dikke sjaal uit, haar hoofd naar de grond. Er is geen verband tussen haar plotselinge verhuizing en jeweetwel. Ze had gereageerd op een raamadvertentie. Ze had wel gedacht dat hij er misschien iets achter zou zoeken, ze was nog bij hem aan de deur geweest. Gaat ze met Ron samenwonen? Waarschijnlijk wel. Ze komt nog een keer langs maar kan nu nog niet tegen Ron zeggen: ik ga naar T. Ze praat nog wat door maar hij denkt alleen: ze is harder dan ik.

1000 Papoea’s komen om in gevechten met het Indonesische leger. Soeharto neemt alle macht over van Soekarno.

 Op een zaterdagmiddag zit Annemieke zo’n anderhalf uur op zijn kamer. Hij kan niets meer terugvinden van de twee nachten die ze samen hebben doorgebracht.

Gewapend met broekriemen, knipmessen en scharen hebben zo’n 140 marinesoldaten de zogenaamde CS-jeugd het Centraal Station van Amsterdam uitgejaagd. Daar waren 20, veelal langharige jongens en tien meisjes van tussen de 15 en 20 jaar aanwezig. Ze hingen in de hal van het CS rond sinds ze door de penose van de Dam waren gejaagd. Eerder had onroerendgoedmagnaat Caransa hun vorige pleisterplaats, het Rembrandttheater gesloten. De actie vond plaats nadat een dag eerder de Telegraaf een artikel had geplaatst onder de kop: “CS geen baas in eigen huis. Matrozenmeisjes lastig gevallen na afscheid van hun jongens”. Voordat de “jongens” optraden was er al een verslaggever en een fotograaf van dit blad aanwezig. De volgende dag publiceerden ze dan ook een smeuïge reportage. Evenals bij het optreden van de penose tegen deze jongeren bleef de politie weg, hoewel ze was gewaarschuwd. Wel hield de politie aan het begin van de Haarlemmerstraat een grote groep jongeren tegen die de CS-jeugd te hulp wilde komen. De NS hadden niet om bijstand gevraagd. De jeugd krijgt daarna een kelder aan de Prins Hendrikkade, waar de politie regelmatig invallen doet; volgens hoofdinspecteur Valken is deze jeugd toch alleen uit op rellen.

In de Poppub op het Rembrandtplein kijkt T lange tijd naar een lang blond meisje dat bij de deur is gaan staan. Opeens is ze weg. Dan kijkt hij lang naar een klein zwartharig meisje dat telkens van plaats verandert. Hij moet naar het toilet maar er is geen papier en de deur kan niet op slot. Het kleine meisje met het zwarte haar ziet hij wat later met een negerjongen de Phonobar op het Thorbeckeplein binnenkomen. Er komen nog een blond en een donkerharig meisje binnen die hij ook bij de Poppub gezien heeft. Een blonde man kijkt vaak naar hem. Een man met bontjas en bril komt naast hem aan de bar zitten, dut in, laat zijn sigaar op de grond vallen, trapt hem uit. Hij vraagt T in het engels wat de serveerster heeft gezegd. “Do you like boys?” zegt hij dan. “No,” zegt T, “anyway not in the way you mean.” De man legt uit dat T dan nog twee dingen kan bedoelen: “for money or not for money.” T zegt: “Okay, I’m sorry.” “Everybody is free,” zegt de man. Hij vertelt dat hij een pil heeft genomen, daarom zo slaperig is. Wat denkt T van het gebruiken van drugs? “Eh…,” zegt T. En wat vindt T van Vietnam? “That’s a lot of questions,” zegt T. “You’re right,” zegt de man, staat op en gaat weg, een andere jongen zoeken.

Een vrouw van in de dertig met lichte regenjas en blond krulkapsel gaat op een kruk vlakbij T zitten, maakt flauwekul met de serveerster, aait over haar arm. “Ik geloof dat ik hier vanavond maar blijf staan,” zegt de serveerster. Het blonde en het donkerharige meisje komen opnieuw binnen. Het blonde meisje kust de vrouw met het blonde krulkapsel en gaat met haar kruis boven de knieën van de vrouw staan en beweegt haar onderlijf heen en weer. “Even jou klaarspelen,” zegt ze. Het zwartharige meisje gaat tegenover T zitten. De vrouw met het blonde krulkapsel heeft geen zin om te werken maar het zal wel moeten. “Er is veel MP,” zegt het donkerharige meisje, “als het weer niet meezit, zit alles tegen”. “Je moet nu ook niet gaan lopen,” zegt de vrouw met het blonde krulkapsel, “om een uur of twee.” “En je moet je een keer laten pakken door zo’n MP,” zegt het blonde meisje, “een beetje glijmiddel, weetjewel, dan laten ze jou en je klanten de rest van de avond met rust.” “Of je vertelt ze iets wat ze graag willen weten,” zegt de vrouw met het blonde krulkapsel, “je moet een beetje investeren!” T heeft medelijden met het donkerharige meisje tegenover hem: ze heeft een te smalle spitse neus. Hij staat op en gaat naar huis.

Hij hoort Annemieke in de kamer naast hem. Ze maakt veel lawaai om hem te laten horen dat ze er is. Maar hij gaat zijn kamer niet uit. Misschien is het wraak waarom hij niet gaat kijken. Waarom komt ze op dit uur, half elf ’s avonds? Hij hoort haar rammelen. Hoe meer lawaai ze maakt hoe vaster hij besluit om niet te reageren. Maar hoe zal hij zich voelen als ze nu zonder meer weggaat? Zijn hart bonst. Ze kan zijn muziek horen. Bombom! Het lijkt wel of ze alles op de grond smijt om te laten horen dat ze er is. Maar het kan ook haar vriend zijn. Wat moet hij doen? Zijn hart gaat vreselijk tekeer, hij ziet het kloppen bij zijn buik. Hij maakt de deur open, hij hoort haar in het trappenhuis bij de kraan, hij hoort ook een mannenstem en maakt de deur weer dicht. Even later loopt hij langzaam de gang op. Hij ziet dat ze een steelpan weggooit en haalt hem weer uit de vuilnisbak, zij vraagt of hij een theedoek voor haar heeft. Ze bekvechten wat. “Was je nog van plan langs te komen?” vraagt hij. “Ja, morgen,” zegt ze. “Ik bedoel nu,” zegt hij, “morgen ben ik er niet.” “Nee, nu mag het niet,” zegt ze. “Fijn,” zegt hij, “enfin, je komt maar eens langs als je van je vriend mag.” Hij slaat haar met de theedoek om haar oren, trapt op haar tenen. Hij heeft dat nodig, hij wil haar over de knie leggen, moet zijn agressie tegen haar kwijt. “Als je toch alles vraagt aan je vriend,” zegt hij, “vraag hem dan eens of ik je een flink pak slaag mag geven. Als hij het goed vindt doe ik het.”

Staatsgreep van kolonels in Griekenland. Voor jongens worden lange haren verboden en voor meisjes minirokken. Scholieren moeten voortaan elke zondag naar de kerk en ter communie.

Hij moet zich helemaal wassen maar heeft geen zin. Hij heeft het water al een keer koud laten worden en is benieuwd hoe warm het, nadat hij het heeft opgewarmd en het wassen opnieuw uitgesteld, nu nog is. Het is 30 april, Koninginnedag. Omdat hij niet in vaste dienst is krijgt hij deze dag niet uitbetaald. Het is een nationale feestdag. Zoals op elke algemene feestdag voelt hij zich ver van de andere mensen afstaan. Zou hij schadevergoeding kunnen vragen? Leve de koningin? Eens beginnen met het nationaal programma op de radio uit te zetten. Misschien is dat de oorzaak van alles: de stem van Duys. Had het ongetwijfeld eerder moeten doen.

Terwijl hij een grote koelkast op een steekkar over de hoge drempel van het magazijn op de Zeedijk probeert te krijgen, ziet hij hoe aan de overkant een vrouw in een heel kort rokje de trap af komt. Als ze helemaal te zien is heeft ze een lelijk gezicht en een hoofddoek met daaronder krulspelden. “Godsklere!” zeggen de meisjes die de ramen van het café lappen. Daarna staat hij uren onder de houten trap naar de kelder vrachtwagens te lossen. Hij had gehoopt dat Corrie over die trap zou komen zodat hij onder haar rok kon kijken. Maar ze kwam niet. Hij moet toegeven dat hij haar hoe dan ook graag even gezien had.

Wanneer hij naast zich gestommel hoort, gaat hij niet meer kijken. Het zou Annemieke kunnen zijn, want ze heeft haar kamer pas volgende maand opgezegd omdat ze haar spullen niet kwijt kon. Hij zou wel willen dat ze kwam en gewoon deed. Ze doet zo omdat ze eigenlijk dolgraag met me naar bed wil maar de relatie met haar vriend niet opnieuw op het spel wil zetten, troost hij zichzelf. Hij heeft zin haar na te doen en op de gang te roepen: “Ik voel je tot híer, joh!”

Burgemeester van Hall, die weigerde zelf ontslag te nemen, is door de regering ontslagen. Aanleiding zijn de rellen en het politieoptreden van juni 1966. Eerder, vorig jaar, had de hoofdcommissaris van politie al ontslag gekregen.

Het Internationaal Vietnamtribunaal onder leiding van de filosoof Jean-Paul Sartre heeft in Stockholm de VS schuldig bevonden aan agressie in Vietnam, aan massale, systematische en opzettelijke bombardementen op burgerdoelen en aan de schending van de soevereiniteit en neutraliteit van Cambodja. Ongeveer 10.000 mensen demonstreren in Amsterdam tegen de Amerikaanse Vietnamoorlog. De zwarte Amerikaanse wereldkampioen zwaargewicht boksen, Mohamed Ali, krijgt vijf jaar gevangenisstraf omdat hij weigert zijn militaire dienstplicht te vervullen.

Geschreeuw, gehuil van een vrouw midden in de nacht op de gang. Het is een dik Amerikaans meisje dat bij de buurjongen slaapt. Als T vraagt wat er is zegt ze: “Vietnam.” Maar als ze de volgende dag weg is zegt de buurjongen: “Ze had geen kut en wilde dat ik haar in haar kont neukte, maar daar had ik geen zin in, niet hier, niet in deze omstandigheden”. Ja, denkt T, stel dat hij er onder de stront uitkomt, kun je het eerst met papiertjes afvegen, die papiertjes moet je daarna weer uit de prullenbak halen omdat het te erg stinkt, je moet ze in een plastic zak doen, dan moet je wat aantrekken en een bakje water pakken op de gang en dan pas kun je je wassen op je kamer, en dan hebben we het niet eens over haar. “Ik was kwaad omdat ze het niet van tevoren gezegd had,” zei de buurjongen maar zij had gezegd: “Als ik het van tevoren zeg wil je me niet, terwijl als we zover zijn en je merkt het of ik zeg het en je mag in mijn kont, dan maakt het meestal niks meer uit.” “O, speel jij het altijd zo,” had hij gezegd en was kwaad geworden. “Ik moet wel,” had ze gezegd en was gaan huilen.

Je zou de macht of eigenlijk de oorlog moeten reduceren: president Johnson van de VS vecht tegen de president van Noord-Vietnam. Toch zou dat weer niet fair zijn tegenover die ouwe Ho Chi Minh. Misschien heeft T te veel zwart-wit cowboyfilms gezien: naïef! Hier in Amsterdam spelen ze agentje met hun geweer, hun revolver, hun sabel en hun gummistok voor doffe klappen.

Allicht zeg dat de openbare orde, hoezo orde?, verstoord mag worden als het erom gaat te protesteren tegen fascisme en massamoorden! Zeker als de handhavers van die orde ook nog eens opvallend gelijke trekjes vertonen met de sujetten waartegen men protesteert… Wie anders dan blaaskaken gaan er bij de politie! Wedden dat het daar barst van de fascistische tendensen? Stoere pik zal wel eens de orde, wiens orde eigenlijk?, handhaven.

T ergert zich aan zichzelf als hij zich heeft laten verleiden om in discussie te gaan met Amerikaanse soldaten op verlof. Het valt op dat Amerikaanse militairen die hier komen er zo ouderwets uitzien. Het zijn over het algemeen vetkuiven.

Israël valt met luchtsteun van de VS en Engeland zijn Arabische buurlanden aan. De Egyptische luchtmacht, en ook die van Syrië en Jordanië, wordt op de grond vernietigd. Israël houdt na deze zesdaagse oorlog grondgebied van Egypte, Jordanië, waaronder het oude, zogenaamde “Oost”-Jeruzalem, Syrië en Libanon bezet.

In Newark zijn deze zomer 26 zwarten gedood, in Detroit 41. Afgevaardigden van tientallen zwarte organisaties zijn bijeengekomen in een “Black Power”-conferentie. Voortaan zal geweld met geweld worden beantwoord.

T loopt nog steeds veel rond. Een man drukt zijn gezicht tegen het raam van de oude hoer die achter donkere vitrage in een schemerig kamertje zit en die je niet opvalt als je het niet weet. De man klopt op het raam en nu ziet ze hem en staat op. Het is een vrouw, ziet T nu, met wie hij verschillende keren in het café op de Nieuwmarkt heeft zitten praten en die de laatste keer stiekem naar hem lachte als een wat aangeschoten man haar probeerde te kussen. “’t Is een erg aardige kerel hoor,” zei ze, “maar als-ie gedronken heeft… En ik krijg nog een borreltje ook hoor als ik met hem dans maar ja…” en ze lachte.

De man die over het bruggetje over de Oude Zijdskolk heen en weer loopt, naar het bordeel kijkt en met zijn hand via de zak van zijn regenjas aan zijn lul zit.

Twee mannen liggen met hun hoofd helemaal open op straat, naast hen de gekantelde wagen. Een ligt doodstil, de ander houdt zijn hoofd met beide handen vast en schreeuwt met lange uithalen, als een hysterische vrouw.

De Tweede Kamer neemt een motie aan waarin de regering wordt verzocht er bij de Amerikanen op aan te dringen om de bombardementen op Noord-Vietnam te stoppen. Opvallend is dat niet gevraagd wordt om terugtrekking uit geheel Vietnam of stopzetting van de oorlog, het doel van de eerste Vietnamdemonstraties.

In een café op de hoek van de Amstel krijgt T een pils van een man van zo’n achtentwintig die aan de overkant van de bar staat. Hij geeft er een terug. Het loopt tegen sluitingstijd. De man komt naast hem staan en oppert dat ze nog ergens anders naartoe kunnen gaan. Of T nog bij zijn ouders woont. “Nee,” zegt T, “en ik ben niet te versieren.” Daar moet de man erg hard om lachen, het moet een keer de eerste zijn. Wat denkt hij eigenlijk van die actievoerders? Ze konden wat vrijen in zijn wagen. Is het niet heerlijk om zo’n agent een steen midden in zijn gezicht te smijten! T kon hem een zoen geven. “Nee,” zegt T, “ik ga naar huis. Tot ziens.”

Hij is langs de hoeren gelopen. Maar, had hij tegen zichzelf gezegd, ik maak niet dezelfde fout als de vorige keer. Ik loop rond, kijk goed naar ze, als ik een stijve krijg ga ik naar binnen. Maar het werd niks. DE hoer niet gezien, voor de zoveelste keer al niet.

De beroemde linkse guerillastrijder Che Guevara is in Bolivia gearresteerd en daarna vermoord. De Franse schrijver Régis Debray wordt in dat land tot 30 jaar veroordeeld wegens steun aan de guerillastrijd. Hij had contact gezocht met Che Guevara, volgens zeggen van Debray alleen om hem te interviewen.

Moet hij eigenlijk niet naar Zuid-Amerika gaan en aan de kant van de guerilleros vechten? Wat is eigenlijk het excuus om niet te gaan? Heeft iemand het recht te zeggen: ik ben moe, het is me te moeilijk, ik heb genoeg van het me moeilijk maken, ik wil gewoon mijn eigen leven leiden en van daaruit eerlijk proberen te blijven?

Hij heeft nu meer dan een jaar geprobeerd alles bij te houden wat er in de wereld gebeurt. Verder nergens tijd voor. Moet hij daar dan maar mee stoppen? Maar nauwelijks enkele minuten later beseft hij, na het nieuws gehoord te hebben, dat het weglaten van dit alles de dood zou betekenen voor zijn nieuwe bestaan.

Ex-nazigeneraal Von Kielmansegg is weg als opperbevelhebber van de NAVO-strijdkrachten in Midden-Europa. Maar zijn opvolger is een SS-er: Schnez, onder andere verantwoordelijk voor het in 1942 ter plaatse doodschieten van joden in Poltawa in de Oekraïne.

De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties eist met algemene stemmen dat Israël zich terugtrekt uit de bezette gebieden. Israël negeert de resolutie.

Zijn baas staat opeens belangstellend stil bij de luidspreker van de radio en kijkt T met grote ogen aan. “Wat is er?” vraagt T. “O, een stel linkse jongelui hebben een warenhuis bezet om te protesteren tegen het kapitalistische sinterklaasfeest.” T zegt dat hij het ook een kapitalistisch feest vindt waar alleen de winkelier, de groothandel en de fabrikant iets mee op schieten.” “Wat zijn jullie toch dom,” zegt zijn baas en staart schuin over hem heen, “ik begrijp niet dat jullie je nog studenten mogen noemen. Dat die werkloosheid nu zo goed als weg is, waar ligt dat aan? Aan de sinterklaas! Waar zouden die studenten, waar zou jij met je grote mond, jij zou hier niet werken als er geen sinterklaas was!”

Zeven leden van de Ku Klux Klan worden tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld vanwege de moord op drie strijders voor burgerrechten.

Als oude man, na de dood van zijn vrouw en als zijn kinderen weg en getrouwd zijn, gaat hij terug naar deze fijne buurt van Amsterdam, naar de Nieuwmarkt en leeft hij in de café’s met de andere zonderlingen.

Tijdens het zogenaamde Tet-offensief dat een maand heeft geduurd lanceert de Vietcong spectaculaire aanvallen op Amerikaanse bases, op de ambassade van de VS en regeringsgebouwen en steden in heel ZuidVietnam. De aanvallen zijn zo goed voorbereid en wijd verspreid dat zij slechts konden plaatsvinden met brede ondersteuning van de plaatselijke bevolking.

In de wasserette ziet hij een mooie jonge vrouw, degelijk maar modern gekleed. Hij heeft haar goed aangekeken en zou graag een verhouding met haar willen hebben. Soms keek ze terug. Ze was op de fiets, dat vertederde hem helemaal. Laat ze nou die middag in dezelfde lichtgroene getailleerde jas voor hem staan in de rij voor de kassa van Simon de Wit! Ze zag hem niet of deed alsof. Waarschijnlijk zal hij haar vaker tegenkomen. De vraag is hoe hij met haar in contact komt. Ze maakt een bedeesde indruk, echt een vrouw om te verleiden.

Hij loopt door zijn kamer, verwijt tv-presentatrice Mies Bouwman voor de zoveelste keer dat ze een probleem waar zoveel vooroordelen over bestaan zo afhandelt, houdt een verhandeling over de dingen die moeten veranderen, verwijt de communisten dat ze ook niet eerlijk zijn, spreekt vergaderingen toe, bekijkt zichzelf daarbij in de spiegel, vergelijkt zichzelf met de Duitse studentenleider Rudi Dutschke en vindt het tijd om in de openbaarheid te treden.

Aanslagen op gebouwen van het Springerconcern in West-Berlijn. Het krantenconcern voert al maandenlang een hetze tegen de studentenbeweging en de Vietnamdemonstranten. In Den Haag aanslagen op de ambassades van Spanje, Portugal en Griekenland, landen met een uiterst rechts dictatoriaal regime. Opvallend is dat geen van de aanslagen door een linkse groepering wordt opgeëist. Velen denken dan ook aan een provocatie van uiterst rechts.

De president loopt met een levensgroot kruisbeeld. In elke hand van Christus een automatisch pistool dat vuur spuwt. De dictator die vrijheidsstrijders onderdrukt, priesters om hem heen, telkens wanneer ze een kruis slaan knetteren de machinepistolen. De militairen marcheren: RECHTS, links… LANGE stap, korte stap. Dan alleen: RECHTS, RECHTS… het linkerbeen wordt heel snel bijgetrokken.

Een jongen vraagt T in het Engels een kwartje voor brood, hij heeft al twee kwartjes. T is op weg naar het postkantoor en denkt: als ik hem op de terugweg zie neem ik hem mee naar mijn kamer en geef hem wat warms te eten, laat hem zich warmen bij mijn kacheltje maar zeg dat hij niet te lang kan blijven want dat ik het druk heb maar dat hij kan terugkomen wanneer hij wil.

Ziezo, Nederland is totaal ontwapend. Een kleine vrijwilligersgroep wordt nu en dan ingezet om de vrijheidsstrijd tegen fascistische regimes te ondersteunen. Dus dat is ook in orde.

Minister Luns van Buitenlandse Zaken wordt door de Tweede Kamer op zijn vingers getikt voor de manier waarop hij de vorige motie van afkeuring van het Amerikaanse beleid aan de regering van de VS heeft overgebracht, hij had deze gebracht als “zijnde de mening van het Nederlandse parlement”, daarmee aangevend dat de Nederlandse regering er anders over dacht. Opnieuw wordt een motie aangenomen die het VS-beleid veroordeelt.

De Amerikaanse opperbevelhebber in Vietnam wordt teruggeroepen en vervangen. Er zijn nu officieel een half miljoen Amerikaanse soldaten in Vietnam. Vorig jaar vonden er zo’n tienduizend de dood. Het aantal slachtoffers aan Vietnamese kant is onbekend.

Toen de Amerikanen Hué in Zuid-Vietnam heroverden werden er massagraven aangetroffen, met een gezamenlijke inhoud van ruim duizend lijken, de meesten geboeid, velen gedood door kogels, een groot aantal onthoofd, veel anderen levend begraven. Dit zou gebeurd zijn tijdens de bezetting van een maand door de Vietcong en de NoordVietnamezen. Dit is dankbaar voer voor de verdedigers van de Amerikanen. Waarom weet hij niet hoe de vork werkelijk aan de steel zit? Een teken dat hij de zaken nog steeds niet goed bijhoudt.

Soms wil T studentenleider worden, maar daarvoor moet je student zijn en dat zal hij nooit worden. Hij zal een andere manier moeten vinden om zich te uiten.

Hij loopt over de Nieuwmarkt en ziet een dame oversteken die hem aankijkt en als hij alweer op de hoek van de Rechtboomsloot is realiseert hij zich dat het de dame was waarvan hij die keer in de wasserette onder de indruk kwam en die hij later die dag nog een keer zag bij Simon de Wit. Hij blijft staan, draait zich om en kijkt haar na terwijl ze over de Nieuwmarkt loopt en op de Zeedijk verdwijnt. Ze droeg deze keer geen groene maar een bruine jas.

Er is van de moordenaar van Marten Luther King nog steeds geen spoor, wel is er een geweer gevonden. 25 à 30 mensen gedood tijdens de onlusten na de dood van Martin Luther King, uiteindelijk worden het er 46. Gisteren was er een moordaanslag op de Duitse studentenleider Rudi Dutschke, neergeschoten door een nog onbekende jongeman. Dutschke raakt zwaargewond maar overleeft. Overal demonstraties en rellen, vaak gericht tegen het Springerconcern. Tweehonderd politieke moorden van rechts, dertig van links.

Een miljoen betogers tegen De Gaulle in Parijs. De studenten zijn al een aantal weken in opstand onder leiding van Daniel Cohn-Bendit. Veel intellectuelen, waaronder Sartre en Simone de Beauvoir, ondersteunen de acties. De vakbonden houden een vierentwintiguursstaking. In Duitsland worden noodtoestandwetten aangenomen. Andreas Baader is veroordeeld tot 3 jaar tuchthuis vanwege brandstichting.

Hij heeft voor het eerst met Annelies, het meisje van de overkant van het trappenhuis, gegeten, ze draagt een kortere rok. Hij zou haar nu best willen neuken. Hij kon steeds een stukje zien van haar bh die haar grote borsten bedekt. Hij vraagt haar naar haar buurman in het gangetje aan de overkant van het trappenhuis, de wat oudere man met het sluike vette haar die er soms als een zwerver uitziet en dan weer een net pak aan heeft. Ze vertelt dat hij altijd de gang op komt als zij bij de wasbak bezig is. “Heb je nog gezegd dat je hem het politiebureau uit hebt zien komen?” vraagt T. In werkelijkheid was hij het zelf die hem gezien had. “Ja,” zegt Annelies, “hij had makkelijk wat kunnen verzinnen, aangifte, gevonden voorwerpen of zoiets, maar hij zei: ‘Ik doe wel eens wat voor ze.’ Zei ik: “Hoe bedoel je: ik doe wel eens wat voor ze, ben je een verklikker?” ‘Zou ik zijn als ik alleen ten nadele van die jongens werkte. Ik geef de ene kant wat en dan de andere kant wat. Ben ervan overtuigd dat die penosejongens er uiteindelijk het beste afkomen,’ had hij gezegd. Annelies vertelt nog meer, ze wil nu duidelijk bij T in de smaak vallen. In de kerk heeft de dominee gezegd dat christendom en marxisme niet te verenigen zijn. Als de gelovigen uitingen van marxisme om zich heen opmerken, moeten ze goed opletten en het rapporteren. Rapporteren aan wie? hadden de mensen gevraagd. Vertel het voorlopig maar aan mij, had de dominee gezegd.

Robert Kennedy vermoord. De dader is een Palestijn met als motief de oproep van Kennedy voor militaire steun aan Israël. Omdat die steun niets nieuws is en Robert Kennedy een grote kanshebber was voor het presidentschap blijft er, evenals bij de moord op zijn broer, president John Kennedy in december 1963, veel onduidelijk. Driehonderdenvierenvijftig moorden van rechts, vierentwintig van links. Dat is minder van links dan de vorige keer, hoe kan dat? Noodtoestand in Berkeley VS, vanwege de opstand van de studenten in deze universiteitsstad. Rassenonlusten in Chicago, Miami en Little Rock.

Hij komt op zijn werk de lift op de vijfde verdieping uit en hoort een enorm gestommel. Het zijn vallende doosjes met fluitketels. Het is collega Nico die met een rooie kop van de stapel dozen komt waarachter het gaatje in het matglas zit dat uitzicht biedt op het kamertje van een hoer aan de overkant van de Zeedijk. Wie ben ik? denkt T om deze jongen te veroordelen? Zelf sta ik onder de trap in de hoop onder de rok van Corrie te kijken en ’s avonds thuis trek ik me af en denk aan haar.

Of aan Annemieke, voegt hij eraan toe.

Het Warschaupact valt Tsjecho-Slowakije binnen om de zogenaamde Praagse Lente te beëindigen. De hervormingsgezinde president Dubček wordt naar Moskou afgevoerd. VS en Europa protesteren slechts formeel.

Opeens ziet hij de dame van de wasserette. Ze draagt weer haar groene jas. Hij blijft staan op de Nieuwmarkt en kijkt haar na tot ver in de Korte Koningstraat, tot hij haar niet meer ziet.

In het kraakheldere kaaswinkeltje met de kraakheldere wat oudere man en vrouw in witte jassen midden op de smoezelige Zeedijk koopt hij, als hij aan het werk is en vindt dat hij het verdiend heeft, een broodje met roomboter en oude kaas, altijd weer verbaasd deze winkel met deze mensen hier aan te treffen. De man heeft natgemaakt gladgekamd grijs haar en een bril met donker montuur. Net als hij heeft ook zij een net schoongeschrobd gezicht met blosjes. Hoogtepunt van de voorstelling is altijd weer als er een ordinaire del binnenkomt, de winkeliers met oom en tante aanspreekt en plat maar beleefd zegt: “Hep-u voor mij een onsje kaas? Weertje hè, oom Kees en tante Jet.”

Tijdens een demonstratie van 15.000 mensen tegen de regering heeft de politie in Mexico-stad het vuur geopend en honderden mensen gedood. Over 10 dagen zullen hier de Olympische Spelen beginnen. Bij de huldigingsceremonie tijdens de Spelen brengen twee zwarte medaillewinnaars de Black Powergroet en worden later voor het leven geschorst. Nederland wint 3 gouden, 3 zilveren en een bronzen medaille.

Café de Vriendschap. “Ik doe niets,” zegt de vrij oude man huilerig, “ik kom gewoon mijn pilsje drinken.” “Ik sla hem op zijn sodemieter,” zegt de ongeveer dertigjarige man met om zijn hals een rozenkrans die hij zegt te hebben gekregen van een knap nonnetje: “Ik zeg tegen haar: neem hem maar in je mond.” “Begrijp u mijn?” zegt de oude man. “Origineel? Begrijp u mijn?” Hij heet Harmen Ridder, 64 jaar, geboren in Doornspijk, litteken rechterwang. “Het is een Turk,” zegt iemand, “komt voor Ajax-Fehnerbace vanavond.” T schiet in de lach. Hoe lang is dat geleden dat hij dezelfde grap hoorde toen er een andere Turkse club tegen Ajax voetbalde? De man met de rozenkrans heet Sjonnie, hij wil T’s sjaal. Een neger knoopt midden in het café zijn gulp los. Een man met waterige ogen loopt hem achterna en zegt dat hij dat niet moet doen en brengt hem terug naar het tafeltje waar ze zaten te praten. “Hou je in, roetpijp,” zegt de barman.

De Olympische spelen voor gehandicapten op de radio, in de krant een vrouwtje in de banken van de avondschool voor volwassenen. Janken.

Zijn haar begint langzamerhand zijn schouders te raken.

De briefkaart die hij naar het ministerie van Defensie heeft gestuurd om te protesteren tegen de verhoging van de defensie-uitgaven met 225 miljoen gulden heeft niet geholpen. In een café op de Prins Hendrikkade, vlakbij de Schreierstoren, praat hij met een directeur van een reclamebureau die de reclame wel zou willen vervangen door voorlichting, maar wat moet je voor voorlichting geven over van Dam chips?, en die vindt dat je geen kritiek mag leveren als je geen pasklare oplossing achter de hand hebt. En verder heeft hij gepraat met een meneer die veel reisde en in een concentratiekamp had gezeten en omdat hij dat nooit meer wilde meemaken die 225 miljoen erbij wilde.

In Biafra sterven dagelijks 8 tot 10 duizend mensen. Zou hij niet eens moeten informeren wat hij kan doen? Zijn krantenknipsel met “Nieuwe actie voor ontwikkelingshulp” kan hij wel van de muur halen. Het staat in geen verhouding. Moet hij zich dan alleen met Biafra, Vietnam, Tsjecho-Slowakije, Mexico, Zuid-Amerika, Portugal, Griekenland, Spanje, studentenrevoluties, Rusland, China enzovoort bezighouden?

Eindelijk heeft hij iets om op zijn schuine dakwand te prikken; talrijke feiten over Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië: hele kampongs uitgemoord, gevangenen vermoord (ga maar even pissen in de kali), martelen (draden van de veldtelefoon op testikels en dan draaien aan de slinger), het als cadeau verpakte hoofd van een vrijheidsstrijder als verjaardagspresentje voor de commandant, enzovoort, enzovoort. Naast het artikel over de oorlogsmisdaden van de Nederlanders hangt hij een artikel van een Tilburgse professor met kritiek op het huidige kapitalisme. Maak economie ondergeschikt aan de mens, niet andersom.

Het is zijn eerste demonstratie. Het is geen demonstratie van meer dan 10.000 mensen met als leus: “Stop de bombardementen.” Het is de maandelijkse, radicale demonstratie van enkele duizenden mensen, de demonstranten van het eerste uur met leuzen als “Johnson moordenaar” en nu “Nixon moordenaar” en “Viva Vietcong!”, “Amerikanen uit Vietnam” en “Ho, Ho, Ho Chi Minh!” Ze worden nog steeds lastig gevallen en geprovoceerd door de politie, het wordt ze verboden naar het Amerikaanse Consulaat op het Museumplein te gaan. Als ze dat toch doen worden er charges uitgevoerd. T moet vluchten. Thuis bekijkt hij de pamfletten die hij in zijn hand geduwd heeft gekregen. Hij staat in het trappenhuis te wachten tot het water op het gastoestel heeft gekookt en leest ondertussen het verfrommelde stencil. De buurman met het sluike haar komt de trap op, mompelt goedenavond en loopt achter hem langs het gangetje in naar zijn kamer. Opeens denkt T: ik heb die man de afgelopen uren ergens gezien! Het is een pamflet van Cineclub, T gaat een paar dagen later in een buurthuis naar een film over het slachten van koeien in Argentinië. Het is gruwelijk hoe de koeien aan hun einde komen. Hij tekent de petitie. Daarna krijgt hij regelmatig post van Cineclub. Hij wordt vegetariër. Hij heeft wel veel meer tijd nodig om te koken. Het is toch weer een stap verder op de weg naar het gelijkschakelen van zijn gedrag met zijn ideeën.

De 20-jarige student Jan Palach heeft zich op het Wenceslasplein in Praag in brand gestoken uit protest tegen de Russische bezetting van Tsjecho-Slowakije. Zijn begrafenis wordt een stille demonstratie van 100.000 mensen. De zelfverbranding een paar weken later van een andere student wordt door de media in Praag afgedaan als de daad van een psychopaat. Kafka, janken.

Terwijl hij op de tram staat te wachten dragen aan de overkant twee mannen op hun rug bebloede halve runderen een slagerswinkel binnen.

Eindelijk een eerlijk en radicaal mens te zijn, het ene moment met een begrijpende glimlach voor al die blunders en tekortkomingen, het andere moment met een machinegeweer gericht op de uitbuiter.

Op het Leidseplein staat hij in een bar naast een jonge vrouw. Ze kijkt nogal zorgelijk en dat bevalt hem. Hij kijkt haar aan, glimlacht een beetje, bloost en kijkt weer voor zich. Zij kijkt onderzoekend van opzij naar hem. Als haar glas leeg is drinkt hij snel het zijne leeg maar ze is hem voor en bestelt opnieuw voor haarzelf. Na een aantal glazen bier heeft hij de moed te zeggen: “Weet u waar je hier zoal naartoe kunt?” “Naar die bar hiernaast,” zegt ze. “Daar ben ik al geweest,” zegt hij, “ik zag u binnenkomen en terugschrikken. Was het te druk?” “Mijn vriend moet hier ergens rondhangen,” zegt ze, “maar ik zie hem niet.” “Ik kom hier nooit,” zegt hij, “ik weet helemaal niet waar je hier naartoe kan.”

Hij vertelt waar hij woont en waar hij meestal naartoe gaat. Als ze wat later de trap naar het toilet op klimt glimlacht ze naar hem. Hij staat in twijfel of hij haar achterna moet gaan maar hij hoeft nog niet. “Wilt u iets drinken?” zegt hij tegen haar. “Ik kan het nu nog doen zolang uw vriend er niet is.” “Ik ga zo,” zegt ze. “Weet u het heel zeker? “zegt hij. “Ja, heel zeker,” zegt zij. Ze rekent af en vergeet hem goedendag te zeggen. Hij kijkt nog wat naar een meisje aan de overkant van de bar dat soms terugkijkt, maar hij krijgt opeens overal genoeg van en is om kwart over twaalf thuis.

Na een verpletterende nederlaag in een referendum is de Franse president De Gaulle afgetreden. De opstand van mei ’68 had mede zijn aftreden tot doel. Na de door hem vorig jaar juni uitgeschreven verkiezingen wist hij een tijdelijke “restauratie” te bewerkstelligen.

Op de kermis van de Nieuwmarkt loopt T de vrouw van de Leidsepleinbar tegen het lijf. Ze komt lachend op hem toe. “Dat is toevallig,” zegt hij. “Nee,” zegt ze, “ik hang hier al een paar uur rond. Je had gezegd dat je hier in de buurt woonde en dat je wel eens naar de kermis ging.” Ze gaan in het reuzenrad, zij is bang, ze moet huilen. Hij moet daar eerst een beetje om lachen, hij schat haar toch een kleine twee jaar ouder dan hij. Dan slaat hij een arm om haar heen. Op haar kamer kijkt hij naar haar terwijl ze met opgetrokken benen tegenover hem in een lage stoel zit. Ze speelt met een glad zwartgroen marmeren eitje. Hij vindt dat ze uitgesproken geil kan grinniken. Hij hurkt voor haar neer en pakt haar handen vast samen met het eitje. Het moet dat gegrinnik zijn waardoor hij durft te zeggen: “Zal ik dat eitje in je kutje stoppen?” Ze hinnikt nu zowat van geilheid en trekt hem over zich heen. “Dan krijgen we het er niet meer uit, “ zegt ze. “Stop maar gauw dat andere ding erin, je maakt me helemaal nat.“ En daarna zegt ze nog een paar keer terwijl ze wegzwijmelt: “Helemaal nat!” Later zegt ze: “Ik dacht eerst dat het er niet meer van zou komen” en “je doet zo heerlijk alles” en “je bent de eerste die me echt goed neukt.” “Hoe is het eigenlijk met je vriend die je toen zocht?” vraagt hij. “O, dat is gewoon een vriend,” zegt zij, “die zie ik zo nu en dan.” Ze vertelt dat de vriend journalist is en noemt zijn naam. T kent de naam en concludeert dat het een nogal rechtse journalist is en in zichzelf zegt hij: dus neuken kan hij ook al niet.

“Ik krijg opeens 25 piek!” zegt Jan, de student die op de kamer van Annemieke is komen wonen. “Zomaar opeens. Van een kerel op straat die ik helemaal niet kende. Hij vroeg of ik ook nog naar het Maagdenhuis ging. Ik heb gezegd: ja, ik denk het wel, ben al een keer geweest, kon er niet in, maar ik ga wel terug, met mijn buurjongen waarschijnlijk. ‘Dank je,’ zei de man en gaf me een geeltje, ‘we spreken mekaar nog wel.’ Hoe? zei ik nog. ‘Ik vind je wel,’ zei hij. Nou, mooi verdiend toch?” “Lul,” zegt T. “Ik heb toch niks verteld wat geheim is!” zegt Jan. “ ’t Is toch zo, iedereen mag dat toch gewoon weten!” “Toch ben je een lul,” zegt T.

T gaat weer vlees eten als hij in het dagboek van Che Guevara leest hoe de guerillastrijders overleven door de vondst van worstjes in blik.

Op de tweede dag van de bezetting van het Maagdenhuis, het bestuurscentrum van de universiteit van Amsterdam, gaat hij met Jan, zijn nieuwe buurjongen, naar het Spui. Ze lopen om het cordon marechaussee, om de gebouwen heen en slagen er niet in binnen te komen. Hij ziet hoe een mevrouw kroketten koopt bij Broodje van Kootje en hoe die in een doosje aan een touwtje op de eerste verdieping boven de aula, een gebouw naast het Maagdenhuis, naar binnen worden gehaald. De volgende dag raakt hij via de universiteitsbibliotheek en veel kruipdoor-sluip-door en over een provisorische loopbrug in het Maagdenhuis. Hij was net de universiteitsbibliotheek binnen toen de politie een aanval deed op de glazen deuren. De agenten kwamen niet verder dan het voorportaal en werden daar als in een aquarium bekeken door de studenten binnen en buiten. Na een poosje trokken ze zich onder luid gejoel terug. Ze waren niet gerechtigd een universiteitsgebouw binnen te dringen.

T is op het dak. Op straat wordt nu hevig gevochten. Een jongen wil een zware typemachine die hij in de dakgoot heeft gezet naar beneden op de politie gooien. Ze worden door de ordedienst uit de dakgoot geroepen.

T is verbaasd dat een beroemd iemand als de ex-provo Rob Stolk hier gewoon staat te stencillen. Dan ziet hij in het raam bij de loopbrug iemand staan die hij kent. De bekende trekt voedsel aan een touw naar binnen en wordt daarbij door een waterkanon van de politie met een nogal slappe waterstraal natgespoten. T ziet in gedachten hoe de rossige baardige man een gebaar maakt alsof hij iemand optilt en dan bovenop de kap van een auto zet, vervolgens ziet hij hem het bierschuim uit zijn snor vegen. T heeft Rooie Willem van de Rode Jeugd teruggevonden met wie hij bijna 3 jaar geleden heeft gedronken en die hem in hun actielokaal hebben laten slapen op het einde van de dag van de bouwvakkersopstand, de dag waarop T meteen bij aankomst in Amsterdam een klap op zijn hoofd kreeg van een agent, waardoor hij alles in een waas beleefde en lange tijd vergat waar hij was geweest en wat hij had gezien en meegemaakt.

(Uit de roman Mijn liefde is scharlakenrood van Meurs A.M., in nieuwstaat alleen nog verkrijgbaar via Boekwinkeltje Wonderland , zonder verzendkosten in Nederland en België. U koopt bij de auteur, op uw verzoek is gesigneerd en een opdracht mogelijk)
(HELAAS BIJ MIJ OP DIT MOMENT UITVERKOCHT. Kijkt u bij anderen op Boekwinkeltjes.nl en probeer de uitgave van Booklight te pakken te krijgen vanwege de bladspiegel en lettergrootte. De mooiste uitgave is die van 228 pagina’s. Voor de inhoud maakt het niet veel verschil)

De ‘nieuwe’ pakjesman of toch gewoon Het ‘nieuwe’ lawandorder-mannetje? (Over Aboutaleb)

Mijn stukje in 2006 <De ‘nieuwe’ Securitate, beste meneer Aboutaleb>,
die toen nog wethouder was in Amsterdam, begon zo:

‘Tijdens het regiem van Ceaucescu, waarmee het Westen, bijvoorbeeld de regeringen van Engeland en Nederland, zo wegliep – ze lieten hun koningin meneer en mevrouw Ceaucescu als een vorst ontvangen – werd er vaak bij de burgers op de deur gebonsd onder de roep: “Securitate!” .
Kort nadat de Roemeense dictators waren terechtgesteld, vertelde in de Bali in Amsterdam een Roemeense schrijver een anekdote:

‘Na de democratische revolutie werd alles “Nieuw” genoemd, de “nieuwe” regering, de “nieuwe” vakbond, de “nieuwe” krant, ga zo maar door, hoewel veel mensen uit de oude tijd op hun oude plaats bleven zitten. Zo werd er ook na de revolutie weer op de deur gebonsd en toen men vroeg wie daar was, klonk het: “De nieuwe Securitate!” ‘

Ondertussen is het 15 jaar later en heeft Aboutaleb als burgemeester van Rotterdam zich met zijn politie vaak gewelddadig en illegaal misdragen tegenover demonstranten en is daar ook even vaak voor teruggefloten, zowel door de rechter als door de ombudsman. Maar het kwaad is dan al geschied en er staan helaas geen sancties op. Voorbeelden: het in 2016 gewelddadig insluiten, aanhouden en beboeten van demonstranten die met lege (verhuis)dozen naar het Maasgebouw wilden met de boodschap dat algemeen directeur Eric Gudde moest vertrekken.

Hetzelfde gebeurde met het gewelddadig optreden tegen o.a. #antizwartepietacties en #blacklivesmatter. En recent deden Aboutaleb en zijn politie het opnieuw tijdens de #woonopstanddemonstratie. Ze haalden met grof geweld een groep vredig demonstrerende anti-fascisten uit de demonstratie. Opnieuw heeft dit hevige verontwaardiging opgeroepen, op de eerste plaats van de overige demonstranten. En ongetwijfeld zal Aboutaleb hiervoor opnieuw op zijn vingers worden getikt. Maar zolang er geen sancties op een dergelijke aantasting van het #demonstratierecht staan, zal hij het even ongetwijfeld een volgende keer weer proberen. Hoe lang dulden we dit nog?

Mijn stukje uit 2006 heeft als aanleiding dat Aboutaleb als wethouder van Amsterdam mensen die afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering onaangekondigd controleurs op hun dak stuurt. Mijn standpunt was: je belt in deze tijd niet meer zo maar onaangekondigd bij iemand aan. Ik schreef: ‘… of een paar keer per jaar is het misschien de postbode die een pakje wil afgeven.’ En kwam tot de conclusie dat eigenlijk alleen de glazenwasser nog een keer per maand aanbelde. Aboutaleb mocht van mij dan, als hij zo nodig moest, aanbellen als de ‘nieuwe’ glazenwasser.
Maar die toestand is ingrijpend veranderd. Tegenwoordig is het de Pakjesman die tenminste 3 keer per week aanbelt, en als het niet voor jou is, dan wel voor iemand in de buurt. Met alle gevolgen van distributiecentra in de natuur en eindeloos rondrijdende busjes in de bebouwde kom. Daar moeten we natuurlijk, vanwege gezondheid, milieu, klimaatverandering zo snel mogelijk weer vanaf.
Dus Aboutaleb aan de deur, als hij zo nodig moet, als de ‘Nieuwe’ Pakjesman heeft geen toekomst.
Dan toch maar, als hij zo nodig moet, als het ‘nieuwe’ lawandorder-mannetje?
Er is eigenlijk niks nieuws meer aan Aboutaleb wat dit betreft, maar vooruit, het schept in ieder geval duidelijkheid.
Maar sorry, een fooitje zit er niet meer in. Ik denk dat ik zelfs voorlopig niet meer opendoe. Jammer misschien voor de echte pakjesman.
Maar, al zijn de redenen dan heel verschillend, net als Aboutaleb moet hij eigenlijk gewoon op zoek naar een andere job.

De ‘nieuwe’ Securitate

Beste meneer Aboutaleb,

‘Tijdens het regiem van Ceaucescu, waarmee het Westen, bijvoorbeeld de regeringen van Engeland en Nederland, zo wegliep – ze lieten hun koningin meneer en mevrouw Ceaucescu als een vorst ontvangen – werd er vaak bij de burgers op de deur gebonsd onder de roep: “Securitate!” .

Kort nadat de Roemeense dictators waren terechtgesteld, vertelde in de Bali in Amsterdam een Roemeense schrijver een anekdote:

Na de democratische revolutie werd alles “Nieuw” genoemd, de “nieuwe” regering, de “nieuwe” vakbond, de “nieuwe” krant, ga zo maar door, hoewel veel mensen uit de oude tijd op hun oude plaats bleven zitten. Zo werd er ook na de revolutie weer op de deur gebonsd en toen men vroeg wie daar was, klonk het: “De nieuwe Securitate!”  

Bij een vakbondsbijeenkomst op 25 februari van dit jaar voorafgaande aan de Herdenking van de Februaristaking 1941 moesten we door een controlepoortje, net als op Schiphol.

‘Vanwege die Aboutaleb, weetjewel,’ zei iemand.

Ik verwachtte niet zoveel van Aboutaleb. Eigenlijk denk ik al een groot deel van mijn leven dat alle bestuurders opportunisten zijn. Maar Aboutaleb hield een uitstekende redevoering, de beste van allemaal. Zonder papiertje, zoals hij zelf zei. Laat dat papiertje voortaan maar altijd weg, dacht ik. Een paar weken later koos hij partij voor vluchtelingen, maar toen men hem vroeg of hij dus tegen het regeringsbeleid in ging, antwoordde hij dat hij niet tegen minister Verdonk in wilde gaan. Allemaal opportunisten, dacht ik opnieuw.

Aboutaleb motiveert het huisbezoek van de Sociale Dienst met te zeggen dat er zo heel wat fraude wordt blootgelegd. En als glijmiddel (viezerik!) geeft hij aan dat er zo sociale misstanden aan het licht komen, schrijnende armoede en verwaarlozing bijvoorbeeld, en dat mensen op hun rechten, zoals op bijzondere bijstand, kunnen worden gewezen. Jaja. Voor deze dingen kan er gewoon een maatschappelijk werker langs gaan. Die gewoon telefonisch of schriftelijk een afspraak maakt.

Bij ons thuis kwam vroeger ook een maatschappelijk werkster. Die kwam tot de niet  zo moeilijke conclusie dat een gezin met acht kinderen niet kon rondkomen van het loon van een ongeschoold bouwvakker. Maar in plaats van wat extra geld gaf ze mijn moeder een huishoudboekje. En toen dat (natuurlijk) niet hielp, zorgde ze dat we betaald thuiswerk voor Philips konden doen: het in elkaar zetten en ponsen van een onderdeeltje. Dat hielp wel een beetje, vooral omdat hiermee onze, op grote schaal voorradige, kinderarbeid werd ingezet. Maar het zette pas echt zoden aan de dijk toen mijn vader een malletje ontwierp waarin de onderdeeltjes los van het ponsapparaat gemonteerd konden worden, en er dus een voorraad van te ponsen onderdeeltjes kon klaargezet worden. Met zo’n ideale en bijkans (zeg je dan in plaats van ‘bijna’) geniale oplossing voor een armlastig gezin zie ik Aboutaleb nog niet aankomen. En daar zit ook niemand op te wachten. Evenmin als op het bezoek van Aboutaleb en de zijnen. Mensen willen redelijk kunnen rondkomen en fatsoenlijk worden behandeld.

Als je niet meewerkt, de mensen van Aboutaleb niet binnen laat, kan je uitkering worden ingehouden of gekort. Machtspolitiek dus.

Maar de actie van Aboutaleb is illegaal. Machtsmisbruik dus.

Deze illegale actie van de Amsterdamse overheid staat niet op zichzelf.

Burgemeester Cohen meende een van ‘terrorisme’ verdachte vrouw hinderlijk te kunnen laten volgen: aanbellen, opbellen, een politiebusje in de buurt van haar woning, dat soort illegale flauwekul. Het beginsel ‘je bent onschuldig tot je schuld is bewezen’ gold opeens niet meer. De burgemeester meende dat hij zich andere dan de normale wettelijke strafmaatregelen mocht toe-eigenen, andere maatregelen mocht treffen dan die van ‘openbare orde of veiligheid’, die m.i. niet op een bepaalde persoon mogen zijn gericht maar alleen op een ‘situatie’, bijvoorbeeld de toestand in een bepaalde buurt. Wanneer je iemand van een strafbaar feit verdenkt, kan er toestemming verleend worden iemand te laten schaduwen. Maar een overheid die een burger gaat ‘hinderen’, ‘pesten’? Je moet als overheidsdienaar wel erg overtuigd zijn van jezelf, niet alleen van je gelijk, ook van je eigen ‘goedheid’ en ‘wijsheid.’

En het allerergste, de verdediging: ‘Als het niet mag, zal de rechter ons wel terugfluiten.’

Stel je voor dat wij ons als burgers zo zouden gaan gedragen. Niet meer volgens de wet of de regels die we allemaal kennen of volgens ons geweten, maar gewoon ons gedragen zoals het ons uitkomt, want ‘als het niet goed is, zal de rechter ons wel terugfluiten’. Nou, de rechter zal vaak helemaal niet fluiten, doodeenvoudig omdat hij het niet weet.

Er is in de maatschappij in grote mate overeenstemming hoe wij ons dienen te gedragen. Voor de duidelijkheid zijn er, in geval van twijfel, wetten en regels opgesteld en is er een rechter die deze kan interpreteren. Het is dus niet andersom. Dat zou ook gevaarlijk zijn. Zulke handelingen van Aboutaleb en van Cohen bedreigen die grote mate van overeenstemming hoe wij ons in de maatschappij dienen te gedragen. Daarvoor in de plaats dreigt te komen: ik ga mijn gang zolang ik niet word teruggefloten.  

Bovendien ziet niet alleen het individu hoe de overheid zich (mis)(ge)draagt (tot zij wordt teruggefloten) en zal daarom minder gemotiveerd zijn om zich wel goed te gedragen, het individu dat direct getroffen wordt door dit (illegale) gedrag van de overheid zal ook geneigd zijn zich direct tegen deze overheid te richten, en wel met alle middelen. De rem die hier normaal op bestaat, wordt door het eigen gedrag van de overheid weggenomen.

Beste meneer Aboutaleb, wij zijn niet meer gewend dat er op de deur wordt gebonsd, we zijn zelfs niet meer gewend dat er aan de deur wordt gebeld. Wanneer er overdag wordt aangebeld zijn het kinderen, of een paar keer per jaar is het misschien de postbode die een pakje wil afgeven. Het kan ook nog een monteur zijn, voor wie je een halve dag moet thuis blijven en voor wie je een briefje op de deurpost doet dat hij hard moet bellen, eventueel ook bij de buren, want je wilt niet voor niks zijn thuisgebleven. Maar deze heeft zijn bezoek dus aangekondigd. Wanneer er nadrukkelijk en herhaaldelijk wordt aangebeld, is het de buurvrouw die haar sleutels is vergeten. Als er ’s avonds wordt aangebeld, kijk je naar de ramen aan de voorkant en trek je de deur open en dan wordt er geroepen: ‘De glazenwasser!’ In de huidige tijd van telefoon, wordt een bezoek telefonisch aangekondigd, je belt niet zomaar bij iemand aan.

Als er wordt aangebeld, meneer Aboutaleb, doen de meeste mensen dus niet open, tenzij men de glazenwasser verwacht.

Dus, beste meneer Aboutaleb, u mag van mij best aan de deur bellen, we zullen even nadenken, naar de ramen kijken en ‘o ja’ tegen elkaar zeggen, we zullen open doen en u mag dan wat ons betreft naar boven roepen: ‘De nieuwe glazenwasser!’

Wij zullen u hartelijk ontvangen, wel in het trappenhuis ja, en, als u uw werk goed heeft gedaan, zit een fooitje er ook wel aan.

Nog een stukje dat zich afspeelt bij Hotelcafé Den Os in Aan de Lange Weg

(het begon al bij de terugkeer van de Indiëganger in 1951)

Wij weten dat hij zich in hotel/café Den Os is gaan bezatten. Met alleen Marie, de barjuffrouw, als gezelschap, want alle stamgasten zijn naar het feest: daar is het drinken gratis.

De jongen van Vlek zit dan sinds zijn behouden terugkeer uit Indië de godganse dag bij hotel/café Den Os. In het begin hebben zijn verhalen nog iets van bravoure, hoewel hij ook lang stil kan vallen. De “blauwen” belaagden hen van alle kanten en zij sloegen keihard terug. Okay. Maar dan is er dat merkwaardige verhaal dat ze munitie moesten sparen en geen bloed mochten laten vloeien. Ze verdronken een gevangene in tien centimeter water. Tien centimeter water? Ja, door hem met zijn gezicht in een slootje te duwen en dan op zijn hoofd te gaan staan. En er waren altijd gretige vrijwilligers om zo`n executie uit te voeren. Ja maar, Vlek, jongen! Pak er nog eentje, maar maak dat de kat wijs.

     Als hij niet in Den Os zit, is hij in het Patersgat en staart naar de stekelbaarsjes in de sloten. Het is een moerassig natuurgebied met hoge populieren waar je niet mag komen. De Heeskop in zijn manchesterpak en met zijn snor en zijn jachtgeweer struint daar rond en springt opeens uit het riet als je aan het vrijen bent. Hij heeft de jongen dagenlang in de gaten gehouden, want hij was ervan overtuigd dat die op een gegeven moment met een meisje zou komen. Toen hij begon te denken dat de jongen gewoon van dat plekje hield en er tot rust wilde komen, zag hij hem een aantal flessen chloor in het water legen en hoorde hem zeggen: “Voor­uit, sterf nu maar. Over twintig jaar is dit er toch allemaal niet meer.”

     Alle waterleven is doodgegaan, ondanks dat de Gender werd afgedamd en men het gebied heeft laten overstromen.

     Hij is gek, zeggen de mensen, vooral toen hij in Den Os het verhaal vertelde van het gehalveerde meisje.

     Ze pikten wel eens meer meisjes op als ze op patrouille door een kampong liepen. Zo`n kind weegt niks, je hangt het over je heen en laat het met je spelen. Met haar enkels over elkaar hangt ze vast in je nek, jij hebt alles voor je wat je wilt hebben en bovendien je handen vrij voor je geweer. Een beter schild kun je niet hebben. En er is geen oponthoud, wat voor de sergeant het belangrijkst is. Je loopt met zijn allen gewoon door. En als je er genoeg van hebt gooi je haar in de bosjes of de kali, dood of levend naargelang je stemming.

     Dit was anders. Na een bocht ziet hij Van Daal voor zich lopen met de benen van een meisje over zijn schouders. De knieën liggen op de schouders en de tenen steken omhoog. Ze hangt andersom. Hij wil zeker haar tietjes zien. “Hé, Van Daal!”

     Als die zich omdraait, zien ze dat hij alleen het onderstuk van een meisje om zijn nek heeft, het lichaam is doormidden gehakt. “Van Daal, man!”

     Hij tilt het onderlichaam een stukje op en kijkt eronderdoor. Hij grijnst, zijn gezicht zit onder het bloed. Hij heeft niet alleen met zijn klewang het bovenlijf eraf geslagen maar haar ook een houw tussen de benen gegeven. Zo liep hij al die tijd met zijn gezicht in die grote wond.

     “Ik heb het gat een beetje groter gemaakt,” zegt de gek.

     In het begin hebben ze hem aangemoedigd, de jongen van Vlek, hem een pilsje gegeven bij hotel/café Den Os. Maar toen ging het nog over pret maken met lekkere bruine meisjes of over het te grazen nemen van zo`n blauwe die hen beschoten had. Nu zeggen ze steeds vaker “hou je kop, jongen, wij moeten die vuiligheid hier niet horen” en ze vragen zijn vrienden hem naar huis te brengen. En die hebben daar eerst nog bij gelachen, want als je hem losliet liep hij diep voorovergebogen steeds rondjes en kwam vaak in de heggen terecht. Dat kwam volgens hen omdat hij niet gewoon bier dronk maar ook jenever, en dat dronk uit grote glazen en daarbij “whisky!” riep – waar had hij dat vandaan? – nadat hij die ene fles whisky, die daar sinds de oorlog ruim vijf jaar had gestaan, soldaat had gemaakt. Waar vind je hier nou whisky? Dat is toch geen drank voor ons soort mensen. Dat is weer zo`n mode zeker die de geallieerden hebben meegebracht en die in soldatenkringen is blijven hangen. Of zou het door de cowboyfilms komen die ze in de City in de stad draaien?

     De Vrouwen van de Eerste Huizen geloven niks van de verhalen.

     “Die jongens hebben daar een paar jaar vakantie gehouden,” zegt de lacherige lange Hanna Bosmans. “Moet je die bruine koppen maar eens zien.”

     “Die hebben geen vijand gezien,” zegt de oudste dochter van Meijer met haar zware trage stem.

     “Peetje pret maken met pruine meisjes,” spuugt Hanna Knietel.

     Hij mag geen verhalen meer vertellen bij hotel/café Den Os. Maar soms barst hij toch los.

     “Toch was hij de kleinste moordenaar van ons allemaal,” snikt de jongen van Vlek. “Want ’s nachts is hij eerst begonnen te snikken, dan te brullen, en is zo de duisternis in gelopen. Tot hij, gelukkig voor hem, struikelde en door ons werd teruggehaald voor de vijand hem te pakken had. Hij was alweer op de boot of in het vliegtuig of misschien zelfs weer thuis toen bij ons het echte moorden begon, hele kampongs tot en met de baby’s en de huisdieren. Och, dat kan ik jullie allemaal niet vertellen,” zegt de jongen van Vlek.

(uit De blijde terugkeer van onze Indiëganger

zie ook OP CAFÉ EEN, eveneens zich afspelend in Den Os,
uit Aan de Lange Weg ,
roman van Meurs A.M., geïllustreerd, hier graag bestellen via mijn Boekwinkeltje Wonderland, in nieuwstaat en zonder verzendkosten. U koopt rechtstreeks bij de schrijver die de kosten voor de uitgave zelf gefinancierd heeft. Zo u wilt gesigneerd. Hartelijk dank!)

(illustraties Ufuk Kobas)

Bet (in Aan de Lange Weg)



Net Neggers-Gielens, model voor Bet

Haar vader overleed toen ze heel jong was, haar moeder hertrouwde al gauw en kreeg nog vier dochters. Maar geen zoon die de smederij kon voortzetten. Daarom zouden ze naar Sas verhuisd zijn. Maar zij heeft altijd gedacht dat het om haar was. Dat haar stiefvader zich schaamde om wat haar was overkomen. Hij was een erg trotse man met een tot op het laatst kaarsrechte rug, zijn hoofd met de hoekige hoge platte pet geheven, zijn pijp als een scepter in zijn hand.

Het gaat goed met ons nadat ik zo moeizaam na het bombardement uit de kelder gekropen ben. Behalve met mijn been dan.

            In het begin is nog bijna alles op de bon. Maar de mensen beginnen toch langzaamaan wat geld te krijgen. In ieder geval voor hun eerste levensbehoeften. En daarvoor kunnen ze bij ons terecht. Van ’s morgens voor zevenen tot ’s avonds na elven.

Het hoofddoel van het huwelijk is: kinderen voor God voort te brengen en christelijk op te voeden, staat er in mijn trouwboekje, en daar heb ik me aan gehouden. Ik ben ervan overtuigd dat ze allemaal, van het eerste tot het laatste, christelijk opgevoed zijn. Ook al had ik dat bij het eerste niet zelf in de hand.

            Maar er staat ook: De vrouw moet aan den man onderdanig zijn in alles wat goed en eerbaar is en de man moet door echt christelijke liefde dien plicht veraangenamen.

            Dat was iets waar ik wel wat op had af te dingen. Toontje is geen kwaad mannetje en ik ken hem, vooral vanaf het moment dat we het winkeltje van zijn moeder Liesbetje overnamen, als een harde werker die heel wat bereikt heeft, maar hij heeft zo zijn streken, en bovendien doe ik ook mijn werk. Ik krijg de kinderen, breng ze groot, zorg voor het huishouden en help zoveel mogelijk in de winkel. Dus onderdanig aan mijn man, nou nee. Hij mag me er wel eens mee plagen en ik wil ook wel de reactie geven die hij wil uitlokken, maar dat is het dan.

Er waren ook tegenslagen. Met de brouwerij bijvoorbeeld. Ach, het was gewoon een plek in de stal waar een bottelmachine stond. Maar het werd toch een groot succes. We moesten ermee stoppen omdat de mensen die handige kleine smalle beugelflesjes die Toontje speciaal had laten maken niet terugbrachten. Ze gebruikten die om bijvoorbeeld thee mee naar het werk te nemen. En Toontje had geen statiegeld willen vragen. Zo moesten de mensen de prikkellimonade die ze zo lekker vonden missen door hun eigen kortzichtigheid.

            En er was natuurlijk jaloezie. En niet alleen van de winke­lier verderop, op het pleintje. Er werd geroddeld. De kruide­nierswaren die met paard en kar werden bezorgd, zouden naar vis smaken. Terwijl we verdomme de hele vrijdagavond schrobden en boenden om de kar proper te hebben voor de kruidenierswaren op zaterdag.

            Als de mensen kwaad willen vertellen, kun je er niet veel tegen doen, dat heb ik wel geleerd. Er waren er die wel eens gezien hadden dat er een kat op de viskar sprong. En dat hondje dat er altijd bij was vertrouwden ze ook niet. Nou ja.

            Volgens andere roddelaars dan weer zou Toontje niet kunnen tellen en amper kunnen schrijven. Schrijven had hij inderdaad pas als soldaat geleerd en foutloos zou het nooit gaan – hij schreef bijvoorbeeld luzifers – maar dat was bij de meeste gewone mensen die nog in de negentiende eeuw geboren waren het geval. En tellen kon hij als de beste.

De pijn en de lap om het been die iedereen kon zien maakten mij er niet vrolijker op. Mijn stem werd hard, ik werd ongedul­dig en veeleisend en ergerde me aan mensen die vrolijk waren, speciaal aan Toontje.

            Het was soms of ze ‘t erom deden. Het was zo`n feest waar alle ooms en tantes en neven en nichten aanwezig waren. Wij, ooms en tantes, zaten op een verhoging naast elkaar, aan één kant van een aantal aan elkaar geschoven tafels. Iedereen kon onder de tafel door kijken. Iedereen kon dus ook mijn been zien. Tot overmaat van ramp, bleek achteraf, was er ook nog een foto gemaakt.

            De neven en nichten, en de tantes waren ook niet wijzer, daagden hem dan uit.

            “Oom Toontje, draag een versje voor, zing een liedje.”

            “Doe niet zo gek, Toon,” zei ik dan. “Blijf hier! Kom van die stoel af!”

            En dan lachten ze allemaal nog harder en zweepten hem nog meer op. Het duurde net zo lang tot hij boven op een stoel of tafel stond en zong:

            “Van je remplemplem, van je mosselemem.”

            Het was: “Van je ramplanplan, van je mosselman.” Maar mosselemem was natuurlijk veel leuker. Het was nog een vreselijk lang lied ook. De tantes en nichten pisten in hun broek van het lachen.

Ik was overal met mijn been geweest, in het hele land. Dat had me heel wat geld en tijd gekost. Eerst met de bus, maar vanaf midden jaren vijftig bracht ons Peet me met de auto, als die niet kapot was tenminste. Want dat had je in het begin ook nog vaak met die tweedehands auto’s. Met de kar was geen doen, na tien minuten was ik al geradbraakt.

            Jarenlang hadden ze me naar een kruidendokter in Baarle-Nassau gebracht. Naar gebedsgenezers was ik ook geweest. Toontje deed dat hand opleggen ook, maar mij kon hij niet helpen. Die van ons kon iedereen helpen behalve mij.

            Hij legde zijn ene hand op iemands hoofd en hield de hand van de zieke in zijn andere hand, of legde die andere hand op zijn eigen hart. Hij stond met zijn ogen dicht te prevelen, met die stijve bovenlip, die strakke mondhoeken, waarnaar men keek omdat men verwachtte dat ze zouden gaan krullen, en dat zijn lippen zouden gaan trillen. Als toeschouwer kon men de spanning niet volhouden en begon men opgelucht hard te lachen. En men verwachtte dat Toontje zou gaan meedoen, maar niets daarvan, hij bleef onverstoorbaar, hij keek zelfs niet naar je. Tot hij klaar was en een stap achteruit deed, dan pas keek hij je aan en glimlachte.

            Bij mij werkte het dus niet. En natuurlijk nam ik hem kwalijk dat hij iedereen kon helpen maar mij niet. Misschien lag het aan mij, geloofde ik er gewoon niet in, kende ik hem te goed.

Ik was dus de kelder uit geklommen met mijn been en de koningin was terug in Nederland gekomen met haar bontjas. Toen Toontje iets over haar zei – of was het over de nieuwe koningin die we korte tijd later kregen? – werd hij op zijn gezicht geslagen. Dat was wel eens goed voor hem, zij het niet speciaal dáárom. Maar het was goed dat hij met zijn grote mond wat weerwerk kreeg.

            Toontje zit aan de bar en is het gezwam van zijn buurman over de koningin beu en zegt: “Wat de koningin! De koningin heeft hetzelfde kutje als ons Bet!”

            De man wordt kwaad en slaat Toontje van de kruk af. Toontje krabbelt overeind en zegt: “En het was nog wel be­doeld als een compliment.”

            Maar om hem vanwege de koningin op zijn gezicht te slaan, was natuurlijk onzin. Van mij mocht hij over de koningin zeggen wat hij wou. Hoewel, het was beter als hij zijn grote kop eens leerde houden. Hij moest maar leren dat hij niet overal mee kon lachen. Met mij ook niet.

Mijn stiefvader had me uit zijn trouwboekje voorgelezen, en later wees hij er nog eens op dat in het onze precies hetzelfde stond: Elke poging aangewend om het ongeboren kind, hoe jong ook, te dooden, is poging tot moord en daarom een zeer zware zonde tegen het 5e gebod: ‘Gij zult niet dooden’.

            Een zeer zware zonde is eveneens elke opzettelijke poging, om het hetzij door inwendige, hetzij door uitwendige middelen de zwangerschap af te breken op een tijdstip, waarop de vrucht nog niet buiten het lichaam kan blijven leven (vruchtafdrij­ving).

            Zoiets zou niet eens in me opgekomen zijn. Het was of hij het meer tegen zichzelf zei, hij zat er meer mee dan ik. Hij wilde het absoluut verborgen houden. En daarom, dat bleef ik denken, waren we ook verhuisd. Dat hij geen opvolger had in de smidse, was toch geen reden om te verhuizen! Je kon het hoogstens omdraaien: de smederij was geen reden om te blijven.

Toontje is erg trots op de nieuwe Solex zoals dan nog niemand er een heeft. Hij is de eerste in Sas en in het dorp aan de Lange Weg. Hij gaat nu nog vaker naar Bets zuster Anneke aan de Lange Weg. Iedereen mag de Solex uitproberen. Maar ze weten niet hoe het ding te stoppen, en als dan de motor einde­lijk afgeslagen is, vaak na een botsing of valpartij, durft men er niet meer op en komt te voet terug, wat wel eens een uurtje kan duren. Dan lacht Toontje niet, dan is hij ongerust, zeker als het zijn jonge nichtje Tonnie is dat zo lang wegblijft met de Solex.

            Wanneer hij te lang blijft hangen – als hij aan het buurten is en veel aandacht krijgt en regelmatig een nieuwe kop koude koffie (die speciaal voor hem wordt bewaard) en hij uit zijn zakken stukjes worst en zuurtjes en dubbeltjes uitdeelt aan de kinderen en de worst ook aan de hondjes, verliest hij alle tijd uit het oog – en wanneer het dan al donker wordt moet Jantje meefietsen naast de Solex van zijn peetoom, want in het donker is Toontje zo goed als blind.

Toen ik mankend en een en al pijn op het eind van de oorlog met mijn been uit de kelder geklommen was, had ik me ver­sproken. Ik zei: “Ik heb negen kinderen op de wereld gezet, ’t is mooi geweest.” Maar ons gezin telde acht kinderen. Mis­schien kwam het omdat Mientje toen net getrouwd was en ook in Sas was komen wonen. Misschien kwam het omdat het einde van de oorlog in zicht was en ik daarom aan mijn stief­vader moest denken, en met name dacht: “Dat einde heeft hij dus net niet gehaald terwijl hij zo graag wilde weten hoe het zou aflopen.”

            Ik was ervan overtuigd dat vooral hij degene was geweest die het geheim had willen houden en die ook de hele construc­tie, waarin mijn eerste kind in een ander gezin in ons dorp werd opgevoed en wij naar Sas verhuisden, daarvoor bedacht had. Hij, de trotse eigenaar van een smederij en een van de notabe­len van mijn geboortedorp.

            Door die hevige gebeurtenissen vlak voor de bevrijding had ik aan mijn stiefvader en mijn eerste kind moeten denken en had me versproken. Dat was het vast geweest.

Tinuske Neggers, model voor Toontje Wolfers

(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M.)

Een belangrijke dag (voor Aan de Lange Weg, dat 6 jaar later verscheen)

In mijn herinnering is het een maandag, 18 januari, 1998 of zo, en 18 graden. Ik woon 30 jaar in Amsterdam en mijn kameraad en vroegere dorpsgenoot Willem Adams de schilder, die al zo’n 35 jaar in Eindhoven woont, zal me laten zien wat er in rond Veldhoven allemaal veranderd is. Op de fiets.

Zie aub de eerste 5 foto’s en tekst.


Bij de Dommel. Het is er prachtig. Voor we Eindhoven uit waren hadden we op een rustig plekje aan de Gender een soortgelijke vergadering bijgewoond.



Ook bij de Dommel.



Het patronaat van Meerveldhoven ziet er aan de voorkant nog vrij goed uit.



Aan de achterkant is het anders. Het kwam zo in Aan de Lange Weg terecht:

<Aan de achterkant van het patronaat graast jaren later achter een dubbel rasterwerk een paard. Het staat vlak tegen de ramen waarachter vroeger de kleuters zaten. De ramen zijn grotendeels geblindeerd. Op de bovenverdieping zijn er ruitjes ingegooid. Van de dikke haag met de beroemde poortjes tussen bewaarschool en kloosterhof en tussen meisjesschool en kloosterhof is niks over. De kloostertuin zelf staat vol bouwwerken van ongelijke hoogte en vorm.>
(uit het hoofdstuk Het Patronaat)



<De meisjesschool is gekraakt, er steken kachelpijpen door de ruiten, het stinkt, er wordt rotzooi gestookt.>
(uit het hoofdstuk Het Patronaat)

Ik laat me vertellen dat er op deze maandagmiddag in heel de gemeente Veldhoven maar één café open is: Neggers aan de Heuvelstraat in Zeelst. Ik ben er vroeger met de kermis wel eens geweest. Het café was van een broer van mijn peetoom Tinuske Neggers. Het is er druk, allemaal mannen, er wordt flink geouwehoerd, ik ben een spons. Ik doe er het volgende verhaal op:

<Maar het gesprek van de dag is de voetbalpool. Opeens kun je in één dag stinkend rijk worden. En je hoeft geen verstand van voetballen te hebben, al moet je wel een beetje je gezond verstand gebruiken. Ergens verderop aan de Lange Weg is een man die zegt dat het een kwestie is van kansberekening, alles kan in min- en pluscijfers uitgedrukt worden. Hij begon op een velletje papier: de resultaten tot nu toe, de uitslag de vorige keer tegen dezelfde club, een uit- of thuiswedstrijd, het weer in verband gebracht met het type spelers van een bepaalde club, doet de voornaamste aanvaller mee? Allemaal min- of pluspunten. De vellen papier lagen eerst nog op tafel, toen op de vloer, en dan moesten de schuifdeuren open en werd de voorkamer vol gelegd en moesten de kinderen stil zijn op zondagmiddag en uit de buurt blijven om niet op de papieren te trappen. En hij heeft wel eens wat gewonnen maar tot nu toe geen echt grote prijzen. Maar dat is een kwestie van tijd, want hoe langer het duurt hoe meer gegevens hij natuurlijk krijgt en op een gegeven moment kan het niet meer missen.> (uit het hoofdstuk Als het maar weer eens zomer wordt )

Bij al dat bier moet ik veel eten van het enige dat er te eten is: chips en pinda’s. Het is al donker wanneer we terug naar Eindhoven beginnen te rijden. Maar Willem heeft nog een tussenstop in gedachten, aan de Binnenweg, bij de burgemeester van Zeelst, zegt Willem, hier worden de echte gemeenteraadsvergaderingen gehouden, het blijkt bij de familie Van de Weijer.

Ik maak kennis met de broer van mijn vroegere buurman in de Achtwoningen, en met zijn vrouw. We krijgen volop te eten en koffie en thee.

De heer Van de Weijer wil alleen op de foto als dat samen mag met het portret van zijn kleinzoon.
De informatie bij deze foto klopte niet, op verzoek van de kleinzoon heb ik de foto verwijderd. Juist omdat de heer Van de Weijer alleen wilde poseren met het portret van zijn kleinzoon in zijn hand, wil ik dit respecteren en de foto niet publiceren zonder dat portret in zijn hand. Dat geldt ook voor andere foto die ik nog van hem heb.


De foto van zijn vrouw wordt prachtig.

Ik leer een zeer wereldwijs man kennen. Van die eerste ontmoeting herinner ik me boven alles de uitspraak: ‘Het zou met Willem heel anders zijn gelopen als ze vroeger bij hun thuis hem een hutje in hun hof hadden gegeven en wat linnen en verf.’

Het is een belangrijke ontmoeting, ik zal er nog herhaaldelijk terugkomen om over Tinuske Neggers, mijn oom, te praten, naar wiens verhaal ik op zoek ben.

Als ik op de fiets ben word ik met fiets en weekendtas de gang in getrokken. Wanneer zijn vrouw is overleden en hij in Merefelt terechtkomt zoek ik hem ook daar op. Hij is de enige in heel het gebouw met een duivenkooi op zijn balkon. Tenslotte zal ik ook op zijn begrafenis zijn en in het zaaltje in Zeelst mijn vroegere buurjongens en buurmeisjes, zijn neven en nichten, terugzien. Mijn boek Aan de lange Weg, waarvoor dit zo’n belangrijke dag was, is dan al verschenen.


En zo prachtig schilderde Willem Adams daarvoor al de Dommel. Willem vloog.

Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M., geïllustreerd, nieuwstaat, verkrijgbaar, €19,95, geen verzendkosten, op verzoek gesigneerd.

Sal Santen De schrijver die niet schreef omdat eerst de wereld veranderd moest worden (special van HetWerk uit 2008)

Voorkaft en uittreksels uit HetWerk52 12e jrg 29 juli 2008 literair kladschrift van Meurs A.M.
SAL SANTEN-SPECIAL


Juli 1998

Schrijver en revolutionair Sal Santen overleden!

Toch nog onverwacht is op zaterdag 25 juli de schrijver Sal Santen overleden.

Sal Santen werd op 3 augustus 1915 geboren uit  joodse ouders, zijn vader was schoenmaker. Zijn  enkele jaren oudere en enige zus Saartje overleed eind jaren 20 aan tbc. Vader en moeder en enige en jongere broer Maurits werden in de tweede wereldoorlog door de nazi’s gedeporteerd en vermoord. Schoonvader en revolutionair voorbeeld, Henk Sneevliet, werd door de nazi’s gefusilleerd. Zelf werd hij als jood ongemoeid gelaten omdat hij met een niet-joodse vrouw was getrouwd, zijn grote liefde Bep, dochter van Mien, die hertrouwd was met de internationaal beroemde revolutionair Sneevliet.

Sal Santen was al op zeer jonge leeftijd aktief in de radikaalsocialistische jeugdbeweging  en tijdens de oorlog aktief in het verzet. Hij was lid van de Vierde Internationale die door Trotski werd opgericht.. Hij vervulde internationaal een vooraanstaande rol in deze beweging en was goed bevriend met de leider van deze organisatie, Michel Raptis, met wie hij ruim een jaar in een Amsterdamse gevangenis zat vanwege steun aan het Algerijnse antikoloniale verzet. Midden jaren zestig brak hij, na een reeks van teleurstellingen op het menselijke vlak, met de beweging.  In 1969 debuteerde hij op 54-jarige leeftijd als schrijver met ‘Jullie is jodenvolk’, dat meteen zeer goed werd ontvangen. Alle hierboven genoemde feiten spelen een grote rol in de bijna 20 boeken die Sal Santen tussen 1969 en 1995 heeft gepubliceerd.

Groots in kleine woorden voor groot leed

Sal Santen beschrijft in zijn boeken voornamelijk zijn eigen leven, waaronder de genoemde drama’s van leven en dood. Hij doet dat in een zeer kenmerkende, eigen, eenvoudige stijl: hoe groter het leed, hoe eenvoudiger de woorden. Samen met het hanteren van korte scènes bereikt hij zo een groot dramatisch effekt. De voornaamste boeken die zich afspelen tussen 1918 en 1945 zijn: Jullie is Jodenvolk (1969), Sneevliet, rebel (1971), Saartje gebakken botje (1983), De B van Bemazzel (1989).

Veel aandacht kreeg Sal Santen voor zijn Adiòs Compagneros!(1974), waarin hij zijn afscheid van de revolutionaire organisatie beschrijft. Dit, dan blijkbaar nog niet verwerkte drama, haalt echter niet de kwaliteit van de eerdere boeken. De afstand is misschien nog te klein om er al grote literatuur van te maken.

Santens meest literaire boek is Brand in Mokum (1977). Hier komen liefde, lichamelijke en psychische problemen, de jeugd, de oorlog, de gevangenis, de krant waar hij 20 jaar stenograaf was, én humor samen: een meesterwerk!

Revolutionair en mens

Sal Santen bleef tot  aan zijn dood revolutionair, misschien de laatste. Als mens was hij absoluut betrouwbaar, zonder trucs, leugens of smoesjes. Niet liegen, niet om bestwil, en eigenlijk ook niet tegen je vijanden. Dan heb je het als verzetstrijder en revolutionair moeilijk. Een betere vriend kun je echter niet hebben.

(…)

Midden mei (1998) zat ik midden in de productie van HetWerk12. (…) Plotseling hoorde ik dat mijn vriend Sal Santen, die in het ziekenhuis was opgenomen voor een heupoperatie, complicaties had gekregen en het niet zou overleven. Dat was volkomen onverwacht, want de operatie zou zwaar zijn maar niet levensbedreigend. Een dag voor zijn opname waren we nog met de rolstoel gaan wandelen. Ik kon nergens anders aan denken en nergens anders over schrijven. Van de nood een deugd makend, schreef ik ‘De laatste tochtjes met Sal’, over onze wandelingen en over onze gesprekken. Wonder boven wonder overleefde Sal, de oude strijder, het toch. Hij knapt nu langzaam op.

Over een flink aantal jaren hoop ik een totaal nieuwe versie van de ‘tochtjes’ te schrijven, met veel nieuw materiaal.

Die nieuwe versie hoefde ik, bleek 2 maanden later,  dus niet te schrijven.

De laatste tochtjes met Sal

Zullen we links of rechts gaan? Links in de richting van het Amstelpark, rechts naar de plantsoenen die tussen de wegen liggen. Waar vangen we nog wat zon? We gaan vanaf de deur van het  joodse verzorgingshuis Beth Shalom  rechtsaf, naar het groen, maar tegelijk zijn we op weg naar een open plek in dat groen waar we de namiddagzon kunnen zien. Hij heeft hier in de buurt gewoond, zegt hij, toen Bep nog leefde. Daar op het grasveldje links staat de zon. Met enige moeite duw ik de rolstoel het veldje op en hurk naast Sal, hij sluit  zijn ogen en heft zijn gezicht naar de zon. Achter ons staan oude hoge bomen. Hij wil altijd graag naarbuiten. We zwijgen. Na een minuut of tien gaan we verder. We komen aan de weg met de trambaan. Zullen we ergens wat drinken? Aan de overkant moet iets zijn. Het is zondagnamiddag, het zal wel open zijn. Voorzichtig de weg over, in étappes, een omweg maken om oneffenheden te ontwijken. Hij maakt met zijn hand een gebaar naarvoren als we verder kunnen, alsof hij manschappen aanvoert. Achterstevoren de drempel van het café over, er moet een wat úitstekende stoel opzij geschoven worden, een andere stoel weggehaald, dan kan hij met rolstoel aan het tafeltje. Hij drinkt een glas wijn. Zouden ze hem herkennen met zijn opvallende witte kop met haar en zijn dikke wenkbrauwen? Ze zijn vriendelijk, maar het lijken me geen lezers. Terug op weg naar het verzorgingstehuis schemert het al, het is een aardige nazomerdag. ‘Het perspectief is gunstig,’ zegt Sal, ‘Frankrijk heeft een socialistische premier gekozen.’ Sal ziet altijd een politiek lichtpuntje.

Een dag of tien later bel ik hem op. Hij heeft ondertussen een paar exemplaren ontvangen van het artikel dat ik in HetWerk over hem heb geschreven.’ Komt het uit als ik nu meteen kom? Dan kunnen we nog even naarbuiten.’ ‘Ja, fijn,’ zegt hij.

We besluiten naar het Amstelpark te gaan. ‘Hoe vond je het artikel?’ zeg ik. ‘Goed,’zegt hij, maar ik heb wel een opmerking. Maar daar zullen we het onderweg over hebben.’ Ik help hem in de rolstoel en hang het kleine tasje met o.a. zijn kamersleutel om zijn hals. Zijn deur hoeft niet op slot. Onderweg wijst hij zoals altijd de plekken aan waar je het makkelijkst de stoep af kunt. Als er toch een drempel is, maakt hij een draaiend gebaar met zijn vinger: rolstoel omdraaien. Wanneer we een recht stuk voor ons hebben, begint hij: ‘Je hebt het als een interview gepresenteerd, alsof ik het je verteld heb en dat is niet zo.’ ‘Nee, Sal,’zeg ik, ‘ik heb bewust niet met je over de inhoud gesproken omdat ik mijn eigen mening wilde geven. Ik zeg juist steeds: hij moet dit of dat gevoeld of gedacht hebben, ik presenteer het dus als een veronderstelling van mij.’ We zijn stil blijven staan tijdens deze diskussie en besluiten verder te praten als we in het Amstelpark zijn. Maar we komen er verder niet op terug.

‘Ik denk dat ik iets voor je heb,’ zegt hij de volgende keer, ‘je mag wat van me publiceren.’ Ik vind het moeilijk. Ik heb me voorgenomen in HetWerk alleen werk van mezelf af te drukken en anderen alleen te citeren wanneer ik over hen schrijf. Ik krijg eenkleur als ik het hem probeer uit te leggen, ik stuntel, ik vind het erg pijnlijk. Hij begrijpt het, zegt hij. Maar ik blijf mezelf kwalijk nemen dat ik zo rechtlijnig ben geweest, zo dogmatisch. Waarom heb ik niet toegegeven aan mijn goede vriend die zo met zijn werk bezig blijft, die zich niet te groot acht om in mijn bescheiden tijdschriftje te publiceren? Toch zullen we bij een volgende tocht weer een moment krijgen waarop ik mijn eerlijkheid vervloek. Vandaag gaan we vanuit Beth Shalom niet links- of rechtsaf maar rechtdoor, de polder in. Daar hebben we het over Harry Mulisch. Over die zijn we het eens: die vinden we niks.

Mijn schoonmoeder, die ook boven de tachtig is, heb ik Sals dichtbundel ‘Een veertje in de wind’ laten lezen. Deze uitgave is hem door zijn kinderen aangeboden op zijn tachtigste verjaardag. Zoals ik verwacht had, vond ze hem prachtig. Ik vertel dat aan Sal, weid nog wat uit, maar hij heeft me door en onderbreekt me: ‘Hoe vond je hem zelf?’ We zijn aan het rechte stuk weg parallel aan het Amstelpark. Het lijkt of we op dit stuk steeds de pijnlijkste momenten hebben! Misschien is het gewoon het eerste rechte stuk waarop we niet zo hoeven op te letten waar we rijden, maar het is een feit. Ik moet toegeven dat ik de gedichten zeer ontroerend vind, maar niet zozeer gedichten als wel versjes. En dit is het ogenblik dat ik mezelf vervloek en me er daarna op betrap dat ik denk: zijn toenemende vergeetachtigheid zou voor dit moment een zegen zijn! Ik moet me inhouden, want ik begin automatisch veel te hard tegen de rolstoel te duwen.

Ik doe hem een microcassette cadeau. Ik denk: misschien komt hij er makkelijker toe om zijn gedachten in te spreken dan op te schrijven, om als het ware hardop te denken. Het wordt geen succes. (Zoals ook de voice mail die ik voor hem installeer een ramp wordt en snel door de familie moet worden opgeheven!) Hij vraagt een vriendin bij Beth Shalom of zij hem voor de microfoon vragen wil stellen. Ook ik heb gemerkt: als je hem vragen stelt, is hij bijzonder gretig, alsof hij een startvonk nodig heeft om los te branden. Maar het lukt haar niet. We nemen het cassetterecordertje mee naar het Amstelpark,  je weet maar nooit. Maar eerst moet ik even in zijn postbus kijken. Hij blijft elke dag weer even belust op zijn post. Als de post nog niet geweest is kijken we op de terugweg weer. Het is voorjaar. Er bloeien al bloemen en struiken in het park. De kippen zoeken naar wormen en zaadjes. Het is midden op de dag, ik kon alleen in lunchtijd, straks gaan we in een cafetaria een kop soep met een broodje eten. De zon staat pal in het zuiden, we gaan met ons gezicht naar de zon zitten, links van ons schittert de Amstel. Met het cassetterecordertje onder onze neuzen vraag ik hem over de Februaristaking van 1941. Hij gaat meteen geïnteresseerd rechtop zitten. ‘Je ging eerst naar de Slingerbeekstraat omdat je een schuiladres zocht en daar kon je niet terecht en toen trof je op een ander adres stom toevallig je schoonvader Henk Sneevliet die je zijn oproep voor de staking liet zien?’ ‘Ja, het was trouwens eigenlijk de Schipbeekstraat,’ zegt Sal, ‘ik heb de naam veranderd, en toen kwam ’s nachts de Sicherheitsdienst in de Schipbeekstraat, dus ik had inderdaad geluk gehad.’ We praten over de invloed van de RSAP (Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij) van Henk Sneevliet op de Februaristaking. Sal zat toen trouwens zelf vanwege ideologische meningsverschillen bij een andere club. Hij slaapt in de zon even in. Op zijn kamer vertelt hij trots dat binnenkort in één band de herdruk van 3 van zijn boeken verschijnt. Hij zal ook signeren maar kan me de preciese datum niet noemen. Zondagmiddags om kwart voor zes zie ik in een kranteadvertentie dat hij die middag tussen 3 en 5 heeft gesigneerd. De volgende keer dat ik hem zie heeft hij het boek voor me klaar liggen. Ik vraag of ik het aan een vriendin mag geven die jarig is en wier man zeer ernstig ziek is. Ik zal dan voor mezelf een nieuw exemplaar kopen en meebrengen voor zijn handtekening.

Het is zondag en redelijk weer. ‘Het komt trouwens goed uit,’ heeft hij door de telefoon gezegd, ‘want ik moet maandag worden opgenomen in het ziekenhuis, voor  een nieuwe heupoperatie.’ Het is net na lunchtijd, we moeten voor drie uur terug zijn, want dan komt  zijn dochter Ellen om in te pakken. Hij vertelt tegen iedereen die hij tegenkomt dat hij moet worden opgenomen. Onderweg zakt  een van de voetsteunen van zijn rolstoel omlaag en raakt de grond. Ik til zijn grote voet eraf, draai de steun vast en zat zijn voet er weer op. Het is mooi weer en het is druk in het park. Er zijn wel veel vliegen met lange zwarte vleugels, je ziet ze maar een paar dagen per jaar. We maken een zeer grote ronde, uiteindelijk moeten we ons nog haasten om om kwart voor drie terug te zijn. Haastig hollen we over de rails van het treintje dat we overal kruisen. Sal klaagt niet.

            Bij de receptie horen we dat zijn dochter hem al gezocht heeft. ‘Dag meneer Santen,’ zegt een oude man voor de lift. ‘O,’ zegt Sal en richt zich een beetje op in de rolstoel en maakt een gebaar in de richting van de man, ‘ik moet maandag naar het ziekenhuis, geopereerd, duurt zeker 6 weken alles bij elkaar.’ ‘Maandag, dat is morgen,’ zegt de man, en je ziet hem denken: zeg dan ‘morgen’ of heb je niet in de gaten dat dat  morgen is?

            Op zijn kamer staat Ellen zijn spullen te pakken voor de ziekenhuisopname morgen. Voor zeker 6 weken, alles bij elkaar.

            ‘Het gaat beter met de wereld,’ zal Sal op zijn sterfbed zeggen, ‘Soeharto is ook al van het toneel verdwenen.’

            Voor de handtekening in zijn laatste boek ben ik te laat.

________________

De drie boeken van Sal Santen die in het voorjaar van 1998 in één band verschenen waren: Jullie is Jodenvolk, Saartje gebakken botje en De kortste weg, herinneringen aan een jeugd.

De passage die waarschijnlijk voor Sal aanleiding was om te zeggen dat ik het als een interview had gepresenteerd terwijl dat niet zo was, was waarschijnlijk de volgende die buiten het eigenlijke artikel stond.

Toen zijn geliefde Bep was overleden en hijzelf verzorging nodig had, ging Sal Santen in het Henriëtte Roland Holsthuis wonen. Om de naam alleen al. Een van de bestuurders bleek een antisemiet. Nu woont Sal in het joodse tehuis ‘Beth Shalom’. Als atheist beschouwt hij dit als een nederlaag. Als u hem goedgezind bent, zoekt u hem dan eens op.(HetWerk5 pag. 2, 26 september 1997.)

Ik had hier inderdaad moeten schrijven: ‘Als atheist moet hij dit als een nederlaag beschouwen.’ Ik denk dat Sal sowieso de zin pijnlijk vond voor zijn medebewoners en het personeel van Beth Shalom. Hier volgt mijn artikel over Sal Santen:

Sal Santen

De schrijver die niet schreef

Omdat eerst de wereld

Veranderd moest worden

Sal Santen (geb. 1915) werd schrijver toen hij boven de vijftig was. Zijn eerste boek Jullie is Jodenvolk verscheen in 1969, op zijn vierenvijftigste. Zij tweede, Sneevliet, rebel in 1971. Kleine boekjes, uiterst ingehouden geschreven, groot drama. Hoewel er  in latere boeken vaak en eveneens zeer ingehouden en soms nog ‘mooier’ op wordt teruggekomen, staan de grote drama’s van leven en dood in het leven van Sal Santen in deze twee werken: de dood door tbc van zus Saartje, de deportatie in de oorlog van achtereenvolgens vader Barend, moeder Sientje en broer Maurits die niet meer terugkeren, de fusillering door de nazi’s van schoonvader en revolutionair voorbeeld Henk Sneevliet, over wie dan nog bijna terloops vermeld wordt dat hij eerst twee zonen verloren heeft door zelfmoord, de laatste, Pam, omdat hij niet naar de Spaanse burgeroorlog mocht.

Natuurlijk zou Pam terugkomen. Pam bleef weg, een dag, een week. Dan was hij toch naar Spanje gegaan. Groot gelijk. Als hij het werkelijk had gemeend met dat dreigement was hij nu al lang gevonden. Over enige weken zou er wel een brief uit Spanje komen.

Maar Pam kwam te voorschijn toen het ijs ging smelten op de sloten rond Amsterdam, na een koude februarimaand.

Grote drama’s, met minder woorden beschreven dan de dood van poes Mimi, waaraan de jonge Sal in zijn onnozelheid schuld heeft. Hoewel, zoals ik zei, de grote drama’s herhaaldelijk terugkomen in later werk. Zoals in De B van Bemazzel (1989) de machteloze frustratie van de volwassen zoon die de vader niet kan overtuigen dat hij, om zijn leven te redden, de stansmachine uit de schoenmakerij moet afstaan aan de schoenmakerij van de Joodse Raad. ‘Ben je wel goed bij je hoofd jij?’ of woorden van gelijke strekking, krijgt hij te horen. Het kort daarop volgende afscheid grijpt je naar de keel.

Steeds is er hoop, vaak waarschijnlijk tegen beter weten in. Zo verhuist het jonge gezin Santen nog in de oorlog naar een grotere woning, want er  moet immers voldoende plaats zijn voor hen die terugkeren. Zo moet er voor de revolutie steeds nog een schepje bovenop gedaan worden, een laatste ruk gegeven worden, want al staat hij dan nog niet op wereldschaal voor de deur, dan toch wel in Zuid-Amerika of in Algerije.

De wereld veranderen

Voor Sal Santen moet de wereld veranderd worden. Want de armoe in die wereld heeft de dood van Saartje, gestorven aan tbc, op zijn geweten. En het nazisme heeft de vader, de moeder, de broer en de revolutionaire schoonvader Sneevliet en bijna het hele joodse volk vermoord. En het kapitalisme heeft twee wereldoorlogen veroorzaakt en met zijn kolonialisme de rest van de wereld uitgebuit. Genoeg redenen om revolutionair te worden. En Sal volgt het spoor van Leon Trotski die volgens hem de vlag van de socialistische revolutie heeft hooggehouden.

Maar hij wil ook een gezin terug zoals de nazi’s er een van hem hebben afgenomen: met 3 kinderen.

Verscheurd

Tientallen jaren lang  moet  hij verscheurd geweest zijn tussen ‘grote’ en ‘kleine’ belangen, tussen ‘algemeen’ belang en ‘eigen’ belang, tussen ‘revolutie’ en ‘kleinburgerlijkheid’, zoals dat in kringen met een groot doel voor ogen heet.

Tussen wereldrevolutie en gezin. Twee keer heeft de wereldrevolutie of de reactie daarop hem zelfs voor meer dan een jaar totaal van zijn gezin gescheiden: de eerste keer van november 1952 tot december 1953 als hij door de Vierde Internationale naar Zuid-Amerika wordt gestuurd, de tweede keer als hij in juli 1960 vanwege steun aan het Algerijnse verzet tegen het Franse kolonialisme samen met zijn voorman Michel Raptis 13 maanden in een Amsterdamse gevangenis moet doorbrengen. Beide periodes heeft hij beschreven in Adiós Companeros!(1974), in een herziene uitgave herdrukt in de politieke trilogie Poste Restante Rood (1986). Over de tweede periode heeft hij bovendien het brievenboek Dapper zijn omdat het goed is (Brieven uit de cel, 1993) gepubliceerd. De hier en daar in het artikel dat u nu leest afgedrukte fragmenten uit brieven aan zijn vrouw Bep zijn uit de Zuid-Amerikaanse periode.

Er zijn ook paters aan boord, waaronder vreselijke types.

Een Italiaanse matroos zegt tegen een Spanjaard dat ze Franco zijn keel moeten afsnijden. De Spanjaard beaamt het, maar kijkt angstig om. (…) Een Franse arbeider die naar Dakar moet: In Frankrijk geen derde wereldoorlog meer, dan komt er revolutie. Nog erger, interrumpeert de dikke Syriër verschrikt.

(uit brief aan Bep, geschreven aan boord van schip naar Zuid-Amerika, gepost op 14/11/1952 in Dakar)

MAAR er moet een derde belangrijke reden tot verscheurdheid in het leven van Sal Santen zijn geweest: het schrijven. Literair proza schrijven. Niet het schrijven van artikelen over de wereldrevolutie of verslagen van partijbijeenkomsten of het stenograferen van verhalen van anderen (hij was met een onderbreking van 4 jaar [1952 – 1956] van 1950 tot 1970 redactiestenograaf bij Het Vrije Volk). Behalve dat hij de wereld wilde veranderen, moet hij ook altijd al het plan gehad hebben om de grote drama’s in zijn leven te beschrijven  en het  opgroeien van een ‘jodenjongetje’ dat niet wist dat het een jodenjongetje was tot het door hatelijke anderen daarop werd gewezen: ‘Hee, smousie, wat doe jij hier eigenlijk?’ (in Jullie is Jodenvolk (1969) Het moet toen 1922 en hij moet toen zeven geweest zijn en net met zijn familie naar Tuindorp-Oostzaan verhuisd, in het uiterste noorden van Amsterdam, ver van de Jodenhoek waar zijn grootouders wonen  en ver van de Jordaan waar hij is geboren. Zijn vader roept hem binnen en zegt dat hij er voortaan op moet slaan als ze hem nog eens uitschelden. En dat terwijl hij Salie altijd verboden heeft om te vechten!

Literatuur komt in het werk van Sal Santen niet voor. Alleen in een ‘reflecterend’ boek als Schimmenspel (filmdagboek 1982, n.a.v. een film over zijn leven Sal Santen rebel door Rudof van den Berg). Zijn moeder heeft eens gezegd: ‘Die jongen moet in een bibliotheek werken.  Hij houdt zo van boeken.’ Ironisch genoeg zal dat pas gebeuren als hij in 1960 vanwege zijn revolutionaire werk in de gevangenis komt.

Ik ben maar een matig schaker, maar als je ziet hoe hier gespeeld wordt, erbarmelijk gewoonweg. Tot nu toe heb ik nog geen kans gehad mijn krachten te meten. Eén spel op zoveel mensen, probeer dan maar eens aan de beurt te komen als je alleen bent.

(uit brief aan Bep, geschreven aan boord van schip naar Zuid-Amerika, gepost 14/11/1952 in Dakar)

(Omdat je de geschiedenis kent, heb je ironisch genoeg de neiging te zeggen: ‘Rustig maar, Sal, over 9 jaar, in de cel, krijg je alle kans.’ Zie o.a het verhaal ‘Brammetje’ uit Deze vijandige wereld (1972)

In zijn jeugd moet zijn broer Maurits hem samen met een vriend eens een boek gegeven hebben waarin ze geschreven hadden: ‘Van 2 acteurs voor een auteur.’ In Adiós Companeros! zegt hij dat hij één keer op het punt stond om tegen zijn politiek leider en vriend Michel Raptis te zeggen dat hij eigenlijk altijd had willen schrijven, maar hij slikt het  in, want hij vindt dat hij het dan maar waar had moeten maken.

En zo wordt en blijft de revolutionair Sal Santen de eerste vijftig jaar van zijn leven een gemankeerd schrijver. Want schrijven en literatuur zijn zo opvallend afwezig dat ze niet anders dan verdrongen kunnen zijn. Zoals bij een droogstaande alcoholist ook dat ene glaasje niet kan, uit angst voor een terugval.

De brieven, vooral die van begin vijftiger jaren vanuit Zuid-Amerika maar ook die van begin zestiger jaren uit de cel, zijn hét voorbeeld van brieven van een schrijver die zichzelf (nog) niet toestaat schrijver te zijn. In de brieven uit Zuid-Amerika schrijft hij zich nergens uit, nooit gaat hij in op wat hem werkelijk bezighoudt, geeft hij zelfs maar een beschrijving die meer dan een alinea beslaat. En als je dan weet, uit o.a. Adiós Companeros!, wat hem allemaal voor ellende overkomt, dan moet er sprake geweest zijn van opzettelijke beperking.

Minder gunstig waren mijn eerste ervaringen. Er waren weer lichtzinnige beloften gedaan, en niet alleen ik was daar het slachtoffer van, maar ook de man die mij geholpen heeft. Ik zat vreselijk in de put en durf het je nu te schrijven.

            (uit brief aan Bep, Santiago, 13 augustus 1953)

Natuurlijk had die beperking op de eerste plaats als reden dat hij het in Nederland achtergebleven gezin niet  ongerust wil maken of ontmoedigen. Bep en kinderen hebben het immers al moeilijk genoeg, zelfs het geld voor hun onderhoud arriveert aanvankelijk niet op tijd. Bovendien blijft het de bedoeling dat ze hem achterna komen.

Maar dan nog, dan had hij toch over wat ‘onschuldiger’ zaken wat meer uit kunnen weiden. Maar als hij dat zou doen, zou hij aan het ‘schrijven’ raken en dan zouden die andere zaken ook opduiken, want schrijven betekent ‘reflectie’, je afvragen waar je mee bezig bent, en daar mocht hij niet bij stilstaan, hij moest vooruitkijken, het grote doel voor ogen houden. En bovendien, als hij zou gaan schrijven dan toch niet over zulke dagelijkse problemen, dan toch op de eerste plaats over de grote drama’s van leven en dood in zijn bestaan! Daar moest hij mee beginnen, dat was hij aan de nagedachtenis verplicht.

En zo is het ook gegaan. Hij wist toen nog niet dat de breuk met de revolutionaire beweging het volgende grote drama in zijn leven zou worden, en zijn andere literaire thema. Al zou het nooit zo’n belangrijk thema worden als het opgroeien met twee wereldoorlogen en alles wat daarmee te maken had, dat wil zeggen, als de eerste dertig jaar van zijn leven. Ondanks de aandacht in de pers voor juist vooral het thema van de breuk met de revolutionaire beweging, voor Adiós Companeros! dus.

Hij zal genoten hebben van het vertrouwen dat hij genoot, dat hem deed gekozen worden tot in het hoogste orgaan van de beweging, hij zal de voldoening hebben gehad dat hij wat deed voor de bevrijding van de onderdrukte volkeren. Maar hij moet ook steeds om zich heen gekeken hebben of er niemand dat praktische werk kon overnemen. Hij moet ermee doorgegaan zijn omdat anderen het minder goed deden: dan maar zelf doen, dan gaat het uiteindelijk beter en sneller. Maar hij moet ook al die tijd geweten hebben dat hij ergens anders toch nog beter en unieker in was: schrijven. En dat dat uiteindelijk dus ook zijn taak was.

Ik raad je aan om de onverkorte vertaling van Don Quichot te lezen. Don Quichot is hier erg populair. Grappen, vergelijkingen en dergelijke worden vaak aan hem ontleend, in alle kringen.

            (uit brief aan Bep, Santiago 24 augustus 1953)

En als de REVOLUTIE dan nog eens bepaald en belemmerd wordt door fractiestrijd, door onbetrouwbaarheid, door kinnesinne, dan wordt de innerlijke verscheurdheid tussen revolutie, gezin en schrijven van de mens Sal Santen steeds groter.

Hij keert pas terug uit Zuid-Amerika als zijn vrouw ernstig ziek wordt. Ze heeft nog getelegrafeerd ‘Blijf daar!’ maar haar lichaam geeft een ander signaal. Na ruim een jaar komt hij terug uit Zuid-Amerika en van de plannen om met zijn gezin naar daar te vertrekken komt niets meer terecht.

Aan het eind van dit jaar vol verrassingen, complicaties en zorg, zit ik dus op de boot, op weg naar m’n Beppeke en m’n jongens. Wat zullen we blij zijn, Bep, als we weer bij elkaar zijn. Dan blijven we bij elkaar, eerst in Amsterdam, en dan, naar Amerika.

            (uit brief aan Bep, 13 oktober 1953)

Afgejakkerd

Maar er verandert in de jaren daarna niet veel. Het blijft hollen, nog even alles op alles zetten. Binnen tien jaar is het voorbij. Dan is er ofwel een derde wereldoorlog of een socialistische wereldrevolutie. Nog even volhouden, Sal, zegt zijn leider Michel Raptis.

En ze begrijpen niet dat als hij een reis maakt voor de beweging naar Rome, Parijs of Algiers, dat hij, ‘de kleinburger’, de volgende dag weer gewoon op zijn werk moet zijn, in de nachtdienst. Hij holt van hot naar haar, jakkert zich zo af dat hij zijn been breekt. Er zijn complicaties, hij ligt maanden in het ziekenhuis. Komt dat even slecht uit voor de Beweging! Kameraad Santen wordt zo snel mogelijk terugverwacht om zijn werkzaamheden te hervatten! En in het ziekenhuis kan hij toch ook heel wat doen…

Niet kiezen

Hij kan de revolutie en zijn grote voorbeeld, Michel Raptis, niet in de steek laten. Hij kan niet kiezen, met zijn verstand kan hij geen afstand nemen van de beweging. Wat geeft hem het recht om niet langer te vechten tegen sociaal onrecht?

Dan maakt zijn lichaam de keuze voor hem en weigert nog langer dienst. Hij krijgt, zonder aanwijsbare reden, twee keer een longontsteking. En bovendien gaat hij opnieuw in therapie bij een psychiater die hem in de oorlog ook al eens tijdens een moeilijke periode heeft bijgestaan.

Dan kan hij eindelijk schrijver worden, het vak waarvoor hij, na alles wat hij in zijn leven zowel om den brode als om te wereld te veranderen heeft gedaan, het meeste talent heeft. Maar makkelijk zal hij het zichzelf niet maken: al schrijvend zal hij de eerste vijftig jaar van zijn leven opnieuw beleven en proberen te begrijpen. En wat valt er te begrijpen?

De grote thema’s

Vooral het boek Adiós Companeros! kreeg veel aandacht in de pers: de revolutionair, de hoge pief in de Vierde Internationale, die door zijn beweging een jaar naar Zuid-Amerika was gestuurd om daar de revolutie voor te bereiden, die in de gevangenis had gezeten vanwege steun aan het Algerijnse verzet, de man die tientallen jaren als communist (trotskist) actief geweest was, en nu met de beweging had gebroken en die allerlei intriges en kinnesinne van binnenuit beschreef, dát was interessant! En dat in een tijd dat sinds provo in Nederland en de culturele revolutie in China en mei ’68 in Frankrijk en de Maagdenhuisbezetting in Nederland juist allerlei radikaallinkse stromingen vooral onder jongeren zeer populair waren.

In een interview in Vrij Nederland van 1982 zegt Igor Cornelissen tegen Sal Santen dat hij zonder de Vierde Internationale als schrijver minder te melden had gehad. Maar hoe belangrijk ook in het leven van Sal Santen, achteraf, nu, weten we dat (de breuk met) de revolutionaire beweging maar een betrekkelijk klein deel van het literaire werk van Sal Santen inneemt. Eigenlijk maar één boek, 220 bladzijden, Adiós Companeros! dus. Het filmdagboek Schimmenspel gaat daar natuurlijk ook wel over, maar dat is geen gewoon boek, dat is een reflectie op de reflectie van de filmer Rudolf van den Berg  op zijn leven en vooral op zijn verhouding met Michel Raptis. In hetzelfde Schimmenspel staan een paar nooit eerder of later gepubliceerde fragmenten in romanvorm die de verhouding tussen hem en Michel Raptis beschrijven. Hoewel je begrijpt wat Sal Santen bedoelt, zijn het niet de beste stukken die hij geschreven heeft. En ook Adiós Companeros! is niet zijn beste boek, hoe belangrijk voor Sal persoonlijk en sociaal-historisch ook. Daarvoor moet er te veel verteld, uitgelegd en betoogd worden, wordt er misschien te veel begrip gevraagd en te veel geprobeerd te begrijpen wat er gebeurd is. Toen Multatuli, in Max Havelaar, wist dat hij veel zou moeten betogen (‘De Javaan wordt onderdrukt!’), kwam hij op het idee om dat af te wisselen met de verhalen van Droogstoppel en van Saïdja en schiep een van de meesterwerken van de wereldliteratuur. Waarmee, met een knipoog, gezegd is dat veel betogen en veel begrip kweken zonder meer, een moeilijke zaak is in de literatuur.

Maar het meesterlijke van Sal Santen ligt dan ook in zijn andere grote thema.

Meesterlijk

Het meesterlijke van Sal Santen ligt in het beschrijven van de eerste dertig jaar van zijn leven. Twee wereldoorlogen en de tijd daartussen. De grote drama’s van leven en dood die zich in de wereld en in zijn naaste nabijheid afspelen. Dit alles zeer ingehouden beschreven, door alleen te laten zien. Er valt niets te betogen, niets te begrijpen. Al vraagt hij zich wel voortdurend af hoe het kon gebeuren en houdt hij er een slecht geweten aan over. Bijna al zijn boeken gaan hier over. Mijn favorieten zijn: Jullie is Jodenvolk (1969), Sneevliet, rebel (1971), Saartje gebakken botje (1983) en De B van Bemazzel (1989).

Er zijn, behalve de hierboven genoemde thema’s, twee andere onderwerpen: de gevangenis en zijn ervaringen als werknemer bij Het Vrije Volk (De Rode Burcht). De gevangenis levert de beste verhalen op.

Liefdesverhaal

Maar behalve dit alles is Sal Santen ook de schrijver van  een van de mooiste liefdesverhoudingen die ik ken: die tussen Jules en Jeltje in Brand in Mokum (1977). Of moet ik zeggen: die van Jeltje voor Jules, want die is het prachtigst uitgebeeld? Maar of de geliefde nu Liesje (in Stormvogels, 1976), Jeltje of gewoon Bep heet, het is altijd Bep, het is altijd de ontroerende liefde van Bep voor haar ‘jongen’.

Dit steekt het prachtige ‘liefdesverhaal’ (over Engeltje en haar ‘jongen’) van Hans Fallada, Wat nu, kleine man?, naar de kroon. En het is natuurlijk een superieur eerbetoon aan de vrouw zonder wie Sal Santen geen revolutionair en geen schrijver geweest zou zijn.

Brand in Mokum

Brand in Mokum is ook in andere opzichten een bijzonder boek. De hallucinaties en dromen zijn zo goed geschreven als in Dennis Potters De Zingende Detectieve. Sal Santen splitst zich in dit boek op in 3 andere personages: de hoofdpersoon Jules die uiterlijk niet op hem lijkt maar voor de rest wel, Salz die een karikatuur is van het uiterlijk van Sal, en Sander over wie Salz een oorlogsverhaal heeft geschreven.

Hier komen liefde, lichamelijke en psychische problemen, de oorlog, de jeugd, de gevangenis, Het Vrije Volk, en, niet te vergeten, humor samen. Brand in Mokum is een (zeer onderschat)  literair meesterwerk.

In 1990, op vijfenzeventigjarige leeftijd, bij het verschijnen van zijn bundel Een slecht geweten, noemde Sal Santen zichzelf  ‘uitgeschreven’, zijn leven was in kaart gebracht. Hij publiceerde daarna nog  de van notities voorziene brievenbundel Dapper zijn omdat het goed is (1993) en De nalatenschap van Henk Sneevliet (1995).

Ik ben de laatste die Sal Santen op twee-entachtigjarige leeftijd zijn rust misgunt. Maar ik weet dat het schrijven in zijn hoofd doorgaat, al zijn de lichamelijke mogelijkheden beperkt. In een groots boek als Brand in Mokum heeft hij aangetoond dat zijn literaire mogelijkheden niet beperkt zijn tot wat hij heeft meegemaakt.

————————–

Ik voegde er destijds nog een stukje aan toe over het Letterkundig Museum en noemde het het

Literair Museum

Het is bekend dat Sal Santen bij het Literair Museum de brieven van zijn zus Saartje niet kwijt kon. Waren het nou brieven van hemzelf, de schrijver geweest, dan wel. Is de bekende pijp van de schrijver, die in zijn werk geen rol speelt, belangrijker dan gegevens over en van een van de belangrijkste personages uit het werk van Santen? Saartje komt in elk boek voor.

Boeken van Sal Santen

  1. Jullie is Jodenvolk (1969);
  2. Sneevliet, rebel (1971);
  3. Deze vijandige wereld (1972)
  4. Adiós Companeros! (1974);
  5. Een geintje (1975);
  6. Stormvogels (1976);
  7. Brand in Mokum (1977);
  8. De kortste weg (1979);
  9. Brieffragmenten (bibliofiel, 1981);
  10. Schimmenspel, filmdagboek (1982);
  11. Saartje gebakken botje (1983);
  12. Poste Restante Rood (Sneevliet, rebel; De Rode Burcht; Adiós Companeros!, 1986);
  13. Heden kijkdag (1987);
  14. Kinderdief (1988);
  15. De B van Bemazzel (1989);
  16. Een slecht geweten (1990);
  17. Dapper zijn omdat het goed is (brieven, 1993);
  18. De nalatenschap van Henk Sneevliet (1995);
  19. Een veertje in de wind (gedichten, niet in de handel, 1995);
  20. Jullie is Jodenvolk, De Kortste Weg en Saartje gebakken botje in één band (1998).

Op 25 juli 1998, 10 jaar na zijn dood, is van Sal Santen geen enkel boek nieuw verkrijgbaar!

Anno 2021 zijn de meeste van zijn boeken (slechts) als E-boek verkrijgbaar, een enkel ook nog tweedehands.

Mooi en interessant is ook het boekje van dochter Ellen Santen: Aan twee minuten stilte heb ik niet genoeg (1983)

DE WILDEMAN TWEE (uit Aan de lange Weg)

(Nieuwe FB-pagina’s als Veldhoven zoals het was , Meerveldhoven zoals het was, Zeelst zoals het was en Oerle zoals het was zijn voor mij aanleiding om fragmenten uit Aan de Lange Weg weer naarvoren te halen)

(Zie ook DE WILDEMAN EEN:
De Wildeman Een (uit Aan de Lange Weg van Meurs A.M.) – Meursam

De Wildeman Twee

“Laten wij het verhaal van de Wildeman dan maar afmaken en weer eens vooruitblikken in de tijd,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen.

(illustratie Ufuk Kobas)

            De Wildeman verdween op de dorpen een beetje uit beeld, hij scheen zich meer in de stad op te houden. Hij zou zelfs getrouwd zijn en gekalmeerd en zelfs al een paar kinderen hebben. Ook had hij een prijs gewonnen met zijn schilderijen. De beroemde schrijver – zelfs van de tv! – Louis Paul Boon, zou door weer en wind uit België zijn gekomen om een ten­toonstelling van hem te openen.

            “Dus hij kan echt wat,” zeiden zijn vroegere dorpsgenoten.

            Maar daar stond dan weer het gerucht tegenover dat hij met zijn kunst gestopt was en alleen nog maar ging vissen.

            Terwijl anderen weer zeiden dat hij al jaren bij Philips werkte en niets meer met zijn vroegere leventje te maken wilde hebben.

            “Hij is getrouwd, dat klopt,” zei iemand, “maar heeft zijn vroegere streken nog niet verleerd.”

            Want zijn vrouw, ook niet gek, was op een ochtend in een villabuurt achterom door de tuin gelopen, was door de tuindeuren naar binnen gegaan en had hem daar bij de vrouw des huizes uit bed gehaald.

            “Hoe rijker hoe geiler,” zeiden de mensen.

            Maar wat was er waar van het verhaal – en ook in dit verhaal is hij getrouwd, dus dát zal wel waar zijn – dat er een mooi jong meisje bij hem thuis had aangebeld met de vraag of ze de heer Mens kon spreken, ze had er nog een keer voor terug moeten komen, en toen ze tegenover hem zat, had gevraagd: “Meneer Mens, zou u mij willen ontmaagden, alstublieft?” Dat leek de mensen die hem van vroeger kenden een verhaal dat hijzelf de wereld in had gebracht.

            In werkelijkheid leest hij hele nachten, wist men te vertel­len, alles, Streuvels, W.F. Hermans, Boon, de brieven van Vincent van Gogh, Wilde, Céline, want hij is wel wild maar niet stom, zei men.

            Maar dat moest dan zijn omdat hij zijn leven gebeterd had nadat hij in Veenhuizen had gezeten en was afgekickt.

            “Zijn leven gebeterd? Welnee! Hij is pas nog door zijn beste vrienden in elkaar geslagen.” Hij had de vrouw van een van zijn vrienden gepakt na een gezamenlijk avondje met vrienden en hun vrouwen. Maar dat was niet de reden. Hij had haar mee naar zijn atelier genomen, daar had hij wat linnen en andere rotzooi op de vloer gelegd en hadden ze liggen pinnen, zoals hij het noemde. Alle honden van de buurt hadden de hele nacht geblaft. En dat was de reden dat de bedrogen man, die ook in die buurt woonde, zo woedend was geweest: hij had geen oog dicht kunnen doen.

            “O, daarom is hij natuurlijk een tijd in Antwerpen ondergedo­ken,” zei iemand. En dat niet alleen, hij scheen terwijl hij daar was zelfs helemaal geen alcohol gedronken te hebben. Wilde zeker niet riskeren dat hij nog eens in elkaar werd geslagen terwijl hij dronken was.

            Nounou, komkom, dan zou hij ook op moeten houden met zelf allerlei verhalen rond te strooien. Want daar zit hij op de vroege morgen bij De Poort van Kleef met een grote pils voor zijn neus aan een jonge vriend – is dat niet Jan Weels? – te vertellen: “En drie uur doorgaan zonder erin te komen, en omdat ik zoveel gedronken had kon ik dat volhouden, snap je? En dan eindelijk erin, geloof me dat ze het gevoeld heeft!… van dat degelijke gele spul weetjewel… van onderen beginnen, jonge, en met de snor erdoorheen, dat vinden ze fijn. Ze schrok er af en toe van wat ik deed, maar dan hè, helemaal weg hè! En dat was mooi, vanmorgen wist ze niet hoe ze me buiten moest krijgen – ik zal je de situatie daar wel eens laten zien. Heeft ze hier een kamer vooraan de weg en vlak daarnaast is een slage­rij, en daar hangt nu nog alleen maar een gordijn tussen, tussen haar kamer en de slagerij. En vanmorgen vroeg begon die slager al te hakken, dus moesten we heel stil zijn. Hij riep al een keer: ‘Ja vervelend!… heb ik je wakker gemaakt?… dat is maar een paar keer per jaar dat ik zo vroeg aan de gang moet!…’ Moet je je eigen voorstellen: lig ik daar te neuken en vlak daarnaast staat die slager in het vlees te hakken… Ik dacht: dadelijk komt-ie vast binnen en béng!… Ik moest dus op het binnenplaatsje gebukt langs het raam van de slagerij, heel stil en voorzichtig, loop ik vlug naar de poort… zit die godver­domme op slot, en een schutting zo hoog!, echt niet om over­heen te klimmen – ik zal het je wel eens laten zien, dan klop ik wel een keer tegen haar raam. Dus ik moet weer terug, en dat allemaal in de regen, want ik ben nog kletsnat… moet ik haar gaan halen, godverdomme jongen… komt zij buiten met alleen maar zo`n maillot en een bh aan, weetjewel… en in die regen gaat ze de poort openmaken… en net op dat moment komt de slager buiten, met een grote dampende bak van het een of an­der… Dus in die regen voor die schutting ik daar, zij met alleen maar een zwarte bh en maillot… en dan die slachter met die grote dampende bak, balkenbrij of zo, denk ik. Jongejonge, ik kan nou nooit eens gewoon neuken, altijd moet dat iets aparts zijn… toen daar op die houten vloer van mijn vorige atelier terwijl al de honden van de buurt de hele nacht lagen te blaffen, en nou dit weer!”

            Nee, als je midden in de kroeg zulke verhalen zit te vertel­len, dan wordt het niet rustig rond je. Maar toch raken steeds meer mensen ervan overtuigd dat al die verhalen nooit op het conto van één persoon kunnen worden geschreven. Dat de Wildeman op totaal verschillende plaatsen gelijktijdig is gezien, is daarvan het beste bewijs.


En zo maakte hij van zijn ouderlijk huis een plaats zoals hij dacht dat de echte Wildeman er een moest hebben.

            En dan wordt er inderdaad een dubbelganger gevonden. En niet zomaar eentje. Een dubbelganger die in dezelfde straat in het dorp aan de Lange Weg is geboren, dus alles weet van de achtergrond van de Wildeman. Die zich zijn uiterlijk heeft aangemeten en zich voor hem uitgeeft in de stad en in de dorpen er omheen en zelfs kroegschulden op zijn naam heeft achtergelaten. Het is een man die een jaar of vijf jonger is dan de echte Wildeman en die als jongen door zijn ouders, die een slagerij hadden en in de wereld samen met hun kinderen vooruit wilden, van de dorpsschool werd gehaald omdat hij niet mee kon komen, waarvan de ouders, zoals meer mensen uit de middenstand en ‘het groot’ van het dorp, de school de schuld gaven. Toen moest de jongen die niet kon leren, en waarvoor de stadsschool evenmin hielp, elke dag de kilo­meterslange weg naar de stad fietsen terwijl hij wist dat het niks uithaalde. Toen al moet hij gedacht hebben dat hij op een andere manier door het leven moest zien te geraken, want dat hij persoonlijk gewoon te weinig had meegekregen. Hij werd dan ook geen slager, laat staan dat hij hogerop kwam, wel bleef hij in het ouderlijk huis wonen dat allang geen slagers­winkel meer was sinds zijn ouders dood waren. Sommigen dachten aan een kringloop-winkel, want die kwamen toen in de mode. Maar hij verkocht niets, hij verzamelde in en rond het huis allerlei rommel waar hij niets mee deed, en gooide evenmin iets weg. En zo maakte hij van zijn ouderlijk huis een plaats zoals hij dacht dat de echte Wildeman er een moest hebben.

            Maar de ontdekking van deze dubbelganger deed dan weer het gerucht toenemen dat er misschien wel drie Wilde­mannen waren en dat de echte zich allang had teruggetrokken en al dertig jaar bij Philips werkte en binnenkort met pensioen ging.

            Toch wilde weer een ander verhaal dat de Wildeman een succesvol kunstenaar was, die door de bekende museumdirecteur Rudie Fuchs was ontdekt, en met hem naar Amsterdam was verhuisd en exposeerde in de belangrijkste musea ter wereld.

 …en ook die ‘godverdommese bloedmooie meid van een Petra’ nooit meer noemt…(pag. 237 Aan de Lange Weg, illustratie Ufuk Kobas)           

Niemand weet het.

            “Maar ik weet wel,” zegt iemand, “dat de echte Wildeman gestopt is met het vertellen van verhalen over vrouwen en ook die ‘godverdommese bloedmooie meid van een Petra’ nooit meer noemt, nadat hij haar onverwacht heeft aangetroffen bij zijn ouders thuis die toen nog leefden: een oude vrouw met spierwit haar die zei dat ze maar eens opstapte omdat ze nog moest poetsen. En die dus blijkbaar door de smetvrees was gegrepen, net als vroeger buurvrouw Van de Stal, bij wie ze nog ooit aan de deur was geweest voor een betrekking, en die de kolenkist vanbinnen schrobde.”

            En de vrouw van de Wildeman zou gezegd hebben: “Het is maar goed dat hij haar zo eens heeft gezien, hij altijd met zijn verhalen!”

            De Wildeman zelf had haar naam nog één keer genoemd toen hij haar broer aanhaalde: “Onze Petra zou nooit gek zijn geworden als ze met jou was getrouwd.”

            Daarna noemde de Wildeman haar naam nooit meer. En ook schepte hij nooit meer op over andere vrouwen. Dus als er toch nog zulke verhalen de ronde doen, dan komen die vast van zijn dubbelgangers.

            “Ziezo,” zeggen de Vrouwen van de Eerste Huizen.


(uit Aan de Lange Weg, roman van Meurs A.M., geïllustreerd, hier graag bestellen via mijn Boekwinkeltje Wonderland, in nieuwstaat en zonder verzendkosten. U koopt rechtstreeks bij de schrijver die de kosten voor de uitgave zelf gefinancierd heeft. Zo u wilt, gesigneerd. Hartelijk dank!)

Zie ook:
Adams(Boon)-special bij het overlijden van de kunstschilder Willem Adams (1937 -2022), met Persoonlijk eerbetoon, onze kennismaking zoals beschreven in Aan de Lange Weg, Willem- Adams over Louis Paul Boon in Eindhoven, de 3 autotochten heenenweer tussen Eindhoven en Erembodegem in België, de opening in 1967 van zijn tentoonstelling door Boon, de expositie, de problemen met de kunstenaarsregeling de Contraprestatie, de Sociale Dienst, met de publicaties in het Eindhovens Dagblad. Ook de Boontjes in het dagblad Vooruit, en Willem Adams als model voor personages in mijn schrijven, 16 pag, waarvan 4 met afbeeldingen in kleur: €4 plus €1,92 verzendkosten. Klik op de link voor veilig bestellen via Boekwinkeltje Wonderland:
Adams(Boon)-special

20 Jaar geleden stierf MOEMOE (uit Aan de lange Weg)

20 Jaar geleden stierf MOEMOE
Dat kwam zo in Aan de Lange Weg terecht:

<Dan moemoe. Die ging zoals ze zesentachtig jaar geleefd had, rustig haar plicht doend, en vooral zonder ophef. Hoewel, spectaculair was haar dood toch heel even, in ieder geval van dichtbij. Haar temperatuur steeg tot ongekende hoogte, tot drieënveertig graden. De digitale thermometer sprong stuk en ook twee haastig opgehaalde gewone thermometers begaven het. Toen zuchtte ze en was dood. Buiten de paar vierkante meter van de ziekenhuiskamer had niemand iets gemerkt, zelfs de vrouw in het bed naast haar sliep rustig door. Maar A.M. luisterde, nadat hij haar dood telefonisch had doorgekregen, vijftig kilometer daarvandaan naar de radio en merkte dat hij verwachtte dat ze haar overlijden bij het nieuws zouden melden. Hij hield dat zo een paar dagen.>

Uit het hoofdstuk: ER VALLEN WEL VEEL DODEN: https://meursam.nl/?p=1163

DE VROUWEN VAN DE EERSTE HUIZEN: ER VALLEN WEL VEEL DODEN… SCHRIJVEN TEGEN DE VOORUITGANG? ‘MIJN ZOON IS DOOD!’ JAMMERT HANNA BOSMANS VAN DE EERSTE HUIZEN
Op facebook met foto’s en bijbehorende hoofdstukken/ verhalen: https://www.facebook.com/ton.meurs.7/posts/3851029394916030

De dood van mijn vader (in het hoorspel De Gekke Onderwijzer en in de special HetWerk43 uit 2006 over het theaterboek Spelen)

(in mijn ‘werk’)


6 juli 2021
Vandaag is het 45 jaar geleden dat mijn vader, Theo (Theet) Meurs overleed. Zijn dood beschreef ik kort in het hoorspel De Gekke Onderwijzer. Naar aanleiding van het verschijnen van het boek Spelen met 4 theaterstukken, waaronder dat hoorspel, maakte ik een Theaterspecial van mijn literair kladschrift HetWerk43 uit 2006 met als titel De dood in vele gedaanten. Zie hieronder Waar de doden vandaan komen, de inleiding en de uitleg bij deze special, eveneens in HetWerk43.
De eerste dode over wie ik daar schreef was mijn vader. Theet Meurs werd geboren op 29 juni 1906 in Gelderland. In 1929 verhuisde hij naar Veldhoven in Noordbrabant. Daar bleef hij wonen tot aan zijn dood. Theet staat model voor Leo Weels in de roman Aan de Lange Weg.

Mijn vader

De dood van mijn vader was puur drama, en dat was het ook zowel ervoor als erna. Hij was bezig zijn horloge aan zijn grote teen te doen. Daar kun je om lachen. Maar daaraan zag mijn moeder dat het mis was. Hij wilde zich aankleden om naar het ziekenhuis te gaan voor controle. Na jarenlange pijn was hij aan zijn been geopereerd en nu ging het beter. De dag ervoor had hij zijn zeventigste verjaardag gevierd. Hij overleefde die eerste hartaanval. Als hij niet binnen vijf dagen een nieuwe zou krijgen, was de kans groot dat hij er weer bovenop zou komen. Op de vierde dag mocht hij van de intensive care. Aan de tafel in de ziekenhuiskamer zaten drie kamergenoten klaar om te gaan kaarten. Ze zeiden: “Theet, kom je?” Toen hij niet reageerde en ze naar hem keken zat hij dood in de kussens.

De acht kinderen hadden onderling contact over de bezoekregeling. Er waren nog geen mobiele telefoons. Men wist wanneer wij kwamen. Mijn broer kon me daarom al op het station opvangen.

Een van mijn zussen had minder geluk. Op haar ervaring is het begin van de scène hiernaast gebaseerd.

Wanneer iemand zei: “Nou ja, zeventig,” dan werden we kwaad, want we hadden helemaal niet het idee dat hij oud was, bovendien was hij het pas net. Op zijn zevenenvijftigste had hij op de bouw moeten stoppen vanwege de pijn in zijn heup en benen. Zijn collega’s moesten hem op zijn brommer zetten en hem aanduwen. Thuis stapte hij af door zich met brommer en al tegen de muur van het smalle gangetje tussen de woningen te laten zakken.

Toen hij na jarenlang gesukkel en pijn geopereerd was, leek hij van zijn oude dag te kunnen gaan genieten. Hij werd ook milder, zijn humor kwam boven, misschien door de afwezigheid van pijn.

Ik woonde al acht jaar in Amsterdam. Hij was nooit op bezoek geweest. Misschien wilde hij niet weten dat ik ongehuwd samenwoonde. Een paar weken voor zijn dood kwam hij opeens. Had hij iets voelen aankomen?, denk je dan achteraf.

Door zijn plotselinge dood was de eerste week van onze vakantie komen te vervallen. Kort na de begrafenis zaten we op een zondagochtend in de brandende zon op een paard dat in de Franse heuvels achter andere paarden met ruiters aan sukkelde. Toen er een kerkklok begon te luiden kreeg ik het te kwaad.

Hij heeft maar twee van zijn acht kleinkinderen gekend. De zelfmoord van zijn dochter is hem bespaard gebleven. Het heeft jaren geduurd voor ik in staat was de scène van hiernaast op te schrijven.

GEKKE ONDERWIJZER: (normale stem, wel enigszins ge­jaagd)
Ik kwam op bezoek
wist van niks
hij was niet op zaal
ga zuster zoeken
trek gordijnen opzij
stoot op hem:
dood! (
wacht)
dat bleke gezicht
de ogen een beetje open
ik gil het uit…
(
stilte)
maar even later
als de anderen erbij zijn
is zijn voorhoofd ijskoud
aan mijn lippen

en wij staan daar verbijsterd
in dat rommelhok
waar een paar te snel
dichtgetrokken gordijnen
mijn vader afscheiden
van de dingen die alleen
met elkaar gemeen hebben
nergens anders een plaats te hebben
en ik schop woedend tegen een bed
als een priester profiteert:
‘heer, zie de droefheid van deze mensen’
en schreeuw: ‘sodemieter op!’
en het deed me goed te horen
dat hij die zo vroom was
al die dagen op de hartbewaking
niet naar een priester had getaald.

(uit De Gekke Onderwijzer, pag. 116, 117)

Uit:
HetWerk
(toen nog!) Maandelijks literair kladschrift van Meurs A.M.
9e Jaargang
Nr.43, 24 januari 2006
www.meursam.nl
hetwerkliterair@hotmail.com

Waar de doden vandaan komen

Dit is een theaterspecial die ik heb gemaakt ter gelegenheid van de ver­schijning van mijn boek Spelen. Dat wil in dit geval zeggen dat hij over mijn toneelstukken gaat. Maar het gaat niet over toneel. Het gaat over de tekst. Over de dood in de tekst dwars door alle toneelstukken heen. Vaak is het de dood van familieleden, van bekenden van mij, de schrijver van de stukken. En het personage dat over de dood van zijn vader vertelt, die in feite de dood van mijn vader is, is een totaal ander karakter dan het personage dat over de dood van zijn moeder, die in feite mijn moeder is, vertelt. Ze zitten niet eens in hetzelfde stuk en ze zijn ook geen familie van elkaar. Wat betekent dat? Dat betekent dat ik totaal verschillende karakters in totaal verschillende omstandigheden een stukje uit mijn le­ven, een stukje dood uit mijn leven heb meegegeven. Zo ver ben ik ge­gaan om me in het karakter in te leven. En toch zijn deze karakters geen alter ego’s. (Zie het voorwoord uit het boek Spelen dat achter in dit nummer van HetWerk staat.)

Dit nummer van HetWerk gaat over de dood in vele gedaanten. Dat is een mooie uitdrukking, mooier dan de dood in vele vormen of op veel manieren. Gedaante maakt de dood tot een levend wezen: de man met de zeis, Pietje de dood. De tuinman en de dood. Ispahan. De dood als meisje van acht. Ook prachtig. “Tenslotte werd zij de moeder van te veel dode kinderen.” Heel mooi. Over de net gestorven moeder, die het niet meer zag zitten toen ze vier van haar, ik meen, zeven kinderen had overleefd. De dood in deze, zojuist genoemde gedaanten komt niet voor in mijn toneelstukken.

De dood heeft in mijn toneelstukken, en dus ook in dit nummer van
HetWerk, wel de gedaante van mijn vader, mijn moeder, mijn zus, mijn oom, van de dichter Frans Babylon, verschillende buurvrouwen en enkele andere doden die ik niet persoonlijk gekend heb. Ten opzichte van het boek zijn er in dit nummer van HetWerk zelfs weer enkele doden bij gekomen, zoals mijn buurman, de filmmaker Emil Busurcã. De dood in de gedaante van de doden, de dood soms ook in de gedaante van de daders. De on­verwachte en de gewenste dood, de dood als ouderdom, de dood als moord. De moord op eigen houtje, de moord van staatswege, met het recht en God aan zijn kant. De dood als oorlog, de dood als genocide. De zelf gewenste dood, de zelfmoord, de dood als verlossing.

Ik was me er niet van bewust, en ik was zeker niet van plan, dat het hoorspel De Gekke Onderwijzer over de dood zou gaan, ik wilde oor­spronkelijk gewoon die onderwijzer in de kerk en in zijn bibliotheek laten zien.

Voor de stukken zelf is het niet zo interessant waar de doden vandaan komen, ze hebben gewoon hun functie in het stuk. Maar ik moet toege­ven dat je niet zomaar iemand de dood van je vader of moeder laat ver­tellen, als waren het zijn vader en moeder. Als we het over het stuk
Srebrenica of de mandaad hebben: ik ben geen bewonderaar van de Oudere Militair, ik vind het een beetje een lul, maar wel van een lulligheid die ook bij onszelf altijd op de loer ligt. Hij “mag” wel de dood van mijn/zijn moeder vertellen. Het is volkomen ondenkbaar dat de Vluchte­ling/Generaal uit hetzelfde stuk dat zou mogen of een bruut als soldaat Herman.

Is het voor de toneelstukken zelf niet zo interessant, voor HetWerk, dat niet alleen de proeftuin is voor nieuw werk maar ook achtergrond wil ge­ven bij geschreven werk, kan wel de keuze gemaakt worden om aan te geven, op de eerste plaats, dat die doden in vele gedaanten er zijn en, op de tweede plaats, waar ze vandaan komen.

Temeer omdat de schrijver zelf zich daar ook eerst van bewust moest worden.

Spelen, 4 theaterstukken van Meurs A.M.
Aan de Lange Weg, roman